|
|
|
| |
| | | |
Neen.
Gelukkig hij en vrij en vroed,
Die neen durft zeggen, neen,
Dat bondig woord, vol mannenmoed,
Neen tot zijn kind, zijn vriend, zijn vorst,
Uit hooge niet, maar vrome borst,
Neen, voor den naam, den roem, de macht,
Den top der blinkende eer,
En waar Fortuin hem lokt en lacht:
| | | |
Neen, in 't beslissend uur van 't lot,
Als 't machtig geestenkoor
Des wijzen kloekheid vaak bespot
Neen, tot den Booze, in lichtgewaad!
Die 't edel hart verleidt;
Den Booze - met het zacht gelaat,
Neen, tot zich-zelf, zijn slingrend hart,
Neen - met een traan van spijt, van smart,
Gelukkig, op de gladde paên
Des levens, die 't vermag;
Die man zal recht en veilig gaan,
Ons Ja volgt menig lang berouw,
Te lang, te wreed, te spaê....
Voor 't onbedachte woord der trouw
Ons lat, ons roekloos Ja baart pijn,
Bezwaart, verstrikt, voert mee....
Ons Neen wekt haat, kost moeite en strijd,
| | | |
Verkiest gij rust, voor schande en schaê,
Bij 't wisslend levenslot,
Zeg meestal neen, maar zelden ja,
Volg Hem, die tranen en gebeên
Weerstond op harden toon,
En neen sprak tot zijn vriend - en neen
|
|
|