|
|
|
| |
| | | |
Kracht.
Ik wenschte mij een koopren kop,
Koel, vaardig te aller uur;
Geen mijmrend hoofd, nu licht, dan zwaar,
Straks brekend, berstend uit elkaêr,
Vol storm of zand of vuur;
Een hart, dat, als een friesche klok,
Geen ding, bij ieder vreugd of smart,
Bij ieder tochtjen uit de vert',
Ik wenschte mij een effen blik,
Dat nooit verried wat liefde of haat,
| | | |
Wat lust of luim, of goed of kwaad
En voorts - een forschen lichaamsbouw,
Een grofgespierde knuist;
Wie met de kracht des vleesches lach',
Iets olifantisch' baart ontzag
En 't geestje vreest de vuist.
Ik wenschte, ik ware een dikke reus,
Zoo wandelde ik door 't leven rond,
Flegmatisch, kalm, bedaard, gezond,
En kende strijd noch pijn....
O lach niet: 'k zweer u dat ge mij
Niet om dit liedje lacht!
Deez' prozawensch, deez' prozakreet
Is vol verborgen zieleleed -
Eens teedren dichters klacht.
|
|
|