Eerste hoofdstuk. De Jodentaal.De Joden zijn een fel woestijnvolk, tusschen tammer woud- en akkerbouwvolken verdwaald, een Oostersch heet geslacht aan de lauwe Westerkusten verjaagd, een meer subjectief trekkend Semietenvolk onder veeleer objectieve en gezeten Indogermanen verstrooid, en tòch zijn ze altijd en overal in het diepste van hun wezen zich zelf geweest en gebleven. Altijd veracht, maar altijd invloedrijk, overal achtergesteld en overal althans in eenigen hunner, met succes naar voren dringend, allerwege voor uitvaagsel en vreemden gehouden en allerwege toch met weinigen betrokken in de geheimste en intiemste verwikkelingen, nooit een ras geweest en als volk verstrooid en toch één gebleven, steeds arm neerhurkend in den beginne, en bijna overal, zij het ook niet allen, tot machtigen rijkdom hoog geklommen in 't einde, zijn zij een éénig verschijnsel in de wereldgeschiedenis, dat bijna overal vrees en ontzetting inboezemt, en z'n diepsten grond vindt, in een wonder samentreffen van temperament- en karaktereigenschappen, die, mogen ze al niet immer bekoren door hun diepe veelzijdigheid, toch door hun keurige aaneensluiting en onderlinge aanpassing ware bewondering afdwingen. Wie daarom de oude wereld verstaat, weet veilig dat niet minder dan
Egyptische beschaving of Babelsche astrologie; niet minder dan Grieksche
kunsten en wetenschappen of Romeinsche legioenen, de Palestijnsche
Israëlieten daar staan, als een geweldige bergmassa van oud-menschelijke
grootheid, misschien alle andere overtreffend, maar zeker al de grootste
evenarend. En wie de geschiedenis der nieuwere tijden te weten meent, en niets
van de onder ons levende Joden kent, moet maar stilletjes nog eens opnieuw
beginnen. Want sinds de Joden aan het einde der middeleeuwen uit het
Apennijnsche en Pyreneesche schiereiland verdreven, zich over later beschaafde
landen van Europa, en meer in 't bijzonder over Holland, Engeland, Duitschland,
Polen, Litauwen, Hongarije en Roemenië hebben uitgespreid, is er heel wat
door hen gewrocht. Overal waar wij in de 15de en 16de
eeuw, de Joden in grooten getale zien verdrijven, daar komt tamelijk plotseling
een tijdperk van oeconomisch verval. Van 1492 af tot het einde der
16de eeuw worden alle Joden uit Spanje en Portugal verdreven. En op
het einde der 16de eeuw is het oeconomisch lot van Spanje en
Portugal beslist. In Italië worden de Joden in 1492 uit Sicilië,
1540-41 uit Napels, 1550 uit Genua en Venetië verdreven, en het
oeconomisch verval treedt overal in. Reeds vroeg worden de Joden uit de meeste
Duitsche handelsteden verjaagd: Keulen 1424-25, Augsburg 1439-40, Straatsburg
1438, Erfurt 1458, Neurenberg 1498-99, Ulm 1499, Regensburg 1519; en als echo
volgt overal weer de oeconomische nood. Van den anderen kant is Livorno een der
weinige Italiaansche steden, die in de 16de eeuw opkwamen, en het
is ook juist weer hetzelfde Livorno, dat bijna alle naar Italië vluchtende Joden opnam. En in Duitschland, wie openen daar voor de Joden hunne poorten? Hamburg en Frankfurt a/Main. En de handelsgeschiedenis derzelfde eeuw is dan ook vol van hun bloei. In het Frankrijk van de 17de en 18de eeuw zijn Marseille, Bordeaux en Rouaan de bloeiendste handelsteden, en waren tevens een eeuw daarvoor, de reservoirs geweest die de Joodsche vluchtelingen hadden opgevangen. Ook Engeland nam in de 16de eeuw vele Joden op. Vooral in de 18de eeuw vermeerderen zij zich nog voortdurend. En het gevolg liet zich alweer niet wachten. Het causale verband tusschen de komst der Joden en den handelsbloei werd ook in zeer vele dezer gevallen door tijdgenooten geconstateerd. Zoo waren onze voorvaderen toen Manasseh ben Israël op z'n bekende reis naar Engeland toog, zeer beducht, dat de Hollandsche Joden daarheen zouden verhuizen, en onze gezant in Engeland Neuport kreeg last Manasseh daaromtrent te interviewen. Wanneer ook maar de helft waar is van al deze feiten, die Sombart (Die Juden und das Wirtschaftsleben, Leipzig 1911), op grond van vele gegevens, aan de Joden toeschrijft, zegt Steinmetz, en ik zeg het hem na, dan moet hunne, zij het ook eenzijdige oeconomische kracht haast wonderlijk groot zijn. En ook Holland heeft daar mede van geprofiteerd. De eerste Portugeesche Marranen komen in 1578 te Amsterdam aan, en in 1597 hebben zij reeds hun synagoog Beth Jaacob. Daarvan getuigen nog de volgende Portugeesche en Spaansche geslachtsnamen van Nederlandsche Joodsche families aan Winkler ontleend: Da Costa, Spinoza, Da Cunha, Carvalho, De Pinto, Diaz, Vaz, Santilhano, Pinedo, Pereira Salvador, Ferares, Mendes, Chumaceiro, Del Canho, Alveres Vega, Sequeira, Sarphati, Oliveira, Salzedo, De Lima, Cappadose, De Leon, Cardozo, Caminha, D'Andrade, De Souza, De Miranda, Montanhes, Belinfante, Coutinho, D'Oliveira, D'Ancona, Melhado, Cassuto, Querido, Pesaro, De la Fuente, De Murcia, Morpurgo, Montezinos, De Casseres, Palacios, Gomez de la Penha, Henriquez de Castro, Teixeira de Mattos, Vaz Diaz, Vaz Nunes, Bueno de la Mesquíta, Franco Mendes, Cattela de Lima, Ozorio Colaço, Cohen de Lara, Lopez de Suasso, Orobio de Castro, De Leao Laguna, Santcroos, Salvador enz., alle tot den huidigen dag in gebruik. Men meene daarom niet, dat ik nu zoo kortzichtig ben, om den opbloei van onze gouden eeuw enkel en alleen de Israëlieten als een pluim op de muts te steken. Neen, gelijk overal werkte ook hier eene hiërarchie van oorzaken te zamen, maar wie onder deze oorzaken de Joden heelemaal wegcijfert, als W. van Ravesteyn (Die neue Zeit, 1912), vervalt juist in het omgekeerde uiterste, dat hij Sombart verwijt. De rijkste Portugeesche en Spaansche Joden waren immers naar Holland gekomen: Manuel Lopez Homen, Maria Nunez, Miquel Lopez, e.a. Maar ook uit Duitschland verjaagde Joden kwamen naar Groningen en Amsterdam. Aanvankelijk slechts de arme uitwijkelingen van Worms, Spiers en Frankfort in 1615-1635. Maar na 1648 ook vele verdrevenen en vervolgden uit Litauwen, Polen, Galicië en Roemenië: rijken, groothandelaren en dragers van wetenschap. In 1540 waren toch volgens J.M. Hillesum, van de 3700 groothandelaren in Polen er 3200 Joodsche. Hadden beide naties in den beginne een afzonderlijke gemeente gevormd, in 1673 moesten Polen en Duitschers, zich op last der stedelijke regeering tot ééne kerk vereenigen. Hunne afkomst leeft vaak nog voort in hun tegenwoordige familienamen: Wertheim, Emrik, Krakau, Cracau, Lemberg, Presburg, Oppenheim, Barnouw (in Pommeren), Konijn (Conin in Polen), Libau, Lissa (in Polen), Mesritz, Meseritz (in Polen), Wyborgh, Wyburg (in Finland), Wallach, Walch, Bloch, Blog (= Wallachijer), Riga, Belgrado, Calisch, Speyer (= Spiers) Frankfort, Wormser, Hildesheim, Bohemen, Prager, Bosnak (= Bosniër), Simmeren, Pohl, Polack, Polak (= Pool), Binger, Hamburger, Frankfurter, Eltzbacher, Bremer, Altorfer, Augsburger, Berliner, Bregentzer, Dannenfelser, Darmstädter, Kirberger, Mausvelder; van Emden (vele Portugeesche Joden kwamen in 1583 over Emden naar A'dam) van Norden, van Leer, van Gelder, van Crevelt, van Minden, van Cleef, van Coevorden, van Maagdenburg, van Dantzig, van Goch, van Grau (in Hongarije). Ca 1650 zijn dan ook talrijke Israëlieten over al de Geünieerde Provinciën verspreid, en noemen de Joden zelf Amsterdam reeds, hun nieuw en groot Jerusalem. Aan de Joden heeft Amsterdam dan ook zijn heele diamantindustrie te danken. Het actiekapitaal onzer Oost-Indische Compagnie is voor een deel in Joodsche handen geweest en Joodsche beambten waren daarvan het natuurlijke gevolg. Onze West-Indische Braziliaansche kolonie bestond en bloeide bijna uitsluitend door Nederlandsche en Portugeesche Israëlieten. Alle suikerplantages waren in hunne handen. Wij zagen boven bij het West-Indisch, hoe uit hunne mengtaal daar het Djoe-tongo ontstond, dat zij naar Suriname overplantten. Ook op Suriname waren en zijn vele der inwoners Joden en een derde der plantages in hun bezit. In de Noord-Amerikaansche kolonie aan de Hudson kwamen ook Amsterdamsche Joden met de uit Brazilië verdrevene samen, die, gelijk van Amsterdam uit geschreven werd, moesten toegelaten worden ‘because of the large amount of capital which they have invested in shares in this Company.’ En van Nieuw-Amsterdam gingen zij ook spoedig, naar Long Island, Albany, Rhode Island en Philadelphia. Ook onze groote financiers der 17de eeuw waren voor een deel
Israëlieten. Men denke slechts aan Mozes Machado, den gunsteling van
stadhouder Willem III, het gezantengeslacht der Belmontes, en aan den rijken
Isaäc Suasso, die aan denzelfden stadhouder in 1688 twee millioen gulden
leende. In de 17de en 18de eeuw komen verschillende
vorsten van Europa in hun geldnood naar de Pinto's, Delmontes, Bueno de
Mesquita's, d'Acosta's te Amsterdam of in den Haag een leening sluiten. Salomon Medina, Merides da Costa en de Suasso's volgen Willem III naar Engeland en worden ook daar groote geldmannen. Zeker, Sombart overdreef, toen hij meende, dat de rijkste bankiers dier dagen allen Joden waren. De Hope's, Clifford's, Deutz-en, Goll's, Hogguer's, Pels-en, De Smeth's, Muilmans, Meulenaers en van Marselis'sen waren geen Joden; maar of van Ravesteyn nu ook weer niet te ver gaat, als hij de genoemde Joodsche financiers, tot een ‘obere Schicht’ rekent, die ‘im damaligen Amsterdam ... viele Hunderte Christen zählte’ durf ik althans met reden vermoeden. Als wij dus Sombart van overdrijving beschuldigen als hij beweert dat alles wat in de 18de eeuw in Holland met beurs, speculatie, geldleening of de toen pas-nieuwe obligaties in verband stond, geheel en al van Joodschen geest doordrongen is en bijna alles op de Joden drijft, dan zien wij hierin niet een blunder, maar een éénzijdig naar voren trekken van een fragmentarische waarheid. Of heeft van Ravesteyn ook nagegaan, welke Joodsche chefs de genoemde firma's in hun dienst hadden? Max Weber heeft bewezen, dat veel bestanddeelen van het moderne kapitalisme, dat knaleffect onzer Westersche beschaving! aan de dogma's der Engelsche Puriteinen ontleend zijn. En daarbij aansluitend vond Sombart, dat juist die Puriteinsche leerstellingen niet slechts op Joodschen invloed berustten, maar bijna formeel uit Talmud en verdere Joodsche traditie waren overgenomen. Ik laat dit alles gaarne over aan de studie van meer deskundigen; maar dit staat na al het voorgaande wel vast. In de 17de en 18de eeuw is de invloed der Israëlieten op Nederland van relatief groote beteekenis geweest. En dit is in de 19de eeuw nog niet heel veel veranderd. Fruin zegt dan ook niet zonder reden, dat ‘het Israëlietische element, hoe weinig talrijk het ook zij, op den algemeenen maatschappelijken toestand hier te lande, een zeer merkbaren invloed uitoefent, en wel in de eerste plaats bij de ontwikkeling en richting van het handelsverkeer. In den eindeloos vertakten kleinhandel is het ongemeen bedrijvig en nuttig. In den groothandel is het aan de beurs met eere vertegenwoordigd op elk terrein, vooral op dat van bank- en credietwezen. En zoo er groote zaken en stoute ondernemingen gedaan worden, het heeft hierin niet het kleinste deel’. Wel zeggen de deskundigen, dat in de laatste jaren gaandeweg de Joodsche invloed vermindert, omdat van den eenen kant de Germaansche handelaars en financiers, de Joodsche handigheden en bekwaamheden, op den langen duur van hen afgekeken en meesterlijk aangeleerd hebben; en van den anderen kant de Joden al langer hoe meer hun best doen, om zich in alles aan de volken waaronder zij leven aan te passen; maar pas de geschiedenis der toekomst zal hiermee rekening te houden hebben. Wij echter, die de ontwikkeling der Nederlandsche taal in de laatste eeuwen uit geschiedenis en volkskarakter trachten te verklaren, mogen en moeten dus uit al het voorgaande besluiten, dat wij geducht met het Jodendom in ons vaderland rekening zullen moeten houden, en wel vooral in de geschiedenis van het Amsterdamsche dialect. Volge dus nu eerst een nauwkeuriger ontleding van het zoo opvallende Joodsche karakter. Hoewel ik hierbij somtijds op feiten en toestanden uit oudere perioden terugwijs, is mijn bedoeling toch niet, dat al deze karakter-eigenschappen bij het Joodsche volk van den beginne af erfelijk zouden geweest zijn, wat Sombart schijnt te meenen, maar wil ik vooral de Nederlandsche Joden en het meest nog die van Duitsche afkomst karakteriseeren. Ook meen ik volstrekt niet, dat deze eigenschappen zich bij elken Nederlandschen Israëliet volledig laten terugvinden; mij dunkt alleen, dat onder hen een veel grooter proportie van zoo aangelegden voorkomt, dan onder de echte Nederlanders. Ik geef ze dus, om in de terminologie van Steinmetz te spreken, als distributieve groepeigenschappen. Of er misschien ook elementaire groepeigenschappen bij zijn, laat ik aan het verder onderzoek over. Verder geef ik gaarne toe, dat ook met den besten wil om louter objectief te zijn, ik wellicht niet aan alle ras-partijdigheid heb kunnen ontkomen. Moge deze openhartige erkenning dus een waarschuwing zijn voor den lezer! Maar gelijk ook reeds in het eerste deel is gebleken: de gewoon menschelijke gebreken, leenen zich overal beter tot een psychologische groepkarakteristiek, dan deugden of helden. Ik moest mij dus wel aan dit gevaar blootstellen. Het meest typische kenmerk is misschien wel, dat de Israëliet
zoo instinctmatig voelt, dat de geest meer waard is dan het lichaam, dat de
mensch geen dier is. Zelden verdient de Nederlandsche Jood zijn brood met
handenarbeid. Ruppin en Steinmetz wijten dit vooral aan hun afkeer voor
eentonig werk, ik geloof echter dat dit slechts een bijkomende oorzaak is.
Behalve slagers, die er voor de orthodoxe Joden wel moèten zijn, ken ik
geen enkel ambacht, waarvoor de Joden ten onzent een noemenswaard procent der
handarbeiders leveren. Wel zijn ze in dienst der grootindustrie, waar
oplettende handigheid en fijne vingers te pas komen, zoo in de
diamantslijperijen en de sigarenfabrieken. De historische uiterlijke reden
hiervan, dat deze industrieën in de 17de eeuw niet in gilden
vereenigd waren en dus makkelijker de Joden toelieten, werkte samen met een
scherpere en intrinsieke reden van grootere geschiktheid. Immers alleen aan de
laatste is het te wijten, dat, nu sinds meer dan een eeuw de eerste geheel
verdwenen is, het gevolg nog hetzelfde is als te voren. Ook de moderne sport
trekt de Joden niet aan. Alleen uit vergedreven aanpassingstendenz doet hier of
daar een enkel clubje mee, te Amsterdam b.v. Poseidon; maar onder de
sportleveranciers, wat een Joden ineens! Nergens staat de wijze en de slimme en
de geleerde, dan ook zoo hoog in aller achting als bij hen: ‘De wijze
gaat vóór den koning, de wijze bastaard gaat boven den onwetenden
hoogepriester,’ zegt de Talmud. Leerplicht is dan ook in Israël van
ouden datum. De synagoog heet nòg school (sjoel), zoowel in het Oosten als hier te lande, want godsdienst en onderricht zijn één en hetzelfde, onwetendheid is doodzonde, wie niet lezen kan is een onverlaat op aarde, en een vervloekte voor de eeuwigheid. En niets wordt in de spreekwoorden van het Ghetto zoo gegeeseld als onslimme domheid: Onrecht is mij liever dan sjtoes. Een dwaas is een Gesar. Een Poolsch-Duitsch Jodenspreekwoord luidt: ‘Gott sall behüten var gojesche Händ und var jüdisch Köpp.’ In ‘MOJECH CONTRA KOJECH’, d.w.z. hersenen tegen geweld, ligt heel der Joden geheim besloten. Hun intellect-gebruik gaat evenwel in een zeer bepaalde richting, namelijk de scherpzinnigheid en helderheid in ietwat oppervlakkige, maar complexe verwikkelingen. Dat spreekt al zoo duidelijk uit hun zinbouw. Geen perioden, geen rijk geconstrueerde, diepdoordachte taalgewrochten, maar sobere, naïeve, nuchtere zinnetjes, los aan elkaar gevoegd, door het eeuwige en... en... en... voor ons een doolhof, voor hen de bloeiende tuin waar hunne gedachten als vlinders wiegelen en spelemeien. Ze denken vlug en onderscheiden scherp, combineeren handig, en zien spoedig waar 'm de knoop wringt. Jellinek merkt op, dat reeds het oude Hebreeuwsch bijzonder rijk is aan termen voor deze verstandsverrichtingen: voor ‘onderzoeken’ zijn er elf Hebreeuwsche woorden, voor ‘aanknoopen, verbinden, combineeren’ vijftien, voor scheiden en onderscheiden zelfs vier en dertig synoniemen. Daarom ook kunnen de Joden dikwijls zoo goed schaken en rekenen, zoo goed een diagnose maken als geneesheer, zoo goed pleiten als advokaat, zoo goed mazzeltjes maken op de beurs vooral. Daardoor wordt eveneens hun opmerkelijke neiging tot geestigheden, grappen en woordspelingen verklaard. De spitsvondigheid is hier echter de onvermijdelijke keerzijde van. Hunne fantasie is bijna louter combineerend. De scheppende verbeelding of intuïtie, en de fijn bekoorlijke aanschouwelijkheid worden dikwijls gemist. Wel vindt men bij hen ‘veel ingenomenheid met het uiterlijke, met schitterende kleuren en schetterende klanken’, gelijk Fruin het zeer gelukkig uitdrukt. Vandaar bij Joden slechts zelden dat fijne, instinctieve verstaan, half op gevoel half op verbeelding berustend, dat den omgang met hoog beschaafde Indogermanen zoo vol, diep en zoet maakt; even zelden als mystiek of wat daarnaar zweemt, nooit Schwärmerei met blauwe idealen, maar altijd een opvallende nuchterheid (sprak Eduard Meyer niet van koele, nuchtere berekening, nuchter denken, ontzettende nuchterheid?), bijna nimmer de spontane subconsciënte invallen van het genie. Hun beamingen zijn dan ook dikwijls in zóóver abstract en inconcreet, dat ze het zieleleven en het sociale leven niet in hun volle werkelijkheid aanvoelen. 't Zijn meer genummerde verschijnselen in een Israëliet, het eene zus, het andere zoo, maar een stuk leven heelemaal in zijn onvergelijkelijke volheid, zijn organisch gegroeide eenheid, vooral in den West-Europeeschen mensch het persoonlijke te vatten, daartoe ontbreken de meeste Israëlieten de gaven. Toch zijn zij soms scherpe menschenkenners, maar dàn analytisch. Zij zien 's menschen eigenschappen, alle zwakheden en deugden, één voor één, en vooral dat hij híérvoor deugt en dáárvoor niet deugt; maar hoè zoo'n Westerling in het diepste van zijn wezen alles waardeert, aanvoelt en in de geheimkamer van zijn koninklijk hart of geweten, vonnis velt en eerelauweren uitreikt naar welbehagen, wat voor atmosfeer er hangt in de diepste ééne zielesfeer! de zielekleur, het zielscachet der Gojim, daarvan heeft menig, overigens scherpzinnig Israëliet, geen flauw vermoeden. Want de Jood is geboren individualist en liberaal. Vrijhandel en vrije concurrentie! want hij kent geen menschen of nooden van vleesch en bloed, slechts abstracte staatsburgers, rechtssubjecten en plichtdragers, die allen werken volgens een vaste formule, die uit de statistieken is af te lezen. Maar alle intellectualisme, en vooral dit soort, is au fond oppervlakkig en bijziende, het dringt nergens in de diepte des levens en der ziel. Naast zulk een groot praktisch verstand, en gedeeltelijk als een uitvloeisel daarvan, heeft de Israëliet nu een even machtige praktische gave: te weten wat hij wil. Die doelbewustheid is hem aangeboren, in een ontzaglijke perseveratie-tendenz. In alles ziet hij een ‘middel òm’. IS DE INDOGERMAAN ALS HET WARE GEDRENKT IN HET CAUSALITEITSBEGINSEL, DE ISRAËLIET ZWELGT IN FINALITEIT. Wij Germanen vragen altijd: Hoe kwam dat en waarom? De Jood denkt alleen: Wat brengt dat mee, waartoe kan ik het gebruiken, waarvoor kan het dienen? Wij leven in het tegenwoordige en het verleden, de Jood leeft zeker in het heden, maar om het op te offeren aan de toekomst. Een vergelijking van de werkwoordsvormen in de Semitische en Indogermaansche talen kan hierover nog zoo ontzaglijk veel leeren. De Indogermaan zegt zoo graag: Coronemus nos rosis, cras enim moriemur. De Jood is een Crastinist, d.w.z. hij ligt graag krom vandaag, om het morgen breed te hebben, óók al komt aan dien dag van heden geen einde. Zelden geeft hij zich onbevangen over, aan de omgevende buitenwereld, zelden zwemt hij in de koele feitenwateren of zweeft hij zorgeloos op in blauwe denksferen, zelden duikt hij gedachteloos onder in de diepten van het menschenleven; als hij zwemt, dan is het als een casuïst naar een distinctie, om het princiep te redden; als hij stijgt, dan is het als een valk om een reiger; als hij duikt, is het in een duikerpak om het goud, dat een gestrand schip gul op den bodem der zee heeft uitgestrooid. Geen woord bekoort hem zoo als de klanken van ‘TACHLIES’ die, doel, oogmerk, resultaat beteekenen. ‘Tachlies’ moet àlles zijn wat hij doet. ‘Tachlies’ is de diepste zin van zijn bestaan. ‘Tachlies’ is de éénige alomvademende ruimte van zijn heelal. Niet Tragiek of Gods verwoest ideaal, maar ‘Tachlies’ is voor de meeste Israëlieten het leven, de wereld, het al. En wie dat met Steinmetz eenzijdig ‘als practisch egoïsme’ verstaat, heeft geen flauw vermoeden, van het diepe onderscheid in zielsaanleg, dat achter dit tooverwoord schuilt. Zeker, Heine sprak van ‘Zwecklos wie die Liebe, wie das Leben.’ Maar hoeveel onzer Israëlieten voelen hem dat na? En daar zijn ze trouwens niets minder, maar slechts anders om. Tot zoover is dit alles een uitvloeisel van hun verstandelijken praktischen aanleg en hun perseveratie-tendenz. Nu komt daarover heen een weidsche koepel, een blinde berg van langzaam maar onweerstaanbaar voortdrijvende energie. Als een vlottend werelddeel is Israël onzen Atlantischen Oceaan in komen varen en heeft vele Europeanen op zij gedrongen. De weergaloos taaie wilskracht, de koppige hardnekkigheid (het woord is van Heine) is het wezen van het Joodsche bestaan. Onverstoord in tegenspoed, kalm lijdend in plagen, alle gewenschte vormen van godsdienst of staatkunde omhelzend voor het uiterlijk, zich zelfs dood houdend bij wijlen neergedoken in duister, maar zoet hopend reeds bij den eersten schemerschijn van uitkomst, geduldig wachtend tot alles opklaart, en aldoor peinzend, zwoegend met groote plannen, tegen allen storm en vervolging in, en eindelijk triomfeerend in goud van geluk en zonneschijn! zóó waart de Joodsche natie als een reusachtige vogel, met haar zielseigen jong het kapitalisme, onze nieuwe geschiedenis door. O zeker, vele Joden komen de verdrukking niet te boven, en beschouwen zich soms terecht als de verdrukte onschuld. Vele der onaangename hebbelijkheden, die wij Europeanen meer als zij trachten te vermijden, hebben wellicht juist aan die schandelijke verdrukking hun ontstaan te wijten: zoo vooral hun minachting voor anderen, hun exclusivisme. Hun verwaandheid en blufferigheid, hun vaak linksche, onbeschaamde op- en indringerigheid, het ‘breed laten hangen’ verklaart Steinmetz zeer aannemelijk uit het parvenu-schap, waarin zich de meeste welgestelde Joden bevinden. Bovendien is waarschijnlijk de supranormale proportie van meer dan middelmatig begaafden, eveneens aan de doorgestane eeuwen van ellende en Auslese te danken. Een dergelijk verschijnsel vinden wij b.v. ook bij de Noordbrabantsche katholieken. Want de Europeaan - de Nederlander wel is waar iets minder - heeft zich tegen den Aziaat duchtig geweerd, hem vervolgd en vermoord, belasterd en door uitzonderingswetten vernietigd zonder mededoogen; en nog heden is het Antisemitisme een kracht van haat, waar helaas de wereldgeschiedenis mee rekent. Als echter sommige Joodsche schrijvers daardoor vooral getroffen, beweren dat men de geschiedenis van het Jodendom in West-Europa, zou kunnen schrijven in louter passieve verbaalvormen, daar zij nooit iets zelfstandig gedaan hebben, maar alles lijdelijk zouden gedaan zijn; dan miskennen zij moedeloos een der bewonderenswaardigste eigenschappen van hun nationaal volkskarakter! Het gevoelsleven der Joden is niet fijn, hoe hartstochtelijk ook in volle kracht. Er moet heel wat gebeuren eer hij bewogen wordt. Daar is de Jood te nuchter voor. Ook Steinmetz spreekt van gevoelsdorheid en geringere emotionaliteit, en een zekere kruiperigheid is onmiskenbaar. Daarom voelt hij ook weinig voor een persoonlijke overheersching van ziel over ziel, een persoonlijk vereeren en adoreeren van ziel tot ziel, een ridderlijk dienen, een teergevoelig aanhuiveren. In plaats daarvan vindt men bij de meesten hunner, een ietwat plakkerige gezelligheid, een ietwat zwoele toon van familiariteit, waar zij zelf groot op gaan, als aan de gojim onbekend, maar die ook heel spoedig in heftig meeningsverschil overslaat, als de persoonlijke belangen in conflict komen. Velen gaan recht op het sexueele af en recht op het geld. De echt vrome Jood gaat recht-toe recht-an naar God, en de minder vóorkomende maar toch altijd hier of daar weer opduikende type van den goedigen Jood, als de Mozes van Fritz Reuter is ook zóó goed in eens: als een kussen met watten. Van de rijke gevoels-complexen van tragiek of romantiek vindt men in velen hunner geen spoor. Enkele geniaal aangelegden kunnen hier, evenmin als overal elders, iets aan afdoen. Als uiterlijk gevolg van die aldoor tintelende streving daar binnen, zien wij den Israëliet van buiten, erg bewegelijk en schielijk onrustig, ja soms rusteloos. Niet slechts in de bewegingen en gebaren zijner handen en armen, maar nog sterker door zijn drijvende actie in het maatschappelijk leven. Bijna alle aanleggers van feesten, tentoonstellingen, herinneringsvieringen in onze groote steden, zijn Joden. Niemand als zij, heeft voor zulke dingen zooveel blakende, altijd wakkere knetterende energie beschikbaar. Dat verklaart althans ten slotte nog eens te beter hun bewegelijk aanpassingsvermogen aan alles en allen. Want de vereeniging van ‘OPINIÂTRETÉ ET SOUPLESSE’ is naar Leroy-Beaulieu's onweerlegbare uitspraak hen eigen in den allerhoogsten graad. ‘Le juif est à la fois le plus résistant et le plus pliant des hommes, le plus opiniâtre et le plus malléable’. En dáárom liggen, nu de daemon der onrust er weer toe drijft, in de Jodenzielen onzer dagen de meest orthodoxe rechtge-loovigheid, en het verregaandst aufgeklärte scepticisme zoo dicht bijeen; waarlijk zoo ooit, om dieper eenheid van contrasten, les extrêmes se touchent, dan is het hier. De Joden zijn dan ook de beste (en ten onzent tot voor kort bijna de eenige) journalisten en de talentvolste tooneelspelers der wereld. Iedereen heeft bij het toetsen dezer karakterschets, aan de
ervaringen in eigen omgeving opgedaan, wel meer dan eens den indruk gekregen,
dat het Israëlietisch temperament toch in menig punt opvallend, met het
specifiek Hollandsch en Amsterdamsch karakter overeenstemt. De nuchterheid, de
werkzaamheid en de perseveratie-tendenz of de volharding in kalme kracht, de
mindere aanleg voor persoonlijke warmte en innigheid enz. enz. Zou dat alles
weer toeval wezen? of hebben we hier met causaal verband te doen? Het boven
over de Puriteinen opgemerkte, maakt dit vermoeden tot een waarschijnlijkheid,
waarmee wij voorloopig althans een klein beetje rekening zullen moeten houden. Achtte reeds Fruin zich niet verplicht om in zijn schets van het Nederlandsch volkskarakter, een goede plaats te geven aan de psychologie der Israëlieten? Over de geschiedenis der Joden en hun invloed op ons vaderland leze men: H. Koenen: Geschiedenis der Joden in Nederland, Utrecht 1848. R. Kaltofen: De Amsterdamsche Joden. Vragen van den Dag, 1913, Deel 38, blz. 56 vlgd., 199 vlgd. en vooral Dr. M. Wolff in de Bijdragen voor Vaderl. Geschiedenis en Oudheidkunde, 4de reeks, Deel 6, 1907, blz. 430 vlgd. Deel 9, 1910, blz. 365 vlgd. Deel 10, 1911, blz. 134 vlgd., blz. 354 vlgd.; 5de reeks, Deel 1, 1913, blz. 88 vlgd, aan wien ik graag nog vele bijzonderheden ontleend had, als de plaatsruimte mij niet had bedwongen en S. Steinmetz: Kultuurwaarde en toekomst der Joden, Den Haag 1912. De taal der Nederlandsche Joden is nog zeer weinig bestudeerd, en
dit is te meer betreurenswaard, omdat hieruit niet slechts zeer zeker allerlei
eigenaardigheden onzer handels-, bank- en geldtaal, onzer journalistentaal,
onzer dieventaal en onzer tooneeltaal, maar waarschijnlijk ook nog menige
bijzonderheid onzer dokters- en advokatentaal, misschien zelfs onzer
Protestantsche kerktaal verklaard moeten worden. Immers de kring der Joden
snijdt al deze taalkringen, en reikt in de vier eerste zóóver tot
in de centrale groep van elk, dat zij de leiding bijna alleen in handen heeft,
terwijl zij er in de twee volgende ongetwijfeld krachtig toe meewerkte, en in
de laatste althans toe bij gedragen hebben kàn. Het weinige wat wij
hierover weten zullen wij te gelegener plaatse onderbrengen. Zoo goed als alle
Joden spreken meerdere talen. Op de eerste plaats kennen zij allen min of meer
Hebreeuwsch, zij het dan ook in de nieuwe Duitsche, tamelijk vulgaire
uitspraak. Hun voortdurend opgaan in Bijbel, Talmud en Hebreeuwsche
gebedenboeken, is oorzaak dat zij allerlei woorden, vooral die voor abstracte
en religieuze begrippen, uit het Hebreeuwsch in hunne nieuwe moedertaal
overnamen. Hebreeuwsch zijn ook bijna alle woorden voor gemoeds- en
gevoelsnuances. ‘Der hebräische Ausdruck’, zegt Grünbaum,
‘ist viel wirksamer und eindringlicher als es der deutsche sein
würde, da er erinnerungs-reicher ist. Die hebräischen und
talmudischen Wörter für Wittwe, Waise, Wohltätigkeit, Erbarmen,
Ehrung der Eltern und viele andere der Art erinnern unwillkürlich an die
Bibel- und Talmudstellen, in denen diese Ausdrücke vorkommen und die Liebe
zu allen Geschöpfen zur Pflicht gemacht und dringend ans Herz gelegt wird.
Diese Ausdrücke sind altherkömmliche, von Geschlecht zu Geschlecht
überlieferte Losungsworte.’ Om dezelfde reden zijn ten slotte ook
Hebreeuwsch: alle emphatische woorden en uitdrukkingen, waartoe ook de
scheldwoorden (vooral voor Gojim) behooren. Want al is thans hun Hebreeuwsch
geen volkstaal meer, daar het van de markt en de steegjes verjaagd en binnen
synagoog en school is gevangen gezet, toch kunnen wij het ook niet een loutere boekentaal of schrijftaal noemen. Want dáár juist achter die dikke muren, ontvangt elke jonge Israëliet - ik zeide het reeds: er zijn geen analphabeten onder hen - zijn strenge opvoeding; door deze ruimten klinken nog dag-in dag-uit, de Hebreeuwsche gebeden, de Hebreeuwsche Hymnen en psalmen, wordt nog aldoor voorgelezen de echte Hebreeuwsche tekst, waarbij nog immer juist gelijk bij de Brahmanen en hun Veda's, het oude accent, de oude taalmelodie door zorgzame overlevering is bewaard. Dááraan zal het dan ook wel toe te schrijven zijn, dat welke Europeesche, Afrikaansche, Aziatische of Amerikaansche taal de Joden ook overnemen, zij al die talen toch spreken met hetzelfde, alle volken opvallende Joodsche accent en een typisch Joodsche zinsmelodie. Verder articuleeren zij altijd meer achter in den mond dan wij. Dat brengen misschien de Hebreeuwsche gutturalen mee. Maar zeker geeft dit aan heel hun taal een soort ‘joedelend’ karakter. Hier is ook een gevolg van, dat de adem dikwijls door den neus ontwijkt, wat aan al hun klinkers een hoornig neusgeluid verzekert. Verder wijzen de sterk uiteenloopende Hebreeuwsche sisklanken op een eigenaardigen lippenstand, die ons aan lispelen doet denken, en waardoor in de Jodentaal allerlei s'sen ons half als sj klinken. Een verder gevolg dier stramme lippen is de ontronding der ü, ui, eu en de vermijding der w in bijna alle Jodentalen. Voeg daar eindelijk nog bij, dat zij ook het schreeuwerig roepen, dat wij misschien ten onrechte met het woord ‘Jodenkerk’ of ‘lewaai, lawaai’ verbinden, nimmer kunnen afleeren, dan begrijpen wij zonder moeite dat wat de Duitschers ‘mauscheln’ noemen, wat door v. Seidlitz bij de Bergjoden in den Kaukasus, wat door Vambéry bij de Joden van Bagdad werd teruggehoord, wat bij de Russische Joden in Siberië, zoowel blanke als zwarte Joden van Voor-Indië terugkeert, wat noch bij de Italiaansche noch bij de Turksch-Spaansche Joden ontbreekt, met dezelfde duidelijkheid als een totaal steeds-identiek complex van mondstandbijzonderheden of echte articulatie-basis, ook aan het Joodsche Nederlandsch ten grondslag ligt. Eer wij echter nu tot het kind: de Nederlandsche Jodentaal, kunnen overgaan, moeten wij eerst de moeder: het Jodenduitsch bespreken. Dit Jüdisch-teutsch, Iwre-teutsch, Tsjines-teutsch,
Korben-Minhe-teutsch, Sidder-teutsch, Prost-jüdisch, Jiddish, Mamme
loosjen, Loosjnekaudische Sprache, Jargon, of hoe men het ook mag noemen, is
van huis uit de taal der middeleeuwsche Ghetto's in Duitschland, dus
Middelhoogduitsch. Het werd en wordt nog heden geschreven in Hebreeuwsche
letters, zelden het bekende kwadraatschrift, maar meestal het vereenvoudigde,
maar altijd onduidelijk rabbijnenschrift. Uit dit feit alleen al, kan men
vermoeden, wat trouwens hierboven reeds voor alle Jodentalen werd geadstrueerd,
dat het Hebreeuwsch diepen invloed op deze taal heeft uitgeoefend. Vooral in
den zeer eenvoudigen zinbouw, het overheerschen der nevenschikking, en de
reduceering aller verleden tijden tot één, is dit even duidelijk, als in de vele Hebreeuwsche leenwoorden, ca 20%. De oudste sporen van een eenigszins afwijkend Joden-Middelhoogduitsch dateeren uit de 14de eeuw. Die afwijkingen - vooral in den zinbouw - heeft men nu willen wijten aan Franschen invloed, daar juist in die dagen de Joden uit Lotharingen werden verdreven en in de Zuid-Duitsche Ghetto's een toevlucht vonden. Maar de Hebreeuwsche innerliche Sprachform en de sociale isoleering, vooral na de ‘zwarte pest’, zijn zeker even goed bij machte om deze eigenaardigheden te verklaren. Alleen eenige Fransche leenwoorden als: kapabel, plet (billet), preien (prier), almer (armoire), sarver (serviteur), courage, kapote, zijn wel van deze Lotharingsche emigranten afkomstig. Van lieverlede werd nu de mijding tot vervolging; wij noemden hierboven reeds de jaartallen waarin de Joden uit de verschillende Duitsche steden zijn verdreven. De Poolsche soevereinen hadden door klinkende aanbiedingen, reeds vroeger menig talentvol Joodsch handelsman naar het Oosten gelokt; was het wonder, dat nu ook de scharen van vluchtelingen daarheen trokken, waar het welkom zoo vriendelijk lachte, terwijl de haat achter hun schreden vloekte? Polen, Litauwen, Rusland, Bohemen, Roemenië namen de arme zwervers op. En typisch voor de Joodsche perseveratie-tendenz, juist als de Spaansche Joden in den Balkan hun Jodenspaansch in eere hielden, zoo namen de Duitsche Joden hier niet de talen van hun nieuw vaderland aan, maar bleven er Duitsch spreken. En pas in dit isolement tusschen de Slavische en Baltische talen in, krijgt het Jodenduitsch zijn eigen specifiek taalkarakter. Bovendien worden nu natuurlijk een reeks Poolsche en Litauwsche leenwoorden onvermijdelijk: voor dingen uit het dagelijksch gebruik, als kleeding, voeding, woning en handwerk. En wat bijzonder voornaam is, langzamerhand ontwikkelden zich twee of drie Jodenduitsche dialecten, die vooral in de klinkers en tweeklanken verschillen. Voor de dialecten van thans geven Saineanu en Gerzon de volgende Entsprechungen.
Sommigen voegen, maar op niet zoo goede gronden, hier nog een
Zuidelijk dialect voor Zuid-Rusland, Galicië en Roemenië aan toe. Aan
Slavischen invloed zijn in deze dialecten o.a. te wijten: 1o. de
vrouwelijke nomina agentia op -ka: Schneider: Schneiderka (Schneiderin),
Schuster: Schusterka (Schusterin) enz.; 2o. De vrouwelijke uitgang
der Hebreeuwsche woorden op -d of -t. Schochet: Schocheticha, magid: magidicha, enz. 3o. De Comparatief-constructie: er ist reicher vun Kroesus (Poolsch: bogatszy od Krezusa). Eer dat deze dialectscheiding en Slavische inwerkingen zich evenwel nog goed en wel hadden kunnen vestigen, brak ook hier de vervolging uit. De opstand der Kozakken van Chmelnitski in 1648 dreef opnieuw niet minder dan 250 Jodengemeenten in ballingschap. En zoo ging het op allerlei plaatsen. Vele dezer Poolsch-Duitsche Joden kwamen nu naar ons land en vestigden zich vooral te Groningen en te Amsterdam. Maar ook Litauwsche Joden kwamen blijkens de boven-geciteerde namen hierheen. Zij vonden hier evenwel reeds Joden, die Jodenduitsch spraken; want juist in 1648 verscheen te Amsterdam een Jodenduitsche vertaling van de Sjebet Jehoeda (de scepter van Juda) geschreven door Jehoeda Ibn Virga. Dit is het oudste Nederlandsche Jodenduitsch dat wij kennen, en daarom mogen een paar citaten er een denkbeeld van geven.
Man wert drinen gefinen wunderberliche geschichtnis die geschehen
sein unsern eltern in de
Of de vertaler van dit boek echter in Holland woonde, staat niet vast. Want Mozes ben Israël Naftali Hirsch Porges van Praag, liet in 1650 ook zijn Derkei Zion in Amsterdam verschijnen, kwam echter zelf voor een tijdje naar Holland, wat hieruit blijkt, dat hij verschillende gebruiken vermeldt, juist bij de Amsterdamsche Joden in zwang. Wel weten wij dit zoo goed als zeker voor den vertaler van Josippon van Joseph ben Gorion, te Amsterdam in 1661 uitgegeven door Abraham ben Mordechai Kohen. De berijmde Proloog begint aldus:
In de Voorrede wordt dan gezegd dat de schrijver het ‘nit für ungeschikt angesehen, ach (auch) das Josippon zu teitscher sprach zu machen un' zu druken ... dieweil es gar ein nuzlich seifer zu leien is. Zudem aso is es gor kurzweilig zu lesen, den es werden drinen derzelt maassim (geschiedenissen) die da geschehen sein vun sjesjet iëmê bereisjit (de zes dagen der Schepping) an un' bis nach dem churbon baïs sjoni (de verwoesting van den tweeden tempel) enz. Op fol. 76a lezen wij een treffende Bijbelsche episode, waar de Hollandsche invloed reeds merkbaar is. De waarschijnlijke Hollandismen laat ik cursief drukken.
(Fol. 76a.) ... Da sagt der kinig, brengt her zu mir den
sibenden, der weil er noch is ein klein kneblein, vil leicht werd ich in
mogen über reden mit meinen worten. ... Un' sie genohten den
sibenten zu vor den kinig un' er war noch ein klein kneblein. Da redt der kinig
barm herziglich mit im, un' er sagt zu im: Lieber, ich bit dich tue meinen
wilen, so wil ich dir schweren bei meinem eid, das ich wil befelhen un'
ich wil dich machen zu dem aler nechsten hern bei mir, un' ich wil dich
gewaltig machen über al mein kinigreich, un' du werst sein reich vun
silber un' vun gold un' an alem das dir dein herz gelustet un' begert. Da ver
schmeht das kneblein die reden des kinigs, un' es sagt zu im: Wê dir du
alter kinig, das du also ein nar bist, den wie kanstu dich berimen
1) un' loben mit einer
falschen gab die doch nit dein is, den du magst nit wissen was dir morgen dies
tags widerfarn un' begegnen wert, ob du tot oder lebendig werst sein. Da
entwert im der kinig zorniglichen un' er derschreckt das kind un' er sagt zu
im: Wen du den nit wilt meinen wilen tun, un' das du nit wilt buken zu
meinem
|
1) berühmen.
2) afgodsbeeld.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
sein des dasige zu dir zu einer ontrinung 1) un' auch du werst bleiben leben. - Un' sie sagt zu im: Gebt in zu mir so wil ich mich ein
klein wenig mit in vun euch vern
2) , un' ich wil besehn, vil
leicht wer ich megen zu über reden.
, Un' sie gaben in zu seiner muter, un' sie fuhrt in ein
klein wenig weit vun inen un' sie sagt zu irem kind: Mein sun, tu dein herz zu
meinen reden un' prüf (
) sie, un' gedenk al das dasig das ich dich getragen hab in
meinem bauch neun monet, un' zwei jar hab ich dich gesaugt mit meiner
milch, un' mit puter
3) un' andre speis hab ich dich
gespeist bis auf den heitigen tag, un' auch vun der vorcht unsers gots un'
seiner
nach alem meinem vormegen un' nach deinen jaren hab ich
gelernt dich. Un' izunder mein sun, ofen deine augen un' sich die himel un' die
erden, das mer un' die troknis, die wasser un' das veier un' den wint un' die
übrigen ding die da sein derschafen worden un' prüf an inen das du
derkenst, das mit der red gots sein sie ale derschafen worden. Un' dar nach das
er hat derschafen got den menschen, das er sol sein vrum un' ganz in seinem
dinst, un' das er sich sol beheften an in un' das er sol sezen in sein herz
sein getliche vorcht, un' die versichrung des menschen die is torheit un'
lerikeit
4) den sie mag nix helfen.
, Un' izunder mein sun, las dich nit vor sichern der
unbarmherzig der dasige mit seinen reden die da falsch un' lugen sein, un' du
solt dich nit vor lassen auf den wint seines munt, den er mag dir nix geben.
Un' darum so sol es vermiten 5)
sein vun dir zu tun das dasige. Neiert her in meiner stim
un' stirb izunder von gots wegen un' geh zun deinen bridern. Un' die weil sie
also mit im redt un' noch viel mê (
) reden wolt mit im, da entwert das kind un' es sagt zu
seiner muter: Warum saumst du mich zu gehn un' warum hinderst du mich zu zihn
zu zihn zu meinen bridern den heiligen, den ich hab nit in meinem herzen (
in meinem wilen) zu heren zu dem kinig un' ich wil auch nit
gehorsam sein zu im un' seine red un' seine versichrung die sein al zu mal as
nix gerechnet in meinen augen; aber warhaftig solt du wissen, das ich
wil heren un' wil under tenig sein der
unsers gots, die da gegeben is durch die hand
zu den kinder
dem volk dem heiligen. -
, Un' sie nam in die vrau bei der hand un' wider kert
in zu dem kinig un' sie sagt zu im: Nun er is in deiner hand, den ich hab in
nit mögen über reden das er deinen wilen wil tun. Da mert noch
mê der kinig un' er sagt zu dem knaben: Ach du junger knab un' du tor,
warum wilt du nit heren zu meinem rat zu tun meinen wilen un' das du leben
bleibst un' nit getöt werdest? -
, Un' er sagt der knab zu dem kinig: Ach du alter kinig un'
du nar, du unbarmherziger feind gots, über wem wilt du dich
derheben zu sagen, das du in über sigt host mit deinen reden un' mit
deiner nerischen vernunft? Ik bin ein kind siben jar alt, un' du bist ein man
vun sibenzig jar alt, un' ich verspot dich vun wegen deiner torheit. Den ich
glaub an die
des hern unsers gots, den du hast gelestert un'
geschent mit deinen reden, un' ich wil mich nit keren zu deinen
unwirdigen abgotern un'
(Götzenbildern). Un' du alter kinig du nar, wê
dir wo wilt du vor dem wint unsers gots hin gehn, un' wo wilt du vor seinem
angesicht hin ontflihen? Du man du leidiger un' du veind du
schalkhaftiger man, nun der her got unser got, der wert uns beschonen un' er
wert uns derhochen un' er wert uns achpern in die ewikeit, un' er wert
lebendig machen unsre selen zu ewikeit, un' wê zu dir das du
gemutwiligt host zu senden deine hand an seine knecht...
- Un' er war derzornt der kinig ser vun deswegen das er nit
getan hat seinen wilen, un' er gebot un' er lis meren auf das dasig kneblein
schlek (Schläge) un' peinigung biterliche un' unbarmherzige, mer den ale
die peinigung die er getan hat an seinen bridern un' also ward auch getöt
der sibend vun den bridern. -
- Un' da zu mal ir muter
die heilig un' die reine un' die vrume, die einige in irer
gerechtikeit in
, die stund bei den toten
|
1) Entrinnung.
2) entfernen.
3) Butter.
4) Leerheit.
5) Es sei vermieden - fern von dir.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
korpeln irer kindern, die da hin geworfen waren auf der erden, un' sie spreitet aus ire tener (handen) kegen dem himel, sie tet un' sie sagt:
, es vreiet sich mein herz an got.
, er hat derhoben meine herschaft in got, den er hat weln
werden getrost über sein volk mit meinen kindern.
, er hat derweitert meinen munt über meine veind den
sie haben nit megen über reden auch nit einen vun meine kindern, das sie
heten weln glauben an die unwerdigen
irer abgotrei.
, es is keiner also heilig als unser got.
, ir solt nit meren zu reden hoche un' hofartige
ding, ir veint gots un' ir leidiger
, un'
un' es soln auch nit aus gehn starke ding vun eurem munt zu
sagen, das ir habt übersigt mit eurer kraft un' das ir woltet loben zu
euren abgotern.... Un' es war als sie hat vulendet zu tun
un' zu vergisen ire reden zu vor got, da ging ir aus ire
sel die weil sie noch also redet.
Te Amsterdam verschenen nu ook kort na elkander twee Joodsche vertalingen van den Bijbel, waarbij wij iets langer stilstaan. De eerste vertaling is die van Jekoetiël Blitz, en gedrukt bij Oeri Wiwoesj in de jaren 1676-79; de tweede is onafhankelijk van de eerste bewerkt door Josef Witzenhausen en kwam ao 1677 in het licht bij Josef Etiasj, meer bekend onder den naam van Athias. Beide vertalingen zijn, even als bijna alle Jodenduitsche boeken in rabbijnen-schrift gedrukt, en dus zonder puncteering en met heel weinig interpunctie, wat de lezing nu juist niet makkelijker maakt, en wel te meer, wijl iedere schrijver er zijn eigen spelling op nahoudt. Blitz heeft meer Hollandismen in zijn vertaling opgenomen, gelijk ieder spoedig ziet. Athias verklaart trouwens in zijn voorrede tot Witzenhausen, dat in diens vertaling geen woorden voorkomen die alleen bij de Joden van Holland en Friesland moergel (in gebruik) zijn, maar in Bohemen, Moravië en Polen niet verstaan worden. Hieruit blijkt dus, 1o dat de toenmalige Hollandsche Joden zich reeds bewust waren, dat hun taal al van die der Duitsche, Boheemsche en Poolsche Joden was afgeweken; en 2o dat zich uit de Boheemsche, Moravische en Poolsche en andere variëteiten, door het internationale Jodenverkeer een Algemeen-Jodenduitsch ontwikkeld had, dat van Amsterdam tot Praag en Wilna verstaan werd. Ook in dezen taalkring vinden wij zoowel de differencieering der verspreide kleinere taalgroepen met innerlijk druk verkeer, als de gedeeltelijke hier bewuste assimilatie der internationale verkeerstaal terug. Wij geven nu van deze, voor ons Amsterdamsch dialect zoo gewichtige teksten, eerst eenige parallelle stukjes uit de Proverbia van Salomon. Ik volg hierbij weer de transscriptie van M. Grünbaum: Jüdischdeutsche Chrestomathie, Leipzig 1882. Ik transscribeer nu ook de Hebreeuwsche leenwoorden.
|
1) gim = mhd. gimme, nhd. Gemme.
2) nl. handen wringen.
3) echt nl. zijn-der.
4) haar vee geslacht van hebr.
sjâchat.
5) hech = höhe.
6) echt nl. rumoerachtig, elders bij Blitz
komen nog zwartachtig, steenachtig, aardachtig, sponsachtig voor.
7) hebr. = lot.
9) hebr. = omkoopgeld.
8) Stechpfennig, tf voor pf ook
elders.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Deze teksten leken mij echter te interessant, om het bij deze kleine proefjes te laten; en ik ben dus zelf aan het werk gegaan, om nog een paar samenhangende hoofdstukken uit beide vertalingen te transscribeeren. Dank zij de hulp van H. Padberg S.J., kan ik mijne lezers dus nog de volgende teksten aanbieden. Deze transscriptie heeft echter, gelijk ik boven reeds aanstipte, hare eigenaardige moeilijkheden. Zoo hebben onze teksten b.v. in de plaats der stomme e meestal i (aleph-jod). Maar ook heel vaak moeten wij ze, als de sjwa in 't Hebreeuwsch, zelf aanvullen. Dit berust toch waarschijnlijk op een verschil in uitspraak. Om nu deze in 't rabbijnenschrift niet uitgedrukte sjwa, |
1) nl. donker.
2) hebr. = handslag.
3) contaminatie uit nl. siersel en hgd.
Zierde.
4) hebr. = noorden.
5) nl. ijzer.
6) hebr. = rente.
7) algem. jdd. uit italiaansch latijn:
benedicere.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
van de welgeschreven i te onderscheiden, zonder den tekst al te onkenbaar te maken, transscribeer ik deze slot-i als é; ik meen namelijk, dat de Fransche uitspraak van é met accent aigu, wel tamelijk dicht bij den klank moet komen, dien onze vertalers hier bedoelden. Als men nu die é maar niet geaccentueerd gaat lezen, anders is de remedie nog erger dan de kwaal. Een tweede moeilijkheid is de transscriptie der aleph-waf-jod, waarmee sommige auteurs au, andere oi bedoelen. Uit eenige woorden als greuel, über, übel e.a. meen ik te mogen concludeeren, dat Witzenhausen en Blitz hier onmogelijk au kunnen gezegd hebben, maar oi of ui bedoelden, en transscribeer ik dus ook zoo, in afwijking van de bovengegeven transcriptie uit Grünbaum. Juist als hij, schrijf ik de aleph-jod-jod niet eu maar ei. Trouwens gelijk wij uit het bovengegeven lijstje kunnen zien, zeggen de hedendaagsche Poolsche Joden voor Haus nog hois, en de Litauwsche boim voor Baum, en voor euch, euer zeggen beide groepen eich en eier. Wat eindelijk de s betreft, waarvan wij boven zagen, dat zij in alle Jodentalen min of meer gelispeld en gepalataliseerd wordt, merken we nog op, dat onze Amsterdamsche auteurs daarvoor bijna altijd het Sjin-teeken gebruiken, dat bij vele buitenlandsche Jodenduitsche auteurs vast sj beduidt. Als wij echter altijd sj transscribeerden, zouden wij deze afwijking zeker overdrijven: in alle gevallen waar het Nieuwhoogduitsch dus s of sz heeft, schrijven wij een dubbele ss, deze moet echter eenigszins lispelend en gepalataliseerd worden uitgesproken. Verder zal men zien, dat noch Witzenhausen, noch Blitz vooral, consequent hun spelling doorzetten. Beiden schrijven in - zoover wij kunnen nagaan - totaal gelijke gevallen, nu eens zus en dan eens zoo. Dit hangt echter zeker ook met de locale verschillen in uitspraak samen. De tekst van Witzenhausen b.v. is door een rabbijn uit Praag gecorrigeerd, en Blitz heeft waarschijnlijk nu eens de Poolsche, dan weer de Litauwsche uitspraak gevolgd, daar beide dialecten hier in het land toen concurreerden. Overigens is onze spelling bijna de gewone Hoogduitsche, g is dus altijd media G, u is oe, s is nl. z, z is ts. De citaten zijn uit Genesis.
Dat aanvankelijk de Joden, gelijk overal hun vroegere taal
zóó vasthielden, dat ze er zelfs geen Nederlandsch bijleerden,
mogen we afleiden uit het feit, dat in 1619 te Amsterdam een elementair
cijferboekje in 't Jodenduitsch verschenen is. In 1652 en 1697 verschenen er
twee edities van de ‘Teutsch apteik’ door Avkat Roechel; in 1718 verscheen er ook waarschijnlijk het bekende Ahasverusspel ‘Achasjaweresj-Spiel. Auf einem neuen ofen gleich einer opera, un' is ausgezogen vun targum sjoni umidrasj jalkut un' anderen midrasjim un' auf eine solche manier gistelt gleich wie es vun rechten komoedianten gespielt wert.’ En zoo bleef het in den loop der 18de eeuw. Alleen van de bekende Zennerenne (Tsena Oerena) verschenen te Amsterdam tien edities, achtereenvolgens in 1648, 1669, 1690, 1703, 1711, 1722, twee tegelijk in verschillend formaat in 1732, dan weer in 1737 en eindelijk een laatste in 1811. In 1743 en 1771 werd de Josippon of Jossifon opnieuw gedrukt. Een heele nieuwe bijbelvertaling met de verklaringen van Rasji erbij, verscheen te Amsterdam tweemaal, eerst in 1735 en daarna in 1755. Het is echter de vraag, of deze het werk is van een Hollandschen Israëliet. Maar verder zagen nog tal van kleinere geschriften en pamfletten hier het licht, alle zeker door Amsterdamsche Israëlieten, meest Rabbijnen geschreven, en die ons in de Bibliotheca Rosenthaliana te Amsterdam zijn bewaard gebleven. Wie later het Amsterdamsch dialect nauwkeurig onderzoeken wil, zal deze bronnen niet mogen voorbijgaan. Voor mijn doel meende ik te kunnen volstaan, met nog een blik te slaan in de Sj'êrith Israël, een oorspronkelijk Nederlandsch-Jodenduitsch werk van Menachem Man, en de Machsor, Tefilloth, Techinnoth en andere gebedenboeken, hier in die dagen gebruikelijk. Het eerstgenoemde werk behandelt, gelijk de titel aangeeft: ‘Het overblijfsel van Israël’, en wemelt van Hebreeuwsche woorden en uitdrukkingen, maar ook van Hollandismen. Naar de transscriptie van Grünbaum geef ik hier eerst een stukje uit de Voorrede, en daarna eenige episodes uit het boek zelf. Gelijk ik boven al zeide, is deze transscriptie, wat de klinkers en tweeklanken betreft, niet altijd even goed te vertrouwen. Vorrede.‘Gedenke der Tage der Vorwelt ... frage deinen Vater und er wird dir erzählen, deine Alten und sie werden dir sagen’ und bemerkt hierzu:... Un' freg dein elste, das seinen die gelernte, die wern es dir sagen, den das über denkung von die alte zeiten brengt den mensch grose nuzen zu. Den zum ersten brengt es an den menschen zu Jero un' Ahawo 1) den wen man leient wie das hakodausj boruchu 2) seine gassidim 3) gleich als unsre heilige oves 4) , geholfen hat, un' hat sie grose nissim 5) getan, da durch lernt der mensch, das er hak. bor.2) sol ach lib haben un' sol sich forchten vor im.... Un' mer grose muzen, das man der vun kan lernen, es sei in derech erets 6) es sei in andere sachen was den mensch vorkumt. So er geleient hat was vor alte zeiten geschehn is, den kan er sich ein exempel der vun nemen, gleich ein goochem 7) hat gesagt die gelerntheit macht einem alt sunder jaren; den wen der mensch schon jung is un' hat viel geleient un' gelernt, weis er vil mer als ein ganz alter mensch der nix gelernt hat. Darum haben ach unser gachomim mefauresj gewesen 8) den posuk 9) ‘we-hodarto penei zokein’ das is teitsch: das die |
1) tot de vrees en liefde Gods.
2) de Heilige, hij zij geprezen.
3) vromen.
4) vaderen.
5) wonderen.
6) levenswijze.
7) wijze.
8) hebben onze wijzen verklaard.
9) het vers of den tekst.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Thauro 1) hat gesagt, du solst kowet 2) anton den alten, das is gemeint, der ein goochem is, wen er schon jung is. Un' das is ach der thangam 3) das hak. bor. 4) hat gelast an mausje rabbeinu 5) , schreiben vun bereisjis bis hachaudesj hazee lochem 6) das seinen nor verzelungs un kein mitswaus 7) , gleich Raschi schreibt; das is darum um das durch die verzelung vun die alte zeiten ken der mensch sich lernen gute wegen zu gehn un' gute maniren, gleich der groser Goochem Rabbi Leiwi Ben Gersjon gemacht hat auf die ganze Thauro, was vor nuzen das man vun itliches mangse 8) kan lernen; es wert geheisen Taung aliyaus horalbak gleich schon gedrukt is beloosjen askenaz 9) in die bibel. Was sol ich vil schreiben was vor ein nuzen das die warhaftige histories sein, den es is schon geschrieben in die hakdomo miseifer Jausiphon 10) . Un' ob einer welt sagen, wie kumt der sich zu vergleichen sein schreiben zu das schreiben vun Jausiphon, den Jausiphon is gemacht worn durch Rabbi Jauseif Ben Gorion, der war in die zeiten vun Beis Hamiktosj 11) , ein kauhein 12) un' er is ein groser man gewesen, ach is er gewezen der bruder vun den nakdimon bengorion 13) , un' ich bin ein gemeiner man, der nit zu vergleichen is in das tausenste teil zu so ein groser man, da auf entfer ich: Die gachoochim 14) haben gesagt, kabeil ho emmes mimi sje'omrau, das is teitsch, nem an die warheit vun der es gesagt hat, den die warheit bleibt alzeit warheit, es mag gesagt wern vun wem es is, den ich bin in die sach gleich als Jauseif hakauhein 15) , den was in sein zeiten geschehn is, das hat er geschriben vun sich selber, aber was vor sein zeiten geschehn is, das hat er ausgeschriben vun andre bücher, die geschriben haben die gachmei ho umaus 16) , gleich er selbert schreibt auf vil erter. Das hab ich ach getan un' hab geschriben ale sachen die uns Jehudim 17) seinen über gekumen (aus vielen werthvollen büchern) un' der bei hab ich gebracht sachen mi kamo sifrei umaus 18) die bekent sein vor warhaftige schreibers. Un' ich hab mein seifer 19) den namen gegeben Sjeeiris Jisroeil 20) vun drei th ngomim
2l) wegen. Eins is, weil es
verzelt wie es gegangen is die über bleibsel vun Jisroeil nach den das in
gurban bajis risjaun
22) die zehn sjewôtim
23) seinen vertriben geworn
auf verborgne erter, un' es seinen nor über gebliben Sjeiwit Jehudo un'
Binjômin
24) un' ein
winig vun Sjeiwit Leiwi
25) . Der zweite Thangam
is, weil der posuk sagt in Sefanje. Kapittel 3... das is teitsch: Das über
bleibsel vun Jisroeil, die wern kein umrecht tun, un' sie wern kein ligen
reden, un' in ir maul wert nit befunden wern ein listiger zung, den sie wern
weiden un' hauern un' keiner wert sie derschreken. So ach ich, mechabber
haseifer
26) bin
vun die über bleibsel vun Jisroeil, ich hab in mein seifer kein sach
geschriben das da sjeker
27) is, den ich hab die
sachen wol nach gesucht ob sie war kenen sein. Der driter thangam is, das ich
das seifer hab geheisen Sjeeiris Jisroeil, weil aus den posuk gewisen is, das
Jisroeil kein falschkeit tunen un' kein sjeker reden gleich als man sie vil
bilbulim
28) hat zu
geworfen, die ale ngalilausj sjeke
29) sein
gewesen. Da über seinen kamo kehillaus kedausjaus
30) gestorben
ngal kedusjas hasjeim
31) , un' sie haben kein ligen gewelt reden um sich kaufer zu sein
32) . Darum hab
ich geschriben in das seifer ale sachen es sei guts oder bes was Jisroeil is
über gekumen (von der Zerstörung des zweiten Tempels bis zum jetzigen
Jahre 5503). Ein goochem godaul
33) hat in alte Zeiten
tun sagen, das mir tut ser wol behagen: Es is mit ein seifer, oder ein buch
|
1) de Thora of wet van Mozes.
2) eer.
3) reden.
4) de heilige, hij zij geprezen.
5) Mozes onze leeraar.
6) van Genesis 1 tot Exodus Kap. 12.
7) geboden.
8) gelijkenis, spreuk.
9) in de Duitsche taal.
10) het reeds genoemde werk van
Josippon.
11) de heilige tempel.
12) priester.
13) De schrijver meende dat Josippon en
Flavius Josephus een en dezelfde persoon waren.
14) wijzen.
15) Josef de priester.
16) de wijzen der volken, dus de
niet-Joodsche geleerden.
17) Joden.
18) uit niet-Joodsche geschriften.
19) boek.
20) het overblijfsel van Israël.
2l) redenen.
22) de verwoesting van het eerste huis (=
eersten tempel).
23) stammen.
24) de stam Juda en Benjamin.
25) de stam Levi.
26) de schrijver van dit boek.
27) leugen.
28) praatjes, geschiedenissen.
29) leugenachtige voorwendsels.
30) vele heilige gemeenten.
31) tot heiliging van den Goddelijken
Naam.
32) afvallig te worden.
33) groote wijze.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
aso gestelt, gleich mit ein gros bewachsen ofen feld, den der ochs tut das gras zu sein speis draus reissen, die binen tunen honik un' wachs vun die blumen beissen, das chazzer 1) das wult un' grabt die worzels aus, die storch krigt drin den egdis 2) un die kaz die maus, der mensch klaubt draus kreitich 3) um der mit zu heilen ein wund, un' die spin sugt draus gift das vil mal den menschen macht um gesund, So orteilt ein ider mensch der ein seifer tut lesen, gleich sein art is un sein natuerlich verstand un' wesen. Fol 24a aus dem 8. kapitel. - Dernach is MACHMED (Mohammed) geplagt geworn vun das chauli naupheil 4) , das im vil mal mal über kam. Sein fra (Frau) die wolt dest wegen vun im abgescheiden sein, aber er hat sich vor ir verentfert, das es kam vun das wein trinken. Da hat er ir belobt, um kein wein mer zu trinken, mar die krenk last doch bei im nit nach, darum um sein frah zu friden zu stelen, hat er aus getracht, das es im über kam, weil der malach 5) Gawriël sich zu im beweist un' lernt im ein neie wet zu schreiben, das er drum in die zeit so vun sich selben is. Un' wen das gulas 6) vun im auf hert da hat er al zeit die werter in sein mul gehat: in den namen vun den gnadiger un' barem herziger got. Darum gefinden mir vor itliches kapitel in das Alkoran stet diese spruch. Un' über die krenk hat er kein wein getrunken un' ach kein chazzerfleisch gegessen, den das is um gesund vur die krenk, un' darum hat er ach in sein wet verboten wein zu trinken un' ach kein chazzerfleisch zu essen an ale die an im globen. Der nach um sein sach zu versterken, das itlicher sol glaben das er ein nowi 7) is, hat er gewent an ein taub, das sie ir speis sol holen aus sein ohr. Da hat er ale zeit krimlich 8) brot in sein ohren getan, da kam die taub un' esst es aus sein ohr, da hat er vor das volk gesagt, da es is der Ruach ha kaulisj 9) der im in luspert newieaus 10) . Un' dernach hat er sein Alkoran geschrieben, dorch die hilf vun ein minch 11) der ein ab gefalener notsri 12) war, un' ein Jehudi. Drum sehn mir in das alkoran das es vermengelt is mit die bicher vun die notsrim12) un' ach vil vun unser Thauro un' Gemóro un' Midrôsjim. - (Fol. 25a). - In die selbige zeit hat verendert der kinig Machmed ir nowi ir namen, das sie nit mer soln heisen Hagriim nach Hagar, den er hat sie den namen gegeben Saratzenen nach die namen vun Sara die ein herin war, un' das sie nit mer soln heisen nach Hagar, die ein dinst meid war... Machmed hat die Jehudim bestraft, warum das sie im nit wolten geben ir mangse 13) , den es sagt: Das selbige das man gibt an den nowi von got, das is so vil als wen man es selt geben an got. Da entfernt ein Jehoedi der geheisen was Pinches, der gestelt war um zu reden vor die Jehudim, der entfernt kurz weilig, das es aus zu lachen wer ein armer got zu sein, un' die menschen soln reich sein, das got die menschen um gelt schazung versucht. Die spot achdige entfernt verdrist an Abu besjr der neben Machmed stund, un' der hechster Kalif war, das er dem Jehudi im schlak (Schlag) gab un' wolt im selbert umbrengen, um diese entfernt in sein blut ab zu weschen, doch Machmed wolt es nit leiden. - Die tot vun Machmed wert auf vil arlei maniren verzelt. Etliche sagen, das er durch ein sam hamowes 14) das man im hat in gegeben is getet geworn, un' etliche sagen vun das chauli naupheil 15) , un' etliche sagen, vun pein in die gederm is er gestorben. Un' etliche sagen, das er begraben is in die stat Jangtraup 16) , un' etliche sagen in die stat Mekka, un' sie sagen das man noch in dise zeiten seht in ein tempel sein tot kist hengen in die luft, der weil das die tot kist is vun eisen, un' das ale vir eken vun das cheider 17) wo er drin hengt magnet stein is, un' das hat die natuer an sich um das eisen zu sich zu zihn. Fol. 31b aus dem 10. kapitel. Rabbi Jehudo Aleiwi, der da hat gelebt in die zeit das man hat gezelt 4900 der hat manchtik gewesen 18) das seifer hakuser aus das loosjen vun Kuzri |
1) varken.
2) Kiliaan=Eghdisse.
3) kruidjes.
4) vallende ziekte.
5) Engel.
6) ziekte.
7) profeet.
8) kruimeltjes.
9) de Heilige Geest.
10) die hem profetieën
influistert.
11) Mönch, monnik.
12) Nazarener(s), Christen(en).
13) tienden.
|