|
|
|
| |
| | | |
De Heer is haar Herder.
De Heer is mijn Herder: mij zal niets ontbreken.
Hij doet mij nederliggen in grazige weiden.
Hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren.
Hij verkwikt mijne ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid.
Al ging ik ook in een dal der schaduwe des doods, ik zou geen kwaad vreezen.
Der vrome Herder was de Heer!
Hij liet haar niets ontbreken.
Hij had haar tachtig jaar geleid
In 't spoor van zijn gerechtigheid,
| | | |
Hij had haar ziele staag verkwikt
Maar of Hij gaf dan of Hij nam,
Zij bleef haars goeden Herders lam
Als weduw was ze niet alleen,
In nooddruft niet verlegen;
En ging haar pad langs menig graf,
Haar troostte 's Heeren stok en staf
Haar leven was een lang akkoord
Van stil geloofsvertrouwen;
Van 's Herders zachten vredepsalm,
Die psalm - het was haar pelgrimslied
Op 's levens lange reize;
Ook nu, ten dierbren tempelgang
Misschien - haar stille zwanenzang,
‘Mijn Herder was der Heeren Heer;
Ik ben zijn deel gebleven.’
In iedren trek van 't vroom gelaat,
Kalm van geloof en hope, staat
| | | |
Stille ootmoed, die daar schromend wacht
Op Gods gewijden drempel,
Die Heer, in Wien gij hebt vertrouwd,
Heeft in uw hart zijn huis gebouwd
O, grijze vroomheid, lang beproefd,
O, heilige, eerbiedwaarde!
Gij wordt gekroond reeds in den tijd;
En de avond van uw dag vol strijd
Met eerbied, naar uw buigend hoofd
Ziet om het oog der reinen;
Uw kalmte leert, uw hope sticht;
En spreidt een glans van hooger licht
1853.
|
|
|