
Bladz. 9.
Aangemoedigd door het gunstige onthaal, dat mijnen arbeid tot nu toe te beurt viel, waag ik het op nieuw een verhaal in het licht te geven. Ieder, die mijne kindergeschriften kent, zal ook van dit werk niet anders verwachten dan eene poging, om, gelijk zich ergens een Recensent over mijne verhalen uitlaat, ‘de kinderen op eene vriendelijke wijze tot den Heere Jezus te brengen.’
Inderdaad is dit ook in dit werk mijn eenig doel geweest. Ik heb mij onder het schrijven de beantwoording der vraag voorgesteld: Wat moet ik doen om zalig te worden? En welk ander antwoord zou ik kunnen geven, dan dat de Bijbel ons geeft: Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden?
Hij, de God-mensch, de Zaligmaker, de Heere Jezus, is daarom ook het middenpunt, om hetwelk dit verhaal zich beweegt.
Om bijzondere redenen koos ik ditmaal een onderwerp, dat den lezer op het terrein der oud-Hollandsche historie overbrengt, en wel nam ik, als tijdpunt, eenige dagen na de overgave van Haarlem in 1573. Daarbij had ik gelegenheid te wijzen op de vervolgingingen, die de belijders der Reformatie van Spanjaarden en dweepzieke geestelijken moesten ondervinden. Gereedelijk vond ik hiertoe aanleiding in eene kronijk van die dagen, waarin met weinige woorden ons de geschiedenis wordt medegedeeld van eenen knaap, die om des geloofs wille in de duinen vervolgd werd.
Eene andere reden, waarom ik een verhaal uit dit tijdvak koos, is deze, wijl ik het plan had opgevat, om, indien de Heer mij lust en kracht schenkt, het leven van Wouter Harmsen te vervolgen, en in een ander verhaal voor jonge lieden den toestand dier tijden, in betrekking tot de Reformatie, meer kenmerkend te schetsen.
Van harte hoop ik, dat dit werkje het gewenschte doel moge bereiken, en dat onder Gods bijstand menig jeugdig hart tot Hem gebragt worde, in Wien alleen het leven en de zaligheid is.
E. Gerdes.
Amsterdam,
14 November 1857.