Dichtwerken


auteur: P.A. de Genestet


bron: P.A. de Genestet, Dichtwerken (ed. C.P. Tiele). Gebroeders Kraay, Amsterdam 1869  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 290]

Mme de la Valliere.

Cette petite violette, qui se cachait sous l'herbe, et qui était honteuse d'être maîtresse, d'être mère, d'être duchesse - jamais il n'y en aura su ce moule.
Madame de Sévigné .
 
O, Gij verdiende een beter deel
 
Dan, in het drama van dit leven,
 
U op haar schitterendst tooneel
 
Een schoone wereld heeft gegeven!
 
Een beter deel, een reiner lot;
 
Al beiden glorie en genot
 
U in haar rijkste tooverdreven;
 
Al schalde een tijdlang van uw lof
 
Europe's glansrijkst koningshof:
 
Het hof van riddren en genieën,
[p. 291]
 
Die - wijzer nageslacht ten spot -
 
Uw jongen Minnaar, als hun God,
 
Aanbaden met gebogen knieën;
 
Al tuigden van uw zedig schoon
 
Der kunstnaars kunst, der dichtren toon,
 
En 't valsch, benijdend hofgefluister!
 
O zachte maagd en - eedle vrouw,
 
Uw hart vol ootmoed, liefde en trouw,
 
(Te goed, te rein voor zulk een luister)
 
Uw needrig hart verdiende méér
 
Dan al dien glans van macht en eer,
 
Die nooit uw zachtblauw oog bekoorde
 
En slechts uw zielevreê verstoorde;
 
Meer dan dien rang, die kroon, die zwaar
 
U drukte op 't zilverblonde haar;
 
Meer - dan eens wuften Konings minne,
 
Die - zegt een teer historieblad -
 
U, zijn zachtmoedige vriendinne,
 
Alleen oprecht heeft liefgehad
 
Van al zijn schittrende boelinnen....
 
Doch straks, in nieuwen roes der zinnen,
 
Voor een wier fierheid wou verwinnen,
 
U op het brekend harte trad!
 
 
 
Helaas! dat ooit uw zachte naam
 
Zich mengde met diens Konings faam!
 
Ach, Gij - 't viooltje, liefst verscholen,
 
Verscholen op den rand van 't bosch,
[p. 292]
 
Het blonde kopje in 't zedig mos -
 
Wat deed u, lieflijke, verdolen
 
Op 't hoog en vorstelijk terras,
 
Daar 't zonlicht u te schittrend was?
 
Wat Noodlot deed uw boezem beven,
 
En 't hoofdje u zinken op de borst,
 
Door smart en weelde voortgedreven,
 
Toen daar een jonge, schoone Vorst -
 
Een zon, met koninklijke stralen,
 
Die prachtig oprees aan den trans,
 
Doch spoedig tanen zou van glans,
 
Om straks in nevelen te dalen! -
 
Toen Frankrijks afgod, lust en roem,
 
Uw oogen trof, o stille bloem?
 
Wat Noodlot roofde uw jeugd haar vrede,
 
Uw reine ziel haar eêlsten schat,
 
Verwon, vervoerde u, sleepte u mede,
 
Gelijk de bergstroom 't rozeblad?....
 
't Was Liefde, heilge Vrouweliefde,
 
Geboren ter onzaalger uur,
 
Doch, als nooit edeler natuur
 
Of nederiger boezem griefde
 
En straks verteerde door haar vuur!
 
't Was Liefde, in al haar teederheden,
 
Met al haar onweerstaanbre macht,
 
Als nimmer in dat wuft verleden
 
Een reiner' heeft ten val gebracht!
 
't Was Liefde, die voor rang noch weelde,
 
Der onschuld frisschen krans verspeelde,
[p. 293]
 
Die slechts den Minnaar in den Vorst
 
Beminde uit felgetroffen borst;
 
Die voor het ruischen en het gloren
 
Van rang en aanzien, macht en faam,
 
Met wien heur ziele mocht behooren
 
Een woestenije had verkoren,
 
Een reinen - schoon vergeten naam!
 
't Was Liefde, teeder en verheven,
 
Van zelfzucht, eerzucht, hoogmoed vrij,
 
Vol ideaal en poëzij -
 
Toch schuldig! Liefde, die uw leven
 
Verwoest heeft; die uw rein gemoed
 
Deed blaken in verboden gloed,
 
Door strijd en weerstand slechts gevoed;
 
U zalig en rampzalig maakte -
 
Tot ge uit uw schrik'bren droom ontwaakte,
 
Een Magdalene aan Jezus' voet!
 
 
 
O Liefde en Hartstocht, Liefde en Zonde!
 
Waarom noodlottig op deze aard
 
Zoo menigwerven gij - gepaard,
 
Het reine hart, de heilge sponde
 
Onteerend, Edens lentegaard
 
Vernielend in een wreevle stonde?
 
O teedre Minne, bron van goed,
 
Van gaven, deugden, heldenmoed,
 
Waar-, waarom is de onheelbre wonde,
 
Die gij vaak de eêlste zielen slaat,
[p. 294]
 
Ook als de slangenbeet van 't kwaad;
 
De slangenbeet, die 't bloed in de aêren
 
Vergiftigt en de teedre borst -
 
(Wat stervling kan zijn hart bewaren!)
 
Ontsteekt in doodelijken dorst?
 
O Liefde, ons tot een troost gegeven,
 
Een licht, in 't duistre menschenlot,
 
Een vriendlijke Engel, gij, van God,
 
Die onze woning, onze dreven
 
Met paradijsgebloemte siert,
 
Die onze schreden steunt en stiert,
 
Ons veilig draagt door 't moeilijk leven -
 
Zijt ge ook een satansengel, die
 
't Hoofd met een krans van poëzie
 
Getooid, betoovrend vuur in de oogen,
 
Met onweerstaanbaar alvermogen,
 
Trots deugd en strijd, de zwakke vrouw
 
Verrast, vervoerd, zich-zelf onttogen,
 
Stort in den poel van zonde en rouw?
 
En - moest ook de edelste van allen,
 
Die ooit in fieren minnaarsgloed
 
Een heerscher zagen aan haar voet,
 
Als 't offer dezer wreedheid vallen,
 
Bezwijken, met nog strijdend hart,
 
Verscheurd door liefde en schaamte en smart?....
 
O Lelie, wie het Noodlot smette,
 
En bloeme, wie de dwarlwind sloeg,
 
Wier liefde en rouwe ons 't hart ontzette
 
En tranen slechts van deernis vroeg:
[p. 295]
 
Welaan, zoo mogen kloeker vingeren
 
U teeknen met het merk der schand,
 
En steenen u naar 't voorhoofd slingeren
 
In farizeeschen gloed ontbrand -
 
Doch, om geschonden deugd te wreken,
 
Wie, over dit gebogen hoofd,
 
Schoon van der onschuld krans beroofd,
 
Wie durft, wie zal het ‘schuldig’ spreken?
 
 
 
Niet wij - doch zij!
 
De minnaresse,
 
Wier zwakheid de ondeugd slechts bespot,
 
Die òns wel offer scheen van 't lot,
 
Der Liefde groote martlaresse -
 
Zij vraagt, voor menschen en voor God,
 
Geen naam dan die van - zondaresse!....
 
O stille deernis, pleit haar vrij!
 
Eisch voor dit beeld van liefde en smarte
 
De schatting van het peinzend harte!
 
Laat, zachte Kunst, laat, Poëzij,
 
Uw vriendlijk licht, uw milde stralen
 
Op deze blonde lokken dalen!
 
Kroon, kroon het offer met uw krans,
 
Bedek haar smetten met uw glans,
 
Zeg ons haar lijden en haar wonden,
 
Haar eedle ziel, haar rein gemoed,
 
Verheerlijk ons haar teedre zonden
 
En haar verboden liefdegloed...
[p. 296]
 
Doch zij, de vrouw aan Christus' voet,
 
Heeft beetre dingen te verkonden!
 
Zij - 't oog noô opslaande in Zijn licht -
 
Heeft zelf haar vonnis uitgesproken,
 
En uw onschendbren eisch gewroken,
 
O heilge deugd en heilge plicht!
 
In 't onontkoombaar zelfgericht,
 
Met al de rechtheid van 't geweten,
 
Dat vleitaal noch verzachting duldt,
 
Dat kan verschoonen noch vergeten
 
En rust vindt in 't besef van schuld!
 
Zij - toen haar star had uitgeblonken,
 
En straks, aan gloênder minnelonken,
 
Haars Konings hart zich overgaf -
 
- Oneerbre liefde volgt de straf! -
 
Zij heeft den kelk van smaad gedronken,
 
In stillen ootmoed neergezonken,
 
Als waar 't een laafnis voor den gloed
 
Der wroeging in 't ontwaakt gemoed;
 
Zij heeft gedragen en gebeden;
 
Zij, ver van 's werelds ijdelheden,
 
Een leven lang haar wuft verleden
 
Beschreid met heeten tranenvloed -
 
Doch achtte 't nooit genoeg gestreden!
 
Doch achtte 't nooit genoeg geboet!
 
Neen, bleeke schimme der historie,
 
Neen, schoon een wijl voor 't starend oog,
 
Omstraald van liefde en lijdensglorie,
 
Uw beeld verleidend schittren moog',
[p. 297]
 
Gij-zelf hebt 's werelds martlaarskransen,
 
Bij 't kruis uws Ridders, stuk getreên;
 
Gij-zelf verbreekt die logenglansen
 
En zegt uw rouw, uw schuld alleen:
 
De groote schuld van 't menschenharte,
 
Dat staêg den afgod kiest voor God,
 
En heendoolt in de duistre verte,
 
Straks prooi der zonde en spel van 't lot!
 
Gij-zelf, wat tonen om u fluistren
 
Van 's werelds Liefde en Poëzij,
 
Die zachtkens ziel en zinnen kluistren,
 
En ons het oordeel Gods verduistren,
 
Eén waarheid slechts verkondigt gij:
 
Een waarheid, trouw als Christus' leere:
 
 
 
‘Het menschenhart behoort den Heere!
 
En daar is vrede, vreugd noch licht
 
Dan op den engen weg - van Plicht.’

1859.