Een woord vooraf.Het rijke materiaal voor de lagere vaktalen, dat ik pas tijdens den druk van dit deel, in Vlaanderen heb opgespoord, en de daaruit gevolgde verruiming van inzicht, zijn oorzaak geworden, dat de tòch al betrekkelijk krap toegemeten omvang van twee deelen, op verre na niet meer toereikend bleek, de heele afwikkeling der sociologische taalstructuur te bevatten. Pas het derde deel zal derhalve - na nog eenige hoofdstukken over sociale kringen - met de aangekondigde synthese van locale, familiale en sociale taalgroepen in het Algemeen-Beschaafd Nederlandsch kunnen sluiten. Dank dus op de eerste plaats aan mijne Vlaamsche vrienden, vooral aan Dr. A. Laporta te Lier, die mij een volledige verzameling zeldzame taal- en volkskundige Vlaamsche tijdschriften bezorgde. Hoe vruchtdragend nu mijn verblijf in Vlaanderen, voor den inhoud
van dit deel ook geworden is, voor den beloofden datum der uitgave werd het
noodlottig. En dat ik het geduld mijner lezers nog niet veel langer op de proef
heb moeten stellen, hebben zij op de allereerste plaats te danken: aan de
noeste vlijt en de onbaatzuchtige hulpvaardigheid, van mijn vriend en collega
Willem Kea S.J., die, terwijl ik in den vreemde mij aan heel andere belangen
moest wijden, niet slechts met Jos. d'Aquin S.J. bijna al de drukproeven
verbeterde, maar bovendien zoo vele lijsten van dit deel, in trouwe
zorgvuldigheid uitwerkend verrijkte, en vooral, met zoo vriendelijk beleid,
heel mijne wetenschappelijke huishouding te Nijmegen heeft beheerd. Dank verder
aan mijn ordebroeders J. Padberg en J. Speekman, die hielpen bij het
transscribeeren der Joodsche teksten, aan O. Huf die behulpzaam was bij de
verzameling van het reclamemateriaal, aan E. Uylings die mij niet slechts veel
stof, maar ook de uitkomst van lange uren taaien arbeid ter beschikking heeft
gesteld, en eindelijk aan Jos. van Bael en H. Koch, die materiaal verzamelden
voor de socialistentaal, waartoe verder van buiten ook S.J. Robitsch, ambtenaar
aan het Bureau der Katholieke Sociale Actie te Leiden, Amand Simoens, gewezen
voorman der West-Vlaamsche socialisten, thans ambtenaar aan het Secretariaat
der Christelijke Vakvereenigingen te Gent, de werklieden-afgevaardigde W.
Pastoors, en de bekende socioloog F. Drijvers te Willebroeck: me nog allerlei
inlichtingen hebben verstrekt. Voor de rechtstaal hielpen eenige
vingerwijzingen van Mr. Drucker mij het eerst op weg, en kon ik later bij de
uitwerking met het hooggewaardeerd inzicht van Mr. Dr. Charles Raaymakers S.J.
mijn voordeel doen. Twee jagerszonen onder mijne leerlingen: Maurice Brouwers
en Piet van Hasselt waren voor dezen kring welkome helpers. Bovendien heeft de
laatste, door ook weer verdere hulp te vragen bij ervaren Nimrods, mijn reeds
afgewerkte woordenlijst nog op vele punten laten verrijken en verbeteren.
Dank ook aan Henri Povel, die mij het materiaal voor den stijl der aanplakbiljetten bezorgde, aan Alb. Hendrikx die een reeks soldatenliedjes aanbracht, en aan mijn vriend Jac. van Alphen, die een heel lijstje straatroepen inzond, De soldatentaal ten slotte zou heel wat pooverder zijn uitgevallen, had ik niet in Generaal A.N.J. Fabius een medewerker gevonden, die ten eerste door het toezenden van allerlei minder toegankelijke boeken en boekjes: me het materiaal te grabbel wierp; en ten tweede door vele brieven, met zijn helderen kijk en trouwe vaderlandsche hart: mij de legertoestanden niet slechts, gelijk ze naar buiten blijken, leerde zien en begrijpen, maar vooral ook, gelijk ze van binnen in de harten onzer militairen leven, leerde aanvoelen en verstaan. Niet minder echter dan om hunne heusche gaven, voel ik mij aan al de genoemde medewerkers tot erkentelijkheid verplicht: om de hooge altruïstische opvatting hunner helperstaak. Zij hebben mij namelijk geen van allen, hunne eigen meeningen willen opdringen, maar mij objectief slechts feiten gerapporteerd, zoodat ik het heele boek met gerust geweten het mijne mag noemen, en ik alleen, voor alles, de volle verantwoordelijkheid draag. Voor een der eerste hoofdstukken ben ik ten slotte zeer veel geholpen door een hooggeachte specialiteit, die evenwel toen hij mijn tekst en conclusies zag, zijn spijt betuigde me tot dan toe te hebben bijgestaan, van toen af alle verdere medewerking opzei, en me zelfs verbood zijn naam te noemen. Ook aan hem dus, trots alles, mijn oprechten dank met blanco adres. Ik heb, in 't openbaar, van deze intiemere zaken rekenschap willen geven, omdat de sociale samenwerking in de wetenschap, die ik met raad en daad zoek te bevorderen, wellicht hiermee haar voordeel kan doen.
Dit boek verschijnt in droeve dagen. Antwerpen is gevallen. Een half millioen Vlamingen vertoeven thans als arme vluchtelingen in ons midden. En onwillekeurig gaan mijn gedachten terug naar 1585. Ook toen kwamen na Antwerpens val: duizenden en duizenden, sommigen na een omweg over Engeland of Duitschland, in ons vrijgevochten landje bijeen, en wrochten er met onze vaderen samen: de groote werken onzer gouden eeuw. - Maar of de Vlamingen hier zullen blijven of weer huiswaarts keeren, óf dan de krijg aan Duitschland of de verbondenen de zege brengen zal, Holland en Vlaanderen voelen zich weer inniger vereend, in de ontmoeting van wit-lavendel-lot en roode-egelantiers-troost ‘uut levender jonste, in liefde bloeiend’! Gave God, dat dit boek, waarin aan de Vlaamsche naast de Hollandsche tale, haar volle plaats is ingeruimd, de heraut mocht zijn van Groot-Nederlands nieuwen gulden tijd: met maatschappelijken welstand, sociale liefde, en hooger leven waarin DE ZIEL OVERWINT! dan zou de schrijver eerst gehéél- en gróót-gelukkig zijn.
Jac. van Ginneken s.j. Canisius-College, Nijmegen. 18 October 1914. |