‘Doen te wetene, dat wy t'ghene voorsz. overghemerckt, ende door den uutersten noot, als vore ghedronghen zijnde, by ghemeynen accoorde, deliberatie ende overdraghe, den Coninck van Spaengien verclaert hebben ende verclaren midts desen, ipso jure, vervallen van sijne heerschappije, gherechticheyt, ende erffenisse van de voorsz. Landen:’
(Plakkaat van Verlatinge).
Al is onder bijna dezelfde titel een heel proefschrift aan de nederlandse Opstand tegen Spanje gewijd1), toch kan dit onderwerp hier onmogelijk ontbreken. Het maakt immers een wezenlijk bestanddeel uit van de propaganda. Daar hier ook een heel andere methode gevolgd wordt, mag het hoofdstuk ook niet overbodig geacht worden. Eerst komt ter sprake de voorstelling, als ging het verzet niet tegen de koning maar tegen zijn verkeerde dienaren, Dan volgt de natuurrechtelijke motivering. Op de derde plaats komt de positiefrechtelijke motivering. Het hoofdstuk eindigt met een religieuse motivering.
Het heeft er alle schijn van, dat het Plakkaat van Verlatinge een samenvatting is van de verschillende motiveringen van de Opstand, die in zwang zijn geweest2). Er is zelfs een restant in te vinden van de in het begin van de Opstand vaak verkondigde thesis, dat het verzet niet gericht was tegen de koning, maar tegen diens slechte dienaren, die hem bedrogen. Toen Philips II de regering over de Nederlanden had overgenomen van zijn
vader, heeft hij ‘dien van den Rade van Spaegnien... gehoor ende geloof gegeven, den welcken Raedt van Spaegnien oft eenighe van de principale van dien den voorsz. Coninck tot diversche reysen voor ooghen gehouden hebben, dat voor sijn reputatie ende majesteyt beter was dese voorsz. landen von nieuws te conquesteren, om daer over vrijelick ende absolutelick te moghen bevelen....’3). De Verlatinge houdt die fictie van 's konings onschuld niet langer vol. Dat was in dat stadium van de strijd ook niet meer gebruikelijk. Maar vroeger wel.
Reeds in het Compromis, de beginselverklaring op grond waarvan de nederlandse adel zich voor het eerst en het laatst organiseerde, stond te lezen, dat enige vreemdelingen de koning hebben weten te beïnvloeden, om zijn plan tot verzachting van de religieplakkaten te laten varen en bevel te geven de Inquisitie te handhaven. Daarmee hadden deze intriganten geenszins het belang van de koning of van het land op het oog, maar alleen hun eigen heerszucht en hebzucht. Om dit te voorkomen, de autoriteit van de koning en het welzijn der Nederlanden te bevorderen, wordt het Compromis gesloten4).
Oranje zelf is de grootste propagandist voor de stelling van de goede, onwetende en bedrogen koning. Sprekend over de tijd vóór Philips' vertrek uit de Nederlanden, verklaart hij, met groot leedwezen gezien te hebben, dat twee of drie mensen de koning een verkeerde voorstelling van zaken gaven5). Voor de strenge handhaving der plakkaten stelt hij met name Granvelle verantwoordelijk, die reeds Karel V bedroog6). Omdat het Compromis het gezag van de - bedrogen - koning hooghoudt, pleit Oranje dit verbond vrij van rebellie7). Wanneer hij een harde maatregel van de koning vermeldt, wijst hij daarbij Granvelle en diens aanhangers als de ware schuldigen aan8). De Verantwoordinge sluit met de plechtige verklaring, dat hetgeen in de Nederlanden geschiedt, niet zijn oorzaak vindt
in de koning ‘maer door den quaden valschen rapporten, aenbrenghen ende inghevinghen van den ghenen, die tot noch toe hem de waerheyt hebben verdraeyt ende versweghen’9).
Voorlopig blijft het nog de onwetende koning. Alva bedrijft zijn misdaden tegen de goede bedoeling van de koning in10). Zelfs wanneer de hertog zijn optreden probeert te rechtvaardigen met eigenhandig geschreven brieven van de koning, blijft de onschuld van de koning gesauveerd: het zijn brieven van de onwetende koning11). Er worden verschillende oorzaken van die onwetendheid genoemd. De spaanse Raad licht hem verkeerd in, of Granvelle of Alva. Soms is het de Inquisitie, die de koning gevangen houdt om te voorkomen, dat hij naar de Nederlanden reist12). In deze voorstelling van zaken kan de Raad van State in 1576 de muitende spaanse soldaten tot rebellen tegen de koning en vijanden van het land verklaren13).
Verschillende officiële stukken handhaven deze onderscheiding tussen de koning en de Spanjaarden. Zo staat er in de Pacificatie van Gent een zinspeling op het Placcaet op de rebellie vanden Spaignaerden14). De Unie van Utrecht bepaalt, dat de gewesten elkaar eendrachtig zullen bijstaan ‘jegens alle fortsen ende gewelden, die hem yemant souden moegen aendoen uyt ende onder dexel van den naem van de Co. Mat. ofte sinentwegen’15). Beide mogelijkheden worden hier onder ogen gezien: geweld met de naam van de koning als vlag, of werkelijk volgens zijn opdracht16).
Wel beschouwd is de verwerping van de onwetendheid van de koning interessanter dan de leuze, dat hij bedrogen wordt en dus buiten de ge-
beurtenissen in de Nederlanden staat. Het pamflet Pandora sive veniae Hispanicae.... Anatomia van 1574, valt de koning rechtstreeks, en in de meest verbitterde woorden, aan. Daar wordt gesproken over de koning, die baadt in genot en zich nergens iets van aantrekt17). Soms is de terminologie algemeen gehouden, zonder dat het daardoor twijfelachtig is, dat de schrijver Philips II bedoelt. Het gaat over koningen die menen, dat hun waardigheid een vrijbrief is voor het uitoefenen van de grootste willekeur; die zich omgeven met een uitgebreide noblesse de robe: bisschoppen, inquisiteurs en monniken. Om toch maar niet gestoord te worden in hun genoeglijk bestaan, spreken zij niet rechtstreeks tot hun onderdanen, die daarom vragen. Er bestaat zelfs een dynast, die de vertegenwoordigers van het volk niet eens hoort door een tussenpersoon maar er direct de beul op afstuurt. Als dat geen succes heeft, wordt er met bedrog en beloften gewerkt18). In dit pamflet is het woord tyran voor de koning heel gewoon. De schrijver komt zelfs een enkele maal tot de conclusie, dat de rechten van de koning op de Nederlanden zeer twijfelachtig geworden zijn19).
Weldra komen er in de pamfletten nauwelijks verholen dreigementen aan het adres van de koning voor. De Spanjaarden moeten vertrekken; anders gebeurt er iets ernstigs ten aanzien van het gezag van de koning. Dat is meer voorgekomen met vorsten, die niet wilden luisteren naar de klachten van hun onderdanen20). Enkele jaren later aanvaardt een pamflet geen excuses voor de koning meer. Geschiedden de gruwelen in de Nederlanden zijns ondanks, waarom kwam hij dan niet zelf om daarin verbetering te brengen of vaardigde hij niet iemand anders af? Alles wat zijn gouverneurs of dienaren in de Nederlanden deden, gebeurde met zijn toestemming. Drie verklaringen zijn mogelijk: óf de koning is een tyran óf
hij heeft absoluut geen verstand van regeringsaangelegenheden óf hij is geheel in de macht van iemand anders. In alle gevallen hebben de Nederlanders niets goeds te verwachten en moeten zij omzien naar een ander regiem21).
Toch heeft de thesis van de ‘verkeerde dienaren en de onwetende koning’ een taai bestaan. Nog in 1584 komt een gents pamflet, dat vrede voorstaat, ermee aandragen. Na de misdaden, die onder Karel V en Philips II bedreven werden, gehekeld te hebben staat er: ‘Doch het is te presumeren ende te vermoeden dat zulcke dinghen dicwils, ende vele teghen den wille ende zonder het weten vanden Keyser ende Coningh gheschiet sijn, die int verghieten van onnoosel bloet noijt gheschenen hebben eenich welbehaghen te hebben, maer den Paus van Roome ende synen raet, hebben over al die Coningen ende groote Heeren dicwils ghedwonghen (metgaders dat sy hare ghepretendeerde gheestelijcke macht ende ander inconvenienten ghevreest hebben) te doen dat sy niet gheerne ghedaen hebben’22). Daarop volgt echter onmiddellijk reactie. Wie Alva beschuldigt zonder de koning daarin te betrekken, die hem toch de bevelen gaf, ‘is even wijs als den hondt die in den steen bijt, sonder aen te sien wie hem gheworpen heeft’. De hertog en Vargas verklaarden meermalen, dat zij bij lange na niet zo streng waren als Spanje verlangde. De koning is dus wel degelijk voor alles aansprakelijk en de thesis van de goede, onwetende koning wordt gekwalificeerd als: ‘al blauwe bloemen om der slechte menschen oogen te verduysteren’23).
Eigenaardig is een parallelgeval naar aanleiding van de Franse Furie in 1583. Zij die proberen Anjou te ontlasten, schuiven de schuld op verkeerde raadgevers24). Het gebeurde had plaats ‘deur quaden ende lichtueerdighen raedt’25). Het ergste wat men in dit geval van Anjou kan zeggen is ‘dat hy volgende quaden raedt hem grootelijcks heeft vergeten ghehadt’26). Maar een ander pamflet, dat niets meer van Anjou moet hebben, wijst dit argument met verontwaardiging af:
Rest nog de vraag naar de oprechtheid van deze motivering. Het is mogelijk, dat de gewone man er inderdaad een tijd lang geloof aan hechtte. Dit te meer omdat velen er een uitweg in konden vinden om te ontsnappen aan een gewetensconflict. Maar bij de leiders van het verzet, speciaal bij Oranje, is het moeilijk oprechtheid te veronderstellen. In zijn Apologie keert de prins de zaak juist om. Uit Alva's optreden kan men de mentaliteit van de koning leren kennen, als het waar is ‘dat men om eens Heeren aert ende nature wel te leeren kennen, neerstigh ondersoecken moet de condicien ende ghesindtheyt van syne vrienden, ende van de ghene die daghelicks met hem sijn verkeerende: oock dat men den meester wert kennende by syn dienaers....’28). Voor de leiding van de Opstand was het thema van de onwetende koning veeleer een leuze, die met vrucht gepropageerd kon worden. Ze was immers aanvaardbaar voor iedereen. Het is ook niet uitgesloten, dat zij op die manier de deur wilden open laten voor onderhandelingen29). Men ontkomt ook niet aan de indruk, dat de kopstukken in het buitenland, vooral bij de duitse vorsten en de keizer, liefst zo weinig mogelijk de indruk van rebellen wilden maken30). Het politieke maxime, dat vorsten niet graag opstand zien in naburige landen, omdat zo iets besmettelijk is, was al heel goed bekend, zoals herhaaldelijk uit de pamfletten blijkt31).
Alvorens over te gaan tot de natuurrechtelijke motivering van de Opstand, dient er een onderscheid gemaakt te worden. In het begin vooral, als de pamfletten een beroep doen op het natuurrecht, dat de Nederlanders toestaat naar de wapens te grijpen, is daarmee veelal bedoeld: het recht van zelfverdediging, dat een individu en ook de staat van nature bezit. Daarmee gaan geen uitvoerige redeneringen gepaard; dat voelt men als het ware aan. Maar in een latere periode, als de ideeën over de verantwoording van de Opstand verder zijn uitgediept, wordt onder natuurrechtelijke motivering verstaan: het recht, dat de burgers van nature toekomt om in bepaalde omstandigheden tegen hun vorst in opstand te komen. Dit wordt dan uitvoerig beredeneerd en aangetoond.
Ook het eenvoudig recht tot zelfverdediging komt in het Plakkaat van Verlatinge ter sprake. Het dient daar tot versterking van het natuurrecht tot opstand en staat er dus achter. Toen de Nederlanders met smeekbeden niets bereikten bij hun koning, bleef hun geen andere weg open dan de koning te verlaten, om zich zelf, vrouw, kinderen en vrijheid ‘daer sy na de Wet der naeturen goet ende bloet schuldich zijn voor op te setten, te bewaren ende beschermen, gelijck tot diversche reysen uut ghelijcke oorsaken in diversche landen ende tot diversche tijden geschiet ende d'exempelen genoech bekent zijn’32).
Een pamflet in het Frans uit 1567 kent het onderscheid tussen zelfverdediging en opstand. De Nederlanders verdienen de beschuldiging van majesteitsschennis niet, want zij hebben de wapens niet opgenomen tegen het gezag van de koning, zij strijden niet tegen het welzijn van hun vaderland, verraden het niet aan de vijand. ‘ils les ont seulement prises pour empescher que les bourreaux qui estoyent a leur portes ne les taillassent tous en pieces’33). Onder het voorwendsel, dat zij rebellie pleegden, wordt de Nederlanders groot onrecht aangedaan. Al de gevolgen van de onderwerping aan de Spanjaarden worden geschilderd. Is er dan geen middel om daaraan te ontkomen? ‘Nature vous en monstre un seul, de repousser la force par la force’. Wanneer er nog een keuze bestond tussen in vrede leven en de handen aan de wapenen slaan, zou het dom zijn om het laatste
te kiezen. Maar het dilemma is: vechten of sterven. Hoe erg wapengeweld ook is, er bestaat geen andere uitweg: ‘Et ce que l'homme fait par force et par necessité est devant tous digne d'excuse’. De weg der wapenen is vol risico's, maar het is nog gevaarlijker ze niet te gebruiken. Het is dus zaak een kloek besluit te nemen en de bevrijdingsstrijd te beginnen34).
In de geschriften van 1568 doet Oranje ook een beroep op het recht tot zelfverdediging om zijn veldtocht te rechtvaardigen. Het is een makkelijk hanteerbaar argument. Het spreekt iedereen aan door zijn duidelijkheid en doordat het los staat van elke godsdienstige overtuiging. Uit de titel is al duidelijk, dat dit punt te vinden is in Verklaringhe ende Uutschrift.... zijner Excellentien nootsakelicken Defensie teghen den Duca de Alba ende zijne grouwelicke tyrannie. Oranje's optreden geschiedt ‘niet uut lust, maer veel meer uut onvermijdelicken ende bedwongen oorsaken voor te nemen die Defensie enden teghenweere tegen den Duca de Alba, zijnen aenhangeren ende bloetdorstighen hoop onbetamelicke ende te veel grouwelicke ongehoorde handelinghe tot nu toe gebruyckt in den Nederlanden’35). Wie Oranje's aard en zijn verhouding tot de koning kennen, zullen zonder twijfel billijken ‘onser teghenwoordigher, nootsakelicker, redelicker, Christelicker, toeghelatene ende onvermijdelicke Defension ende nootweere’36). Toch wil hij nog eens, ten overvloede, de oorzaken uiteenzetten, waardoor hij en zijn bondgenoten ‘tot deser onvermijdelicker Defension nootwendich ghedwonghen ende beweecht zijn gheworden’37). Hierop blijft Oranje hameren: ‘onse Defensie ende ghedwonghene tegenweere teghen den Duca de Alba’38); ‘onse teghenwoordighe Defensie’39). In de Waerschouwinghe komt dezelfde gedachte terug40).
De verdediging van de gevangenneming van een deel van de Raad van State in 1575 wijst erop, dat zulks geschiedt om de ondergang van het land te voorkomen. Verder om Brabant en de andere gewesten een vrijere hand te geven bij hun verdediging ‘(die God en de nature eenen iegelijken heeft gegeven en toegelaten)’41).
Het idee, dat een volk van nature het recht tot opstand bezit, ontwikkelt
zich in de pamfletten geleidelijk. In het Plakkaat van Verlatinge vormt het duidelijk het zwaartepunt van de motivering. Het is algemeen bekend, dat een koning door God is aangesteld tot ‘hooft over sijne ondersaten om de selve te bewaren ende beschermen van alle ongelijck, overlast ende ghewelt, ghelijck een herder tot bewaernisse van sijne schapen, ende dat d'ondersaten niet en zijn van Godt gheschapen tot behoef van den Prince om hem in alles, wat hy beveelt, weder het goddelic oft ongoddelick, recht of onrecht is, onderdanich te wesen, ende als slaven te dienen, maer den Prince om d'ondersaten wille, sonder de welcke hy egheen Prince en is, om de selve met recht ende redene te regeeren ende voor te staen ende lief te hebben als een vader sijne kinderen ende een herder sijne schapen, die sijn lijf ende leven sett om de selve te bewaren’. Wanneer een koning zich daaraan niet houdt maar probeert zijn onderdanen ‘te verdrucken, t'overlasten, heure oude vrijheit, privilegien ende oude hercomen te benemen ende heur te gebieden ende gebruycken als slaven, moet gehouden worden niet als Prince, maer als een tyran, ende voor sulcks nae recht ende redene mach ten minsten van sijne ondersaten, besondere by deliberatie van de Staten van den lande, voor egheen Prince meer bekent, maer verlaten, ende een ander in sijn stede, tot beschermenisse van henlieden, voor overhooft, sonder misbruycken, ghecosen werden’42).
In de pamfletten is de groei van deze theorie na te gaan. In Oranje's geschriften zijn passages te vinden, die aan een overgang van het recht tot zelfverdediging naar het recht tot opstand - niet zo'n grote overgang - doen denken. De wreedheden, de tyrannie, de overtreding van alle recht en privileges in de Nederlanden, verplichten niet alleen de inwoners maar ook de buitenlanders zich ‘aen te trecken ende medelijden te hebben, insghelijck behulpich te wesen om so grousamen tyrannie te wederstaen’43). Een pamflet van 1574, dat onder invloed van Oranje tot stand kwam,
spreekt over de veronderstelling, dat de Inquisitie de koning zou beletten de nieuwe religie toe te staan, ook als deze zelf de redelijkheid daarvan inzag. Dan kan men toch niet nalaten te doen wat voor het vaderland noodzakelijk is. Als de koning krankzinnig zou zijn, de rechtspraak of iets van die aard verbood, zou men dat toch ook niet accepteren44). Daar ligt in opgesloten, dat men zich mag verzetten tegen de koning, die apert onredelijke eisen stelt.
Tot het recht van opstand komt men soms via een omweg, nl. langs het natuurlijk recht door de koning gehoord te worden. Dat is de Nederlanders ontnomen. Zo schrijft Franciscus Junius, dat de Nederlanders dit middel missen, hun door God en de natuur gegeven en zelfs aan de grootste schurken toegestaan, nl. om hun grieven kenbaar te maken: ‘voorwaer sy sullen door alsodanige grote boosheid en tyrannie gedwongen worden, alsulke middelen te soeken, als het den almachtigen God hun believen sal in handen te stellen’45). Vlak daarop komt dezelfde schrijver tot een uitweiding, waarin hij het eigenlijk fundament van het recht tot opstand aanraakt, nl. de leer van de volkssouvereiniteit. Het is in strijd met de natuurlijke rechten van de mens, ‘dat een Coning, den welken 't volk alle sijn macht over gegeven heeft, om in recht en gerechtigheid geregeert te worden, en dat sy in hare requesten en klachten mochten gehoort worden’, deze verwerpt zonder te laten blijken, dat hij ze wil aanhoren46). Op de natuurlijke plicht van vorsten om rekesten te aanhoren wees ook Oranje. Het voorbeeld, dat daarbij wordt aangehaald, is aan hem en Junius gemeen47).
Als Junius ingaat op Champagney's verwijt, dat de Nederlanders van de koning het neerleggen der wapenen eisen, beschrijft hij het beleid van een goed vorst in termen, die ook in het Plakkaat van Verlatinge voorkomen. De koning moet zijn een vader en een herder48). Dat komt terug: ‘wat is daer toch anders dat so wel te samen gevoegt is, en so natuerlijken vereenigt met eenen goeden Conink die daer een vader en herder sijns volks begeert te zijn, als de Staten des Lands’49). Philips de Goede wordt
geprezen: ‘betonende een Vader des Vaderlandes, en een Herder des volks te zijn’50). Wat dit pamflet zegt over het gewapend verzet tegen de koning zelf, komt hierop neer. Het is helemaal niet evident, dat het volk de wapenen niet zou mogen opnemen zonder bevel van de koning. Dat kwam vaak voor, zonder dat de onderdanen daarom te veroordelen waren51).
Ten tijde van de keulse vredesonderhandelingen zijn de pamfletten meer expliciet. De verschuldigde gehoorzaamheid aan de koning laat de vrijheid, rechten en privileges intact. Het is een algemeen aanvaard princiep, dat men voor het behoud daarvan de wapenen mag opnemen. Dat is de juiste theorie over de ‘debuoir des Princes et des Estats ou Magistrats, qui representent les peuples’52). Het betreft dan vorsten, die de grenzen van hun bevoegdheid te buiten gaan; aperte tyrannie dus53). De Staten hebben hierover in laatste instantie te beslissen. Onder hun bevoegdheid horen de kwesties van souvereiniteit thuis54). Dat het hier over volkssouvereiniteit gaat, blijkt wel uit de leuze, die daarbij zo vaak aangehaald wordt en die ook hier, in omschrijving, gebruikt wordt. Koningen gaan hun gerechtvaardigde verlangens te buiten als zij menen, dat het volk geschapen is om aan hun grillen te voldoen en niet om het rechtvaardig, en overeenkomstig zijn toestemming en wens, te besturen55).
Een ander pamflet onder dezelfde omstandigheden geschreven, houdt ook streng vast aan het recht de wapenen te mogen opnemen tegen de koning. Het is het enig middel om kwaadwillende vorsten en hun stadhouders in bedwang te houden. Duidelijk geeft de schrijver aan, hoe het positiefrechtelijk argument steunt op het natuurrechtelijke. De eed die de vorst aflegt dient alleen om gemakkelijk te kunnen uitmaken, wanneer men precies de wapenen mag gebruiken, nl. als de koning of zijn stadhouder tegen de eed misdoen56). Natuurrecht en positief recht staan geen tyrannie toe en ontslaan onder zulke omstandigheden de onderdanen van de plicht tot gehoorzaamheid. De veiligheid van het land is gewaarborgd, als ‘de Staten ende d' landt’ beschikken over de wapenen en de financiën en als niemand zonder hun toestemming een overheidsambt kan bekleden. De
Staten moeten vrij kunnen vergaderen en wanneer zij dat willen, in een generale of gewestelijke bijeenkomst57).
Als de grote man, die de ideeën van volkssouvereiniteit en natuurlijk recht tot opstand in de zestiende eeuw verspreid heeft, geldt Junius Brutus - wie er ook schuil moge gaan onder die naam - door zijn werk Vindiciae contra tyrannos58). Nergens is de invloed van dat boek in de Nederlanden beter te constateren dan in de annotaties, die Aggaeus Albada plaatst bij zijn verslag van de vredesonderhandelingen te Keulen. De ideale en verplichte verhouding tussen vorst en onderdanen wordt beschreven in termen, die boven reeds voorkwamen en die herinneren aan de Vindiciae: ‘thooft ende leden, vader ende sonen: herder ende schapen’59). Hetzelfde is het geval, wanneer Albada het thema aangeeft, dat hij uitvoeriger zal bespreken: ‘dat de Staten hen landen ende goeden niet en hebben vanden Coninck, maer dat de Coninck van henlieden d'ouerheyt ende macht over de landen ontfangen heeft’60).
Dan komt Junius Brutus in citaten aan het woord. ‘tgemeyne volck maect den Coninck, ende niet den Coninck de gemeynte’. Daarom vraagt de gemeenschap bij verdrag garanties van de vorst. Zij heeft van de twee partijen de bevoorrechte positie. Zij verlangt, dat de koning rechtvaardig en volgens de wetten regeert. Dat belooft hij en onder die voorwaarden verplicht de gemeenschap zich, hem te gehoorzamen. De belofte van de koning is dus direct; die van de gemeenschap indirect, nl. onder conditie. Wordt die conditie niet vervuld, dan is de gemeenschap rechtens van gehoorzaamheid ontslagen61).
Zij, die het hele volk en het hele land vertegenwoordigen, moeten beschouwd worden als functionarissen van het land en niet van de koning. Zijn eigen beambten benoemt en ontslaat de koning naar believen. Als hij sterft zijn ook zij van hun ambt ontheven. De functionarissen van het het land daarentegen, ontvangen hun macht van de gemeenschap - de
wijze waarop kan variëren - en kunnen zonder haar niet afgezet worden. Deze twee groepen worden op verschillende manieren tegenover elkaar geplaatst en met elkaar vergeleken, totdat voor de functionarissen van het land de conclusie wordt getrokken: Ende gelijck de gheheele ghemeynte tsamen bouen den Coninck is, also zijn oock dese, hoe wel sy elck byzonder minder zijn dan den Coninck, nochtans alle tsamen gheuoecht hoogher dan den Coninck62).
Hier wordt het woord ‘ghemeynte’ weergegeven door het woord gemeenschap. Duidelijkshalve volge wat de Vindiciae onder dit woord verstaat. Allereerst de personen, die van het volk gezag ontvangen hebben, nl. de magistraten onder de koning, door het volk bij keuze of op een andere manier aangesteld. Zij vertegenwoordigen ‘de gheheele ghemeynte’. Ook zijn daaronder begrepen de Staten ‘die anders niet en zijn dan een cort begrijp van yeghelick Conincrijcke, tot het welcke alle ghemeijne saken gerefereert worden’. Dan volgt nog een lange rij lagere magistraten, die soms een college vormen, waarin ‘toegesien moet worden dat de ghemeyne sake geen schade en lijde. Maer dese, gelijck sy elck bysonder beneden den Coninck zijn, also zijn sy alle tsamen ghevoecht bouen den Coninck’. Steeds loopt de redenering op dezelfde conclusie uit: ‘de ghene die van eenighe vergaderinge authoriteyt heeft ontfangen, (is) beneden de selve vergaderinghe, hoe wel dat hy hooger is dan elck van dien besonder. Also en can daer gheen twijfel zijn, oft tgheheele ghemeynte dat den Coninck gestelt heeft als een openbaer Acteur is bouen de Coninck’63).
Het is duidelijk, dat de koning er is terwille van het volk. Die thesis wordt nog eens geïllustreerd. Het is al te dwaas, dat alle mensen geschapen zouden zijn terwille van een honderdtal koningen, die over het algemeen niet beter zijn dan de gewone stervelingen. Het moet dus andersom zijn. Een stuurman wordt door de eigenaar van het schip aangesteld, omwille van het schip. Stuurt hij, dan moeten alle opvarenden, ook de eigenaar, hem gehoorzamen. Hij is echter slechts een dienaar van het schip en verschilt van de rest der bemanning niet essentieel, alleen gradueel. Een gemeenschap pleegt men te vergelijken met een schip. De koning neemt daar de plaats in van de stuurman en het volk is de meester van het schip. Als de koning dus het algemeen welzijn behartigt, is het volk hem onderdanig. Maar de andere dienaren van de gemeenschap, zoals rechters en officieren, mogen niet minder geacht worden. Het enig verschil is, dat de koning
meerdere lasten draagt en grotere risico's loopt. Er bestaan heel wat volken zonder koning, maar er is geen koning denkbaar zonder volk. Als het waar is, dat een koning dóór het volk en vóór het volk wordt aangesteld en dat hij zonder het volk niet als koning kan bestaan, dan ligt de conclusie voor de hand, dat het volk boven de koning staat. Wat van heel het volk geldt, gaat ook op voor hen, die in de staat of in een stad het volk vertegenwoordigen64).
Verschillende kwesties, die met de positie en de macht van de koning samenhangen, stelt Aggaeus Albada aan de orde. Zijn de vorsten aan de wetten gehoorzaam uit goedheid of uit noodzakelijkheid? De thesis, dat de koning tot gehoorzaamheid aan de wetten verplicht is, wordt hier verdedigd. Die dat niet doen zijn tyrannen. Voor die mening wordt o.a. Thomas van Aquino aangehaald. Ze geldt niet alleen voor de wetten door het volk gemaakt, maar ook voor de wetten van de koning zelf65). De koning kan de positieve wetgeving niet veranderen, tenzij het volk hem de macht daartoe geeft: ‘om dat hy gheen ouerste van de wetten, maar een rechtveerdich dienaer ende executeur moet zijn, ende verstaen wort’. Hij kan dus ook slechts dispenseren in de onderhouding van een wet als er een reden is en de samenhang maakt duidelijk, dat die reden in het algemeen welzijn gezocht moet worden66).
Het recht van de onderdanen is niet beperkt tot een waarschuwing aan de koning, als hij zich niet houdt aan de condities, waarop hij is aangenomen. De koning geschiedt geen onrecht, wanneer hij gedwongen wordt te doen hetgeen zijn plicht is. Is hij daartoe niet te bewegen, dan kan men ook verder tegen hem optreden. Vorstelijk absolutisme is op geen enkele manier te verdedigen: ‘met gheen reden ende gheen ghebruyck, noch eenighe experientie van een wel gheordonneerde Monarchie soude moghen staen of beschermt worden, de propositie van de ghene die derren affirmeren: dat allen ondersaten behoort ghenoech te zijn den naecten wille van haerlieder Coninck’67).
De verdediging van het natuurlijk recht tot opstand wordt ingeleid met de vraag: ‘Wat die ondersaten doen moghen, die van henlieder Prince oft van sijn Stadhouders verdruct worden’. Eerst worden de onderdanen nader gespecificeerd. Er zijn particuliere personen, die geen bestuursfunctie
hebben. Vervolgens zijn er mensen, die een bestuursfunctie vervullen, maar staan onder de hogere magistraten. Er zijn verschillende namen voor: ‘subalterne, ghedelegeerde ende neder magistraten’. De derde groep zijn wel niet de opperste magistraten en zij hebben niet de hoogste macht, maar hun functie wordt aldus gekarakteriseerd: ‘toomen ende breydels (sijn) om d'opperste magistraet in haere officie te houden’. Over de lagere magistraten wordt uitgewijd. Tussen hen en de vorst bestaat een wederzijds verbond. Alleen het opperste bestuur, niet het hele bestuur, berust bij de koning. Iedere ondergeschikte magistraat heeft daaraan deel, elk op zijn plaats en onder condities, die wederkerig zijn. Vervullen de lagere magistraten hun condities niet, dan behoort de opperste magistraat er hen toe te dwingen of hen af te zetten, natuurlijk met beleid en volgens de gestelde rechtsorde. Is het de vorst, die aan keuze of erfrecht zijn waardigheid te danken heeft en die kennelijk van de voorwaarden afwijkt, dan zijn de lagere magistraten en ook de gewesten of steden, waarover zij het bestuur hebben, van hun eed ontslagen, zodat zij zich openlijk mogen verzetten68).
De fundamentele stelling, waarop dit alles berust is als steeds, dat het volk er eer was dan de magistraat en dat de magistraat er is voor het volk en niet andersom het volk voor de magistraat. Daaruit volgt, dat de macht van de magistraat van hoog tot laag, ‘geheel staet op de ghemeyne auctoriteyt vande ghene, die henlieden tot dese hoocheyt opghetrocken ende gebrocht hebben, maer niet ter contrarie’. De opwerping, die misschien gemaakt wordt, dat het volk zich geheel en al onderworpen heeft aan de macht en wil van hen, die het tot hoogste magistraat gekozen heeft; dat het zijn vrijheid zonder enige restrictie overgegeven heeft, snijdt geen hout. Daarvan blijkt niets. Integendeel, zolang als recht en billijkheid hebben bestaan, heeft geen natie zijn koningen aangesteld of aanvaard tenzij op bepaalde condities. Breken zij die openlijk, dan volgt daaruit, dat zij die hun de macht konden geven, ze ook weer kunnen afnemen69).
Over de machtsoverdracht van het volk op de vorst het volgende. De vorst krijgt zijn macht alleen ten nutte van de onderdanen. Spreekt hij met de formules: ‘wt volheyt van macht, oft wt absolute macht’, dan wil dat slechts zeggen: uit heel zijn macht inzoverre die met het algemeen welzijn strookt70). Ook al heeft de machtsoverdracht in de meest algemene termen
plaats gehad, dan geldt nog het princiep, dat de woorden moeten begrepen worden uit de materie, waarover het gaat. Dat het volk al zijn macht aan de koning overgedragen heeft, wil dus zeggen: ‘voor soo vele als de materie verdragen mach, ende de selue woorden daer op te passe comen, oft te passe gebrocht moghen worden’. Hoe algemeen de woorden ook mogen zijn, ze moeten uitgelegd worden vanuit het begrip ‘heerschapie’. ‘Maer de nature van heerschapie, is te aensien ende te behertighen het louter profijt vanden ondersaten ende niet vande gene die regeren: ende en heeft gheen ander respect, noch en mach gheen ander hebben’. Dus de machtsoverdracht is van nature en uit het begrip zelf steeds beperkt tot het welzijn van de onderdanen en niet van de vorst71). Nog op een andere manier wordt dit onderwerp geformuleerd. Iedere toestemming moet geïnterpreteerd worden volgens de bedoeling van hem, die toestemt. Dus is het duidelijk, dat het volk, dat de macht overgeeft tot zijn eigen nut en niet tot nut van de vorst, niet de bedoeling heeft toe te stemmen in hetgeen schadelijk is voor het volk zelf72).
Met een man als Albada in hun midden is het niet vreemd de staatse gezanten te Keulen te horen verklaren, dat het is een ‘gemeyne spreeckwoort, te weten dat de Princen ghemaect ende inghestelt zijn om de ondersaeten, maer d'ondersaeten niet om de Princen’73). Het is de algemene opvatting, de ‘seer ghemeyne opinie van de Philosophen, Wetgeuers, Heyligen ende Doctoren’74).
Een later pamflet weet zelfs te zeggen, hoe het zo precies ontstaan is. Na de schepping en ook na de zondvloed, leefden de mensen in volkomen vrijheid naast elkaar, gelijk in macht en aanzien. Dat duurde totdat op een gegeven moment, ter bescherming van deugd en gerechtigheid in de samenleving, sommigen, in algehele vrijheid, tot bestuurders gekozen werden. Daaruit blijkt, ‘dat die menschen, niet om Overheyden van Godt gheschapen zijn, maer dat die Overheyden om der menschen dienst ende welvaert, door het ingheven Godes, verordonneert ende inghestelt zijn’75).
Ter versterking van de natuurrechtelijke motivering spreekt het Plakkaat van Verlatinge over de positiefrechtelijke band, die in de Nederlanden van-
ouds bestond tussen de vorst en zijn onderdanen: ‘die van allen tijden zijn gheregeert geweest ende hebben oock moeten gheregeert worden navolgende den eedt, by heure Princen t'heuren aencomen gedaen, na uutwijsen heurer privilegien, costumen, ende ouden hercomen; hebbende oock meest alle de voorsz. landen haren Prince ontfangen op conditien, contracten ende accoorden, die welcke brekende oock nae recht den Prince van de heerschappije van den Lande is vervallen’76).
De pamfletten geven verschillende malen aan, dat er een nauwe samenhang bestaat tussen de natuurrechtelijke en de positiefrechtelijke motivering van de Opstand, in die zin, dat de eerste het fundament vormt van de tweede. Dat gebeurt bv. als er gezegd wordt: ‘D'eenich middel om de quade Princen ende heure stadthouders te breydelen, is dat het lant de wapenen inde handt hebbe, ende dient alsdan den eedt, diemen den Princen afneemt te dien eynde, om datmen te beter weeten soude wanneermen de wapenen teghen hen behoort te nemen: dats te weeten, als zy oft heure stadthouders contrarie heuren eedt de landen regeren met cracht ende ghewelt’77).
Heel uitvoerig en duidelijk komt die samenhang ter sprake in een pamflet uit 1581: Een trouwe Waerschouinghe, aen de goede mannen van Antwerpen78), dat trouwens voor heel de motivering van het verzet van groot
belang is. Het werd geschreven naar aanleiding van een beroep der Spaansgezinden - mogelijk als een reactie op de Verlatinge - op de Blijde Inkomste en op een overeenkomst uit 142179), om aan te tonen, dat de koning niet voorgoed afgezet kan worden80). Volgens de Blijde Inkomste mag men een vorst, die tegen de privileges misdoet, de gehoorzaamheid opzeggen totdat hij van de dwalingen zijns weegs is teruggekeerd. Volgens het later stuk kan in die tussenperiode een ruwaard gekozen worden. Door zo nadrukkelijk te spreken van de ‘privilegien van Brabandt’ en de ‘welvaert ende proffijte des ghemeynen Landts van Brabandt’, wil het pamflet waarschijnlijk te kennen geven, dat dit voorrecht slechts beperkt is tot Brabant81). Dit was immers een actuele kwestie, die straks nog ter sprake komt.
Tegen de opvatting, dat de vorst niet voorgoed afgezet maar slechts geschorst kan worden, protesteert het pamflet heftig. Op die manier zouden de privileges zelf de geprivilegieerden tot eeuwige slaven maken van de spaanse tyrannie. Ja, nog erger dan slaven, aan wie tenminste nog een beroep op de overheid openstaat. Volgens die theorie kan men nooit van een tyran bevrijd worden, wat voor misdaden deze ook bedrijft. Hij hoeft slechts zijn spijt uit te drukken en hij moet weer gehoorzaamd worden. Een kind kan voorgoed aan de zeggenschap van de vader onttrokken worden en een vrouw, onder bepaalde omstandigheden, aan die van haar man. Maar van een koning zou men nooit af kunnen komen82). Dat is een verdraaiing van de privileges. Alle volken hebben van nature steeds het recht gehad om hun koning, die zich tot tyran ontwikkelde - op
welke manier ook - af te zetten en een nieuwe te kiezen. Voorbeelden uit verschillende tijden en volken worden aangehaald om deze stelling te bewijzen of te illustreren. Dat natuurrecht wil men nu aan de Brabanders ontnemen en wel met een beroep op de privileges83).
In de beredenering van dit natuurrecht, dat de grondslag vormt voor het positief recht, komen allerlei bekende ideeën voor. De positie van de koning wordt omschreven in bewoordingen, die intussen al stereotiep zijn: ‘de Heere des Landts is alleen een bediener der gerechticheyt, een Stadhouder Gods, een Herder des volcx, een Vader des Lants, om eenen yeghelijcken recht ende gerechticheyt te bedienen, Ende daer toe wort hy vercoren, ende gehult, ende tot dien eynde wordt hem alle syne macht ende auctoriteyt ghegheven’84).
Het erfelijk koningschap is geen tegenargument. Want erfelijkheid moet men zo verstaan, dat God dit recht aan de koning verleent door middel van de Gewestelijke Staten of van hen aan wie de Gewesten de macht daartoe gaven. De koningen zijn in hun rechten en in hun macht, afhankelijk van de Staten van het land. Alles werd ‘hun vande Landen, dat is vande Staten des Landts (die het geheele corpus der gemeynte representeren).... ghegunt ende verleent’85). Of het nu gaat over een erfelijke monarchie of een koningschap bij keuze, over een spilleleen of een zwaardleen, of het door de Staten aangewezen kind erft of het oudste, dat doet allemaal niets ter zake. Wanneer het volk de macht overdraagt aan de vorst, heeft deze altijd de plicht, het land te regeren volgens recht en gerechtigheid. Doet hij dit niet, dan zijn de opdrachtgevers niet meer aan hem gebonden en trekken zij hun macht terug. De vorst vervult dan immers niet meer zijn plicht en de reden, waarom zij hem aangenomen hebben, is komen te vervallen. Meestal wordt dat niet uitdrukkelijk vastgelegd. Men hoopt immers steeds het beste en veronderstelt niet, dat de vorst een tyran zal worden. Het is ook niet nodig die voorwaarde expliciet te stellen. Volgens een natuurwet immers, die in het hart der mensen geschreven staat, is de mens door God vrij geschapen. Hij kan dus niet slaaf worden van iemand, die zijn macht van hemzelf ontvangen heeft86).
Hebben de voorvaderen der Nederlanders hun landsheer nog aan allerlei bijzondere bepalingen gebonden, dan komen die nog bij de natuurrech-
telijke band. Die bijzondere verplichtingen bestaan in het onderhouden van de privileges van het land, die de vorst niet mag schenden zonder zijn onderdanen ipso facto te ontslaan van de plicht hem te gehoorzamen, totdat hij daarin verbetering heeft gebracht. Er wordt een voorbeeld van zo'n schorsing aangehaald en op de tekst van de Blijde Inkomste gewezen. Deze straf geldt echter alleen voor de in de tekst aangegeven gevallen. Dat wil echter geenszins zeggen, dat de voorvaderen voor zichzelf of hun nakomelingen afstand hebben gedaan van het recht, hun door God en de natuurwet gegeven, dat zij nl. met wapengeweld tegen hun vorst mogen optreden en hem voorgoed mogen afzetten, wanneer hij tot een tyran wordt87).
Een commentaar op het Smeekschrift brengt in 1566 de Blijde Inkomste al herhaaldelijk ter sprake. Door haar te bezweren beloofde de koning, dat zij vrij en zonder vrees voor represailles, rekesten bij hem mochten indienen88). De religie-plakkaten zijn in strijd met die overeenkomst89) en de Inquisitie eveneens90). Een citaat uit de Blijde Inkomste herinnert de koning heel uitdrukkelijk aan zijn eed: ‘waert sake dat wy onse oiren ende Nacomelingen hier tegen gingen, quamen ofte deden by ons selven ofte yemant anders in al oft in deelen, hoe ende in wat manieren dat ware, so consenteren ende willeceuren.... allen.... onse voorseyde ondersaten dat sy ons Ouders noch Nacomelingen diensten doen sullen noch onderhoorich wesen in geenderhande saken, die wy behoeven of die wy aen hen begheren oft versoecken mochten, totter tyt toe dat wy hen alsulcken gebreck als te hans hier voren geruert is, wederdaen, verricht ende daer af volcomelick afgelaten ende verthegen hebben’91).
Oranje maakte ijverig propaganda voor de theorie, dat de koning bij zijn regering aan bepaalde voorwaarden gebonden is, die in de privileges, speciaal in de Blijde Inkomste, zijn vastgelegd. Hij ziet in de privileges niet zo maar gunsten, die goedhartige vorsten aan de Nederlanders schonken, maar wel degelijk bindende condities. Het blijkt uit zijn Antwoorde op de indaging, die spreekt over ‘voorwaerden, rechten ende contracten volgende ende onder den welcken dat selve landt maer en is ghe-
houden ende verbonden ter onderdanicheyt van syne Majesteyt’92). In de Waerschouwinghe staat dat nog eens beklemtoond: de Nederlanden zijn steeds geregeerd volgens hun privileges en vrijheden. Vorst en onderdanen zijn daaraan gebonden ‘by formelen contracte.... ende ooc by solemnelen eede’. Dit heeft deze consequentie voor de onderdanen: ‘mits hen onderhouden wordende, die selve alleenlick tot gehoorsaemheit verbonden zijn’93).
Onder de druk van Alva's optreden verwijzen meer pamfletten naar de Blijde Inkomste: ‘Gedenct gy nyet dat hy (de koning) te vreden is geweest ende gesworen heeft dat ghy lieden zijnre onderdanicheyt ende dienst soudet zijn los ende ontslegen indien hy (by quaden ingeven) yet teghen uwe oft myne (Nederland) gherechticheden quame te doen, tot dat hyt selve gebetert ende herstelt soude hebben?’94). Het recht om de koning te schorsen geldt dus evengoed als hem door onwetendheid geen schuld treft. Of hij zelf inbreuk maakt op de privileges of een ander in zijn naam, staat gelijk95).
Op grond van de Blijde Inkomste van Brabant verdedigt de prins zijn persoonlijke weigering van gehoorzaamheid aan de koning. Hij is immers een inwoner van Brabant96). Veel later herinnert de Apologie ook aan het feit, dat Oranje krachtens zijn bezittingen een der voornaamste edelen van Brabant is97). Maar vlak daarop wordt de Blijde Inkomste impliciet over heel het land uitgestrekt. Dat is een tendenz, die algemeen te constateren is: de pamfletten beschouwen het brabantse document als rechtsgeldig voor al de nederlandse gewesten. Soms wordt de moeilijkheid even aangestipt: ‘(daer mede veel vande andere Landen van oudts geuseert sijn geweest)’98). Een paar malen komt de kwestie ex professo ter sprake. Franciscus Junius verweert zich tegen de opwerping, dat zijn beroep op de Blijde Inkomste niet zou gelden voor Holland en Zeeland. Eerst doet hij dat impliciet, waar hij Brabant noemt ‘de Hooft-provintie der Nederlanden’, alsof hij wil redeneren: pars pro toto. Hij meent vervolgens, dat de artikelen van de Blijde Inkomste ook ‘den Princen van Orangien verrechtveerdigen, en alle die hem dienen, wesende in Braband geboren, ge-
seten of gegoeyt’. Zeer sophistisch redeneert hij dan verder: ‘En so vele die van Holland en Zeeland belanget, alle haer misdaed en sal anders niet zijn dan dat sy in Braband niet geboren en zijn’99).
Tijdens de vredesonderhandelingen van Keulen vragen de Staten Generaal in hun eerste voorstellen, dat de Blijde Inkomste uitgestrekt zal worden over alle nederlandse gewesten, om op die manier veilige garanties te hebben tegen de koning100). De keizerlijke bemiddelaars maken daartegen nogal bezwaar. Zij vragen op de eerste plaats een exemplaar van de Blijde Inkomste. Vervolgens zou bij een eventuele toepassing van dat privilege te voren verklaard moeten worden, wanneer de situatie zo is, dat een nieuwe koning gekozen mag worden. Maar wie moet dat doen? De koning zelf? Dat gaat natuurlijk niet. Maar de gewesten kunnen toch ook geen rechter zijn in eigen zaak101). Als de Staten op 25 mei 1579 met andere vredesvoorstellen komen, hebben zij hun verzoek tot uitbreiding van de Blijde Inkomste over alle gewesten laten vallen102).
De commentator Aggaeus Albada beroept zich intussen op het Groot-Privilege van Maria van Bourgondië, dat de Blijde Inkomste uitgestrekt zou hebben over al de Nederlanden103). Albada ontleende dit argument aan de redevoering van Marnix voor de Rijksdag van Worms104). Aan de hand van de Blijde Inkomste verdedigde de vertegenwoordiger der Staten Generaal daar de aanneming van Mathias en de verwerping van Don Juan.
Hij wist als precedent een niet al te oud voorbeeld aan te halen - wel vaker in dit verband gebezigd. Jan van Brabant, zoon van hertog Antoon en neef van Philips de Stoute, begunstigde zijn vrienden en bracht hen in regeringsambten. Dat was tegen de privileges. Daarom werd hij door de Staten van Brabant geschorst en werd zijn broer Philips aangesteld, totdat hij zijn misslagen hersteld had105).
Cornelis Loos neemt het op tegen Marnix en gaat uitvoerig op de kwestie in. Hij wil nog veronderstellen, dat de Brabanders ondanks alles wat zij gedaan hebben, aanspraak kunnen maken op privileges. Maar hoe kunnen de andere provincies daarin echter delen? Marnix beroept zich op het Groot-Privilege van Maria van Bourgondië. De vrouw is echter van nature vreesachtig, minder bedachtzaam en minder rijp van oordeel. Meestal moet haar optreden, bijzonder als het betrekking heeft op officiële rechtshandelingen, bekrachtigd worden door een man. Wat betreft het uitstrekken van een specifiek brabants privilege over alle Nederlanden, moet men aannemen, dat zij dat gedaan heeft uit vrees of uit een ander gevoel, zonder voldoende te letten op de grenzen van haar bevoegdheid. Dat is dus niet rechtsgeldig, omdat er nergens staat, dat haar man die maatregel bekrachtigd heeft. Het voorbeeld van hertog Jan van Brabant zegt niets. Het is een heel ander geval als nu met Philips II, die niet zijn particulier belang of dat van zijn vrienden te veel op de voorgrond plaatst, maar die met alle middelen het welzijn van het land zoekt, door vrede te herstellen en de ketterij te verdrijven106).
Maar dat alles terzijde gelaten, kan men zeggen, dat de Staten van Brabant bij het schorsen van Jan van Brabant gebruik maakten van hun recht. Afgezien van elk privilege hadden zij daartoe de macht. Immers het verlenen en terugnemen van de hoogste macht in de staat berust bij de wel geordende gemeenschap. Zij geeft alle wettige macht, die van God komt. Maar op het ogenblik zal toch geen verstandig mens durven beweren, dat de nederlandse Staten Generaal een juiste volksvertegenwoordiging vormen; vooral niet nu zij een vogelvrij verklaarde vijand van de koning en een ketter in hun vergadering hebben toegelaten107).
Tenslotte kennen de pamfletten nog een religieuze motivering van de
Opstand108). Als gedurende de vredesonderhandelingen van Breda de Staten van Holland en Zeeland gehoorzaamheid beloven aan de koning in wereldlijke aangelegenheden, is dit een duidelijke en bewuste restrictie, daar de religiekwestie een van de kernproblemen was van het congres109). In de commentaren op het congres van Keulen, enkele jaren later, wordt voortdurend herhaald, dat de koning, die zijn macht uitstrekt over de gewetens van zijn onderdanen, zijn bevoegdheden te buiten gaat. De vorsten zijn vaak met de hun van God gegeven macht niet tevreden en tasten met geweld ook de zielen aan, die God voor zich gereserveerd heeft. Met de aarde niet tevreden, reiken zij ook nog naar de hemel. Het gewone volk gaat niet vrij uit, als het met die goddeloze maatregelen instemt, ze opvolgt en daarbij nog meent God te behagen. Om zich wel te hoeden voor machtsmisbruik moeten de koningen goed onderscheid maken tussen hun eigen rechtsmacht en die van God. Dit klemt temeer, omdat beiden over dezelfde aarde en dezelfde mensen jurisdictie hebben. De mens bestaat uit ziel en lichaam, die beide hun bestaan aan God danken, Die dus terecht over beide kan beschikken. Hij heeft in Zijn mildheid de koningen over de goederen en het lichaam van zijn onderdanen laten beschikken ‘- nochtans tot henlieder conseruatie -’. Dan kan de koning van zijn onderdanen materiële diensten vragen, zoals geld en lichamelijke prestaties, maar geen geestelijke, zoals gebed en offeranden. Eist de koning beide, dan maakt hij inbreuk op Gods recht. Als een vazal, die de koninklijke rechten aantast zijn leen verbeurt en daarvan vaak beroofd wordt, dan kan hetzelfde - maar dan in nog sterkere mate - toegepast worden op een koning, die inbreuk maakt op Gods rechten110).
Een gents pamflet uit 1578 wijst op Gods Woord, dat gebiedt gehoorzaam te zijn aan de wetten van de hoogste overheid, belasting te betalen en andere verplichtingen te volbrengen. Dit geldt ook bij een overheid, die ongelovig is: ‘moyennant que l'Empire Souuerain demeure en son entier et qu'il ne Tyrannise les consciences. Car en ce cas, fault il suivre le reigle de S. Pierre. Qu'il faut plus tost obeir a Dieu qu'aux hommes’111).
Verder wil de schrijver hierop niet ingaan, daar het een netelige kwestie is en het hem te ver zou voeren112).
Dat doet wel een ander pamflet uit dezelfde tijd, dat zeer heftig uitvaart tegen het Katholicisme, zijn eredienst en bedienaren. Het is de plicht van de kopstukken van het land de nieuwe godsdienst zo veel mogelijk te bevorderen. Vrees voor de koning, die dat niet wil hebben, kan daarvan niet excuseren. Want bevordering van de nieuwe religie is ook de eerste plicht van de koning. Het gaat hier om het recht van God, Die alle macht geeft en terugneemt. Is er van de koning om verschillende redenen, maar vooral omdat hij een gevangene is van de Inquisitie, geen hulp te verwachten, dan moet het hele volk en ieder individu voor zich, die plicht overnemen. Gods glorie, hun eigen heil en dat van het vaderland, vallen onder de macht van de Nederlanders zelf. Zij moeten God meer gehoorzamen dan de mensen, waaronder ook de koning te rekenen is. Voor Gods eeuwige wet moeten de besluiten van aardse koningen wijken. Het wezen van Gods wet is Gods verering. Daaraan zijn ook de koningen gebonden. Het zou heiligschennis zijn, terwille van de gehoorzaamheid aan een mens, God van Zijn eer te beroven. God stelde zowel aan de macht van de vorst als aan de gehoorzaamheid van de onderdanen, bepaalde grenzen, nl. Zijn eigen glorie en het algemeen welzijn. Uit vrees voor een kleine mens - welke titels hij ook moge voeren - mag men Gods eer, het heil van de Kerk of van het land, niet verwaarlozen. Als de eer van God of het algemeen welzijn in het gedrang komt, moeten de daartoe bevoegde instanties naar de wapenen grijpen113).
Als de koning meent, dat hij volgens zijn geweten de uitoefening van de nieuwe religie niet kan toestaan, hoeft men zich daaraan niet te storen. Hij heeft immers geen macht over het geweten. Heel zijn autoriteit komt van de Staten, die hem deze bevoegdheid niet gaven en ook niet konden geven. Ieder individu moet tegenover God rekenschap afleggen over zijn geloof en zijn geweten. Wat het zieleheil betreft moet men aan God en niet aan de mens gehoorzamen, ook als die mens koning zou zijn114).
Een enkel pamflet baseert de vrijheid van geweten - waaronder noodzakelijk ook verstaan moet worden de vrijheid tot uitoefening van zijn eigen religie - op de Blijde Inkomste. Door haar te bezweren, beloofde de koning, dat hij ‘aen niemanden eenighen wille oft cracht doen en sal in
eenigher manieren’. In de laatste woorden ‘in eenigher manieren’ zit dan opgesloten de gewetensvrijheid. De schrijver voelt, dat het verwijt voor de hand ligt: ‘dat dit al verre gesocht dingen zijn, ende dat onse voorsaten niet eens en dachten op de vryheyt van siele oft conscientie als sy de blijde Incoemste gemaect hebben’. Wel beschouwd moeten de Katholieken de andersdenkenden niet slechts gewetensvrijheid toestaan maar hen ook helpen die te verwerven115).
In de verschillende motiveringen van de Opstand, die de pamfletten geven, zijn herhaaldelijk ontleningen aan de calvinistische staatsleer te signaleren. Dat geldt met name van de theorie, dat de lagere magistraten zich mogen verzetten tegen een vorst, wiens bestuur in tyrannie ontaard is. Het is ook van toepassing op de religieuse motivering. De reeds aangehaalde tekst uit de Handelingen der Apostelen: ‘Men moet meer gehoorzaam zijn aan God dan aan de mensen’, vormt voor Junius Brutus in de Vindiciae het uitgangspunt bij het beantwoorden van de vraag: is verzet geoorloofd, als een vorst maatregelen neemt in strijd met Gods Woord, of wanneer hij Diens kerk verwoest? Al is het overbodig die kwestie nader te onderzoeken, toch maken de tijdsomstandigheden het wenselijk. God alleen is onbeperkt heerser. De aardse vorst is slechts Zijn leenman. Wanneer Gods gebod en het bevel van een menselijk heerser met elkaar in strijd komen, ware het rebellie om de mens te volgen116).