[p. 255]

Vijfde hoofdstuk. De jagerstaal.

Van oudsher reeds is de jacht in West-Europa een voorrecht der hoogere standen. Wel werden al in vroeger tijd, allerlei drijvers en kloppers gebruikt, en zoo ook lieden van geringen stand min of meer in het Jagerslatijn ingewijd; wel zijn uit deze kringen dan ook altijd de stroopers voortgekomen, vaak in niet zoo kleine getallen; maar alles te zamen hielden toch de rijkere ridders en heeren het centrum van deze taalgroep aan zich. En vooral, sinds in de 13de en 14de eeuw, juist als nu weer in de 20ste eeuw, een geweldige sociale strooming door Europa ging, en alles zich in gilden en standen aaneensloot, trok de groene gilde haar banden al langer hoe dichter bijeen, te meer daar de uitvinding van het kruit en de invoering van de zoogenaamde Duitsche jacht, veel hoogere eischen van bekwaamheid en vaktechniek aan de gildeleden waren gaan stellen. Bovendien moest, in die dagen nog, elke nieuweling in deze taal, als in een nieuw heiligdom worden ingewijd, ja zelfs drie jaar lang onder een ‘leerprins’ dienen; en zóó weinig vrijheid van taal werd de novieten gelaten, dat er zelfs een officieele lijfstraf bepaald en ook inderdaad ontelbare malen toegepast werd, als een hunner bij vergissing of door jeugdige willekeur, de oude eerbiedwaardige vaktermen verminkte of verwarde. Men zou misschien geneigd zijn te denken, dat wij hier met een grillig ontaarde gewoonte van wat rijke losbollen te doen hadden, gelijk de ontgroening bij de studenten er thans een geworden is. Maar in werkelijkheid hebben wij hier een in z'n soort eerbiedwaardig overblijfsel van een algemeen menschelijk gebruik, bijna zoo oud wellicht als de menschelijke maatschappij zelve. A. van Gennep heeft in zijn boek Les Rites de Passage, Paris 1909 erop gewezen, hoe algemeen en officieel, bij alle minder en meer beschaafde volken, de ceremonieele overgang van de eene menschengroep in de andere gevierd wordt, vooral die van den jongeling tot den volwassen man. Bij deze plechtigheden wordt eerst de aannemeling door allerlei symbolen en soms wreede martelingen losgemaakt uit zijne vroegere groep, hij moet sterven aan het oude, en ook quasi zijn oude taal afleeren, hij mag ze althans niet meer gebruiken. Na een tusschentijd van afwachting en dood, begon en begint dan een nieuwe reeks plechtigheden van renaissance of herleving in den nieuwen staat, in de nieuwe gilde. Voor dat nieuwe leven moeten zij nu een nieuwe opvoeding krijgen, en dikwijls ook een heele nieuwe geheimtaal aanleeren. En van dit overoude gebruik is ons nu althans in de jagerstaal nog een zwak overblijfsel bewaard. Bij de studententaal heb ik hier niet op gewezen, omdat thans tusschen studententaal en de ontgroening, die ongetwijfeld ook op dezelfde antieke wereldoverleveringen teruggaat, geen rechtstreeksch verband meer bestaat. Deze piëteitvolle kaste-overlevering zou nu echter op den duur,

[p. 256]

juist als bij vele primitieve volken, tot een louter vormelijke woordendienerij vervallen zijn, had niet een andere neiging in juist omgekeerde richting werkend, deze versteening verhoed.

Want, het zijn nu ook juist de jagers, die het meest voeling houden met de vrije natuur van berg en dal, van bosch en veld, van ven of beek, van viervoeters en vogelen. Het zijn juist de jagers die voortdurend scherp uitkijken, fijn toeluisteren, en zoo wis en zeker uit de kleinste bijzonderheden van spoor en leger, tot den aard en de gesteltenis van 't vluchtend wild besluiten. Juist als de Amerikaansche inboorlingen, niet slechts de sporen van kinderen, mannen of vrouwen onderscheiden, maar van één en denzelfden voet vier, vijf soorten van voetafdrukken uit elkander kennen, en uit het dieper of lichter indrukken van zij-, voor- of achtervoet, tot zelfs de stemming, ja soms de gedachten hunner vijanden raden, zoo onderscheidt ook de Europeesche jager nu nog b.v. niet slechts het spoor van een jong hert uit dat van een ouder, het mannelijk van het vrouwelijk, een versch of warm van een reeds half uitgewischt of koud spoor, maar buitendien nog zes à zeven soorten sporen van denzelfden hertenpoot; naar den rustigen of snellen gang of dollen ren, naar de opgewondenheid en het daaruit volgende ballen der voetzolen, enz.

Een zelfde concretisme treffen wij aan in de verschillende namen voor hetzelfde lichaamsdeel bij verschillende dieren: Van een haas b.v. heeten de voorpooten loopers, de achterpooten sprongen (vandaar ons hazesprong), de hoeven van alle grof wild heeten schalen of zoolen, de pooten van een beer klauwen of armen, de teenen van wolf en vos branken, de pooten van roofvogels zijn vangen, van zwemvogels roeiers, van duiven en hoenders treders, en nog bij hooge vogels standers. De ooren van een jachthond heeten behang, van het grofwild gehoor, van hazen en konijnen lepels. De staart van het hert is een bloem, van het wild zwijn een borstel, van den haas een pluim, van den vos een lont, van den hond een vaan. En woorden als bek, kop, ooren, oogen, gaan, loopen, vliegen, mooi, zijn den jager veel te koud en algemeen. De oogen van het wild noemt hij spiegels, den kop van een haas den bol, de tong een likker, de achterbouten van haas en konijn kussens, het bloed van het wild zweet, en het hart de kamer. Uit de jagerstaal zijn dan ook al die vele namen voor de geluiden der verschillende dieren ontleend. En juist als in de landbouwerstaal wel een honderdtal namen bekend zijn voor kalven, koeien, ossen en stieren, naar hun verschillenden leeftijd, paringstoestand en bestemming, zoo hebben ook de jagers een heele reeks woorden voor mannetjes en vrouwtjes, pasgeboren en halfwassen jongen van allerlei wild, waarvoor het algemeen beschaafd nauwelijks één vaag onaanschouwelijk naampje kent.

Men ziet hieruit zoo duidelijk, dat onze algemeene woorden niet slechts op

[p. 257]

nadenken en hooger abstractie, maar ook op minder belangstelling en zekeren gevoelsafstand berusten. Zoodra wij ons warm interesseeren voor détails en verschillen, is de abstractie uit den booze; en als wij dus, gelijk dikwijls geschiedt, uit het ontbreken van abstracte woorden, maar aanstonds tot een geringe intellectueele ontwikkeling van de sprekers besluiten, loopen wij gevaar ons leelijk te vergissen, daar misschien het belangstellend gevoel op de creditzijde, in plaats van een gering verstand op de debet-zijde, voor zulk een taalgroep moet worden geboekt. Soms kunnen echter natuurlijk ook beide factoren samenwerken. De jagers nu verliezen op de jacht hun abstraheerend verstand volstrekt niet, maar ze zetten het stop, en winnen daarbij een scherpen kijk op de geheimen der natuur, en het leven der dieren; een kleurig natuurgevoel waait hen aan uit groene woud en paarse heide. Daarvan getuigen dan ook de alom bekende jagersliederen:

 ES LEBE, WAS AUF ERDEN
 STOLZIERT IN GRÜNER TRACHT,
 DIE WÄLDER UND DIE FELDER,
 DIE JÄGER UND DIE JAGD.

En onze oude Nederlandsche jagersliederen niet minder. Zoo vooral het onnavolgbaar schoone uit de 16de eeuw, door Hooft in z'n Granida overgenomen en niet mooier gemaakt:

 HET WINDEKEN, DAER DAT BOSCH AF DRILT!
 DOET OP UW BRACK, LAET UYT UW WILD!
      DAT ICK HET WAGE
      DEN STRYD BEHAGEL
 ONDER DE DELLEKENS VAN NIEU-CAER,
 MOGELIJK SCHUYLT MIJN LIEFSTE DAER.

enz. te vinden bij J.F. Willems: Oude Vlaemsche Liederen, blz. 374 vlgd. Die innige omgang met de natuur, dat fijn gevoel voor al haar schakeeringen geeft nu aan de jagerstaal die frissche aanschouwelijkheid, dat blijde coloriet. En de wondere samenwerking der twee genoemde krachten: het starre deftige kastewezen en de levenwekkende aanraking met de vrije natuur, stempelt op de jagerstaal haar éénig cachet van frissche en toch stijlvolle kleurigheid.

Dat die kastetaal ook eenige eigenaardigheden van een opzettelijke geheimtaal vertoont, spreekt vanzelf. En dat dit opzet tot op den huidigen dag een taalfactor van beteekenis blijft, bleek mij uit de mededeelingen van een mijner berichtgevers, die in een heel modern milieu z'n geheimtaal zoo mooi illustreerde door te zeggen: fazanten noemen wij gewoon fazanten, maar als we

[p. 258]

b.v. buiten den jachttijd fazanten geschoten hebben, en we vertellen dat door den telephoon aan een vriend of kennis, dan zeggen we: langstaart. Het gevarieerde jachtvermaak met z'n heerlijk krachtsbewustzijn brengt verder vanzelf een zekere triomfante joligheid met zich mee. Als de jacht dan ook een beetje lukken wil, is er geen vroolijker gezelschap dan jagers.

Maar een prachtige joligheid met de geheimdoenerij vermengd, hebben wij in den blufstijl het Jagerlatijn: het opdisschen van de allermalste avonturen, het laten spelen van de verbeelding op dolle toethorens, het opsnijen van fameuze heldendaden voor de open monden van het leeken-gezelschap, geboeid in grage verwondering. Eén staaltje wil ik er van aanhalen. ‘Het was (zoo verhaalde voor jaren een jager, die lang in Labrador op allerlei groot wild had jacht gemaakt) daar ontzaglijk koud. Daar heb je geen begrip van. Verbeel-je. Ik had een keer juist een wolf neergelegd, toen ik een gehuil hoorde, en aanstonds daarop een geweldigen panter op mij af zag komen. Ik klop aanstonds een behoorlijke lading kruit in mijn loop, grijp naar m'n kogeltasch ... maar jawel, die had ik in het bosch verloren. Het ondier kwam nader en nader; de open muil zoo rood als biefstuk, en met z'n staart rondzweepend .... als een koe in den vliegentijd - maar toen brak, zoo koud als het was, toch het zweet me uit. - Heete droppels, als kastanjes zoo groot, liepen me langs voorhoofd en wangen. Maar ze vielen als knikkers op den grond, want ze waren bevroren onderweg. Toen kreeg ik een idee. In een ommezien raapte ik een handvol van die zweetkogels op, en laadde ze in m'n geweer. Als ik ze, eer ze smelten, binnen in den panter logeer, dacht ik bij me zelf, dan is-ie voor de poes. En met het zweet van mijn aangezicht knalde ik er frisch op los, maar de temperatuur van het schot, had de ijskogels gesmolten, en ze kwamen den loop uit .... als een waterstraal van een tuinslang. Maar de kou was niet om mee te spotten. En eer de zweetstraal drie voet ver komen kon, was-ie weer tot een massieve staaf gestold, die nu lijnrecht den panter in den kop schoot. Door de dierlijke warmte begon-ie daarbinnen wel weer te smelten. Maar het ondier kwam toch, eer het zich verder oprichten kon, door cerebrale waterzucht, aan z'n ellendig einde.’

Niet altijd echter speelt de jolige verbeelding zoo de eerste viool. Er ligt ook tragiek in de jacht. Die mooie reeën, die dartele herten, daar ineens neer te leggen in hun bloed, dat is een hartstocht van genot, wiens fijnste prikkel juist de sympathie voor het slachtoffer uitmaakt. De jagerstaal heeft echter in de laatste eeuw veel van haar bekoorlijkheid verloren. De Fransche revolutie, met haar ontwrichting der oude stands- en vak-geledingen, werd ook een ramp voor de groene gilde. Zondagsjagers en parvenus leerden schieten, zonder den ouden heerlijken hartstocht, zonder rasechte jagersmentaliteit, zonder kennis, of althans zonder dieper begrip van de jagerstaal.



[p. 259]

Dat onze jagerstaal sterk onder Franschen en Duitschen invloed staat, spreekt wel van zelf. Ons land heeft weinig wild meer. Van Zuid-Limburg gaat men jagen in Eyffel en Ardennen; ook van Gelderland en Overijssel trekt men graag de grenzen over, en zoo worden onze jagers vaak leden der Duitsche en Fransche taalgroep. Geen wonder, dat ze thuis gekomen, daarvan aan hunne moedertaal den invloed laten ondervinden.

De nu volgende woordenlijst berust vooral op eigen verzameling in onze huidige jagerskringen. Toch werd natuurlijk een vergelijking met A.H. Verster van Wulverhorst: Proeve eener Nederlandsche Jagtterminologie, Arnhem 1857 niet versmaad. De met een kruisje geteekende, thans niet meer gebruikelijke termen zijn van daar afkomstig, en door Verster van Wulverhorst grootendeels ontleend aan P. Merula: Placaten ende Ordonnantien op 't stuck vande Wildernissen II Jachtbedrijf. 's Gravenhage 1605. Een anoniem boekje: Jagerstaal, Arnhem 1838, is voor deze lijst niet gebruikt. De inhoud beantwoordt trouwens slechts heel matig aan den titel. 't Is een doorloopende schets van het jagersbedrijf, met heele bladzijden zonder één opvallenden term. Van tijd tot tijd komt weliswaar een eigenaardig woord voor, maar daar de beteekenis uit den kontekst niet altijd even duidelijk was, en trouwens verreweg de meeste reeds in mijn lijst voorkwamen, en ik bovendien het boekje slechts korten tijd kon raadplegen, heb ik het niet ten einde toe geëxcerpeerd. Het behoort aan de Leidsche Bibliotheek en berust bij de redactie van het Groot Woordenboek. Tamelijk dilettantisch leken mij verder de ‘Geschiedkundige Aanteekeningen over het Jagtwezen’ door denzelfden A. Verster van Wulverhorst, Amsterdam 1840. Men zou ook nog hier en daar wat materiaal kunnen vinden in ‘De Nederlandsche jager en De Nederlandsche hondensport’, een weekblaadje te Deventer verschijnende.

Woordenlijst der nederlandsche jagerstaal  l)  .

 
Aanbersen: het wild sluipend naderen.
Aanbrengen: de opleiding van honden tot die soort van jacht, waartoe men ze bestemt.
Aanhalen: 1) bekeuren, vandaar ook aanhaling, d.i. bekeuring; 2) een bosch aanhalen: het wild van een stuk bosch naar de jagers toedrijven.
Aanleggen: het geweer richten op.
Aanlijnen: de halsband omdoen;...en ik lijnde ‘Sjas’, de hond, aan.
Aanschieten: een stuk wild treffen, doch zóó, dat het nog verder loopen of vliegen kan.
Aanslaan: het blaffen der honden, wanneer ze een stuk wild op 't spoor zijn of het achtervolgen.
†Aanslag: de richting der vizierlijn, bij 't aanleggen van een geweer.
Aanslag: 1) op den aanslag schieten: op het oogenblik zelf, dat men een stuk wild ziet het geweer aan den schouder brengen en schieten zonder opzettelijk te richten; in aanslag gaan, schieten; 2) het vuil, dat door 't schieten in den geweerloop ontstaat.
Aansnijden: wild verscheuren en opeten. Dit wordt gezegd van een hond.

 l)  Met een kruisje geteekend zijn oudere woorden en uitdrukkingen, thans niet meer in gebruik.


[p. 260]

Aanstand (german.): de plaats, waar de jager zich schuilhoudt, om 't wild af te wachten; vandaar: op den aanstand staan.
Aanstellen: zie posteeren.
†Aantrekken: zie trekken.
Aanzit: Ansitz. Zie Hochsitz.
Aas: zie voer.
Aasjager: iemand die door slordig te schieten, veel wild verloren doet gaan, en die het aangeschoten wild niet behoorlijk opspoort; ook: een jager, die uit schietwoede, halfwassen wild schiet.
Accuser (Z.-L.): aanschieten.
Achtender (Z.-L.): oude bok.
Achter!: commando aan den hond, om achter den jager te loopen.
Achterlooper: de achterpoot van het wild.
†Adroit!: commando aan den hond, om op de achterpooten te gaan staan, met den rug naar den jager gekeerd, om zoo hetgeschoten wild af te geven.
Afdraaier: geweer, waarvan loop en kolf gemakkelijk gescheiden kunnen worden, veel in gebruik bij stroopers.
Afdrukken: de haan -, de haan aftrekken.
Afgeven: zegt men van den hond, die het geapporteerde wild op het woord ‘los!’ zijn meester in de hand geeft.
Afhalen: het vel van klein wild en schadelijk gedierte aftrekken.
Afkomen: goed of slecht afkomen, goed of slecht treffen.
Aflaatvlouw: in tegenstelling met valvlouw of warnet.
Aflooper: een zijgang van een konijnenpijp.
Afschieten: zooveel schieten, dat er voor de teelt voldoende overblijft. Zie afschot.
Afschot: een zekere hoeveelheid wild, die van een bepaalden stand kan worden afgeschoten.
Afvangen: het afmaken van grof wild, door middel van den herts- of nekvanger.
Afwerpen: het jaarlijks afvallen der geweiën van het grof wild.
Afzetten: zegt men 1) van een bosch, waarom de drijvers bij een klopjacht geposteerd worden; 2) van de pijpen van konijnen, die met builen worden bespannen.
Ansitz (hgd.): zie Hochsitz.
Appèl: ‘onder appèl’ noemt men een hond, die zich gemakkelijk laat terugroepen of fluiten.
Apporte!: commando aan den hond: ‘breng hier!’
Apporteeren: het aanbrengen van geschoten of gevangen wild door den hond.
†Avance!: zoo spreekt men den staanden hond toe, om hem op den voet van vliegend wild te doen voortgaan.
Baan: wildbaan.
Bak (N.Br.): de gulplaats van een fazant. Ook verkorting van lichtbak.
Balkhaas: een andere naam voor kat.
Balletten: hagelkorrels van zeer grooten omvang.
Bast: de behaarde huid, waarmee het nieuwe gewei van het grof wild bekleed is.
Basterd: een hond, die niet van zuiver ras is.
Bed: 1) het leger van grof wild; 2) de plaats, waar korhoenders, fazanten of patrijzen in het zand hebben liggen gullen.
Beenen: lokken met een fluitje uit been vervaardigd.
Beentje: lokker, fluitje uit been vervaardigd.
Behang: de oorlappen van alle jachthonden.
Behangen: men zegt: die hond is goed (of slecht) behangen. Zie behang.
Bejagen: afjagen, jacht er op houden. Ook een hond bejagen.
Bekeuren: verbaliseeren, beboeten wegens overtreding der jachtwet; aanhalen.
Bekruipen: wild of ongedierte op een bedekte wijze naderen.
Berkwild: korhoenders.
Bersgangen: tochten op de bersjacht.
Bersjacht: het jagen op wild, door het sluipend te naderen, aan te bersen (pürschen).
Beschutter: een hond, die de overige honden van den strik belet, het gevangen haas te scheuren en het meestal ook apporteert.
Beslaan: het paren van grof wild.
Beurs: de balzak van het grof wild.
Binnen!: commando aan den hond, om een bosch of heg in te gaan, om die af te zoeken.
Blaadje: op een blaadje hebben: zegt men,

[p. 261]

wanneer men 't wild zoo gemakkelijk kan schieten, dat men het als 't ware op een presenteerblaadje heeft.
Blad: het schouderblad van alle loopend wild; zoo: hoog blad getroffen, d.w.z. geraakt hoog in het schouderblad. Zie bladschot.
Bladschot: het schot, waardoor het wild van ter zijde, in het schouderblad en aldus doodelijk, wordt getroffen.
Blakke: voor den blakke (vlakte) komen, zichtbaar worden op het open veld (loc.).
Blat (Z.-L.): een instrumentje om te blatten.
Blatten (Z.-L.): het lokgeluid van de geit nabootsen om zoodoende den bok te verschalken.
Blattijd (Z.-L).: de tijd, waarop men door blatten, de bokken kan doen springen.
Blazen: schieten.
Blindschermen: schermen aan de uiteinden der kelen in 'n eendenkooi aangebracht.
†Bloem: de staart van edelwild.
Bö!: het schrikgeluid van den reebok.
Bok: manlijk reewild.
Bokje: snip, kleine soort.
Bol: kop van een haas of konijn.
Bolderen: het geluid der korhanen in den paartijd.
Boldergang: gang van de korhanen onder het bolderen.
Bolderhut: hut van waaruit met het bolderen der korhanen kan waarnemen.
†Bomsel: de uitwerpselen van grof wild.
Boomen: het ter ruste gaan van fazanten op boomtakken.
Bosch: 1) de omheining, die loopt van keel tot keel in een eendenkooi, 'n gedeelte tusschen de vanghokjes der beide kelen en het bosch, dat begroeid is met houtgewas; 2) in Zuid-Limburg vrouwelijk, b.v. op de bosch, voor: in het bosch.
Boschduivels (N.-Br.): patrijzen, die geregeld, wanneer ze opgestooten worden, naar 't hout, 't bosch vliegen.
Boschsnep: houtsnip of houtsnep.
Bout: eend; ook wel een poot, een stuk b.v. reebout.
Bout: à bout-portant schieten: vlak bij schieten.
Brak: een hond, die loopend wild opzoekt en het zoolang op den voet vervolgt tot het geschoten of doodgedreven is. Drijfhond.
Brakken: zie raggen.
Branden: schieten.
†Brok: de voerbrok die men op en rondom den zwanehals plaatst om rooftuig te vangen.
†Broket: de nieuwe geweiën van het grof wild, zoolang ze nog week en met de ruige huid bekleed zijn.
Bronst: tochtigheid van grof wild.
Bronsttijd: tijd van bronst. Zie bronst.
Broodjager: een jager, die zijn wild verkoopt, om den kost te winnen.
Browning: een soor repeteergeweer.
Buidel: een net, dat men voor de gaten der konijnenholen plaatst en dat zich, als het konijn erin springt, toerijgt.
Buil: zie buidel.
Buks: klein geweer voor kogel.
Burlen: het geloei van het hert vooral gedurende den bronsttijd.
Cartouche: patroon; leege cartouche: huls.
Chasse à cour: een achtervolging van het wild met honden.
Cataleptisch voorstaan: het staan voor wild van een hond, die terwijl hij in galop is, eensklaps verwaaiïng van het wild krijgt, op eens blijft staan en daarbij een zekere houding aanneemt.
Chaussée: laan in een bosch.
Cirkelen: gezegd van eenden: het cirkelvormig rondvliegen van eenden boven een bepaalde plaats.
Choke (choke bored): vernauwing (aan het eind van den geweerloop).
Coq!: haan! roept men wanneer een haan gezien wordt in tegenstelling met ‘poule’ voor een hen; cock.
Collier: halsband. Collier de force: halsband voorzien van ijzeren pinnen.
Compa(g)nie: zie klucht.
Couche (toi)!: commando aan den hond: ga liggen!
Coup du roi: een schot over het hoofd op fazanten.
Coupeeren: honden den staart inkorten.

[p. 262]

Ook het voorsnijden van een stuk wild aan tafel.
Crack: een accuraat schutter.
Dabben: even graven aan de oppervlakte, zoowel van honden als van konijnen gezegd.
Dakhaas: zie balkhaas.
Dame met het lange gezicht: houtsnip.
Damhert: het sierlijkste hier voorkomende hert, bruin met witte vlekken, kleiner dan het edelhert.
Damschauffler (hgd.): zie damhert.
Dasbuilen: sterke netten, in den vorm van konijnenbuilen, die voor de gaten van das-en vossenholen worden gezet, terwijl de dashonden die afzoeken.
Dashond: de kleine dashond wordt gebruikt om de dassen en vossen onder, en de konijnen boven den grond te jagen; de grootere wordt tot het zoeken en drijven van grof wild aangewend (zie taks, teckel).
Diana: godin der jacht; Diana is met ons: we schieten veel.
Dier: zie hinde.
Dekken: 1) van windhonden, die een haas vangen; 2) het paren van honden; 3) van een geweer, dat den hagel goed tezamen houdt.
Dekking: 'n plaats, die beschutting biedt aan 't wild.
Départ: druk, noodig om de trekkers over te halen.
Derby: hondensoort.
Doodmaken: zie uitroeien; men zegt ook ontweien.
Dood: den dood drinken, 'n slechte gewoonte, om vóór of na elk geschoten stuk wild de flesch te laten rondgaan.
Doodgraver: een hond, die geschoten wild onder den grond of onder bladeren verbergt.
Doorhessen: de achterloopers van hazen en konijnen, kruisgewijze doorsteken om ze te kunnen dragen of ophangen.
Doorsteken: zie doorhessen.
Doover, dooverik: snip.
Dop: eierschaal van vliegend wild.
Dos: de huidbekleeding van het wild.
Doublet: een doublet maken: wanneer men van gelijktijdig opspringend wild met iederen loop één stuk schiet.
Doublure: een - maken: met tweëen tegelijk schieten of twee stuks in één schot.
Down!: commando aan den hond: ga liggen! Zie couche(toi)!
Dresseerbok: een rond stuk hout, met twee kruiselings doorgestoken pinnen aan weerszijden, waarmede men de honden het apporteeren leert.
Dresseerhalsband: een smalle, leeren halsband, waaraan doorboorde houten cilindertjes worden geschoven, die van ijzeren pinnetjes voorzien zijn (zie collier de force).
Dresseerlijn: een korte of lange lijn (naargelang ze voor kamer- of velddressuur wordt aangewend), die aan den ring van den dresseerhalsband wordt vastgemaakt.
Dresseeren: zie aanbrengen.
Drieling: 1) een haas, die ongeveer drie vierde van zijn wasdom bereikt heeft; 2) een drieloopsgeweer; twee loopen naast elkaar voor hagel en een er onder voor kogels.
Drift: een perceel, dat bij een klopjacht, door drijvers wordt afgezet, Men onderscheidt dubbele drift en enkele drift. Heeft men een bosch, dat doorsneden is door een weg, waarop de jagers geposteerd zijn, dan spreekt men van eerste drift (het gedeelte, dat eerst wordt afgedreven) en tweede drift, vandaar dubbele drift.
Drilling: 'n geweersoort. Zie drieling 2).
Drijfjacht: het afjagen van bosschen of het vlakke veld, door jongens, die de struiken afkloppen of het veld afzoeken, om het wild naar de jagers toe te drijven.
Drijven: 1) de uitoefening der drijfjacht; ook het vervolgen van een stuk wild op den voet door de honden; 2) het kloppen d.i. het slaan tegen de boomen of op den grond onder het roepen van brrhaa ... brrhaa...; zoo heeft men: bosch en vlak drijven; 3) uithollen, b.v. die pijp is versch gedreven.
Drijvers: de jongens, die voor de drijfjacht gebruikt worden.
Drijvers op!: commando aan de drijvers, om van de eerste drift, om de tweede heen te loopen, om deze af te zetten, terwijl de jagers blijven staan.
Drukken: 1) van den hond; een hond drukt

[p. 263]

het wild, d.w.z. een hond drukt het wild, dat hij in den bek draagt, stuk; 2) van wild gezegd: het blijven liggen, door zich plat tegen den grond te drukken.
Duikelen: doen -, vliegend wild neerhalen.
Ebarbouiller: uit elkaar schieten.
Eend: het vrouwelijk geslacht bij alle eend-soorten.
Eendenkooi: een inrichting tot het vangen van wilde eenden, door middel van zoogenaamde kooieenden (lokeenden), lokkers of kwakers, die er in worden gezet; zijn onderdeelen: zwet, keel, vanghokje, hoofdschutting, zading, kooischermen, bosch, blindschermen. Zie ook kooihondje.
Edeljacht: zie haar met haar.
Edelwild: gemeenschappelijke benaming voor 't hert, de hinde en het kalf.
Eerd (Z.-L.): een konijnenheuvel met al de pijpen.
Eerdpijp (Z.-L.): een pijp van een eerd.
Eierwezel: de kleine wezel.
Eind (eend): zie bout.
End: tak of vertakking van het gewei.
Entrez!: zie binnen!
Epauleeren: het geweer aan de schouders brengen.
Fest apporte!: hou vast, breng hier! tot een gedresseerden hond.
Flank: zijkant van een drift. De flank dekken.
Flankeeren: van een hond, die voor den jager uit, goed heen en weer zoekt.
Flankgeweer: de jager, die de flank beschieten moet.
Flint (spreek uit: flient): geweer.
Flobert: klein geweer voor kogel en hagel.
Flouw: zie vlouw, een zeker snippennet.
Fluit: geweer met langen loop.
Förster (hgd.): houtvester, boschbaas.
Foei, haas!: tegen een staanden hond, die een haas achtervolgt.
Fret: een fret is volgens sommigen een albinobunsing, volgens anderen een afzonderlijke diersoort. (Reeds bij de Romeinen werd gefretteerd.)
Fretteeren: jagen met de fret. (De konijnenholen worden met builen afgezet. Het fret (Z.-L. in plaats van de fret) wordt opgezet, het konijn loopt in de builen, die dan worden opgeraapt).
Fretten (Z.-L.): zie fretteeren.
Fullchoke: zegt men van geweren, waarvan beide loopen vernauwd zijn.
Ga liggen! (N-Br.): commando aan den hond.
Gabler (Z.-L.): vierjarige bok met twee vertakkingen aan het gewei.
Gaffeler (Z.-L.): het driejarig hert.
Gaffelbok (Z.-L.): de driejarige reebok.
Galg: aan de galgen brengen: vliegend wild doodschieten; de galgen zijn kleine koorden of lederen stropjes, die worden aangetrokken, nadat de kop b.v. van een patrijs er doorheen gestoken is; zie stok.
Gander: mannetjes gans.
Ganzeroer: geweer met langen loop.
Garde: boschwachter; garde-chasse; garde-champêtre, in Zeeland verbasterd tot: ‘Sampetter en Spetter’.
Gaten: de monden der pijpen van de holen der dassen, vossen en konijnen.
Gehoor: 1) de ooren van grof wild; 2) (Z.-L.) de hond heeft goed gehoor in: gehoorzaamt goed; die hond heeft geen gehoor in: gehoorzaamt slecht.
Geladen: het grof wild, dat jongen draagt is ‘geladen’.
Geleg: 1) de uitwerpselen van vliegend wild; 2) de plaats, waar men gevleugeld wild verwacht, om de daar aangetroffen uitwerpselen.
Gelt: zegt men van de hinde. de rekke en het moerhaas, wanneer zij onvruchtbaar of niet drachtig zijn.
Gent: zie gander.
Gerekt: heet het gewei van het grofwild, wanneer het van den ruigen bast ontdaan is.
Geschild: 1) noemt men de patrijzen met de schilden, die op de borst der jonge hanen duidelijk zichtbaar zijn; 2) de takken van het gewei, noemt men geschild, als de ruwe bast er af is.
Gesneuveld: zegt men van wild, dat dood in het jachtveld wordt gevonden.
Gesteente: de kleine hoekige uitwassen, die een rand vormen om het onderste gedeelte, of roos van het gewei.


[p. 264]

Getakt: een getakte fazant, een fazant, die in de boomen zit.
Getters: beenbekleeding door de jagers gebruikt (fra. guêtres). Zie sallepatters.
Getwij: zie gewei.
Geveegd: zie gerekt.
Gewaai: 't zelfde als geleg, maar bij vier-voeters.
Geweer: 1) de jager zelf; vijf geweren verzamelden zich één bout; 2) voor 't - komen: onder schot komen.
Gewei: 1) de hoornen van het grof wild; 2) de uitwerpselen van loopend en vliegend klein wild; 3) Zie geweide.
Geweide: de buiksingewanden van het loopend wild.
Gewiekt: zoodanig getroffen, dat het beentje waar de zware slagpennen zijn ingeplant, verbrijzeld is.
Gezwinkt: van vliegend wild gezegd, als dit getroffen is in het uiterste lid van den vleugelarm.
Giftbrok: Zie brok.
Glazen: de oogen van hazen en konijnen, ook spiegels genaamd.
Gooien: er zoo maar op los gooien: vlug en onverschillig schieten. Zie aanslag 1).
Grenshazen: meestal wordt onder grenshaas verstaan een Lampe, die van ‘Buurman’ gegapt wordt, ‘heel even’ over de grens. Ook de hazen, die zich ophouden aan de grenzen van het jachtgebied; vandaar: op grenshazen jagen, om te voorkomen, dat ze in een andermans jacht overloopen.
Groenegilde: de klasse, die zich met het jachtwezen bezighoudt.
Groenkraag: mannetjes eend.
Groenrokken: jagers en boschwachters.
Groeven: de sleuven, die zich bevinden langs het gewei van het grofwild.
Grofwild: rood- en zwart-wild.
Groszwild (Z.-L.): zie grofwild.
Grutto (griet, grieto): vogels iets gelijkend op snippen.
Gullen: het baden van vliegend wild in het zand.
Gust: noemt men een paar patrijzen, die zonder jongen zijn gebleven en ander wild, dat niet drachtig is.
Haan: het mannelijk geslacht der korhoenders, fazanten, patrijzen en kwartels.
Haar met haar: het jagen en vangen van wild met honden.
Haarwild: haardragend wild, het tegenovergestelde van vederwild.
Haas: in de jagerstaal zoowel mannelijk als onzijdig, ‘het’ haas.
Haaskonijn: kruissingsproduct van haas en konijn.
Halfwassen: het wild, dat ongeveer de helft van zijn wasdom bereikt heeft.
Hallali: de kreet van den jager als het achtervolgde hert of zwijn op 't punt is, ineen te zakken. In 't algemeen vreugdekreet van het jachtgezelschap door bosch en veld.
Hals geven: zie aanslaan.
Handschuw: van een hond of fret, die men tengevolge van ruwe behandeling niet gemakkelijk in handen kan krijgen.
Hangpooten: het laten hangen der pooten van vliegend wild, dat beenwond geschoten is.
Hannebroek: meerkol.
Hammerless (ejector): haanloos (ejecteur-) geweer.
Hard: te hard in den bek, van den hond gezegd; zie drukken 1).
Harmel: de groote wezel of hermelijn.
Hartjesdag: de dag, waarop de Amsterdammers ín den Haarlemmerhout herten mochten vangen.
Haspel: zie dresseerbok.
Hazeklagen: het geluid van een haas, die op sterven ligt, nabootsen om den vos of de kat of ander rooftuig te vangen of te schieten.
Hazeklager: het instrumentje, waarmede men hazeklaagt.
Hazenbalg: vel van het haas.
Hazenhetzer: hazenjager, hazenophitser, gezegd van een hond.
Hazenrein: noemt men een staanden hond, die alleen op bevel de hazen vervolgt, of althans op het eerste fluiten dadelijk van achter een haas terugkomt.
Hazenstand: stand of hoeveelheid der hazen; slechte en goede stand.
Hazesprong: beentje uit den achterpoot van

[p. 265]

het haas (tibia en fibula vergroeid). Vaak gebruikt als sigarenpijpje.
Hazewind (hazewindhond): zie windhond.
Head-gamekeeper (engl.): hoofdjachtopzichter.
Hebben: erop hebben: ik heb het er goed op gehad: ik heb goed gemikt.
Hegen (hgd.): het beschermen van wild.
Heihaas: een haas van het hoogland.
Hen: het vrouwelijk geslacht der korhoenders, fazanten en patrijzen.
Hert: het mannelijk edelwild.
Hertinne: zie hinde.
Hertsvanger (ook hartsvanger): een soort van kort zijd-geweer met tweesnijdenden punt, waarmede men het aangeschoten wild tusschen achterhoofd en eersten wervel steekt. Ook: nekvanger.
Hertstijd: volgens Ampsing duurde in de 14de eeuw de jacht op herten, of de hertstijd hier te lande, van St.-Laurens- tot St.-Lambertusdag (10 Aug.-17 Sept.).
Hetsen (hgd.): zie hitsen.
Hierom!: toeroep om den staanden hond, onder het zoeken van richting te doen veranderen.
Hin: zie hinde.
Hinde: het vrouwelijk edelwild.
Hitsen: de honden aanzetten om loopend wild te achtervolgen.
Hochsitz (Z.-L.): een plaatsje in (de kroon van) een boom, waarop men de komst van een bok afwacht. Het is meestal op 't einde van een stuk wei' of bij een beek, waar het wild komt eten en drinken.
Hoefijzer: het teeken op de borst van een patrijs, waardoor men een haan van een hen kan onderscheiden.
Hoen: een patrijs. 25 hoender: 25 patrijzen.
Hoepnet: een rond net, dat aan een grooten, halven hoepel is bevestigd, en gesteld wordt om fazanten te vangen.
Hol over bol: zegt men van een konijn, dat hard wegloopt en omduikelt.
Holen: de onderaardsche verblijven van dassen, vossen, konijnen, bunsings en wezels, ook wel wrangen genoemd.
l'Honneur du pied (Z.-L.): bij chasse à court, krijgt degene die 't eerst bij 't hert is den rechterpoot.
Hoofdschutting: 't gedeelte van keel tot leertje in een eendenkooi.
Hoogzoeker: hond, die zoekt met den neus ver boven den grond.
Hop! hop!: jagers toeroep om elkaar op de jacht terug te vinden.
Horst: nest (van den havik). Plaats waar vogels nestelen bv. Ravenhorst, Kraaienhorst enz.
Houden: zegt men 1) van vogels; b.v. zij houden daar: zij hebben daar hun nest; 2) wanneer het wild zoo vast blijft liggen, dat de hond er voor staan kan; 3) van wild, dat goed in het eigen jachtveld blijft en niet naar een andere jacht overloopt.
Houlahou: waarschuwingskreet als er wild is opgedaan. Zie wartoe.
Houtsnip: hiervan bestaan twee soorten: Uilenkop en Blauwpoot.
Hubertus St.-: patroonheilige van de jacht in N.-Brabant en Z.-Limburg, op zijn feestdag 3 November wordt gewoonlijk klopjacht gehouden. De huibjesdag.
Hubjes: kleine, kubusvormige broodjes, die men op den feestdag van St.-Hubertus ter zijner eere eet.
Hubkes, Huibjes, Huibkes: zie hubjes.
Hubkesbroodjes: zie hubjes.
Huid: zie dos.
Huppelaar: konijn.
Hutjacht: het jagen van uit een hut op roofvogels, zoowel stand- als trekvogel, met den oehoe (ooruil).
IJsend: het tweede end van het gewei, dat op het oogend volgt.
Ingangen: zie gaten.
Invallen: zie strijken.
Jaagbaar: wild, dat geschoten kan worden, d.w.z. dat waard is geschoten te worden, niet te jong of te klein.
Jacht: jachtveld.
Jachtboek: het boek, waarin de resultaten der jachtdagen worden opgeteekend.
Jachtmatig: noemt men alle handelingen en spreekwijzen, die volgens de regels der jachtkunst zijn.


[p. 266]

Jachtopzichter: jachtopziener, garde.
Jachtseizoen: de tijd, gedurende welken de jacht op wild geopend is.
Jachtpad: een tusschen bosschen aangelegd pad voor de drijfjachten.
Jachttent: de tent, gebruikt bij de jacht.
Jagdverwalter (hgd.): jachtopziener.
Jachtzak: zie weitasch (rugzak, Rücksack).
Jagerslatijn: het taaleigen der jagers. Ook wel: overdreven gekleurde taal.
Jagerssteek: de knoop, waarmee men de leisse of dresseerlijn aan den halsband bevestigt, en die zich door een ruk aan het korte einde, laat lostrekken.
Jachtstevels: jachtlaarzen.
Kakelnest(je): de kleinste van een klucht vliegend wild.
Kalf: jong van het grof wild. Naar het geslacht bij edelwild: hertekalf, hindekalf; bij het reewild: bokkalf, rekkekalf geheeten.
Kaliber twaalf: benaming van het geweer, dat voor patronen kaliber twaalf geschikt is; zoo duidt men b.v. het geweer, dat voor patronen van kaliber tien geschikt is, aan door kaliber tien.
Kamer: 1) de ruimte in dassen-, vossen- en konijnenholen; 2) het hart van het wild; 3) 'n deel van 't geweer, 't achterste deel, waar de patroon in staat.
Kamerdressuur: de africhting, die dient om den hond het apporteeren te leeren.
Kantjes jagen: zie korte jacht.
Kansel: zie Hochsitz.
Kapitaal: b.v. een kapitale bok, een kapitale jacht voor: een prachtig mooie bok of jacht.
Kardoes (fra. cartouche): patroon.
Karren: kareenden is de Friesche benaming van tafeleenden (Aythia ferina); duikeendjes.
Karwats: gevlochten leeren hondenzweep.
Kennel: hondenhok.
Keel: mv. kelen: de vertakkingen, die op het zwet uitloopen in een eendenkooi.
Kees: haas met (in de jeugd) afgesneden ooren.
Kegel maken: rechtop blijven zitten, gezegd van hazen en konijnen.
Ketel: Keteljacht, is de jacht, waarbij de jagers ringvormig geschaard, langzamerhand zich tot een middelpunt concentreeren.
Ketsen: het niet afgaan of weigeren van het geweer.
Ketsschot: een schot, dat niet afgaat, doordat 't geweer ketst.
Killing-cirkel: de cirkel, waarbinnen men nog wild doodschiet, de trefkans.
Kip: fazantehen.
Kiro: zie tiro.
Klagen: het klagend gekerm van het haas of konijn, wanneer ze aangegrepen worden of in angst zitten.
Kleiduiven: glazen ballen of aarden schoteltjes, die mechanisch in verschillende richtingen worden weggeworpen om den schutter te oefenen in het schieten op vliegend wild.
Kleinwild: haas, konijn, fazant, patrijs, kwartel enz.
Klem: alle soorten van ijzers met slagveeren. Voor vossen gebruikt men den zwanenhals, voor otters de klem en voor klein roofgedierte den sprenkel.
Kleppers: loopers van hazen en konijnen.
Kletsen: schieten.
Klink: het teellid der teven.
Klocht: zie klucht; (Zeeland en N.-Br.: krooi).
Klokhuis: hart, lever en long van het grof wild.
Klopjacht: zie drijfjacht.
Kloppen, Kloppers: zie drijven en drijvers.
Klucht: een broedsel korhoenders, fazanten en patrijzen met de ouden.
Kluft: zie klucht.
Knerp: gewestelijke uitdrukking voor geweer (hgd.: Knarre).
Koddebeier: een veldwachter.
Koet: soort watervogel ter grootte van een kleine kip.
Kokkeren: het geluid van den fazantehaan bij het opvliegen.
Konijn: zoowel vrouwelijk als onzijdig gebruikt.
Konijnenhagel: hagel no. 6, groote of kleine 6 genaamd.
Konijnenp(a)adjes: de wegen, die de konijnen altijd volgen.


[p. 267]

Koningskwartel: spriet. Vergelijk:
‘In de maand Mei
Legt elke vogel een ei,
Behalve de Koekoek en de Spriet,
Die leggen in de meimaand niet.
Kooi: zie eendenkooi.
Kooihondje: een hondje, dat het meest gelijkt op een mollehond en gewoonlijk rood van kleur is, gebruikt in de eendenkooi.
Kooiker: een eendenkooihouder.
Kooiman: zie kooiker.
Kooirecht: het recht, om een eendenkooi te houden.
Kooischermen: een gedeelte der keelschermen.
Koppel: 1) twee of meer honden, wier halsbanden door een kettinkje of riem verbonden zijn; 2) twee gepaarde patrijzen, enz.; ook een koppel patrijzen d.i. twee.
Koppelen: de honden door halsbanden samenbinden.
Koppelvast: zegt men van honden, die zich gemakkelijk laten koppelen en geleiden.
Korrel: op den korrel nemen, mikken.
Korrelvoer: graan, voeder voor het wild.
Kort: te kort schieten, achter het wild schieten of op het achterdeel raken (van loopend wild beide achterloopers stuk).
Kort jagen: zegt men van een staanden hond, die steeds binnen schot vóór den jager uit zoekt.
Korte jacht: de jacht met het geweer, met staande honden, spionnen en brakken.
Koude voet: het spoor van wild, waarop de honden niet meer teekenen.
Kraaien: het geluid der patrijzen. Ook het kraaien van den fazantenhaan.
Kraaienhut: oehoehut.
Krilschot: zegt men wanneer het wild door het schot slechts even aan een der uitsteeksels van de ruggewervelen getroffen wordt, zoodat het dadelijk neerstort, maar even spoedig weer wegloopt of wegvliegt.
Krooi (N.-Br.): zie klucht. Zoo zegt men: sterke krooien, d.w.z. met een groot aantal jongen.
Kroon: de bovenste enden van het gewei der herten.
Kudde: zie klucht.
Kuit: leger, ligplaats van het wild, In de kuit schieten: het wild schieten, wanneer het in het leger ligt.
Kussens: de achterbouten van het haas en het konijn.
Kwaker: zie eendenkooi.
Kwartelbeentje: lokfluitje om kwartels te vangen.
Kwast: staart van een hond.
Laat: waarschijnlijk het leger van het haas.
Laatvlouw: zie vlouw.
Lampe: haas.
Lamprei: jong konijn, dat minder dan halfwassen is.
Lange hond: windhond.
Lange jacht: de jacht met windhonden.
Langnek: eend.
Langoor: haas.
Langsnavel: snip, wulp.
Langstaart: fazant (geheime uitdrukking).
Laut! (hgd.): zie luid!
Lavei: het voedsel, dat loopend wild gebruikt.
Laveien: het op voedsel uitgaan van loopend wild.
Leertje: bij de eendenkooi toegang van zading tot hoofdschutting.
Leewieken: het breken van het beentje, waar de zware slagpennen zijn ingeplant of het lid van den vleugelarm.
Leger: de plaats, waar zich het klein, viervoetig wild verborgen houdt.
Leisse: zie dresseerlijn.
Lefeaucheux: een geweertype. Pin-geweer.
Lemmen: zie leewieken.
Lepels: de ooren van hazen en konijnen.
Lepelman: haas.
Lichtbak: lantaarn, van een gordijntje of draaiinrichting voorzien, waardoor het mogelijk is, het licht al of niet te laten schijnen, naar gelang dit gewenscht is. Het wild blijft ('s nachts) verblind zitten voor den glans van 't licht en wordt aldus geschoten; met den lichtbak uitgaan: stroopen met den lichtbak.
Lichtbakkerij: strooperij, wilddiefstal.
Lichtbakkers: stroopers, die met den lichtbak uitgaan.


[p. 268]

Lichten: de haas lichtte zich, d.w.z. richtte zich even, slechts ten halve op, veelal om de omgeving te verkennen.
Lighond: zie staande hond.
Ligne: à ligne jagen: wanneer alle jagers op eene lijn vooruitgaan en zoo een groot uitgestrekt land bejagen.
Likker: de tong van het grof wild.
Loensch: noemt men een hond, die erg schuw is en zoodra hij berispt wordt met de staart tusschen de beenen er van door gaat of zonder verder mee te willen werken achter den jager blijft loopen.
Lokbrokken: de brokken, die men rondom den zwanehals plaatst. Zie brok.
Lokeend: zie eendenkooi.
Lokker: zie eendenkooi.
Lont: de staart van den vos.
Loop: 1) geweerloop; 2) in den loop schieten: het wild schieten, terwijl het loopt.
Loopen: in de pijp geloopen. Zie oploopen.
Loopband: zie leisse.
Loopend wild: alle viervoetig wild.
Loopers: 1) de pooten van het viervoetig wild; 2) zie posten.
Loopsch: noemt men de teef, bij welke tijdelijk de geslachtsdrift is opgewekt.
Los!: commando aan den hond, om hem het geapporteerde wild te doen afgeven.
Los: de hond jaagt met lossen bek, jaagt luid, niet stom.
Loskoppelen: de gekoppelde honden de halsbanden afnemen.
Lucht: de eigenaardige reuk, die elk stuk wild voor den neus der honden achterlaat.
Lucht hebben: zegt men van een hond, die wild ruikt.
Luid!: commando aan den hond, dat hij blaffen moet.
Luid: luid jagen, aanslaan bij het vervolgen van wild.
Machtiging: buitengewone machtiging: vergunning om op schadelijk wild te mogen jagen buiten den jacht; buitengewone machtigingen kunnen ook doorloopend zijn, d.w.z. ook van kracht gedurende den tijd, dat de jacht geopend is. Ook: vergunning aan vrouwelijke personen om te mogen jagen.
Malie: een zilveren ringetje, dat aan weerszijden door de bovenlip der fret gestoken wordt.
Maliën: door de ringetjes der fret eenen draad rijgen, en daarmee den bek toebinden.
Markeeren: zie teekenen.
Marqueur: een instrumentje, om 't geschoten wild aan te teekenen, door een wijzer te verzetten op 't getal, dat het aantal van het geschoten wild aangeeft.
Meppen: hazen meppen, omleggen.
Mismaakt: zie oneffen.
Misvlammen: misschieten.
Moderato!: commando aan den hond, die den jager te ver voor is.
Moer (N.-Br.): het vrouwelijk konijn.
Moerhaas: het vrouwelijk haas; zoo moer-vos, de vrouwelijke vos.
Moor (Z.-L.): zie moer.
Morgenbirsch (hgd.): morgenbers, de bersjacht 's morgens.
Nagaan: loopend of vliegend wild nakijken, om te zien, waar het gaat liggen of neervalt.
Naoogen: zie nagaan.
Nakijken: zie nagaan.
Nawaren: zie nagaan.
Neerhalen: doodschieten; vliegend wild uit de lucht neerhalen.
Neerknallen: zie neerhalen.
Neerkletsen: neerschieten.
Neervallen: zie strijken.
Nekken: het bij de achterloopers opgenomen haas of konijn, met den kant der rechterhand in den nek slaan, om zoodoende 't dier af te maken.
Nekvanger: zie hertsvanger.
Neus: 1) het reukvermogen van een hond. Men zegt: die hond heeft een goeden (slechten) neus; 2) iets in den neus hebben: zie lucht hebben.
Neuzen: de hond heeft iets in de neus, d.w.z. ruikt wat.
Oehoe: ooruil.
Oehoehut: ook kraaienhut genoemd, van waaruit men roofvogels, vooral kraaien, schiet, die 't meest verwoed op den oehoe stooten.
Oerwild: origineel standwild.


[p. 269]

Omhalen: tegen den wind in, langs een omweg op wild afgaan, dat ergens ligt.
Omkegelen: het omverduikelen van loopend wild.
Omleggen: doodschieten, van loopend wild gezegd.
Omstellen: afzetten; de plas, die zou worden uitgedreven, werd omsteld. Zie afzetten 1).
Omzetten: het wild drijven in een andere richting dan het zelf gekozen heeft. Zie ramen.
Onderdrijven: het konijn in de pijpen drijven.
Oneffen: van een hert, dat b.v. aan de eene zijde vier en aan de andere drie enden heeft zegt men: een oneffen achtender.
Ongedierte: alle roofdieren, die aan den wildstand schade doen.
Onjachtmatig: zie jachtmatig.
Onthuiden: het grof wild van de huid ontdoen.
Ontweiden: de ingewanden van gedood wild uithalen.
Ontweien: zie uitroeien.
Oog-end: de onderste tak van het gewei der herten.
Opdoen: het vinden van wild, dat de vlucht neemt.
Opdrijven: het wild zoo opjagen, dat de jager er schot op krijgt.
Opgaan: opvliegen van patrijzen, eenden enz.
Opjagen: het doen springen van het wild.
Oploopen: het konijn is opgeloopen, d.i. in de pijp vastgeloopen, zoodat het er niet meer uit kan, daar de fret er achter zit.
Opnemen: het opvatten van den dresseerbok, of eenig wild, om het te apporteeren.
Oprijzen: omhoogvliegen van wild. Zie opstaan.
Opspringen: zie springen.
Opstaan: het wegvluchten van loopend en vliegend wild, wanneer dit wordt opgestooten.
Opstooten: het tegenkomen van wild, 'twelk dan wegvlucht.
Opzetten: 1) het aangroeien van het nieuwe gewei bij het grof wild; 2) een fret opzetten: een fret in de pijpen laten gaan.
Opzitten: het fret zit erop, het fret is in de pijp.
Ouverture maken bij N.: op den eersten dag, dat de jacht open is, gaan jagen bij N.
Overjaagd: noemt men een hond, die door het sterk, straf jagen afgemat en moedeloos wordt en niet meer wil zoeken.
Overjagen: zie overjaagd.
Paarhoenders: zie koppel 2).
Paarlen: de kleine, knobbelvormige uitwassen aan het gewei van grof wild.
Paffen: schieten.
Par force: een hond, die door dwang, niet spelend is afgericht, noemt men ‘par force gedresseerd’.
Partout: zie wartoe.
Patrijshond: zie staande hond.
Patrijzenkraaier: instrumentje, waarmee men 't kraaien van een patrijs nabootst om patrijzen te lokken.
Patrijzenlokker: patrijzenkraaier.
Patroon: kokertje met buskruit en hagel-korrels of kogel. Zie cartouche.
Patte (Z.-L.): à patte schieten: vliegend wild schieten, terwijl het loopt. (Een daad waarom men wordt uitgelachen; ‘Tire haut’ zu Fuss.)
Paven (Z.-L.): zie paffen.
Pekel: de pis van het doode haas. Wanneer het door drukken op de blaas, daarvan ontlast wordt, zegt men: laten pekelen, ook wel: laten wateren.
Pensjager (Overijsel): broodjager.
Permis: zie buitengewone machtiging.
Per voet: zie partout, wartoe; (naar den voet!).
Pflegen (hgd.): zie hegen.
Petten (Friesland): de met riet, bies en waterplanten begroeide gaten op een meer.
Peuterhond: een kort onder 't geweer jagende hond.
Pijlstaart: een Noordsche eendsoort, langhalseend.
Pijpen: buisvormige gaten, die een dassen-, vossen- of konijnenhol vormen; zoo spreekt men van enkele pijpen (rütschkes, Z.-L.) die slechts één uitgang hebben; dubbele pijpen met twee uitgangen. Doode pijpen noemt

[p. 270]

men konijnenholen, die ongebruikt zijn; levende, die versch gedreven zijn.
Platzak: zegt men van den jager, die zonder wild naar huis terugkeert.
Pluim: de staart van haas en konijn.
Poedel: misschot.
Poedelen: misschieten.
Poejer: kruit. (De jager noemt een sigaar ook vaak een poejer of een blazer.)
Poelie: zie poule.
Pointeeren: teekenen.
Porteur: een drijver, die als drager van het geschoten wild wordt gebruikt.
Post: plaats van den jager bij de drijfjacht.
Posten: kleine kogels, waarvan men er 9-12, naar gelang het kaliber, op het geweer laadt.
Posteeren: aan de jagers hunne plaatsen wijzen, voordat men met het drijven begint.
Pot: in den pot schieten; zie kuit.
Poot: met de pooten eruit, zie hangpooten.
Poule!: kip! roept men, wanneer men een hen van vliegend wild ziet. Dikwijls is dit het teeken om er niet op te schieten, daar men door te veel kippen te schieten de jacht arm maakt.
Poule: fazantenhen.
Preeken: het steigeren van b.v. een patrijs die in den kop geschoten is.
Prent: zie spoor.
Prop: de proppen erop doen: 't geweer laden, de patronen erop doen.
Protokol: procesverbaal tegen overtreders der jachtwet.
Punt: geen punt maken: niets schieten; een mooi punt maken: een mooi schot maken.
Pürschen (Z.-L.): het wild besluipen, langs kleine paadjes, die langs den uitersten rand van het bosch gemaakt zijn.
Pürschschoenen (Z.-L.): schoenen met kurken zolen, die men gebruikt bij 't pürschen.
Pürschwegen (Z.-L.): zie pürschen.
Raggen: van een hond gezegd, het links en rechts doorloopen van een bosch; het woest rondsnuffelen.
Ram: het mannetje der marters, bunzings en wezels.
Ramen: wordt van windhonden gezegd, wanneer zij telkens het haas omzetten en er naar grijpen.
Rammelaar: het mannelijk haas of konijn.
Rammelen: het paren van haas of konijn.
Randhagel: de hagelkorrels buiten de kern van het schot.
Reebok: het mannelijk reewild.
Reewild: gezamenlijke benaming van den reebok, de rekke en het reekalf.
Rein: zie zuiver.
Rekel: het mannelijk geslacht van den hond en den vos; ook van haas en konijn.
Rekke: het vrouwelijke reewild.
Respecteeren: 't staan van een hond bij het zien staan voor wild van een anderen hond.
Reu: mannetjeshond, ook genaamd rekel.
Revier (hgd.): jachtdistrict.
Ricke: 't geluid van een reegeit.
Ricochette-schot: het terugspringen van den hagel op water, bevroren grond of tegen boomen enz.
Ricochetteeren: zie ricochette-schot.
Ril zijn: zegt men van het wild, dat zoo schuw is, dat het den staanden hond niet afwacht.
Rilheid: het ril zijn.
Rijzen: het opstaan van zoowel vliegend als loopend wild.
Ringnek: fazant met witten band om den hals.
Rocketer: een hoogvlieger.
Roepen: zie kraaien.
Roest: 1) het nachtleger van alle vliegend wild; 2) uitwerpselen van patrijzen bij hoopjes, bij de gulplaats.
Roesten: hier hebben ze vannacht geroest, d.w.z. hier hebben ze vannacht gezeten, wat men zien kan aan de roest.
Roodwild (Overijsel en Z.-L.): herten en reeën.
Roofwild: ook wel rooftuig, allerlei schadelijk, roofgedierte.
Roos: de rand, die het gewei van grofwild omvat.
Rottering: zie bronst en rammelen.
Ruien: 't verliezen van veeren, bij verwisseling van vederkleed.
Ruier: eend, die in den tijd van het verwisselen der slagpennen is en niet of zeer moeilijk kan vliegen.


[p. 271]

Ruim jagen: het tegenovergestelde van kort jagen.
Ruimen: zegt men, wanneer het loopend wild een bosch verlaat, waarin het door honden wordt achtervolgd. Ook van dassen en vossen, die voor de dashonden of van konijnen, die voor de fretten uit hunne holen vluchten; het wild ruimt slecht: het ligt vast.
Ruimte: zie kamer 1).
Rütschkes (Z.-L.): zie pijpen.
Rücksack: zie weitasch.
Safe zetten: de haan van het geweer vastzetten, zoodat het schot niet kan afgaan.
Sallepatters (fra. Salespattes): slobkousen.
Saint Esprit (Z.-L.): den Saint Esprit maken. Zie preeken.
Schaal: zie zool.
Schampschot: het rakelings treffen van een stuk wild.
Scheuren: zegt men, wanneer honden elkander het wild ontrukken willen, en het in stukken trekken. Ook zegt men van een hond, die het wild opvreet: ‘hij scheurt’.
Schieten: met zilveren kogel -; gezegd van een zondagsjager, die wild (voor zilveren duiten) koopt, als hij niets geschoten heeft.
Schieter: in tegenstelling met jager. Boutschieter d.i. eendenmoordenaar.
Schild: 1) de bruine vlek op de borst van den patrijshaan. ook hoefijzer genaamd; 2) een op doek geschilderd paard of rund, waarachter men de ganzen bekruipt en waarmee men vroeger de patrijzen in de fuik dreef.
Schoontijd: noemt men den tijd, dat het niet geoorloofd is zeker wildsoort te schieten.
Schot: 1) het wild is binnen schot, buiten schot: is met hagel te bereiken of niet; 2) schoten afgeven, schieten; 3) goed op schot zijn, goed schieten; 4) op het schot vallen, het aanstonds dood neervallen van wild.
Schouderschot: zie bladschot.
Schreien (ook schreeuwen in N.-Br.): zie kraaien.
Schroot: hagelkorrels, het zaad.
Schuiver: zie achterlooper.
Schwarzwild (Z.-L.): wilde zwijnen en evers.
Sechser (Z.-L.): vierjarige bok van een hert met drie vertakkingen aan het gewei.
Servir: vermoedelijk opeten van rot wild.
Setz dich (Z.-L.): tot den hond; ga zitten!
Skiep, skiep: 't geluid der watersneppen.
Slaan: slaan naar, bijten naar.
Sla gaai! (N.-Br.) (sla gade, wees op uw hoede): uitroep bij 't opgaan der houtsnep,
Slakkenhuis: een korf, in den vorm van een slakkenhuis om fazanten te vangen.
Sleep: sleep maken; zie sleepen 3).
Sleepen: 1) patrijzen sleepen d.i. patrijzen met een sleepnet vangen; 2) het dragen van wild door roofdieren over den grond; 3) het voortsleuren van het gewei van wild over den grond, om roofwild te lokken.
Sleepnet: zie tiras.
Slepen: het zich voortsleuren over den grond van loopend wild, dat weidewond geschoten is.
Slijm: aanslag van het kruit in den geweerloop.
Sliklappen, slikwaggen: zie getters.
Slippen: de hond loslaten, veld laten nemen.
Slobben: slobeenden, wilde zomereenden.
Slobkousen: beenbekleeding.
Sluiting: de dag, waarop het jachtseizoen eindigt; ook: het uur van zonsondergang, waarop elke jachtdag eindigt (behalve de jacht op eenden een half uur na zonsondergang).
Smaldier, Smalree: een hinde, die het tweede jaar is ingegaan.
Smient: een Noordsche eendsoort, 'n soort van wilde eend, fluiteend.
Snapeerdje (Z.-L.): een pijp, die zich goed leent tot het snappen van een konijn. Zie snappen.
Snaphaan: geweer.
Snappen: bij gebrek aan builen een konijn met de hand vangen, als het uit de pijp springt.
Snapschot: d.i. het schieten van een stuk wild, dat slechts voor een zeer kort oogenblik op het gezichtsveld komt.
Snep: zie snip. Dubbele snip, heele snip, volle snip: grooter soort watersnip, halve snip: kleinere soort.
Sneppenhagel: gewoonlijk hagel no. 10.
Snip: de watersnip; houtsnip.
Snippenlokker: een instrumentje om het ‘oeietsch’ geluid van houtsnippen na te bootsen.


[p. 272]

Snor: knevel van een haas of konijn.
Sok: 1) 't onderste deel van den achterpoot van een haas of konijn; 2) op de sokken zijn, loopen van haas en konijn.
Solo-vanger: een windhond, die alleen een haas inloopt en vangt.
Speelpijpen: in den regel pijpen, die doorloopen en waarin de konijnen spelen.
Speuren: den voet van het wild of schadelijk gedierte ontdekken of nagaan.
Spiegels: de oogen van alle viervoetig wild.
Spieshert: zie Spieszer.
Spieszer (hgd.): tweejarige bok zonder vertakkingen aan het gewei,
Spion: een hond, die kort onder het geweer jaagt, en voor het wild teekent zonder te staan.
Spitsbok: een tweejarige reebok.
Spitser: het tweejarig hert.
Spoor: de indruk, dien het wild bij het loopen op den grond achterlaat.
Sprei: een vierkant net, dat men bij het vangen van kwartels over het gras of de veld-vruchten legt.
Spreiden: zegt men van een geweer, dat den hagel niet goed bij elkander houdt.
Spreider: een verdwaalde hagelkorrel.
Spreien: uitleggen van de sprei over de plaats waar de kwartel zit.
Spreihagel: dwaalhagel. Ook spreider.
Sprenkel: zie klem.
Springen: zegt men 1) van alle wild, dat in het jachtveld oploopt of opvliegt; 2) van het konijn, dat uit de pijp komt, waar het fret opzit.
Springpijp: kleine pijp. die recht naar beneden loopt.
Spuit: 1) een der kleine gaten van de konijnenholen, die alleen dienen om te ontvluchten; 2) gewone benaming van het geweer.
Staan: het blijven staan van een hond die wild ruikt; zie teekenen 1). Zoo zegt men: een haas staan, het staan van den hond voor een haas; de hond staat muurvast.
Staande hond: een hond die voor wild komende, zoolang blijft staan of gaat liggen, tot zijn meester het kan opjagen.
Stallen: makke of houten eenden, waarmee men de wilde aanlokt.
Stand: 1) de plaats, waar een stuk grof wild gewoonlijk zijn verblijf houdt; 2) de hoeveelheid wild in zekere streken; goede en slechte stand; hazenstand, patrijzenstand.
Standbok: een bok, die altijd op dezelfde plaats terugkomt.
Standlaut (hgd.): zegt men van een hond, die blaft, wanneer hij staat.
Standwild: het wild, dat het geheele jaar voorkomt.
Stang: tak van het gewei. Zoo stangen vegen; de spitser, wiens stangen waren geveegd,....; zie gerekt en vegen.
Stap: zie klem.
Steekgaren: een net voor het vangen van kwartels. Ook in het groot tot het vangen van patrijzen. Het wordt ook wel wargaren genoemd. Zie vlouw.
Steken: den loktoon met het kwartelbeentje voortbrengen.
Steigeren: het krampachtig omhoogfladderen van een in den kop geschoten patrijs of andere vogel. Zie preeken.
Stijgen: het bijna recht omhoog vliegen van een stuk vliegend wild.
Stilet: hartsvanger.
Stok: aan den stok brengen: loopend wild doodschieten; aan den stok worden de geschoten konijnen en hazen, nadat ze getrest zijn, gehangen.
Stokhoenders: zie gust.
Stom: noemt men den hond, die bij het vervolgen van wild niet aanslaat.
Stooten op: bijten, pikken naar. Bijvoorbeeld de slechtvalk stoot op den oehoe.
Strecke (hgd.): drift.
Striepen (Friesland): de ribben, die gaten van een poel of water scheiden.
Strik: 1) vier tot vijf windhonden, die gezamenlijk ter jacht geleid worden; 2) alle soorten van wildstrikken, die stroopers gebruiken, (vooral om konijnen of hazen te vangen); ook strop.
Strikvast: zegt men van windhonden, die zich goed aan de leisse laten leiden.
Strijken: het zich neerzetten van vliegend wild.
Strop: zie strik 2).


[p. 273]

Stroppen zetten: strikken plaatsen om konijnen te vangen.
Stroopen: 1) zie afhalen; 2) wild stelen, of jagen zonder vergunning of akte.
Strooper: wilddief.
Tableau: op het tableau komen, zegt men van het wild, wanneer het geteld wordt bij 't eind der jacht.
Tafel: de tafel dekken, zegt men van een hond, die het wild ‘aansnijdt’.
Tak: zie end.
Taks: deteckel of taks staat bekend als ‘je’ konijnenhond.
Tasch: zie weitasch.
Teef: het vrouwelijk geslacht bij den hond en den vos.
Teekenen: zegt men 1) wanneer een hond, door heftig kwispelen met den staart, of door te blijven staan of te gaan liggen het spoor of de nabijheid van wild aanduidt; 2) van het wild, dat op het schot eene beweging maakt, die aanduidt dat het getroffen is.
Tientjes: noemt men hagel no. 10; dus de patronen, geladen met hagel no. 10.
Tiras: een bekend sleepnet om patrijzen te vangen.
Tirasseeren: patrijzen sleepen.
Tire bas!: waarschuwing om de aanwezigheid van loopend wild aan te duiden (partout, wartoe, voor den voet).
Tire haut!: zie tiro.
Tiro!: verbastering van tire haut! waarschuwing om het opstaan van vliegend wild aan te duiden.
Toespringen: het opjagen door den hond van het wild, waarvoor hij staat.
Toom: broedsel: bijvoorbeeld een toom hoeders, eenden enz.
Toppen: het strijken van vederwild over de toppen van een bosch.
Tout beau: zie zacht.
Traansleuf: de groef onder den ooghoek van het edelwild.
Trapper (engl.): vallenzetter, strikkenspanner.
Trek: het zich verplaatsen van vliegend wild van het Zuiden naar het Noorden en omgekeerd. Zoo: voorjaarstrek, najaarstrek, avondtrek. Op den trek schieten: de ganzen en eenden, des nachts bij maneschijn, in de schemering of bij mistig weer in het overvliegen, tegen den dijk of hoogte liggend, schieten. Hiermee in verband luidt een Duitsch rijmpje (slaande op houtsnippen): Oculi da kommen sie. Laetare das sind die Wahren. Judica sie sind noch da. Palmarum tralarum.
Trekken: 1) zegt men, wanneer staande honden wild in den neus krijgen en er recht opafgaan of den voet langzaam volgen; 2) dat geweer trekt ver: dat geweer schiet ver.
Trekken op iets: schieten op iets.
Trekkers: de ùitstekende deeltjes van een geweer, die de hanen aftrekken, ontspannen.
Trekwild: wild, dat slechts tijdelijk voorkomt.
Troep: eenige stukken edelwild, of een familie reewild.
Tuffert: gewestelijke uitdrukking voor geweer.
Tuimelaar: een soort kleine hond, waarmee men vroeger de konijnen in de duinen ving.
Tureluur: kuifleeuwerik.
Tuut: zie tureluur.
Twalever: naam van het geweer, kaliber 12.
Tweeloopsgeweer: geweer met dubbele loop; de rechterloop is voor hagel getrokken; de linker gedraaid voor kogel. (Ook wel twee gladde loopen).
Uitblazen: het licht uitblazen van een stuk rooftuig, doodschieten.
Uitroeien: een jacht uitroeien: al het wild, ook het onvolwassene vernielen.
Uitstooten: een haas uit zijn leger stooten, opjagen.
Uitzetten: 1) wild uitzetten: wild in het jachtveld loslaten, om de jacht te verrijken; 2) jagers uitzetten, d.i. posteeren.
Vaan(del): de lange haren aan den staart der honden.
Vallen: zie strijken.
Valvlouw: zie vlouw.
Vang: 1) bek van den hond; de hond kwam terug met leegen vang: zonder iets in den bek; 2) den vang geven: zie afvangen.


[p. 274]

Vangbrok: de brokken, die men op den zwanehals plaatst. Zie brok.
Vanghokje: het hokje in een eendenkooi, waarin de wilde eenden gevangen worden.
Vangschot: genadeschot.
Vastliggen: zegt men van het wild, als het niet gemakkelijk uit het leger komt, of niet gemakkelijk opvliegt; de hazen lagen vast als muren.
Vastloopen: zie oploopen.
Vastvaren: zie oploopen.
Vastzitten (N.-Br.): oploopen, van de fret gezegd; zie oploopen.
Veer: stuk vliegend wild; we hebben vandaag geen veer geschoten.
Vegen: zegt men van het grof wild, dat de ruige huid van het nieuwe gewei aan boomtakken afstroopt.
Vel: de huid van klein wild en schadelijk gedierte.
Veld: het jachtseizoen, gedurende hetwelk een hond gejaagd heeft; zoo zegt men b.v. van den staanden hond: hij jaagt zijn derde veld; van den windhond: hij loopt zijn derde veld.
Velddressuur: de africhting, die dient om den hond het noodige appèl te geven.
Veld nemen: (gezegd van een jachthond), het veld ingaan.
Veneur: grand veneur: de jager, die 't meeste wild geschoten heeft; petit veneur: de jager, die 't minste wild geschoten heeft. Soms spreekt men van: venator (lat.).
Venisoen: het wildbraad van grof wild.
Ventre à terre: zie hol over bol.
Verbeend: noemt men een kwartel, die door valsch steken van het kwartelbeentje niet meer op het geluid wil afkomen.
Verbranden: verschieten.
Verlappen: een dekking met lappen omgeven.
Verhooren: het verhooren der kluchten, hooren waar ze kraaien, en thuisbehooren.
Verleiders: lokeenden.
Verloederen: wild ziek schieten en niet opzoeken.
Verloren-apporteur: de hond, die het kwijtgeschoten wild moet apporteeren.
Verslagen: noemt men een hond, die door ondoelmatige en wreede straf, zoo bang is geworden, dat hij zijn meester ontloopt.
Verstänkerung (hgd.): verwaaiing.
Vervatten: wanneer de hond de voorwerpen, die hij apporteert, onder het dragen, neerlegt en weer opneemt of op een andere wijze vastneemt.
Verwaaiing: een zekere eigenaardige reuk, die het aanwezig zijn van iemand of iets kenmerkt. Zoo heeft men: verwaaiing krijgen en geven.
Verwerpen: het werpen van doode of onvoldragen jongen, bij honden of wild.
Videeren (Z.-L.): ledigen. Zie ontweiden.
Vizier: op het vizier nemen, mikken.
Vlammen: schieten, vuren.
Vleugel: op de vleugels komen of gaan: opvliegen.
Vleugelen: alleen een vleugel kapot schieten, zoodat het geschoten wild nog weg kan loopen.
Vleugellam: zegt men van vliegend wild, dat alleen in den vleugel getroffen is.
Vliegend wild: alle gevleugeld wild.
Vlieger: jonge eend, die reeds vliegen kan.
Vliegnet: het net, waarmee men de kwartels des avonds en des nachts vangt.
Vlogt (Z.-L.): zie klucht.
Vlouw: netten, waarmee men houtsnippen vangt. Men heeft laat-, val- en warvlouwen; ook flauw.
Vlucht: zie klucht.
Vluchtlam: zie vleugellam.
Vluchtpijp: een rond gat, dat recht naar boven loopt van uit de pijpen van een konijnenhol.
Vlug: vlug zijn (gezegd van vliegend wild): kunnen vliegen.
Voedende tijd: zoo noemde men vroeger den gesloten jachttijd, die van Lichtmis tot St. Jacobus duurde.
Voedster: het vrouwelijk haas of konijn; ook wel de wijfjes van marters, bunzings en wezels.
Voer: alle voorwerpen, waarmede men het wild en roofgedierte aanlokt.
Voerplaats: de plaats, waar men fazanten

[p. 275]

en patrijzen op het voer aanlokt, om ze met het hoepnet te vangen. Ook: voerstee.
Voet: zie spoor; voor den voet jagen, d.i. zoekjacht.
Voethoorn: zie zool.
Vol: zie geladen.
Vol: au vol schieten: in de vlucht schieten.
Vóórhouden: op snel loopend of vliegend wild mikken vóór de plaats waar het zich bevindt.
Voorlooper: de voorpoot van het wild.
Vreten: zegt men van een hond, die het geschoten of gevangen wild, in plaats van het te apporteeren, verscheurt of verslindt. Zie tafel dekken.
Vreter: hond, die het wild verscheurt,
Waar 'k em weet!: zegt hij, die een haas in het leger ziet liggen, tot den jager, die nog niets heeft geschoten. Wil de jager er voor betalen, dan wijst de andere (die hem weet) hem de plaats, waar hij ligt en de jager schiet hem in de zit.
Waard: het mannetje van alle eendensoorten.
Waidmännisch: zie weidelijk jagen.
Waidmannsheil (hgd.): weidmansheil, jagersheil.
Warande: zie holen; vroeger moest voor het hebben van een konijnenwarande een zekere belasting betaald worden.
Wargaren: net om kwartels te vangen. Zie vlouw.
Warme voet: het versche spoor van wild.
Wartoe!: verbastering van het Hoogduitsche wahr zu! of het Fransche partout, om te waarschuwen, dat er loopend wild is opgedaan.
Warvlouw: zie vlouw.
Waterhoentje (waterkippetje): een zwarte watervogel, ter grootte van een kleine kip; gallinula chloropus.
Waterhond: hond, gedresseerd voor waterwild.
Waterwild: eenden, watersnippen, enz.
Week: weeke vogel: een vogel, die spoedig doodelijk getroffen wordt, b.v. een houtsnip.
Weidelijk jagen: het tegenovergestelde van aasjagen. Zie aasjager.
Weidewond: getroffen door een schot, dat het wild in de onedele of onderbuiksingewanden ontvangt.
Weidman: jager (een echte, geen aasjager).
Weidmansheil: jagersheil.
Weidwerk: het jagen.
Weitasch: jachtzak om de patronen en het geschoten wild mee te dragen.
Wentel: een klein, afzonderlijk hol, waarin de voedster van het konijn een nest maakt en hare jongen werpt.
Werpen: gezegd van loopend wild en honden, het ter wereld brengen van jongen.
†Wetsch: noemt men een hond, die aanslaat zonder op den voet van het wild te zijn.
Wiek: vleugel van het vliegend wild. Op de wieken komen, gaan: opvliegen.
Wildakker: het land, waar vruchten voor het wild opzettelijk gezaaid worden niet om ze te oogsten, maar voor het wild te laten.
Wildbaan: 1) een jachtgebied; 2) een loop van haas of konijn of ander viervoetig wild; 3) ook gebruikt in plaats van jachtpad.
Wildfowlgun: jachtgeweer voor vliegend wild.
Wildschut (germ.): 1) de plaats die beschut ting biedt voor wild; 2) het voeder.
Wind hebben: zegt men van een hond, die tegenwind heeft en zoo den reuk van het wild in den neus krijgt.
Wind nemen: zegt men, wanneer de staande hond langs een veld opgaat, om het tegen den wind terug af te zoeken.
Windhond: een hond, die de hazen op het gezicht volgt, inloopt en vangt.
Wipval: een soort klem.
Wissel: zoo heet de plaats, waar het loopend wild gewoonlijk het bosch in- en uitgaat.
Wisselen: gezegd van wild: voorbijgaan, oversteken.
Witpluim: konijn.
Woerd: mannetjes eend, ook waard en woord.
Woerhen: fazantenhen.
Wol: het haar der hazen en konijnen.
Wondbet: de plaats waar het aangeschoten stuk wild heeft gerust, overnacht of gestorven is.
Woord: waard.


[p. 276]

Worp: de jongen, die door viervoetig wild of door honden gelijktijdig worden ter wereld gebracht.
Wrang (samentrekking van warande): zie holen.
Zaad: de hagelkorrels van een patroon.
Zaadwild: het wild, dat voor het volgend jachtseizoen moet worden overgelaten.
Zacht!: commando om den hond, die te snel op den voet van vliegend wild volgt, terug te houden.
Zading: het gedeelte van leertje tot hoofdschutting in een eendenkooi.
Zeel: zie strik 2).
Zes-ender: het vierjarig hert; zie Sechser.
Zet: een groot konijnenhol, waar de fret op gezet kan worden.
Zetten: het werpen van jongen door grof wild.
Ziek: noemt men het wild, dat aangeschoten is, vooral haas en konijn.
Zilverhazen: de hazen, die een zondagsjager koopt voor zilveren munt.
Zij: het wijfje van den kwartel.
Zit: in de zit schieten; zie kuit.
Zitten: daar zit wat op: daar zit een konijn in. Men gaat met het oor voor de pijp liggen en hoort dan het konijn.
Zoekjacht (in tegenstelling met drijfjacht): een jacht voor den voet, ook wel korte jacht.
Zoek verloren!: commando aan den staanden hond, om hem ijveriger naar een verloren geschoten stuk wild te doen zoeken.
Zondagsjager: een jager die zilverhazen koopt of ook halfbakken jager. Een boulevadier in het jachtveld.
Zool: een hoef of klauw van grof wild.
Zuiver: aldus noemt men de honden, die van onverbasterd ras zijn voortgekomen.
Zwanehals: zie klem.
Zwartwild: wilde zwijnen, evers enz.
Zweet: het bloed van alle wild; ook het bloed van jachthonden.
Zweeten: bloeden.
Zwet: in de eendenkooi een ovaalvormig watervlak, spaarzaam met riet begroeid, waar de verleiders zich ophouden.

[Aanvullingen]

In de woordenlijst der Nederlandsche Jagerstaal moeten nog de volgende termen ingevoegd worden, ontleend aan eenige lijstjes van Jhr. Six, opgenomen in ‘De Nederlandsche Jager’ 1903-04.
Aalstreep: smalle donkere streep over den rug van het hert.
Aankoppelen: de honden samenbinden, om op jacht te gaan.
Aanleggen: 2o een hond aan den ketting leggen.
Achterwerpen: de honden achter het haas werpen, zie hitsen.
Afdokken: afwinden, de hondenlijn of de jachtlappen.
Afgaan: de dauw gaat af.
Afloopen (het): een konijn loopt het af op zijn pijp: loopt naar zijn pijp toe.
Afleggen (het): hij legt het af zonder schrik of raam; het haas loopt de honden dood.
Afsprong: 1o sprong zijwaarts, 2o laatste sprong vóór het haas zich in het leger zet.
Afweien: een gedood haas of konijn de pekel uitstrijken.
Azen: 1o voederen, b.v. de honden, 2o eten, van patrijzen en vederwild.
Baggelen: het biggen werpen van wilde zwijnen.
Baker: gulplaats der patrijzen.
Bal: het onderste vereelte zooldeel van grof wild.
Balg: huid van den haas. Zie rok.
Balsch: nestschuw, van een vogel wiens nest verstoord is.
Bantjeren, banjeren: verkort uit bandroeden: twijgen, teenen.
Beloop: de omvang van een jachtveld.
Beslopt zijn: beslikt zijn, cf. slobkousen.
Besluit: de kring binnen het garen.
Biezen: omdwalen, verwilderd rondloopen van vee.
Blaerkoe: koe met een bles voor het hoofd. Zie Bleshert
Blaffen: niet slechts van honden, maar ook van vossen gezegd.
Blazen: het gehuil van uilen en katten, als zij toornig zijn.
Bleshert: hert met een bles voor het hoofd. Zie Blaerkoe.
Blukken: het geluid van den rammelaar in den bronstijd.
Bodden (Noord-Holland): roesten, van patrijzen gezegd.
Boele: (Zeeuwsch-Vla.): eend.
Botten: het uitloopen der hoornen.
Boven den wind: zitten (van hazen), brengen (van honden).
Boutsmier: de achterste helft van het smier.
Brak: 2o drijfjongen bij een drijfjacht.
Brandvos: vos met brandachtige punt aan den staart.
Brein: de hersenen van het hert.
Breken: 1o ontweiden. 2o de honden breken den loop van het hert, 3o het breken (afnemen) der maan.
Bril: houten pin.
Brokel: broket.
Bronsten: bronstig zijn.
Butoor, putoor: roerdomp.
Dekveeren: die de vleugels en den staart van vogels bedekken.
Doorkotten: van konijnen enz., door uitgraven ontvluchten.
Dopgaten, dotgaten: konijnepijpen boven in het duin.
Dooverik: klein soort snip, zie bokje, pink,
Dwarsen: overdwars langs den jager komen.
Garens: dunne jachtnetten.
Gebétig: van honden gezegd: belust op verscheuren.
Gebogen, geboogd: van den rug van lange honden gezegd.
Gruizig: van dieren die veel eetlust toonen.
Haarsnip: een bokje.
Hazelok: hazeklager.
Halfke: halve snip, klein soort.
Hessen: pezen der achterloopers.
Knoopen: de teeltballen der hazen.
Knoopen w.w.: rammelen.
Leven dragen: van de moerhaas gezegd, als zij drachtig is.
Pink: klein soort snip.
Raam: de honden kregen er een raam of twee af, deden het haas een paar maal keeren, cf. ramen.
Schaft: geslachtsdeel van den rammelaar.
Schoenen: dat haas schoent op een twaalf: neemt passen van twaalf voet.
Spier (het): de lenden van den haas.
Verzien: een haas verzien: opmerken.
Vlakken: gezegd van een haas, die zich ineens midden op de vlakte neerlegt.
Vluchtig worden: het op een loopen zetten, gezegd van grof wild.
Wimpel: de staart van het haas, zie pluim.
Wit (het): het vet van wild.

 

Verdere literatuur voor de oudere jagerstaal is nog: Het Jachtsbedrijff. hschr. uit 1635, gedeeltelijk uitgegeven door Jhr. Six in ‘De Nederlandsche Jager’, 1898, 1899 en 1900. Z.: Jagerszakboekje, A'dam 1799. Jhr. A. Martini van Geffen: Jagers-zakboek, 's-Bosch 1837. E.v.O.: Vademecum op jacht en visscherij, Leiden 1850. Snip en Soenda: Lijst van jachttermen in ‘De Nederlandsche Sport’, 1885, '86. Het op blz. 259 genoemde boekje is geschreven door F.A. baron van Voorst tot Voorst, en beleefde nog twee uitgaven.

Aanzit en morgenbers. Uit Jachtsprokkels van L. Smelt Woodland.

Reeds meer dan een week had ik met kinderlijk ongeduld verlangd naar het oogenblik, waarop ik plaats zou kunnen nemen op den ‘Kansel’. Eindelijk zet ik mij dan in den draaibaren leunstoel, die het meest op een Amerikaanschen kantoorzetel gelijkt. Langs een laddertje, dat tevens dienst doet als poot, ben ik er op geklommen, want de stoel staat vier meter hoog. Een ‘Waidmannsheil’ wordt mij door den ‘Förster’ die mij er heen heeft geleid, toegefluisterd en hij stapt weder het woud in, om de andere twee heeren van het gezelschap hun zetel of stand aan te wijzen. - Ik zit zeer comfortabel, mijn voeten rusten op een ijzeren ring, op goede hoogte aangebracht. Mijn geweer (drilling) ligt dwars over over de leuning voor me. Ik begin met de omgeving te verkennen en beschrijf draaiende heel langzaam een cirkel. Mijn ‘Kansel’ of ‘Hochsitz’ staat aan den rand van een hoog opgaand eikenbosch, waartusschen hier en daar een spar staat. Vóór dit bosch ligt een breede strook laag eiken- en esschenstruikgewas, aan beide zijden omzoomd door een hoogen kant van esschenhout en op den achtergrond verheft zich een mastbosch, naar gissing twaalf jaren oud. - Door het lage struikgewas zal waarschijnlijk de ‘Sechser’ waarvoor mijn ‘Kansel’ gesteld was, al laveiende wisselen. Ik blijf dus naar die richting gekeerd, verzuim echter niet, af en toe een blik rechts en links en achter me te werpen. - Het is zeven uur 's avonds en tegen half tien zal ik weer afgehaald worden. Behalve mijn drilling heb ik een veldkijker, dien ik met een koord om den hals heb gehangen, gereed om dienst te doen. Nauwlijks heb ik een kwartier gezeten of ik hoor geritsel links achter me; ik blijf onbeweeglijk en spits mijn ooren. Als ik niets meer hoor, wend ik mijn hoofd heel langzaam om en bespied een haas, dat onder mij aan het laveien is. Een houtduif zet zich dicht bij mij neder en koert naar hartelust. Een nachtegaal zingt zijn hoogste lied in

[p. 277]

den esschenkant ginds. Op korten afstand hoor ik menigen fazantenhaan het hof maken aan een zijner vele vrouwen en vooral het eigenaardig geklap der vlerken vult de muziek rondom mij aan. En vol spanning het onbekende verbeidende, geniet ik van de schoone natuur, het liefelijke gezang. Oog en oor worden als om strijd gestreeld en heerlijke geuren stijgen uit het bosch op, die ik met volle teugen inadem. - Konijnen huppelen rond en met den kijker neem ik deze vlugge diertjes waar, die mij menig prettigen jachtdag voor den geest roepen. - De zon gaat in al haar pracht langzaam onder, het wordt koeler; van verre hoor ik een paar kettinghonden blaffen, en het zweepgeklap van een voerman op gindsche chaussée. - Het is stil geworden in het bosch, alleen de nachtegaal laat zich nog hooren, zoo mogelijk in nog voller tonen, af en toe afgewisseld door het geschreeuw van een uil. - Het is door de duisternis reeds moeilijk geworden, den korrel fijn te nemen en ik begrijp, dat voor dezen avond Diana mij niet gunstig meer zal zijn. Weldra kondigt de ‘Förster’, die mij komt halen, zijn komst met een hop! hop! aan.

In het nabijgelegen Duitsche dorp op eenige uren van Kevelaar gelegen, tref ik in het ‘Wirtshaus’ mijn gastheer die reeds het ‘Abendessen’ had besteld. Het maal, eenvoudig doch goed bereid, laat zich uitmuntend smaken. Wel zijn geiten, en door één is zelfs een bok gezien, welke laatste echter geen gelegenheid voor een schot had geboden. - Wij zitten gezellig bijeen met verrukkelijk Duitsch bier, doch daar wij om twee uur weer uit de veeren moeten, kan van plakken geen sprake zijn. Nauwelijks heb ik een paar uur geslapen, of ik word gewekt en loop weldra, vergezeld door den zoon van den opzichter, langs lanen en paden naar de plaats, die ik moet innemen dicht bij een wissel, waarlangs 7 à 8 stuks reewild plegen te gaan. - Het begint reeds te dagen, als ik aan mijn ‘Ansitz’ sta, en weldra beduidt mij mijn gids, dat hij een ree ziet; ik neem mijn kijker en werkelijk is af en toe tegen den horizon de kop en hals van een ree zichtbaar. Ik meen een geit te zien en even later hoor ik mij reeds ‘Ricke’ toefluisteren. - De reegeit laveit, terwijl zij telkens den kop opsteekt en de omgeving verkent. Haar slanke en sierlijk omlijnde ledematen vormen een prachtige silhouette tegen de lucht. Op eens zie ik een andere ree en mijn binocle bevestigt, wat ik met het bloote oog reeds meende te zien: weer een geit - Het daagt nu snel en plotseling vluchten beide reeën in de dekking rechts. Slechts eenige minuten daarna komen vermoedelijk dezelfde reeën het bosch weer uit, doch nu nauwelijks twintig schreden van mij af. Zij beschrijven een halven cirkel om mij heen om links weer een sparrenbosch in te gaan. Bij wijze van oefening epauleer ik, om even snel mijn geweer weer te laten zakken. Nog twee geiten wisselen onder schot en doen mij genieten van het prachtig schouwspel, dat zij bieden in deze schoone omgeving, zoo geheel onbewust van bespied te worden. - ‘Niets meer te verwachten hier’, zegt mijn gids fluisterend, ‘laten wij de “Morgenbirsch” beginnen’. Zonder een woord te spreken of zelfs te fluisteren gaat het nu voort, ik voorop en dadelijk daarachter mijn gids, die mij door handgebaar beduidt, welk pad of welke richting in te slaan. Heel voorzichtig en geruischloos gaat het langzaam voort, elk takje mijdende en vier oogen doorzoeken rechts, links en vooruit de dekking, paden en velden. Wanneer iets ongewoons zich aan ons oog voordoet, blijven wij onbeweeglijk staan. Na ongeveer een half uur langzaam te zijn voortgegaan, stoot mijn gids mij even aan; ik sta dadelijk als een beeld en doorzoek met de oogen het bosch, doch ik zie niets. Na eenige minuten wend ik het hoofd voorzichtig om; op een vingerwijzing naar rechts achter me ontwaar ik in de dekking een bok, wiens kop alleen zichtbaar is. Mijn geleider en ik staan beiden als standbeelden, ik met kloppend hart en ik vraag met de oogen wat te doen? De Förster bukt en zoo doe ik ook; op handen en voeten kruipen wij nu een 25 Meter voort en gluren dan over het kreupelhout heen. Ik zie nu den bok, een zesender, op ongeveer 80 Meter in de dichte dekking staan. Slechts

[p. 278]

een gedeelte der achterflank en de kop is voor een scherpziend oog zichtbaar; de achtergrond is donker en het is uiterst moeilijk den bok op het vizier te nemen. - Mijn gids beduidt mij, niet af te drukken, daar het schot te onzeker is. Wij bukken en kruipen voort om te trachten aan de andere zijde te komen waar wellicht een betere gelegenheid voor een schot geboden wordt. Voor een diepe droge sloot gekomen, vol bladeren, vereischt het een groote inspanning, deze te traverseeren zonder geruisch te maken. - Aan de plaats gekomen, naar onze gissing tegenover de plek, waar de bok moet staan, richt ik mij langzaam op. Eensklaps zie ik den kop boven de bladeren uitsteken, doch even spoedig verdwijnt hij weer. Ik breng mijn drilling aan de wang en blijf eenige minuten in deze houding staan. De bok laat zich echter niet meer zien; bij nasporing blijkt ons later, dat hij aan de zijde vanwaar wij hem het eerst zagen, gewisseld is. ‘Bad luck’, doch daardoor niet ontmoedigd; voort gaat het weer. - Nog menig reegeit benader ik onder schot, doch geen enkele bok, die dan ook zoo veel listiger en voorzichtiger is, laat zich zien. - Het was een tocht, belangwekkend en vol emotie en ondanks ‘déveine’ voor den waren jager een onuitsprekelijk, niet te vergeten genot. - Mijn gastheer was gelukkiger geweest en had een mooien bok op 75 Meter op de plaats doodgeschoten. - Met een dankbaar hart nam ik afscheid van mijn jovialen gastheer, wien ik beloven moest in Juli of Augustus nogmaals mijn geluk te komen beproeven. - Bij leven en welzijn hoop ik mijn belofte gestand te doen en St. Hubertus zij mij dan genadig.

Op jacht.

‘Nu, plezierige jacht verder, veel succes! hoo-oor. - Da-àg!’ riep lieflijk een heldere stem van vèrre, van uit de waranda. Nog een laatste handgewuif en nu was alles weer kalm en stil. Opgewekt stapten we voort langs den groenen, mossigen weg. Zacht als donzige sneeuwvlokjes kleefde de koele herfstlucht tegen onze wangen en met gulzig-gretige teugen haalden we op, die heerlijke frischheid. En de vaalgrauwe velden waren grijs bewasemd door den bleeken herfstdamp. De dorbruine bladeren van den lagen houtskant waren glinsterend belegd met flikkerende dauwdroppels, die als schitterende lichtjes stoeiend speelden in den glans van de zon. Hier en daar schoten minnend teeder eenige lieftallige elzenstruikjes naar omhoog. Ook hièrover hing een lichtblauwe nevel, die zich donker verdichtte boven de toppen der masten. Stil en rustig overal, ook in de bosschen. Even trillerde 't melodietje van een eenzaam vogeltje, vlug en blij. - Zoo dwaalden we, langzaam en rustig, in die stilte van kleurige lichtjes, van fonkelende trilpuntjes. Soms werd die statige stilte plots gestoord door 't gekef van de jachthond. Zij sloeg aan, nu opgepast, ze zit achter een konijn!.... - Rang! Een rookwolk van losgebarsten vuur schoot pijlsnel uit Gukel's jachtgeweer en ginds ver tuimelde hol over bol de huppelaar, die angstig gejaagd trachtte weg te vluchten langs den lagen boschkant. - ‘Bravo! De konijnen schijnen boven te zijn!’ waagde ik wat luid te zeggen. - ‘Suusst....’ siste het achter Gukel's tanden en hij gluurde het bosch in, en keek Stans de teef na of zij soms iets in den neus had. - Maar neen! Bandeloos brakte zij door de druppelende struikjes heen en ragde kriskras door 't elzenboschje. En toch hier zitten huppelaars, hierin zaten ze tenminste steeds, om straks ventre à terre de baan te wisselen, en om daarna te verdwijnen, als laatste groet met hun wit pluimpje den jager een ‘weidmansheil’ toe te wuiven. - Ginds viel een schot, nog een. Jongens! wat wordt daar gebrand, 't is een geklets van belang. Als ze nu maar in verhouding er omgelegd hebben! ‘Tiro!’ riep verrassend een forsche stem uit 't bosch. ‘Naar rechts! Patrijzen!’ - ‘Rang-kang’, knetterde het in de lucht. En een ‘ik heb ze alle twee!’ ontsnapte aan 't blij gemoed van den jeugdigen schutter aan den anderen kant. Hij had een kranig doublet gemaakt. - Nu

[p. 279]

kon niemand zich meer inhouden, en allen riepen met volle stem, ‘Bravo!’ - ‘Daar drinken we van avond aan den borrel eens den dood op!’ klonk het uit Gukel's ruime borst. - ‘Meneer, wil ik ze aan de galgen hangen? ik moet zeggen, meneer, u hebt ze mooi naar beneden gehaald, u had het er goed op, hij kreeg het volle schot....’ zoo zeurde het plakkerig goede hart van den drager. - Christ deed ze aan de galgen en zwaar bepakt, met weitasch, rugzak en patronentasch werkte hij zich, wroetend met zijn armen, weer terug in 't houtboschje. Brwaahh....brwaahha weerklonk het. En ruw slaande met zijn stok hier, daar, en overal, klopte Christ de dekking af. - ‘Dit bosch is afgeklopt en nu?’ vroeg de vragende blik van den porteur. ‘Maar waar blijft Stans toch? daar net in 't bosch sloop zij nog vlak langs me, ze had beslist lucht.’ - ‘Toe Christ, ga eens kijken waar ze blijft?’, maar nauwelijks was dit van Gukel's lippen, of daar komt de hond, fier en trotsch, de kop hoog op, en in haar bek een jong konijn! - ‘Mooi, braaf zoo, Stans! Apporte, hier apporte bij den baas, braaf zoo beesje!’ klonk het aanmoedigend. - De hond bracht het aan, en een handstreeling langs haar behang en een zacht geklop langs haar ruggevacht was de waardeering, waarop zij scheen trotsch te zijn. Haar kijkers glinsterden, en kwispelend met haar pluim zette zij fier de sokken in het zand. Blijkbaar had ze ergens gestaan, het konijn bekropen en bij 't niet naderen van den jager ernaar gehapt en gepakt. - Stans ging weer het bosch in, bleef snuffelen en mummelen in wat ruigte. Christ stapte er op af en jawel daar was de kuit, ze was nog warm. Waarschijnlijk lag 't konijntje erg vast, of had zich, bang voor de hond, plat gedrukt. Een koppel hoenders en reeds twee konijntjes, 't ging zoo slecht niet. Platzak waren we reeds niet meer. - We zouden het volgende stuk lage mast ophalen. De jagers posteerden zich, beiden op eenigen afstand van elkaar, tegen een glooiing aan. Maar jawel, een wild gewirrewar van ‘wartoe’, ‘partout’ en ‘pervoet’, ging toeterend door de lucht. 't Was een gewiemel van wit-pluimpjes om je voeten. Lachend en schreeuwend van de pret, dreven we en klopten we verder naar de jagers toe. - Ze brandden er danig op los, 't eene schot na het andere, de hulzen, de leege kardoezen vlogen naar alle kanten om hen rond uit de haanlooze ejecteurgeweren. - Nu en dan moest een tweede schot, 't vangschot gegeven worden. 't Krioelde van haastig wegsluipende witstaartjes. En het keffend aanslaan van Stans, klonk helder en kort door het ruw getoeter en geschater van onze waarschuwingskreten. - ‘Ja, dat is een succes geweest! we trapten er letterlijk boven op!’ - 't Was dan ook een gepaf van belang. Acht slachtoffers waren gesneuveld en in zoo'n klein hoekje! En toch, wanneer men er ook kwam, altijd waren er weer. - Gukel had er een ziek geschoten, 't konijn had het schot van achteren gekregen, was weidewond. Gukel had het nog zien slepen. ‘We zullen Stans eens op het spoor zetten’ zei hij, en met een ‘zoek verloren’ bracht hij de hond, waar het schot gevallen was. - Stans snuffelde en haalde toen nogeens diep de lucht in, die voor haar hing. Langzaam sloop ze verder, voet voor voet, nog een eindje en hop! en een luid scherp gekerm, en geschreeuw ging door de lucht. Nog een gil en stuiptrekkend hing het konijn spartelend in Stans' bek. Stans had het doodgedrukt, hoewel ze overigens tamelijk zacht in den bek is. - ‘Diana is met ons vandaag! Dat is al de tweede die we terug gevonden hebben!’ - ‘Suusst .... wat hoor ik?! de patrijzen kraaien! hoor, ze komen naar hier toe! toe, Christ, je patrijzenkraaier....’ - ‘Hier, meneer, alstublieft’ en tegelijkertijd overhandigde de goeie Christ 't instrumentje om 't roepen der patrijzen na te bootsen. - ‘Stil hoor, we gaan ginds langsom, met goeden wind moeten we er op komen, we mogen geen verwaaiing geven!’ - ‘'t Zijn beslist ouwen, die hun krooi bij elkaar kraaien. Nu stil hoor, niet te veel leven!’ - Langzaam en bedeesd slopen we onder langs den houtkant. Geen bladertje ritselde, geen dor takje kraakte, alleen 't moe gezucht van een ingehouden adem stoort die doffe stilte. - ‘Zeg

[p. 280]

Christ, hou de hond vast, hoor’, waagde Gukel zachtjes te zeggen. - ‘Halt!’ en de patrijzenkraaier kraaide en ja! de patrijzen kraaiden terug. - Nu opgepast. Ze liggen waarschijnlijk in die ruigte van het dorre aardappelloof. - Stans trok en kroop sluipend, de kop laag langs den grond en .... zij stond vast, ja vast als een steenen standbeeld, onbeweeglijk stil. Geen kijker knipoogde, geen oor fladderde en haar pluim stond stijf gekruld, slechts haar bek bewoog. - Eensklaps ontplofte een blij ‘tire haut’ van Christ's mond. ‘Patsch’ en loodrecht viel de voorste naar beneden, 't waren er twee, die op de wieken gegaan waren. - Christ oogde den andere na, waar die zou neerstrijken en haastig zei hij, verrassend blij: ‘Meneer, ginds op den derden meet van die aardappels, is ie op eens schuins naar beneden gestreken. 'k Geloof haast dat ie dood is.’ - ‘Is ie gewiekt?’ vroeg Gukel verbaasd. - ‘'k Geloof 't, meneer, hij liet zijn pooten ook nog hangen. Aangeschoten is ie zeker!’ - ‘Als dat zoo is, dan gaan we er direct op af, we mogen wel goed oppassen, want hij houdt erg goed, òf hij gaat nog loopen. Let dus goed op de hond!’ - Regelrecht trapten we door de aardappels, recht op ons doel af, om geen tijd te verliezen. Stans liep reeds vooruit en teekende al. - ‘Zeg, vriend, ga jij ginds staan, dan is er meer kans van te raken, als ie opvliegt.’ - Allen stonden gereed, afwachtend de komst van den gezwinkten patrijs. Maar niets liet zich zien. Gukel trapte tegen wat ruigte der greppel. Klapperend sprong de patrijs, - want daar zat hij - en.... Patsch! Hij preekte nog, nog een steigering en hij was dood. - 't Was een prachtig gezicht. Hoog tegen den staalblauwen hemel, hier en daar bevlekt door een blank, zacht wolkje, steeg steilrecht steigerend als 'n jong dartel paard, de getroffen patrijs. Nog een laatst worstelen en dood was ze. - Stans stond met open bek, de neus hoog op, te staren en nauwelijks was de patrijs op den grond neergestort, of de hond schoot toe en bracht hem aan bij zijn meester. - ‘'t Is een manneke van het vorige jaar, zie, hij heeft een hoefijzer op zijn borst. Er is hier veel geleg, zie maar eens die roest en ginds, hoe ze daar geguld hebben. Hierin springen ze niet gemakkelijk, ze gaan te gemakkelijk loopen!’ - Voldaan en blij gingen we verder, allen waren we weer stil, slechts het dof getrap op den grond bracht eenige afwisseling. Een geurige wasem kwam zacht onze wangen streelen; we waren op de baan, ruw kwistig bestrooid, neen overladen met dennenaalden. De zon scheen lieflijk door de toppen, en besprenkelde den bodem met glinsterende, heldere, trillende lichtvlakjes. Een zachtblauw waas vulde teeder het bosch. Een vogeltje piepte, de houtduif koerde, de ekster schetterde. - ‘Rebom!’ rolde het plotseling echoënd door 't bosch, nog een luid geschetter en de ekster was niet meer. - ‘Pervoet! een groote haas!’ riep ik eensklaps ontwaakt uit mijn droomerig genot. - ‘Hier achter! Stans achter! Foei haas!’ klonk gebiedend Gukel's stem. - De Lepelman zette zijn sokken diep in den grond en met de lepels gespitst vluchtte hij op groote loopers. - ‘Dat is nog verboden waar! De garde zou je gauw bekeuren! Nog twee weken, dan is de hazenjacht open. Zeg, Christ, weet je of hier nogal haas is?’ - ‘De hazenstand, meneer? Hier en daar een enkele drieling.’ - ‘Wacht ik zal er eerst nog een prop op doen,’ en glad gleed de patroon de loop in; klop, klop! de trekkers trilden even en 't geweer stond safe, 't veertje versprong. - Langzaam stapten we voort over de gladde spelden. Dan verhaastten we onze tred. Het bosch werd somberder, de toppen der masten begonnen ruw dooreen te slaan en angstig vluchtte hier en daar een boschduif of een koekoek, wakkergeschud uit zijn soezig morgendutje in de verkwikkende zon. - Een zware donkerzwarte wolk kwam dreigend boven onze hoofden hangen, om straks uiteen te vallen. - ‘Kom, laten we zorgen, dat we voor de bui thuis zijn,’ riep Gukel bezorgd. - ‘Toe, dit stuk nog afjagen,’ klonk het. - ‘Laat ons dat maar voor een andere keer laten liggen,’ sprak Gukel, hoewel hij het toch, o! zoo graag gedaan had. Maar eensklaps werden we bestookt door een kletterende stortregen, de

[p. 281]

masten zwaaiden draaiend dooreen, de takken kraakten. - Druipnat gingen we voort, steeds maar voort. In de verre verte zagen we reeds flauw ons landhuisje, plots helder beschenen door de weêrgekomen zon. Lieflijk lachte het ons toe. De regen minderde. Nu en dan hoorden wij nog het ritselend neervallen der droppels. - ‘Zouden we weer maar niet teruggaan?’ vroeg vleiend 't jagershart van Gukel. ‘Ja, zouden we....’ Gukel keek op en zijn oog trof onze klam-natte kleeren. - ‘Neen, kom, laten we ons eerst gaan verkleeën, en na de koffie weer op jacht!’

P. van Hasselt, Gymn. 5de klas.

Jacht met regenweer.

Des morgens reeds zeer vroeg waren wij er op uitgegaan, belast en beladen met datgene wat voor een konijnenjacht onontbeerlijk was, maar niet met datgene wat ons tegen weer en wind beschermen moest. - Schoon het dagen lang aan een stuk geregend en gestormd had, waren wij dien morgen van huis gegaan met een prachtig weer. Vroolijk en opgewekt gingen wij op pad, onszelf noch de honden sparende, om den korten tijd dien wij hadden, zoo veel mogelijk te rekken. Het is immers aan een ieder bekend dat na zonsondergang alle jacht gesloten is en daar in December de schemering reeds zeer vroeg invalt, kunt gij onzen haast wel begrijpen. - Aan den boschrand lag een eenzaam café, dat nog al eens voor stroopers als schuil- en bergplaats diende. Trots die slechte reputatie deponeerden wij daar onze fietsen en gingen nu verder te voet. - De zon scheen heerlijk en slechts hier en daar zweefde een wolkje langs den azuur-blauwen hemel. - De Franschman zegt echter: ‘Le ciel moutonné n'est pas de longue durée’, en terecht. - Nauwelijks waren de beide honden het struikgewas in en hadden wij ons op eenigen afstand van elkander geposteerd, of aan den horizon vertoonden zich donkere wolken, onheilspellend zich samenpakkend boven het bosch. Reeds na eenigen tijd voelde ik een dikken droppel op mijn hand. En bleef het daar maar bij! Neen die droppels werden stralen; wiessen steeds aan en eindelijk plaste de regen in breede stroomen neer. En een lichte bries stak op, werd heviger, wakkerde aan tot een storm, en was weldra een orkaan, die woedend losbarstte boven het bosch. - Maar keeren wij terug naar ons jachtverhaal. - De honden slingerden zich in zigzaglijnen door de braamstruiken en onder struikgewas; geen doornen konden hen weerhouden het wild op te sporen en het daardoor aan den jager bloot te geven. Hun instinkt volgend, liepen zij de paadjes der konijnen na en meestal met goed gevolg. - Reeds was ons op verren afstand menig stukje wild voorbij gestormd, maar wegens den grooten afstand konden wij het niet bereiken. - Éindelijk toen de eerste drift teneinde liep, sprongen er vier à vijf tegelijk uit het boschje. Nu knalde schot op schot, laden en schieten was het werk van een oogenblik. Eindelijk trok de kruitdamp op en wij konden 't slagveld overzien, zou een veteraan van Napoleon's tijd zeggen. - Niet minder dan vijf stuks lagen in 't zand te bijten. Dat was buiten alle verwachting en buitengemeen mooi voor de eerste drift. Dat gaf moed en kracht; trots weer en wind trokken wij verder. Maar helaas! IJdele hoop! - Drift na drift leverde ons niets op. De geweerkolven kleefden aan onze natte schouders, elk schot was mis, elk misschot een ontmoediging. - Nu en dan één enkel stuk, maar dat was zoo weinig en denk dan slechts eens aan de omstandigheden, waarin wij nu moesten jagen. - Diep gedoken in onze dunne jassen (ik merkte reeds op, dat wij niet berekend waren op slecht weer), de kraag tot over de ooren, het geweer geklemd in de natte handen, en doorweekte kleeren en schoenen aan 't lijf, stonden wij daar op onzen post geduldig afwachtend wat er komen zou. En 't was soms zoo bedroefd weinig! - De honden waren af, de lange haren plakten hun aan 't lijf, hun reuk liet zeer na, bijgevolg was hun jagen nul. - En toch wij bleven, 't moest. - Flinke jagerszonen deinzen niet terug voor regen en wind, vol vuur beijveren zij zich om beladen met buit naar

[p. 282]

huis terug te keeren. - Dat is het wat ons moed, geduld, volharding gaf in den strijd tegen 't ruwe en woeste weer. - Sprong er eindelijk iets, dan knalden twee schoten, waren die mis, dan volgden er nog twee, maar hadden ook die niet geraakt, dan helaas, ik moet het bekennen, dan ging ons konijntje ver, zéér ver weg, zich niet bekommerende om den deernis-waardigen toestand waarin het ons achterliet. - De tasschen met proviand en ammunitie drukten loodzwaar op onze doorstriemde schouders, alles was dubbel zwaar door den regen. - Eindelijk kwam er een lichtpunt in al die ellende. - Mijn broer maakte een doublett; dat gaf animo, het jagersbloed bruiste op en met vuur gingen wij dwars door alles heen niet achtende op het water, dat vanuit de opzijgeschoven struiken op ons neerviel. - Tot schande der jagers moet ik zeggen, dat deze furie wel eens aanleiding geeft tot het schieten op immense distanties. - De dag ging verder voorbij zonder noemenswaardig voorval. - De zon (voorzoover zij er tenminste was) neigde ten onder en wij aanvaardden den terugtocht. - Wij hadden een dag achter den rug, waarin geduld, volharding en energie een voorname rol hadden gespeeld, en dank dit alles was het, dat wij niet voor den avond huiswaarts gekeerd waren. - Op weg naar 't voornoemde café beleefden wij een avontuurtje. - De honden liepen alsof ze een pak slaag hadden gehad en hun ooren en neus waren met schrammen bedekt, maar op twee pas konden zij een konijntje wel ruiken; ik zeg op twee pas want met zulk een weer laat een konijn, die op 't veld ligt zich liever dood trappen dan op te springen, de voorste een fox van het echte soort bleef pal staan de kop strak vooruit de ooren langs de kop en de rechterpoot omhoog; de tweede een bastaardfox nam dezelfde positie in, maar recht tegenover den eersten. Plotseling (alsof 't was afgesproken) sprongen zij recht op elkander in en scheurden in een oogwenk het arme dier aan stukken. (Men wete dat een fox niet raakt aan een dood maar wel aan een levend konijn). - Dit was niet zonder luide af keurings- en bijvalsuitingen van mijn broer en mij gebeurd en daardoor werd een tweede konijn uit zijn leger opgeschrikt. - Tegelijkertijd legden wij aan en twee schoten knalden, na eenige keeren over zijn kop te zijn gebuiteld lag ons twintigste slachtoffer stuiptrekkend ter aarde en blies weldra den laatsten adem uit. - (Bij het staan der honden hadden wij natuurlijk onze geweren geladen). - 't Weer was er intusschen niet beter op geworden; integendeel het spookte dat het een aard had. Toen wij ons café bereikt hadden namen wij eens een goede hartsterking. - Wij besloten niet lang te toeven en begaven ons weldra weer op pad. Elk had voor zijn rekening een geweer, een tasch (welks inhoud aan proviand en patronen wel geslonken, maar die daarom toch niet leeg was), en wat niet het minst telde, ieder 10 konijnen en dat tegen den wind in, zonder licht, met de regen in je gezicht. Nou de pret is u gegund. - Tot overmaat van ramp sprong mijn band. - Wat nu te doen? Geen gereedschap bij de hand, geen fietsenmaker in de buurt! Geen nood! een flinke jagerszoon vreest niets. - Weg ermee, de caféhouder hier zal mijn fiets wel in bewaring nemen. - Eén fiets is ook voldoende. - Wij moesten dwars over 't open veld. Maar wat een weg! De regen had de reeds ten overvloede gedrenkte wegen beslijkt en bemorst en daar moesten wij doorheen. - Met de Genestet wilde ik uitroepen:

‘O! land van mest en mist, van vuilen kouden regen!

Mijn broer op het zadel, ik achterop en het stuur en de stang begraven in een bengelende massa van koppen, pooten en staarten, waarop wij met trots neer-blikten, reden we voort de hoofden gebogen tegen den sterken wind in. Om de beurt trapten wij een eindje, totdat wij beiden doodmoe waren en besloten maar te loopen. Nu, dan moesten wij zeker twee of drie uur loopen, en kwamen wij te laat thuis, dus maar dwars door alles heen, des te eerder zijn wij er. - Doodmoe en doornat kwamen we thuis, slechts half voldaan over een dag met zoo'n begin en zoo'n einde. - Maar toch verheugd over de betoonde wilskracht en den behaalden buit.

M. Brouwers, H.B.S. 3de klas.



[p. 283]

Voor de Vlaamsche pensjagerstaal kan men nog eenige afwijkende termen vinden in verschillende romans van Cyriel Buysse.

Verder druk ik hier uit het bovengeciteerde boekje van A. Verster van Wulverhorst een lijstje over van de woorden uit het Valkeniersbedrijf, althans omstreeks 1850 te Valkenswaard in Noord-Brabant nog in gebruik.

 
Aanwachten: wanneer men de jachtvogels boven de honden, die het wild opzoeken.
laat vliegen. - Voler d'amont.
Aas: het voer der jachtvogels. - Gekröpf.
Aasbus: een blikken busje met gehakt vleesch gevuld. - Boite au pât.
Aasklauw: de duim of achtervinger van den vogel. - Avillon.
Afhalen: het vel van klein wild en schadelijk gedierte aftrekken. - Streifen. Dépouiller.
Afhuiven: den vogel de kap afnemen. - Abhauben. Déchaperonner.
Azen: de jagtvogels voedsel geven.-Kröpfen. Paître.
Baillet: de boomvalk. - Baumfalke. Hobereau.
Bel: een rond schelletje, dat men den vogel aan den linkerpoot vastmaakt. - Falkenschelle. Grelot.
Bel-ijzer: een ijzeren priem, waarmede men het riempje, waaraan de bel bevestigd is, doorsteekt.
Betten - Beiten: met edele vogelen ter jacht gaan. - Beitzen. La chasse au vol.
Binden: wanneer de jachtvogel het wild vangt en vasthoudt. - Schlagen. Lier.
Blaet  1)  : zie Lanner.
Blaetken: zie Lanneret.
Brauwen: zie breeuwen.
Breeuwen: de vogels de oogleden, door middel van naald en draad, samenhechten. - Blenden. Ciller.
Breil  2)  : een smal riempje, waarmede men den jachtvogel het bovendeel van den rechtervleugel samenbindt, om hem te doen stil zitten. - Bride.
Broek: het onderdeel van het achterlijf der jagtvogels. - Brayer.
Cagie: het vierkant raam of de berrie, waarop de jachtvogels gedragen worden. - Trage. Cage.
Cagiedrager: de valkenierknecht, die de cagie draagt. - Portecage.
Ciseel: de groote slagpennen der jachtvogels. - Penne. Cerceau.
Dekvederen: de twee middelste pennen van den staart der jachtvogels. - Decke. Couvertures.
Draal: een koperen wartel aan het einde der schoenen, waardoor de veter gestoken wordt. - Vervelle.
Edele vogelen: noemde men voorheen alle soorten, die tot de jacht gebruikt werden.
Fristfrast: een duivenvleugel, dienende om den jachtvogel de vederen glad te strijken.
Geertersel: het mannetje eener valkensoort uit Noorwegen. - Tiercelet de gerfaut.
Geervalk: het wijfje dezer soort. - Geierfalke. Gerfaut.
Gewel: pillen of balletjes van werk en katoen, die men den jachtvogel ingeeft om hem te zuiveren. - Gewölle. Curée.
Haggerd: een wildgevangen jachtvogel, die reeds geruid heeft. - Wildfang. Hagard.
Handwerk: de klap- of tuinekster (klawier), die bij het vangen der jachtvogels gebruikt wordt.
Havik: het wijfje van den havik. - Habicht. Autour.
Havikkier: noemde men oudtijds dengene, die de haviken en sperwers africhtte en verzorgde. Zie valkenier.
Haviktersel: het mannetje van den havik. - Tiercelet d'autour.
Hongermalie: eene soort van insnijdingen, die, door slechte voeding, aan de baarden van de pennen der jachtvogels ontstaan. - Hungermaal. Penne affamée.

 1)  Samentrekking van ‘blauwvoet’; men vindt dit en het volgende woord ook in oude plakkaten.
 2)  Verkorting van ‘breidel’.


[p. 284]

Horst: de nesten van alle jachtvogels. - Horst. Aire.
Huif: de kap, die men den jachtvogel opzet. - Haube. Chaperon.
Inkoppelen: zegt men van den valk, die een stuk wild aangrijpt, terwijl het reeds door eenen anderen wordt vastgehouden.
Kap: zie huif.
Klauwen: de vingers der pooten van de jachtvogels. - Finger. Serres.
Klagen: het kermen van het haas en het konijn, wanneer ze aangegrepen worden of zich in angst bevinden. - Klagen.
Kortveter: Een riem, die door de draal wordt gestoken, om den vogel vast te houden. - Kurzfessel. Courtrier.
Krop  1)  : eene hoeveelheid voedsel die men de jachtvogels op eenmaal geeft. - Gorge.
Lange veder: de langste slagpen der jachtvogels. - Lange penne. La longue.
Langveter: een riem, die even als de kortveter gebruikt wordt, doch langer is.- Langfessel. Longe.
Lanner: het wijfje van den lanier. - Blaufuss. Lanier.
Lanneret: het mannetje van dezelfde soort.- Lanneret.
Lentenier: een jonge jachtvogel van het vorig jaar, die nog niet geruid heeft, - Antanaire.
Loer: eene soort van klos, van duivenvleugels voorzien, die opgeworpen wordt om den jachtvogel terug te lokken. - Federspiel. Leurre.
Lokdraad: zie lokken. - Filière.
Lokken: den jachtvogel met de loer, of eene levende duif aan den lokdraad bevestigd, aanlokken. - Reclamer.
Luijer: zie loer.
Mesken: de kleine slagpennen aan den duim der vleugels van de jachtvogels. - Aileron.
Mosket: het mannetje van den sperwer. - Emouchet.
Muit: het vertrek, waarin de jachtvogels, gedurende het ruien, gehouden worden. - Mause. Mue.
Muiten: het ruien of van vederen verwisselen der jachtvogels. - Mausern. Muer.
Muiter: een jachtvogel, die, in den gevangen staat, voor het eerst geruid heeft. - Mué.
Nesteling: een jachtvogel, die jong uit het nest is genomen. - Nestling. Niais.
Ontbreeuwen: de gebreeuwde oogleden der vogels weder losmaken. - Déciller.
Onthuiden: het grof wild van de huid ontdoen. - Zerwirken. Dépouiller.
Ophuiven: den jachtvogel de huif opzetten. - Auf hauben. Chaperonner.
Opschieten: de jachtvogels van de hand omhoog laten vliegen. - Werfen. Jeter.
Opwerpen: zie opschieten.
Passagier: de gewone of slechtvalk. - Wanderfalke. Pelerin.
Pluim met pluim: zie betten.
Reigerpijp: twee door een draad samengehouden stukjes vlierhout, die, bij het africhten der jachtvogels, aan den bek der reigers worden gestoken. - Etui.
Rek: de dwarsstangen, waarop de jachtvogels, in de valkenkamer, vastgebonden zitten. - Perche.
Reushuif: eene huif van zacht leder, zonder top. - Reüshaube. Chaperon de rust.
Rood: een jonge jachtvogel, die nog niet geruid heeft. - Sors.
Schoenen: de lederen riemen, die om de pooten der jachtvogels zijn vastgemaakt, en waaraan de draal is bevestigd. - Geschuhe. Jets.
Schoenpen: een houten pin, waarmede de schoenen, bij het aandoen, worden doorstoken.
Seeg  2)   maken: zie spinnen.
Slaan: zie binden.
Smelleken: de steenvalk. - Steinfalke. Emerillon.
Smeltsel: de uitwerpselen der jachtvogels.- Schmeiss. Emeut.
Sperwer: het wijfje van den sperwer. - Sperber. Epervier.
Spinnen  3)  : het eerste gedeelte van de africhting der roofvogels. - Apprivoiser.
Steekhuif: de huif met het top versierd, zie huif.
 1)  Men zegt: ‘een' halven, heelen krop geven’. ‘Donner une demigorge, une bonne gorge’.
 2)  In Noordbrabant gebruikt men dit woord nog dikwijls voor ‘mak’.
 3)  Van gelijke beteekenis met ‘spenen’.


[p. 285]

Stuk: een kippen- of duiven vleugel, waaraan men den jachtvogellaat trekken. - Tiroir.
Takkeling: een jonge jachtvogel, die uit het nest begint te vliegen. - Astling. Branchîer.
Taleken: zie tersel.
Tersel: het mannetje van alle jachtvogels, met uitzondering van den baillet, het smelleken en den sperwer. - Terz. Tiercelet.
Top: de vederbos op de huif. - Trosch. Cornette.
Treinen: het africhten der jachtvogels. - Abtragen. Affaîter.
Trekken: het trekken der jachtvogels aan het stuk. - Tirer.
Trossen: wanneer de jachtvogel het gevangen wild poogt weg te dragen. - Charrier.
Valkenkamer: het vertrek, waarin de jachtvogels bewaard worden. - Perchoir.
Valkenier: iemand, die de kunst bezit om jachtvogels tot het vluchtbedrijf af te richten en te verzorgen. - Falkenier. Fauconnier.
Valkenierstasch: een groen lakensche tasch, die met een' riem om het lijf wordt gegespt, waarin de valkenier het ter jacht benoodigde bergt. - Falkeniertasche. Fauconnière.
Valkenzak: een linnen lap, van een gat voorzien om den kop door te steken, waarin men den wild gevangen jachtvogel wikkelt.
Vangklauw: de middelvinger der jachtvogels. - Avillon.
Veer met veer: zie betten.
Vliegen: zie betten.
Vliegdraad: een lange draad, waaraan men jachtvogels vasthoudt, zoo lang ze niet volkomen zijn afgericht. - Créance.
Vluchtbedrijf: zie betten.

 

Nog thans beleven de meeste dezer roemruchte woorden in het kleine valkenierskringetje van Valkenswaard een schamelen ouden dag. Zoo is, waar eenmaal bosch en heide heinde en verre van schaterden, nu verstorven tot wat gesuizel op een vergeten plekje tusschen Peel en Kempen. De taalgeschiedenis volgt en weerkaatst de cultuurgeschiedenis der menschheid. Wij laten geen valken meer voor ons de lucht ingaan, maar bestijgen thans zelf onze monoplaan. Hetzelfde sterfpad echter, dat de valkenierstaal reeds bijna ten einde heeft geloopen, gaan van lieverlede haast al de oudere groeptalen op. Er is weinig dat blijft in het menschenleven. En zoo hebben ook de meeste groeptalen slechts een betrekkelijk kortstondig bestaan. En we kunnen wel in het algemeen zeggen: hoe dieper een zorg, beslommering, uitspanning of bezigheid het algemeen-menschelijke in onze zielen aangrijpt, des te langer zal ceteris paribus ook de groeptaal leven, die erin wortelt. Maar niet alleen van innerlijke levenskracht hangt het lot eener groeptaal af; ook van de concurrentie der volken en geestesstroomingen, ook van ontdekkingen en uitvindingen. En enkele woorden uit zoo'n groeptaal kunnen zelfs voortleven door een begunstiging van een dichter of invloedrijk voorman. Zoo is ‘blauwvoet’ in Vlaanderen weer een schaterende leuze geworden. Inderdaad, de taal volgt de grillige geschiedenis van den menschelijken geest. Dat zagen wij aan de voorafgaande hoofdstukken in wisselende episoden. Laten wij nu onzen blik eens gaan vestigen op het geheele complex der menschelijke samenleving; wij zullen daar hetzelfde wedervinden.