|
|
|
| |
| | | |
De Schoenlapper van Alexandrië.
+
Ora et labora.
verkocht zijn have en goed
En gaf den armen al zijn deel;
Straks, in de Egyptische woestijn
ontvlood hij, voor altijd,
Een wereld die in 't booze ligt,
met al haar zonde en strijd.
Zijn woning was er - geen paleis;
al 't huisraad van zijn kluis:
Een drinknapje en een perkament,
| | | |
En eenzaam sleet hij jaar en dag
steeds in den eigen kring
Van psalmgezang en vroom gebed
Nu zonk hij weg, nu smolt hij weg
Dan weer vervolgde hij zich-zelf
Hij vastte, waakte, leed, bedwong
al de eischen der natuur:
Hij maakte zich, tot Godes eer,
Maar tweemaal 's jaars (zijn woestenij
verschafte vrucht noch blad)
Bracht vriend of maag hem brood en zout
Geen levende anders dien hij zag
in 't onherbergzaam oord,
Geen menschenstem werd mijlen ver
ooit in het rond gehoord.
Geen schepsel anders, dien hij zag -
Den Booze, naar hij dacht vermomd
| | | |
Den Booze, die daar fluisterde,
Van 't nuttig, werkzaam leven in
den strijd der maatschappij!
Den Booze die hem 't lieve beeld
vertoonde, in stillen rouw,
Der zuster, die hij overliet
aan vreemde zorg en trouw!
Ook menigwerf, ontroerd, geschokt,
Weerstond hij maar ternauwernood
dien aanval op zijn hart.
Doch hij bestond; de Booze week....
en, in den geest verheugd,
Dacht hij zich telkens meer volmaakt
En eenmaal, na volstreden kamp,
Tot Hem die uit des vijands klauw
‘'k Heb al mijn leven in Uw dienst
Ik stierf der wereld af; ik vlood,
ik schuwde al 't aardsch genot....
| | | |
‘Ik hoorde 't hartontblootend woord,
Eens tot den rijken jongling sprak,
en - willig deed ik meer!
‘Ik stond mijn vele goedren af
voor 't hoogste en éénig goed;
Ik haatte zuster, maag en vriend,
ik kruiste vleesch en bloed!
‘Ik leefde een leven van gemis
in 't diepste der woestijn,
Alleen met U, alleen voor U,
die steeds mijn deel moogt zijn!
‘Nu, geef me een teeken Uwer gunst,
Hoezeer het offer, dat ik bracht,
‘Of, Heer, zoo mij nog iets ontbreekt,
verklaar 't mij, door Uw woord...’
Zoo bad hij in vervoering en -
Hij strekte 't rustloos hoofd ter rust
en, in de nachtwaak, stond
Een bode van den hemeltroon
aan 's kluiznaars harde spond.
| | | |
‘Antonius! ga, maak u op!’
‘Reis heen naar Alexanders stad
en, merk dit woord u wél:
‘Vraag naar een zeekren Simon daar,
wiens huis is in de straat,
Genaamd de Rechte; en, op uw beê,
ken Gods gedachte en Raad.
‘Deez Simon is een Christenman,
wiens vroomheid juist zoo hoog
Als de uwe staat geschat, spreekt God,
Antonius rees dankende op
en fluks, in vroom gepeis,
Van d' onbekenden vrome vol,
Heet was de zonne der woestijn -
hij werd niet moe; de nacht,
Schoon bang, weerhield zijn schreden niet,
maar schonk hem nieuwe kracht.
In 't eind, na menig dagreis, blonk
de Stad hem in 't gezicht,
Toen 't brandpunt, tusschen Oost en West,
van Handel, Wijsheid, Licht.
| | | |
Maar déze Pelgrim had geen oog
voor al haar bont gejoel,
Voor obelisk, noch zuilenrij,
noch kunstenschat - gevoel.
Hij vroeg naar 't prachtig renperk niet;
hij zag 't - maar zag niet om.
Hij joeg, met strakken blik, voorbij
Hij joeg en vroeg, gedurig weer,
naar Simon, Simon slechts!
Ras vond hij straat en huis.... doch stond
en keek toen, links en rechts....
Hij trad op 't laatst, (wat kalmer toch,)
een zeekre werkplaats in,
Daar Simon zat, te midden van
‘O Simon, wees gegroet!’ riep hij;
ook Simon zeî: ‘Gegroet!’
En sloeg terwijl een schuinen blik
naar 's pelgrims barren voet.
- ‘Gij zijt een Christen?’ - ‘Dank zij God!’
- ‘Wat doet ge, o heilig man?’ -
‘'k Lap schoenen,’ sprak de heilge weer,
‘och, geef die leest reis ân!
| | | |
- ‘Ja.... doch, wat meer?’ - ‘Wat meer? ei Heer!
ik werk van 's morgens vroeg
Tot 's avonds laat! mijn trouwe God
geeft me altijd werk genoeg.’
- ‘Zoo geeft ge van uw ruim gewin
wel veel in aalmoes weg?’
- ‘Dat weet ik niet! ons groot gezin
- ‘Doch bij uw werk vast peinst ge veel?’
- ‘Ik.... zing den ganschen dag.
Mij dunkt dat hij die bidt en werkt,
- ‘Gij bidt dus veel,.... hoe menigmaal!’
En de ander sprak: ‘Gezet
Des avonds rijst mijn dank tot God,
- ‘En hoeveel uren brengt gij door,
Hoe lang wel rekt ge uw nachtwaak soms?’
- ‘Ik, Heer? - ik slaap meteen...
‘En 'k bid nooit lang! de Meester zegt:
Gebruik geen woordenvloed,
Geen breed verhaal! Ik kan 't ook niet;
en 'k bid maar, kort en goed:
| | | |
‘Dat God mijn dierbre stad en mij
steeds in Zijn gunst gedenk,
En elk, die werken wil voor 't brood,
Zijn besten zegen schenk!’
Antonius, na dit bescheid,
vlood henen, gansch ontsteld....
Maar heeft van 't wondervreemd geval
nooit iemand iets verteld.
1857.
|
+De kundige lezer - geen vreemdeling in de Kerkgeschiedenis - zal oordeelen misschien, dat in dit gedicht de sombere, doch edele figuur van Antonius, ‘den vader der Monniken,’ (A. 300), ten onrechte in een meer of min belachlijk licht wordt gesteld. Maar wij doen opmerken, dat de bekende kluizenaar hier niet als historisch persoon wordt geschilderd, maar meer als type is genomen. Wie over den Antonius der historie een schoone bladzijde wil lezen en een billijk oordeel vernemen, zie de ‘Geschiedenis van het kerkelijke leven der Christenen gedurende de zes eerste eeuwen’ door W. Moll, Deel I, pag. 56 volg. Voorts meenen wij dat de toon, waarin het gedicht is geschreven, van-zelf werd bepaald door het karakter der geestige legende, die door Melanchton, tot leering, wordt vermeld en naar ons oordeel vol is van den gezonden, Christelijken humor, in zijn natuurlijke frischheid vaak ernstiger en diepzinniger, dan zooveel dat bij uitnemendheid voor ernst wordt gesleten en gehouden.
|
|