terug  begin  verderprepost
[p. 25]

Hoofdstuk II
Justificaties en proclamaties
1568-1572

 
O Nederlant ghy zijt belaen
 
Doot ende leven voor u staen,
 
Dient den Tyran van Spangien,
 
Of volcht (om hem te wederstaen)
 
De Prince van Orangien.

 
Helpt den Herder die voor u strijt
 
Of helpt den Wolf die u verbijt,
 
Weest niet meer Neutralisten,
 
Vernielt den Tyran, t'is meer dan tijt
 
Met al sijn Tyrannisten.’

 
(Geuzenliedboek).

In de oorlog met de wapenen was het succes aan de kant van de regering en de nederlaag voor de opstandige edelen en de consistories. De vrees voor Alva had deze groeperingen nog nauw doen samenwerken. Het mocht echter niet baten. Daags na de slag bij Oosterweel gaf Valenciennes zich over. Daarmee was de Opstand voorlopig zonder uitzicht. Met de leiders trokken duizenden naar het buitenland uit vrees voor de naderende straf. Onder hen waren ook vele pamfletschrijvers. Er kwam een stilstand in deze propaganda. ‘Et n'est plus question de billetz ou pasquilles’, berichtte Morillon, die blijk gaf er scherp op te letten1).

De Spanjaarden gaven zelf aanleiding tot een heropening van de pamfletten-oorlog. Morillon sprak daarover uitvoerig. Hij had van Viglius de akte van beschuldiging tegen Oranje, in handen gekregen. Ofschoon hetgeen erin stond overeenkomstig de waarheid was, had hij er toch zijn bezwaren tegen. Het Daghement had korter en meer algemeen moeten zijn. De lengte dwong tot een uitvoerige en lastige bewijsvoering. Het was voldoende geweest enkele punten naar voren te brengen. Zoals het stuk nu was, zouden er waarschijnlijk uitvoerige apologieën en justificaties volgen.

[p. 26]

Dat paste precies in de plannen van de prins, die zich in dat opzicht bijzonder geslepen getoond had. Zulke uitgewerkte vonnissen maakten de tegenpartij wijzer en gaven aanleiding tot een uitgebreide polemiek, zoals de ondervinding reeds bewezen had2).

Over de redactie van de indagingen tegen de verschillende edelen, ontstond aan spaanse zijde onenigheid. Deze had tot gevolg, dat het zwaartepunt van de beschuldigingen van de religie naar de politiek verlegd werd. Morillon maakte daartegen bezwaren: voor de politieke misdrijven waren niet zoveel bewijzen als voor de godsdienstige. Hij kreeg echter geen gelijk. Wel ging zijn herhaalde voorspelling in vervulling, dat er heel wat justificaties en weerleggingen geschreven zouden worden en dat Granvelle daarin de zondebok bij uitstek zou blijken. Maar daarvoor hoefde men niet over een profetische blik te beschikken3).

De meest bekende justificatie is die van Oranje, op dat moment openlijk het hoofd van de Opstand: De verantwoordinge des Princen van Oraengien teghen de valsche logenen, daer mede sijn wedersprekers hem soecken t'onrechte te beschuldighen4).

Op 24 januari 1568 werd de indaging tegen de prins en verschillende anderen uitgevaardigd. Ze werd o.a. aan de Paus en aan verschillende vorsten gezonden. Ook Granvelle kreeg een exemplaar5). Van 3 maart dateerden de Antwoorden, die Oranje aan de procureur generaal en aan Alva gaf en die later samen met de Verantwoordinge werden uitgegeven6). Maar de prins bereidde toen ook reeds de publicatie van een grote justificatie voor. Hij had blijkbaar geïnformeerd, hoe deze stap in Duitsland opgenomen zou worden. Immers, in deze tijd schreef de landgraaf van Hessen aan Oranje, dat de keizer en de keurvorst van de Pfalz het verstandig oordeelden, als de prins zijn onschuld aantoonde tegenover de ernstige beschuldigingen van Alva. Daarom moest hij zijn Verantwoordinge onverwijld laten verschijnen.

[p. 27]

Hij diende echter bedachtzaam te werk te gaan. De koning, en zoveel mogelijk ook diens bestuursorganen, moesten ontzien worden7).

Intussen had de prins ook omgezien naar geschikte raadslieden, om hem bij dat werk te helpen. Want al is later bewezen8), wat Groen van Prinsterer reeds vermoedde9), dat nl. Oranje zijn justificatie zelf schreef; hij had daarbij zijn medewerkers.

De calvinistische predikant Hubert Languet - vaker geïnteresseerd bij de nederlandse Opstand - ging op 13 maart 1568 naar Dillenburg, ingevolge een verzoek van Oranje. Hij verbleef daar ongeveer veertien dagen. Met nog enkele anderen werden de troebelen in de Nederlanden en de Verantwoordinge, die spoedig verzonden zou worden, besproken10). Ook Jacob van Wesenbeke, aan wie de Verantwoordinge dikwijls, maar ten onrechte, werd toegeschreven, was erbij betrokken. Zijn nauwe relatie met Oranje was algemeen bekend11).

Toen Oranje in 1566 naar Antwerpen kwam om daar de rust te herstellen, werd Jacob van Wesenbeke aangesteld als een soort verbindingsofficier tussen de magistraat, de verschillende partijen in de stad en de prins12). Het is echter zeer twijfelachtig, of er werkelijk een hartelijke vriendschap bestaan heeft tussen Oranje en de antwerpse pensionaris13) en of het gerucht waar was, dat van Wesenbeke zelf verspreidde, dat hij nl. tot de eerste raadsman van Oranje was gekozen14). Men krijgt sterk de indruk, dat het aandringen van de prins, om van Wesenbeke tijdig Antwerpen te doen verlaten, meer voortsproot uit bezorgdheid over de dingen die deze allemaal wist, dan uit bekommernis voor diens persoonlijk welzijn15). In april 1567 liet Oranje van Wesenbeke naar Dillenburg gaan. Hij gaf hem een brief mee voor Jan van Nassau. Deze moest de gevluchte raadspensio-

[p. 28]

naris goed ontvangen16). Te Dillenburg zal van Wesenbeke de prins terzijde hebben gestaan bij het redigeren van diens Verantwoordinge. Daar heeft hij rustig kennis kunnen nemen van de ideeën, neergelegd in dat stuk, die hij weldra in verschillende geschriften zou propageren. Van Wesenbeke nam ook de zorg op zich voor de uitgave van de Verantwoordinge. Er is een rekening bewaard, die hem een som geld toekende: ‘zu trucken des hernn printzen excusationsschrift’17).

Men mag aannemen, dat van Wesenbeke betrokken is geweest bij het opstellen van de geschriften, die de prins in de zomer van 1568 liet verschijnen. In elk geval speelde hij weer een rol bij de uitgave. De graaf van Hoogstraten schreef uit Keulen, dat zekere Risoir aan van Wesenbeke moest melden, dat hij ‘das ausschreyben fürderlich woll trückhen lassen’18). Daarmee is waarschijnlijk bedoeld: Verklaringhe ende Uutschrift des Duerluchtighsten Hoochgeborenen Vorsten ende Heeren,.... Willem, Prince van Oranien etc. ende zijner Excellentien nootsakelicken Defensie teghen den Duca de Alba ende zijne grouwelicke tyrannie19). Het stuk is gedateerd op 20 juli en werd in verschillende talen verspreid.

Terwijl de prins onder veel tegenspoed de toebereidselen maakte voor zijn eerste veldtocht, achtte hij het ook raadzaam een aantal pamfletten te laten verschijnen20). In dit kader past de genoemde Verklaringe. Dit vrij uitvoerig geschrift is echter, evenals de justificatie, berekend op lezers die daarvoor de tijd kunnen nemen en over enige ontwikkeling beschikken. Er verschenen bovendien eenvoudigere en kernachtigere aanmaningen, op een meer onmiddellijke werking berekend.

Van 31 augustus 1568 is: Willem.... Prince toe Orangien, Grave toe Nassaw.... Allen ghetrouwen ondersaten des Con. Mai., in den Nederlanden, Saluyt, M.D. LXVIII21). Van de volgende dag dateert: Waerschouwinghe Des Princen van Oraengien Aende Ingheseten ende Onder-

[p. 29]

saten van den Nederlanden22). Veertien dagen daarna richtte Oranje een oproep tot alle soldaten van hoge en lagere rang: Allen Ende Elckerlicken Capiteynen, Volck van wapenen ende anderen goeden ende ghetrouwen Crijchsluyden van Nederlant, wenschet de Prince van Oraengien.... gheluck ende salicheit23).

Deze geschriften zetten de redenen uiteen, waarom Oranje meende, Alva en de Spanjaarden de oorlog te moeten aandoen. Het was echter niet slechts de bedoeling van de prins zijn zaak te rechtvaardigen, maar ook de steun der Nederlanders voor zich te winnen. Als hij met zijn leger in het land kwam, moest de bevolking Alva op de een of andere manier afbreuk doen of tot opstand overgaan. Zodoende zou de hertog zijn aandacht op meerdere punten tegelijk moeten richten en dus zijn macht moeten versnipperen24).

In het spaanse kamp werd de propaganda van Oranje prompt gesignaleerd. Morillon schreef Granvelle over enkele punten, die hem opvielen: Oranje's ketterij en de aanvallen op de kardinaal25). Hij liet zich niet vleiend uit over Oranje's strategisch talent. Morillon zag in de prins meer een propagandist dan een veldheer: ‘Je le tiens plus propre à celà que à conduire une grande armée’26). Granvelle sloot zich later bij die opvatting aan: deze manier om geschriften te verspreiden is niet het werk van soldaten maar van mensen zonder moed27). De correspondenten waren niet altijd fair. In aansluiting op een hele passage over de Verantwoordinge werd er geschreven: de prins vlucht en hoe zal zijn huisplaag - Anna van Saksen - hem welkom heten en zegenen! Al zijn bezit is weg en zijn prestige ging voorgoed verloren28). 's Prinsen pamfletten vormden ook een punt van correspondentie tussen Granvelle en de koning. Beiden waren blijkbaar op de hoogte van de inhoud dezer geschriften. Granvelle wilde niet antwoorden op de beschuldigingen aan zijn adres. Doodzwijgen zou Oranje het meest irriteren. Wel wenste hij zich voor de koning te verantwoorden. Op enkele punten van de beschuldigingen aan zijn adres ging hij ook inderdaad in29). Maar Philips II stelde hem volkomen gerust30).

[p. 30]

Uit een antwerpse bron blijkt, hoe de pamfletten van de prins aan de man gebracht werden. Op een goede morgen stond er een man bij een der bruggen van Antwerpen en deelde ze uit aan voorbijgangers. Maar enkele dagen later vaardigde de stadsmagistraat een plakkaat uit, waarin de colporteur opgeroepen werd om zich te komen verantwoorden. Voor inlichtingen die tot zijn aanhouding zouden leiden werd een beloning uitgeloofd van vijf en twintig carolus-gulden. De pamfletten zelf moesten ingeleverd worden; ze achterhouden was strafbaar31).

Dat de pamfletten van de prins, met name zijn Verantwoordinge, meer indruk maakten in het spaanse kamp dan Granvelle en de koning wilden bekennen, blijkt wel uit het feit, dat er ernstige en veelvuldige pogingen werden gedaan om ze te weerleggen.

Hopperus bracht in Spanje de koning de wenselijkheid van een antwoord onder ogen32). Hij voerde er een drukke correspondentie over met Viglius, die ook voorstander van een weerlegging was33). Zij waren er beiden van overtuigd, dat Oranje's propaganda een grote invloed had op de massa, die het spaanse bewind heel weinig genegen was. Speciaal met het oog op de duitse vorsten achtten zij een reactie van groot belang. Na lange aarzeling, geheel in de lijn van het gewone spaanse optreden, ontving Hopperus namens de koning de Verantwoordinge en de Verklaringhe, met de opdracht een weerlegging van een van beide te schrijven34). Hij maakte er echter twee, die tot in details op de bewuste stukken ingingen. Maar er schijnt weinig van terecht gekomen te zijn. Hopperus verzocht, dat zijn werk nog gecontroleerd zou worden, zowel in de Nederlanden als in Spanje35). Hij meende, dat het aan Viglius opgestuurd was36). Deze ontving echter niets37). Een paar maanden later schreef Hopperus over de lotgevallen van zijn werk in Spanje. Het is een vrij cynisch verhaal, dat de efficiency van het spaans propaganda-apparaat in een vrij schamel dag-

[p. 31]

licht stelt. De koning had het werk aan zijn raadsman Velasco gegeven. Nu zou het er wel mee vergaan als met een ander geschrift van Hopperus. Van het Latijn zou het in het Spaans vertaald worden. Hier en daar zou een verandering aangebracht worden. Daarmee was het werk van auteur veranderd. Voor Hopperus persoonlijk was het voldoende genoegdoening iets voor de koning gedaan te hebben, waarover deze zich tevreden toonde. Mogelijk verdiende het nog de voorkeur, geen weerlegging uit te geven, nu het gunstig ogenblik daarvoor voorbij was. Anders zou men de tegenstanders opnieuw aanleiding geven te ageren38).

Daarmee waren de weerleggings-pogingen nog niet uitgeput. Onder de archiefstukken van de Bloedraad, bevindt zich een ontwerp voor een repliek, opgesteld nadat het vonnis over Oranje was uitgesproken en na de veldtocht van Lodewijk van Nassau in Friesland en de slag bij Heiligerlee, die ter sprake komen39). Dat kan het werk zijn van del Rio en Vargas, leden van de Bloedraad, die een weerlegging schreven, waarvan vaststaat, dat ze persklaar was. Viglius schatte het geschrift niet hoog40). Ook Hopperus opperde ernstige bezwaren. Hij had nog nooit iets gelezen, dat zo koud en nuchter was. Hij achtte het niet raadzaam, dat het werk uitgegeven werd, tenzij in verkorte vorm. Anders zou men een gelegenheid bederven door ze verkeerd te benutten. In een protest zag Hopperus geen heil: Alva vertrouwde de auteurs blindelings41).

De bekende spaanse spion Fray Lorenzo de Villavincencio schreef ook een repliek. Maar Velasco, die ook de revisie van Hopperus' weerlegging in handen had, stond hem niet toe het geschrift uit te geven42). Zelfs Granvelle, die zich voorgenomen had niet te antwoorden en de zegen van de

[p. 32]

koning ontving op dat besluit, liet een stuk na, dat een schema moet zijn van een antwoord op Oranje's justificatie43).

Intussen waren er nog meer justificaties verschenen. Hoogstraten, de vriend van Oranje, die in de eerste veldtocht sneuvelde, gaf er een uit. Ze vertoont een nauwe verwantschap met die van Oranje. Dat geldt ook van de verdedigingsgeschriften door Jacob van Wesenbeke geschreven. Ze ademen alle één geest doordat ze alle uit één milieu komen. Ze beogen alle één doel: de rechtvaardiging van de Opstand, direct of indirect. Dit maakt het zo moeilijk, zonder externe bewijzen, iemand met zekerheid als de auteur van een bepaald geschrift te identificeren. Er zijn echter verschillende interne gegevens, die erop wijzen, dat van Wesenbeke de schrijver is van de justificatie van Hoogstraten; een mening, die reeds verkondigd werd, zonder dat er echter enige bewijzen voor werden aangegeven44).

Er is een uiterst belangrijke brief bewaard gebleven van Van Wesenbeke, geschreven onder de schuilnaam Hans Baert. Daaruit blijkt, dat hij de auteur en uitgever is van verschillende verdedigingsgeschriften. Opnieuw komt naar voren, hoe nauw Oranje bij die propaganda betrokken was45).

In het voorjaar van 1569, toen Oranje bij het leger der Hugenoten vertoefde, na het mislukken van zijn veldtocht in 1568, maar voor de definitieve liquidatie daarvan, stond van Wesenbeke met hem in contact over de uitgave van een verdediging van Anthonis van Stralen, burgemeester van Antwerpen. Hij had Oranje de tekst doen toekomen, met een verzoek om advies. In afwachting van het antwoord, ging hij door de uitgave voor te bereiden, na de raad van anderen ingewonnen te hebben. Hij somde verschillende argumenten op, om te demonstreren, dat er geen vertraging in de

[p. 33]

propaganda geduld kon worden. Vooral de duitse vorsten moesten bewerkt worden. Een franse editie der apologie van Van Stralen zou binnenkort verschijnen. Oranje zou er aanstonds een exemplaar van ontvangen. Van Wesenbeke had plannen om een latijnse, duitse en nederlandse vertaling te laten vervaardigen. De laatste verscheen onder de titel: Corte Vermaninghe aen alle christenen opt vonnisse oft advis, met grooter wreetheit te wercke ghestelt teghen Heer Anthonis van Stralen, Borgermeester van Antwerpen ende Commissaris generael vanden Staten der Nederlanden, inhoudende tselve Aduijs. Ende begrijpende een cleine vercleeringe op elck punct aldaer voorgestelt, metten gelegentheden vander Religien. Eensamelick de verantwoordinghe der gheenre die int selve Aduijs tonrechte worden geblameert46). De twee andere vertalingen bleven blijkbaar achterwege. Geldgebrek, waarover van Wesenbeke klaagde, zal daarvan wel de oorzaak zijn geweest. Oranje legde de nauwelijks gecamoufleerde verzoeken, om hierin te voorzien, kennelijk naast zich neer. Bovendien achtte van Wesenbeke edities in vier talen overbodig, als het hieronder te noemen pamflet kon verschijnen.

Van Wesenbeke was intussen klaar gekomen met het verdedigingsgeschrift van Hoorne: De Bewijsinghe vande onschult van mijn Heere Philips Baenreheere van Montmorency, Grave van Hoorne, Vrijheere van Weert, etc. Admirael ende Capitein Generael van der Zee, vanden Nederlanden, Riddere van der Oorden vande Gulden vliese, etc. Tegens de bedriegelicke vanginge, onbehoorlicke aenhoudinghe, onrechtueerdighe rechtuoorderinge valsche betichtinghe, ongoddelicke vonnissen, ende tyrannische executie te grooten ongelijcke dadelijcken aan zijnen persoon ghedaen47). Van Wesenbeke wilde met de verspreiding wachten totdat de prins daarover zijn mening gegeven had.

Nog een ander werk bracht van Wesenbeke ter sprake: De Beschriivinge Van den Gheschiedenissen in der Religien saken toeghedragen in den Nederlanden. Deerste boeck, begriipende Den Staet, voortganck ende gelegentheden der Religien soo die aldaer sedert.... 1500. gebeurt zijn, ende besondere sedert dat Coninc Philips de tweede daer geregeert heeft48). Mogelijk kwam Oranje tegemoet in het geldgebrek, dat aanvankelijk de publicatie verhinderde49). Toen van Wesenbeke uit Antwerpen vertrok,

[p. 34]

nam hij een grote hoeveelheid officiële bescheiden mee50). Deze kwamen hem goed van pas bij het samenstellen van zijn geschriften, die vaak voorzien zijn van een overvloed aan documentatie-materiaal. Van Wesenbeke noteerde, dat hij van hogerhand werd aangezocht dit werk te schrijven. Mogelijk mag men uit zijn woorden concluderen, dat Oranje niet vreemd was aan dit boek: ‘plusieurs (ausquelz ne vouldrois refuser chose que seroit en ma puissance) m'en ont requis’51).

Naast de nederlandse tekst van De Beschriivinge bestaat een franse52). Maar de wens van de auteur, uitgedrukt in de inleiding: een vertaling in het Latijn en in het Duits, een uitgave van een tweede en een derde deel in vier talen, is niet in vervulling gaan53). Wel deed Oranje nog pogingen om een editie van twee delen in het Duits, mogelijk te maken54).

Met De Beschriivinge van Van Wesenbeke is enigszins te vergelijken het werk: Vraye Narration et Apologie des choses passées au Pays-bas, touchant le Fait de la Religion en l'An M.D. LXVI, par cevx qui font profession de religion reformée audit Pays55). Evenals bij De Beschriivinge doet de titel het voorkomen, alsof er alleen religie-kwesties ter sprake komen. In werkelijkheid passeren echter in beide werken alle belangrijke gebeurtenissen uit het Wonderjaar de revue; in het eerste geschrift in de vorm van een historisch verhaal, in het tweede als een apologie. De beide auteurs blijken echter een verwante bedoeling te hebben.

Fruin heeft afdoende bewezen, dat Marnix de auteur is van de Vraye Narration, vooral op grond van de sterke overeenkomst met de Byencorf56). De vergelijking van de apologie van het jaar 1566 met het tractaat van Marnix Van de beelden afgeworpen in de Nederlanden, die Fruin als de allerhoogste beslissing van het pleit aanwees, werd uitgevoerd door van Toorenenbergen57). Deze wees er bovendien op, dat ook zonder deze argumenten gemakkelijk sporen te vinden zouden zijn, die leidden naar de Noordelijke Nederlanden en naar de omgeving van de prins, bv. het belang

[p. 35]

van Holland en Zeeland bij een eventuele oorlog tussen Spanje en de Nederlanden58). Hij meende zelfs te kunnen aanwijzen, dat Marnix inlichtingen ontving van Oranje59).

Intussen werd nog een ander soort pamfletten voor de propaganda gebruikt. De besprokene beoogden allereerst de rechtvaardiging van de Opstand en spoorden aan tot verzet. De bedoeling van de hieronder volgende pamfletten was op de eerste plaats: de haat tegen de Spanjaarden en hun instellingen aanwakkeren60). Een modern werk over de tachtigjarige oorlog beschrijft de opzet aldus: ‘Duvelszwart moest de vijand worden afgeschilderd ter wille van de weifelaars en twijfelaars, dat is, altijd, de meerderheid der te winnen bevolking. Met dit ignobel, maar nodig bedrijf houden zich zoveel pamfletten bezig’61). Inhoud en vorm zijn bij dit soort pamfletten wel heel populair. Ook de geringe omvang wijst erop, dat ze voor een eenvoudig publiek bestemd waren.

Daartoe behoort het fameuze geschrift: De Artijckelen ende besluyten der Inquisitie van Spaegnien, om die vande Nederlanden te overvallen ende verhinderen62). Het pamflet bestaat uit drie delen: het oordeel van de spaanse Inquisitie over de Nederlanders op grond van allerlei inlichtingen, gedateerd op 18 februari 1568; vervolgens het vonnis van de koning daarop, van tien dagen later, en tenslotte de twaalf artikelen, bevattende een gedetailleerd plan om de gruwelijke veroordeling ten uitvoer te leggen; drie stukken waarvan de eerste twee ook afzonderlijk verspreid zijn geweest.

Eeuwen lang hebben de beweringen van dit pamflet in de Nederlandse historie-boeken rondgespookt, waar ze dan aanleiding gaven tot het luchten van de traditionele gevoelens van afkeer van de spaanse Inquisitie, die in de Nederlanden nooit is ingevoerd. In 1829 werd de onechtheid grondig aangetoond63). Maar nog in deze eeuw gaven ze aanleiding tot een kran-

[p. 36]

tenpolemiek64). De ontmaskering geschiedde op grond van inwendige critiek, die de al te dwaze plannen niet au sérieux kon nemen en de gebeurtenissen tussen de jaren 1550-1568 niet mocht beschouwen als tevoren precies zo beraamd. De Artijckelen stellen het immers voor, alsof de Opstand door de Inquisitie geënsceneerd werd. Karel V zou overgehaald worden afstand te doen van de regering en zich terug te trekken naar Spanje, waar hij vermoord zou worden. Ook Philips II moest naar Spanje gelokt worden, zonder nog een kans te krijgen in de Nederlanden terug te keren. De maatregelen, die de Inquisitie de koning zou laten nemen, moesten onvermijdelijk opstand tengevolge hebben. Dan konden de edelen en hun aanhangers omgebracht worden. Vervolgens zou de Inquisitie de Beeldenstorm organiseren, maar zó, dat de opstandelingen de schuld zouden krijgen. Handel en nijverheid moesten vernietigd worden. Alle Nederlanders werden vervolgens ter dood veroordeeld. Alva was voorbestemd, dit vonnis ten uitvoer te leggen, met schending van rechten en privileges. Royaards, die het document als een falsificatie ontmaskerde, kon niet nalaten te verzuchten: ‘Belangrijk voorzeker ware het voor de Geschiedenis, indien wij hier historische daadzaken voor ons hadden, en wij aan de echtheid van deze artikelen geloof konden hechten. Dan zou hier een nieuw licht voor de Geschiedenis opgaan; vele betwiste punten zouden opgehelderd en tot zekerheid gebracht worden. Welk een eenheid zou er dan heerschen in onze Geschiedenis! Wat een invloed der Inquisitie zou er dan in al de lotgevallen van den staat kenbaar zijn’65).

[p. 37]

Een ander pamflet van dit genre is: Copie van den Puncten ende Articulen, ghesloten by den Hertoge van Alba, ende zijnen nieuwen Raet van twelven66). De titelpagina geeft nog een aantal specificaties, misschien bedoeld om het publiek van de echtheid van het stuk te overtuigen: ‘Inhoudende de Persoonen int generael, so Catholique als andere, by hen alreede ghecondemneert om lijf ende goet ghebrocht te worden: Ghetranslateert wt den orginale Spaensche Articulen, gecregen binnen Antwerpen, inde Camere van Vergas, President vanden voors. Raet, ten huyse van Marcus Nonius, inde Meyre aldaer, etc.’. Dan volgt de bedoeling: ‘Waer wt yegelick de moordadighe tyrannije des Hertoghen van Alba ende synen bloetdorstigen Raet verstaen mach’67).

Als Bor opmerkt, dat indien dit stuk echt is, practisch niemand in de Nederlanden onschuldig is, drukt hij daarmee zijn twijfel aan de echtheid uit68). Morillon verwierp de authenticiteit op grond van het aantal artikelen, dat in de verschillende edities varieerde tussen twaalf en zestig. Minder practisch was het middel, dat hij voorstelde vervaardigers van het pamflet te achterhalen. Morillon wilde degene, die een pamflet bezat, vragen, hoe hij eraan kwam. Door aldus systematisch terug te gaan, moest men tenslotte terecht komen bij de auteur en de drukker69).

Alva werd gewaarschuwd en weldra verscheen er een plakkaat tegen de pamfletten, dat kennelijk onder invloed van het genoemde geschrift gemaakt was. De hertog legde verband tussen de veldtocht van Oranje en de propaganda door middel van pamfletten. Daardoor trachtte de prins de medestanders, die zich tot dan toe verborgen gehouden hadden, in beweging te brengen en ook de loyale onderdanen te doen wankelen. Tot de pamfletten, waarin dat gebeurde, behoorde met name: ‘Sekere articulen die sy zeggen gevonden te hebben in de kamer van een van onse Raden, geordinneert op 't stuk van de voorsz. troubelen en seditien, vermeldende van alderley spetien van volke die wy metten poene van der dood souden willen straffen, 't welk al valschelijk tegen de waerheyd versiert, en geensins by

[p. 38]

yemanden van onzen Raden noit gedacht is geweest, welke articulen na dat de selve, eerst in 't heymelijk van hand te hand gegeven hadden geweest, iemand hem vervoordert heeft te drucken of printen, om die des te meer gedivulgeert en int openbaar gebracht te worden, meinende ook daer door den voorsz. logenen des te beter schijn en verve te geven, en meer simpele luiden te bedriegen’70).

Alva nam nog meer maatregelen om verdachte literatuur te weren. Er werd een inval gedaan bij drukkers en uitgevers. De hertog vormde een keuringsapparaat en liet een index opstellen71). Er werd beraadslaagd over maatregelen voor een scherpere controle op de drukkers. Hun godsdienstige overtuiging en hun vakkennis zou getest worden. Merkwaardig is, dat Alva voor deze laatste taak Plantijn op het oog had72), tegen wie toch ook wel verdenkingen bestonden.

Nog een andere reeks artikelen deed de ronde: Derthien Artijckelen: Gheintituleert Het Aduijs der Spaengiaerden. Op den teghenwoordigen staet vanden Nederlande. Gecomposeert ofte gefingeert, door den Cardinael Granuelle.... Daerna hebdy de Refutacien ofte Tegenstrijdinghen der voorseyder Artijckelen73). Het feit in aanmerking genomen, dat dit geschrift tot een genre behoort, waarvan de authenticiteit zeer verdacht is, mag ook hier de echtheid a priori betwijfeld worden. Dat gebeurde reeds door tijdgenoten. Hubert Languet oordeelde: ‘Quia scriptum mihi videtur satis ineptum’74). Bor tekende erbij aan: ‘En hoe wel vele meinden dat dit meest al versierde dingen waren, so het ook eensdeels was: zo dienden deselve nochtans om de herten van den gemenen volke te meer te verbitteren tegens de Spangiaerden’75). Groen van Prinsterer verdedigde de authenticiteit van dit plan om alle autonomie uit te roeien in de Nederlanden, die tot een bastion van de spaanse macht in Noord-Europa gemaakt moesten worden76). Fruin noemde verschillende edities van het pamflet maar liet de echtheid in het midden77).

[p. 39]

Ook tijdens de veldtocht van Oranje in 1568 verschenen er pamfletten ter versterking van het moreel. Saravia, de veldpredikant van de prins, schreef: Een hertgrondighe Begheerte, vanden.... Prince van Oraengien, mitsgaders alle syne Christelijcke.... Bontgenooten, op alle menschen begheert, van wat condicie oft qualiteyt sy zijn, die den Heere liefhebben ende vreesen, ende ooc beminnende zijn de weluaert van onsen.... Coninck Philips van Spaengien Nederlanden, mitsgaders oock dat Keyserlijcke Rijcke: Welcke landen nv soeckt te bederuen ende heel te ruineeren, onder tschijn van bescherminghe, eenen ghenaemt Duca de Alba78). De schrijver kende natuurlijk de geschriften van Oranje en ook andere propaganda-literatuur79). Het geschrift behelst verschillende themata, die karakteristiek zijn voor de orangistische propaganda. Maar er is nog een duidelijker aanwijzing, dat de prins ook aan dit stuk niet vreemd was. De schrijver vatte de bedoeling en inhoud aldus samen: ‘Soo hevet hem (Oranje) ende allen zijnen vromen Christen Bontghenoten goet ghedocht met een cleyn boexcken alle menschen te vermanen om te bidden den levendighen God dach ende nacht sonder ophouden voor hem, op dat hij victorie mach verwerven ende sonder vele bloetstortinghe zynen vyant ter neder legghen’80). Het pamflet is gedateerd op 21 september 1568, dus vlak voor de overtocht van de prins over de Maas, die in de nacht van 5 op 6 oktober plaats had. De inhoud geeft hier en daar aan, dat men op een critiek punt gekomen was81).

Vervolgens verscheen uit het prinselijke kamp: Clachte des verdruckten Nederlants over zijn slappe ongetrouwe ingheboerne, die tot hen eygen verlossinghe niet en helpen82). Uit de inhoud blijkt, dat het pamflet geplaatst moet worden na de tocht van Oranje over de Maas en nadat de prins ondervonden had, dat hij te optimistisch was in zijn verwachtingen op de hulp, die de Nederlanden zelf hem zouden verlenen. Maar nog was de hoop niet verloren. Nogmaals werden de inwoners opgeroepen om uit

[p. 40]

hun passiviteit op te staan en eindelijk hun bijdrage te leveren voor hun eigen bevrijding83).

Een maand later zag het licht: Getrouwe vermaninge aenden Inwoonderen der Nederlanden, tegen de ydele ende valsche hope, daermede sy vanden verdruckere worden verleit84). De datum post quem is 11 november, daar het corpus van het geschrift een bestrijding is van Alva's plakkaat tegen de pamfletten van die datum: ‘het placcaet deser dagen my toegecomen ende by u verdruckers tuwer verleydinge den 11 deser maent Novembris, 1568 wtgegeven’85). Voor het overige is de strekking dezelfde als van het voorgaande pamflet. De weerlegging van het bevelschrift van de spaanse veldheer is daaraan ook ondergeschikt, omdat ook dit de afkeer van het spaanse regiem moest aanwakkeren86). Het lijkt er zelfs op, dat de twee pamfletten van dezelfde auteur zijn.

 

Toen Oranje eindelijk weer enige klaarheid had gebracht in de financiële chaos, die het gevolg was van zijn eerste veldtocht, kwam van Wesenbeke bij hem in vaste dienst. Hij werd aangesteld tot raadsheer van de prins87). Onvermoeid begon hij zijn omzwervingen, om weer nieuwe aanvallen op Alva te organiseren. De ene samenzwering na de andere zette hij op touw. Overal verzamelde hij geld voor de Opstand. Daarmee gaf van Wesenbeke echter niet zijn publicistische werkzaamheid op. Ook met de pen bleef hij de zaak van het verzet dienen. Zijn literaire activiteit correspondeerde geheel met het stadium, waarin de Opstand verkeerde.

In april 1570 stelde hij namens Oranje een proclamatie op, die echter niet in druk verspreid werd, maar aan geestverwanten te lezen gegeven moest worden. De prins verklaarde zich daarin nog steeds bereid om alles op het spel te zetten voor de bevrijding der Nederlanden uit de tyrannie, mits hij verzekerd kon zijn van de ernstige medewerking der verdrukten88).

[p. 41]

In Augustus van hetzelfde jaar volgde er een proclamatie tot alle Nederlanders, die verspreid zou worden als men metterdaad tot de intussen gevormde plannen kon overgaan, en die zeer nauw verwant was aan de voorgaande89). De nieuwe proclamatie paste geheel in de politieke constellatie van het ogenblik. De naderende binnenlandse vrede in Frankrijk, die op 8 augustus 1570 te St. Germain gesloten werd, verwekte hoopvolle verwachtingen bij de opstandelingen en vrees bij de Spanjaarden. Daarom verbood Alva de verkoop en het bezit van het pamflet, dat deze vrede bekend maakte. De prins van zijn kant ging tot grotere activiteit over. Hij gaf van Wesenbeke een instructie tot verdere organisatie van de aanval en deze vervaardigde weer een proclamatie, die daarbij geheel aansloot90).

Uit de correspondentie tussen Oranje en van Wesenbeke blijkt steeds opnieuw de grote belangstelling van de prins voor de propaganda door middel van pamfletten. Toen hij van Wesenbeke weer eens wees op een geschikte gelegenheid voor de vervaardiging van ‘quelque sommier discours’, verwachtte hij er veel succes van. Hij noemde de plaatsen op, waar het verspreid moest worden91). Hij gaf tot in details richtlijnen voor de inhoud. Het pamflet moest kort zijn: ‘avecq telles et samblables persuasions et inductions que je me confie vous sçaurez bien dextrément mectre en avant le plus briefvement toutesfois qu'il sera possible, pour attirer tant plus ung chacun à la lecture asscavoir de quelçue page ou desmy si faire se peult’92). Mogelijk openbaarde zich hier reeds een zekere afkeer van de woordenrijkdom van Van Wesenbeke, die weldra in de correspondentie duidelijk naar voren zou treden.

Naar aanleiding van een proclamatie van 14 april 1572, die dus voorafging aan de tweede veldtocht van Oranje, ontstond er een conflict met van Wesenbeke. De prins was het er wel mee eens, dat van Wesenbeke een pamflet zou uitgeven, om de veldtocht in te leiden, maar wilde vóór de

[p. 42]

verspreiding kennis nemen van de inhoud93). Daaraan stoorde van Wesenbeke zich niet. De prins stak zijn verontwaardiging niet onder stoelen of banken. Hij wenste op de hoogte te zijn van de propaganda, heel speciaal wanneer deze geschiedde in een vreemde taal94).

Oranje's tweede veldtocht ging nog van een andere proclamatie vergezeld: D. Gvilielmi Nassavii Principis Avrantii etc. Germaniam inferiorem libertati vindicantis ad ordines et popvlvm denvntiatio. 1572. 16 Junii95). Hiervan was van Wesenbeke niet meer de auteur. Er was in de relatie tussen hem en de prins langzamerhand een verkoeling ontstaan, waarvan de diepere ondergrond wel moet zijn: van Wesenbeke's ongefundeerd optimisme, dat zich telkens uitte in nieuwe plannen en denkbeelden, die geen stand hielden voor de nuchtere kritiek van de prins96). In de correspondentie is te volgen hoe het misliep97). Naar aanleiding van de proclamatie, die door van Wesenbeke zonder voorkennis van de prins was verspreid, kwam de definitieve breuk. Koel klonk het afscheid van Oranje: ‘je n'ay présentement chose auquoy je vous pourrois illecq employer, vous remerchiant de vostre bonne affection de laquelle aussy ne me trouverez à l'advenir ingrat’98).

Het pamflet van 16 juni 1572 was voor de koning aanleiding bij Alva aan te dringen op tegenpropaganda. Reeds eerder had hij de landvoogd opdracht gegeven, een pamflet te laten vervaardigen, om verkeerde invloed, die op het volk werd uitgeoefend, tegen te gaan. Alva deed een geschrift opstellen in vier talen, dat blijkbaar anoniem verspreid werd. Er werden voorzorgsmaatregelen getroffen, dat de herkomst onbekend zou blijven. In het pamflet werd met nadruk gewezen op het wangedrag van de opstandelingen te Zutphen; de wreedheden tegenover kloosterlingen en de plunderingen van kloosters en particuliere woningen99). De koning zond in deze

[p. 43]

tijd het geschrift, dat Hopperus indertijd opstelde tegen de Verantwoordinge van de prins, naar Alva. Deze kon eruit benutten wat hem geschikt leek100).

Gedurende de veldtocht schreef Oranje een brief aan de keizer, om zijn optreden te rechtvaardigen. Sinds 1658 was Maximiliaan, door het huwelijk van zijn dochter met Philips II, nauw geparenteerd aan de spaanse koning. Hij had in vrij dreigende bewoordingen de oorlogsplannen van de prins afgekeurd. De brief van Oranje - oorspronkelijk in het Duits geschreven - werd in het Frans en het Latijn vertaald. De prins moet er dus propagandistische bedoelingen mee gehad hebben, die verder reikten dan het keizerlijk hof101).

Hendrik Geldrop, bekend humanist, rector van verschillende scholen, wilde in 1570 Oranje interesseren voor een werkje, dat hij geschreven had. De bedoeling was, dat de prins de uitgave zou financieren. Van Wesenbeke trad op als tussenpersoon102). Oranje ging aanvankelijk accoord met het plan. Hij stelde echter enkele condities: er mocht in het geschrift niets voorkomen, dat de keizer of de duitse vorsten zou kunnen kwetsen; het mocht ook niet op naam van de prins verschijnen103). Blijkbaar niet gerust, zond van Wesenbeke het geschrift op aan Oranje. De prins had geen gelegenheid om het werk te bestuderen. Uitstel was het gevolg104). Pas in 1574 verscheen van Geldrop: Belgicae liberandae ab Hispanis Hypodeixis, Ad P.P.D. Gvlielmvm Nassavium, Principem Aurantium. Anno MD. LXXI exhibita. ac. Nunc demum in lucem edita; 1574 Mense Octob.105). Daar het een krijgsplan voor het jaar 1571 bevatte, had het plan in 1574 natuurlijk geen practische waarde meer. Maar de auteur wilde blijkbaar aantonen,

[p. 44]

dat hij reeds enkele jaren geleden voorzien had wat later zou gebeuren106).

In de eerste helft van het jaar 1570 vatten de protestantse ballingen te Emden het plan op, om onder patronage van Oranje, een apologie tot de duitse Rijksdag, die in dat jaar te Spiers gehouden zou worden, te richten. Het stuk van deze rekkelijke, prinselijk gezinde, richting zou allereerst van politieke strekking zijn. Dat blijkt uit de opmerkingen van Frans Coornhert - minder bekend dan zijn broer Dirk Volkertsz - toen tenslotte het plan afsprong op de afwijzende houding van de preciesen: een apologie was onmogelijk en onvruchtbaar, ‘tenzij dat die politycke saecken, als placaten, ordonnantien, inbreke van privilegien, vryheyden, tyranny van den hertoge Alfa, daer mede ingevoecht werden’107).

Toch werd er op de Rijksdag van Spiers een apologie aangeboden, voorafgegaan door een libellus supplex: Apologeticon, Et Vera rervm in Belgicogermania nvper gestarvm narratio, ex qua dilvcidè perspicitur, quibus omnis tumulttuum et calamitatum origo et causa ferri accepta debeat. Et simvl calvmniae, qvibus ecclesias Belgicas grauant aduersarij, perspicuè diluuntur108). De predikant Dathenus stelde het geschrift op109). Lodewijk van Nassau deed het voorkomen, alsof Oranje het persoonlijk aan de Rijksdag aanbood110). Men mag dus wel aannemen, dat de prins er niet afwijzend tegenover stond. Hij werd hoog geprezen in het Apologeticon. Van Wesenbeke vond het geschrift te religieus van inhoud. Het evenwicht zou hersteld kunnen worden door een uitgave van het tweede deel van zijn Beschriivinge. Dat kan echter ook een voorwendsel geweest zijn, om zijn boek weer eens onder de aandacht van Oranje te brengen111). Hij had geen succes: ‘Zijne Exe zal hem daerop beraden’112).

 

Bij zijn propaganda heeft Oranje ook gebruik gemaakt van liederen. Hij kon zich in dit opzicht spiegelen aan het voorbeeld van duitse vorsten. Het

[p. 45]

is niet onmogelijk geacht, dat hij zelf liederen schreef. Er wordt een zestiental geuzenliederen aangewezen, die door Oranje geïnspireerd zouden zijn113). Daar behoort op de eerste plaats toe: het Wilhelmus van Nassouwe. Welke strijdvragen er ook mogen bestaan over dit lied, het pastte volkomen in de propaganda uit deze periode114).

1)Poullet, o.c., II, 481-482, Morillon aan Granvelle, Brussel 7 juni 1567.
2)Poullet, o.c., III, 73-74, Morillon aan Granvelle, Brussel 7 nov. 1567. Rachfahl, o.c., III, 651, meent - in tegenstelling met Poullet - dat de acte van beschuldiging daarna inderdaad veranderd is.
3)Poullet, o.c., III, 16, Morillon aan Granvelle, Brussel 23 nov. 1567; o.c., III, 132, Morillon aan Granvelle, Brussel 30 nov. 1567.
4)K. 160; uitgave in: Schenk, o.c., 23-81.
5)Poullet, o.c., III, 190, Morillon aan Granvelle, Brussel 1 febr. 1568.
6)Misschien werden ze reeds eerder gedrukt en uitgegeven. Immers in zijn Verantwoordinge schrijft Oranje: men brengt allerlei valse beschuldigingen tegen hem in en de rechtsprocedure strijdt met alle wetten en gebruiken: ‘(soo hier voor ende by sekeren anderen onsen geschrifte is bewesen gheweest)’ (Schenk, o.c., 80). Die ‘sekeren anderen geschrifte’ zijn blijkens de aantekeningen in margine de Antwoorden.
7)Archives III, 185-186, Willem van Hessen aan Oranje, Kassel 11 maart 1568.
8)Rachfahl, o.c., III, 653-654.
9)Archives III, 186-187.
10)L.c.; Rachfahl, o.c., III, 653-654 bespreekt uitvoerig het aandeel, dat zekere Dr. Meiszner in de samenstelling van de justificatie had.
11)Poullet, o.c., II, 349, Morillon aan Granvelle, Brussel 2, 5, 6 april 1567; o.c., II, 373, Morillon aan Granvelle, Brussel 13 april 1567. J.D.M. Cornelissen, Medewerkers van den Prins, in: Prins Willem van Oranje 1533-1933, Haarlem 1933, 235-253.
12)Rahlenbeck, Mémoires, 252-253.
13)Poullet, o.c., II, 388, Morillon aan Granvelle, Brussel 18 april 1567.
14)Poullet, o.c., II, 421, Morillon aan Granvelle, Cante-Croix 3 mei 1567.
15)Archives III, 113.
16)J.F. van Someren, La Correspondance du Prince d'Orange avec Jacques de Wesenbeke, Utrecht-Amsterdam 1896 (Archives du Correspondance inédite de la maison d'Orange-Nassau, Supplément au recueil de M.G. Groen van Prinsterer), 1, Oranje aan Jan van Nassau, Antwerpen 7 april 1567.
17)J.F. van Someren, Wesenbeke of Marnix? Historische-bibliografische studie, in: Oud-Holland 9 (1891) 93-94. Over van Wesenbeke zijn daar interessante gegevens te vinden, o.c., 9 (1891) 73-105 en 10 (1892) 66-80.
18)Archives III, 244.
19)K. 164; uitgegeven in: Schenk, o.c., 99-116.
20)Bor I, 253.
21)K. 167a; afgedrukt in: Bor I, 253-254.
22)K. 168; afgedrukt in: Schenk, o.c., 117-128.
23)K. 170a.
24)Bor I, 253.
25)Poullet, o.c., 239, Morillon aan Granvelle, Brussel 14 aug. 1568.
26)O.c., III, 345, Morillon aan Granvelle, Brussel 4 sept. 1568.
27)O.c., III, 382-383, Granvelle aan Philips II, Rome 12 okt. 1568.
28)O.c., III, 408, Morillon aan Granvelle, St. Amand 18 nov. 1568.
29)O.c., III, 382-383, Granvelle aan Philips II, Rome 12 okt. 1568.
30)O.c., III, 508, Philips II aan Granvelle, Escurial 12 maart 1569.
31)Antwerpsche Archivenblad, 2, z.j., 425-426.
32)Joachimi Hopperi Frisii, Epistolae ad Viglium ab Aytta Zuichemum, Trajecti ad Rhenum 1802, 204, Hopperus aan Viglius, Madrid 27 nov. 1568.
33)C.P. Hoynck van Papendrecht, Analecta Belgica, I, 2, Hagae Comitis 1753, Viglii ab Aytta Zuichemi politicae et historicae Epistolae ad Joachim Hopperum, 452, Viglius aan Hopperus, Brussel 31 dec. 1568.
34)J. Hopperi Epistolae, 204, Hopperus aan Viglius, Madrid 27 nov. 1568.
35)Gachard, Cor. de G. de Tac., VI, 284-285, Hopperus aan Philips II, Madrid 5 jan. 1569.
36)J. Hopperi Epistolae, 212, Hopperus aan Viglius, Madrid 28 jan. 1569.
37)Hoyinck van Papendrecht, o.c., I, 2., 458, Viglius aan Hopperus, Brussel 18 febr. 1569.
38)J. Hopperi Epistolae, 219, Hopperus aan Viglius, 9 april 1569. Gachard schreef: ‘Je n'ai pas trouvé, dans les Archives de Simancas, cette réponse d'Hopperus, et je n'ai pas vu non plus quel usage en fit le Roi’ (Cor. de G. le Tac. VI, 285, noot 1). Dit laatste heeft de brievenpublicatie van Poullet echter aan het licht gebracht, zoals verderop zal blijken.
39)Rachfahl, o.c., III, Haag 1924, 654, aantekening bij blz. 274.
40)Hoyinck van Papendrecht, o.c., I, 2., 458, Viglius aan Hopperus, Brussel 18 febr. 1569.
41)J. Hopperi Epistolae, 219, Hopperus aan Viglius, 9 april 1569.
42)Gachard, Cor. de G. le Tac., VI, 285, noot 1. De schrijver besluit zulks uit een brief aan de koning gericht, die hij te Simancas zag en die dateerde uit april 1575. Later publiceerde Gachard een ongedateerde, maar in jan. 1575 geplaatste, brief, die een meer stringent bewijs voor deze thesis vormt. Lorenzo de Villavincencio vroeg hier immers zijn copie van de koning terug (Gachard, Cor. de Phil. II, III, 230: ‘Quand le rebelle Nassau se détermina à aller en Hollande, il publia un livre à l'aide duquel il souleva les populations de cette province. Fray Lorenco fit une réponse à ce livre; il la montra au docteur Velasco, qui ne fut pas d'avis qu'elle s'imprimât. Il supplie le Roi d'ordonner qu'on la fasse chercher dans les papiers de Velasco, et qu'on la lui rende, parce qu'elle pourrait être de quelque utilité aujourd'hui’).
43)L.P. Gachard, Contre l'escript du prince d'Orange, in: Compte-rendu des séances de la Commission Royale d'Histoire, 4, (1841) 79 en 112-123. Uit een vergelijking tussen het werk van Granvelle en de justificatie van Oranje blijkt duidelijk, dat de kardinaal het stuk van de prins naast zich had toen hij zijn weerlegging opstelde.
44)Rahlenbeck, Mémoires, XIII.
45)R.C. Bakhuizen van den Brink en R. Fruin, Jacob van Wesenbeke, de publicist van den Nederlandschen Opstand, in: Studien en Schetsen, I, 255-281. Bij de volgende alineas werd een veelvuldig gebruik gemaakt van genoemde artikelen.
46)S. 43.
47)S. 42.
48)K. 147.
49)Rahlenbeck, Mémoires, V.
50)O.c., XIII.
51)O.c., 51,54.
52)K. 146; uitgegeven in: Rahlenbeck, Mémoires, 47-392.
53)Rahlenbeck, Mémoires, 49-50.
54)Van Someren, Wesenbeke of Marnix? in: Oud-Holland, 10 (1892) 67.
55)K. 150.
56)R. Fruin, Een anoniem pamflet van 1567 toegekend aan Marnix van St. Aldegonde, in: Verspreide Geschriften, VI, 's-Gravenhage 1903, 99-110. Van Toorenenbergen, Marnix van St. Aldegonde, I, 35-134.
57)Van Toorenenbergen, Marnix van St. Aldegonde, XXII-XXIV.
58)O.c., XXV.
59)O.c., XXVIII.
60)Bor I, 249.
61)Spieghel Historiael van de tachtigjarige oorlog, in: J. Presser e.a., De Tachtigjarige Oorlog, Amsterdam-Brussel, 1948, 15.
62)K. 156. Hier wordt gebruik gemaakt van het interessante artikel, met vervolg, van P.J. Blok, Het Advies van de Spaansche Inquisitie, BVGO vierde reeks, 6 (1907), 241-257; Naschrift, 468-470. In de datering wordt hij echter niet gevolgd. De schrijver ontdekte verschillende reminiscenties aan deze stukken in pamfletten uit 1568, die echter niet zo buitengewoon sprekend zijn, daar het algemeen verspreide ideeën betreft. Er zijn markantere parallellen naast elkaar te zetten.
63)H.J. Royaards, Bijdrage tot geschiedenis van de Nederlandsche volksgeest in de XVIe eeuw, tegenover de Spaansche Inquisitie, in: Archief voor Kerkelijke Geschiedenis, 1 (1829), 253-282.
64)Blok, l.c., 242.
65)Royaards, Bijdrage, 270-271. Het pamflet kan volkomen ontmaskerd worden als men het onderzoekt met de woorden van Bakhuizen van den Brink voor ogen: ‘Bij het doorbladeren van tallooze vlugschriften, uit het begin van den Vrijheidsoorlog, is vaak bij ons het vermoeden ontwaakt, dat vele van die schriften, zoowel als de feiten, daarin vervat, geantidateerd zijn. Men versta ons wel. Er waren Schrijvers, die zeiden, dat het werkje, dat zij toen in het licht gaven, vóór vijf en meer jaren was opgesteld, en wij gelooven, dat zij niet altijd de waarheid zeiden. Want hunne beschouwingen doen veeleer onderstellen, dat zij door latere ondervinding omtrent hetgeen niet te voorzien was, waren geleerd, dan door eene hun ingeblazene gave der profetie. Zoo als met de geschriften zelven, is het met de feiten, die zij mededeelen. Plannen, door latere omstandigheden tot rijpheid gebragt, worden opgegeven als in vroegere jaren beraamd, toen er naauwelijks eenige aanleiding toe bestond, tenzij in de eventuële combinatiën eens scherpzinnigen staatsmans, of in den zienersgeest van een' waarzegger’ (Studien en Schetsen, I, 223).
66)S. 38. Dit exemplaar is ‘ghedruckt int jaer 1568 inde maent van Octobri’. De U.B. te Amsterdam bezit een exemplaar van ‘XVII Sept.’. Er bestaat echter nog een duitse tekst die de datum 16 september draagt (W. 8668). Wel een bewijs, dat het werkje een grote verspreiding genoot.
67)Bor I, 249 neemt deze specificaties met min of meer eigen woorden over. Dat is een methode, die hij vaak toepast: titelpagina's en voorwoorden verschaffen hem een nadere beschrijving van pamfletten.
68)Bor I, 250.
69)Poullet, o.c., III, 374, Morillon aan Granvelle, Leuven 10 okt. 1568.
70)Bor I, 252.
71)Gachard, Cor. de Phil. II, II, 674-675, Brussel 7 maart 1569.
72)Gachard, Cor. de Phil. II, II, 110-111, Alva aan Philips II, Brussel 31 okt. 1569. In de instructie, die Alva bij zijn vertrek uit Spanje meekreeg stond vermeld, dat hij goed het oog moest houden op drukkerijen en boekwinkels (Rachfahl, o.c., III, 24). Op 24 mei 1567 trad hij er dan ook al tegen op (o.c., III, 32).
73)W. 193.
74)Geciteerd in: Archives II, 9.
75)Bor I, 251.
76)Archives II, 9.
77)Fruin, o.c., I, 298, noot 2.
78)W. 190; uitgegeven in: Schenk, o.c., 129-155.
79)Het verwijst bv. naar een ‘cleyn Boecxken, twelck den lanckmoedighen.... Prince van Orangien onlancx leden in den drucke heeft uut laten gaan, waer in verclaert was, tot wat intentie (hij).... tsweert met alle zijn vrome Bontghenooten aengrijpende was’ (Schenk, o.c., 131). Daar dit pamflet gedateerd is 21 september is hier waarschijnlijk de Waerschouwinghe bedoeld, die van 1 september is.
80)Schenk, o.c., 132.
81)Schenk, o.c., 133 en 142.
82)K. 171 geeft de franse tekst. De nederlandse tekst is te vinden in: De Navorscher, 55 (1905) 132-138.
83)De Navorscher, 55 (1905) 134.
84)K. 172 geeft de franse tekst. De nederlandse tekst is te vinden in: De Navorscher, 55 (1905), 138-147.
85)De Navorscher, 55 (1905), 140.
86)Daar de twee laatste pamfletten nog steeds om de hulp der Nederlanders vragen, kan men het moeilijk eens zijn met de opmerking van de Vrankrijker bij deze pamfletten: ‘Na de mislukking van het veldtochtplan, dat juist op het uitbreken van opstand op verschillende plaatsen had moeten steunen, verschijnen dan de pamfletten vol klachten over de laffe houding van de Nederlanders’ (De Vrankrijker, o.c., 56-57).
87)Fruin, o.c., II, 131.
88)Van Someren, Cor. du prince G. d'Orange, 8-13. Dat Paulus Buys Oranje te Dillenburg op de hoogte gebracht zou hebben van de stemming in de Nederlanden (Bor I, 289; W. van Everdingen, Het leven van Mr. Paulus Buys, Advocaat van den lande van Holland, Leiden 1895, 8-9) moet uitgesloten geacht worden (L.J. Rogier, Paulus Buys en Leicester, Nijmegen-Utrecht 1948, 4-5).
89)Van Someren, Cor. du prince G. d'Orange, 67-69. Fruin, o.c., II, 142. Aan het artikel aldaar, 111-161: Prins Willem I in het jaar 1570, werden voor de volgende alinea's enkele details ontleend.
90)Van Someren, Cor. du prince G. d'Orange, 62-67; 67-69.
91)Van Someren, Cor. du prince G. d'Orange, 138, Oranje aan van Wesenbeke, Dillenburg 1570.
92)L.c.
93)Van Someren, Cor. du prince G. d'Orange, 260, Oranje aan van Wesenbeke, Dillenburg 25 april 1572.
94)Van Someren, Cor. du prince G. d'Orange, 262, Oranje aan van Wesenbeke, Dillenburg 30 mei 1570.
95)K. 194. Afgedrukt in: Bor I, Authentieke stukken: 131-135 en de vertaling in het Nederlands: 135-140.
96)Fruin, o.c., II, 146.
97)Van Someren, Cor. du prince G. d'Orange, 253, 255 en 257, Oranje aan van Wesenbeke, Dillenburg resp. 1 augustus 1571, 6 en 20 maart 1572.
98)Van Someren, Cor. du prince G. d'Orange, 262 Oranje aan van Wesenbeke, Dillenburg 30 mei 1572.
99)Gachard, Cor. de Phil. II, II, 268, Alva aan Philips II, Brussel 18 juli 1572.
100)Gachard, Cor. de Phil. II, II, 274, Philips II aan Alva, Madrid 5 september 1572.
101)Gachard, Cor. de G. le Tac., III, 63-69, Oranje aan Maximiliaan I, uit zijn legerkamp, 1 augustus 1572.
102)Van Someren, Cor. du prince G. d'Orange, 2, Dirk Cater aan van Wesenbeke, 22 maart 1570.
103)Van Someren, Cor. du prince G. d'Orange, 227, Oranje aan van Wesenbeke, Dillenburg 11 jan. 1571.
104)Van Someren, Cor. du prince G. d'Orange, 247, Oranje aan van Wesenbeke, Dillenburg 27 april 1571. Fruin, o.c., II, 171, veronderstelde, dat het hier over twee verschillende werken ging. Oranje sprak in beide gevallen over een ‘discours’. Van Someren nam aan, dat het over hetzelfde werk ging in beide gevallen, wat ook het meest waarschijnlijk is. Uit de specificaties, die Oranje gaf, is te concluderen, dat het de aanstonds te noemen Hypodeixis was.
105)K. 189.
106)Fruin, o.c., II, 170.
107)Van Someren, Cor. du prince G. d'Orange, 51-55, F.V. Coornhert aan D.V. Coornhert, Emden 19 juli 1570. Bij de volgende alinea's werd gebruik gemaakt van het artikel van Fruin, De voorbereiding in de ballingschap van de gereformeerde kerk van Holland, o.c., II, 235-276.
108)K. 179b.
109)Van Someren, Cor. du prince G. d'Orange, 62.
110)Mémoires et instructions pour les ambassadeurs ou lettres de négotiations de Walsingham, traduit de l'anglais, Amsterdam 1700, 139, Walsingham aan Burleigh, Parijs 12 aug. 1571.
111)Van Someren, Cor. du prince G. d'Orange, 62.
112)Van Someren, Cor. du prince G. d'Orange, 86.
113)E.T. Kuiper - P. Leendertz Jr., Het Geuzenliedboek, I, Zutphen 1924, XV-XVII.
114)Enige literatuur over het Wilhelmus: P. Leendertz Jr., Het ‘Wilhelmus van Nassouwe’. Met verklaring en historische toelichting, Zutphen 1925; P.N. van Eyck, Het Wilhelmus, in: Wilhelmus van Nassouwe, Middelburg 1933, 225-270; A.J.M. Cornelissen, Wilhelmus van Nassouwe. Een nieuwe historische plaatsing, Nijmegen-Utrecht 1945; J.B. Drewes, Het Wilhelmus, Amsterdam enz. 1946; E. Smedes, De Lutherse predikant Balthasar Houwaert als vermoedelijk dichter van het Wilhelmus, in: Tijdschrift voor Geschiedenis, 60 (1947), 129-155; A. Kessen, Het Wilhelmus van Nassouwe en zijn auteur, in: Miscellanea.... van Gils, Publications de la Société historique et archéologique dans le Limbourg, 85 (1949), 333-344; A.J. Veenendaal, Vier vragen betreffende het Wilhelmus, in: Tijdschrift voor Geschiedenis, 67 (1954) 1-20.
prepostterug  begin  verder