|
|
|
| |
| | | |
Op een Kind in Mei geboren.
| |
I.
Een jongentje in den Mei,
De feestmaand, de uitverkoren
Zijn wieg staat tusschen rozen
Verbaasd het broertjen aan;
Met haar uit wandlen gaan?
| | | |
Zijn vaders hart vloeit over
Van weelde, liefde en dank;
De nachtegaal in 't loover
Zingt: ‘Welkom in dit leven,
Pluk bloemen in zijn dreven,
‘Zie, aardig lentewichtje!
Lief kopje, fijn en blond,
Steeds met een schalk gezichtje
Blijmoedig hier in 't rond!
‘Groei, onder 's Heeren zegen,
Als 't bloempje van 't getij,
Voorspoedig in den regen,
‘Blik onder vreugde of smarte,
Steeds met een open harte
‘Doet ge ooit een liedje hooren,
Zoo klink' het vroom en vrij,
Als 't lied der lentekoren
| | | |
‘De God der lente spreide
U zachtkens, trouw en goed!
‘Bloei in uw vaders gaarde,
Bloei aan uw moeders zij',
Hun schoonste bloem op aarde,
Gij knaapje van den Mei!’
| |
II.
Een logen bleek u 't lied van Mei,
Een droom - de beê der Poëzij.
De wind der duinen, klagend over
Uw moeders graf, door 't dorre loover,
Zong, kind der Lente, droef en bang
U ras een andren wiegezang....
Toen vloodt gij-zelf naar beter dreven
En zijt geen tweeden Mei gebleven -
Wel mocht ge na dit wreed begin!
Ach toch, wat bloemen de aard kan geven,
Hij heeft geen Meimaand in het leven,
Die vroeg u derft, o moedermin!
|
|
|