|
|
|
| |
| | | |
De Kunstenaar en zijn Publiek.
De stomme vroeg den blinde:
Zaagt ge ook den harpenaar?
Zoo ge ergens hem ontmoette,
Verplicht me en zeg me waar?
Ik-zelf geef juist zoo veel niet
Maar de oude moest eens spelen,
Kijk, voor mijn dooven zoon.
De blinde sprak: ik zag hem
Mijn lamme knecht zal aanstonds
Hem zoeken; knaap, loop heen!
Nu slaat, op 's meesters wenken,
En holt, den harp'naar roepend,
| | | |
De kunst'naar is gevonden,
Hij komt en buigt en groet;
Geen armen had de stumper,
Hij speelde met zijn voet.
Hij speelt: elk schijnt betooverd,
De blinde zet groote oogen,
De stomme zingt een koor.
De lamme springt van geestdrift
't kunstlievende gezelschap
Blijft saam, laat in den nacht,
En bij het afscheid nemen
Is, met des harp'naars kunst,
't Publiek tot in de wolken,
Hij dronken van hun gunst!
(Rückert.)
|
|
|