Dichtwerken


auteur: P.A. de Genestet


bron: P.A. de Genestet, Dichtwerken (ed. C.P. Tiele). Gebroeders Kraay, Amsterdam 1869  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 200]

De Kunstenaar en zijn Publiek.

 
De stomme vroeg den blinde:
 
Zaagt ge ook den harpenaar?
 
Zoo ge ergens hem ontmoette,
 
Verplicht me en zeg me waar?
 
Ik-zelf geef juist zoo veel niet
 
Om harp- of citertoon,
 
Maar de oude moest eens spelen,
 
Kijk, voor mijn dooven zoon.
 
 
 
De blinde sprak: ik zag hem
 
Een oogenblik geleên;
 
Mijn lamme knecht zal aanstonds
 
Hem zoeken; knaap, loop heen!
 
Nu slaat, op 's meesters wenken,
 
De kreupele in den draf;
 
En holt, den harp'naar roepend,
 
De straten op en af.
[p. 201]
 
De kunst'naar is gevonden,
 
Hij komt en buigt en groet;
 
Geen armen had de stumper,
 
Hij speelde met zijn voet.
 
Hij speelt: elk schijnt betooverd,
 
De doove is enkel oor,
 
De blinde zet groote oogen,
 
De stomme zingt een koor.
 
 
 
De lamme springt van geestdrift
 
Omhoog met alle macht;
 
't kunstlievende gezelschap
 
Blijft saam, laat in den nacht,
 
En bij het afscheid nemen
 
Is, met des harp'naars kunst,
 
't Publiek tot in de wolken,
 
Hij dronken van hun gunst!

(Rückert.)