|
|
|
| |
| | | |
Bekentenis.
(Naar het Proza van Anonymus.)
And you, sir?
'k Ben maar een mensch van vleesch en bloed
Dies zet ik me op geen hoogen voet
Mijn naaste min ik, zooals mij....
Opdat ik u bemin, wees gij
'k Rust, onder al mijn pijn of leed,
Maar 'k dacht soms: baatte klacht of kreet,
Ik hield mij wis niet stil!
| | | |
Mijn hart, het is een wonderding,
Zoo goed, zoo slecht, zoo zonderling,
Precies - een menschenhart!
'k Had willen sterven, menig keer,
Doch zie! nu kies ik 't leven weer
Ik min wat rein is, goed en waar,
'k Ben voor asceet of martelaar
Natuur! uw teedre stem klinkt zacht
'k Buig, lieve schoonheid, voor uw macht,
Die 't beetre kweekt en voedt.
Ik ben niet koel voor 't aardsch genot,
(Tartufle, tot excuus voor God,
Voegt daar een fraze bij!)
Graag spreide ik zegen in het rond, -
Want ach, toch blijf ik in den grond
| | | |
'k Wou beter wel en vromer zijn!
Ontdaan van allen pronk en schijn
Ben 'k zóó en anders niet!
Ik heb mijn kwaad, ik heb mijn goed,
'k Ben maar een mensch van vleesch en bloed...
Gij zijt vast geest en been!
December 1860.
|
|
|