terug  begin  verderprepost
[p. 123]

Vijfde hoofdstuk. Het Brabantsch-Frankisch.

Het Brabantsch-Frankisch is zoo goed als zeker de voortzetting van de oude taal der Salische Franken. Deze zijn in de 4de eeuw uit Salland opgerukt, toen de Saksen er binnen trokken, en lieten misschien ten Noorden der Dedemsvaart een deel hunner taalbroeders achter, waaruit dan de afwijkingen van het Drenthsch als een vermenging van Saksisch met Frankisch zouden kunnen worden verklaard. Nu verhuisden ze naar Noord-Brabant, om daarna, gedeeltelijk althans, weer verder naar 't Zuiden te trekken, drongen in België door, bemachtigden in 't laatst der vijfde eeuw onder Chlodwig of Clovis een deel van Gallië en hebben er 't Frankische rijk gesticht. - Nu schijnen vooral in deze streken echter nog vele oude oer-Europeeërs te zijn achtergebleven, want het is opvallend, dat juist deze dialecten op de eerste plaats de boven op blz. 87-88 genoemde vreemde algemeen-Frankische verschijnselen het sterkst vertoonen, en op de tweede plaats nog een heele reeks nieuwe overeenkomsten met het Keltisch hebben bewaard:

1o. Het wegvallen der h. Dit komt weliswaar ook in het Groningsch Stellingwerfsch, Flevisch en een gedeelte van Zuid-Holland en Zeeland voor, maar nergens is het zoo algemeen als in West-Brabant en Vlaanderen.

2o. In deze dialecten is oorspronkelijk de uu tot ui en de ii tot ij gediphtongeerd, om later in de algemeen-beschaafde taal, en door deze weer in andere dialecten door te dringen.

3o. Klinker + n + anderen medeklinker wordt in deze dialecten overal min of meer tot genasaleerden klinker + medeklinker. Daar dit in de Vlaamsche dialecten het sterkst is, lag het natuurlijk voor de hand te meenen, dat het aan Franschen invloed toe te schrijven was. Sinds de genasaleerde klinker echter door schrijver dezes ook in het West-Noordbrabantsch is vastgesteld, is er geen twijfel aan, of we hebben hier met een oude articulatie-neiging te doen, aan al deze dialecten gemeen.

4o. Nominatief en Accusatief vallen samen vooral bij het lidwoord en bijvoeglijk naamwoord, maar ook hier en daar bij de zelfstandige voornaamwoorden. In het algemeen verdwijnt in alle Frankische dialecten de slot-n na een toonlooze-e, maar juist gelijk in het Oud-Iersch, de Accusatief-n overal uitviel behalve wanneer het volgend woord met een vocaal of zachten ploffer dus b, d, g begon, behouden nu in deze dialecten het lidwoord en andere attributen op -en, zoowel in den Accusatief als Nominatief hunne -n altijd voor vocaal of schijnbare h, voor b en d - de g komt niet voor - meestal ook analogisch voor een t, soms voor een r, m of n.

5o. de herhaling van persoonlijke voornaamwoorden vóór en na den werkwoordsvorm: ik-ekik, ons-ons, -illustratie-gij, ze zae enz.

[p. 124]

De twee laatste verschijnselen komen ook in 't West-Vlaamsch, Zeeuwsch en, het voorlaatste althans, ook in 't Oost-Hollandsch duidelijk aan den dag. Welnu de taal dezer Salische Franken met oerinwoners gemengd, werd nu in den loop der eeuwen deels door natuurlijke, deels door staatkundige en kerkelijke verkeersgrenzen in meerdere dialecten gesplitst:

1o. Het West-Noord-Brabantsch, dat reeds begint in den Tieler- en Bommelerwaard en zich met onbeteekenende schakeeringen tot bijna aan de Belgische grens uitstrekt. Nemen wij, gelijk we boven aanstipten, aan, dat in het Zuid-Oost-Veluwsch een Brabantsch-Frankische inslag schuilt, en houden wij rekening met de sterk Brabantsch-Frankische kleur van het Nederbetuwsch, dan zien wij dus den heelen weg dien de Salische Franken genomen hebben, nog in de tegenwoordige dialecten duidelijk afgeteekend. A.v.d. Water: De Volkstaal in het Oosten van de Bommelerwaard, Utrecht 1904. J. Hoeufft: Proeve van Bredaasch taaleigen, Breda 1836-38.

2o. Het Antwerpsch, waarbij verschillende gemeenten van Noord-Brabant behooren, verder het westelijk deel der Belgische provincie Antwerpen tot en met Turnhout, Herenthals in het Oosten en Mechelen en Cappelle in de Belgische provincie Brabant. H. Smout: Het Antwerpsch dialect, Gent 1905. P. Cornelissen-J. Vervliet: Idioticon van het Antwerpsch dialect, Gent 1899.

3o. Het Oost-Vlaamsch in het land van Hulst en Sas van Gent, verder in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen behalve Dendermonde, met nog eenige grensplaatsen uit West-Vlaanderen tot Kortrijk toe. Ook het heele Westen van de provincie Oost-Vlaanderen behoorde vroeger tot het West-Vlaamsche taalgebied, dat zich tot aan de Ottogracht uitstrekte. Het beste bewijs hiervoor leveren volgens de Bo ‘de naslepende e, de eentonigheid van tongval en de oude i en uu voor ij en ui’, die hier nog her en der voorkomen. J. Bouchery: De Gentsche tongval. Verslagen en Mededeelingen der Koninkl. Vlaamsche Academie voor taal- en letterkunde, 1907, blz. 618 vlgd. J. Jacobs: Klank- en vormleer der middelvla. dialecten. Gent 1911. L. Schuermans: Algemeen Vlaamsch Idioticon, Leuven 1865-1883. Joos: Waasch Idioticon, Gent 1902. Is. Teirlinck: Zuid Oostvlaandersch Idioticon, Gent 1907.

4o. Het Aalstersch van het land van Dendermonde inclusief tot aan Edingen met Halle en Brussel. Ph. Colinet: Het Dialect van Aalst. Leuvensche Bijdragen I, 1896.

5o. Het Leuvensch waartoe in de provincie Antwerpen nog behoort het land van Heyst op den berg en dat ten Oosten besloten wordt met het Hagelandsch, dat de grens vormt naar het Limburgsch. L. Goemans: Het Dialect van Leuven. Leuvensche Bijdragen II, 1897. L. Goemans: Leuvensch Idioticon, Gent 1912. Ter algemeene oriënteering in de klankverwantschap volgt hier eerst weer een tabèl.

[p. 125]

Algem. Nederl. West-Brabantsch Antwerpsch Oost-Vlaamsch Aalstersch Leuvensch
schaap schaop schaop schoap schôp schoep
haak aok aok oak ôk oek
staan staon staon stoan stôon stôn
jaar jaor jaor joar jóor joer
mijn mijn main mijn, maen moaen moan
rijk rijk raik rijk, raek roaek roikj
vrijen, rij(d)en - - vraeër, rijjen - vroan
blijven blijve blaive blijve, blaeve bloaeven bloaven
wij wij wai wij, wae wajer -
voet voet voet voet voet voet
boek boek boek boek boek boek
broeder - bruur - - -
groen groen, gruun gruun groene grien grien
huis uis ois ais ois oeës
zuigen zuige zoige zaige zoigen zoeigen
zuur zuur vuur - zier zier
huren hure - hure - ieren
bruid bruid - braid broaed broeëd
deel(en) illustratiel, del diel diël diël diël(en), dalen
bleek bléillustratiek bliek bliëk bliëk bliëk
steen stéillustratien stien stiën stiën stiën
geit gaet, geit - giët goaet gaat
dood illustratied doed duëd doeüd doeëd
oog ôillustratieg oeg uëge oeüg oeëg
(be)hooren heure, hôre oere uëre, bejuëre oeüren oeëren
gelooven geleuve, geloeve gluëve geloeüven geloeëven
lief lief (gelôve - lief lief lief
bier bier - bier - bie(r)
kuiken kuike, kieke koike, kieke kieke kieken kieken
duur duur, dier dier dier - dier
sturen sture, stiere sture, stiere stiere stieren -
dagen, dragen dage draoge doaillustratien, droaillustratien drôgen droegen
graven grave groave groave grôven groeven
haan aon - - oon oen
baard baord, bord baort board, bord boord boed
laat loat laot loat loot loet
hand, land aând, laând îd, lîd ând, lând and, land and, land
dansen daânse dînse - dâsen dans
oud oud, aud aud aud, aewd aad aud, oeud
geven geve geve geen geven geven
aarde aerd jaard erde, irde eerde jeer
hart art art erte aert aet
recht recht - - recht rechjt
hemel emel emel emel emel emel

[p. 126]

Algem. Nederl. West-Brabantsch Antwerpsch Oost-Vlaamsch Aalstersch Leuvensch
kind kijnd, kind kiengd kìnd kienjd kjiend
ding, ring dienk dienk daenk, denk dieng dinGj
hitte ette, itte - - iette ieten
vogel vogel vogel - voegel voegel
boven bove bove bove boeve(n) boeve(n)
volk vollillustratiek - - volk vollillustratiek
goud goud gaud gaud, gaewd gaad goed
veulen vulle veule - velen velen
leugen leuge leuge - legen legen
(b)rug brug brüg, rüg brugge, bru?illustratie rigge brig, rig
gerust - - brigge gris gris
rups rips, rups - ruspe, rispe - -
honger onger oenger - onger oenger
tong tong toeng - tong toeng
hond, rond ond ongd, rongd - ond ond
korst korst köst kuste, kiste kist kjist
worst worst wöst wuste, wiste wist wist
kort kort - kort kirt(kis=korts) kjit
gracht grâcht - gracht grecht grecht
lucht, dacht locht loecht, doch - locht locht
schrijven schrijve - schraeve schroaeven schroaven
schenken schenke - schaenke schienken sjienken
tusschen tusse wensge tusgen ties(ch)en tiesen
wasschen wâsse wasse wasgen was(ch)en wassen
visch vis vies vis (visger) vies(ch) vies
kwaad kwaod kaod, kwaod kwoait kôod koed
verkleinings-uitgangen -killustratie, -skillustratie, -jillustratie -killustratie, -skillustratie, -tsjillustratie -killustratie, -skillustratie, -sillustratie, -tsillustratie -killustratien, -skillustratien, -jillustratien -killustratien, -skillustratien, -kjillustratien
mann. bijv. demonstr. deuze(n), die, dieën die(n) deze(n), diene(n) dezen, diinen, doaenen dezen, doanen
zelfst. demonstr. den deze, den dieë dei deze, de dees, den die den deze, den diene den deze, den diinen, den doaenen den dezen, den doanen
ik, jij, hij (-ie) ik, gij, hij (-zie) illustratiekiekillustratie, illustratiegai, gaa, ai, aa(illustratiem) illustratiekik, gae, illustratiejae illustratiekieke, goae, dae(illustratien) illustratiekjiekjillustratie, goa, oa, (illustratiem)illustratien
wij, jullie, zij wij, gullie, zij wai, wole, gole, zole millustratie, -wae, illustratiegae zillustratiezae wajillustratier, gajillustratier, zejillustratier woalen, goalen, zoalen
persoonsuit-gangen enklv. -, -(d/t), -(d/t) -, -t, -t -illustratie, -(d/t), -(d/t) -, -(d/t), -(d/t) -, -(d/t), -(d/t)
persoonsuit-gangen meerv. -illustratie, -(d/t), -illustratie -illustratie, -t, -illustratie illustratie(n), (-d/t), -illustratie(n) -illustratien, -(d/t), -illustratien -illustratien, -(d/t), -illustratien
verled. deelw. gillustratie-, g- gillustratie-, g- gillustratie-, g- gillustratie-, g- gillustratie-, g-
verleden tijd -dillustratie, tillustratie -dillustratie, -tillustratie -dillustratiegillustratie, -tillustratiegillustratie -dillustratien, dillustratiegillustratien, -tillustratien, -tegen -dillustratien, -tillustratien, -illustratiendillustratien

[p. 127]

Men ziet aanstonds, dat deze dialecten behalve het reeds genoemde nog in eenige opvallende punten met de vorige groep overeenkomen: het samengesteld zelfstandig Demonstratief opvallend aan het Fransch en Keltisch herinnerend, kwam ook daar overal voor; den tweelettergrepigen uitgang van den verleden tijd kennen ook het Oost-Hollandsch, Zeeuwsch en West-Vlaamsch. Met het Strandhollandsch en Oost-Hollandsch heeft het West-Brabantsch den Accusatief-Genitief der persoonsnamen gemeen en de herhaling van de subjectpronomina met 't Zeeuwsch en West-Vlaamsch. Deze beide laatste dialecten plus nog het Flevisch en het Westfriesch (Spierdijk b.v. en Texel) hebben met het Brabantsch nog een andere merkwaardige overeenkomst, namelijk de vervoeging van ja. Het is namelijk alsof j a (trouwens een oud relativum) een voegwoord was, als het Nederlandsche o f. En gelijk wij nu zeggen: óf-ik, óf-je, offie, ofze, offet, of-we, óf-je óf-ze; zoo zeggen al de genoemde tongvallen in bevestigend antwoord, elk met zijn eigen pronomina, ongeveer: ja-ik, ja-gij, ja-ie, ja-ze, jaët, ja-we, jage, jaze, en naar analogie neemt ook nee soms die heele vervoeging over. Ook dit is in 't Indo-germaansch weer iets tamelijk ongehoords, terwijl het in talen met primitiever structuur zeer veel voorkomt. Zou ook dit verschijnsel dus misschien aan de oerbevolking toe te schrijven zijn? Wij laten voorloopig deze vraag een vraag blijven, en wijzen alleen nog op de mogelijkheid, dat de samenstelling der meervoudige persoonlijke voornaamwoorden met -lieden, eveneens een specifiek Frankisch verschijnsel, misschien het best naast het Fransche nous autres, vous autres te stellen ware, en dan op een alweer niet-Indogermaansch onderscheid van exclusivus en inclusivus zou kunnen berusten. Maar hiermee hebben wij al weer vermoedens genoeg ten beste gegeven. Terug naar de sobere feiten.

Men ziet, dit is een groote krachtige groep, wat te meer gewicht in de schaal legt, omdat de voornaamste ondergroepen: Het West-Noord-Brabantsch, het Antwerpsch en het Oost-Vlaamsch betrekkelijk weinig gedifferencieerd zijn en na het Hollandsch het meest met het algemeene Nederlandsch overeenstemmen. De wisselwerking tusschen beide is dan ook zeer goed merkbaar, maar aan de beide zijden der landsgrenzen met voorloopig nog zeer verschillend resultaat. Eensdeels ontwikkelt zich in de Noord-Brabantsche steden, vlekken en kleinste dorpen een beschaafden-taal die in klanken en woordkeus al langer hoe meer tot het algemeen Nederlandsch nadert; anderzijds verspreidt zich van de beschaafde kringen van Antwerpen en Gent uit, van lieverlede een tijdelijk algemeen Vlaamsch, dat voor de Zuid-Brabanders en Limburgers, wier eigen dialect te veel afwijkt, juist als het Stad-Friesch voor de Friezen, de voor-loopige brug wordt, waarop zij de Noord-Nederlanders ontmoeten, met hen verkeeren, en allen zich gaande weg bij hen aansluiten. Want dat Algemeene Vlaamsch is, wat ook de eerbied afdwingende kunstenaar Hugo Verriest hierover

[p. 128]

idealiseeren mag, nog zeer arm. Hoe gebrekkig is het huiselijk dialect, hoe ellendig de krantentaal, hoe potsierlijk de verfranschte omgangstaal! En is gedoemd om arm te blijven. Want voor duizenden dingen en handelingen hebben de Belgische dialecten wel elk een afwijkend woord, maar geen dat algemeen gangbaar is. Daartegenover staat nu telkens de overal verstane en klare Fransche term. Om een concurrent daartegen te hebben, grijpt men nu natuurlijk naar den Noord-Nederlandschen naam, die geeft houvast. - Alleen de behoefte kan voor het verkeer een groep doen ontstaan. Houdt de behoefte op, dan smelt iedere groep in de omliggende kringen weg. Evenmin als in Noord-Duitschland een algemeen Nederduitsche of in Zuid-Frankrijk een algemeen Provençaalsche, in Noorwegen een algemeen Noorweegsche taal op kan komen, daar het Hoogduitsch, het Noord-Fransch en het Deensch veel beter en makkelijker in de behoefte voorzien; zoo zal ook in België geen rijk en met het Fransch concurreerend Vlaamsch zich kunnen handhaven. Slechts als voorloopige overbrugging kan en zal het dienen, om daarna weer spoorloos te vergaan. Maar wat nog lang blijven zal, juist als Noord-Nederland in Friesland en Limburg bewaard heeft, zijn de vaste en sterke ver-afwijkende dialecten van West-Vlaanderen, Zuid-Brabant en Belgisch Limburg. - Voor onze letterkunde heeft de Vlaamsche beweging vele en zeer verdienstelijke bijdragen geleverd. Conscience vooral heeft deze algemeene Vlaamsche taal geschreven. Verder Jan van Beers, Tony Bergmann, de gezusters Loveling en Cyriel Buysse, die hoewel sinds lang in Noord-Nederland levend en publiceerend, een erg Fransch-getint taaltje schrijft. - En laten wij nu maar aanstonds de hoofdmoeilijkheid onder de oogen zien, die hier het probleem van den Franschen invloed ons opgeeft. Zoo goed als alle beschaafde Zuid-Nederlanders zijn tweetalig in dien zin, dat ze in voortdurende afwisseling zich van twee talen bedienen.

Zij behooren tot twee groeptalen: namelijk tot één der Noordelijke Fransche en tot één der Zuidelijke Nederlandsche dialecten. Dit voortdurend wisselen komt echter geen van twee talen ten bate. Licht wordt het Fransch door allerlei Flamingismen en het Vlaamsch met allerlei Gallicismen dooraderd. De wet van eenvoud brengt dit mee, en wel zóólang met onweerstaanbare noodwendigheid als men beide talen evengoed wil kennen, en ook praktisch evenveel gebruikt. Pas als men vierkant één der beide talen tot eigen taal kiest waarin men wil denken en leven, en de andere even vastbesloten tot hulptaal verlaagt, uitsluitend en alleen bestemd om zoo goed en zoo kwaad als het gaat, met een bepaalde groep zijner medeburgers te verkeeren, is er kans dat de hoofdtaal gemakkelijk en zuiver gesproken wordt. Immers dàn pas zal zeker de assimilatie-kracht der hulptaal moeten wijken voor die der hoofdtaal, en zal deze haar zielseigen differenciatieneiging kunnen involgen.

Uit deze bewustgeworden differenciatieneiging (zie blz. 8 vlgd.) is nu de Vlaamsche

[p. 129]

beweging geboren. Zij heeft zich scherp gezet tegen de contagion mentale, die de Fransche maatschappij op hen uitoefende, en een bewuste propaganda in het leven geroepen, om de reeds half verloren Vlaamsche bestanddeelen door een nieuwe levenskrachtige integratie weer heel en al terug te winnen. Daarop is natuurlijk, volgens alle regelen der sociologische reactiewet, onder de niet zoo Vlaamsch-lievende elementen weerzin wakker geworden tegen die nieuwe beweging. Er heeft een kerndeeling plaats gehad. En het Vlaamsche kamp werd in Flaminganten en Franskiljons verdeeld.

Als een buitenstaander de Fransche bestanddeelen in de Nederlandsche taal aan een wetenschappelijk onderzoek zou willen onderwerpen, zou zijn eerste indruk zijn, dat natuurlijk al die Fransche woorden door de tweetalige Vlamingen in het Nederlandsch waren overgenomen, en vandaar uit hun loop door de Nederlandsche dialecten hadden begonnen. Dit strijdt nu, alweer op 't eerste gezicht, ten eenenmale met de bekende feiten. Het zijn toch juist de Zuid-Nederlanders die in hun strijd tegen de Fransche woorden de strengste eischen stellen en ons Noord-Nederlanders de gemakkelijkheid waarmee wij Fransche erfwoorden nationalizeeren maar noode kunnen vergeven. - Dit laatste is nu evenwel juist een gevolg van de pas betrekkelijk kort bij hun zoo sterk geworden differenciatieneiging der Vlaamsche beweging. - Voor vroegere eeuwen echter is de eerstgenoemde meening voor een deel ontwijfelbaar juist. - En zelfs thans nog geldt ze ten volle voor de Gallicismen, d.w.z. niet de Fransche woorden, maar de klakkeloos uit het Fransch vertaalde uitdrukkingen en zegswijzen. Deze hoort men in heel België voortdurend, en die kunnen wij Noord-Nederlanders nu weer niet zoo goed verkroppen. - Hieruit blijkt dat de Vlaamsche beweging, in den grooten hoop althans, nog te veel alleen bewust en gewild is. Want het bewustzijn kan gemakkelijk de vreemde woorden, maar onmogelijk de vertaalde zegswijzen onderscheiden. Gaat de Vlaamsche beweging door met groeien, en wij hebben alle redenen en voor-teekenen om dit te gelooven, dan zal die differenciatieneiging aldoor dieper wortelen slaan, zij zal bij allen ingroeien tot in de onderste onbewuste lagen der psyche de gewoonte wordt tot een tweede natuur, die gelijk bij ons Hollanders, instinctmatig het eigene aankweekt en het vreemde verwerpt, gelijk dat nu ook reeds het geval is in een uitgelezen schare Vlaamsche en Limburgsche voormannen, en dan zullen ook die hinderlijke nu nog gedulde en onvermijdelijke Gallicismen worden uitgestooten. Dan ook pas, kan men in Zuid-Nederland weer de oogen gaan openen voor die andere waarheid, dat Frankrijk toch een der grootste en meestbegaafde volken van Europa is, waarvan wij, als we niet achterlijk willen blijven, vele begrippen en woorden moeten en mogen overnemen, en zal men zich gaan spiegelen aan het Engelsch, dat trots een overmaat van Fransche woorden toch zoo klaar z'n Germaansch karakter

[p. 130]

wist te bewaren. Men zal ons Noord-Nederlanders onze Fransche leen- en bastaardwoorden weer vergeven. En Nederland zal weer één zijn gelijk het was, eer de overdreven Fransche contagion mentale de Vlaamsche beweging in het leven riep.

Wij laten nu een lijst der voornaamste Belgische uitdrukkingen volgen, die ons Noord-Nederlanders tot nog toe hinderlijk zijn en als fouten of grove Gallicismen opvallen. - Wie deze verzameling met die van de Vreese vergelijkt, zal zien, dat wíj veel toegeeflijker zijn dan hij. Zie W. de Vreese: De Gallicismen in het Zuid-Nederlandsch, Gent 1899. Het is toch een feit, dat uitdrukkingen als: onder dit opzicht, een plan opvatten, in het oog springen, een vraag stellen, een stichtend voorbeeld geven’, enz. door weinig Nederlanders als Gallicismen gevoeld worden, nog daargelaten of het inderdaad bewezen is, dat het Gallicismen zijn. Want als men zoo eenige jaren van nabij de ontwikkeling onzer hedendaagsche woorden en uitdrukkingen in al hun beteekeniswisselingen heeft trachten te volgen, dan begint men van lieverlede zoo duidelijk in te zien, dat het aantal wegen, die een levend woord of uitdrukking kan opgaan, legio zijn: en dat dus uit een merkwaardig samenvallen van een Fransche en een Nederlandsche uitdrukking of beteekenis nog volstrekt niet volgt, dat we hier met een onmiddellijk causaal verband te doen hebben; vooral niet als zoo'n term of zegswijze ook heel druk in Noord-Nederland voorkomt.

Woorden en uitdrukkingen, die in het algemeen Nederlandsch niet voorkomen, maar door de Vlamingen naar Fransch model zijn gevormd

Fransch. Vlaamsch. Algemeen Nederlandsch.
faire partie de deel maken van deel uitmaken van
en-tête hoofding titel
égoïste ikzuchtig zelfzuchtig
dérailler ontrichelen derailleeren
mot d'ordre ordewoord wachtwoord
remercîment bedanking dank
chaque fois iedermaal, iederwerf telkens
recommencer herbeginnen opnieuw beginnen
réfléchir herkaatsen terugkaatsen
reconnaître het recht van iem. herkennen erkennen
reprendre den arbeid hernemen hervatten
retrouver hervinden terugvinden, wedervinden
revivre al die oude herinneringen herleven opnieuw te doorleven
mention melding(en) vermelding
compléter volledigen voltooien, aanvullen
porter une lettre à quelqu'un een brief naar iemand dragen iemand een brief brengen
dès lors van dan af van toen af

[p. 131]

Fransch. Vlaamsch. Algemeen Nederlandsch.
par là langs daar daarlangs, langs dien weg
maintenant que nu dat nu
aussitôt zoohaast zoodra
une fois qu'il eens dat hij toen hij eenmaal
à peu de temps, à un mois op weinigen tijd, op eene maand binnen kort, binnen een maand
sous ce point de vue onder dit oogmerk uit dit oogpunt beschouwd
parmi les soldats tusschen de soldaten onder de soldaten
ressembler à gelijken aan gelijken op
comparer à vergelijken aan vergelijken met
au prix de aan den prijs van tot den prijs van
indifférent à onverschillig aan onverschillig voor
manquer à te kort komen aan te kort schieten in
chevalier d'industrie nijverheidsridder fortuinzoeker, oplichter
des esprits forts sterke geesten vrijdenkers
faire eau water maken lek worden
tenir à houden aan hechten aan
s'attendre à zich verwachten aan rekenen op
voter une loi een wet stemmen vóór een wet stemmen een wetsvoorstel aannemen
jouer à vue op zicht spelen van het blad spelen
je ne sais que dire ik weet niet wat zeggen ik weet niet wat te zeggen
pour avoir assisté à om het hebben bijgewoond omdat hij het bijgewoond had
lettre recommandée aanbevolen brief aangeteekende brief
détacher afhechten detacheeren
prendre en aversion in afkeer hebben (nemen) eenafkeerhebben(krijgen)van
être d'accord akkoord zijn het eens zijn
aller seul alleen gaan van zelf gaan
autrement (frappant) anders (treffend) veel treffender
comprendre begrijpen omvatten
se promettre zich beloven verwachten, zich vleien met
se promettre zich zelven beloven zich voornemen
aimer quelque chose iets beminnen ergens van houden
déterminer bepalen veroorzaken
prêt bereid (in het Ned. alleen v. personen) gereed
atteindre à bereiken evenaren
privations beroovingen ontberingen
célébrité beruchtheid (in het Ned. alleen in ongunstigen zin) beroemdheid
en disponibilité in beschikbaarheid op wachtgeld, op non-activiteit
se présenter zich aanbieden zich aanmelden
indiquer aanduiden aanwijzen
abbé abt eerwaarde (Heer)

[p. 132]

Fransch. Vlaamsch. Algemeen Nederlandsch.
dépendances afhankelijkheden aanhoorigheden, toebehoor
être aux ordres de quelqu'un aan iemands bevelen zijn tot iemands dienst zijn
être conservé bewaard worden behouden blijven
un particulier een bijzondere een particulier, een gewoon (ambteloos) burger
rester de eenige vooruitgang die nog zal te doen blijven overblijven
avoir la conscience large een breed geweten een ruim geweten
une large part een breed deel een ruim deel
provoquer en duel in tweegevecht dagen tot een tweegevecht uitdagen
pensée, idée toen het denkbeeld van Olga gedachte
  schielijk weer voor hemoprees  
faire une allocution een aanspraak doen een toespraak houden
faire une visite een bezoek doen een bezoek afleggen
    een bezoek brengen
    een visite maken
faire des fautes fouten doen fouten maken
faire des observations opmerkingen doen opmerkingen maken
faire des exceptions uitzonderingen doen uitzonderingen maken
faire du (des) progrès voortgang (vooruitgang) doen vorderingen maken
passer inaperçu onopgemerkt doorgaan onopgemerkt blijven
couper le passage à quelqu'un traverser iemand den doorgang afsnijden - de Eikpoel werd door een beek doortrokken iemand den weg afsnijden doorsneden
portée dracht notenbalken
porteur drager houder, toonder: De Nederl. Bank betaalt aan toonder
pression vrij van alle uitheemsche drukking invloed
solidité waarborgen van duurzaamheid deugdelijkheid, deugdelijke waarborgen
une fois pour toutes eens voor allemaal voor eens en altijd, eens voor goed
la propriété de eigendom het buitengoed
à la fin in 't einde eindelijk, ten slotte
(en) proportion (égale) (in gelijke) evenredigheid (in gelijke) verhouding
fabuleux fabelachtig mythologische afbeeldingen
trouver quelqu'un en faute iemand in fout vinden iemand op een fout(vergissing) betrappen
ce manteau vous va bien die jas gaat u goed die jas staat (zit) u goed
dans le même ordre d'idées in dezelfde gedachtenorde in denzelfden gedachtengang
les esprits alles is in wanorde, de geesten en de zaken de gemoederen
être tout indiqué geheel aangeduid zijn natuurlijk tot iets aangewezen zijn
(in)connu (on)gekend (on)bekend
charger quelqu'un iemand met iets gelasten belasten

[p. 133]

Fransch. Vlaamsch. Algemeen Nederlandsch.
se charger de zich gelasten met iets zich belasten
sans pareille zonder gelijke zonder weerga
je le crois bien! ik geloof het wel! geen wonder! ik wil het graag gelooven
tout(e) fait(e) gansch gemaakt pasklaar
faire grâce de quelque chose à quelqu'un iemand genade doen van iets het hem schenken, het hem kwijtschelden
jouir de son.... zijn vol verstand genieten bij z'n volle verstand zijn
assez genoegzaam nogal
rimé gerijmde psalmen berijmde psalmen
un raisonnement serré een gesloten redeneering een klemmend betoog
en nombre in getal bij de vleet!
être en nombre in getal zijn voltallig zijn
le salle donne sur le jardin geeft op den tuin ziet uit op den tuin
    geeft uitzicht op den tuin
donner (un libre) cours à den vrijen loop geven den vrijen loop laten
donner sa démission z'n ontslag geven ontslag vragen, ontslag nemen, z'n ontslag indienen
donner une conférence een voordracht geven een voordracht houden
conscience als hadde hij het verstand en het geweten verloren bewustzijn
donner la loi de wet geven iemand de wet stellen
ça lui donne sur les nerfs dat geeft hem op de zenuwen dat maakt hem zenuwachtig
consciencieux gewetensvol nauwgezet
l'usage, la pratique de la guerre de romeinen alleen bezaten de gewoonte des oorlogs waren vertrouwd met waren gewend aan
faisant autorité gezagmakend, gezagvoerend gezaghebbend
état de santé gezondheidsstaat gezondheidstoestand
brillant dat een glanzende rol gespeeld heeft schitterend
le fond et la forme de grond en de vorm inhoud en vorm
le fond d'un roman de grond van een roman de kern
le fond des yeux de grond der oogen het diepst der oogen
    in der oogen klare diep
au fond de la salle in den grond der zaal achter in de zaal
faire la haie de haag vormen langs den weg geschaard staan
prendre quelqu'un en haine iemand in haat krijgen haat tegen iemand opvatten
ai-je besoin de vous dire cela heb ik noodig u te zeggen moet ik u dat (nog) zeggen waartoe zou het dienen?
attaché een oefenschool die aan de kweekschool gehecht is verbonden
lever la séance de zitting heffen de zitting opheffen de vergadering sluiten
eh bien eh wel welnu, wel
tenir à quelque chose aan iets houden er aan hechten er prijs op stellen

[p. 134]

Fransch. Vlaamsch. Algemeen Nederlandsch.
tenir de hij houdt iets van Jan Steen gelijken op, aarden naar
tenir un (certain) rang Caspar Netscher schijnt ons den derden rang te houden te behooren tot de schilders van den derden rang
je le tiens de lui-même ik houd het van hem zelf ik weet (heb) het van hem zelf
marier M. à M. iemand aan iemand huwen uithuwelijken
deux années de fer(s) twee jaren ijzers twee jaar gevangenis
chemin de fer ijzeren weg spoorweg
intime de innige bouw der organische elementen de innerlijke
en congé in verlof met verlof
italique italiek cursief
le quai de kaai van den spoorweg het perron
le revers du coteau de keerzijde des heuvels de helling
de premier ordre een kunstenaar van eerste orde van den eersten rang
de seconde classe van tweede klas van den tweeden rang
l'heure a sonné het uur klinkt, nu had het uur van vertrek geklonken geslagen
couronné gekroond met een gedicht bekroond
laisser quelqu'un laat mij, astublief laat mij alleen
le vide de afkeer van het ledig, dat zulk een besluit in zijn leven zou te weeg brengen van de leegte van de leemte
regarder dans le vide in het ledig staren in de ruimte staren
dans notre âge in onzen levenstijd (leeftijd) in onzen tijd
mettre aux voix in stemming leggen in stemming brengen over iets laten stemmen
mettre à l'étude une pièce nouvelle een nieuw stuk ter studie leggen een nieuw stuk (laten) instudeeren
préférer liefkozen verkiezen, de voorkeur geven aan
écrire des lignes voor straf lijnen schrijven regels schrijven
les lignes de lijnen de gelederen
faire un choix een keus maken een keus doen, z'n keus maken
pour ne pas faire de jaloux om geene jaloersche te maken om niemand jaloersch te maken
un florin vaut cent cents een gulden maakt 100 cent een gulden is 100 centen
faire des élèves leerlingen maken leerlingen vormen
faire la paire een paar maken een paar vormen
prendre en pitié in medelijden nemen medelijden krijgen met medelijden opvatten voor
le mètre de meter het metrum, de versmaat
leur milieu hun midden hun omgeving, hun kring
administration centrale het middenbestuur het hoofdbestuur
déposer un projet de loi een wetsontwerp neerleggen indienen
que prendrez vous? wat zult ge nemen? wat zult ge gebruiken?
prendre intérêt à belang nemen in belang stellen in
prendre à gauche links nemen links afslaan

[p. 135]

Fransch. Vlaamsch. Algemeen Nederlandsch.
prendre la défense de quelqu'un iemands verdediging nemen iemands verdediging op zich nemen
être nommé genoemd worden benoemd worden
avoir sous la main onder de hand hebben bij de hand hebben
être sous presse onder pers zijn ter perse zijn
soutenir la conversation een geprek onderhouden een gesprek gaande houden
entrepreneur ondernemer aannemer
des personnes de distinction personen van onderscheid aanzienlijke lieden
distingué onderscheiden deftig, voornaam, uitmuntend
distinction onderscheiding fijnheid, netheid, voornaamheid
découvrir in twee woorden had Frans aan Clara de heele geschiedenis ontdekt meedeelen
rencontre ontmoeting gevecht
les déclassés de ontschikten een gedeclasseerde
démissionnaire ontslaggever de gewezen, de ex(minister)
échapper fijne eigenschappen die ons ontsnappen ontgaan
recevoir, être recu leerlingen ontvangen aannemen
développé 'n werk in negen tafereelen ontwikkeld uitgewerkt
insaisissable een onvatbaar geruisch nauwlijks hoorbaar
involontaire een onvrijwillig gebaar onwillekeurig
soin de tous les instants zorg van alle oogenblikken voortdurende zorg
public hun openbare vijand hun openlijke vijand
ouvrir sur het venster opent op de straat de deur opent op de straat het venster ziet uit de deur komt uit
ouvrir une enquête een onderzoek openen instellen
ouvrir un concours een wedstrijd openen uitschrijven
ouvrir un chemin een weg openen een weg aanleggen
avoir une explication avec quelqu'un een opheldering met iemand hebben iemand over iets aanspreken
des attentions opmerkzaamheden voorkomendheden
faire sa toilette zich opschikken (in het Ned. alleen in ongunstigen zin) zich kleeden zich wasschen
cabinet de toilette opschikkamer toiletkamer
successivement opvolgend leeraar te Gent, te Mechelen en te Arlon achtereenvolgens
successif de opvolgende verbouwingen achtereenvolgend
excité de geesten waren weerskanten hevig opgewekt (Ned. alleen in gunstigen zin) opgewonden
excitation opgewektheid (Ned. alleen in gunstigen zin) opwinding
recherches opzoekingen nasporingen
passer en revue in overzicht nemen nagaan

[p. 136]

Fransch. Vlaamsch. Algemeen Nederlandsch.
place plaats plein
coupable uw gedrag is plichtig misdadig
jeter de la poudre aux yeux de quelqu'un iemand poeder in de oogen gooien iemand zand in de oogen strooien
carte postale (Duitsch: Postkarte) postkaart briefkaart
(carte-correspondance) briefkaart kaartbrief
une oeuvre de prix een werk van prijs van waarde
attacher grand prix à quelque chose veel prijs hechten aan iets op hoogen prijs stellen veel waarde hechten aan
prendre rang rang nemen z'n plaats innemen z'n plaats krijgen
les classes dirigeantes de heerschende klassen de hoogere standen
rendre compte rekening geven verslag doen, verslag geven
se rendre compte zich rekening geven zich rekenschap geven
tenir compte de rekenschap houden van iets met iets rekening houden
rail richel rail
composer 't waren niets dan huurlingen die dit leger samenstelden waaruit dit leger bestond
la composition de samenstelling van een schilderij, een roman de compositie, de schikking de aanleg, de opzet
pas l'ombre de geen schaduw van geen spoor van
on a beau dire men heeft schoon te zeggen wat men ook moge zeggen, je hebt mooi praten
mettre par écrit te schrift stellen te boek stellen, opschrijven
seulement slechts 50 jaar daarna; de boekdrukkunst die slechts gedurende de 16de eeuw een aanzienlijke uitbreiding kreeg eerst 50 jaar daarna; pas gedurende de 16de eeuw, gisteren pas kwam ik terug, wij eten pas om zes uur
étoile zijn kwade star zijn kwaad gesternte
mettre quelqu'un au ban iemand in den ban stellen iemand in den ban doen
mettre fin à quelque chose een einde aan iets stellen ergens een eind aan maken
mettre quelqu'un au courant iemand op de hoogte stellen iemand op de hoogte brengen zich op de hoogte stellen
mettre en ordre in orde stellen in orde brengen
mettre ordre à quelque chose orde in iets stellen er voor zorgen
mettre en vente in veiling stellen te koop bieden
se mettre au travail zich aan het werk stellen (wel Ned. is: alles in het werk stellen) aan het werk gaan
se mettre en chemin zich op weg stellen zich op weg begeven.
sciences exactes stellige wetenschappen wiskundige vakken
rester silencieux hij bleef stilzwijgend bleef zwijgen
caresser l'espoir de hoop streelen de hoop koesteren
compter sur quelqu'un tellen op iemand op iemand rekenen

[p. 137]

Fransch. Vlaamsch. Algemeen Nederlandsch.
revenir ik zal hierop niet meer terugkeeren terugkomen
à titre d'essai ten titel van proef bij wijze van proef
à titre provisoire ten voorloopigen titel voorloopig
à double titre ten dubbelen titel in tweeërlei opzicht, om twee redenen
appartenir de kerk waaraan hij toebehoorde waartoe hij behoorde
parvenir uw uitdrukkelijke wil is ons toegekomen is te onzer kennis gekomen ons ter oore gekomen
permettre dit werk laat ons toe een meester te bestudeeren stelt ons in staat
adresser des reproches à quelqu'un iemand verwijten toesturen iemand verwijten, iemand beleedigen
tiré à 300 exemplaires op 300 exemplaren getrokken in 300 exemplaren gedrukt
entre eux tusschen hen bevond zich onder hen
entre quatre yeux tusschen vier oogen onder vier oogen
étouffer un scandale een zaak uitdooven stilhouden, zorgen dat het zaakje niet ruchtbaar wordt
exprimer le désir, l'espoir den wensch uitdrukken den wensch uitspreken
déclamer uitgalmen voordragen
déclamation uitgalming voordracht
extérieur wat zijn uitwendig betreft zijn uiterlijk
aptitudes al zijn vatbaarheden al zijn talenten zijn vermogens
changer (de voiture) veranderen overstappen
changer la conversation het gesprek veranderen het gesprek een andere wending geven, het gesprek op iets anders brengen
élargir hare gedachten waren verbreed verruimd
la défense dit de verdediging zegt de advocaat zegt, de pleiter zegt
se perdre en conjectures zich in gissingen verliezen verdiepen
je n'ai pas perdu un mot de l'entretien ik heb geen woord verloren mij is geen woord ontgaan
soupçonner de zij vermoedde hem van lauwheid verdacht hem
renouveler ses ordres hij vernieuwde hun de onderrichtingen herhalen
permettez! veroorloof! met uw verlof
rejoindre quelqu'un toen hij mij kwam vervoegen opzoeken
il nous rejoignit près de la ville hij vervoegde ons buiten de stad inhalen
rejoindre son régiment hij vervoegde zijn regiment hij begaf zich weer naar...
renvoyer de cijfers verzenden naar de bladzijden verwijzen

[p. 138]

Fransch. Vlaamsch. Algemeen Nederlandsch.
inconciliable de democratie is niet verzoen-baar met den monarchalen regeeringsvorm niet overeen te brengen
venir trouver quelqu'un iemand komen vinden komen opzoeken
chair een vleesch als melk zoo frisch een gezicht van melk en bloed
être en vogue in voege zijn in zwang zijn
mettre une armée sur pied een leger op den voet brengen, te voet roepen op de been brengen, onder de wapens roepen
la plante des pieds de voetplant de voetzool
réservé dit geluk, slechts aan weinigen voorbehouden voor weinigen weggelegd
tous droits réservés alle rechten voorbehouden onder voorbehoud van alle rechten
place réservée voorbehouden plaats besproken plaats, gereserveerde plaats
avec réserve met voorbehouding met omzichtigheid
mettre un précédent een voorgaande stellen een precedent stellen
faire du progrès voortgang maken vorderingen maken
esprit de suite geest van voortzetting standvastigheid, volharding, consequentie
conditions in zeer slechte voorwaarden omstandigheden, toestand
une carrière bien remplie een welgevulde loopbaan een rijk leven, een welbesteed leven
faire son chemin zijn weg maken vooruit komen, door de wereld komen, z'n weg vinden
peser sur quelqu'un de koning schijnt op het ministerie te wegen invloed, druk uit te oefenen
être dans les voeux het ligt niet in de wenschen het is niet wenschelijk
jeter un pont een brug over de rivier werpen slaan
hors de la loi wetteloos verklaren vogelvrij
l'affaire d'un moment de zaak van een oogwenk het werk van een oogenblik
et dire que en zeggen dat... en als men dan bedenkt, dat
mission de zending der kopersnee sedert de laatste volmakingen der lichtteekening roeping
se mettre en chemin zich op weg zetten zich op weg begeven
je vois d'ici ik zie van hier ik begrijp heel goed
vous voyez cela d'ici dat ziet ge van hier gij ziet van hier, welk... dat begrijp je, ge kunt u voorstellen, welk...
chanter De Koninck heeft dit eens in een welklinkende improvisatie gezongen bezongen
cette somme s'élève à beloopt, bedraagt tot bedraagt, beloopt
porter pour titre zijn boek draagt voor titel is getiteld... draagt als titel..
fêter quelqu'un iemand feesten iemand vieren

[p. 139]

Fransch. Vlaamsch. Algemeen Nederlandsch.
rappeler zijn schilderwijze herinnert Rubens, de heerlijke beelden die wij herinnerden herinnert aan Rubens, waaraan wij u herinnerden
il ne compte plus parmi
les vivants
hij rekent niet meer onder de levenden; onder de vijanden van het rijk rekenen de Fransche koningen hij is niet meer onder de
levenden
behooren...
telt men...
voter des remerciments bedankingen stemmen een adres van dank aannemen
pour ce qui me concerne voor wat mij betreft wat mij betreft
différer de verschillen  
il ressemble à son père hij gelijkt aan zijn vader hij gelijkt zijn vader, of op
renoncer à quelquechose aan iets verzaken iets verzaken
cela est difficile à faire dat is moeilijk om doen dat is moeilijk (om) te doen
ceux qui désirent se joindre à degenen, die wenschen zich aan te sluiten degenen die zich wenschen aan te sluiten
il désire pouvoir lire cela hij verlangt dat mogen te lezen hij verlangt dat te mogen lezen
il y réussit hij gelukt erin hij slaagt er in, of dat lukt hem
je suis d'accord avec vous là-dessus ik ben het daarover met u eens dat ben ik met u eens
il se mit à courir hij zette zich op een loopen hij zette het op 'n loopen
se fonder sur ce raisonnement hij steunt zich op dat bewijs hij steunt op dat bewijs
c'est moi, toi 't is ik, gij, enz. ik ben het, gij zijt het
je m'y attendais ik verwachtte mij daaraan dat verwachtte ik; daarop rekende ik
maison à louer, à vendre huis te huren, te koopen huis te huur, te koop
invoquer l'exemple de het voorbeeld inroepen van... zich beroepen op het voorbeeld van...
il sent le besoin de se reposer hij gevoelt de behoefte om te rusten hij gevoelt behoefte aan rust
il ne put s'y résoudre hij kon er zich niet toe besluiten of beslissen hij kon er niet toe besluiten
qu' est ce qui serait capable de wat zou er nog bekwaam kunnen zijn om wat zou er nog in staat zijn om
exclusivement uitsluitelijk uitsluitend
élection kiezing verkiezing
distribuer des prix, distribution de prix prijzen deelen, prijsdeeling prijzen uitdeelen, prijsuitdeeling
partager l'opinion de qlq. iemands zienswijze deelen in iemands zienswijze deelen, of ermede instemmen
laisser à désirer dat laat te wenschen dat laat te wenschen over
donner le ton den toon geven, toongevend den toon aangeven, toonaangevend
intercaler tusschenlasschen inlasschen
apporter des arguments redens bijbrengen redenen inbrengen
un coup d'oeil een oogslag een oogopslag

[p. 140]

Fransch. Vlaamsch. Algemeen Nederlandsch.
sous le rapport de langue onder opzicht van taal uit het oogpunt van de taal
tenir compte de rekening van iets houden rekening met iets houden
prendre conseil auprès de qlq. bij iemand te rade gaan met iemand te rade gaan
charger qlq. de qlq. chose se charger de iemand met iets gelasten zich gelasten met iets iemand of zich met iets belasten, of iemand iets gelasten
sous presse onder pers ter pers, op de pers
interroger qlq. sur iemand ondervragen op iemand ondervragen over
au sujet de (touchant) betrekkelijk de waarheid betreffende de waarheid
professeur d'histoire leeraar van geschiedenis leeraar in de geschiedenis
à l'université in, uit de hoogere school op, van de hoogeschool
l'Université de Gand de hoogeschool van Gent de hoogeschool te Gent
donner un extrait de qlq. chose een uittreksel van een uittreksel uit
l'introduction à de inleiding op... de inleiding tot...
traduction de l'allemand vertaling van het Duitsch vertaling uit het Duitsch
félicitations gelukwenschingen gelukwenschen
M. est-il visible? is M. sprekelijk? is M. te spreken?
cela saute aux yeux dat springt in de oogen dat valt in de oogen óf springt (valt) in het oog
imagination inbeelding verbeelding (inbeelding = hersenschim)
bien portant welstellend, welgesteld gezond
examen oral mondelijksche of mondelingsche examen mondeling examen
un homme très connu een goed gekend man een zeer bekend man
un état d'âme ziels-, geestestoestand ziels-, geestesgesteldheid
faire l'éloge de qlq. den lof van iets maken iets prijzen
destituer un fonctionnaire een ambtenaar afstellen afzetten
mettre en mouvement in beweging stellen in beweging brengen
n'est pas viable is niet leefbaar kan niet in leven blijven
l'enterrement de begraving de begrafenis
des pommes de terre réchauffées verwarmde aardappelen opgewarmde aardappelen
utiliser iets benuttigen zich iets te nutte maken
en rang in rangen op een rij
constater bestatigen vaststellen
attelage de deux een dubbelspan een tweespan
tout d'un coup al met een keer op eens, eensklaps
envoyer chercher qlq. iemand zenden halen iemand ontbieden
comment l'apelle-t-on hoe heet men hem hoe noemt men hem of hoe heet hij
(dans cet) ordre d'idées gedachtenorde gedachtengang
être atteint, affligé d'une maladie door ziekte aangedaan door ziekte aangetast
il vient regulièrement ici hij komt regelmatig hier hij komt geregeld hier
au plus vite zoo haast mogelijk zoo spoedig mogelijk

[p. 141]

Fransch. Vlaamsch. Algemeen Nederlandsch.
cet ouvrage est épuisé dat werk is uitgeput dat werk is uitverkocht
grâce à lui dank aan hem dank zij hem
je lui dois 2 frs. ik moet hem 2 frank ik ben hem 2 fr. schuldig
vous vous trompez gij bedriegt u gij vergist u
mention honorable eervolle melding eervolle vermelding
il étudie le droit hij studeert het recht hij studeert in de rechten
argent ouvré gewerkt zilver bewerkt zilver
ne pas vouloir de wij willen van geenen klassenstrijd wij willen geen klassenstrijd
wij willen niets weten van een
il est nommé professeur hij is professor benoemd hij is tot professor benoemd
je le croyais un imbécile ik geloofde hem een armen knecht ik hield hem voor dom
déclarer mensonge zij verklaarden dat alles kwaadsprekerij, (Ned. is iemand schuldig, vervallen verklaren) zij verklaarden, dat alles laster was
supposer connu zijn bekend verondersteld worden geacht bekend te zijn
l'éloquence qu'on lui connaît de krachtige taal die wij hem kennen die wij van hem gewoon zijn
la politique fait du Czar l'allié de la France de politiek maakt een Franschen bondgenoot van den Czaar. maakt den Czaar tot een bondgenoot van Frankrijk
dormir d'un sommeil de plomb hij sliep van een slaap als lood hij sliep als een roos
hij sliep den slaap der rechtvaardigen
je parlaisle Français aux élèves ik sprak den leerlingen altijd Vlaamsch (tot) met m'n leerlingen sprak ik altijd Hollandsch
les gestes dont il accompagnait ses paroles de gebaren waarvan hij zijne woorden vergezelde waarmee hij zijne woorden begeleidde
supposer het lot dat hij hun veronderstelde dat hij het hunne dacht
concilier une chose et une autre aldus zijn woord en zijn eerlijk geweten ‘overeenbrengend’ z'n woorden met z'n geweten overeenbrengen; zoo iets is met ons begrip van plicht niet over een te brengen
c'est ça 't is dat ziezoo
eau potable drinkbaar water drinkwater

Behalve deze afwijkingen in het idioom heeft de Vlaamsche schrijftaal nog allerlei grammatische eigenaardigheden met het Fransch gemeen, die wij pas later, als de respectieve verschijnselen in het algemeen Nederlandsch ter sprake komen, in hun volle eigenaardigheid kunnen uiteenzetten. Wij geven echter op blz. 143 vlgd. nog een belangrijken tekst.

[p. 142]

Van karakter zijn de Zuid-Nederlandsche Brabanders, Antwerpenaars en Oost-Vlamingen minder stijf en stroef in den omgang, levendiger, spontaner dan hunne Noordelijke broeders, die hen niet zonder reden, wel eens wat rumoerig, onrustig en lawaai-achtig vinden, omdat ze bovendien ook minder bezadigde wijsheid en dikwijls nog ietwat lichtgeraaktheid vertoonen. Daarentegen hebben ze op de Noord-Nederlanders voor, dat ze niet zoo peuterig en omslachtig zijn, wat echter ook veel minder nauwgezetheid medebrengt - men vergelijke b.v. de uiterlijke orde in het spoorwezen. - Verder zijn de Zuid-Nederlanders handiger en als ze geleerd hebben beschaafd te zijn, inderdaad charmant. Ook hebben ze veel meer aanleg voor kunst, meer speciaal echter voor Rubenskunst tegenover Rembrandtskunst, en zijn ze erg belust op uiterlijke praal. Terwijl de Noord-Nederlander nogal eens last kan hebben van hoovaardij, krijgt de Vlaming meer verzoeking tot ijdelheid. Zonder meer hartstocht is hij wel impulsiever. En omdat hij tevens niet zoo omslachtig zwaar tilt, neemt hij gemakkelijker het initiatief. - Tegenover de ongevoeligheid of de kalmte der Hollanders staat dus de drukte en emotionaliteit der Vlamingen - een kleinigheid vervoert hen tot zaligheid of verdriet - en de perseveratie-tendenz of secundaire functie kan hier niet meer als algemeene trek van het volkskarakter worden opgegeven. Verre vandaar!

Vele van deze eigenaardigheden heeft de West-Noordbrabander met zijn Zuidelijken taalbroeder gemeen. Toch hebben de bewoners der Generaliteitslanden, in de twee eeuwen van verdrukking, een ietwat Hollandsche opvoeding in bezadigde perseveratie doorloopen, waarbij ze van hun luidruchtigheid en losheid, heel wat hebben afgeleerd, maar velen vooral de minderbedeelden, toch ook iets dofs over den glans hunner vroeger zoo emotioneel tintelende ziel hebben gekregen; mede oorzaak of gevolg daarvan of beide, is het ergerlijk drankmisbruik en 't daaruit volgende messentrekken. Er heerscht toch niettemin nog meer levenlust en opgewektheid dan in Holland, gepaard met goedhartigheid en vriendelijkheid. Men is in Noord-Brabant spoedig tehuis, spoedig bevriend, maar wordt er ook spoedig vergeten, zegt Blink. De bevolking is er aan huis en erf gehecht, en daardoor vindt men hier minder emigraties dan elders. Wiskundige aanleg is er bijna epidemisch, en daar gaat - gevolg van Hollandsch-Vlaamschen menginvloed - liefde voor de muziek in alle kringen mee samen. De meer bedeelden zijn echter onder de verdrukking pittiger en sterker geworden, en zoowel vrouwen als mannen leven er daar met een ziel fijn en vol van gevoel, met een wil veerkrachtig en groot. - De bevolking is bijna geheel Roomsch-Katholiek en zeer liefdadig voor armen en godsdienstige instellingen. - Voor de literatuur leverde West-Noord-Brabant tot nog toe heel weinig. Pas sinds kort en langzaam gaan de welgestelde inwoners dezer streek beseffen, dat er naast industrie en

[p. 143]

handel ook nog een carrière van kunsten en wetenschappen bestaat. - Het Westen van Noord-Brabant heeft een heele reeks kleine sociale groepen, die ongetwijfeld zoowel middellijk als onmiddellijk invloed uitoefenen op het dialect. Daar hebben wij op de eerste plaats de leerlooiers en schoenmakers der Langstraat, de pas in de laatste vijftig jaar opgekomen suikerindustrie, de meer en meer achteruitgaande maar altijd nog zeer talrijke bierbrouwers, de steenbakkers, boom- en fruitkweekers; om nog niet te spreken van de landbouwers, die wegens het groot verschil van grond hier weer gelijk elders in kleinere groepen, van klei- en zandboeren, uiteengaan.

Een mooi staaltje litterair Zuidoost-Vlaamsch vinde hier zijn plaats. Het is nog al omvangrijk, maar het geeft ons tevens zóó'n diepen kijk op de sociologische en psychologische structuur van den Vlaamschen landbouwersstand dat ik het om dubbele reden meende te moeten opnemen, en het dus ook dubbel zoolang mag zijn. Frank Lateur kènt zijn Vlamingen!

De Vlaamsche arbeider
van Stijn Streuvels uit: Vlaanderen door de eeuwen heen.

De Vlaamsche landenaar heeft weinig noodig om te leven, maar, als dat weinige hem niet gegeven wordt en het uiterst noodige hem ontbreekt, dan zal hij, zonder groot gebaar, zonder opstand, ten onder gaan als iemand, die tot hoegenaamd geen ras meer toebehoort en gelijk welke hoedanigheden van dat ras nooit gekend heeft of bezeten.

De Vlaming is in zijn normalen toestand, als hij met werken den kost kan verdienen; naar overschot vraagt hij niet. Hij redeneert niet, belegt weinig. De lijdende gemoedsstemming, die hem blij maakt en gerust, als er niets ongewoons de doening van zijn levenskring komt storen en hij genieten mag van het schamel beetje geluk, waarmede hij bedoelt: den kost voor hem en voor de zijnen, is altijd nog gepaard met eene vrees voor de onbestendigheid van dat geluk, uit een gevoel en bewustzijn van zijne onweerbaarheid waarin hij verkeert. Hij weet dat hij alleen staat; als zijne handen moeten begeven, is het 's anderdaags de armoede. Hij leeft afgezonderd, heeft opleiding noch geleerdheid en geen besef van de voordeelen, die opleiding en geleerdheid hem verschaffen zouden - geen vertrouwen dus in die voordeelen. Zijn denkkracht strekt niet verder dan de gewone zaken uit zijne onmiddellijke omgeving; zijn ongeoefende geest werkt traag en waar hij niet rechtstreeks het voordeel of de winst ziet, daar wil hij niet van hooren. De overwegende gedachte, die hij overerfde van zijne ouders, is de eeuwige vrees voor honger, de bezorgdheid om den kost te bemachtigen. Omdat zijn bestaan met één slag kan gebroken liggen en heel dat bestaan op hem alleen weegt, daarom zal hij de kinderen zoo vroeg mogelijk doen helpen aan de taak. Geen school, geen geleerdheid, dat brengt niets mede, daar is geen tijd voor! Werken alleen, dat is de zaligheid. De voorouders hebben gewrocht, hij zelf heeft nooit anders gezien en de kinders ook moeten het maar doen van jongs af. Hard werken, zonder ophouden, van 's morgens tot 's avonds, zóó hebben ze het gevonden en zullen ze het laten. Het leven zelf is werken; zij zijn ermede vergroeid en het is hun geworden als eene noodzaak, eene levensbehoefte - iets dat er zoo maar bij hoort, dat zich van zelfs op dringt als adem halen, eten en slapen. - Eén ding heeft de Vlaamsche buitenmensch om zich recht te houden en waarop hij steunt - hij heeft zijn eenvoudigen godsdienstzin, gelijk hij van vader tot zoon werd overgeërfd en bewaard. De zinnebeelden van zijn godsdienst vindt hij ten

[p. 144]

allen kante over 't platte land, in de kerken van zijn dorp vooreerst, en overal waar hij gaat en staat te velde. Waar er een mensch dood viel of verongelukte, heeft men een steenen kruis geplant; waar men eene gunst bekomen heeft of bekomen wil, bouwt men een kapelletje en aan het bol der linden van het hofgat zoowel als in huis, overal zijn er beeldekes of prentjes, waar een of andere heilige vereerd wordt. De godsdienst in zijn eenvoudigsten vorm, met bijgeloof vermengeld, zit hem in 't lijf en straalt door al zijn denken en doen, omvat heel zijn leven. Diens godsdienst wil hij in tastelijken vorm overal rond zich zien en voelen; het Opperwezen moet hem vertrouwelijk voorgesteld worden en heel zijne omgeving vervullen. De landman bezit nog het kinderlijk vertrouwen in eene opperste en hoogere rechtveerdigheid, die loonen en straffen zal. In zich draagt hij het gevoel, dat hij met hard werken zijn plicht doet, zonder meer. Hij neemt de zaken op, zooals ze zich voordoen en zijn eenvoudige geest vraagt niet verder, zoekt geene oplossing over zaken en toestanden, die hij niet doorgronden kan. Hij heeft iets van den werkos, die gezapig zijn strenge spant en de vore trekt tot tenden en weer herbegint met kalmte en beradenheid. I. De Vlaming is dus de geboren landenaar; hij is de buitenmensch bij uitnemendheid; hij houdt van zijn land, van zijn werk, van zijne vruchten, van de vrije open lucht, van ruimte en van kalm gerust en stil leven. Waar hij het met hard werken vinden kan, om tusschen de twee uitersten van weelde en armoede 't bestaan te bemachtigen op zijn stukje grond, daar is hij tevreden en gelukkig; daar zullen de hoedanigheden van zijn ras het best ontwikkelen en openbloeien. - Het huisje van den landman is uit leem, met ingezakte wanden en gatig rieten dak; maar hij houdt van zijn huisje, want 't staat er als gegroeid in 't open veld en de vernepene dompigheid van een ommuurde koertje is hem onbekend. Binnen is er vloer noch zoldering, weinig licht en minder ruimte, maar vóór de deur is er licht te veel en overvloed van ruimte, en hij leeft meer buiten dan binnen zijn huis. De noodige huisraad en kateil ontbreken, de bedderij is slecht, tafel en stoelen staan kreupel; maar evengoed slaapt hij op stroo en hij rust gemakkelijk op den blooten grond. En 't weinige dat er voorhanden is, blinkt van goed verzorgde netheid. Alles staat goed op zijn plaats en de muren en betimmering krijgen op tijd hun laagje kalkwit of hun streepje verf. Zijn huis en zijn lochting zijn als een stuk van zijn eigen wezen en de streek er rond is hem vertrouwelijk omdat hij er in gegroeid is en groot geworden. De armoedige dingen schreeuwen niet als een wanklank in die omgeving; 't gebrek en de armoedigheid is er niet gedoken of deftig aangekleed, met een schijn van bedriegelijken welstand. De kleeren die de landman draagt, zoowel als de schikking en 't gerief van heel zijne omgeving, 't eene gelijk 't andere is in éénklank met het werk en de bezigheid van den bewoner, - er is geen bedrog, geen schijn van nutteloozen praal, - 't is het natuurlijk noodwendige en het eenvoudige landelijke leven. - Wat is er, dat hem hier zoo aantrekt, dat hij met die armoedige dingen zijn zin heeft, dat hij aan weelderiger leven verzaakt, hooger loonen afwijst, hier in de verlatene vlakte, eenzaam op den heuvel of gedoken in de diepte der vallei, of tegen den boschrand, liever gebrek zal lijden en liever zijn lijf gaat afbeulen met zijne kinderen op de hofstede, dan zijn hoekje grond te verlaten en beter leven te genieten in volkrijker gezelschap van een neringdoende dorp?

In woorden weet hij het niet te verklaren, hij voelt dat hij hier vastzit, gerust is en dat hij elders niet zou leven gelijk hier. Wat hem hier lief is, weet hij niet; eerst als hij het missen moet, kan hij het weten. De dingen, die hij hier onderhanden heeft, bemerkt hij weinig, hij heeft ze in zich opgenomen, ze zijn in hem overgegaan. De lommer van den grooten notelaar, die 't schamele dak van zijn huis beschermt, is hem onbewust, een rijke tooisel. De zonnebloemen en de stokrozen die van weerskanten de deurlijst te pralen staan, de violiers onder 't venster, het palmtronkje in den lochting, de geraniums en de floksen, die door 't

[p. 145]

oudste meisje verzorgd worden en bloeien op de vensterbank, de konijntjes in hun hok en de hoenders en de haan, dat alles is voor den landman het overtollige, de weelde, de lach en de blijheid in zijn leven, waar het werk de ernst is en de strengheid. Hij voelt zich hier baas, hij is er de meester, gerust gelaten in zijn doening, tevreden en gelukkig.

Maar 't geen hij minder weet en de groote oorzaak is van zijn geluk, 't is de natuur zelf, de stand van zijn leven te midden der natuur; het eenige eeuwige, dat hem langs alle kanten omringt en waarin de natuurmensch zoo welig aardt. 't Is de onmiddellijke betrekking, de nauwe omgang met de natuur, het rechtstreeksche aanvoelen van de groote elementen - de bronaders van het algemeene leven. Wind en zonneschijn krijgt hij uit eerster hand, de ruimte is er zonder randen; er is de wisseling van het keerende jaar, de eeuwige ongedurigheid der getijden, die komen en gaan in gestadige wenteling; de schoone gang der volle dagen met hun licht en donker, natte en droogte, koude en hitte. Er is de zon vooral, die groote levenswekker, de koning der schepping, die troont over alles, die groei geeft en bloei en wasdom en vruchtbaarheid; er is het speierende licht der zon, de kleistering der helderheid van die groote fakkel, waarvoor al wat kaal is en krottig en vuil er uit ziet, verdwijnt onder den gulden glans en te blinken begint of te glinsteren, - die al het vermolmd gereedschap en gerei van den landman met gulden randen omstraalt, als met een aureole van levende blijde schoonheid; die alles doorstraalt en opwekt met haar deugddoende warmte. Er is de schoonheid van den dageraad en de weemoed van den avond. Er is de geur van den grond en de groenigheid, die walmt door de lucht. In dat onmiddellijk betrek met de eeuwige dingen voelt de landman zijne gerustheid en zijne vrees, zijn vertrouwen en zijn ontzag. De elementen keeren en wentelen in hunne wreede grootschheid boven zijn hoofd en boven de nietigheid zijner have - zij kunnen hem platslaan, maar ze verleenen hem de weldaad van het leven. 't Geen hij opdoet, 't geen hij inoogst, 't geen hij wint op het land, 't wordt hem al mildelijk toebedeeld als uit vrijgevige handen, - zijn eigen werk aanziet hij daarbij als eene enkele bijveerde. 't Geen hij doet, 't is bevruchten en bemesten, maar de moedergrond houdt altijd zijne bronnen open, die nooit moegegeven zijn of drooggetrokken. - Voor den landman brengt elke nieuwe dag hem nieuwe verhemming en nieuw leven; 't open- en het toegaan der dagen is hem als de machtige aderslag, 't heffen en 't dalen van den grooten, levenden adem, die de natuur beroert. En na een dag ijverig werken is de avond hem als eene verzadiging, de rust, de kalmte, die met de vloeren teederheid der duisternis, neerzijgt over de wereld, als alles rond hem slapen gaat. De morgen die daarop daagt, is weer het ontsteken van licht, het opkraaien van het leven, het herbeginnen of het voortzetten van het geen gisteren ongedaan ten halve bleef. De landenaar mag het lastig hebben als een os, altijd blijft er de voldoening van zijn werk, de groeite, 't leven dat onder zijne handen ontstaat, als eene onmiddellijke belooning, die hem gerust en bewust maakt, dat hij op de goede baan is en dat hij in 't rechte bedde vooruit moet. De dagen komen en brengen hun werk mede, hij hoeft zich maar geleidelijk en lijdzaam te laten gaan en hij is zeker altijd goed uit te komen.

Als alles welgaat in zijn huishouden, iedereen gezond is en meê-wil, als geen ramp dien schoonen samenhang van man en vrouw met kinderen storen komt of breken, als heel die verbondene kracht opgroeit als een boom die sterk van stam, welig zijn wortels schiet en breed zijn krone spreidt, dan komt er bij die menschen een stille voldaanheid, de schoone, kalme gerustheid die den gestadigen glimlach uitmaakt van het vriendelijke leven. Bij die menschen ontstaat eene eigene, eene heel bijzondere beschaafdheid, eene voornaamheid geput bij den oorsprong van 't leven zelf; een diepere zin in 't bestaan en een gezondheid van oordeel en verstand die alleen door langen en trouwen omgang met de natuur verkregen wordt. Die beschaafdheid is anders, maar edeler misschien dan 't geen wij fatsoenlijke

[p. 146]

menschen van elkander afleeren en nadoen en bestempelen met dien naam. Wie schaft er genoeg op dien invloed van de onvervalschte, de onmiddellijke natuur op de menschen? Wie, die ooit een landman, moe gewrocht naar huis zag keeren, dacht er aan den heilzamen indruk dien zulk een avond maakt op 't gemoed van den simpelen buitenmensch? De schoone avonden in 't voorjaar, als de eerste zoelte de eerde aan 't gisten brengt en de groeite overal begint, als 't geluchte effen-uit met eene onnoemlijke teere kleurtint gevloerd, van een alderschoonste waterklare doorschijnendheid is - als alles heel stil wordt, en kalmte en zachtheid neerzijgt met de deemstering, waarin de gewone dingen een ongewone grootschheid en aanzien krijgen in die volkomene aamloosheid van den slapengaanden wind. De ruste brengt de stilte mede en om die twee algemeene dingen die in elkaar versmelten en één worden, ontstaat in eens de nieuwe tooverklaarte der maan. De schoonheden die hij ziet tracht hij niet op te sommen of te bepalen - onbewust geniet de landman en ondergaat den grootschen indruk van dien eendlijken samenhang der dingen die ter ruste gaan gelijk hij zelf. - De man trekt door de velden naar huis. - De wegen zijn eenzaam maar het jonge groen stoort aangenaam door de lucht. De man is moe gewerkt, maar zijn gemoed is gerust en bij elke schrede groeit het verlangen om thuis te zijn. Het lichtje ontwaart hij dat pinkt door het venster - thuis is alles nog in volle beweging - 't is de drukste tijd van den dag - 't avondeten wordt klaar gemaakt, de beesten worden gevoederd, de koei gemolken, de geiten naar stal gebracht - alles wordt in veiligheid gesteld voor de groote rust. De andere huisgenooten komen thuis, - de groote zonen - en laat eerst wordt het avondmaal genut, als al 't andere werk verricht is. Na 't eten zou vader of de zoon nog wat bezigheid zoeken in den lochting, weet moeder nog 't een of 't ander te doen en eindelijk komt heel het huisgezin, ouders, jongens en meisjes, een stonde buiten zitten onder den vliertronk in den maneschijn. De geur van den tabak mengelt zich met de geuren der bloemen in het hovetje; er wordt gekout, stil, fluisteren gelijkt het - in 't genot van den onzeglijk schoonen avond. Als moeder het teeken geeft, komt er een einde aan de behagelijkheid van het buiten zitten en dan zoekt elk zijn slaapstede. Het schamele stroodak zal heel den nacht de welverdiende rust der landlieden beveiligen en het huizeke zelf, met zijn leemen wanden, half gedoken in de zwarte schaduw van boomen en tronken, gelijk een nest waar ‘vrede’ zijn woonst genomen heeft.

Het tafereel van den uchtend speelt zich af in anderen toon, levendiger van kleur, blijder met heviger geruchten; 't is het verschil en de tegenstelling van de zon die opkomt en met nieuwen luister 't aanschijn der aarde verblijdt, tegenover den zachten weemoed van de uitstervende schattigheden, die verdwijnen tegen een opvlammenden westerhemel.

't Verloop der dagstonden zelf met het eigen voorkomen en de stemming van elk uur, is iets als het afspelen van een altijd nieuw vertoog. Het werk is lastig maar altijd anders en alles wat men aanraakt zijn bezielde dingen. 't Is het groeiende leven, dat de hulpe eischt van 's landmans handen en onder zijn greep tot oorbare bate verwordt en tot nuttigheid van alle menschen. Overal ziet hij het doel en de oorzaak in zijne bezigheid. Daarom heeft de landsche arbeider lust, liefhebberij in zijn arbeid; hij is preusch met den stand van zijne vruchten en met de handigheid van zijn kunnen en de schoonheid zijner opbrengst. Er is blijheid op 't veld overal, den dag door. Hoor hoe de stemmen klinken en 't neerstig gesnebber gaat bij 't wieden, bij 't braken, bij 't slijten, bij 't oogsten! Er is gezelligheid onder de knapen en de meiden; de bezigheid gaat vlugger van de hand en 't lastige vergeet men als 't herte mag opgehaald worden en men zijn stemme hoort weergalmen in de wijde lucht, waarin het lachen klatert uit de verte. De jonge, ongehuwde werkman heeft weinig of geen kommernis te dragen, hij verricht zijn werk gelijk de boer 't beveelt en heeft zich van rampen of schade door wind of water veroorzaakt, niets aan te trekken. Een breed gevoel

[p. 147]

van vrijheid en ongedwongen stand in hun verhoudingen is den landschen arbeider eigen. Zie hem loopen over de werf der hofstede, waar hij zich van eersten af gevoelt en beweegt als op eigen bezit. Hij loopt stallen en schuren uit en in, schuifelt en zingt, gekt en zottebolt met knapen en meiden; komt op zijn kloefen in huis en zet zich bij aan tafel, eet zijn buik vol, of beklaagt zich bij de boerin als de kost hem niet bevalt. Na 't eten zoekt hij een polk in 't stroo en rust er den noenestond uit, tot het klokje luidt. Bij een kwaad woord van den boer laat hij 't werk staan en gaat op een ander; nooit verlegen of in moeilijkheid, want al de boerenhoven staan voor den werkman open en overal is 't zelfde werk en zelfde loon. - Op 't veld is de Vlaamsche landenaar in zijn element als een boom in de aarde. Zie hem op den hoogen kouter, zwaar, groot geteekend tegen de lucht; zijne kleeding heeft de kleur der aarde, waarop hij zelf stevig geplant staat. Hij ment de peerden aan den ploeg, jaagt het tweespan en staat als een schipper op zijn schuite, te wiegelen op de zwenkingen der egge. Hij gaat stapaan, rechtop, de zaaier, zwak van leden en strooit met ronden zwaai de tarwe, die als goudpulver bij elk gebaar van den forschen arm, open vliegt in de lucht. Hij staat voorover gebogen als een kamper ten aanval, het glimmende staal van de pikke te derschen in 't koorn. Aanhoudend, onvermoeid is hij den zwaren muur aan 't doorhakken, die vóór hem overeind staat. Ginder staat de maaier tot aan de knieën in 't bloedend tooisel der geurige klaver; hij zwaait zijn zeis tegen den grond en doet als het zinnebeeld der krachtig-genadige beweging, bij iederen trek de zwadden vallen. Daar ook de spaman, die neerstig heft en steekt, zoodat zijn lastig werk een spel gelijkt. Verder zijn de bonkige meiden, breed geheupt, rank van leden, bolrond van lijf, melkwit van vel, met kaken als appels zoo rood; ze staan zich te vermeien met de vork in 't hooi, dat opvliegt en balsemgeuren uitstrooit, gedragen op de lucht, die galmt van haar lach en vroolijk getater. Elders staan de deernen op den koornaard, omgrijpen de bundels en binden ze tot schooven. In de weiden stoeien knapen en meisjes dooreen, waar ze 't vee aan 't hoeden zijn en spel en leute zoeken alsof ze, in een aardsch paradijs geplaatst, geen einde zagen aan hunne geneuchten. - Alzoo krielt over 't land, overal op akkers en kouters, de bonte beweging en 't nijverig leven der buitenbevolking. Ze verdoen er hun krachten, eten en leven er als de spelers uit een onmetelijk schouwtooneel. - Neem den landenaar uit zijn velden weg, stel hem buiten zijne akkers, in een andere omgeving is hij dezelfde man niet meer. 's Zondags in zijn beste kleeren is hij al stijf, en leelijk. Stuur hem naar de stad, hij doet er onhandig, lomp, dom, staat er beteuterd, blijft gesloten in zijn ongemak, laat zich bedotten en zou zich door een straatbengel laten beleedigen. Maar als hij in bende is, in gezelschap van makkers, dan wordt hij brutaal, wild en begaat baldadigheid.

 

II. 't Is er ver van af, dat heel de bevolking van het Vlaamsche Land aan den veldarbeid gebruikt wordt en van de opbrengst der vruchten leven zou. Al houdt de Vlaming nóg zooveel van zijn akker, al is het landbezit al in oneindig kleine stukjes verdeeld, nog is er bij lange geen onderkomen voor heel die talrijke bevolking der Vlaamsche gewesten. Om groote geldwinning heeft de Vlaming nooit veel gegeven - leven was hem 't eenig noodzakelijke. Hij voelde altijd behoefte aan open lucht en aan vrijheid en aan onafhankelijk bestaan; met minder nog dan zijn vader noodig had om rond te komen, zou hij het doen, maar het verergerde van dag tot dag. In de verten, waar de landman geen inzicht over heeft, van hooger hand, door 't toedoen van menschen, die hij niet kende, en die den gang der wereldzaken beredderen, gebeurden er dingen, die den levenstoestand van den arbeid wijzigden. Hij die onderaan de grondvesten van dat reuzending, dat ‘Samenleving’ heet, te wroeten zit, moest zwaarst van al de gevolgen dragen, die door de leiders en

[p. 148]

wetgevers dier samenleving verwekt werden. Hij ondervond dat hij met zijn dagloon niet meer uitkwam, dat de prijs zijner vruchten afsloeg in weerde en dat zijne huishuur en zijne grondlasten verhoogden... dat hij zich afbeulde voor niets. - Een ander huis zoeken, in betere voorwaarden grond huren ging niet, 't zijne werd hem nu al van onder zijne voeten ontnomen door andere landenaars, die meer betalen wilden. - Er ontstond eene spanning, een algemeen ongemak. - Rijke boerenzoons zelf moesten thuis blijven en op 't hof het werk verrichten van peerdenknecht of stalknaap, of wel verzaken aan den ouden trots van landbouwer, omdat er nergens iets meer te vinden was of open stond. De mindere man moest het opgeven, of wel zienling ten onder gaan. - Meer werken dan hij deed, kan niet, en iets bespringen dat hij niet betalen kan en waaraan hij geen eere zal doen, wil hij niet. - Moet hij de armen over elkaar slaan en wachten tot er iets uit de lucht valt? Dat ligt niet in zijn karakter. Hij zoekt naar iets anders, maar eerst en bijzonder zal hij iets zoeken, waarbij hij niet noodzakelijk zijn grond, zijn dorp of zijne streek verlaten moet. (1o.) Alzoo, bij streken, hebben de landenaars, elk volgens de mogelijkheid, hulpe gevonden in den handenarbeid. Te zomertijde blijven zij bij den boer werken, en zoo gauw de oogst en de verlaantijd voorbij is, hebben zij hunne huisnijverheid, waarmede het noodige verdiend wordt, om te leven. Zoo zijn er die vlas zwingelen, weven, manden vlechten of een ambacht uitoefenen. De vrouw ook tracht er wat geld bij te verdienen om den huishoud te helpen draaien; ze zit aan 't kantkussen, 't borduurraam, te bobijnen of te spinnen. Als het daarmede gaan kan, acht men zich gered. (2o.) Een ander soort, waaronder de dappersten, nemen heldhaftiger besluit; in heele benden trekken zij, den knapzak op den rug en gaan, door een ploegbaas geleid, naar Frankrijk, den oogst graan pikken, in de beeten werken, of in de steenovens. Hunne afwezigheid is maar tijdelijk en in gezelschap voelen zij minder 't ongemak der vreemde streek. Daar kunnen zij met hard werken, op drie, vier maanden een loon verdienen, waarvan ze thuis een rond jaar leven kunnen. Met October is iedereen weer op zijn streek, waar ze in de nabijheid dan werk zoeken te vinden in de suikerfabrieken of in de chicorei-drogerijen. Die ‘Franschmans’ blijven de Vlamingen van den ouden stempel, zij hebben wat meer gehoord en gezien dan de thuisblijvers, zij spreken wat luider, liegen wat harder, zijn wat losser en ongedwongener in hunne handelwijze en in hun omgang, maar zij blijven de landenaars als voorheen. Het werk ginder was het werk gelijk hier, de bezigheid heeft hen niet ontaard en hun makkers zelf vinden dat ze meer ‘mensch’ geworden zijn. (3o.) Een ander slag, meest onder de jonge kerels met wilden aanleg, trekken in benden uit voor onbepaalden tijd en gaan in 't vreemde, overal waar er gelegenheid is, de faam dragen der Vlaamsche eerdewerkers. Zij steken zich in groote ondernemingen als daglooners, waar er vaarten te graven zijn, of ontzaglijke massa's eerde te vervoeren vallen en ander lastig werk te doen is. Die gasten vormen een afzonderlijk soort - 't zijn de wildemans onder de Vlamingen, wild in hun werk en wild in hun doening, die met de doken havenwerkers, de groote vrachtsleurders, de eeuwige wroeters zijn in 't geweld van den ruwen arbeid. 't Is het schoon groot volk met den beenderigen kop en stouten blik, de machtige schouders en lange armen; gekleed in de wijd golvende broek van hemelsblauwe of warm bruine vloer, die los en breed gekrookt in schoone plooien om hun lange, zwakke beenen hangt; in de lenden snoert een blauwe of roode wollen singel driemaal om hun lijf, die bloot komt onder het blauwe kieltje of door de opening van 't korte vest; een slappe deukhoed met neergeslagen rand staat op hun kop geduwd. Zoo trekken ze uit, door dik en dun, onverschillig aan regen en wind, de mannen van de verte, die overal thuis zijn, overal leven en geruchte houden, eten als ze 't krijgen en 't geen ze krijgen, altijd drinken en nooit dronken zijn, altijd werken zonder ooit vermoeid te worden.

(4o.) Van veel tammeren aard zijn de Vlaamsche arbeiders, die uit nood of goesting naar hooger

[p. 149]

loon, den landbouw verlaten hebben en elken morgen heel vroeg in 't naburig station den trein nemen en naar d'eene of andere groote stad, of naar 't Noorden van Frankrijk den kost gaan verdienen in de fabrieken. Dat dagelijksche rit in den trein, waar de werklieden lang uitgestrekt liggen en hun slaap inhalen, dien ze thuis niet voluit mochten genieten; het opgesloten verblijf in de groote werkhuizen, in den dampkring van stof en rook, met het eentonige geestesdoovende werk, het eten in vuile krottige herbergen, het samenzijn met alle soorten van volk uit de laagste rangen der samenleving, al die dingen zijn oorzaak van eene algemeene verandering naar lijf en geest, en de landenaar is er niet lang meer te verkennen in die mannen met bleek gelaat en tragen, slependen gang, die met hunne gepoetste schoenen en donkere kleeding, de etenbeurs over den schouder en de drinkflesch onder den arm, in kudden voorbijtrekken. In dat leven bij benden raapt de eenling de ondeugden op der menigte en de besten weerstaan niet lang en zijn niet moedig genoeg hunne goede eigenschappen te toonen tegenover andersgezinden. Zij denken, spreken en doen gelijk de makkers, verliezen hun vrijheidszin, zij verbroederen, verbinden zich, worden vooruitstrevend. Zij kennen heele aangeleerde volzinnen over rechten en plichten, lezen dagbladen en weten van associatie, vakvereeniging, werkersbond, federatie en syndicaat. Zij vormen het onderdeel van dat groote leger der proletariërs in aantocht om hunne rechten te veroveren. Maar intusschen voelt de werkman zich afzonderlijk als een slaaf en diep ongelukkig. De trein, de makkers, de fabriek, de stad, 't is hem al om 't even, één gruwel. 't Werk is hem een onmisbaar kwaad en de werkgever is de eenige vijand die de krachten van den arbeider uitbuit om zelf rijk te worden. Zijne inspanning, 't verteer zijner krachten, de werkuren - al dingen waaraan hij vroeger nooit dacht, - alles is nu tot 't laatste toe uitgerekend, beredeneerd en besproken. Zijne oplettendheid, die hij niet richten kan op 't uitvoeren zijner bezigheid, omdat die bezigheid niet meer van hem vraagt dan de werktuigelijke beweging zijner handen - richt hij nu op de winst en op de middels om meer te verdienen en minder te werken. Zijne omgeving benauwt hem, zij ontaardt zijne menschelijkheid, hij voelt nergens het roerende leven in al dat ijzer en staal; hij ondergaat den duur der werkuren als eene dwangstraf en het werk zelf als eene pijniging. Daarbuiten heeft hij tijd noch lust naar iets anders. 's Avonds laat hij zich vallen en zoekt in den slaap den eenigen troost voor zijn afgematte lijf. 's Zondags, den dag, waarop hij anders in stil genot zijn welverdienden rusttijd slijten kon in den huiselijken kring, voelt hij nu de behoefte aan ontspanning en hevig vermaak. Dien dag wil hij verdoen met de makkers waarmede hij binst de week gewerkt heeft; hij doet gelijk zij, die in drank en baldadigheid den toom laten aan hun wrokkig gemoed van ontevredenen, misbedeelden. In zijn eigen huis heeft de gewezen landenaar niets meer te doen, bij zijne huisgenooten kan hij geen verzet meer vinden, noch rust, hij is uit hun geest en geaardheid gegroeid. Hij moet in de kroegen zijn, waar geweldig pleizier gemaakt wordt, want de tijd is kort en morgen opent het zwarte gebouw zijn kaakbeenderen weer om de werkers in te slikken, waar ze eene week lang 't ingewand van het monster moeten doorwroeten. Overhands, elke week, krijgt de werker de nachtbeurt en de man, die zijn werk placht te regelen naar den gang der zon, naar 't voorbeeld van alle schepselen, voelt zich zoo ellendig, zoo ontredderd, dat hij op 't einde twijfelt of hij niet geworden is, iets als die schijverende kamwielen en stalen assen, die altijd maar wentelen, omdat de stoom en andere drijfkracht ze voortstuwt.

Met den tijd zal hij daar wel aan wennen, de landenaar, die de zon van aanschijn tot aanschijn gekend heeft, zijn vroegeren aard zal hij wel vergeten en afleggen, om mee te groeien in die vreemde omgeving, tot hij heel en al geworden is: als een werveling, een onderdeeltje van dat gedrochtelijke groote tuig, dat menschenlevens slikt om koopwaar voort te brengen. Maar intusschen zal hij denken aan land, zal hij den geur opsnuiven der

[p. 150]

herinnering en zullen de dingen uit zijn vroeger bestaan hem voorkomen als een aardsch paradijs, waaruit hij eens verdreven werd door een ongekende, maar noodlottige macht; en veel keeren zal hij bij 't bedenken, flauw worden van heimwee en treurigheid.

 

III. Een laatste soort onder de bevolking van het Vlaamsche Land zijn de arbeiders, die nooit den veldarbeid kenden. (1o.) Vooreerst zijn het de dorpsche ambachtslieden, die van vader tot zoon een stiel uitoefenen, waarmede zij op 't dorp hun bestaan vinden. Meest gezetene burgers, voor een groot deel de ontwikkeldste en beschaafdste lieden, verslaafd en hun ambacht genegen, vlijtig aan 't werk, gesteld op hunne eer in den goeden gang hunner zaken. Hun leven is de stille herhaling der gelijkloopende bezigheid in hun rustige werkplaats. Menschen, die van ver den loop der dingen en de gebeurtenissen der wijde wereld volgen en er ver af blijven, als 't hun eigen belang of 't belang van hun stiel niet betreft. (2o.) Daarbij is er ook nog de bevolking der groote gemeenten, waar de arbeiders opeen geschold zitten, die elk in zijn huis, met handenarbeid werken voor de nijverheid. Volgens de plaatselijke aangelegenheid der streek, oefenen zij eene werkzaamheid uit voor een werkgever, die dan ook met of zonder tusschenpersoon, het voortbrengsel ter markt uitlevert. 't Zijn de schoenmakers van Iseghem, de wevers en zwingelaars van Zuid-Vlaanderen, de zeeldraaiers, mandenvlechters, vellenbewerkers, van 't Land van Waas en de Dendervallei. Al taaie kampers, die elk op zijn eigen voor klein loon den strijd uitvechten tegen de groote nijverheidshuizen. In die gewesten en op die gemeenten is het over 't algemeen de uiterste ellende en zwarte armoede. Bij die arbeiders bestaat de moed nog enkel en de wilskracht onder den vorm van lijdzame uithouding, een ongelooflijke taaiheid om, slecht gevoed, in slechte, ongezonde en vuile woningen, in 't meeste geval twaalf tot vijftien uren daags te werken, met de hulp van kinderen, die nauwelijks zeven, acht jaar oud zijn. Het gevoel van opstand of verweer is bij die menschen voor 't meerendeel gedoofd, hun geest is verlamd en eene doodelijke onverschilligheid weegt over heel hun wezen. Als persoonlijken vijand hebben zij zelf den werkgever niet of den fabrieksbaas dien ze verwenschen kunnen. 't Geen hen in den geweldigen neep houdt en hun 't bloed uitzuigt, 't is de naamlooze macht, het monster zonder kop: de mededingende groote voortbrengst en de onmeedoogende maatschappij. Zij missen de voldoening der levendmakende buitenlucht, 't rechtstreeksche betrek met de natuur hebben zij nooit gekend; zij missen 't genot en de blijheid in hun werk, dat meestal doodend of gevaarlijk is en ziekte of ontaarding medebrengt. Zij missen daarbij 't gevoel der verbroedering, 't bewustzijn van eene gezamenlijke macht, die hen, eensgezind, zou in staat stellen de verbetering van hun toestand te bewerken. Hunne ellende drukt dubbel zwaar, omdat zij in hunne onbeholpenheid niemand hebben, die zich hun lot aantrekt! Zij zijn door armoede en gebrek zoo zeer ontaard, dat zij hun toestand als den eenig mogelijken aanzien en zonder verweer hun ondergang inloopen. Dat zijn de groote levensvormen van de bevolking in het Vlaamsche Land.

 

Samen een heel leger stoere werkers, die overal te lande of er buiten, elk al zijnen kant, hun beste doen om 't leven te veroveren, een ontzaglijke kracht, die in 't aanzien van heel het Vlaamsche land, zijn kleed van weelde en zijn aanzien van rijkdom, ten toon spreidt voor de gansche wereld. Een bende volks, die, aan zich zelf overgelaten, wonderen heeft verricht, gestreden en geleden heeft zonder zijn zelfstandigheid en zijn levenskracht er bij in te schieten. Een volk, dat in al zijne verachtering eere doet aan zijn land en aan de faam van zijn ras. Een werkersbende die recht heeft op het leven en recht ook op de wederhulpe van het land, dat het heeft rijk gemaakt en vermaard in 't aanzien zijner geburen.

[p. 151]

Laat de stroom, die nu van hoogerop komt en door samenvloeiïng van wetenschap en wetgeving, de spannende toestanden tusschen werkers en verbruikers eens moet effen banen; laat het nieuwe belang en de zorg, die nu heden ten dage, in elke richting naar alle standen van de werkersmaatschappij uitstraalt haar werk verrichten; laat de landsche werker zijn recht verkrijgen, zijne beschaving, zijne opvoeding, zijne ontwikkeling waarop hij aanspraak maken mag; laat door zorg en belang van de hoogere klassen, het lager volk tot zijn vollen bloei komen, opdat het geve al wat het geven kan; laat alle krachten tot hun weerde klimmen opdat er geene ongebruikt blijven of verloren gaan voor het welzijn en den vooruitgang van het land. - EN VLAANDEREN ZAL WORDEN GELIJK WELEER: EEN SCHOON LAND EN EEN SCHOON VOLK!

 

Stijn Streuvels.

 

Over het West-Brabantsch dialect en de verschillende invloedssferen, die hierop hebben ingewerkt, en de isoglossen die hiervan het gevolg waren: zie men nu De Regenboogkleuren blz. 67-69 en blz. 36 vlgd.

De kattekuil.
Tongval uit 't Zuiden van de Baronie van Breda, naar Leopold.

De Kattekuil plocht vruger mar ne vervèrelijke kuil te zen, en ginne wonder, want ze hebbe der daor noat1) al veul mee de kladde g'ad. Asge der overdag nève gaot, dan zieder niks, mar asge der 's naachts om twaolluf ure, vurbij komt, dan zit heal de kuil vol katte, die er den kattendans houë. Die katte houë bekaore aomaol mee de poate vast en daanse dan in de rondte. En as z'oew zin, dan kome ze nar oew toe en trekken oew in de kuil, en dan mötte mar mee daanse. Dor is nog is ne vent vurbij gekome, die bedronke waor. De katte pakten'um aon en ze daanste mee'um in de kuil; en omdat i zat waor, kon'i der nie uit, en'i most lèvend in de kuil verzuipe. - Op ne kear kwaamp er 's naachts is ne slaachter vurbij. Tun 'i er tegenover waor, kwaampen er ook verschaaie katte vur den dag: ze spronge vur 'um en ater2) 'um; mar d'n slaachter haai zen groat slaachtersmes bij 'um, en hij begon der mee da mes onder te hakke, mar konder gin ean van raoke. Tun gonk 'i op d'n loap en hij waor blij, dat 'i der vanaf waor. - Op nun aandere kear kwaamp er den ouwe Kees Kuik, 'n buur van Kiske Kuik z'n vaoder, is vurbij. Da waor ne vent, die nie bang waor, en die durfde, zee 'i, gerust nève d'n kattekuil gaon. Nou, hij gonk er 's naachts nar toe, en tun 'i derbij kwaamp, zaag 'i der, jao, 'k weet nie hoeveul katte wel, die bekaore aomaol mee de poate vast haaie en in de rondte daanste, en ze zonge aomaol: ‘Haand aon haand, poat aon poat, én Kees Kuik möt in de sloat!’ Mar Kuik haai 'et er nie op en gonk op d'n loap, en 'i most hard loape om de katte vur te blijve, die 'um aomaol aternao kwaampe; mar hij bleef ze toch veur. Mar Kees Kuik gonk laoter niemar nève den kattekuil. - Smenke3) zeggen oak, da de katte sommetije ne krombussel4) in de kuil in braand steke en der dan aomaal rond gaon staon daanse. Nou tegeworrig hoarde daor niemar van; nou gaon der de meense gerust vurbij; mar vruger, tun zou der 's naachts nie gauw ne meens vurbij zen gegaon.

 

P.H. de Vlam.

ao 1880.

 

Het nu volgende verhaal van Conscience in den Antwerpschen tongval bewerkte in 1905 H. Smout, nadat in 1896 en '97 door Ph. Colinet en L. Goemans hetzelfde verhaal, met eenige uitlatingen, in het Aalstersch en Leuvensch dialect was overgebracht. Deze drie vertalingen zijn echter in een tamelijk gecompliceerd phonetisch schrift gedrukt. Ik heb nu getracht dit zoo eenvoudig mogelijk om te spellen, maar ben daarin slechts half geslaagd.

[p. 152]

De giest. De giest. 't Spoeëk
Antwerpsch dialect. Aalstersch dialect. Leuvensch dialect.
în en ân zijn neusklanken als Fra. in an. De ie en uu in gesloten lettergrepen zijn meestal zeer kort. è en ò zijn de gewone doffe e en o van zeggen, lokken. G is de Duitsche g. Gelijk boven, staat ao ook hier voor den langen doffen klank tusschen a en o; hij zweemt hier echter meer naar de o, en is daarom in de tabel met ô gespeld. Daarentegen is oa een duidelijke tweeklank met een sterke ò en een onduidelijk tweede element dat opzettelijk in de tabel door ae, maar hier door a wordt voorgesteld. Ook oi en ei zijn tweeklanken maar de i verbeeldt hier respectievelijk een o- en e-achtigen naslag; ân, în, ên zijn neusklanken; ì, è, ò korte doffe vocalen. De oe verbeeldt de Fransche vocaal van oeuf; kj is een duidelijk palatale k, oeë en ië soms ieë geschreven, zijn de Nederl. oe en ie met een doffen naslag; oa is ook hier weer een tweeklank, bestaande uit ò en een nog dofferen naslag dan in 't Aalstersch.

Antwerpsch. Kobe. Zeg Frîns kuunde gai die-jiestore, die ze Zondag ien de Poesje gespeld emme, ge wet wel, Snoef, die-n-oep 't leste trauwt mette keunegien van Tuurkaje. - Balte. Die kan ekiek. - Frans. Iez datte die van Ao nefroejke? - Sus. Neeje, zule! Wette tan al nie mier? Dor komd-em-betoeverd kornain ien, datiem briev oebdien tore draogt, on de priengses fan Amereka. Kuunde gai die nie, Balte? - Balte. I kan ekiek alles, i kan ekiek Malle gais, van 't smietsje Veraole, Guuldentop, van Siengte Pieter, Aa lampe ver nief; i kan ekieG dem betoeverden ongt, en da fan 't Stien, en Vieserke, vieserke vangt me nie, en och iere, ik kan ekiek er zoe wel ongderd înder, az ekiek se mor waa vertelle. - Frans. A wel, lot-ong streuj kentrek doeng. - Kobe. Oerrao, 't iez ongzem Balte. Toe, van doktoor Fosiuus, ò fan de kelder ongder de vierschaor. - Sus. Doe ta nie, Balte. Vertelt liever ies fan den duuvel, ò fan toeverekse ò fan spoeke.

Balte. 'k Sal ollen iez en echteg fertelseltje vertelle, da chebeurd iez ubde klay-mart, em bietsje varder az de Kornainepaip ien 't frîns chezeet: la pieb de lapîn. Balten. Awil 'k sal ajer e woor verozjeke verteln, da chebeerd iz ob de klen mert, em bitje verd