terug  begin  verderprepost
[p. 19]

Tweede hoofdstuk. Het Friesch en West-Friesch.

In de vroege middeleeuwen woonden de Friezen aan onze kusten van den Dollar tot minstens bij Scheveningen toe, de Zuiderzee-kusten grootendeels ingesloten. Thans leeft de Friesche bevolking alleen nog tamelijk onvermengd in de provincie Friesland, op Schiermonnikoog en de beide uiteinden van Terschelling. Wij onderscheiden in dit Nederlandsche Friesch: 1o. het Landfriesch, a. het Klaikersch; b. het Waldjersch; c. het Zuidhoeksch. Ph. van Blom: Beknopte Friesche spraakkunst, Joure 1889. Waling Dijkstra-Buitenrust Hettema: Friesch Woordenboek, Leeuwarden 1896-1898. Th. Siebs: Geschichte der friesischen Sprache2, Strassburg 1901. P. Kloosterman: Het vocalisme der beklemtoonde lettergrepen van den Metslawierschen tongval, Groningen 1907. P. Sipma: Phonology and Grammar of Modern West Frisian with Phonetic Texts and Glossary. Oxford 1913. G. Wumkes- A. de Vries: Nederlandsch-Friesch Woordenboek, Sneek 1916.

2o. het Stadfriesch van Leeuwarden, Dokkum, Franeker, Harlingen, Sneek en Bolsward, met onderling slechts eenige onbeteekenende verschillen.

3o. het Noordfriesch taaleigen van Schiermonnikoog, met Oost- en West-Terschelling, die alle drie weer hun eigen afwijkingen hebben.

4o. het Zuidfriesch te Hindeloopen, dat nog een oudere periode vertegenwoordigt. Men zie voor Noord- en Zuidfriesch het werk van Siebs. L. Eykman: Phonetische beschrijving van de klanken der Hindeloopensche taal. Verhandl. Koninkl. Akad. Afd. Letterk. nieuwe Reeks. Deel 14, no. 2. Amsterdam 1914.

5o. het Westfriesch, dat in Noord-Holland nog langen tijd stand hield, tot het hoelanger hoe meer met Hollandsche elementen vermengd werd, en in Kennemerland en Waterland weer overgangsdialecten ontstonden. G.J. Boekenoogen: De Zaansche Volkstaal, Leiden 1896. J. Bouman: De Volkstaal in Noord-Holland, Purmerend 1871. J. de Vries: Westfriesche Woorden, Niedorp 1910. Amsterdam ontwikkelde weer een eigen dialect.

6o. Het eigenaardige Strandhollandsch van Zandvoort tot Scheveningen.

7o. het Flevisch op Vlieland, Urk, te Enkhuizen, Vollenhove en in het Oosten van Gooiland. K. Koffman: Urker Taaleigen. Taal- en Letterbode VI 24, 220 vlgd. Hieronder zullen wij nu nog zien dat ook een groot deel van het Saksisch, en het heele Hollandsch-Frankische dialect-gebied tot in West Vlaanderen toe, allerduidelijkst sporen van Friesche bijmenging vertoonen, die zich deels door de groote Friesche invasies, deels door de inperking van het Friesche gebied tijdens de middeleeuwen heel gemakkelijk laten verklaren. Hieruit beseft men reeds hoe diep en breed de wortelen der Nederlandsche natie in Frieschen bodem hechten. En als wij daarbij in het oog houden, dat de oude Friezen geen Nederduitschers waren, maar met de Angelen van Sleeswijk-Holstein en later

[p. 20]

de Angel-Saksen eene zelfstandige West-Germaansche groep vormden, ziet men hieruit opnieuw, dat wij niet zoo maar toevallig een eigengeaarde middelevenredige vormen tusschen Duitschland en Engeland.

Al is het spreekwoord ‘FRISIA NON CANTAT’ zeker niet zonder grond - de Friezen zijn te heftig reëel voor 't muzikaal-zwevend kunstgenot - toch heeft het Landfriesch een rijke eigen inheemsche literatuur ontwikkeld, die er zijn mag, van Gijsbert Japiks den Frieschen Vondel, over de gebroeders Halbertsma, Tjeerd Ritske's Velstra, den Frieschen Poot met Rein Posthumus, die eenige werken van Shakespeare in het Friesch vertaalde, Waling Dijkstra, den Frieschen Fritz Reuter en vele anderen tot Troelstra toe. De ontwikkeling dezer algemeen-Friesche letterkunde heeft echter de eigenaardigheden der verschillende dialecten grootendeels doen verloren gaan. Het verschil tusschen de tongvallen der Waldjers, die in 't Oosten bij Dokkum op zand- en veengronden, en der Klaikers, die in het Westen den kleigrond bebouwen, is zoodoende bijna geheel uitgewischt. Ook in de Dongeradeelen en in de Bierummen van Barradeel hoort men nog slechts sporen van vroegere afwijkingen. Meer is nog van het zoogenaamde ‘Zuidhoeksch’ in Workum, Stavoren, Makkum gespaard gebleven, terwijl de conservatieve Hindeloopers nog een alleszins trouw beeld van hun oud wezen in woning, kleeding en taal hebben bewaard. Het Friesche volkskarakter toont zich in de geschiedenis zeer duidelijk. Koppig, hardnekkig, ja halsstarrig hielden ze vast aan 't heidendom met hun koning Radboud, opbruisend en heftig waren de Dokkumers, die Bonifacius tot martelaar maakten. Vastgegroeide systeemmenschen waren ze weer met hun gehechtheid aan de voorvaderlijke inzettingen in de latere middeleeuwen met hun eigen wetten en prat op hun voorrechten met hun quasi-charter van Karel den Grooten. En nog heden ten dage is de Friesche onbuigzame, ietwat eigenzinnige, koppige karakterkracht ten spreekwoord. Op het gelaat van den Fries vindt men, zoolang hij tenminste niet vurig wordt, weinig teekenen van wat er omgaat in zijn ziel. Zelfs zijn woord is gesloten, hij geeft noch door accent, noch door pauze zijn diepste gevoelens bloot. Overigens is hij nadenkend en breed, zijn ja is altijd overwogen, en het neen - waarvoor hij niet zoo bang is als de Genestet - is hem een beredeneerde afwijzing, al geeft hij er ook zijne redenen niet bij. Kortom persevereerende, actieve, emotioneele naturen.

Als bijzonder krachtige sociologische groepen moeten onder de plattelands-Friezen genoemd worden: 1o de veeboeren, 2o de rivier- en meervisschers. Een paar kleine bijgroepjes vormen nog de arbeiders der zuivel- en der olie-industrie. De Noord-Hollanders hebben het oude Friezen-karakter bewaard in hun sobere, soms ietwat geborneerde wilskracht, hun strengheid en houvast, hun onbewogen strak gezicht. Men denke b.v. slechts aan de ‘Streek’ tusschen Hoorn en Enkhuizen met de stugge en onbuigzame nazaten der West-Friezen, die

[p. 21]

Koning Willem doodsloegen en het onrecht, hunne Katholieke vaderen door Sonoy aangedaan, in het begin der 19de eeuw nog niet hadden vergeten, en in hunne binnenvertrekken met even weinig gelatenheid ophaalden van de wreedheden der Geuzen als de openbare schoolmeesters dit uithoofde van hun ambt over Alva's gruwelen deden. Voor de Noord-Hollanders geldt in heel bijzondere mate wat gewoonlijk heel ons volk verweten wordt: Elke nieuwigheid begint met belachelijk te zijn. Daarna wordt ze een tijd geïgnoreerd en noode geduld. Eindelijk neemt iedereen ze over, en dat in des te sneller tempo, naarmate de twee vorige stagnatie-periodes langer geduurd hebben.

Ook de sociologische groepeering is hier op het platteland nog dezelfde als in Friesland. Veeboeren en visschers zijn verreweg de belangrijkste groepen. Bijgroepen zijn hier de cacao- en de olie-industrie elk met hun eigen arbeiders. Voor de volgende tabèl dient te worden in het oog gehouden: 1o. dat de niet ingevulde woorden, òf met het hoofddialect òf met de algemeene landstaal overeenstemmen, òf zelfs tegelijk in beide vormen bij verschillende lagen der maatschappij in zwang zijn; 2o. dat, waar ik van te Winkels opgaven afwijk, niet aanstonds aan een drukfout behoeft gedacht te worden; 3o. dat ik de quantiteitsverschillen der o e en i e bijna nooit heb opgegeven, omdat een halve nauwkeurigheid hier mijns inziens meer zou schaden dan baten.

Algemeen
Neder-
landsch.
Land-
friesch.
Stad-
friesch.
Hinloo-
pensch.
Schier-
monnik-
oogsch.
Noord-
en Strand-
Hollandsch.
Flevisch
Urk en Gooi.
schaap skieëp skaep skeep schieëp skee(j)p, schaep schaap
schaep
staan staean staan staan staein staan, staen stoan, staen
jaar jieër jaar jeer, jier jier jeer, jaar joar
mijn mien mien - - main, eilanden: mien main, meen
rijk riek riek - - raik, eil, rîk rik, raik
wijf wief - wief wief wijf weef, wijf
blijven bljoowe blieve - blieoeën - -
vrijer frejjer, frijjer, friejer - - - - vrijer
wij wèj, wi-j, wie wij - wie - wij
voet foeët - fooët fuuet Str. vout voet, vooöt
boek boek - - buuek - boek, booök
broer broeër broer broer bruuer broer breur
groen grieën - green grieën groen, groun gruun, greun
huis hoes huus huus huus höäs, hois, huis, eil.huus uis, uus
zuigen soege suuge - suuge - -
druif, duif druuf - daif - druif -

[p. 22]

Algemeen
Neder-
landsch.
Land-
friesch.
Stad-
friesch.
Hinloo-
pensch.
Schier-
monnik-
oogsch.
Noord-
en Strand-
Hollandsch.
Flevisch
Urk en Gooi.
zuur soeër suur - sieoer - -
huren hieëre - - - - -
bruid breid - bruud bruud broid -
deel(en) deel - deel deel deile dielen
bleek bleek - - - bliek, blaaik bliëk
steen stieën stien steen stieën stien stiën, steen
geit geit - - - gait, gòit gait
dood deea(d) - daid dôad dood, dôad
oog eeag - aig aeig ôag oog, ôag
hooren heeare hoore heere heere hore, hoare oare, eure
gelooven ljoowe - - - looave eloave
lief ljeeaf, leejëf - laef jaeif - -
bier bieër - baeër bjaeir - -
tuigen, tuuge - - - - -
kuiken         kuike  
duur, vuur djoeër, fjoeër - fieër juur, fjuur dier -
sturen stjoere - stiere stjure stiere sture
dagen dagen daegen daegen dagen dage, daege dage
graven grawe - graiwe - grave -
haan hoanne - höänne hoane haan, haen -
dansen daosje - - - - dangse
hand aan, haon han haand haaun - laand, langd
ik zal ik sel, sal - iik sol ik sil ik sel -
baard, hard büd, hüd had biëd, had baes, haes baaerd -
oud aa(l)d, aoëd - aa(l)d aaud oud oud
  ôd       Katw. aud  
kalf keeal - kaal kalf - kalf
leven, geven lewe - libje liwje - gieëve
recht en slecht rjoecht in sljoecht - roecht in sloecht joecht in sjoecht - slecht
hart hat hat haet haets hart -
hemel himel hemel himel himel, hemel hemel emel
kind, wind wien kien, wien wiend (met d) - kind, eil. kijnd keend, kijnd
ding, ring ding, ring - dieng, rieng - ding ring
lid lid - - - - -
vogel foegel - foegel fieoel veugel, feugel -
volk folk folk foelk folk vollik, folk -
goud gòood - goeld goeood goud, Katw. gaud goud

[p. 23]

Algemeen
Neder-
landsch.
Land-
friesch.
Stad-
friesch.
Hinloo-
pensch.
Schier-
monnik-
oogsch.
Noord-
en Strand-
Hollandsch.
Flevisch
Urk en Gooi.
veulen faole - feule - - -
rug, put ag, pêat reg, pet - - reg, pet -
tong tonge - - - tong -
honger hoenger - hoenger huunger - onger
hond houn, hoen - hoend hieoen (h)ond oend
hondje hoendsje - - - - -
gracht, zacht graeft, graft - - - graft, saft -
lucht, klucht lóft, - loeft - kluft, kroft -
schrijven skrjoowe, skrive skr-   srik, skraive -
schoen skoeën skoen skooën schuuen skoen schoen, schooön
wasschen woskje - waeske waskje tuske, -
tusschen tusk, tosk       twiske  
visch fisk fils fisk fisk vis -
musch mosk mosk     musk  
os okse, oekse - - oekse - -
dorst, kort doost kot kot koets dort, kort kort
donder tonger - tonger - - -
danken tankje - tankje bitankje danken -
dienst tsjaenst - taenst tjeeneste dienst -
dik tsjok, tsjoek - - - dik tjoek
tien tjieën, tsieën - taen tjieën - -
karnen tsjaenje - saenje tjaenje - -
kerk tsjaerke - saerke tjor(e)k, tjurk kerk -
maken maeitsje - maikje maeitje - -
achten achtsje          
liggen lizze - lizze litsen - leeze
boven boppe - boppe - - -
met mei, mai - mei mooi mit -
na(ar) nei, nai - nei nooi nee nao, nee
niet naet niet naat naet niet, iet nijt

Merkwaardig voor de medeklinkers zijn nog in het Landfriesch: gisteren: juuster, geld: jild, drenken: drinze. De oude th is verder tusschen klinkers gesyncopeerd - zie broeder - maar de oude d heeft zich ook daar gehandhaafd. De g is in het begin der woorden meest een echte ploffer, maar in alle andere gevallen juist als in het Nederlandsch. Het Zuid- en Oost-Friesch daarentegen hebben ook in het begin der woorden bijna altijd den glijder. Het voornaamwoord van den 2den pers. enk. is doe en joe, meervoud: jimme.

[p. 24]

De drie meervoudige persoonsuitgangen van het werkwoord gaan alle uit op stomme -e. Het verleden deelwoord mist het voorvoegsel ge-. Behalve de gewone verkleiningsuitgangen ke en je, komt vooral ook -tsje voor, dat uit -tje ontstaan is.

Voor de volgende Landfriesche teksten wijs ik uitdrukkelijk op het archaïsche van de spelling, die, gelijk ieder bij vergelijking met de bovenstaande klanktabèl zien zal, tamelijk ver van de thans gesproken taal afwijkt.

Om het den lezer gemakkelijk te maken geef ik voorop een paar eenvoudige fabels met woordelijke vertaling van G. Colmjon, uit Leopold: Van de Schelde tot de Weichsel.

Fabels út de bistewràld. Fabels uit de beestenwereld.
ú, ù, û = oe. y, ii = ie.  
   
In föx hie sin oan brette kastanjes, en om 't pûs der ek danich fen hâlde, scoene se mei mankoar dele. - Pûs scoe se wol mei syn poatsjes út it fjûr helje. Ik ha forgetten to sizzen, dat it in ingelsce föx en in höllânsk pûske wier. Earst gyng it gôed mei in stikmannich, mar einling barnde pûs syn poatjes. Nou friet de föx de kastanjes op, en pûs koe sjeän ho er hwet to biten kriege. Een vos had zin aan gebraden kastanjes, en omdat poes er ook zeer van hield, zouden ze met elkaar deelen. - Poes zou ze wel met zijn pootjes uit het vuur halen. Ik heb vergeten te zeggen, dat het een engelsche vos en een hollandsch poesje was. Eerst ging het goed met eenige, maar eindelijk brandde poes zijn pootjes. Nu vrat de vos de kastanjes op, en poes kon zien hoe hij wat te eten kreeg.
Lexum: As oaren sin oan brette kastanjes habbe, moät me der net to hastich by wêze, om se út it fjûr to heljen; me kin yen der gau mei barne. Les: Als anderen zin aan gebraden kastanjes hebben, moet men er niet te haastig bij zijn, om ze uit het vuur te halen; men kan zich er gauw mee branden.
In roek siet böppe yn 'e beam, drök to wirk mei in swiet stikje tsiis op to pluesjen. Dêr komt in föx oan, en sa gau er de swarte yn 't each kriget, giët er deftich op 't gat sitten en bigjint to reedsjen ôer steatsboärgerskip, allykheid foär de wet en allike rjuchten for elst en ien, en al sökke moaije dingen mear. De roek harke as him lij wetter yn 'e earen getten waerd, en liet it stik tsiis falle, de föx op 'e noas. Reintsje pakte it en rûn as in blits der mei foärt. Een raaf zat boven in den boom, druk te werk met een lekker stukje kaas op te pluizen. Daar komt een vos aan, en zoo gauw hij den zwarte in 't oog krijgt, gaat hij deftig op den aars zitten en begint te redeneeren over staatsburgerschap, gelijkheid voor de wet en gelijke rechten voor iedereen, en al zulke mooie dingen meer. De raaf luisterde alsof hem lauw water in de ooren gegoten werd, en liet het stuk kaas vallen, den vos op den neus. Reintje pakte het en liep als een bliksem er mee weg.
Lexum: As oaren fen moaije dingen kâltsje, den moät me foäral en biljeaven1) syn tsiis gôed fêst hâlde. Les: Als anderen van mooie dingen kouten, dan moet men vooral (en believen) zijn kaas goed vast houden.

[p. 25]

De alde Friezen.
Uit Broarren Halbertsma: Rymen ind Teltsjes.

 
Frysk bloed, tjoch op! Wol nou'ris broeze ind siede,
 
Ind bonsje throch myn ieren om.
 
Flean op! Ik sjong it baeste lân fenn' ierde;
 
It Frysce lân fol ear ind rom.
 
Klink den, in dawerje fier yn it roun
 
Dyn âlde eare, o Frysce groun.
 
 
 
Ompolske fen it heage sâlte wetter,
 
Forthroppe op ien terp oaf stins,
 
Hien' d'âlde Friezen yn de wrâld net better.
 
Hjar lân ind frydom wier hjar winsk.
 
Klink den, ind dawerje fier yn it roun
 
Dyn âlde eare, o Frysce groun.
 
 
 
Frjemd fen it jok fen frjemde hearen,
 
Faek earm, mar dochs sterk ind fry,
 
Hoe de âlde Fries stânfaest by syn menearen.
 
Hy wier ien Fries, ien Fries stoar hy.
 
Klink den, ind dawerje fier yn it roun
 
Dyn âlde eare, o Frysce groun.
 
 
 
Throch waer ind wyn, tsjin need ind dea to striden.
 
Mei 't gleaune swird yn d'îs'ren hân,
 
Wier wille yn dy fromme tîden,
 
 
 
Wier 't foár de frydom fen hjar lân.
 
Klink den, ind dawerje fier yn it roun
 
Dyn âlde eare, o Frysce groun.
 
 
 
Fen buwchjen frjemd, ind fy fen ljeawe wirden,
 
Wier rjocht ind sljocht hjar her tind sin.
 
Hja beane om neat, mar mei de bleate swirden
 
Soen's' alle thwang ind oerlaest jin.
 
Klink den, ind dawerje fier yn it roun
 
Dyn âlde eare, o Frysce groun.
 
 
 
Sa faek throch stoárm yn djippe sé beditsen,
 
Oerâlde ljeawe Frysce groun,
 
Waerd noait dy taye bân forbritsen,
 
Dy Friezen oan hjar lân forbuwn.
 
Klink den, ind dawerje fier yn it roun
 
Dyn âlde eare, o Frysce groun.
 
 
 
Throchloftich folk fen dizze âlde namme,
 
Waes jimmer op dy âlders great.
 
Bljou îwich fen dy grize heage stamme
 
Ien grien, ien kreftich doerjend leat.
 
Klink den, ind dawerje fier yn 't roun
 
Dyn âlde eare, o Frysce groun.
 
 
 
ca. 1850.
 
E. Halbertsma.

Reidsang.
Vertaling van Jan Jelles Hoff, ontleend aan Guido Gezelle en de Friezen. Dietsche Warande en Belfort 1900.

 
O! 't ruischen van het ranke riet!
 
O wist ik toch uw droevig lied!
 
Wanneer de wind voorbij u voert
 
En buigend uwe halmen roert;
 
Gij buigt, ootmoedig nijgend, neêr,
 
Staat op en buigt ootmoedig weêr,
 
En zingt al buigen 't droevig lied
 
Dat ik beminne, o ranke riet!
 
 
 
O! 't ruischen van het ranke riet!
 
Hoe dikwijls, dikwijls zat ik niet
 
Nabij den stillen waterboord
 
Alleen en van geen mensch gestoord,
 
En lonkte 't rimplend water na
 
En sloeg uwe zwakke stafjes ga,
 
En luisterde op het lieve lied,
 
Dat gij mij zongt, o ruischend riet!
[p. 26]
 
O! 't ruischen van het ranke riet!
 
Hoe menig mensch aanschouwt u niet
 
En hoort u zingend' harmonij,
 
Doch luistert niet en gaat voorbij!
 
Voorbij al waar hem 't herte jaagt,
 
Voorbij waar klinkend goud hem plaagt;
 
Maar uw geluid verstaat hij niet,
 
O mijn beminde ruischend riet!
 
 
 
Nogtans, o ruischend ranke riet,
 
Mijn ziel misacht uw tale niet!
 
God schiep den stroom, God schiep uw stam,
 
God zeide: ‘waait!...’ en 't windje kwam
 
En 't windje woei en wabberde om
 
Uw stam, die op en neder klom!
 
God luisterde ... en uw droevig lied
 
Behaagde God, o ruischend riet!
 
 
 
O neen toch, ranke ruischend riet,
 
Mijn ziel misacht uw tale niet;
 
Mijn ziel, die van den zelven God
 
't Gevoel ontving, op zijn gebod,
 
't Gevoel dat uw geruisch verstaat
 
Wanneer ge op en neder gaat:
 
O neen, o neen toch, ranke riet,
 
Mijn ziel misacht uw tale niet!
 
 
 
O! 't ruischen van het ranke riet
 
Weêrgalme in mijn droevig lied,
 
En klagend kome 't voor uw voet,
 
Gij, die ons beiden leven doet!
 
O Gij, die zelf de kranke taal
 
Bemint van eenen rieten staal,
 
Verwerp toch ook mijn klachte niet,
 
Ik! arme, kranke, klagend riet!
 
 
 
Guido Gezelle.
 
O! 't rûzjen fen it roaikjend reid!
 
O wist ik hwet dyn liet my seit!
 
En fielde ik hwet myn moed bitiist
 
As 't troch dyn plommen bûgt en riist!
 
Dou bûgste as 't sêfte wyntsje komt
 
En streakjend glydt troch 't glêdde plomt',
 
En bûgjend sjongste in liet, myn reid!
 
Fen swiete, oerswiete sillichheit!
 
 
 
O 't rûzjen fen it roaikjend reid!
 
Ho jamk bin 'k yn myn ienlikheit
 
Nei 't reid-omrânne poelke gien
 
En hab oan wetters-iggen stien;
 
En lôke aloan oer 't krûzjend wiet
 
En harke aloan nei 't rûzjend liet,
 
Detstou my reauntest', roaikjend reid!
 
Fen swiete, oerswiete sillichheit!
 
 
 
O! 't rûzjen fen it roaikjend reid!
 
Ho mannich minske fljucht en jeit
 
En sjucht dyn plommen bûgjend gean,
 
Mar harket net en bliuwt net stean;
 
Mar giet - dêr 't wylde hert him driuwt
 
En 't falske skyn-lok noegjend wiuwt,
 
En och! forstiet it net, myn reid!
 
Dyn liet fen ljeafde en sillichheit!
 
 
 
Lykwol, o rûzjend roaikjend reid!
 
God wit hwet yn dyn reauntsjen leit!
 
God skoep it poelke - en 't leaf-reid mei, die 't
 
God skoep it sêfte wyntsje en sei:
 
‘Gean! roaikje 't plomt'! -’ en 't wyntsje
 
En bloes, en joech dy 't ljeaflik liet.
 
God harke, - en 't hage Him, myn reid!
 
Dyn liet fen swiete sillichheit!
 
 
 
Ei siker, rûzjend, roaikjend reid!
 
Myn siel, fielt hwet dyn sprake seit!
 
Myn siel, dy fen dy selde Hear
 
Syn fieling hat, - myn harkjend ear,
 
Myn moed, myn hymjend hert' forstiet
 
Hwet bûgjend troch dyn plommen giet!
 
Ei siker, siker! rûzjend reid!
 
Myn siel' fielt hwet dyn sprake seit!
 
 
 
O! 't rûzjen fen it roaikjend reid
 
Scil trilje yn hwet myn herte seit,
 
En kleije en geije yn bea en tank,
 
En rôlje en wâlje troch de klank
 
Fen 't liet oan Dy, derst' de eagen sloechst,
 
Op 't kliene reid, en 't sangen joechst'!
 
O hark den Heare! hwet it seit,
 
Myn liet fen 't rûzjend, reauntsjend reid!
 
 
 
Jan Jelles Hoff.

In de laatste twee eeuwen is nu verder in de Friesche steden, vooral Leeuwarden, Bolsward, Dokkum, Franeker, Sneek, Harlingen, te Midsland op Terschelling en op het heele eiland Ameland - waar in 1786 nog echt Landfriesch gesproken werd - een nieuw mengsel opgekomen van 't Landfriesch met het Algemeen Nederlandsch: het zoogenaamde Stadfriesch. Om z'n gebrek aan sociologische vastheid biedt dit idioom echter weinig weerstand aan den steeds voortdringenden invloed van school, bestuur en beambtenwereld, die natuurlijk krachtig de algemeene landstaal opdringen. Zoo werden in 1830 b.v. uitdrukkingen als: ‘ik wudde soo kel, ik fiel op 'e knibbels del’ nog algemeen gebruikt; nu zegt men daarvoor: ‘ik wudde soo ferskrikt, ik fiel op 'e knieën

[p. 27]

neer’. Zoo moeten ook de oude afleidingen op -ens, als skrielens, roodens, grootens voor skrielheid, roodheid, grootheid zwichten.

Van het Friesch heeft deze taal onder andere bewaard de uitspraak bien, tien voor been en steen, van breg en pet voor brug en put, de oude scherpe uitspraak f en s van v en z aan het begin der woorden, de oude sk voor onze tegenwoordige sch, het ontbreken van het voorvoegsel der verleden deelwoorden en de omgekeerde volgorde van twee onbepaalde wijzen, b.v. in Sneek: ‘Dou hât dat wel laten kannen’. Je hadt dat wel kunnen laten. ‘'k Hât er nog lang zitten moeten’. Ik had er nog lang moeten zitten, enz.

Welnu, het beste bewijs dat het Noord- en het Strand-Hollandsch wel degelijk voor een tamelijk late vernederlandsching van echt-Friesche dialecten moeten gehouden worden, is wel het feit, dat ze in al deze punten met het Stadfriesch ten volle overeenstemmen, om van de vele echt-Friesche eigennamen en woorden nog maar te zwijgen. Zelfs in Waterland werd nog in 1600 vaak Friesch gesproken, gelijk uit Roemer Visschers Sinnepoppen 158: ‘Hij leut, die 't leut, ick en leut naet’ (leut naet = geloof 't niet) duidelijk blijkt. In dien zelfden tijd verhaalt Valcooch's ‘Chronycke’ van Schagen, Barsingerhorn, Kolhorn, Valkkoog en andere aan de Zijpe grenzende dorpen:

‘DAT NOCH HUYDENS DAECHS ALSOO WERT GHESPROKEN HALF VRIES, HALF ENGHELS BIJ WOORDEN GHEBROKEN’.

 

Het Zuiden van Kennemerland is reeds in vele punten aan 't Hollandsch gelijk geworden, maar het Noorden, d.i. Bergen, Schoorl, Petten en andere dorpen in den omtrek van Alkmaar hebben meer Friesch bewaard. Nog ouderwetscher is het dialect van de Zaanstreek - waarin Assendelft om z'n vroegere geïsoleerdheid weer een aparte plaats inneemt - en Waterland. G. Boekenoogen constateerde dan ook, dat het Amsterdamsch der 17de eeuw, zooals het ons uit de kluchten van Bredero bekend is, in vele opzichten met het tegenwoordig dialect benoorden het Y overeenkomt. Het eiland Marken dat pas in de middeleeuwen van Waterland losgescheurd werd, heeft als minder toegankelijk voor nieuwe invloeden o.a. de oude î en û behouden. Het West-Friesch, ten slotte, is het meest Friesch gebleven van alle. Dit valt weer uiteen in drie onder-dialekten, die in klimmende mate Friesche taaloudheden bewaard hebben: 1o. Het Drechterland tusschen Hoorn, Enkhuizen en Medemblik. 2o. Het West-Friesch in engeren zin tusschen Alkmaar en Den Helder. 3o. De taal van Tessel en Wieringen.

Om nu de overeenkomst en het verschil tusschen deze dialecten beter te doen uitkomen, drukken wij hier zes Friesche teksten van juist denzelfden inhoud naast elkander af. Wij ontleenen die aan Winklers Dialecticon. Ze zijn dus - wat men niet moet vergeten - reeds ongeveer veertig jaren oud.

[p. 28]

De Gelijkenis van den verloren zoon.
Lucas XV 11-33.

1. Landfriesch. 2. Stadfriesch. Leeuwarder tongval. 3. Tongval van het eiland Schiermonnikoog.
u = Nl. oe,
oe = tweeklank,
th is reeds meestal d.
y = ie,
î = lange ie.
14) Brekme = gebrek.
19) Meitsje = maken (ouder makian).
20) Barmhertigens = barmhartigheid cf. roodens, enz. blz. 27.
u = ü.
De iee en oee moeten duidelijk als twee-klanken worden uitgesproken en hebben een naslag van toonlooze e. De è klinkt als in het Fransch.
u = ü.
De ö klinkt als in 't Hoogduitsch; de ò is de doffe o van het Hollandsche dof, kom, dom. De a o moet als éen klank worden uitgesproken, die tusschen a en o in ligt, maar meest naar de a overhelt.

11. Der wier ienkear en man (minske) end dy hie twa soannen. 11. D'r waar 's 'n man in die hadde twiee seunen. 11. D'r wier reis 'n man in di hiea twa jonges.
12. De jungste fen dy twa sei tsjin sìn heit: heit! jow my 't diel fen 't gûd dat my takumt. End hy dielde hiarren 't gûd. 12. In 'e jongste fan die beide jonges seide teugen siin fader: fader! gee' mij miin part fan't guud dat mij toekomt. In doe ferdeelde de oude man har 't guud. 12. In iean fan har beiden, it wiea de jongste, sei tjin har heit: heit! jeuw mi miin guued dot mi toekomt. In har heit deelde har 't guued.
13. End net fulle dagen der nei (end en bîtsje letter) forsam'le de jungste soan alles by enoar, teach forth up reis nei en fìr land en brocht der al sîn gûd der thruch în en oerdwealsk libben. 13. In 'n bitsje later, doe 't de jongste al siin geld in guud bij mekaar fergaard had, is i op reis gongen nar 'n feer land, in daar het i siin guud d'r deur brocht in 'n slecht leven. 13. In körts d'r nooi d illustratie 't er olles bi 'neeuwr forgare hiea, is er furtgiean nooi 'n fraeimd laaun to, in der het er siin guued tròch brocht in 'n kwaaid livven.
14. Do er alles der thruch brocht, hie kaem der en greate krapte oan iten (hungersnead) în dat selde land, end hy bigûn brekme to lyen. 14. In doe 't i alles ferteerd hadde, kwam d'r 'n groote hongersnood in dat selde land in doe begon i gebrek te lijen. 14. In dao 't hi 't olle gerre fortaors hiea, koom 'r huengersneud iin dot laaun in hi kriige gebrok.
15. End hy gung hinne end gung by ien fen de borgers fen dat land en dy stiûrde him up sîn land um de bargen to weidjen. 15. In hij gong heene in ferfoegde him bij ien fan 'e burgers fan dat land, in die stuurde him op siin land om op 'e bargen te passen. 15. In dao ging hij nooi dao juued to fan dot laaun in friegge har om werk; in jao juegene him werk in stjuersene him nooi har laaun to om har swiine te huueden.
16. End hy woe wol jerne sîn bûk fol ite mei 't bargefoer; mar nimmen joech him dat. 16. In doe wude die sieel wel graag siin buuk fol ete met 't freten dat de bargen fratten, mar gien ieen die 't er him wat fan gaf. 16. In hi kriige so 'n huenger dot hi wuuë wol graag siin liif fol ite mooi de swiine, mar dot mocht net.
17. Do kaem er to himselm end hy sei: ho fulle fen mîn heite fulk habbe oerfloedig hiar brea, end ik kum um fen hunger. 17. Doe kwam i tot indenken in doe seid i: hoe feul arbeiders fan miin fader hewwe overfloedig har brood, in ik fergaan fan 'e honger. 17. In dao koom er to him salm in sei er: ho fölle fan uus heit siin knechten hewwe ieuwerflued fan iten in ik forgaai fan huenger.

[p. 30]

18. Ik scil upstean end nei ûs heite 's gean end ik scil tsjin ûs heite sidze: heit! ik hab sûndige tsjin de himel end bifoar ju. 18. Ik sal opstaan in ik sal na miin fader toe gaan in ik sal teugen him segge: fader! ik hè' sonde deen teugen 'e hemel in teugen jou. 18. Ik sil opstaain in wier nooi uus heit to gaain in sizze tjin uus heit: heit! ik hew seaune dien tjin de himel in tjin jo.
19. End nu bin ik net mear wirdig juw soan to hietten; meitsje my mar lîk as ien fen juw arbeiders. 19. In ik bin niet meer weerdig da 'k jou seun hiit; stel mij mar geliik met ieen fan jou arbeiders. 19. Ik bin nue net mair wersig diin bern naaimd to wersen; mettje mi as iean fan jo knechten.
20. End hy stoe up end gung nei sîn heit ta. End do eryette fìr fen him of wier, seach sîn heit him al, end dy waerd mei inerlike barmhertigens oandien; hy rûn up him ta, foel him um sîn hals end patte him. 20. In doe ston i op in i gong nar siin fader toe. In doe 't i nog feer fan huus of waar, doe sach siin fader him al, in die kreeg deeg met 'm te doeen; hij lieep him te gemoeet fieel 'm om 'e hals in tuutte him. 20. In hi ging nooi siin heit to. Dao 't er nog fier fan him oof wiea, seig siin heit him ol in di kriige medeliiden mooi him; hi roon nooi him to, fuuel him om 'e hals in suuende him.
21. En de soan sei tsjin him: heit! ik hab sùndige tsjin de himel end bi foar ju end ik bin net langer wirdich juw soan to hietten. 21. Doe seide de sein teugen him: fader! ik hè' sondigd teugen 'e hemel in teugen jou in nou bin 'k niet meer weerdig dat se mij jou seun noeme. 21. In de seun sei: heit! ik hew seaune dien tjin de himel in tjin jo in ik bin nue net mair wersig diin bern naaimd to wersen.
22. De heit lîkwol sei tsjin sîn fulk: bring forth 't beste pak klean hjir end tsiean him dy oan end jow him en ring oan sîn hand end skoen oan de foetten. 22. Mar de fader sei teun siin knechten: breng hier gou 'ris 't beste pak kleeren in trek him dat an in geef 'm 'n ring an siin han in skunen an siin futen. 22. Mar siin heit sei tjin siin tjinstknechten: bring hier 't bost pak klaaine in tjoch it him oon in jeuw him 'n ring oon siin haaun in skuuene oon siin fòtten.
23. End bring 't meste keal end slacht it; lit ûs ite end frolik wêse. 23. In haal 't meste kalf oek 'ris hier in slacht dat; late we ete in bliid weze! 23. In bring 't maste kalf hier in slagje 't in lieët uus it opite in plesier mettje.
24. Hwent disse soan fen my wier dea end nu is er wer libben wirden; hij wier forlern end nu is er werfûn. End hia bigûnen frolik to wirden. 24. Want dizze seun fan mij waar dood in nou is i weer levendig wudden; hij waar ferloren in nou hè' we 'm weerom fonnen. In doe begonnen se pret te maken. 24. Want di jonge wiea daaid in hi is wier livven wersen; hi wiea forlaoren in hi is wier fieaun. In jao bigoonen plesier to mettjen.
25. End sîn aldste soan wier in 't field en do dy neihûs gung end thichte by hûs kaem, hearde hy 't siungen end 't dûnsjen. 25. In de man siin ouste seun waar op 't land, in doe die weerom kwam in dichte bij huus kwam, hoord' i hoe 't se songen in dansten. 25. In de oudste seun wiea iin 't laaun in dao 't er nooi huus to suuë in tichte bikoom, heerse hi sjongen in daaunsjen.
26. End hy rôp ien fen sîn heite feinten by him end frege him hwet dat to bitsiutten hie. 26. In doe rieep i ieen fan 'e knechten bij 'm in froeg 'm wat of dat beduudde. 26. In dao reupt er oon iean fan 'e knechten in friegge di wot dot wiea.

[p. 32]

27. End dy sei tsjin him; dîn broer is kumd end jimme heit heth 't meste keal slachte, um 't er him sûnd wer krige heth. 27. In die knecht seide him doe: wel! weet jou dat nó'-n't? jou broer is weer 't huus komen in nou het jou fader 't meste kalf slacht uut bliidskap dat 'r him gesond in wel weerom het! 27. In di knecht sei tjin him: diin bruuer is 't huus komd in jimme heit is so bliid dot hi het 't boste kalf slagje lotten.
28. Mar hy waerd nidich end wol net în 'e hûs gean: dogung sîn heit nei bûte end bea him der um. 28. Mar doe wudde die ouste seun nidig in stuums in hij wude niet in 'e huus komme. Doe gong siin fader sels na buten in bad 'r him suver om. 28. In dao wers hi kwaaid in wuuë net iin huus komme. Dao ging siin heit nooi him to in bain him.
29. Hy lîkwol joech sîn heit to 'n andert: siuch! sa fulle jierren tsienje ik ju al end ik hab nea net hwat tsjin juw sin dien end dochs habbe ju mij nimmer nin bokje jown dat ik mei mîn friûnden ek 'ris frolik wèse muchte. 29. Mar hij gaf siin vader ten antwoord: kiik 's! ik dieen jou nou al soo mennig jaar in ik hè' nog nooit jou gebod overtreden, in jou hè' mij nog nooit n't ieemels 'n bokje geven, da' 'k oek 's met miin frinden froolik weze mochte! 29. Der op sei hi: sjuech, heit! ik tjinje jo nue or so fölle jieren in ik hew nöet jo gebod ieuwertreden in jo hewwe mi nöet 'n liitjen bok jieuwn, dot ik mooi miin freaune reis plesier mettje kuuë.
30. Mar nu disse soan fen ju kummen is, dy juw gûd mei hoeren der thruch brocht heth nu habbe ju 't fetmeste keal for him slachte. 30. Mar nou dizze seun fan jou komen is, die 't jou guud bij de hoeren brocht het, nou hei je foor him 't meste kalf slacht. 30. Mar nue dizze seun fan jo komd is, di siin guued mooi hoere tròch brocht het, nue hew jo 't boste kalf feur him slagje lotten.
31. Do sei de heit tsjin him: bern! du bist altîd by my end ol hwet mines is, is dines ek. 31. Mar doe sei de fader teugen him: kiin! dou biste ommers altiid bij mij, in al wat minen is, is dinen oek! 31. In dao sei siin heit: bern! do biste olle dagen bi mi, in ol wot ik hew is diinen.
32. Me moast den frolik end blîd wèse: hwent disse broer fen dy wier dea end hy is wer libben wirden; end hy wier forlern end nu is er werfûn. 32. 't Is niet meer as bill'k dat wij froolik in bliid binne; want dizze broer van dij waar dood in nou is i weer levendig wudden; hij waar ferloren in nou is is weerom fonnen. 32. M'n beheerse doch bliid to waosen, want diin bruuer wiea ommers daaid, in nue is hi wier livven wersen; hi wiea forlaoren, in hi is nue wier fieaun.

[p. 29]

De Gelijkenis van den verloren zoon.
Lucas XV 11-33.

4. Tongval van de stad Hindeloopen. 5. Tongval van het dorp Midsland op Terschelling. 6. Tongval van het dorp Benningbroek.
De eé moet uitgesproken worden als een scherp lange e, die eenigermate naar de Friesche uitspraak van den twee klank ie zweemt. De oe moet als de gewone, zuivere, Hoogduitsche u worden uitgesproken. De klanken ao en oa worden gesproken als het midden houdende tusschen a en o; de ao helt eenigszins meer naar de a over; de oa een weinig meer naar de o. De ae houdt het midden tusschen a en e; het is de blatende, blaerende a klank. De ea is de gewone Friesche tweeklank ea. oe = Nl. oe.
u = ü.
De iee en oee klinken duidelijk als twee-klanken, die door een naslag van toonlooze e gevolgd worden.
oe = Nl. oe.
u = ü.
In buk vs. 18 verbeeldt u den eigenaardigen klank tusschen ü en ie, die later bij het Flevisch besproken wordt. Hij komt ook elders in Drechterland voor.

11. Siker minske heéb twa soons. 11. D'r waar 'ris 'n mins, di had twiee seuns. 11. Deer was er 's 'n man in die had twee seuns.
12. De joengste fan jem seé tjen siin feer: feer! jaon mi 't deel fan 't good dat mi tokomt. In hi deelde jem 't good. 12. In de jongste fan die twiee sei: ta! geef mij 't deel fan 't goeed, dat mij toekomt. In hij deelde har 't goeed. 12. De jongste saide teugen de vader: Vader! geef main m'n erfporsie. En hai deelde heurlui 't goed.
13. In naat fuele deggen dernei is de joengste soon, dae 't er alles binnen pakt heéb, weireisge nei en laand der fier fan denne in der het er al dot er heéb, oerwealdsk trochbroat. 13. In weinig dagen d' rna, doe de jongste seun alles bij mekaar pakt had, is hij weg gaan na 'n fremd land in der het hij alles op 'n slechte manier d'r deurbrocht. 13. In niet veul dage deer nee is de jongste seun, toe-d-i alles m'nkaar had, op rais gaan nee 'n heel veer land en deer hep i s'n goed deurbrocht, in 'n rou leven.
14. En dae hi alles op heéb, koam er 'n grate hoengersnood iin dot laand in hi bigoast gebrek to liën. 14. In doe hij alles forteerd had, kwam d'r 'n groote hoengersnood in dat land en doe kreeg hij erg gebrek in mos deeg hoenger lije. 14. In toe-d-i alles verteerd had, toe wordde 'r 'n groote hongersnood in dat land in i begon gebrek te laien.
15. In hi geéng henne en ferfoge him bi eén fan de burgers iin dot laand, in di steérde him op siin laan om op de bargen to pasjen. 15. Derop gong hij bij ieen van de burgers van dat land, in die stuurde him na 't feld om op de bargen te passen. 15. In toe gong i vort in voegde 'm bai ien van de burgers van dat land, in die stuurde 'm op s'n land om de verkens te waiden.
16. In hi freége of 't er ek het ite mocht fan 't barge-iten; mar nimmen jooch it him. 16. In doe wou hij siin hoenger stille met 't eten dat de bargen atten; mar gin mins wou 't him geve. 16. In hai wou graach s'n buk vulle mit 't verkensvoer, dat de verkens vratte, in gien ien gaf 'm dat.
17. In dae 't er good to him seem komd weér, seé er iin him seem: ho fuele knechten, fan miin feer hebbe fol op jer bra in iik sterf fan hoenger! 17. Doe kwam hij tot nadenken in doe sei hij teugen him self: hoe feul knechten fan ons ta hewwe overfloeed fan brood, in ik fergaan fan hoenger. 17. In toe kwam hai tot 'm zelvers in toe said i: hoe veul knechte van m'n vader hewwe eten so veul as se luste in ik vergaan van de honger.

[p. 31]

18. Iik sol opstaan in nei miin feer to gaan in iik sol tjen him sizze: feer! iik heb soendige tjen de himel in for ji. 18. Ik sel opstaan in na ons ta toe gaan in ik sel segge: ta! ik hef sondigd teugen de hemel in teugen ta! 18. Ik gaan hier van daan nee m'n vader in ik sel teugen 'm segge: vader! ik hew kwaad deen teugen de hemel in teugen jou.
19. Iik bin naat meer wordich jiin soon naeme to worden; maeaekje mi as eén fan jiin knechten. 19. Ik bin niet meer weerdig ta siin seun noemd te worren; maak mij maar as ieen fan ta siin knechts. 19. In ik bin niet meer weerd je seun noemd te worren; maak m'n asien van je knechts.
20. In hi stoog op in geéng nei siin feer to. In dae 't er jitte fier oaf weér, soog siin feer him al, in siin hert waard boppe meéte fol fan meiliën; hi ron nei him to, faal him om 'e hals in paaike him. 20. In doe stond hij op in gong sonder ferder berieed na siin ta toe, in doe hij nog feer fan huus waar, saag siin ta him al ankommen in die kreeg deeg meelijen met him; hij lieep na him toe, fieel him om 'e hals in soeende him. 20. In hai gong vort in gong nee s'n vader; in toe-d-i nag veer af was, sag s'n vader 'm, in die wordde heel erg mit 'm beweugen; hai liep nee 'm toe, valde 'm om hals in soende 'm.
21. In de soon seé tjen him: feer! iik heb soendige tjen de himel in for ji; iik bin naat meer wordich jiin soon naeme to worden. 21. Maar de seun sei teugen ta: ta! ik hef sondigd teugen de hemel in teugen ta, in ik bin niet meer weerdig ta siin seun noemd te worren. 21. In de seun saide teugen 'm: vader! ik hew kwaad deen teugen de hemel in teugen jou in ik bin niet meer weerd je seun noemd te worren.
22. Mar de feer see tjen siin taeaenstboaden: briing hir daadlik 't beste pak klaan in dwaan it him oon, in jaon him en riing oon siin haand in skoon oon siin futten. 22. Maar siin ta sei teugen siin knechs: haal gou 't bestekleed in doeen him dat an, in doeen him 'n ring an siin finger in skoenen an siin foeten. 22. Maar de vader saide teugen s'n knechs: breng hier gou de beste plun in doen 't 'm an, in geef 'm 'n ring an s'n hand in skoene an s'n biene.
23. In briing 't meste kaal in slachtje it; in leét ues ite in nochlik waezen. 23. In haal terstond 't fette kalf in slacht 't; late wij ete in froolik weze. 23. In breng 't meest kalf in slacht 't; leete we ete in klucht make.
24. Want dizze miin soon weér da, in hi iis wor libbendich worden; hi weér forlornd in hi iis wor foenden. In jae bigoasten nochlik to waezen. 24. Want miin seun die ik mieende dat dood waar, is wer levendig worren; hij waar verloren in is wer fonnen; in sy wordden allegaar froolik. 24. Want deuze m'n seun was dood in hai is weer levendig worren; hai was weg in hai is weer vonden. In toe begonne se klucht te maken.
25. In siin ealste soon weer iin 't fild in dae hi ticht bi hues koam, heerde hi 't gesoeng in 't gedoens. 25. De oudste seun waar in 't feld in doe hij na huus gong in dichte bij kwam, hoorde hij 't singen in 't dansen. 25. In s'n oudste seun was in 't veld, in toe die dicht bai huis kwam, hoord 'i 't singen in speulen.
26. In dae 't hi eén fan de knechten bi him roapt heéb, freége hi het dot bitudde. 26. In doe hij ieen van de knechten saag, froeg hij wat der doch wel thuus te doeen waar. 26. In hai riep ien van de knechs bai 'm, in vroeg 'm wat 'r an de hand was.

[p. 33]

27. In dizze seé tjen him: diin broer iis komd, in diin feer het 't meste kaal slachte, omdot er him gesoend wor heéb. 27. In die knecht sei teugen him: diin broer is thuus komen in nou het jim ta 't fette kalf slachte laten, omdat hij siin seun gesond in wel werom kregen het. 27. In deuze saide teugen 'm: je broer is kommen, in je vader hep 't meest kalf slacht, omdat i 'm gesond weer kregen hep.
28. Mar hi waard kwa in wood naat iin hues gaan. Dae geéng siin feer nei him to in baad him der om. 28. Doe wordde hij nidig in hij wou niet in huus gaan; doe gong siin ta na him toe in bidde him. 28. Maar hai wordde naidig in wou niet in huis komme. Toe gong s'n vader buiten in praatte mooi mit hum.
29. Mar hi joog siin feer to 'n antwoord: saeaen 'r is! so fuele jeéren taeaenje ik ji al in nooit heb iik jiin gebod oeërtredden; in ji hebbe mi nooit nog éen liitjen bok joend, dot iik mei miin freénden ek 'ris nochlik waeze koat. 29. Maar hij sei teugen siin ta: ik dieen ta nou al so feul jaar en ik hef nog nooit ta siin gebod overtreden, in ta het mij nog nooit 'ris 'n bokje geven om mij met miin maats 'ris froolik te maken. 29. Maar hai saide teugen s'n vader: kaik! ik dien jou nou so veul jare in ik hew nog nooit je gebod overtreden in je hewwe m'n nog nooit 'n bokje geven, dat ik mit m'n vrinde er 's vroolik weze mocht.
30. Mar no dizze soon komd iis, di 't jiin good mei hoeren in snoeren trochbroat het, no heb ji 't meste kaal for him slachte. 30. Maar so gou as hij 't huus komen is, die ta siin goeed bij de hoeren d'r deur brocht het, doe het ta terstond 't fette kalf foor him slachte laten. 30. Maar nou deuze jou seun kommen is, die je goed mit hoere d'r deur brocht hep, now hew je 'm 't meest kalf slacht.
31. Dae seé de feer tjen de ealste soon: born! doe bist altiid bi mi, in al dot iik heéb iis diines. 31. Doe sei siin ta teugen him: och, miin jonge, dou bist immes altoos bij mij, in al wat miinen is, is diinen. 31. In hai saide teugen 'm: kind! jai binne altaid bai me in al 't maine is voor jou.
32. Mar wi beheerden den no wol nochlik in bli to waezen; want dizze diin broer weér da, in hi iis wor libbendich worden; hi weér forlornd, in hi iis wor foenden. 32. Wij motte nou met mekaar froolik weze, want diin broer waar dood in hij is weer levendig worren; hij waar ferloren in hij is wer fonnen. 32. We motte nou vroolik in blai weze; want deuze jou broer was dood in hai is weer levendig worden; hai was weg in nou is hai weer vonden.

[p. 32]

Het zou mij niet zooveel moeite gekost hebben, de spelling dezer teksten met die der klanktabèl in overeenstemming te brengen. Ik meende echter door zulk een kunstmatige nivelleering de waarheid onrecht te doen. In de loopende rede werken toch weer allerlei neigingen en andere psychologische krachten, die den klankwettigen vorm van een woord soms ten eenen male veranderen. Verder is de plaats, waarvan deze teksten afkomstig zijn, van Hindeloopen afgezien, zeker niet juist dezelfde als die, waar mijne tabellen op berusten. En zoo is dus deze onregelmatigheid wel een verlies van gladden glans, maar een aanwinst van korrelige werkelijkheid. Deze opmerking geldt voor alle verdere teksten.

In deze parabelvertalingen met hun eenvoudige verhaalzinnetjes, komen echter de zuiver-dialectische woordvoeging en zinsverbinding, de locale kleur van het idioom, alsmede de gevoelssfeer, die als een wolk over de heele taal hangt, niet altijd evengoed tot hun recht. Daarom volgen hier nog een paar echte volksstukjes. De onbewogen koppigheid en de ietwat cynische koelheid spreken niet alleen uit den inhoud van het volgende verhaal, maar staan met scherpe, hoekige lijnen in elken zin, en bijna iedere zinsverbinding zóó klaar en duidelijk geteekend, dat ik er bij de eerste kennismaking werkelijk van schrok.

[p. 34]

De Leewarder Galgelappers,
in 't Stadtfriesch van Leeuwarden, uit Joh. Winkler: Studiën in Nederlandsche Namenkunde, ao 1900.

Luuster nou 'ris: Dan sa 'k jimme 'ris fertelle, hoe-'t de Leewarders an har bijnaam fan Galgelappers komen binne. - Oudtiids hadden alle steden in Friesland, in de groote dorpen oek, daar 't rechthuus fan 'e grietenij staat, in oek wel sommige staten - dat binne fan die groote, oud-adellike boereplaatsen - it recht fan galg in rad, liik as dat doe soo hiette. Dat is te seggen: in die plaatsen mochten in musten de boosdoeners, de moordenaars, de branstichters, in suk gespuus, foor soo feer as se daar, of in 'e onderhoorichheit fan die plaatsen har misdaden uutricht hadden, oek ophongen wudde an 'e galge. - Later, doe-'t Leewarden, in 'e plaats fan Staveren, de hoofdstad fan Friesland wudden waar, in doe de regeering over Friesland hoe langer hoe meer in ien han komen waar, in te Leewarden har setel hadde, doe houdde dat op. Doe musten alle boosdoenders, die-'t in Friesland oppakt waren, in tot 'e dood feroordeeld, die musten te Leewarden an 'e galge ophongen wudde. It lansbestuur liet in alle steden in andere plaatsen, die-'t it recht fan galg in rad hadden, wete - om so mar 'ris te seggen, met dizze woorden: ‘Hur ris, jimme Franekers in Harlingers, jimme Dokkumers, Sneekers in Bolseters, in die 't meer angaat, jimme hewwe ont nou toe jimme eigen moordenaars sels ophongen, mar dat houdt nou op: dat mut deen weze. As jimme en moordenaar of en andere kwaaddoender snapt hewwe, in feroordeeld om te hangen, dan mutte jimme die man na Leewarden sture, om daar dan ophongen te wudden. Set de man dan mar, goed in 'e boeiens slagen, met een paar dienders of feldwachters of wat jimme hewwe (as it mar goed fortroude mannen binne), in 't trekskip na Leewarden, met en briefke der bij, hoe in wat. Dan salle se te Leewarden dat saakje wel feerder opknappe, in de man an 'e galge ophange.’ - Nou! dat ston alle minsen lang niet an, in die kleine plaatsen. Want jimme mutte begripe, d'r gebeurt daar niet veul nijs, soo deur 'n bank; in dan gaf soo'n ophangerij altiid nog 'ris en aardig fersetsje, in 'n mooi fleurig kiikje. Mar wat suden se d'ran doen? Se musten wel doen soo-'t de regeering it hewwe wude, hee? Mar de Leewarders! nou, die hadden en boel wille deur die nijigheit; in en hopen foordeel oek. - De merkedag wudde doe te Leewarden houden op Saterdag, in niet op Frijdag, soo as nou teugenwoordig. In fan sels, op merkedag wudde der ophongen, in branmerkt, in giisseld, in te pronk set. Want sien! merkedag dan waar der altiid en hopen boerefolk in 'e stad, die daar dan doch weze musten foor har saken, in om te koopen in te ferkoopen. Mar dan kwammen d'r altiid oek en boel uut nijsgierigheit om 't ophangen te sien. In soo had de Leewarder galge it mar drok; hast alle Saterdags waar d'r 't ien of ander op 't skawot te redden. In daar hadden de Leewarders dan niet allienig de nocht in de wille fan, mar oek groot foordeel. Fooral de kas'leins in de koekebakkers. Want en koem koffi met en stuk koek, in en burreltsje - dat waar al 't minste dat de lui bruukten. De meesten nammen feul meer achter 't fesje. In daar kwam dan nog bij alderlei koopmanskap fan alderlei guud dat 't boerefolk noodig had, oek fan goud in sulver in mooie kleeren foor de froului - dus de Leewarder merkedag wudde mar deeg fleurig fan dat alles.

Dat gong soo jaren heene, in de Leewarder galge had mar en boel te doen. In fan sels - soodoende sleet-i oek deeg. Langsamerhand begon-i al mooi oud te wudden, in te ferfallen. D'r muste noodig in nije galge komme, soo noodig as eten in 'e mon. - Ja, mar wie must die nije galge betale? Daar kwam it mar op an. De Leewarders seiden: Alles goed in wel! 't is ons galge, in as d'r allienig mar Leewarders an ophongen wudden, dan musten wij him oek allienig onderhoude; of fernije, as 't noodig waar. Mar nou al die kleinsteedsers d'r an ophongen wudde, in al dat butenfolk, nou mutte die minsen d'r oek mar an betale. It sude wat moois weze! Wij de galge onderhoude, of en nije galge geve; in die Franeker

[p. 35]

klokkedieven in Harlinger tobbedansers, die Dokkumer garnaten, Sneeker duumkefreters in Bolseter olikoeken, in al die butenminsen, die suden d'r mar frij anhange! - alles in recht in billikheid! Mar soo niet! - Hou wat! seiden doe de kleinsteedsers in it boerefolk, hou wat! Jimme Leewarder Speknekken! jimme hewwe alle wille in oek alle foordeel fan 'e ophangerij, mar wij krije d'r in ons eigen plaatsen niks meer fan te sien. 'T is billik in recht dat jimme nou oek de galge onderhoude, of anders en nije galge make late! - Dat gaf nou fan sels 'n hopen roezje onder 'e lui, in 'n hopen geskriif in gewriif onder 'e heeren. Want sien, ieder bleef fan sels stiif op siin stuk staan - dat is 't oude Friesse gebruuk soo, in daar mut me ien dan oek an houde - is 't nou waar of niet? - Nou, de galge waar oek nog niet soo, al sag-i d'r frij wat skunnig uut, of-i kon nog wel wat dienst doen. In soo bleef dan die saak fan 'n nije galge fooreerst mar sloeren. - Doe waar daar in die tiid 'n kleermaker te Dokkum, in die man had 'n boos wiif. Benaud boos, kan 'k jimme segge. In op 'n goeie morgen sloeg die man siin frou dood, met 't striikiisder in de parsplanke. 'T waar anders mar en klein, springerig in spichtig kereltsje, soo as de sniders feulal binne; mar sien, die booze flarde had de man breinroer maakt. Goed! Hij wudde oppakt, in fonnisd, in na Leewarden brocht, in 't trekskip, om daar ophongen te wudden. De Frijdagsmiddags kwam-i te Leewarden an, in de Saterdagsmiddags om twaalf uur suud-i ophongen wudde. Eerst kreeg-i nog siin galgemaal. Want de lui die-'t oudtiids ophongen wudden, mochten die daags foor 't laast nog 'ris uutkieze, wat se ete wuden. In wat se dan begeerden - as 't niet al te mal waar, dat kregen se dan oek. Nou - dizze man dan, die koos eindfeugel met appelsmots; want it waar in 't najaar. In daar 'n fles wiin bij; want wiin had de man eigentlik nooit niet goed proefd. In doe-'t-'i dat lekker oppeuzeld hadde, doe kwam d'r nog 'n domenij 'n half uurke bij him - och ja, mins! - In daarna brochten se him op 't skawot.

Doe die man daar soo ston onder 'e galge, in de beulsknecht sette de ledder al klaar, in de burgemeester met de froedsmannen stonnen om him heene, doe keek die man 'ris na boven, na de galge daar-'t-i an hange muste. In doe skudd'-'i 't hoofd, in doe wudd'-'i moeielik. Sij froegen him wat of-'t-'i hadde. Och! seid'-i, Heeren fan 'e stad fan Luwarden!1) dat ik hier ophongen wudde sil, dat is tot daair an toe. Daair sil ik niks fan segge. Dat hew ik ferdiend; in die wat ferdient, die mut wat hewwe, segge se bij ons in Dokkum. Dat is niet anders. Mar - in doe sag die man al weêr na boven, na de galge - mar dat ik nou an soo'n skunnige, an soo'n rotterige galge mut - dat krinkt mij. Ik bin 'n fatsoendelik burgermanskiin fan 'e stad fan Dokkum, fan ouder tot foorouder. In dat ik nou an soo'n wrak, onsjog ding bongele sil, daair skiet mij 't moed fan fol. Waar it nog 'n knappe, krease galge, ik suud d'r niks fan segge. Sien! ik hew miin leven lang feul fan Luwarden seggen hoord, dat it soo'n mooie stad is, in sukke mooie groote huzen, in alles like deftig, knap in kreas. Mar die rotterige galge, die skeint de hele stad. It is suver en skande foor de hoofdstad fan Friesland. In jimme Luwarders! jimme sille om die oude galge, nog 'n kwaaide naaim krije bij andere lui. Dit is te slim, Heeren! fur 'n fatsoendelik burgermanskiin fan Dokkum!’ - Mar, ons maat mocht lipe of pipe, in hij mocht hoog springe of leeg springe, dat holp him allemaal niks. Hij muste d'r an geloove. In gien twie minuten later, doe bongeld'-i al boven an 't dwarshout fan 'e galge. - Nou, doe dat karwei dan ofloopen waar, doe seide de burgemeester fan Leewarden teugen 'e froedsmannen: ‘Hur 'ris! die

[p. 36]

Dokkumer kleermaker het geliik had. Ik wude d'r niks fan segge, daar die man bij waar, mar geliik het-i. Ons galge is te min. In d'r mut ferandering komme; anders houdt heele Friesland ons nog voor de gek. Wij binne 't an de eere in an de goede naam fan ons stad ferplicht, om hierin ferbetering an te brengen. In kan d'r dan gien gloednije galge op staan, in fredesnaam! dan mutte wij de oude galge mar wat oplappe in opknappe. Dat kan oek best!’ - In soo wudde 't dan besloten. De stads-timmerbaas hakte de rotterige steden d'r uut, in-i sette daar nije stukken foor in 't plak, in-i bespikerde de galge wat, in-i skoorde 'm wat. In doe ferwde de ferwer him mooi rood op. In sie daar! de galge waar alheel oplapt in opknapt, in-i leek wel weer nij. - Ja - mar de Leewarders, omdat se soo skriel waren, dat se gien nije galge betale wuden, die hewwe daar fan de bijnaam kregen van: LEEWARDER GALGELAPPERS tot 'e dag fan fandaag toe. In se salle him wel houde, soo lang as Leewarden bestaat, in soo lang as d'r Leewarders binne. In wij wille hope dat dat nog duzent jaar in langer dure sal!

Het vreemde luchtverskainsel.
Tongval van de Beemster in West-Friesland, ao 1880. Uit Leopolds: Van de Schelde tot de Weichsel.

Nou, leet dat weze zoo as 't wil. Ien ding is toch maar waar. As de gaste teugenswoordig niet meer op raistenbrai trakteerd worre, zel gien mens de raistenbraiketel meer van 't vuur stele ok, en make, dat ze mit 'n leege maag nee huis gaan kenne en later nag eutlachen worre toe. - ‘Of dat den vroeger wel ers beurde?’ - Deer zel ik je 'n grap van vertelle. - 't Was te B. al veul keere beurd, dat de pot, die mit 't traktement1) te vuur hong, deur 'n stik of wat jonge knape stiltjes de keuken uithaald worde, as ze de beweunders van 't huis mit de lui, die ze nood2) hadde, 'n oogenblik 't huis uitlokt hadde. Je zelle vrage: ‘Hoe weerlich was 't mogelijk, dat ze alleman de deur uit wiste te kraigen?’

O, dat gong zoo kwaad niet. D'r kwam er bai voorbeeld ien voor 't raam, en die riep, dat er brand was. Op slag vloog alleman op, de deur uit om te kaiken weer 't was. 't Duurde natuurlijk niet lang, of ze begrepe, dat 't allegaar kulkoek3) was en stapte lachend de keuken weer in. Maar in die tuskentaid was ien van de skavuite de openstaande deur inslupt4), had de ketel van 't vuur haald en - holpen deur ien van z'n kammerade, droeg ie de ketel nee 'n voailige skuilplaas, weer ze mit 'r komplotje de brai lekker neebinnen slikte. Of d'r was er ien, die onder in de kant van de wal kroop vlak voor 't huis, weer ze wiste, dat volk5) was. En die begon den op zoo'n gosjammerlijke wais ‘help, help!’ te skreeuwen, dat alleman er gruweldig6) van verskoot7) en de deur uitstoof, om te kaiken wie er in de nood zat. Ze zochte en keke overal rond, hoorde tuskenboaien 'n zacht gekreun, miende hier of deer wat in 't water te zien bewegen, maar vonde niks. Mistroostig keerde ze weerom en zagge, als ze de keuken inkwame, dat 't allegaar lak8) weest was, want - de ketel was van 't vuur verdwenen. - Van keer tot keer worde de lui nou evenwel waizer, dat leet 'm hoore9). As er hier of deer weer volk op de raistenbrai was, den most er al wonder wat beure, en aars kwame ze niet buiten de deur, of ze zurgde er voor, dat er 'n man of wat in huis bleef om op de ketel te passen. - Maarworde de wantrouwigheid grooter, de slimmigheid van de liefhebbers van stolen raistenbrai vond telkens nuwe liste en lage uit. - Op 'n Zundigeevend in Jannewari, dat 't lekker vroor en de lucht vol starre stond, was er volk op de raistenbrai bai Klaas de Boer, 'n rikke10) bouwer. Er hong 'n allemenselijke groote

[p. 37]

ketel te vuur, want er zat 'n man of zestien om de tafel. Goed; de kaarte zouwe voor 't lest skud worre, want de brai was gaar; hai kookte de pot temet over. De kaart is geven. Klaas het 'n opgeloaide1) pandoor in z'n hand en vraagt z'n neest an hem zittende buurman, hoeveul of ie doet? - ‘Honderd vaif en twintig’, is 't antwoord. ‘Honderd zestig!’ roept de darde speuler. ‘Pandoor!’ roept Klaas deer dadelijk bovenop. ‘Dat gaat op de pot!’ voegt ie er bai en de drie are knikke van ja. ‘Wa's je troef?’ - ‘Skoppen,’ zoait Klaas, maar net as ie de boer uitspeule zel, wordt er op 't voainster klopt. Knorrig om die onverwachse stoornis, roept Klaas: ‘Wat is er?’ Een benauwde stem van buiten antwoordt: ‘Wat of er nou an de hand is, dat weet ik niet, maar er is zoo'n vreemd verskainsel in de lucht, dat 't net is of de wereld vergaan zel!’ De vrouwe verskiete gien beetje en kraige 'n kleur zoo wit as 'n doek. De manne, die pas nog zoo drok zate te babbelen en te zwessen2), zwaige op slag as 'n mof en binne ok niet op 'r gemak. 't Zou den ok al erg ongelokkig weze, as de wereld vergong vóór dat de raistenbrai op was. De gastheer houdt 'm nag 't best. Hai is op 't punt van spoken en al zok3) soort van dinge 'n kloain beetje ongeloovig uitvallen. Hai staat op, loopt nee 't raam en vraagt: ‘Maar zeggeres, wie ben je?’ - ‘Kees Dibbes,’ is 't antwoord van buiten. - ‘O! ben jee 't Kees?’ roept Klaas op 'n lachende wais. - ‘Nou, we hewwe je in 't snotje4), hoor! Je wete zeker, dat de raistenbrai gaar is, hè, en nou zou je wel ers proeve wille, niet? Mit je hoevelen staan je deer op de wacht?’ - ‘'k Mag stom weze, as 'k om de heele raistenbrai docht hew, de Boer!’ zoait Kees gemoedelijk. ‘Zou je miene, dat ik dat van plan was? As je dat denke, kom den maar alliendig buiten, den ken je 't zelf zien en hoore, en den kenne de are op de pot passe.’ - Nou, dat was ok zo. Op die manier kon er niks van komme. 't Was dus te wagen. Goed, Klaas gaat nee buiten. En verachtig! Kees Dibbes had 't niks te erg maakt. 't Was 'n vreemd verskainsel. Hoog in de lucht leek wel 'n dwaallichje heen en weer te zweven en vlak bai dat lichje hoorde ze 'n alderaiselijkst geskreeuw en gekerm. Nou was 't wat stilder en dèn wat luier. Nou leek 't wel te raizen en dèn daalde 't weer. Zeker, Klaas most 't bekenne, 't was vreemd en akelik en hai wist niet, wat ie er van denke of geloove most. - Ondertusken was ie al 'n menuut of wat weg weest en nog niet weerom. De lui, die in huis bleven ware om op de ketel te passen, begonne ongerust te worren dat 'm wat overkomen was. Deerom trokke 'n paar van de starkste gaste de stowte skoene an en gonge ok ers kaiken. Toen ze buiten kwamme, riepe ze: ‘Klaas, weer hou je5)?’ - ‘Hier!’ riep Klaas weerom, ‘bai 't poortje an de voorstreet!’ - De twee deer ok nee toe. Ze hadde 't verskainsel natuurlijk al hoord en zien. En nag stonde ze niet lang mit 'r vieren er over te dillebereeren, of er kwam al weer 'n man of drie de keuken uit, om ers te kaiken, weer of de leste twee bleven ware. Maar pas zagge en hoorde ze, wat er in de lucht te koop was, of ze riepe an die nag in huis ware, dat ze ok ers kaike komme moste6), want dat 't wezentlijk weer was, wat Kees Dibbes zoaid had. En nou begraipt ieder al, wat er verder beurde. Toe alle kaikers op 't lest stonde te bubberen van angst en van de kowd, opperde Klaas 't plan om nou niet langer staan te kleumen, maar 'n skeppie raistenbrai te gebrukken om 't laif weer wat te verwarmen. As dat binnen was, konne ze later altaid nag ers weer nee buiten gaan. En toe de eerste die de keuken inkwam, dadelijk murk, dat de pot van 't vuur en weg was en dat mit de noodige omslag an de are belanghebbende vertelde, keke ze eerst allemachtig mal op er neus. Want vooreerst ware ze lillijk bai 't laif nomen7) en ten tweeden kwam er van eevend niks van de raistenbrai. Klaas was de eerste, die weer 'n beetje bai

[p. 38]

z'n pozetieve kwam. Hai zoaide: ‘'t Geval loait er toe. We hewwe stom weest. Mar ien geluk hewwe we: de wereld zel nou vooreerst nog wel niet vergaan. Ik nood jelui dus allegaar teugen vandaag 'n week weer op de raistenbrai. En al valt dèn ok de heele lucht nee de leegte, ze zelle gnap weze moete, as ze main weer van m'n stoel en de deur uitkraige, zoolang er nog ien lepel brai in de skuttel is!’ - En weer bestond het vreemde luchtverskainsel nou in? 't Was niks aars as 'n groote vlieger, mit 'n lanteeren er an en 'n brandende keers er in en onder an de lanteeren 'n kat an z'n steert vastbonden.

 

D. Dekker.

Een najaarsschouw.
Uit Boekenoogen: De Zaansche Volkstaal, tongval van Jisp ao 1895.

Ieder najaar wordt door het polderbestuur, dat grootendeels uit boeren bestaat, schouw gehouden op het wallen der landerijen (het opmaken der kanten van het land, het schoonhouden der slooten, enz.). Daartoe wordt in een schuitje, geroeid door de beide zoogenaamde broeklanders, de geheele banne bezocht, om te zien wie nalatig is geweest en bekeurd moet worden. Hoe zulk eene schouw wordt bepaald en wat men al zoo in het schouwschuitje bepraat, kan blijken uit de volgende schets.

‘Zellillustratiewillustratie ankòmmillustratiendillustratie Woenillustratiesdaggen Dondillustratierdach skouwillustratie houwe?’ zegt de voorzitter tot den secretaris, dien hij toevallig ontmoet. ‘Dillustratie árillustratie lédillustratie kennillustratie, ennaz jai ook gien villustratierhindillustratierillustratieng hep, mòstillustratie willustratie illustratiet maar zó billustratiepálillustratie: ‘tizdillustratie ouwillustratie tait.’ - ‘Main best,’ is 't antwoord, ‘zellillustratiek dillustratie broeklandillustratierz waarskouwwillustratie?’ - ‘Né, dassèl ik wel doen, ennik sellook wel voort árillustratie zorrillustratiegillustratie: willustratie némillustratie òmmillustratierzillustratiet chillustratiewónillustratie gillustratierak mé, en wérommachtuur billustratieginnillustratie.’

..........

De Woensdag is aangebroken, en met een ‘Goejillustratie morrillustratiege! mooi weertjillustratie hé,’ begroet men elkaar. 't Is nog wel wat deinzerig, terwijl ze in de schuit stappen, maar dat zal wel opklaren. - ‘Willustratie zellillustratie máreerst oostan houwillustratie, niwaar, hérillustratie?’ zegt een der broeklanders, ‘tistouwillustratie wecchí,’ en men roeit oostwaarts. Weldra komt men aan een perceel dat niet gewald is. ‘Díjissillustratier bai,’ zegt een der aanwezigen, ‘í het nítewalt. Skraif illustratiem máròp millustratieheer,’ en hij wendt zich tot den secretaris, ‘'t is Kneppillustratielkoek van Keez Butter, en deernaast ebbillustratieze dillustratieríttókillustratiels draivillustratie létillustratie, dí kòmmillustratie van Klikkís van Hain Gort; hai moetillustratier ook maar vóròbdrájillustratie, aars laptíjillustratiet idillustratierjaar weer, tizzillustratien slordillustratiegillustratie vent foor zillustratien lant. Wessinillustratie zillustratien koejillustratie dillustratieròit! En dí ínillustratie zellillustratiet niet lang meer mákillustratie, tízzillustratien weerdégillustratier1). Tiz jimmillustratier zó middí boer, í raaktillustratier vastònder. Zillustratien sképillustratie binnillustratie ook mízillustratierábillustratielinstaat; illustratiet binnillustratie arrillustratiemillustratie bésís, zillustratie zellillustratienillustratien bítjillustratie geldillustratie, assillustratie òptillustratie mart kòmmillustratie.’- ‘Ja, ja tskeelt naggal wettillustratie ín ovdillustratie aar. Gerrillustratiet Wit weet meer van zillustratie lanttillustratie mákillustratie; dazzillustratien tòike2) boer. - Maar létillustratiewillustratie illustratierillustratiezòpstékillustratie: dillustratier binnillustratie sillustratiegárillustratie int mantjillustratie. Offejjillustratie nag lívillustratierillustratien pròimpí? ikkep puur túr3) inillustratien sillustratiegaartjillustratie. Azzillustratiewillustratie den bai di riderrillustratieg4) binnillustratie, kennillustratiewe wellillustratierzillustratien koppí kòffí némillustratie, enillustratien happí: das-chóeffillustratierdillustratie kou.’ - Men vaart dus nog een eind door, hier en daar iemand beboetende, en legt dan aan bij een dichte rietderg. Onder het genot van brood en koffie, met een borreltje toe, worden dan polder- of gemeentezaken en allerlei particuliere aanlegenheden besproken. - ‘Willustratie leggillustratie hier goet, mooi louw!’ zegt een der leden, ‘maar wet wòrtillustratietier vlook5) mittillustratiet légillustratie' pail. Vroeger warrillustratiet hier díp, en nouwókal pruttillustratiech6).’ - ‘Nou, tis toggillustratiemboel bétillustratierasfroegillustratier, toe jillustratielanswintillustratiers villustratierzoop illustratiendillustratie kleum7) in kreech. Nou houtillustratiet stoommillustratiesín illustratiet wátillustratier mooi leeg.’ - ‘Já, dat ding wárillustratiezillustratie eersterrillustratiech teugillustratie, maar nou binnillustratiezer blait mé: tizzillustratien goet millustratiesin.’ - ‘Hé, dassmaakt zoon koppí missòiker: dat cheeft moedillustratier nítallillustratie dágillustratie; ennouw illustratien flippí8) mit wet kèzillustratieròp, só kennillustratiewillustratiet vòlouwillustratie.’ En zich tot de broeklanders

[p. 39]

wendende vervolgt hij: ‘Jòngillustraties, hejjullíjillustratie stikkillustratie1) wel baíjillustratie? Ksouwillustratier máríntje némillustratie, maar denkillustratieròm, leg je boel nítòptillustratiebank, tí zítillustratier wán2) òit: we hewwillustratiedillustratieròppillustratiestapt.’ - ‘Nou naggillustratien slòkkí toe en den vòrt maar weer. Azjullí nou roejillustratie toddasstik fan Teun, den gánillustratiedillustratier twé lópillustratie en dillustratie árillustratie blaivillustratie várillustratie toddillustratie skaaisloot: deer vindillustratiewe millustratiekaar.’ - ‘Das choetook, aars souwillustratie in deuzillustratie vlókillustratie sloot naggan dillustratie grònt rákillustratie. Imillustratiezévillustratient sai Keez nag dattí vandillustratie zeumillustratier bai zillustratienarillustratievmorgillustratie3) nít kònnanskítillustratie mittillustratie hooipraam vórí moddillustratiertat4).’ Na een poos voegen de wandelaars zich weer bij het gezelschap en geven de namen der bekeurden op. Daarna wordt de tocht hervat, die thans haar einde nadert. - ‘Wattillustratiemmójillustratie zeumillustratier, en wattebbillustratiewillustratie illustratien hooi teelt fantjaar. Tskeelt wabbai villustratierlédillustratie zeumillustratier: toew allillustraties nattindillustratie barrillustratieg enlátillustratier skimmillustratielillustratiech ennou dróg en pòik.’- ‘Spaitillustratieg maar daddillustratie kees soon bítjillustratie geldt endillustratie baispullillustratie5) ook: die toetillustratie6) vantjaar, zillustratie binnillustratie niks waart; datteppaarzillustratieweest toe dillustratie biggillustratie ent spek duur wárillustratie: toe kòjjillustratie illustratier naggillustratierzan verdienillustratie.’ - ‘Glukkillustratieg daddillustratie sképe niet sówònganz7) binnillustratie, dat was villustratierlédillustratie járillustratiem millustratierákillustratiel: indillustratie Bímstillustratier gòngillustratiezillustratie allillustratiegaar zówattillustratiem pòntjillustratie8) wech.’ - ‘Maar willustratie binnillustratiedillustratier: dazwérovvillustratielópillustratie. Nou morrillustratiegillustratie de arillustratie kant, billustratiezòiillustratie illustratiet dorrillustratiep. Den kewwillustratie wellillustratien uurtjillustratie látr billustratieginnillustratie. Azwillustratie maar weer zòk choetweer hewwillustratie ist best.’ En met een ‘goejillustratie dach sámillustratie, tot morrillustratiegillustratie’ nemen de schouwers afscheid van elkaar en keeren in troepjes huiswaarts.

..........

Den volgenden morgen komt het gezelschap weer te bepaalder plaatse, en is ook het schouwersschuitje met de broeklanders present. 't Is goed weer met harden wind. - ‘Goejillustratie morrillustratiegillustratie, goejillustratie morrillustratiegillustratie, dat kennillustratier wellillustraties spannillustratie azwe òbdillustratie Waizillustratient kòmmillustratie ovvòbdillustratie zoijillustratiergansloot: dillustratieris ásillustratiem, hoor.’ - ‘Nou, tissowerrillustratieg niet. Dillustratie skòitis starrillustratiekendillustratie riemillustratie ook: Willustratie zellillustratienillustratiet wel bolwerkillustratie. - Wazjillustratie gustillustratierévillustratient nít loof9)?’, vervolgt hij, zich tot een der oudste leden wendende, ‘dat lópí wazzillustratien hélent! Main binillustratie warillustratie zangillustratierillustratieg. Blikstín! jillustratie kemmerrillustratiekillustratie dat jillustratie dillustratie seuvillustratietillustratieg het.’ - ‘Ja nou, ik hattillustratietook beet. Millustratie waif wouweerstattek nít mégòng vandaach: aars kraigjillustratie morgillustratie dillustratie leg weer10), zai zillustratie, dillustratie árillustratie kennillustratienillustratiet billustratiest of. Márik dankillustratier voor. Zoon skouwdacchi maggillustratiek wel: jillustratie het naggillustratierillustraties wettammillustratiekaar en zínillustratiet lantillustratiers choet.’ - ‘Jòngillustratie ja, millustratieheer,’ zegt er een tegen den secretaris, ‘gustillustratier hebbillustratiewillustratie Lózillustratie Kéz óvillustratierillustratiesloegillustratie: tiz nítillustratiewalt, jillustratie kennillustratiet gillustratierust opskraivillustratie.’ - ‘Deer hewwe ònzillustratie búrillustratie ook, di binnook ant skouwillustratie. Ze hewwillustratie maar ín roejillustratier: gossímainillustratie, di kérillustratiel hettillustratien plok11).’ - ‘Nou, zillustratie zillustratiellillustratie