|
|
|
| |
| | | |
Opvoeding.
Ik heb een leelijk trekje
Ontdekt in 't kleine hart
Van ons aanvallig bekje -
Dat baart mij groote smart.
Hoe 'k best dat hartje kneden,
Met rede of krachtbetoon?
Met strijden of met streelen
Met vrees of hoop op loon?
| | | |
Met plooien, pleistren, schikken?
Met onweêrstaanbren dwang?
Met groote, booze blikken
Met ééne les voor 't leven,
Een harde les, misschien?
Met kort en zacht vermanen?
Of mooglijk - met een preek?
Ik vreesde, o kinderoogen,
Zoo stond ik te overleggen
Hoe ik mijn trouwloos wicht
Het juiste woord moest zeggen
En brengen tot haar plicht.
Zoo stond ik half verlegen,
Wat hier de weg zou zijn?
| | | |
Gelijk mijn plicht mij riep,
Dat hartje gaê geslagen, -
Maar 't kinderhart is diep!
Vast zou ik minder schromen,
Doch mooglijk zou 't niet passen,
(Een ding kan ons verrassen!)
Dus vraagde ik God een lesje -
Daar kwam zij aangetreên,
't Hooghartig zondaresje,
Van-zelf, met wankle schreden,
Met schaamte in blos en blik,
Daar kwam zij aangetreden
En heeft haar schuld beleden -
Raad, wat ik hieruit leer?
| | | |
't Geval was mij een teeken,
Een teeken trouw en goed:
‘Wacht - bidt! God zelf wil spreken
‘En weet, wat rede of roede
Ooit vaardig breng' terecht -
Méést werkt de kracht ten Goede
Door Hem in 't hart gelegd.
‘Wat zwakheid moog bederven,
Uw wijsheid doet veel meer
Vaak 't wonderbloempje sterven,
Dáár kiemend tot Zijn eer!’
|
|
|