Dichtwerken


auteur: P.A. de Genestet


bron: P.A. de Genestet, Dichtwerken (ed. C.P. Tiele). Gebroeders Kraay, Amsterdam 1869  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 210]

Bijlage. iets over den Titel.

Dit bundeltje bevat mijne, in allerlei boekjes en hoekjes verspreide gedichten van 1854 tot 1859, benevens een paar van 1860 (de meeste van dat jaar vonden reeds elders hun plaats), bekende en onbekende, groen en rijp. Ik had het dus grootendeels ook wel een jaar of langer geleden reeds kunnen samenstellen, aan het einde van 1859 bijv. in plaats van in het voorjaar van 1861; maar ik deed het liever niet, om reden, o.a. dat tot mijn verspreide gedichten enkele herinneringen behoorden van eigen lief en leed, die, toen ter tijde nevens elkander geplaatst, aan dit boekske voor velen misschien een zekere weemoedige aktualiteit zouden hebben gegeven, waarop ik niet gesteld kon zijn. Bovendien, men pleegt al te vaak te wachten tot gunstiger of kalmer dagen eer men ze inéénschikt, de souvenirs van een vervlogen geluk; en dan wacht men soms lange. Hebben nu door den tijd de bedoelde versjes verloren van hunne (betrekkelijke!) waarde - diergelijke dichten ontleenen die somtijds alleen of vooral aan het oogenblik en de omstandigheden, - dan is dit eenvoudig het bewijs, dat ze niet

[p. 211]

deugen; niet deugen voor de vreemden en ook niet voor de vrienden, en dat ze nooit hadden moeten worden gedrukt, veel minder herdrukt... 't geen allicht het geval kan zijn met meer dan een. Immers, zoogenaamde intieme gedichten - genietbaar of verstaanbaar alleen voor belangstellenden, die den Dichter, cum suis, kennen van nabij, ik achte evenals gij dat men wijzer doet ze stillekes voor zich en de zijnen te houden. Intieme poëzie - zij is alléén dan voor ruimer kring van lezers - en lezeressen vooral! - geschikt, wanneer de toon, door eigen bijzondere ondervinding van weelde of smart aan het dichterlijk gemoed ontlokt, zoo van-zelf als een lach of een traan, tevens de ware en schoone uitdrukking is van het menschelijk gevoel (algemeen-menschelijk mogen wij niet meer zeggen), zoodat hij een teedre snaar doet trillen in veler gelijkgestemd hart. In dat geval ontleent de poëzie hare waarde niet aan het ik van den dichter - gij kunt er temet het uwe voor in de plaats stellen - noch aan de omstandigheden, noch aan den datum, noch ook hieraan, dat wat zij u bezingt of schildert wezenlijk gebeurd is, neen, maar zij heeft hare waarde in zich-zelve, omdat zij - in meerdere of mindere mate - het hart en het leven raakt. Hoeveel of hoe weinig nu sommige dichtjes van intiemen aard, uit dagen van weleer, in dit boekske bewaard, aan deze voorwaarde voldoen - dit staat natuurlijk niet aan mij te beslissen. Slechts toonen wilde ik u, dat ik heb nagedacht over de eischen, die de kunst stelt aan de intieme Poëzie, zal zij haar dulden in het publiek. Zoo mijn vrienden nu in dit bundeltje sommige gelegenheidsdichten zullen missen, die zij er misschien wel een plaatsje in hadden gegund, de oorzaak is dat de bewuste verzen mij aan deze eischen volstrekt niet schenen te voldoen. Onbekende lezers - kunnen ze mij niet danken voor 't geen ik hun op dit gebied schonk - mogen mij, dit bedenkende, ten minste dankbaar zijn voor 't geen ik hun onthield. En dit stemme hun oordeel zacht! Want ach, niet slechts sommige, maar de meeste versjes uit vroeger tijd, die ik hier mijn landgenooten aanbied....

De meeste dezer verzen en dichten, het zijn en blijven toch nog maar Onder-onsjes!’ fluistert nevens mij een geestige en geniale Kritiek, die onlangs, als in 't voorbijgaan, met dezen éénen trek een goed deel onzer

[p. 212]

Hollandsche poëzie zoo treffend heeft gekarakterizeerd en op haar plaats gezet.

Ja, Onder-onsjes! Wij hebben niet anders te doen dan het hoofd te buigen en ons vonnis te ontvangen, en dat nog wel met een lach op de lippen! - Ja, Onder-onsjes! zich bewegende binnen een zekeren kring van gedachten en gevoelens... niet zeer ruim, niet zeer hoog en vrij alledaagsch; familie-poëzie, voor ieder begrijpelijk, gemoedelijk, niet te diep, niet te stout, vooral ook niet raar of onstichtelijk... Zóó is het maar! Om het oordeel te voorkomen heb ik er zelfs over gedacht dit bundeltje zoo te doopen. Doch mijn waarheidsliefde of mijn eigenliefde (men neemt zoo licht de een voor de andere) beweerde dat die titel toch niet in alle opzichten juist zou wezen en dat het wezen moest: Onder-onsjes en andere Gedichten. Maar dat was wat lang. Ik vertel u dit nu ook maar weer, zoo onder ons. Daar viel mij in, dat een schrander vriend zoo goed was gegeweest een onlangs door mij uitgegeven boekske te begroeten met den naam van: ‘Tweede Gedichten.’ Nu vreeze ik zeer dat diezelfde kritiek die benaming op dit bundeltje, van zeer gemengden inhoud, met, althans niet onvoorwaardelijk, zou willen of kunnen toepassen. Het lijdt nog al te veel, in menig opzicht, aan de zwakheden en gebreken, die men aan mijn ‘Eerste Gedichten’ verweten heeft. Daarom achtte ik het niet overbodig, maar gepast en bescheiden, u, mijn belangstellende lezers, te herinneren dat dit boekske eigenlijk antérieur is aan de Leekedichtjes en voor een goed deel nog behoort tot een vroegere periode van mijn leven, ook van mijn dichterlijk leven. Daarom ook wist ik deze gemengde verzen onder geen beter opschrift te vereenigen, dan het nu gekozene: Laatste der Eerste. Ik mag vertrouwen, dat gij ook zonder nadere verklaring den zin en de gedachte van dit opschrift - nog eens een voorreden, in nuce - wel zult willen verstaan. Ontvangt ze dan ook metliefde, als de eerste, deze laatste bloesems eener lente, die rijk is geweest aan weelde en - weemoed. Sluit dat ‘laatste’ nu in, dat er thans vruchten zullen komen? Ik weet het niet, ofschoon ik de vermaning versta. Ik geloof alléén - lees mij de g van geloof s.v.p. niet het onderstboven - dat er nog wel andere snaren op mijn speeltuig kunnen weerklinken, dan die tot

[p. 213]

nu toe met hun teederen toon slechts een vriendelijk oor hebben gestreeld. Ik hoop alleen - en, ce n'est pas jurer gros! - dat ik nog misschien wel iets beters zal mogen geven, dan ik gaf tot heden - voor 't minst zoo na al de donkere dagen het zonnetje nog eens weer kan en mag schijnen in mijn leven, iets helderder dan op dees grauwen Lentedag - het zonnetje, zonder hetwelk op den duur de moed en de lust tot den arbeid kwijnt en de bloesems wel vallen, maar de knoppen niet tot vruchten kunnen rijpen....

 

Amsterdam.

Eind-Maart 1861.

P.A. de G.