|
|
|
| |
| | | |
Ter inleidinge
Op harpe ende luyt speelt nu elck een So dede ick oock, maer hebbe er gheen.
Schavende snijdt het staal
en 't kerft in de penne van cederhout;
zacht is het herte des houts,
zacht en sterk is de penne van ceder,
zacht als het hout van het kruis,
sterk als het kruise des Heeren.
Zoet riekt het hout als den balsem van Libanon,
zoet als de reukende wasemen Sions,
zoet als de biddende wolke die stijgt in den tempel.
Sterk is het hout en sterk is de penne:
sterk zij de tale der woorden!
Weg met u, penne, over 't gladde papier,
uwe eigene bane en uw land is 't!
Vaart op het gladde papier,
en die zelf door een ziele gevoerd wordt!
Weg met u, penne, vooruit,
't zij de schauw van het wentlende loof
geplekt op het blanke papier valt,
't zij dat de klimmende zon
mijn stappen met schaduw vooruitbeeldt,
't zij ze, mij, penne, en u zelf
van schaduw verlangende, wegzinkt!
| | | |
en rust niet, en rust niet,
het zwellende tij des gevoels,
hare eigene krachten geen meester,
los en heur banden haast kwijt,
in brekende tranen vooruitstroomt!
Ligt dan, nutteloos hout,
en rust, met de hand van den dichter,
rust, dan kunt gij de ziele
een last maar geen hulpe zijn:
1859 |
|
|