Dichtwerken


auteur: P.A. de Genestet


bron: P.A. de Genestet, Dichtwerken (ed. C.P. Tiele). Gebroeders Kraay, Amsterdam 1869  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 260]

Slagveld bij Hastings.

‘Deux moines saxons, Asgod et Ailrik, députés par l'abbé de Waltham, demandèrent et obtinrent de transporter dans leur église les restes de leur bienfaiteur. Ils allèrent à l'amas des corps depouillés d'armes et de vêtements, les examinèrent avec soin l'un après l'autre et ne reconnurent point celui qu'ils cherchaient, tant ses blessures l'avaient défiguré. Tristes et désespérant de réussir seuls dans cette recherche, ils s'adressèrent à une femme que Harold avant d'être roi avait entretenue comme maîtresse et la prièrent de se joindre à eux. Elle s'appelait Edithe et on la surnommait la Belle au cou de cygne. Elle consentit à suivre les deux moines et fut plus habile qu'eux à découvrir le cadavre de celui qu'elle avait aimé.’
Aug. Thierry, Histoire de la conquête de l'Angleterre par les Normands, pag. 348.
 
Diep zuchtte de abt van Waltham, diep,
 
Op de ijselijke mare:
 
Uw koning Harold viel in 't veld
 
Met heel zijn heldenschare!
[p. 261]
 
Twee kloosterbroeders zendt hij straks
 
Naar 't slagveld uit, als boden:
 
Zoekt mij mijns dierbren konings lijk
 
Te Hastings bij de dooden.
 
 
 
De broedren togen zwijgend heen,
 
En keerden gansch verslagen:
 
‘Hoogwaarde! 't Lot is tegen ons!’
 
Zoo jammren zij en klagen.
 
 
 
‘Ach, Bankert heerscht en Harold viel,
 
De Held, de bloem der braven;
 
Een rooverbent verdeelt het land
 
En maakt ons volk tot slaven!
 
 
 
‘Lord op ons Britteneiland wordt
 
De plompste van die Noren;
 
'k Zag al een snijder uit Bayeux
 
Te paard, met gouden sporen!
 
 
 
‘Wee, iedren telg uit Saksisch bloed! -
 
Wiens arm kan ons beveiligen?
 
Gij-zelf loopt nu den smaad niet vrij
 
Daarboven, lieve Heiligen!
 
 
 
‘Dat heeft die schrikkomeet voorspeld,
 
- Profeet van booze tijën -
 
Dien 'k op een bezemstok van vuur,
 
Bloedrood, door 't zwerk zag rijën!
[p. 262]
 
‘Het onheilsteeken ging vervuld
 
In Hastings schrikbre velden;
 
Wij zagen daar in slijk en bloed
 
De lijken onzer helden!
 
 
 
‘Wij draaiden ze om, wij speurden ze op,
 
Wij wroetten in de voren,
 
Maar vonden 't lijk van Harold niet.....
 
Ach, alles is verloren!’
 
 
 
En de abt verzonk in diep gepeins
 
En prevelde gebeden;
 
Toen sprak hij eindlijk, als ontwaakt
 
Uit droomen van 't verleden:
 
 
 
‘Te Grendelfield in 't diepst van 't woud
 
Woont, eenzaam en vergeten,
 
Een vrouw, die Edith Zwanenhals,
 
De Schoone, werd geheeten;
 
 
 
‘Want Ediths hals was blank en slank,
 
Gelijk de hals der zwanen;
 
Uw koning Harold had haar lief
 
Met kussen, eeden, tranen.
 
 
 
‘Hij had de jonge schoone lief,
 
Hij zwoer haar steun en trouwe;
 
Toen - zestien jaren is 't geleén -
 
Verliet hij de arme vrouwe....
[p. 263]
 
‘Op, broeders! maakt u ijlings op,
 
Naar Ediths schaamle woning,
 
De blik dier vrouw herkent in 't veld
 
Het lijk van Englands koning.
 
 
 
‘De abdij van Waltham zal dien schat
 
Met dankbre liefde ontvangen,
 
Hier wacht den held een Christlijk graf
 
En zielmis en gezangen.’
 
 
 
En 's middernachts voor de arme kluis
 
Klonk reeds de stem der boden:
 
‘Ontwaak, o Edith Zwanenhals!
 
En volg ons naar de dooden.
 
 
 
‘Der Noren Hertog zegeviert,
 
En, met zijn honderdtallen
 
Van helden is, in Hastings' slag,
 
Ook Englands vorst gevallen.
 
 
 
‘Volg ons naar Hastings, volg om 't lijk
 
Van Harold op te sporen,
 
Dat wij 't in Walthams heilige aard
 
Begraven naar behooren.’
 
 
 
Geen woord sprak Edith Zwanenhals
 
En volgde zwijgend. Over
 
Haar slanken hals golft grijzend haar;
 
De nachtwind fluit door 't lover.
[p. 264]
 
Zij volgde barvoets, de arme vrouw,
 
Door poel en woud en hagen;
 
Het krijtgebergt van Hastings rijst
 
Van ver bij 't uchtenddagen.
 
 
 
De damp - een witte lijkwaê - die
 
Het veld had overtogen,
 
Trekt op. De kille najaarszon
 
Stijgt somber aan den hoogen.
 
 
 
Naakt, uitgeplunderd, half ontvleescht,
 
Bij stapels en bij dijken,
 
Ligt daar op de aard een duizendtal
 
Misvormde menschenlijken.
 
 
 
De grond was als van bloed doorweekt;
 
De riffen van de paarden,
 
Bedekken 't gruwlijk moordtooneel,
 
De splinters van de zwaarden.
 
 
 
En 't raafgebroed vloog fladdrend op,
 
Dat zich aan 't aas vergastte,
 
Als barvoets Edith Zwanenhals
 
Door 't zijplend bloedbad plaste.
 
 
 
Zij klauterde over lijken heen;
 
Als gloênde pijlen vlogen
 
De blikken vorschend, vreeslijk ver,
 
Van uit heur puilende oogen.
[p. 265]
 
Zij staart, zij speurt, zij kruipt in 't rond;
 
Zij doet het roofdier vluchten.
 
De kloosterbroeders volgden noô,
 
Maar struikelden en kuchten.
 
 
 
Zij zocht den ganschen, langen dag;
 
Reeds kwijnden le avondstralen,
 
De boden schudden 't hangend hoofd
 
En poogden aêm te halen.
 
 
 
Maar plotslings over 't slagveld heen
 
Barst uit dat vrouwenharte
 
Een gil - - wild schieten raven op! -
 
Een kreet van liefde en smarte.
 
 
 
Daar - in een stapel lijken mocht
 
Zij 't dierbaar lijk ontdekken!
 
Een gil - - zij zwijgt, zij schreit niet - maar
 
Zij kust die bleeke trekken.
 
 
 
Naast Harold zijgt zij neer op 't veld -
 
- Een schrikbre liefdesponde!
 
En kust op 's konings breede borst
 
De halfgestremde wonde.
 
 
 
- - - - - - - - - - - -
 
- - - - - - - - - - -
 
- - - - - - - - - - - -
 
- - - - - - - - - - -
[p. 266]
 
Intusschen haastten zich de boôn
 
Met takken saam te voegen
 
Ten baar, waarop zij 't vorstenlijk
 
Naar 't klooster henendroegen.
 
 
 
En Edith, als zij 't overschot
 
Voor 't laatst ten afscheid kuste,
 
Volgde onvermoeid heur Harolds baar
 
Naar Walthams heilge ruste.
 
 
 
Zij zong, al gaande, een kind zoo vroom,
 
De litany der dooden;
 
Dat klonk afgrijslijk door den nacht - -
 
Zacht prevelden de boden.

1851.

(Naar Heine.)