Tweede hoofdstuk. Het Bargoensch.Is. Teirlinck: Woordenboek van Bargoensch, Roesselare 1886. - Fr. Kluge: Rotwelsches Quellenbuch, Strassburg 1901. Beiden hebben vele bronnen gekend die de ander niet kende, ze vullen elkander dus zeer goed aan. Voor den lateren tijd raadplege men bovendien H. de Seyn-Verhoug-straete: Het Bargoensch van Roeselare, Roeselare 1890. W. Köster Henke: De Boeventaal, Dockum 1906. - Onze Volkstaal III, blz. 194-199: Alphabetische woordenlijst van het Bargoensch. - M. Verwoert: Bargoensche woordenlijst. Handschrift in het bezit der Maatschappij van Letterkunde te Leiden. Dit laatste werk heb ik tot mijn spijt zelf in 't geheel niet kunnen inzien. Het Bargoensch of de dieventaal, is half een gewone kringtaal, half een geheimtaal. Als geheimtaal is daarin, juist gelijk wij in de kindertaal zagen, de differencieering deels bewust geworden. Juist het doel, om door de politie of de dupen van hun diefstallen niet verstaan te worden, bracht er de dieven reeds vóór eeuwen toe, hun tòch al vreemde kringtaal in dezelfde richting nog verder te laten afwijken. Hierom moeten wij nu evenwel niet denken, dat hun taal heel en al kunstmatig is. Verre van daar. Juist gelijk overal spiegelt zich ook hier in de woorden, niet slechts de heele sociologische geschiedenis der dievenbenden en landloopers af, maar hooren wij ook uit hun beeldspraak, synoniemen-voorraad en staande uitdrukkingen, welke dingen en ideeën in hun zieleleven een hoofdrol spelen, en zouden wij, als ons hun taal hier of daar overgeleverd was, zonder opgave wie die taal gesproken hadden, met niet heel veel moeite, de sprekers in al hun doen en laten kunnen reconstrueeren. Gaan wij dit achtereenvolgens na. Ten eerste DE SOCIOLOGISCHE STRUCTUUR. Vooreerst is in den ouden tijd de dieventaal niet van het zoogenaamde kramerslatijn te onderscheiden, en nog heden gebruikt men in de omstreken van Aalst ‘kremerslatijn’ voor Bargoensch. Latijn, want te Bilsen komen in het huidige Bargoensch dan ook nog eenige Latijnsche uitdrukkingen voor als ‘in dubio’, en ‘nesjevos’ (nescio vos). Kramers-latijn, in vroegere eeuwen toch waren er een heele reeks van zoogenaamde ‘oneerlijke luyden’, d.w.z. alle uitoefenaars van ambachten, die nu eenmaal door landskostuim niet eervol waren. De beteekenis-ontwikkeling van eervol en oneervol tot eerlijk en oneerlijk, wijst ons hier den weg. De dieven stamden natuurlijk bijna altijd uit die lagere, meest min of meer zwervende ambachtslieden. Tegenwoordig zijn die zwervende kramers tot een zeer klein getal beperkt, als daar zijn scharensliepen, papier- en matjes- of korfjesverkoopers, kermisgasten, enz. en onder dezen wordt inderdaad tot op den huidigen dag, nog veel ‘oneerlijck’ Bargoensch gesproken, ook al zijn zij bij wijlen (!) nòg zoo eerlijk. Merkwaardiger is nu evenwel, dat die Bargoensche taal in sommige
dorpen, die betrekkelijk laat uit nederzettingen van zulke kramers ontstonden, nog heden ten dage voortleeft, en vooral in den woordenschat ten scherpste tegen alle omringende dialecten afsteekt, terwijl ze met die van andere dergelijke dorpen, hoewel op zeer verren afstand van elkander gelegen, nog aller-treffendst overeenstemt. Tot deze Bargoensche dorpen en streken behooren: 1o. twee heele gehuchten van de gemeente Zele in het land van Waas, tusschen Dendermonde en Lokeren, en misschien ook de bezembinders uit de omstreken van Eecloo; verder de bevolking der Nieuwmarkt te Roeselare, met de nog verder uiteenwonende kramerskringen van Gent, Brugge, Veurne, Yperen, Meenen, Oudenaarde, Aalst, Ninove; en ten slotte de pakjesdragers, koetsiers, enz. aan het Noordstation te Brussel; 2o. een gedeelte der inwoners van Lommel, Exel, Kleine Brogel, (St Hubertus-) Lille, Caulille, Overpelt, Neerpelt en Hamont in de Belgische Kempen en het nabijgelegen Budel in Noord-Brabant; met Stamproy, Hunsel, Grathem, Nederweert en Leveroy in Noord-Nederlandsch Limburg; en Sint Truiden, Schuurhoven, de Hellestraat, St. Pieterbuiting, Bilsen en Cortessem in Belgisch Limburg; 3o. Breyel in Rijnland, niet ver van Venlo, bij Kaldenkirchen; Nieuwenhagen bij Heerlen, en het gehucht Groenstraat in de gemeente Ubach over Worms, beide laatste in Noord-Nederlandsch Zuid-Limburg; 4o. Mettingen, Ibbenbüren, en verschillende kleinere plaatsen daaromheen zooals Recke, Hopsten, Riesenbeck, in 't Noorden van Westfalen; 5o. Speicher en talrijke daaromheen liggende dorpen van den Eifel.
1o. HET VLAAMSCH-BARGOENSCH wordt te Zele gesproken in twee buurten, uitsluitend bewoond door wevers van zeer grof linnen (drol genaamd) en reizende kooplieden, die dat heinde en verre gaan verkoopen. Zij worden door de Vlamingen drolgasten genoemd. Zelf noemen ze hun taal brigade, en in 1837 werdze gesproken door ca 3000 zielen. Jan Frans Willems bericht, dat in zijn tijd rond Oudenaarde, ook nog een dergelijk Bargoensch gesproken werd. Als staaltje geef ik een drinklied door Prudens van Duyse in dit taaltje geschreven. Er zijn twee varianten in omloop, die ik hier naast elkaar afdruk. Drinkliedje van Prudens van Duijse.
Met opzet geef ik bij dit en ook bij sommige volgende stukjes geen verklarende noten, om den lezer des te beter te overtuigen, dat wij hier inderdaad met een voor leeken onverstaanbare geheimtaal te doen hebben. De belangstellende kan in Teirlinck al het noodige ter verklaring vinden. Te Lier had ik einde 1913 een onderhoud met een ‘metseldiener’ die te Rijssel in Frankrijk gewerkt had, en daar niet tot zijn voordeel, veel had omgegaan met reizende marskramers en leurders, uit de buurt van Roeselare. In de herbergen, bij drinkgelag en kaartspel, had hij daar Bargoensch leeren spreken. De volgende zinnetjes en woordjes heb ik uit zijn mond opgeteekend.
Litterair is het Vlaamsch-Bargoensch vertegenwoordigd door Jelle en Mietje. Gentsche vrijagie, 1841 een Vlaamsche volksroman van Karel Broeckaert, opnieuw uitgegeven door Prudens Van Duyse.
2o. HET KEMPENSCH- EN LIMBURGSCH-BARGOENSCH wordt evenals het Vlaamsche niet door alle inwoners der genoemde dorpen gesproken, maar alleen door de marskramers, die onderling een soort gilde uitmaken, aan wier tamelijk strenge voorschriften zij zich getrouwelijk onderwerpen. Men noemt ze Teuten of Tuiten en hunne taal Bargoensch of Teutsch. Op gezette tijden van het jaar trekken zij uit naar een landstreek, elk door de gilde aangewezen: België, Holland, Friesland, Hannover tot in Denemarken en Zweden toe. Zij oefenen op hun reizen het beroep uit van ketelboeter of ketellapper, varkenssnijder of veelubber, en hebben meest een paar hun door de gilde toevertrouwde jongens bij zich, die hen moeten gehoorzamen. Ook verkoopen ze ijzerwaren en manufacturen. De Teuten van Stamproy en Leveroy vormen een afzonderlijke gilde. Vroeger waren er ook zulke Teutenkringen te Weert, Meiel, Nederweert, Heithuizen, Roggel, Hunsel en Grathem, alle in de Nederlandsche provincie Limburg. In 1871 bestond zulk een Teutengilde nog in Achel, Caulille, Exel, Hamont, (St Hubertus-)Lille, Kleine Brogel, Lommel, Neerpelt, Overpelt, alle in de Belgische Kempen. Als staaltje geef ik het verhaal van den Verloren Zoon. + |
+ De volgende tekst komt uit Grave, is echter
al voor jaren opgeschreven en de bezitter wist niet meer te zeggen uit
wie z'n mond. Hij gaf hem mij als ‘een zeer verspreid
verhaal in een niet nader bekend dialect’. De overeenstemming met het
Kempensch-Bargoensch is verrassend.
DE VERLORE KNULLE Een olmste had twee knulles, waarvan de snipste tot den olmste kwiste: licht me de kwint, en hi lichte nem de kwint. En toen trok ie naor een vrimde pie, waar hi alles verslinste in dispelsporen en loenzengrienzen. Nadat ie alles verslinst had, kwam er loets in de pie, en toen verhouwde ie kich bij eenen poensenheimer, waor z'n honger wenschte te stillen met schillen van grondangels, die hem die poensenheimer zoo nobis wilde lingen. Dan kroop ie in z'n eigen en kwiste: hoeveel knoppes liggen er in de kast van menen olmste en ik mal hier aan de faam. Ik zal dan opstaan en naar mien olmste gaan en kwisten: Olmste, ik heb loens gedraaid, ik ben nie waardig ouwe knulle genoemd te worden; maar beknauwt me as de minste uwer knullen. De olmste beloerde 'em al in de verte en hij trad hem in 't gemoet en murmelde 'em. Dan wenkte hi eene van z'n knullen en kwiste: haal ras een halfsche smores en maalt 'em, trekt 'em den beste tabbert aan en doe 'em 'ne ring an de mans en treeën an z'n schetsen; want deze mijne snipste knulle was dood en hij is teruggerispeld. Toen kwam de oudste knulle z'nen olmste te gemoet en kwiste: Olmste, voor mij, die u altijd zoo trouw gefijligd het, heb de nog nooit eene halfsche smores gemald, om met m'n vrinden krep te hebben; en deze, ouwe snipste knulle, die alles verslinst heit in dispelsporen en loenzengrienzen, die stekt alles in z'ne raop. Toen trad de olmste z'ne knul tegemoet en kwiste: Knulle, knulle, rispel in de kast, al het mijn is het dijn! En krep hadde ze! | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
De gelijkenis van den verloren zoon
|
| Kempensch-Bargoensch. | Vlaamsch-Bargoensch. |
| ‘Eenen olmste had twee knullens. | ‘Daer modeerdegen ne keer ne grandigen bol, die deus knullen maesden. |
| Waervan de snipste tot zynen olmste kwiste: Olmste, ligt myne kwint; en den olmste ligte hem de kwint. | De kietste knul kabeeldegen aên zijn âken: bol stuipt michels de splent, die my grandig modeert; en den bol doktegen de splent. |
| Eenige deemen daerna, den snipste, hebbende alles by den olmste geligt, spoorde na een vreemde pie, alwaer hy alle zyne poen en smets heeft verslent en opgepoeyt in loensigheid en tispelsporen met loense griezen. | Jetse lichterikken nog, de kietste knul flikten splent en dos, en foktege foei naer ne lensen paï, daer e de poen verspleytte in de trank-keetjes en in doddigheid. |
| En na hy alles verslent had, worde het heeten tyd, en was nantes aen paen te komen. | Als al den dos en de splent verspleyt modeerdegen, veendegen er sekke lichterikken in de paï: de knul begost krot te verpassen; en maesdegen het doddig en klits. |
| Hy spoorde na een andre en ging zyne fuyk verforen by eene troppen van die pie, als poursenheymer. | Hy foktegen by nen bekker van en village om hem te verpassen voor te trafakken. |
| Aldaer wenschte hy zyne melis te vullen met schellen van grondhangels, die de pourse sleynen, die nobis wilde linsen. | Dien bekker kabeeldegen hem: fokt naer michels granze om de tjuttens kiwig te besjoeren, dan ze nie foei en fokken. De knul kreeg grandige schrans en zou van den tjuttens bik gewild hein, maer hy maesdegen nen egel af. |
| Doch tot zijn zelven komende, kwiste hij: hoe veel knoppers zyn er in de kas van myn olmste, die paen hebben, en ik moole van faam! | Tein veendegen de knul paf, en treuvelde: combien trafakkers modeerender nie in myn âkens keete, die kiwig oeft mazen, en michels molt van de schrans. |
| Ik zal opstaen, tot mynen olmste sporen, en kwisten: ik heb loens gedraeyt tegen den theuwen diennes en tegen u. Ik ben niet theuw genoeg uwe knulle genoemd te worden; felleugt my gelyk den loenste uwer knoppers. | Michels zal by mynen bol fokken en hem kabeelen: Bol! michels heet en klitsige ouvrage geflikt tegen de kiwige lichterik en veur ou, en meriteert nie da ghem as ou knul sjoert, pakt michels as eenen van ou trafakkers. |
| Hy stond dan op, en spoorde tot zynen olmste; terwyl hy spoorde, loerde hem zynen olmsten en wierd beweegt, en nog sporende, rulde hy hem om den hals, en murfde hem. | Die kietsten leveerdegen hem tein en foktegen naar zyn âkens granze; den die sjoerdegen den knul in de lense, veendigen kiwig by hem, paktegen hem in zyn klampen, en maesd hem kiwig geflikt. |
| Den knulle kwiste tegen zynen olmste: Ik heb loens gedraeyt tegen den theuwen diennes en tegen uwe fuyk; ik ben te loens om uwe knul genoemd te worden. | De knul treuveldegen: Bol! michels heed in klitsige ouvrage geflikt tegen de kiwigen lichterik en veur ou, en meriteert nie da ghent as ou knul sjoert; pakt michels as eenen van ou trafakkers. |
| Doch den olmste kwiste aen zyne knoppers: lenst hier ras den theuwste dossing, en lenst dleie hem; en steekt den knulleen ring aen de maens en doet de treden aen de schaetzen; | Maer den bol kabeeldegen aen nen trafakker: vit: dokt den grandigen dos aen den knul en dost hem kiwig; dokt hem ne ronderik aan zynen feem, en trederikken aen zyn terterikken. |
| Lenst den hanste moris, en moolt hem; laet het ons botten en krep hebben, want mynen knul was mool, en hy is herzien; hy was rip, en is terug gespoord. Zij hadden dan krep. | Port den grassigen vaurik en kiecht hem voor kiwig te bekken en een grandige harmoelje te flikken. Michelse knul modeerdegen mol en maesd nou kiwig, hy modeerdegen foei en nou in de keete. En ze bektegen en buisdegen grandig. |
| Ondertusschen was den olmste knul op de pie aen het knoeijen; als hy terug rispelde, en na de kas spoorde; hoorde hy huppelen en kraîlen. | De kantigste knul trafaktegen in den operik, en as hy naer de granze veendigen, sjoerdegen hy parnassen en flikkeren. |
| Hy, eene van de knoppers gekwist hebbende, felligde hem, wat dit te kwisten was. | De knul vlamdegen naer de trafakkers, en kabeelde: wa modeerd da? |
| Den knopper kwiste: uwen subber is in de kas, den olmste heeft den hanste moris gemoold, omdat zyne knulle theuw is teruggespoord. | Nen trafakker treuveldegen hem: ou frère maesde geveend, en ou âken maesd geflikt kichen den grassigen vaurik, omdat den bol nou zynen knul kiwig sjoert. |
| Hy nam het loens op, en wilde niet in de kas sporen; den olmste rispelde uit en flitste hem. | De kantigste modeerdegen jan en wildegen in de keete nie fokken. Tein veendigen den bol en nosterden hem kiwig. |
| Maer hy kwiste tegen den olmste: ik ben zoo theuw in uwe foor geweest, en heb u nooit loens gedrayt, en uwe fuyk heeft nooit eene mette gemoold, om met myne theuwe fuyk krep te hebben. | Maer dien kabeeldegen in jannigheid: Bol! michels maesd veur ou zooveel grandige lichterikken getrafakt en ze leven nie klitsig geflikt, en ge maesd michels noppe gesteupen, of geen fopperiksken om een karmoelje te dokken aen michels kiwerikken. |
| Zoo haest deze uwe snipste knulle, die alle zyne poen met loense griezen en knippen verslend had, terug gespoord is, hebt gij uwe hanste moris mool gestipt. | Maer as ou kietste knul geveend maesd, die dos en splent by de tranken en in de doddige keeten verspleit heed, flikt den bol den grassigen vaurik kichen. |
| Den olmste kwiste hem: gy zyt altyd myne theuwe knulle, en ik zal uwe fuyk alles theuw draijen. | Tein treuveldegen den bol: knul! ge modeerd me michels en da michels maesd, maesd de knul. |
| Wij moesten krep hebben, omdat uwen subber mool was, terug gespoord, rip geweest, en terug gerispelt is.’ | Wij zullen een kiwige en grandige karmoelje flikken en schoenkelen; want ou frère modeerdegen en maesd kiwig; hy modeerdegen foei en nou in de keete!’ |
Creemers geeft nog een paar zinnetjes uit het Stamproysch, in Duitsche spelling:
| ‘Es der olmse kluf ni mi wilt brögelen, gift hi de kas aen zin olmse knülle un spoort in, de sloorkas. Die olmse mos roberte dan so gut es der olmse kluf.’ | ‘Als de oude boer zijne boerderij niet meer wil bestieren, geeft hij ze over aan zijn oudsten zoon, en gaat hij het kleine huis bewonen in de nabijheid der bouwhoeve. De oude boerin rookt dan zoo goed als de oude boer. |
| ‘Die Kesselführer rölsutsen in goor mit die klufs un brögelhudsen, kwint paen bi nol un vitse nol, un brögelen Vitsenhud un nicht gresiken.’ | De Teuten drijven handel in koper met boeren en burgers, winnen geld met honderden en duizenden, en dienen God en niet den duivel. |
Ter aanvulling van Teirlinck drukken we naar J. Labbé, Limburgsch Jaarboek, Deel I, blz. 26 vlgd. en Deel II, blz. 3 en 't Daghet in den Oosten, Jrg. XVIII, blz. 106-107, nog de volgende twee woordenlijsten af.
De met een kruisje geteekende komen niet bij Teirlinck voor.
â, aân: oude, oude vader, moeder
achterweits: achterwaarts
anderrest: het overige
avelcoert: tasch,
zak
† baanhoeds: kastelein, herbergier
† babil:
mond
† babillen: altijd spreken: komt in gewoon Ned. voor onder den
vorm babbelen
Bab van Gelder: roggebrood. (Teirlinck: Hans van
Gelder)
† bal: frank, bij studenten gebruikt
† bats,
batske: ei
† beieren: sterven
† beis: huis
bekken:
goed smaken
† berzoen: druppel jenever
† beschoeppen:
bedriegen
besjoeren: bezien
beteunen: betalen
†
beugelgaai: meid
bie: weg; de bie jallen, stikken: wegloopen
†
biene: luis; - overdrachtelijk van de bie (Oost-Limb. bien) die steekt, tot de
luis die 't zelfde doet.
bikken: eten
† bimps: appel
bink: maat, gezel, vriend
blanke poen: zilvergeld
blik, blek:
geld
† boemelen: uitvloeien
† boemerik: bosch
† boks: gevangenis, amigo
bol: geleerd man
† booten:
z'n gevoeg doen
bos: huis
† bosseleer: scharesliep
† botlak: honger
botten: eten
botten: iets in zijn botten
slaan: honger stillen
breemarsch: straat (Teirlinck breehaart)
† brimmeler: modder
bruintje: pintbier
bruinderik: bier
bucht: slecht, gemeen
bucht: geld
buis: beschonken
buisbink:
dronkaard
buizen: drinken
buizer: drinker
buizekeet(e):
herberg
† buns: aardappels
† cabis: pastoor
canis:
hond
cassement de tier: gevangenis
cri: vleesch
†
dekkeler: gendarm
dekkerik: hoed
† deie: dobbelsteen
† deum: gen deum: niets
† dinkerink: ring
† dis:
winkel
† disch: tafel (Opgegeven als Bargoensch. In het dialect van
St. Truiden overigens onbekend).
† drailijnen: bijslapen
† drol: niets.
† endig mazen: gelijk hebben
eng:
boom
Bij dezen taffer sulfer mer hikken en bikken en dan rond stikken: Bij dezen waard zullen we maar eten en drinken en niet betalen. Bink, de kaffers mazen spiegel, jannef ze: Vriend, de boeren hebben taart, neem ze mee. Poen in de vánger: geld in den zak. Een klinkoros: een glas bier. Ge mot teèuw botten, mer ge mot och teèuw betuuw: ge moet goed drinken, maar ge moet ook goed betalen. Dje en smoest den drol: je ziet niets. Den drol van Jakke: in 't geheel niets. Sjoft tig veur de stiggels: wacht je voor de gendarmen.
aboule: kom
berlots: aardappels
borgans: bargoensch
canale: ga weg
chouette: zoon
colan: melk
gonse: man
gonsesse: vrouw
larton: brood
mammoi: koffie
mistone: klein
meisje
morpier: eten
musquaé: drek
mustinguo: koekje
pendire des bourdoues: koffie met suiker
pente: boersch
quindal:
niets
remouche: zie eens
repeyer: slapen
rousti: misleiden
Dit zijn meest Waalsche woorden. Ook op de literatuur heeft dit Bargoensch invloed uitgeoefend, gelijk men zien kan in de vele Kempische romans van August Snieders. Gaandeweg is het Kempensch Bargoensch echter aan het uitsterven. Om nu toch het voordeel eener geheimtaal te behouden nemen de Teuten van thans een zelfde middel te baat als de kinderen. Zie deel I blz. 379-80. Zoo maken de Teuten van Riempst hunne woorden onkenbaar door een eigenaardig kunstje, dat wij in twee regels kunnen samenvatten: 1o. De aanvangsmedeklinker of -medeklinkergroep wordt aan het begin weggelaten, maar achter het woord gevoegd, en daar altijd gevolgd door een lange è (hgd. ä). 2o. De klinker die op den aanvangsmedeklinker volgde, maar nu voorop zou komen, wordt veranderd in oe of korte ò naargelang hij helder of dof was. Spreken: oekensprè, klappen: oppenklè, dag: ogdè, avond: oevondè, buiten: oetenbè, ik: okkè, schaap: oepschè, los: oslè, de eerste: oddè oerstè, enz. Het spreekt van zelf, dat hierbij ook weer variaties voorkomen. Zoo kreeg ik o.a. bericht dat een troep straatmuzikanten in de provincie Antwerpen alle woorden van achter naar voren uitsprak. In Sint Truiden kwam ca 1892 de p-taal voor: Depe groopootepe weipei ispis groepoen: De groote wei is groen. Terzelfdertijd kende men in Bree en omstreken het ‘Peddewelsch’. Één zinnetje volstaat: Gepeddegewelsch gis geheel giets ganders gals gekoetergewelsch. En dat deze nieuwe geheimtalen van familie tot familie verschillen, gelijk mij uit Riempst bericht wordt, kan ons dus wel niet meer verwonderen.
3o. HET RIJNLANDSCH BARGOENSCH wordt gesproken door
bijna heel Breyel. Oudtijds waren hier alle inwoners reizende kooplui en
marskramers. Thans zijn vele hunner gezeten burgers geworden, die er hun
stapelplaatsen en groote kantoren op nahouden. De zijdeweverij is er in de
laatste halve eeuw een nieuwe tak van nijverheid geworden. Ook
Nieuwenhagen en Groenstraat bestaan uitsluitend uit
marskramers. Zij allen noemen hun taal de ‘henese flik’, d.w.z. de
mooie taal. Deze taal lijkt eenerzijds zeer veel op het Vlaamsche Bargoensch en
sluit zich van den anderen kant zeer nauw bij het kramerslatijn aan, dat ons in
de oude Nederlandsche editie van het Liber Vagatorum
| Beschaafd Nederlandsch | Vlaamsch Bargoensch | Kempensch en Limburgsch Bargoensch | Rijnlandsch Bargoensch |
| ik | michels | michels | minotes 1) |
| jij | - | - | tsinotes |
| mooi, flink | - | kwant | gwant |
| groot, goed, vet, veel | grandig | grandig | grannig |
| groot, goed, rap | vit(s) | vitse | - |
| God | Granderik | Vitsenhoet | - |
| R.-K. priester | - | troppenkapis | - |
| honderd | - | nol | nollen (betalen) noll (bestekamer, no. 100) |
| duizend | - | vitse nol | - |
| drie | - | - | troms |
| geld | poen | poen, paan | paan |
| geld, slechte waar | bucht | bucht | - |
| dood(en) | mol(len) | moolen, mollen | mol(len) |
| neen, niets, niemand | noppe | nobis, nopus | nobes |
| ja | siwus, sine | zeup, kine | tsippken, tsiemen |
| kerk, trouwen | sjank, sjanken | sjanke, sjanken | sankes |
| kind | - | gonse(man) | gronts(e) |
| meisje | geeze | grieze, gieze | gruus (Nieuwenhagen) |
| knecht, meisje | - | - | flitsj 2) |
| zoon, vriend | knul | knul(le) | knulle |
| boer of heer | - | houts, hotske, heutske, hoetse (cf. God) | hoete, hoets |
| Beschaafd Nederlandsch |
18de eeuwsch Bokkenrijders Bargoensch | Westfaalsch Bargoensch | Huidige Nederlandsche dieventaal | Nederl. dieventaal 17de en 18de eeuw uit het Liber Vagatorum e.a. bronnen |
| ik | - | - | - | minotes |
| jij | - | - | - | - |
| mooi, flink | - | quant | kwant | quant |
| groot, goed, vet, veel | granninger | grennig | grandig | grandig |
| groot, goed, rap | - | fiets | - | - |
| God | - | Fietsetroppe kabbes (heer of boer) | - | - |
| R.-K. priester | - | Fietsetroppe kabbes (heer of boer) | - | - |
| honderd | - | noel | - | - |
| duizend | - | trant (groot) noel | - | - |
| drie | - | droimes | - | troms |
| geld | - | poene | poen | poen |
| geld, slechte waar | boecht | buuchte | - | bucht |
| dood(en) | - | moll | mollen | mol(len) |
| neen, niets, niemand | - | nobis | noppes, nopus | nobis |
| ja | - | siemes | kin | - |
| kerk, trouwen | - | sankse | sjanken | sjank, sanke(s) |
| kind | - | - | grom | gronts |
| meisje | gees | gruse | gies, gees, groeze, grieze | - |
| knecht, meisje | - | - | - | flik |
| zoon, vriend | knoll | knulle | knul | - |
| boer of heer | hoets | hoets(j)e | oest (boer) hoesie, hoet (politieagent) | houts, houtz houtse (boerin) oest, oestin |
| Beschaafd Nederlandsch | Vlaamsch Bargoensch | Kempensch en Limburgsch Bargoensch | Rijnlandsch Bargoensch |
| boer of heer | - | troppen | troppert |
| brief, speelkaart | - | - | fleb |
| mond | - | morf, meurf, murf, murven(kussen) | sjmerf |
| tabak | smerrie, smerl | - | - |
| kaas | - | - | loermon, loerman |
| melk | flens | flens | sips |
| boter | smikse | smiks | sjmiks |
| hand, vingers | feem | feem | feemzelen |
| (rijks)daalder | - | knaak | knook |
| vloo, luis | griekse | grieksche | greks, grieks |
| stinken | muffen | - | muffen |
| ei | lauze | laust, leist, las | - |
| water | ploemp ploempen (regenen) grandige ploemp = zee | ploemp ploempen (regenen) | - |
| bier | roei | - | |
| boterham | vinne | vitt | |
| schoen klomp | trederik | trede, tritske | - |
| voet | terterik | - | - |
| oud | - | olms | - |
| drinken | - | - | henese pooi = Rijn; lokke pooi = Maas; pooien (regenen) |
| goud(stuk) | vosken | vosken | - |
| Beschaafd Nederlandsch |
18de eeuwsch Bokkenrijders Bargoensch | Westfaalsch Bargoensch | Huidige Nederlandsche dieventaal | Nederl. dieventaal 17de en 18de eeuw uit het Liber Vagatorum e.a. bronnen |
| boer of heer | - | troppe | - | - |
| brief, speelkaart | - | - | flep(je) | flebb |
| mond | morf | gawert, geppert | morf, gaper | morf |
| tabak | smerren (rooken) | smoergelen (rooken) | smerrie | smerri |
| kaas | loerbink | loers | - | loerman |
| melk | flens | stripse | - | - |
| boter | smix | - | smiksem | smixe |
| hand, vingers | - | fiewe | veem | feem |
| (rijks)daalder | - | knook | knaak | - |
| vloo, luis | - | - | grikse | griexe |
| stinken | - | - | muffen | - |
| ei | lauske | - | - | laus(e) |
| water | plomp | - | plompen (varen) | plomp |
| bier | roys | ross | - | ros |
| boterham | - | - | vin (snuif-doos) | - |
| schoen klomp | treyers | - | trediker | treder, trederik, trapper; tree, trewaal |
| voet | - | - | - | - |
| oud | - | olmsj | olms(e) | - |
| drinken | - | pooien | pooieren | - |
| goud(stuk) | - | - | foks | vosch, vossen (gouden) |
Verder geef ik eenige teksten in het Breyelsch, naar Joh. Heinr. Jansen: Der Schlüssel zum Krämerlatein oder kurze Anleitung zum Hennese-Fleck der Breyeller uit Kluge bldz. 465 vlgd. Eerst een brief.
| Knöllen! | Waarde Vriend! |
|---|---|
| Die parz Schüten Klenen, die minotes hitschen geschockelt het, sind de Meles för holf uhr Plotten versömt. Dot huckt enen henesen Röhl, ene knäbbige Quock, sall Zinotes flicken. Zippken, Knöllen; mutsch beuten on heet versömen belabert den Röhlblag den Drothmeles. Minotes het parz uhr Hospelen gebeut, de Ellen för troms Gecken. Zìnotes mott no Oken strömen, de Peek te versömen, do beut de Ellen wie minotes enem Blag geflickt het, holf krütskes Gecken on spörkes Nethen. Flick an minen Thuren, dot minotes nog henes huckt on no de Tent schockelt. | De twee hierheen gereden karren klaverzaad zijn, de zak tegen 50 daalders, verkocht. Dat is een goed zaakje, een mooie winst, zul je zeggen. Ja, vriend, goedkoop koopen en duur verkoopen vult den koopman de geldbeurs. Ik heb 200 hammen, het pond à 3 Sgr., gekocht. Je moet naar Aken gaan om het vleesch te verkoopen; daar kost het pond, naar mij iemand gezegd heeft, 5 Sgr. 6 Pf. Zeg aan mijn vrouw, dat ik nog gezond ben en naar huis rij. |
| Paderborn, den.... | Paderborn, den.... |
| Huck knäbbig Knöllen! | Vaarwel! |
| Peter Mutsch. | Peter Mutsch. |
| Holt Zinotes den Henese - Flick? | Versta je kramerslatijn? |
| Zippken, Knöllen, minotes het de Fritzel van den henese Flick. | Ja, mijnheer, ik heb den sleutel van 't kramerslatijn. |
| Zinotes flickt henes. Wo hucken die Krabbelen te beuten? | Je spreekt goed. Waar zijn die boeken te koop? |
| An de Schaag bei Jansen. | In Schaag bij Jansen. |
| Huckt Zinotes enen Röhlblag? | Ben je een koopman? |
| Zippken, minotes versömt Blök. | Ja, ik verkoop tabak. |
| Röhlt Zinotes og? | Drijf jij ook handel? |
| Ziemen, Knöllen, minotes versömt Pley on Fehm. | Ja, ik doe in linnen, laken en garen. |
| Paut Zinotes hitschen? | Logeer je hier? |
| Zippken, Knöllen, hitschen in de Härk huckt henesem Bott on knäbbige Bölten. | Ja, mijnheer, in dit logement heeft men goed eten en goede bedden. |
| Wat berimt Zinotes för et Pauen on dem Bott. | Wat betaal je voor bed en eten? |
| Enen halfen Plotten. | Een halven daalder. |
| Wat beut de Sanktes hitschen? | Wat kost de wijn hier? |
| Krütskes on parz Gecken de Büs. | Twaalf grosschen de flesch. |
| Huckt te henes. | Is ie goed? |
| Zippken, knäbbig; et huckt genen heneseren hitschen in de Vill. | Ja, zeer goed, er is geen betere hier in het dorp. |
| Plaren för parz en Büs? | Willen wij samen een flesch drinken? |
| Ziemen, flick mar an den Härkswöles hitschen. | O ja, bestel maar aan den kellner daar. |
| Holt dem Blag og de Flick? | Verstaat die ook de taal? |
| Zippken, dot huckt enen Breyellschen. | Zeker, die komt van Breyell. |
| He, Wöles, schüt en Büs Moselsanktes möt parz Ruthen! | Héla, kellner, breng een flesch Moeselwijn met twee glazen! |
| Thürt Zinotes og? | Rook je ook? |
| Minotes thürt Blökstinesen. | Ik rook sigaren. |
| Hitschen, Knöllen, dot hucken knäbbigen. | Hier, mijnheer, dat zijn zeer goede. |
| Zippken, die schmerfen henes; wat beuten die? | Ja zeker, die smaken goed, wat kosten die? |
| De uhr parz Plotten. | De honderd twee daalders. |
| Dot huckt nit de heet. | Dat is niet te duur. |
| Plar ens, Knöllen, do huckt te Büs. | Drink eens, daar staat de flesch. |
| Wie schmerft Zinotes de Sanktes? | Hoe smaakt je de wijn? |
| Knäbbig, Zinotes het den ühl geferft. | Zeer goed, je hebt de waarheid gesproken. |
| Wo trollt Zinotes fan hitschen her? | Waarheen reis jij van hier? |
| Minotes mott nog in parz Tenten fucken, on dann trollt minotes möt den Troppert no Dülken. | Ik moet nog naar twee huizen gaan, en dan rij ik naar Dülken. |
| Wo paut Zinotes do? | Waar logeer je daar? |
| Bey den Härksblag Graff; do huckt et henes pauen. | Bij den logementhouder Graff, daar is het goed logeeren. |
| Wo paut Zinotes te Breyell? | Waar stap je te Breyell af? |
| Bei Schoepges. | Bij Schöpgens. |
| Do paut minotes og; dot huckt og en knäbbige Härk. | Daar stap ik ook af; daar is het ook zeer goed logeeren. |
| Minotes mott strömen. | Ik moet weg. |
| Lott hucken, minotes berimt die Büs. | Laat maar zitten, ik betaal de flesch. |
| Henesen Rohl! | Goede zaken! |
| Minotes nuckt. | Dank je. |
| So, og hitschen, Knöllen? | Zoo, ben jij ook hier? |
| Zippken, minotes het Schwömzelen on Luhrmon; wat röhlt Zinotes hitschen? | Ja, ik heb visch(en) en kaas; wat verhandel jij hier? |
| Minotes versömt Rothen on beut Plinten. | Ik verkoop aardewerk, en koop lompen. |
| Het Zinotes enen Röhlfesel? | Heb jij een papier? |
| Zippken, Knöllen, minotes hufft den ühl mehr; huckt Zinotes nog onger dem Brel? | Ja, ik smokkel niet meer; sta jij nog onder politie-toezicht? |
| Ziemen, minotes mott nog trombs krütskes Dag in de Kau. | Ja, ik moet nog 30 dagen zitten. |
| Wann de Bithwölesen Zinotes hitschen ens benucken? | Als de dienders (beambten) je hier eens verrasten? |
| Den Troppertsblag holt minotes henes, | De burgemeester kent me goed. |
| Ström mar no de Tent, Knöllen; röhlen ohne Röhlfesel, dot huckt den ühl. | Pak je maar naar huis, dat gaat niet, zonder papier handel drijven. |
| Zinotes flickt; minotes het enen Thuren möt spörkes Gronzen, die wellen botten. | Jij praat (mooi); ik heb een vrouw met zes kinderen, die willen eten. |
| Wo hucken Zinotese Wölesen? | Waar zijn je jongens? |
| Te Breyell in de Kaueltent. | Te Breyell in de weefschool. |
| Minotese Wöles wörd og en Kauel, dot huckt heneser as huffen. | Mijn jongen wordt ook wever, dat is beter dan smokkelen. |
| Knöllen, et huckt den ühl te nollen, wat den Huffblagen - Bessem för Breyll quockt. | Ja, vriend, het is niet te berekenen wat de vereeniging tegen het smokkelen te Breyell uithaalt. |
| Zippken, dot flickt Zinotes henes. | Daar heb je wel gelijk aan. |
| Wat huckt de Ketel? | Wat (voor) tijd (hoe laat) is het? |
| Krüskes Schröm. | Tien uur. |
| Dann mott minotes strömen. | Dan moet ik gaan. |
Dat de oude Limburg-, Berg en Guliksche bokkenrijders, de beruchte dievenbende uit de 18de eeuw zich ook van deze dieventaal bedienden, blijkt o.a. uit een lijstje woorden in 1724 te Duisburg uit de omgangstaal van eenige veroordeelden opgeteekend bij Avé-Lallemant IV, 105. Zie ook Welters e.a.
Achelen: eten
Bafferen: eten
Boxer: dief
Bucht:
geld
Bonnacker: muts
Barlaffen: uitplunderen
Blederman:
schaap
Boxmânnen: gevangen nemen
Bomsken: appel
Cout:
mes
Hartling: mes
Sackem: mes
Caffer: boer
Klunde:
hoer
Huts: man
Herkem duf: sla den duivel dood
Hust: brood
Hornickel: koe
Kilef: hond
Krummerick: jas
Kracherick:
geweer
Knôll: knecht
Kreef: spek
Kutse: hoen, kip
Kutse lormen: kippen vangen
Lausken: ei
Luerbinck: kaas
Lengelinck: worst
Morf: mond
Mosse: vrouw
Clammer: hand
Nibbel: handen
Capores: vermoorden
Classey: zakpistool
Chaperich: hoed
Cooch-halden: op roof uitgaan
Du manser: houd je bek
of zwijg stil
Flackert: kaars
Flens: melk
Ges: maagd
Isch:
maagd
Granninger: heer
Glyde: hoer
Offeren: vleesch
Pleyen:
pijnigen
Porcus: varkensvleesch
Plomp: water
Platvoet: ganz
Roys: bier
Smix: boter
Stroffling: kous
Swensen: over land
trekken
Smerren: tabak
Saccumher: iemand berooven
Stubbeler:
soldaat
Schicksgen: vrouwmensch
Trappelman: paard
Teet:
hoofd
Treyers: schoenen
Treu: buks
4o. HET WESTFAALSCH-BARGOENSCH wordt op verschillende welvarende dorpen van den ‘Kreis’ Ibbenbüren gesproken. Het stadje Mettingen vormt er het centrum van. De inwoners dezer dorpen zijn evenwel thans allesbehalve marskramers meer, zij doen groote zaken door heel Noord-Duitschland en Holland, vooral in Leeuwarden en Amsterdam. Een behagelijke goede trouw, welstand en hooge beschaving kenmerken deze handelsheeren. En tòch spreekt hun taal zoo luide van hun vroegere afkomst. Zelf noemen ze hun dialect nòg Bargoensj, Hoempes(j) of Tjöttensprache(Tjött = Teut?). Hiervan ben ik echter geen tekst machtig kunnen worden, en moet ik mij dus met een woordenlijst behelpen, die ik aan Kluge ontleen.
troppe: Herr
fîtse-troppe: Gott
klodden-troppe: König
hutsche (hutse): Mann, Bauer
nobbes
hutsche,: Dorfschulze
hutsenobbes: Bauervogt
gnurk-hutsche:
Jäger
schmursen-hutsche: Holländer
roedels-hutsche:
Kaufmann
tispel-hutsche: Krüger, Wirt
brügel-hutsche:
Arbeitsmann
olmers-hutsche: Altenteiler
krôi-hutsche:
Schreiber
strükel-hutsche: Geschäftsreisender
knaspel-hutsche: Barbier
gorenklits: Kupferschmid
wittken-klits:
Klempner
kriksen-klits: Wagner
knätter-klits: Schlosser
gnurk-klits: Büchsenschmied
klîms-klits: Goldschmied
trênfailer: Schuster
benten-failer: Fischler
kassen-failer:
Zimmermann
fluschen-failer: Zigarrenmacher
kriksen-failer:
Radmacher
lîmes-failer: Leineweber
tîmes-failer:
Hutmacher
mûlsch-failer: Art
tiött(e): Westfäl.
Kaufmann
soimer, säumer: Kaufmann
disselbäumer:
Hausirer
stâlenhengste: feinere Geschäftsreisende
kloddenruscher: Geometer
küler: Schmid
gîler:
Fleischer
stickbolt(e), stickum: Schneider
rumsnicker, rumpnicker:
Müller
brêwetoener: Schuster
pênschrämper:
Bäcker
taftkätscher: Tuchmacher
krêwehacker:
Fleischer
schmursenroedler: Butterhändler
gôrentiötte: Westfäl. Kesselhändler
stübber:
Soldat, Polizist
hirk: Schäfer
nobbes (nôwes)
stübbesnobbes: Gendarm
märtenquässer: Lehrer
kabbes:
Priester, Pastor
hirk: Papst
funke: Kaiser, König
hutsche,
hutse: Mann
mussen, muschen (mussken): Frau
olmerske: die alte
Frau
grüse: Mädchen
stoffe: Sohn
stoffel:
Bräutigam
stoffelsche: Braut
märte(n), fanke: Kind
sebber: Bruder
knölle: Knecht
schlaier: Jude
hutsenknölle: Bauernsöhne
hutsenprügel: Bauernknechte
sankse: Kirche
nosterpradde: Beichtstuhl
kasse, keskerîe:
Haus
posselhasse: Küche
soimkasse: Laden
klinkse:
Stube
5o. Ten slotte hebben wij nog HET BARGOENSCH VAN DEN EIFEL, vooral gesproken in en om Speicher. Deze lieden noemen hun taal het Jenisch. Dit is waarschijnlijk hetzelfde woord als ‘henes’ in de henese flik van Breyell.
Ook hiervoor ontleen ik aan Kluge een klein woordenlijstje, dat echter genoeg is om te bewijzen, hoe nauw ook deze kramerstaal met de onze samenvalt.
Houtz: Mann
moss: Frau
kneff: Junge,
Knabe
schirp (scherp): Mädchen
galstern: Kinder
kollmar:
Pastor
ravert: Bürgermeister
gefôrbînes:
Ortsvorsteher
zankert: Gendarm
butz: Polizei
frippchen:
Soldat
kodaler: Jude
trappert: Pferd
quem: Hund
spurkel:
Schwein
quetsch: Kuh
keiken, keikertchen: Augen
gitz: Nase
hischerten: Ohren
helmessen: Hare
knelen: Kopf
grefferten
(krebessen): Hände
flossert: Wasser
plump: Bier
juchem:
Wein
schnurri: Branntwein
batz: Kaffee
bossard: Fleisch
schmunk: Fett
löm, lĕm: Brot
stälcher: Kartoffeln
gefôr: Dorf
doft: Kirche
kitchen: Gefängnis
gusch:
Haus
schwächert: Wirtshaus
finet: Fenster
täfleck:
Tisch
funkert: Feuer
flittem, kuffert, kotebetz: Messer
ohles:
Topf
schmärig: Pfeife
musch: Tabak
schurig: Karren,
Wagen
munter: Uhr
killet: Hose
mummes: Geld
schuewertchen,
(schwäwert): Kusz
doft: gut
schofel: schlecht
kranisch:
fein
pellen: schlafen
quitschen: arbeiten
fladern: waschen
schmusen: sagen
wickeln: essen
schwächen: trinken
lutschen:
rauchen
paternellen: beten
luren: singen
plattfussen:
tanzen
bod schiebes: geh fort
schuftig (schuft dech): pass auf
neist gequest: nichts sagen
gepiedelt, geduckt: gegeben
gezoppt:
erwischt
kenn: ja
merz: nein
Met den dag dreigt ook deze taal echter uit te sterven en dit
geldt natuurlijk van de meeste Bargoensche dialecten. Onze berichten over het
Teutsch zijn van 1871, aangevuld met de lijst van Sint Truiden uit
1894, die over het Breyelsch van 1881. Het is dus best mogelijk dat
verschillende der opgegeven woorden op het oogenblik al niet meer in zwang
zijn. Onze lijsten van de Tjöttensprache en het Eifelsche Jenisch zijn uit
1909. Het zou de moeite loonen, ook de taal der Noord-Nederlandsche zoogenaamde
heidenkolonies eens na te gaan, 1o. Het Heike bij
Breda, tusschen Hoeven en Rucfen,
2o. de buurt
Eerst een door E.J. ter Gouw in Noord en Zuid afgedrukte scène uit 1702.
We mogen, daar het vóór 1689 gemaakt, en kort na 1700 herdrukt werd, de taal en de toestanden gerust tot de 17de eeuw brengen. Dat gedeelte, waarop wij de aandacht vestigen, betreft een Hoogduitscher, Olof Harmensz Propdarm geheeten, wien in den schouwburg eene beurs met honderd en vijftig ‘doekooten’ is ontrold. Eelhart, een liefhebber van het tooneel, was ook bij de voorstelling van Andromaché, en te 7 uur, bij 't uitgaan der komedie, valt hem de mof onverhoeds met zijne jammerklachten op 't lijf en verhaalt hem in de hartstochtelijkste termen, hoe de ‘hooze koppen in diezen lande’ hem zijn ‘budel’ ontloken hebben en nu wil hij ze ‘von de Meister von de Kamediantmookers’ terug hebben, maar dat geeft niet: men raadt hem naar den schout te gaan, ‘den schout, de onder, én minder Officieren, die met hun Dienders, op zulk vólk dagelijks door de stad zwieren.’ Propdarm af.
Een uur later zijn Eelhart en zijn vrienden Willem en Herman ongezien oorgetuigen van 't gesprek van twee gauwdieven, Jan Hagel en Kees Grijp, die juist de beurs gerold hebben.
In het Kluchtspel van Cornelis de Bie te Lier: ‘Kluchtige behendigheid van twee Borsesnijders en den verdraeiden Advokaat’ uitg. laatst der 17e eeuw (van Vloten III bl. 82) vindt men ook een staaltje van dieventaal uit Brabant.
Nu volgt nog een vers uit de vertaling van Cartouche uit 1731.
| Wijze: Daar was een Maget vol benouwen. | Ton joli, belle Meunière, ton joli Moulin. |
| Meefokkers in deez Herry t'zaamen, Leven wij zeerwits en blij, |
Fanandels (camarades), en cette Piolle (cabaret), |
| Zijn wij thans vrolyk naar 't betaamen | On vit chenument (fort bien); |
| Hier staat ons alles vrij. | Arton (pain) Pivois (vin) et Criolle (viande), |
| Het hoeft, de bay beneven, | On a gourdement (beaucoup): |
| De creeft is zeer plok alhier | Pitanchons (buvons), faisons riolle, bonnechère) |
| Men buize nu zoolang wij leeven | |
| Nachtdeenen we op ons plaizier. | Jusqu'au Jugement. |
| Bank is 't Tooneel om zoet te krouwen, Want het krouwen heeft veel op. Laaten wij, met vast vertrouwen, |
Icicaille (ici) est le Theâtre Du petit Dardant (amour); Fonçons (donnons) à ce Mion (petit garçon) folâtre |
| Dus gemoed en klapperkop | |
| Die fokkende geeuwert dokken, | Notre Palpitant (coeur): |
| Word de goede bay niet moe. | Pitanchons (buvons) Pivois (vin) chenâtre (excellent) |
| Laat ons nu drinken, lachen, jokken, tot den vroegen kaale-koe’. |
Jusqu'au Huisant (jour). |
Verder een brief in het Bargoensch uit ‘Algemeene Konst- en Letterbode’, II, van 1844.
‘Sorrore!
Wij zenden u deze flep, om u te doen lenzen, dat gij
niet de eenigste goocheme vrijer in de marwiger taal zijt; wij
zouden u haast voor een wiedensche knul aanzien; bij het
opstootje, dat gij in dien babbelaar van Haarlem gemaakt hebt,
zoudt gij ons den tantel van die taal geven, doch gij hebt loensch
gegokt; gij geeft ons kajumstaal in plaats van zuiver
marwiegs: wij hebben u bot op verschut; verkrummel u niet; wij
zullen u vertossen; wij willen er niet een enkel schobbetje aan
verscheren; wij laten ons neref voor noppis voor de
amchen schijnen, maar houd de stiekem; wij zullen u de
flodder leenen, laat de kaffers riemen; zij staan smeris,
doch wij zullen ons neref voor hen gewoerem houden,
schofje dus. Denk echter niet, dat wij amchen zijn, die op den
scholm met den jas, de vonk of den das hebben staan
lenzen; louw, Sorrore, wij zijn sjofele dalfenaars, zonder een
beisje, veel minder een mafje of een man in de
kist; vroeger hadden wij nog al een likmehol in de kat,
met een kleifsche biks en een fokse vin en tik en een
sparwer in de flodder. Wij
A. en Z.’
Verder kan men nog staaltjes der Noord-Nederl. dieventaal vinden in Hofdijks Voorgeslacht, Cremers Hanna de Freule en Justus van Mauriks Burgerluidjes. Ten slotte citeer ik een bladzijde uit Het Wederzien van Gustaaf Vermeersch.
‘Iets verder kwam een man op hem (Pol) af, een kerel met lang zwart haar dat gekroezeld in zijn nek hing, en waarop hij een versletene, ronde hoed droeg met breede vooien die zijn bruin gezicht overschaduwde. De man groette hem: ‘Bein 1) !’ - Pol gaf hem zijn groet weer. - ‘Toch naar de pie 2) gerispeld 3) ?’ - ‘Ja!’ - ‘Een ellendige mokum: 4) ik ben verkens 5) deemen 6) hier en daar is nantes 7) aan paan 8) te komen!’ - Pol gaf geen antwoord. - ‘Maast 9) tich 10) hoefte 11) ?’ - Hij schudhoofdde neen. - Ze bleven een oogenblik elkander bezien, het peerd stond weer stil en opnieuw schreeuwde men, dat ze zouden voortmaken; een stoet rijtuigen stond reeds achter hen. - De andere sprak: ‘Fiemt 12) met uw keete, 13) mechels 14) weet de plek. Is de groeze 15) mol 16) ? - ‘Hij keek naar 't venster - Nopus 17) ? Mechels moolt 18) van faam 19) . Spant 20) de kaffers 21) , veel kaffers! De grieze 22) is gaan tollevelen 23) , misschien schoept 24) ze wat. Ge weet mechels gèeze 25) ? Een toove 26) karre 27) die zoo kwant 28) sjanterde 29) ! Z'is weggerispeld! Ze schoot hier de bie 30) .’ - ‘Alleen?’ vroeg Pol. - ‘Ergens met een machoefel 31) !’ - ‘Travakt 32) tich nicht?’ - ‘Travakken? Kesselflikkeren 33) ? Nantes te zuipen 34) !’
‘Men wordt bewiegd 35) hee, bij 't spannen van de pie de mokum? Mechels weet er nog van als mechels de pie weer besjoerde 36) , 't was ook lang en al wat mechels gekend maasde was rip 37) . Mechels feemde 38) juist in tijd om de olmste 39) te spannen moolen. Mechels maasde nog 'n subber 40) , maar die was 'n grandige teit 41) geworden, die mechels niet besjoerde. Mechels rispelde weer weg en spoorde 42) naar de pie niet her.’
Zijn gezel babbelde voort, woorden, die ronkten in zijn hoofd als een weergalm: ‘De olmste maasde 'n ponke 43) , maar mechels subber lichtte 44) nantes, hij schranselde 45) alles op! Schoepers 46) allemaal die machoefels.’
Terzijde van hem liet een geritsel zich hooren en eenig dof geklop. Hij wendde de oogen daarnaar heen. Van achter een reke omhoogrankende boomen kwam een ruige kop te voorschijn, waarin twee zwarte loerende oogen glinsterden. Een man kwam snel naar hem toe, verborg zich achter de wagen. 't Was zijn gezel van daareven; hij had een zak bij zich. ‘De kaffers zijn weggerispeld,’ zei hij, ‘d'r is nobis 1) in de keeten. Mechels melis 2) grolde en mechels maasde geen paan. Mechels hee' wat kachen 3) gemold en in de herterik 4) 'n larton 5) geschoept. Slint 6) tich mee?’
Het Wederzien.
Gustaaf Vermeersch.
Ook hier moet ik op de eerste plaats nog bij de sociologische structuur dier echte dieventaal even stil staan; en ik constateer dan als klaarblijkelijk, dat de armere Joden, niet slechts vroeger maar ook thans nog, een groot contingent, ja het intellectueele centrum der dievenbenden uitmaakten, want de dieventaal krioelt van Joodsche grootendeels vulgair-Hebreeuwsche woorden. Om dit te verklaren is alléén niet het feit bij machte, dat de Joden veelal als opkoopers en antiquiteitenhandelaren, de aangewezen afnemers of heelers der dieven waren. Dàn toch zouden zich de Joodsche woorden tot de namen der gestolen voorwerpen beperken, of zij zouden althans niet juist de meest typische verrichtingen en werktuigen van het dievenbedrijf beteekenen. Ik stel het tot later uit een volledige lijst hiervan aan te leggen; ieder deskundige die Köster-Henke inziet, komt er bijna op elke bladzij meerdere tegen. Misschien trouwens is de invloed, die eenige HEBREEUWSCHE TYPEN VAN WOORDVORMEN hebben uitgeoefend een nog sterker bewijs. Men zal hieruit zien hoe Nederlandsche, Hebreeuwsche en Jodenduitsche formale elementen hier analogisch en contamineerend samenwerken tot onderlinge uitbreiding.
1o. Opvallend groot is het getal WOORDEN OP -EM uit Köster-Henke:
afroojemen: afloeren
beginnem: spotprijs
besjoechem: loos, bij de hand
besjolemen: betalen
brasem: kerel
broochem: voorwerp, goederen
dajem: eed
feem(en): hand, vingers
geteistem: uitvaagsel
geweirim: kameraden
gilkemen: deelen
goochem: loos
goïm: christen
jajem: jenever
jajemen:
drinken
jajempie: slokje, borrel
kajem: val
kajim: neus
kajemen: vallen
katsjemme: luimkeet, slaapstee
kleum: slaag
kooterum: klein
krankjorem: krankzinnig
laulem: ten minste
lechem: brood
lorum: zwendel
majem: water
majemen: regenen
malogemen: werken
maloochum: werkplaats
mareedsemen: dief
mokum:
stad
muim: slaag
pichem: jood
poerem: drukte
ponem:
gezicht
Veel kleiner is het getal bij Teirlinck en Kluge voor het oudere Bargoensch:
bree(t)sem: limoen
gewoerem: verborgen
gognum:
niet bang
jedemme: mv. oogen
(kootem), kootme sjeffen: met een
brandmerk zitten
schollem: schavot
2o. Nog tamelijk klein is de voorraad WOORDEN OP -ES(J) bij Teirlinck:
diennes: hemel
fechtesj: politiedienaar
flitsj: meisje
moetsj: goedkoop
henes: schoon, goed, wel
kabas:
korf
kapis: priester
melis: zak, buik, maag, muil
moris:
kalf
nantes: nergens
neres: straatlantaarn
nobis: niets, neen,
niemand, niet
sjïbus gaan: loopen
zikkus: blind, (v. Lat.
caecus?)
Bij Kluge is hun getal reeds wat grooter:
capores: dooden
roys: bier
nobbes:
gendarme
kabbes: priester
loers: kaas
weules: jongen
krotes: zwijn
sanktes: wijn en kerk
krewes: vleesch
kliem(e)s:
goudstuk
liem(e)s: hemd
te(u)m(e)s: hoed
teps: hoed
pluumse: pluimen
unkassîmes: onkuisch
siemes: ja
fechtesj:
douanier
stines: ‘Stock’
Fliekoeles: preekstoel
meles: zak
drootmeles: geldzak
Maar overvloedig is weer de voorraad bij Köster-Henke:
bajes: winkel, huis, gevangenis
balbes:
huisbaas
baljisrool: heer, chef
begoulesj: veneriek
cabanes:
herrie
dalles: armoede
drosjes: gekheid
emmes, cf. immes:
goed
gajes: volk, menschen
gattes: deugniet
gedagis: les (bv.
iemand de les lezen, inlichten)
gedallist: op straat d.w.z. zonder
geld
gibbissen: bijten
gillis krauter: inbreker op klaren dag
glamonius: ruit
glonis: raam, glasruit
gons: steek, por
gribus:
gevangenis, verdachte steeg
hallas: herrie, drukte
3o. Nog niet opvallend bij Teirlinck (en Kluge) zijn DE WOORDEN BEGINNEND MET ME- EN BE-. Teirlinck geeft:
beknooien: bezien, beraadslagen
benukken:
krijgen
besaffot: brief
beschroepen: bestelen, ontrooven
besjoeren: hoeden, eigenl. bezien
beteunen: betalen, voldoen
betritsen: bedriegen
betreuvelen: bespreken
maram: horloge
marwieger: dief, schelm, baanstrooper
Opvallend druk geworden zijn ze echter weer bij Köster-Henke:
bedibberen: zeggen, praten, vertellen, bedotten
bedissen: verdienen (stelen)
begieten: bevreesd
beginnem:
spotprijs
begoulesj: veneriek
behaai: lawaai, drukte
beheime:
beest, dier, vee
behojje: vrouwel. schaamdeelen
bekaan: hier
bekattering: uitbrander, bekeuring
beknijzen: bekijken
belabberd:
beroerd, ellendig
belatafeld: belazerd, zot
bemore: bevreesd
benosselen: stelen
beseibelen: bedriegen
besjoche: gek
besjoechem: loos, bij de hand
besjolemen: betalen
betoefd: goed
weg
betoegd: gered, uit den brand, rijk
betoft: onder dak
bezokke: gek
bezoles: ziek, bedorven, kapot
bezolletje: koopje
bezommen: geld
maholle: bedorven, kapot
maloochum: werk
marwiegen: stelen
mekajem: grootehoeveelheid, hoop, klap, veel slaag
mekattering: beschuldiging, ruzie
melane: lading
melogo: werk
menobbel: monster, bijzonder leelijk schepsel
merode: neerlaag,
armoede
mesokke: gek, suf
mesjoche: gek, suf
mezoles: gek,
suf
mezoomen: geld
4o. DE WOORDEN OP -EP EN -EF:
gannef: dief, bedrieger
golof: melk
grootlef:
hart, moed, goed geluk, avontuur
jokef: Jozef
katsjef: slager, die
onrein vleesch verkoopt
kennep, kennef: kink, klap, stoot
kesef:
zilver
ketippie: dubbeltje
kinf: luizen (hij zit in de luizen)
koetsef: diamant
mollof: groot
sohof: goud
tennef: slechte
koopwaar
tinnef: slechte kost
gellep: deel
jokep: teer,
verf
neref: licht
jantif: Paschen
patsjif: gezicht
leb:
dief
lef: moed
5o. DE WOORDEN OP -ET:
eegit: een
peget: twee
kletspatet:
hoofdzeer
patet: hoofd
lammet: dertig
dollet: vier
paradet:
kletskop, zeer hoofd, schurftkop
(parrig): hoofdzeer
samenetje:
cigaret
erlat: heer
klaffot: kleed
hoef: hoeft: brood
doft
(v. tof): goed
kloft (ing.): kleed, kleeding
6o. DE WOORDEN OP -IN EN -EN:
godin, gedin: oprecht, echt, vertrouwd, best
kedin,
kadin: veilig
najin: oog
askenen: stelen, bestelen
aken:
vader
jaspenen: zitten
kiejenen: koopen
loezenaar: valsche
kerel, verraderlijke kameraad
mezoomen: geld
saskenen: loopen
kaskenen: drinken
kaskienen: kleine sleutels
7o. DE WOORDEN OP -OON, -OOL, -OOS EN -OOZE:
gakmoos: handgeld (eerste inbeuring)
jatmoos:
handgeld
grammonen: gereedschap voor inbraak
basserool: heer,
chef
kapsoones (v. kapsie): drukte
kaskedoole (v. kaskenade):
drukte
katoen: kalm
koone: aangezicht
mezoles: bedorven
(nafke) nafkoone: meid
palmegoone: koloniaal (van palmer: soldaat)
penooze: neus
pernooze: kostwinning, werk, jacht
spienoze: roof,
diefstal
rachmones: medelijden
sirool: man, kerel
violen:
begaan
8o. DE WOORDEN OP -IJVE EN -IJNE:
kenijve: brood
lakijve, lekijve, nekijve: beminde,
vrouw
sereife: benauwdheid, miserie
treive: slecht, onrein
kleif: zilver
kewijne: kaas
geintjes, pageintjes: aardigheden,
grapjes
9o. DE WOORDEN OP -IE:
kapsie (v. Lat. captio?): aanmerking
kassavie:
brief, briefje
kedeevie: slag, stoot, klap
keesie: pruim tabak
keggie: mik, broodje
lausie: ei
loerie: chocolade
lovie(luffie,
loefie): geld
mijlie: mond
smerrie, smurrie: tabak
10o. DE WOORDEN OP -AAI EN -OOI:
daai: steen, keien, dobbelsteenen, diamant
gaai:
man
haai: sterk, groot, bij de hand, geducht
behaai: lawaai,
drukte
attenoj, ottenoj: hemel, zeg! kijk!
kaaien: vallen
klopdaai: man met een zeer hoofd
krabbedaaier: vechtersbaas,
ruziemaker
krabbelpoj: inkt
lawaje: begrafenis
oj: wel, wat moet
je?
okketaaien: te weinig betalen, en als 't gemerkt wordt, doen of het op
den grond was gevallen
poj: water
schrooi: trek, eetlust, honger
baai: wijn
baaien: stelen
beknooien: bezien, beraadslagen
HET ZIGEUNERSCH, dat men hier rijk vertegenwoordigd zou denken, leverde veel minder dan het Hebreeuwsch.
Prof. de Goeije geeft in het Album Kern, blz. 25-26, dit lijstje:
| Zigeunersch. | Bargoensch. |
| beng: duivel | beng, bing, bink: man |
| baro dewel: Groote God | bare duivel (?) |
| *raklo: jongen | rakker |
| molo: dood | mollen: dooden |
| manoesj: mensch | manesje van alles (?) |
| phral: broeder | phraal: broeder |
| phen: zuster | pheen: zuster |
| *dai: moeder | dey: moeder |
| gadsji: meisje | geeze: meisje |
| *maro: brood | maro: brood |
| balo: zwijn | balleward: spek |
| *mas: vleesch | mass: vleesch |
*roep ni: zilver |
roep: zilver |
| tsjaro: schotel | tiaro: schotel |
| sjoeri: mes | sjoeri: mes |
| tsjor: dief | tsjoren, tioren: stelen |
| *kachni: hoen, haan | hagne: hoenders |
| *bâro: lang | barre: groot |
Het is de moeite waard op te merken, dat de Goeije's vermoedens in
het door
Kluyver ontdekte Groningsche 16de eeuwsche
Zigeuner-glossarium (Handelingen der Maatschappij van Letterkunde 1899-1900 en
vooral Journal
Nog veel oudere volkselementen schijnen hier echter bloot te komen.
Als wij toch bedenken, dat zich DE OER-EUROPEESCHE BEVOLKING, natuurlijk door
àl de successieve overheerschers, in bosschen en heiden zag
terugdringen, kan het a priori niet bevreemden, dat wij in het Bargoensch van
marskramers en dieven, oeroude taalelementen zouden terugvinden. Maar a
posteriori blijkt dat ook inderdaad het geval te zijn. Op de eerste plaats
vinden wij hier in de getallen een paar eigenaardigheden, die ook in het
Germaansch en Keltisch, door de Oer-Europeesche inwoners schijnen
geïmporteerd te zijn. Het Germaansche woord duizend,
*
ūs-hunda- beteekent letterlijk een sterke of groote honderd
(*
ūs- = skr. tavás, sterk) juist als vitse nol en
trantnoel = 1000 in het Kempensch en het Westfaalsche Bargoensch. Verder
een tellen met talstelsels van 2, 3 en 6, dat althans het Keltisch van de
oerinwoners overnam. Roeselaarsch: Bis-draaiers (twee-drie) = 6; Bisdraaierskop
(twee-drie-één) = 7; Bisverkens (twee-vier) = 8; Verkensbiskoppen
(vier-twee-eens) = 9; Bisknakken (twee-vijfs) = 10; Draaiersknakken
(drie-vijfs) = 15; Verkensknakken (vier-vijfs) = 20; Draaiersbisknakken
(drie-twee-vijfs) = 30; Bisverkensknakken (twee-vier-vijfs) = 40. In de overige
dialecten vinden we nog swis-trums (twee-drie) = 6; spörkes on een = 6 + 1
= 7; spörkes on parts = 6 + 2 = 8; spörkes on troms = 6 + 3 = 9; half
bruwel (12) = 6; beizig dollet = 2 × 4 = 8; kimmel en nollet = 3 + 4 = 7;
heit en dollet = 5 + 4 = 9. Voegen wij hier nog bij, dat althans de Teuten,
volgens Gittée, nog kortgeleden den oerouden vorm van het huwen in
dezelfde familie hadden bewaard, die ons in het leven van den H. Willibrordus
tenminste voor Walcheren sinds de oudste tijden is overgeleverd, dan lijkt ons
een aansporing tot onderzoek naar de anthropologische eigenaardigheden dezer
families alleszins gewettigd.
Maar veel treffender voor iedereen, die zich ooit met Eskimo bezig
heeft gehouden, is de manier van benaming. Lang eerdat ik de hypothese van nog
in onze taal nawerkende oerinwoners had opgezet, was ik bij het
dóórwerken der Bargoensche woordenlijsten en teksten getroffen,
door een opvallende ‘innerliche Sprachform’. Ook J. Labbé en
C. Huysmans merkten deze eigenaardigheid op, zij stonden versteld over
‘het scheppen, het beelden’ dat hun aan den Bijbel deed denken.
Mijn gedachten gingen, gelijk ik al zeide, naar het Eskimo. Een Eskimo heeft
voor allerlei klassen van personen of dagelijksche dingen, niet zoo maar een
woord, dat de naam van zulk een
Hieruit volgt, mèt een zekere schilderachtigheid, ook een soort duisterheid of dubbelzinnigheid. Zoo kan Grl. agdlaut: schrijverik, zoowel inkt of verf als pen of potlood beteekenen. Welnu, een hééle reeks van deze afleidingen, met eenige weinige geliefkoosde suffixen, komen nu in alle Bargoensche dialecten, moderne zoowel als oude, aanhoudend voor. Vroeger zocht ik hierin alléén bewust opzet, om de taal maar geheim en onverstaanbaar te houden. Maar als men het ontzaglijk getal dezer vormen beschouwt en de kracht van het bewust opzet in zulke spontane uitingen als de taal is, niet overschat, en vooral let op de gelukkige invallen, die achter die afleidingen schuilen, en bedenkt, dat ze nog eeuwen nadat dit opzet doelloos werd, overal in gebruik bleven, dan geloof ik, dat wij behalve bewust opzet dat trouwens van bestaande voorbeelden moet uitgegaan zijn, in die geheime spraakmakende gemeente nog een heel bijzonderen aanleg voor zulke omschrijvingen zullen moeten aanvaarden; en deze vindt dan ten slotte in het bestanddeel der oerinwoners z'n afdoende verklaring. Men oordeele zelf:
1o. WOORDEN OP -RIK. Uit Köster-Henke noteerde ik:
glimmerik: oog, politieagent
granderik: hemel
katterik: winkellade
lichterik: dag
mauwerik: kat
nifterik:
mes
nosterik: boek
pafferik: pistool
posterik: deur
priemerik: priester
trederik: schoen, pantoffel
vliegerik: vogel
zitterik: stoel
zoeterik: koek
Uit Teirlinck en Kluge:
bijterik: mostaard
bodderik: schip
sjanterik:
veldwachter (v. champ)
dieperik: kelder
Ook hier komt de dubbelzinnigheid aan het licht: ‘terterik’, ‘trederik’ kunnen zoowel ‘voet’, ‘schoen’ als ‘trap’ beteekenen.
2o. WOORDEN OP -ERT, -AERT. Uit Köster-Henke:
bobbert: lichaam, lijf
dofferd: klap, ketel
drukkerd: straf
engerd: vervelende vent
galsterd: gemeene kerel
glimmert: politieagent
goochemerd: rechter van instructie
gooferd:
hoed
klimmerd: om daarbij te komen moet ik een geduchte
‘klimmerd’ maken
klinkert(je): glaasje
knappert:
pistool
kokkerd: een groote (b.v. neus)
aan één
rukkerd: aan één stuk
schunnerd: zwerver, schooier
spekkerd: spekslager
stiekemerd: iemand die in 't geheim kwaad doet
swiepert: iemand die menschen omverwerpt om ze te berooven
vonkert:
kachel
Uit Teirlinck:
balleward: spek
blaffert: ijzeren pot
blankaart: melk
blinkert: glas
bosschaart: vleesch
breehaart:
straat
brukkaert: schijnheilige, veinzaard
flakkaart: kaars
flonaart: water
fulchaard: haan
gabbert: makker
gauhaart:
duivel
geeuwert: kind
glattaart: tafel
glimmert: tafelbord,
ruit
grimmert: beest, dat bijt
klankert: flesch
knappert:
kruit
krommert: rechter
rippaard: zak
sprankaart: zout
stuppaart: meel
3o. WOORDEN OP -ER, (waarbij ook Hebreeuwsche, gelijk hierboven bij be-, me-) zijn er bij Teirlinck al volop:
avondstarkijker: bedelaar (die 's avonds bedelt naar hij
zegt om slaapgeld)
babbelaar: boek, suikerbal
batter: schuit,
schip
beffendekker: schorteldoek
bekker: boer
bijter: tand
ter neder blikkeren: dooden
blikslager: ketellapper, landlooper
blinker: tand
bokser: diefleider
breger: arglistige bedelaar
bonjer: vonnis, oordeel?
buizer: drinkebroer
dalfenaar: drommel
dallinger: beul
dekker: hoed
deister: dobbelsteen (v. tessera?)
doffer: soort van schelm
debisser: beeldjesverkooper
dosseflikker:
kleermaker
kouweren: rooken, pruimen
krabber: dief, schrijver
kraker: pistool, noot
kriemflikker: zilversmid
kwinker: oog
loteren: bewegen
moser: bedrieger
oeftflikker: broodbakker
pierder: speler
draaier: sleutel
drinkloftuiter: muzikanten die
spelen voor borrels
dutser: soort bedrieger
flader: badstoof
flodder: hand
foekeren: pijnigen
foeteren: pijnigen