|
|
|
| |
| | | |
Morgen bij de Duinen.
Alles lacht, alles zingt,
Alles bloeit, alles blinkt
Hier zoo lieflijk als immer te voren:
Toch heeft alles zijn lichtglans verloren.
Naar mijn Duinen niet meer,
't Levenslustige hart, zal ik staren:
Aan hun voet, onder de aard,
Rust een stof, ons zoo waard,
Rust.... de vreugd van vervlogene jaren.
| | | |
Aan den voet van ons Duin,
Vaak mijn lied van Gods zegen verhaalde,
Daar rust, lieflijke, gij,
Als een lachende zonne bestraalde!
Waart gij schoon, waart ge goed,
Blonk een minnend gemoed,
Uit die trouwe, die zusterlijke oogen.
Ook geen danktoon voor God,
Die daar kinderlijk oprees ten hoogen?
Zachte lievling van zuster en broeder;
Frissche jeugd, zonder smart,
Liefste vrouw en verruklijke moeder!
Als uw stemme zoo schoon,
Klonk geen nachtegaalstoon
Immermeer langs de vredige heuvelen:
Als ge 's middags in 't woud,
Bij uw eerstling op 't mos zat te keuvelen!
| | | |
Waar gij traadt, kwam de vreê
't Was geluk, uw geluk maar te aanschouwen,
Want van 't helder gezicht
Vroolijke onschuld en dankbaar vertrouwen.
Op uw zerk straalt de glans
Om uw graf ruischt de vroolijke morgen.
Alles fluistert een lied,
Alles lacht, als een jeugd zonder zorgen....
Maar de glans uwer jeugd,
Die mijn ziel heeft verheugd,
Schijnt niet meer in de bloeiende gaarde,
En voor 't kluisje uwer trouw,
Speelt een knaapjen, in rouw -
Gij zijt treurig, o heerelijke aarde!
Bloemendaal. 1857.
|
|
|