[p. 291]

Zevende hoofdstuk. De lagere vaktalen.

De lagere vaktalen zijn thans veel talrijker dan de vroegere ambachtsen gildetalen, maar zij zijn er dan ook veel armer op geworden. Vroeger omvatte een ambacht veel meer dan nu. Alle moeilijke onderdeelen komen tegenwoordig van de fabriek, vele bewerkingen geschieden heel en al kunstmatig, en bovendien wordt in vele werkplaatsen elke ploeg werklieden: slechts tot het vervaardigen van één bepaalde soort dingen, of dikwijls zelfs tot ééne enkele verrichting gebruikt. Bij den nadeeligen invloed hiervan op het arbeidersgeluk zullen wij naderhand nog moeten stilstaan, maar hier hebben wij vooral te letten op de verarming van het bewustzijn, die het gevolg is van de tot het uiterste gedreven vakken-splitsing en de gebrekkige opleiding in het vak  1)  . Vroeger gold bij wet of keur de regel: dat de aanstaande gezel van drie tot zeven jaar bij een meester het ambacht leerde. De leerling was bij den meester in huis en werkte met hem mee. Al doende leerde hij van lieverlede de geheimen van het ambacht. Aan het einde van z'n leertijd gekomen moest de jonge man niet alleen het getuigschrift overleggen: van zooveel jaren trouwen en eerlijken dienst, maar bovendien een proefstuk leveren, waaruit bleek dat hij het zóóver in z'n vak gebracht had, dat hij als loontrekkend gezel nu bij andere meesters in dienst kon gaan. Na jaren kon hij dan, zoo hij wilde, de meesterproef afleggen, en pas daarna mocht hij zich vestigen als baas. Men zie daarover b.v. A. van de Velde: De ambachten der Timmerlieden en der Schrijnwerkers te Brugge, hunne wetten, hun geschillen en hun gewrochten van de 14de tot de 19de eeuw, Gent 1909.

De groot-industrie, in het Engeland der 18de eeuw opgekomen, vond in dit systeem een hinderpaal voor hare ontwikkeling, en kreeg aan den optimistischen Adam Smith een machtigen bondgenoot: in haar strijd tegen de ‘tyrannieke en slaafsche’ voorschriften in zake het leerlingenwezen. ‘Het erfdeel van den arme, zoo orakelde deze oppervlakkige gezaghebber, ligt in de kracht en de vaardigheid zijner handen; en hem te beletten deze kracht en vaardigheid te gebruiken, op de wijze die hem goeddunkt, zonder schade voor zijnen naaste, is kortweg schending van dit heilig bezit. Het is eenvoudig een aanslag op de rechtmatige vrijheid van werkman en patroon. Het oordeel of de eerste geschikt is voor zijn werk, mag veilig aan het beleid van den laatste worden overgelaten.’ Jawel, vrijheid! En meteen zegt Ganguin, hebben de leerlingen allen steun bij hunne vakopleiding verloren. De industrieele patroons voelen geen belangstelling voor den leerjongen, die niet meer, zooals vroeger, lid der

 1)  De feiten hieromtrent, en ook menige beschouwing waartoe de verschillende vaktalen aanleiding zullen geven, heb ik met kleine wijzigingen kunnen ontleenen aan het degelijk werk van Th. van der Waerden: Geschooldheid en Techniek. Onderzoek naar den invloed van arbeids-splitsing en machinerie op de mate van vereischte oefening en bekwaamheid der arbeiders. Delftsche dissertatie 1911. Zijn term ‘getraind’ beteekent: minder dan l jaar geoefend.


[p. 292]

familie is, maar een vreemde, die op de werkplaats overdag een onderkomen vindt, en er alvast niets dan wat karig geld verdient; want dàt waant elke jonge mensch thans het éénig noodige om zijn weg door het leven te vinden. De groot-industrie vormt geen in hun beroep geschoolde vakarbeiders meer, maar slorpt de voorhanden krachten reeds op kinderlijken leeftijd op. Het leeren raakt op den achter-, de exploitatie der jeugdige arbeidskracht komt op den voorgrond. Die kinderen worden afgericht in de uniformiteit van een allereenvoudigste handeling, en even werktuigelijk als de hen omringende machines, zoo wordt ook hun gezichtskring, vormt zich hun levenslot. Aan die verarming van het zieleleven beantwoordt nu ook de verarming der arbeiderstaal. Terwijl vroeger elke werkman in zijn eigen ambacht zóóveel ziels-inhoud rijk werd: aan kunnen, weten en willen; en dus zóóveel verschillende kleurige gemoedsbewegingen beleefde, dat hij in het dagelijksch leven voor diezelfde ervaringen en gevoelens, bijna altijd uitdrukkingen en woorden gebruikte aan zijn ambacht ontleend - wij zullen hier in het volgende deel tallooze voorbeelden van bijbrengen - is dat tegenwoordig een uitzondering geworden. De meeste moderne vaktalen, inzoover ze tot nu toe bestudeerd zijn, bepalen zich tot een betrekkelijk kleine reeks specifieke werkwoorden en dingnamen. Typische uitdrukkingen en kleurige zegwijzen zoeken wij er tevergeefs. Wij moeten hierin echter weer niet overdrijven. Want een gedeelte dezer leemte is zeker aan onze gebrekkige kennis te wijten. In de oudere vaktalen liggen nog thans, vooral in kleinere steden en dorpen de taalschatten in rijke verscheidenheid te grabbel. En daarom zou iemand heel en al bedrogen uitkomen, indien hij meende, dat de ambachtstalen voor den taalbeoefenaar, buiten wat woordjeskennis, niets belangrijks meer hadden. Ten eerste toch gaan die vaktermen gewoonlijk veel verder, dan men aanvankelijk zou meenen, d.w.z. de verschillende ambachten hebben reeksen van woorden die ook óns in onze leeketaal zeer goed te pas zouden komen, als wij ze maar kenden; en ze hebben ten tweede onder hun vaktermen vele schilderachtige uitdrukkingen en teekenende samenstellingen of afleidingen, die elken kunstgevoelige een huivering van geluk om aangevoelde levenswijsheid of frisschen humor door de slapen jagen; en ten derde spiegelt zich in die overdrachten, in die nieuwe woordvormingen, dikwijls zoo mooi de typische ambachtspsyche weer.

Jammer genoeg is er tot nog toe voor de psychologie der ambachten nog zoo goed als niets gedaan. En met de ambachtstalen is het al weinig beter gesteld. Toch meenden wij ons niet met de verontschuldiging van ‘geen Vorarbeiten’ aan dit gedeelte onzer taak te mogen onttrekken. Wat er aan voorwerk was, hebben wij zorgvuldig geëxcerpeerd en bewerkt, hier en daar ook zelfstandig verrijkt; en zoo hopen wij althans voor eenige ambachten, in groote lijnen niet slechts een beeld van hun taal te kunnen ontwerpen, maar

[p. 293]

ook zelfs het een of ander verschijnsel uit hun sociologische of psychologische eigenaardigheden te kunnen verklaren. Wie tegenwoordig een vaktaal gaat onderzoeken, denkt dus ten onrechte aanstonds aan het maken van een woordenboek. En de Koninklijke Vlaamsche Academie heeft met hare prijsvragen er geducht toe meegewerkt, om deze eenzijdigheid te bevorderen. Vooral in Vlaanderen toch: bloeien op het platteland nog verschillende ambachten in vollen rijkdom van allerlei gebeurlijkheden en gevoelens. En in plaats nu van levende uitdrukkingen en zegwijzen te verzamelen, zoekt men slechts doode termen. Zoo is het dan ook mogelijk, dat één en dezelfde persoon soms drie of vier woordenboeken maakt, van de meest uiteenloopende vakken, die hij onmogelijk alle zelf in den grond kennen kan. Neen, wie een vaktaal wil bestudeeren, moet op de eerste plaats in het milieu van dat vak zijn opgegroeid. Bijna zijn heelen schat van gevoelens en gedachten moet hij in dien kring of door dat vak hebben opgedaan. Zóó iemand moet dan zijn eigen kringtaal vergelijken met de algemeene of dialectische taal zijner omgeving, en dan alle verschilpunten noteeren. Daarbij zal dan blijken, dat hij allerlei bijzonderheden in de vormleer en den zinbouw heeft op te teekenen, maar vooral van de constructies, de zegwijzen, versteende uitdrukkingen en spreekwoorden, moppen en raadsels, liederen en sagen: een merkwaardige verzameling bijeenkrijgt, die, al staat ze bij den rijkdom van vroeger eeuwen ten achter, toch nog iets anders verdient, dan uit achteloosheid te worden doodgezwegen.

1o. De diamantslijperstaal 103/30

A. Het Jonge Leven (leerlingen diamantvak). Fransche laan 9, Amsterdam 5/30.

C. De Katholieke Diamantbewerker. Albert Cuypstraat 58, Amsterdam 12/30. - De Belgische Diamantbewerker. Kerkstraat 34, Boom 3/14.

D. Weekblad v.d. Alg. Nederl. Diamantbewerkersbond. Fransche laan 9, Amsterdam 20/7. - Dr. F. Leviticus: Geïllustreerde Encyclopaedie der Diamantnijverheid, met medewerking van Henri Polak, Haarlem 1908. L. Vervoort: De Diamantbewerking, Antwerpen 1912, waarop bijna heel ons betoog berust.

 

Het is bekend, dat de diamantbewerking in West-Vlaanderen tijdens de Middeleeuwen opkwam; en men knoopt de uitvinding zelfs vast aan een zekeren Lodewijk van Berken uit Brugge. In de 16de eeuw had Antwerpen een bloeiende diamantnijverheid. Na de inneming van 1585 werden Joden en Protestanten uit de stad verdreven. En nu verplaatste zich deze industrie naar Amsterdam. Later echter kwam in Antwerpen opnieuw een levendige diamantnijverheid tot bloei. Van Antwerpen uit heeft zich, vooral in de laatste jaren tengevolge van den loonstrijd, de diamantindustrie over allerlei dorpen van Zuid-Nederland uitgespreid, en zoo gaan dan, in de periodiek-terugkeerende slappe tijden nogaleens Amsterdamsche werklieden naar Antwerpen slijpen, en komen, hoewel minder, toch ook Antwerpenaars naar Amsterdam. Zoodoende zijn er thans eigenlijk twee dialecten in de diamant-bewerkerstaal:

[p. 294]

een Zuid-Nederlandsch en een Noord-Nederlandsch. Voor al onze volgende lijsten namen wij het Noord-Nederlandsch dialect tot grondslag. Het vooropstaande vette woord behoort altijd daartoe. Wanneer de Zuid-Nederlanders hetzelfde woord gebruiken, drukken wij een kruisje ervoor. Hebben zij een ander woord, dan volgt dit, eveneens vet gedrukt, tusschen haakjes, na het Hollandsche. Behalve op het boekje van Vervoort, steunen mijne Zuid-Nederlandsche opgaven vooral op mededeelingen, mij allerwelwillendst verstrekt door Edmond Wouters, Voorzitter der Afdeeling van den Diamant-werkersbond te Niel bij Boom. Merkwaardig is het nu, dat wij in de Amsterdamsche diamantslijperstaal een heel reeksje echte oude Vlaamsche woorden vinden, die voor een deel althans juist bij de Vlamingen zelf zijn verloren gegaan.

 
VLAAMSCHE WOORDEN BIJ DE AMSTERDAMMERS IN GEBRUIK.
Aanvijzen (inslagen): aanschroeven.
Afdracht (bijdrage): contributie.
†Afzoeten: polijsten; het wegwerken van krassen en oneffenheden.
Bizeel, Bazeel (bzeel): de hoofdruiten aan de tafelzijde van een brillant.
Bruut (brut): ruw, onbewerkt. Ook zelfstandig gebruikt: onbewerkt goed.
†Daghuur: vast geld.
†Doorslag: drevel.
Draad (was): was, nl. de richting, waarin de diamant gegroeid, gewassen is.
†Drijpikkeltje: drievoet.
†Gang: kring, een gedeelte der schijf, waarop de steenen gezet worden en waarin zij blijven loopen, totdat dit gedeelte niet meer bruikbaar is en men een volgenden kring moet nemen.
†Gast: knecht.
†Glets: gles, een barst in een steentje.
†Green: grein, witte of zwarte stippen in den steen.
†Klieven: klooven.
†Kliever: kloover.
Kompas (malleke of mal): maatje, een passer dien men gebruikt om te zien of de steen in alle opzichten aan de eischen voldoet, zoodat ieder ruitje zijn maat heeft.
Looien, looier: luieren, luie werkman (Westvlaamsch van St. Eloy vieren).
Ordinaal: glazen flesch met water gevuld, waardoor het licht beter op de hand valt.
†Pin: staart, achterdeel van de slijperstang.
†Pin: steunpen, stalen stift, die zich op de kloovers- en snijders-bank bevindt en waartegen de stokken gesteund worden.
Polissen: (polijsten).
†Pree: arbeidsloon, ontstaan uit fr. prix, lat. pretium of premie?
Pronksteen (fantasiesteen): fancy-model, ieder model, dat afwijkt van 't gewone brillant-, kap- of roosmodel.
†Rat: onderkruiper. Uit 't Engelsch overgenomen.
Rondeeren: (rondisten).
Scherpe stek (het scherp): meesnijder, stok van kloover en snijder, die den steen bevat, waarmede gewerkt wordt.
Soldeersel, solduur, (sduur).
†Stek: stok.
†Stiel: vak.
Tetten, (stekken): snijdersstokken van vla. fra. tette, speen van een uier, borsttepel. De stokken worden namelijk dikwijls in den mond genomen.
Uittrekkend: uitstekend.
†Vijs: schroef.
Zeemvel: (zeemlap).
†Zift: zeef om diamant uit het vuil te ziften.

Gelijk wij boven zagen, werden de arme Joden in de 17de eeuw bijna in geen enkel bedrijf geduld: behalve die met hun geloof in innig verband stonden als de slagerij en de bakkerij. De andere ambachten die een gilde vormden, stonden niet voor hen open. Er bleef dus alleen over: de Hebreeuwsche

[p. 295]

boekdrukkerij, de tabaksspinnerij, -snijderij en -kerverij, en de diamantindustrie, in welke beide vakken nog thans de meerderheid der arbeiders Joden zijn. Bovendien waren de uit Antwerpen verjaagde firmanten, ook voor een gedeelte althans, Marranen en Portugeesche Joden geweest, en nu nog zijn de grootste diamantslijperijen in Joodsche handen. Geen wonder dus, dat wij in deze vaktaal een reeks Hebreeuwsche en Jodenduitsche woorden aantreffen; ja, dat er zelfs tot op den huidigen dag, nu er ook Protestantsche en Katholieke diamantslijpers zijn, een klein reeksje Amsterdamsche termenparen bestaan, waarvan de eene vast door de Israëlieten, de andere door de Christenen gebruikt worden.

 
JOODSCHE WOORDEN.
Abaus (jdd.): af uit, afloopend uit de tang d.w.z. wanneer het rondist (grens tusschen boven- en onderzijde van een brillant) links naar buiten is gericht. Abaus wordt door de Christen-werklieden verbasterd tot abuis.
Abin (jdd.): af in, afloopend in de tang d.w.z. wanneer het rondist links naar binnen is gericht.
Broochewerk (goed werk): werk, waaraan zij goed geld verdienen. hebr. berachá, hgd. beroocho, jdd. brooche. Uitgesproken als een gewoon Nederlandsch woord.
Kapore (over zijnen was of over de hand): stuk, of niet volgens de was gespleten. hebr. kaporá, jdd. kaporo: zoenoffer. Het zoenoffer werd gedood. Deze omstandigheid en overeenkomst van het woord met kapot, heeft aan kapore in 't Jodenduitsch de beteekenis van stuk (kapoeres) gegeven.
Kwar (voorschot), kwar nemen: op voorschot nemen. hebr. kebar, jdd. kewar: van tevoren.
Mesjiach (proef, probasie, op proef nemen), op den mesjiach werken: eerst het goed onder handen nemen, dat het gemakkelijkst te bewerken is. hebr. masjiach. jdd. mosjiach: gezalfde, later verlosser (messias). Wie nu de mooiste steentjes het eerst in bewerking neemt, werkt op den den messias, d.w.z. rekent erop dat de messias elk oogenblik komen kan, dan moet hij immers onmiddellijk mee naar het Beloofde Land, en heeft hij dus niet tevergeefs gezwoegd aan de moeilijker steentjes.
Pegieme(tje) (kliefmes): schaard in 't klooversmes. Pegieme (hebr. pegimo) beteekent schaard. Het wordt gebruikt door den beestensnijder, die het vee volgens de Joodsch-ritueele voorschriften slacht en wiens mes vlijmend scherp, zonder schaarden moet zijn.
Pots (boord, vuil goed): slecht goed, van weinig waarde, jdd. Putz, voor vuil uit den neus. Vgl. die Nase putzen.
Raspel (vijl): 't hgd. bekende woord door de Duitsche Joden overgebracht: vijl (zie aldaar).
Rekwelje (verouderd) (schoon modelleke): diamant die reeds van nature een goeden vorm heeft, waarschijnlijk van 't fra. recueille; vergl. den Joodschen familienaam Boutelje uit bouteille.
Rijver (poeierpot, vrijver): Een metalen bakje met dikke wanden, waarin het poeder met olie aangemengd wordt door middel van een nauwsluitenden ijzeren kegel. jdd. Reiber.
Sappelen (knoeien, knoeiwerk): moeilijk werk verrichten. hgd. zappeln: spartelen.
Sjangenaaien (uilevangen): stelen, oneerlijk doen. Het woord is waarschijnlijk gevormd uit de namen van 2 Hebreeuwsche letters (s: sammech en ng: ngaïn). Elk dezer letters is dan het begin van een woord, waardoor het begrip oneerlijke handelwijze wordt uitgedrukt. Vgl. 100 op blz. 140.
†Sjiffertje: jdd. voor schilfertje.
Sjofel (rabru): slecht (werk). hebr. sjafél, Jodend. sjofeil, wat beteekent: laag, gemeen.



[p. 296]


Christen. Joodsch.
Abuis. Abaus.
Eg. Hoek (?)
In den boer gaan, boeren. Kwar nemen.
Een moeilijk steentje. Kanoentje.
†Korte Zaterdag.  
Neutjeskolen. Zeer slechte chipssoorten.
†Stek. Stok.
Een blinde. Een meemaker.
Een plakje afsnijden. Een dag looien.

 

De ruwe-diamantmarkt is Londen. De Zuid-Afrikaansche mijnen zijn in Engelsche handen. Vandaar dat de benamingen voor den ruwhandel en de klooverstermen meestal Engelsche leenwoorden zijn. Ziehier een lijstje.

 
ENGELSCHE LEENWOORDEN IN DE DIAMANTSLIJPERSTAAL.
†Block: opslijpgoed of kloofsel, waaraan meest een of twee gegroeide hoeken.
†Cape: ruw uit De Beers-mijnen.
†Cape ruby: soort granaat, die bij 't diamant in de blauwe aarde gevonden wordt.
†Cape white: witte kleur, minder goed dan wit en het zoogenaamde blauwwit.
†Carrier: hartvormig voorwerp der draaibank, dat dient tot bevestiging der plaatjes phosphorbrons, welke tot zaagschijf gedraaid worden.
†Chips: slechte, moeilijk te bewerken diamantsoort.
Claim: recht op een zeker gedeelte grond, waar diamant gevonden wordt.
†Cloosed goods: zuivere regelmatige steenen. De ‘cloosed goods’ zijn:
†a) De eigenlijke ‘cloosed goods’: zuivere regelmatige steenen.
†b) Fine piqué: bijna zuivere regelmatige steenen.
†c) Spotted stones: steenen met meer of minder zwarte vlekken.
d) Crystals: doorgaans zuivere witte steenen van regelmatigen vorm.
De andere goederen worden verdeeld in:
Coated stones: steenen met een dof en ondoorschijnend omhulsel.
Irregulars (Riggelaars): zuivere en onzuivere onregelmatige steenen.
†Blocks: steenen waaraan meest één of twee gegroeide hoeken.
†Fine cleavage: gebroken steenen van goede kwaliteit.
†Brown cleavage: gebroken steenen van bruine kleur.
†Flats: platte steenen.
†Maccles: dikke naadsteenen.
Maccles-naats: steenen met een bijzonderen vorm voortkomende uit de vereeniging van twee of meer steenen die zich na vorming van hun afzonderlijke kern aaneengevoegd hebben. Op het punt waar zij aaneengesmolten zijn vormen zij een kruispunt: naat of naad.
†Naats: dunnere naadsteenen.
†Rejections: ordinaire kwaliteit.
†Rubbish: slecht goed.
†Boart (boort): boort ter bewerking van diamant. Nu gaat men opnieuw elke soort behalve rubbish en boart opnieuw onderverdeelen volgens de kleurschakeering in: † Fine blue white, †blue white, †fine white, †white, †silver cape, †fine cape, †(second) cape, †fine bywater, †second bywater, † off colour, † light yellow, †yellow, uitsluitend ronde goederen.
†Fine lightbrown, †light brown, †brown, † dark brown, † darkest brown, † grey, ronde en brokkantige goederen.
†Dark: in the dark koopen, ruw diamant koopen zonder de goederen gezien te hebben.
Digger's lot: zie blz. 299.
Fancy (kleur) (fantasie kleur): iedere kleur, die afwijkt van de gewone, behalve lichtgeel.
†Fine bywater: lichtste bijwaterkleur.
†Fretment: zie splint.
Glassy (kristaal): naam voor regelmatige steenen.
†Lot: een onbepaalde hoeveelheid diamant in één partijbrief bijeengevoegd.
†Macle: naadsteen. Wordt ook maacle,

[p. 297]

maccle geschreven, fr. macle, lat. macula.
†Rat: †onderkruiper.
†River: soort Zuid-Afrikaansch diamant, dat uit de rivieren door wassching wordt verkregen.
†Shipment: een hoeveelheid aangevoerde ruwe diamant, die door de ruwhouders in series wordt verdeeld.
†Splint: uitschot van carbon of afgewerkt stukje carbon. Ook wel fretment van to fret: verbruiken. Zie aldaar.

 

De te Amsterdam geslepen-diamant echter vindt op het oogenblik den meesten aftrek bij de Amerikaansche millionnairs en milliardairs. Vroeger echter was Parijs de groote wereldmarkt. Vandaar dat de technische resultaten van slijper en zetter veelal aan 't Fransch ontleend zijn. Dat ook eenige Fransche termen voor den ruwen diamant in gebruik zijn, is aan de ruwe Braziliaansche diamanten te wijten, die tegenwoordig meest te Parijs aan de markt komen.

 
FRANSCHE LEENWOORDEN IN DE DIAMANTSLIJPERSTAAL.
Abselveeren (observeeren): observeeren, fra. observer.
†Ajusteeren: pas snijden, fra. ajuster.
Bokaal: fra. bocal.
†Brillant: steen, die den vorm heeft van twee met de grondvlakken tegen elkander komende afgeknotte pyramiden, waarvan de bovenste meer afgeknot is dan de onderste. Op deze wijze komen de optische eigenschappen van de diamant 't best tot haar recht.
Brillanteeren, (brillandeeren): naakt brillanteeren: het aanbrengen van de halven en de starren, nadat de steen in achtkant is gebracht; vol brillanteeren: al het slijpwerk, nadat de steen in kruis gebracht is.
†Briolet: peervormige dikke steen.
†Brokkantig: fra. broccant.
†Bruut: ruw, fra. brute.
Châton: (achtkantje) fra. châton.
Chevreus (chevrees): verbastering voor givreus; zie aldaar.
Chevri(e)n: ontstaan uit 't Fransche chanfrein: de band, dien de snijder om een was of om den tafelkant van een door het rondist gezaagde vierpunt legt.
Duivekater (Engelsche citroentjes): zie in de lijst der merkwaardige Nederlandsche woorden.
Doublet: fr. doublet, twee steenen van verschillende waarde, zoo geplaatst, dat de kostbaarste steen gezien wordt.
†Facet: ruitje, facet.
Fijnig (een flake of een weinig): zie veinig.
Filet: stuk metaal, waarin gezet wordt, wat niet afgesneden is.
†Forceeren: het tot enden verwerken van brokjes, waaruit geen kapjes meer geslagen kunnen worden en die ook nog geen enden zijn.
†Galerij: sierwerk aan 't metalen omhulsel, waarin de steen gezet wordt.
†Givreus: glessig, fr. givreux.
†Grein: fr. grain.
†Kanjer: groote steen, fr. cagnard: luilak, leeglooper. Hieruit zou zich de beteekenis van: een heer, een Piet, een groote Hans ontwikkeld hebben.
†Kantien: fr. cantine.
†Karaat: fr. carat.
†Kollet: fr. collet.
†Laks: fr. lakse, lat. laxus.
†Markies: fr. marquise.
Mélange: partij kapjes of geslepen, bestaande uit steenen van verschillende grootte.
Mêlé (sorteering): groep sorteeringen, liggend tusschen grof en klein.
Mille grains: eigenaardige wijze van zetten, waarbij de tusschentanden wegvallen en het getal greintjes zoo groot is, dat men ze niet meer tellen kan.
Navet: fr. navet(te).
†Nijf: fr. naïf.
†Obselveeren: abselveeren, observeeren, fr. observer.


[p. 298]

Pavé: fr. pavé.
†Paviljoen: fr. pavillon.
†Pendeloque: fr. pendeloque.
Rekwelje, Requelje: van het Fransche recueille (verouderd).
(Rondelle): plat schijfje diamant met een gaatje erin.
†Rondist: fr. rondiste.
†Troqueeren: het ruilen van goederen tegen goederen.
Veinig: nadig. Afgeleid van fr. veine: ader.

 

Ten slotte geef ik een groote lijst vakwoorden, waarin eenige der bovengenoemde opnieuw, en nu met de noodige verklaring zijn opgenomen.

 
MERKWAARDIGE NEDERLANDSCHE WOORDEN BIJ DE DIAMANTSLIJPERS IN GEBRUIK.
Aandrukker (koperen aandrukker): instrument om den steen in 't werk vast te drukken en recht te zetten.
Aansteker, scherpe aansteker: steker om het metaal tegen den steen te werken.
†Achterstuk: gedeelte van den klooversbak, dat de laadjes bevat en dat na het werk in de brandkast gezet wordt.
†Achtkant, in achtkant: vorm van steen, waarbij hij in 't geheel 8 vlakken heeft op tafel- en kolletzijde.
†Achtkantje(8/8): ongebrillanteerde brillant.
Admittent (knoeier): iemand die vroeger in 't vak was, maar het tengevolge van malaise heeft verlaten, en in betere tijden weer terugkomt.
†Af, de schijf is af: kan niet meer gebruikt worden.
†Afgedekt: wanneer het metaal, waarin gezet is, zooveel mogelijk verwijderd is, opdat de steen voordeelig uitkome.
Afgejast (afgebot): wordt gezegd van een botje, dat zeer veel gebruikt of verbruikt is.
Afgejast (afgeknoeid): werk, dat niet met de noodige zorg en haastig gemaakt is.
†Afgesneden: zie afgedekt.
†Afgestooten: zie afgedekt.
Afgooien, de riemen afgooien: ophouden met werken.
†Afhouden: Houd het me Vrijdag af: (Vrijdag was de oude betaaldag) thans gebruikelijk als antwoord op een verwijt dat de werkman tamelijk luchtig opneemt.
(Afkooken): der steenen in verdund zwavelzuur of salpeterzuur.
Afloopend: in (uit) de tang, zie abaus(abin), lijst der Joden-woorden.
Af zijn: klaar zijn met het werk.
Baaltje: steen in kubusvorm, waaroverheen ribben loopen zoodat de steen eruit ziet als een gepakt baaltje.
†Bak, in den bak: gedeelte van den cementdop, dat naar den bak toegekeerd is. Uit den bak: gedeelte dat van den bak af gekeerd is.
†Balanceeren, in balans maken: de schijf in evenwicht brengen, zoo deze wegens ongelijke dikte niet regelmatig loopt.
†Bek: 't voorste gedeelte der slijperstang, waarin de dop wordtvastgezeten dat tevens tot handvat dient.
†Bezaaid: de schijf is bezaaid, heeft veel zgn. poriën om het poeder op te nemen.
†Bijwater: schakeering van lichtgele kleur in den steen.
†Blaas: ledige holte in een steen.
Blijandeeren: verbastering voor brillanteeren.
Blompot (uilevanger) blompotten: oneerlijke handelwijze van een werkman, oneerlijk doen.
Bluspot (koelpot): dienende om de doppen af te koelen wanneer ze warm geloopen zijn op de schijf, om het inzakken van den steen te vermijden.
Boer, in den boer gaan: op voorschot nemen (van 't loon), gebruikt door Christelijke werklieden.
Boeren: zie boer.
Boerenkoolslijper (knoeier): benaming voor iemand, die oorspronkelijk niet voor het vak bestemd, het op gevorderden leeftijd heeft aangeleerd. Zoo werden eerst genoemd de zonen van A'damsche groenteboeren, die diamantslijper werden.
†Bokaal: ordinaal. Zoo genoemd door de zetters.
†Bolletje: een heel klein rond steentje, dat tot endje wordt geslagen.


[p. 299]

†Bolsteker: werktuig om 't metaal in de hoogte te werken.
†Boord: zeer onzuiver diamant, stukjes die fijngestampt worden en dienen tot bewerking van diamant.
†Boort: zeer onzuiver diamant, stukjes die fijngestampt worden en dienen tot bewerking van diamant.
Boortsjofel: zeer slechte kwaliteit ruw.
†Botergaaf: zeer gaaf, zeer gemakkelijk te slijpen.
†Botje: stuk diamant in den meesnijder om de kerf te maken.
Bot loopen: 't afstompen van een halfje, dat slecht geslepen geen zuiver langwerpigen driehoek vormt.
†Brokkantig: onregelmatig gevormd goed.
†Buik1: 't dikste deel van de kloovers- en snijdersstokken.
Buik2: 't dikke gedeelte van brioletten en pendeloques.
Buks (snijstek): palmhout, waaruit de blanke kloovers- en snijdersstokken zijn gemaakt.
†Chips: slechte, onregelmatig gekristalliseerde en moeilijk te bewerken diamantsoort.
Collet: zie kollet.
Dicht (gesloten): 't tegengestelde van à jour.
†Dicht hebben: wanneer een koopman op een partij een bod gedaan heeft, dan verzegelt hij die partij, en de makelaar brengt het bod over aan den verkooper. De makelaar ‘heeft dan dicht’.
Digger's lot: een partijtje ruw, zooals het in het begin van den Kaaptijd door de delvers zelf in den handel gebracht werd.
†Dik: hetgeen van onder of van boven of aan beide kanten niet in de juiste verhouding ligt, te weinig geslepen is om de noodige straalbreking te verkrijgen.
Doekje, doekruitje, half doekje: snijdersterm tot aanduiding van een smal driehoekig ruitje tusschen twee breede hoeken aan een heel steentje.
Doen: handel drijven. ‘Hij doet veel in roosjes.’
Donker (op riskasie): in het donker, ruw diamant koopen tegen syndicaats-prijzen zonder het gezien te hebben.
†Dood: wordt gezegd, wanneer een steentje door de vele glessen en greinen volstrekt geen schittering heeft.
†Door de vlam: de eigenschap dat de hoeken van onderen gelijk moeten loopen met de tafel. De hoeken van onderen en van boven moeten juist onder elkander liggen, terwijl men door de tafel het kollet in 't midden moet zien: hierdoor krijgt de steen de grootste schittering.
Doormarsch, den - nemen: een geheele week niet werken, als er gewerkt wordt.
†Doorslag: minst-waardige soort afval bij het klooven.
Door zijn breedst, dikst, langst: wijzen, hoe de steen genomen moet worden.
†Dop: een koperen bakje, gevuld met soldeer, waarin de steen vóór 't slijpen wordt vastgemaakt: brillanteer-, hoeken-, kruis-, hooge, platte of vlakke, mechanische dop.
†Draad: richting waarin de steen gegroeid is.
†Draaien: in werking zijn der slijperij. De fabriek draait Zondag niet.
†Dropzuiver: zeer zuiver, zoo zuiver als een droppel water.
Drukkertje: een zeer gering krabbetje, dat de snijder maakt op een klein uitstekend puntje.
Duim: aan den duim, in de richting van den duim.
†Duivekater: eigenaardige vorm van kristallisatie, die aan de eene zijde het voorkomen van een tweepunt, aan de andere dat van een vierpunt heeft. Afgeleid van 't fr. deux et quatre (deze kristalvorm kwam toch vooral bij te Parijs aangevoerden Braziliaanschen diamant voor), maar onder contamineerenden invloed van 't reeds in 1450 voorkomende duivekater (feestbroodje) vervormd.
†Een blinde: ruitje aan de kruin van een roosje, dat sjofel is en daarom met 't verstelletje wordt meegemaakt.
Erop hebben zitten (op scheut gaan): b.v. Hij heeft er 6 maanden op zitten: hij heeft 6 maanden niet gewerkt.
(Eind): aan den ruwen steen elk der twee

[p. 300]

tegenover elkander liggende uitspringende plaatsen.
†End(je) (torenendje, bolendje): een driehoekig stukje, dat van den ruwen steen wordt gekloofd.
†Facet: - van één kant, wanneer de ruit te veel op een kant loopt, dan moet de dop verbogen worden, opdat alles gelijk loopt. Dit heet: een facetje (of verzetje) geven.
Fijnig (flauwke): veinig. Zie aldaar.
†Gang: aan den gang brengen, een ruitje loopend maken.
†Gat, open gat: dat in den steen komt, wanneer een gles eruit valt.
Gauge: wordt gebruikt voor verschillende instrumenten, die dienen om te meten en het gewicht te bepalen. Zie maatje, passer.
†Geslepen markt: markt waar geslepen goed verkocht wordt.
†Gesloten: ruw diamant, die den kristalvorm geheel of ten naastenbij bezit en niet behoeft gekloofd te worden.
†Gezicht: 't inzien der ruwgoederen, die uit de mijnen zijn aangevoerd; gezicht krijgen, gezicht nemen. Gezicht hebben: aan de beurt zijn om eene serie ruwe goederen te kunnen koopen.
†Gles: barst in een steentje.
†Grauw: dit zijn de plekken op den steen, die gesneden zijn.
†Greintje: steentje van ¼ karaat.
†Grof: groote steenen. Ik heb grof op.
†Grondje: een vakje, dat geslepen wordt, als men een onzuiver opzoekt, om te zien, welke kant van den steen 't meest geschikt is voor tafel- of kolletkant.
†Haakje: waarmede de à jour gezette steentjes worden vastgehouden.
Halfje (halfken): driehoekje, dat langs den rondist ligt; bezeel-, paviljoen-, hoekhalfje.
†Halfkrater: steentje van een halve karaat.
†Halve schijf: wanneer de schijf half gebruikt is.
†Hangend: troebel-geel van kleur.
†Harde hoek: de zes punten van het achtvlak (kloven), de vier hoeken aan een tweepunt, die in ruwen toestand den puntvorm hadden (slijpen en snijden).
†Hard staan: wanneer het lang duurt eer een ruitje geslepen kan worden. Het werk staat hard: het schijnt wel Bahia (zeer harde diamant).
Heel: gesloten. Zie aldaar.
Hobbelwerk: het minste der drie fabrikaten. De andere soorten zijn: burger- en fijn fabrikaat.
(Hoek): elk van de vier vlakken, die rondom tafel of collet liggen.
Holle kies: ruwe steen met een onregelmatig oppervlak.
†Inleggen: een kerf inleggen, het beginnen van een kerfje, een beginnetje maken.
†Kaartje: een kaartje geven, wordt gezegd, wanneer de slijper slechts een zeer kleine beweging behoeft te geven, die te groot zou zijn door een ombuiging van den dop. Hij legt dan onder een kant van de tang een speelkaart.
†Kalet(je): zie kolletje.
Kalsedoor (blootlegger, openmaker): toestand van een steen, die door en door onzuiver is.
Kamer (balanskamer): ruimte der schijf, waarin stukjes lood gebonden worden.
Kanjer: groote steen.
Kanoentje: een zeer moeilijk te bewerken steentje. Wordt gebruikt door Christen werklieden.
(Kant): aan elken regelmatig gevormden en onbewerkten steen heeft de slijper twee kanten, boven- en onderkant.
Kapje (Kappeke): stuk diamant, dat den kristalvorm heeft.
Kenoentje: kanoentje.
†Keteltjesdag: dag waarop vroeger niet gewerkt werd, wanneer de ketel der machine moest schoongemaakt worden.
†Klateeren: wanneer de rondist tegen het poeder van den zoetkring komend een stukje afschilfert.
(Klateersel): het afgeschilferde stukje.
†Klet(je): kollet(je).
Klokkegaaf: zeer gaaf. Ook botergaaf.
Klooven: van misvormde steenen de overtollige stukken afnemen door middel van een zaagmachine of om van groote donkerkleurige

[p. 301]

steenen, kleinere van lichtere kleur te verkrijgen.
†Knikker: groote steen.
†Kollet(je): bij den brillant het beneden uiteinde, hetwelk een regelmatige achthoek moet zijn. Bij de roos is het kollet het breede ondervlak.
(Kolletkant): de kant waar het kollet ligt.
†Kollet op kollet: een steentje dat van onder en van boven plat is.
†Kopje: 't bovenste deel van den cementkop, dat een weinig wordt geknepen en waarin de steen vaster staat dan wanneer deze gewoon in 't cement wordt gezet. Men noemt dit maken van een kopje ‘een kopje draaien’.
†Korte Zaterdag: het gebruik om des Zaterdags slechts een halven dag te werken.
†Kruin: het bovendeel der roos.
†Kruineeren: het dik opwerken van roosjes.
(Kruiswerk): het gereed maken van den steen voor het brillanteeren.
Kuieren (op scheut gaan): niet werken; zonder werk zijn.
Kussentje: de grauwe plek, door de snijdster op 't steentje gelaten.
†Kwart: een geslepen steentje van ¼ karaat.
Kwart(je): gekloofd stuk met 2 harde hoeken en 2 gekloofde zijden.
Laatste (leste) van boven: de 4 ronde verstelletjes, waarmede het brillantwerk aan de tafelzijde is afgeloopen.
Laatste van onderen (leste van onder): de achtste ronde verstelletjes, waardoor het brillanteerwerk is afgeloopen.
Laatste vóór de helft: de derde ronde verstelletjes, zijnde dus de vóórlaatste ronde van boven.
Laboraat: oude slijpvorm.
†Laks: wanneer de steen te plat is, waardoor het lichteffect kleiner is.
†Lappen: den steen voor verdere bewerking klaarmaken, bijslijpen.
Latjes slijpen: aanslijpen van smalle strooken op de zijden van een steen.
(Lepeltang): om de doppen uit het vuur te nemen.
Licht-op(gewicht werken, zwaar laten): minder soort fabrikaat, waarbij vooral op 't behoud van gewicht gelet wordt.
Lijntrekken(het rekken): het werk rekken.
Loketjuwelier: die geen eigen personeel heeft.
Maatje (mateke, makke): 1) passer, dien de slijper gebruikt om te zien of de steen aan de eischen voldoet: zie gauge; 2) een plaatje met openingen, om paren te maken; 3) werktuig, om 't gewicht van gezette steenen te bepalen.
†Markies: ovaal geslepen steen, die in ringen gezet wordt. Ook (halve markies).
†Meesnijder: klooverstok, die den steen bevat, waarmede gewerkt wordt. Ook heet aldus de steen zelf.
†Molen: werktafel, gewoonlijk 1 M2.groot, waarin de schijf zit. Ook wordt molen gebruikt voor den slijper: b.v. zieke molen, die molen looit, langzame molen, vlugge molen.
†Molen, vóór den molen: de plaats van den slijper in tegenstelling tot die van den niet volleerden slijper achter den molen.
†Molenmelker: iemand, die de kleinst mogelijke ruimte nog wil gebruiken om er een molen te plaatsen.
†Naakt brillanteeren: van steenen, waarop paviljoen en bezeelen reeds zijn aangebracht.
Naïef: zie nijf.
Navet: steen met bijzonderen geslepen vorm van een hart.
Nemen: den weg kiezen, waarlangs de steen bewerkt moet worden.
†Nest: onzuiverheid in de schijf.
Neutjeskolen: door Christen-arbeiders gebruikte benaming voor zeer slechte chipssoorten.
†Nijf (naïef): wat aan den steen onbewerkt is. Om te bewijzen, dat de steen zoo voordeelig mogelijk gesneden is, laat de snijder aan den steen een nijf plekje. fra. naïf.
†Omgaan: verouderde uitdrukking voor het in werking zijn der fabriek.
Onderkootig (doorlatengaan): 't voorkomen van een steen, wanneer het rondist scheef ligt. Dit woord komt van koot, een der beenderen van den voetwortel der

[p. 302]

paarden, dat grooten invloed uitoefent op hun regelmatigen gang.
†Onzuiver: het onzuiver grein, gles.
†Opdikken: bewerking, die de steen ondergaat, wanneer het blijkt, dat hij anders te vlak zou worden.
Op hebben: onder handen hebben b.v. ‘Ik heb grof op.’
Op papier (in partie): ten verkoop gereed.
†Opsnijder: stok, die den te bewerken steen bevat.
†Op stok: de twee laatste steentjes van een partijtje onder handen hebben, zoodat alles wat er is, op de stokken staat.
Ordenaal, ordinaal: de glazen bol, die gebruikt wordt om er bij lamplicht vóór te werken.
†Overhouden: b.v. deze steen houdt 2 karaat over, nadat de steen alle bewerkingen heeft ondergaan.
Paarde(n)vleesch: hout, waaruit de bruine kloovers- en snijdersstokken zijn vervaardigd.
Pakmatje: steen in kubusvorm, waaroverheen ribben loopen, zoodat de steen er uitziet als een stevig gepakt baaltje.
†Paviljoen: hoofdruit aan de kolletzijde.
†Pendeloque: een steen, die veel overeenkomt met briolet, doch voorzien is van tafel en kollet.
Pes(t)goed (rabru): zeer slecht ruw goed.
†Pinkelen: 't maken van bezeelen en paviljoenen aan achtkantjes.
Plakje (op scheut gaan vgl. blz. 308): een plakje afnemen, een dag looien: van de volle week iets afnemen. Het beeld herinnert aan het aansnijden van een brood.
Poffertjesbakken: uitdrukking voor 't maken van slijpvorm, kruin en kollet.
†Poot: haakjes waarmede de gezette steen wordt vastgehouden.
Portretsteen: bijzonder soort van geslepen steen om miniaturen te bedekken.
†Probeeren: een ruitje probeeren: een ruitje, dat een slijper zelf niet aan den gang kan krijgen, door zijn buurman aan de werkbank laten beproeven.
Proefstoomen (probeeren): de werkgever laat hen, die zich aanmelden, soms een poos op een stuk werken, om te zien hoeveel hij betalen kan aan garantieloon of vast geld.
†Prutsen: slecht werken. Afleiding van prutten, verscherping van brodden, broddelen.
Puin: zeer slechte grondstof.
(Raapje): navet.
Rauwblijver: een steen die wegens de vele kruisnaden, niet geslepen kan worden.
Rond: kloofsel van regelmatige kristallisatie.
Rondist: de grens tusschen tafel- en kolletzijde van een brillant.
†Rondist, uit de rondist nemen: flink zeggen, waar het op staat.
†Roode lap: rood vlekje in een steen.
†Roos(je): steen met plat grondvlak (kollet), die den vorm eener kleine pyramide heeft. Hollandsche-, half Hollandsche-, Antwerpsche roos, moderoos.
†Ruitje: algemeene benaming voor de geslepen vlakjes.
†Scherp: ruw werk, ruw partijtje diamant.
†Scherp af: wordt gezegd, wanneer de snijder een steen zoover bewerkt heeft, dat deze nog slechts gerondist en nageplozen hoeft te worden.
†Schild(je) 1): een zeer dun endje; 2) een roosje met slechts 6 geslepen vlakjes.
Schuit(je): een stuk, dat door verdeeling wordt verkregen. Hiervan worden vervolgens twee eindjes afgenomen, waardoor de schuit een kapje wordt. De afgeslagen eindjes heeten torenenden.
Sernaaltje (schelpje): zeer dun stukje, te dun om er een schildje van te maken.
†Sjiffertje: roosje met slechts drie geslepen vlakjes. jdd. voor schilfertje.
†Slaan: wordt gezegd van de schijf, wanneer zij niet in balans is.
†Slee: toestel, waarin de tang rust. Het maakt, dat de tang niet bewegen kan.
Slothout (pokhout): 't stuk pokhout, waarmede de schijf wordt opgesloten.
†Snijden: de steenen, die van den kloover of van den zager komen, en die welke door de

[p. 303]

natuur reeds goed gevormd zijn, ontdoen van de uitstekende punten en ze zooveel mogelijk den noodigen ronden vorm geven.
Soeverein: volksetymologie van chevrien. Zie aldaar blz. 297.
†Spiegel: wordt gezegd, wanneer door den slag de gekloofde zijde geheel glad is.
†Spiegelnijf: glad nijf.
†Spiegeltje: een nijf of gekloofd kruintje aan een roosje.
Spits(je): stukjes, die bij 't sorteeren in de enden worden gevonden.
Spouwen(rottering): het uit elkander vallen van een steen, nadat de kloover met den hamer op het in 't kerfje gezette mes heeft geslagen.
Stamper (mortier): pot waarin de boord fijn gestampt wordt om die met olie te vermengen en dan op de schijf te smeren.
†Steel(tje): stukje gegloeid rood koperdraad, dat op den slijpersdop geschroefd wordt en dient om den dop in de tang te bevestigen.
†Steken: wanneer in een in bewerking zijnde ruit een onzuivere plaats is, dan maakt deze op de schijf een zilverkleurige groef, terwijl men een krassend geluid hoort: het ruitje steekt.
(Sterreken): het driekantig vlakje dat men bekomt, als men elke punt of hoek gevormd door de bijeenkomst van tafel, hoek en bezeel, wegslijpt.
†Stoel: 't breede stuk, dat op de schijf geschroefd en in de spil bevestigd is door middel van spieën.
†Stomper (knoeier): slijper, die zonder toewijding zijn vak uitoefent maar alleen om veel geld te verdienen.
†Strop: transactie waarbij men verlies lijdt. Hij heeft een strop. Hij heeft hem een strop gegeven, ook in de jongenstaal ‘strop!’ met een gebaar naar den hals in de algemeene beteekenis: dat valt je leelijk tegen.
†Stukkenmaker: iemand, die de afgeslagen stukken maakt.
†Tafel: bovenvlak van den brillant. Bolle-, holle tafel; traptafel.
(Tafelkant): de kant waar de tafel van den brillant ligt.
†Tapje: stalen spil, waarmede een draad in den dop wordt getrokken.
Tegenin: een richting volgens welke de steenen in de tang kunnen gezet worden; tusschen in de tang en tegen.
Tegenuit: richting tusschen uit de tang en tegen.
Theeschijf: soort slijpersschijf met merk Eureka. Dit woord is ook het merk van een soort thee. Vandaar de naam.
†Tikje: zeer klein puntje op het rondist, als de steen geheel af is.
†Tikken: 't even op de schijf zetten van een steentje, om een zeer klein facetje te maken. het kolletje tikken: het op de juiste maat maken, als het te klein is geworden.
†Topje: een door de machine afgezaagde tafel, die tot brillant of roosjes verwerkt wordt.
(Tweepunten): soort van steenen, welke men herkent aan een naïeve tafel en meestal naïef kollet, twee tegenover elkander liggende harde punten of einden.
†Uitgeven: werk aan den werkman geven.
†Uithalen: den ruwen grond uithalen, de eerste bewerking, die de schijf ondergaat, wanneer zij geschuurd wordt.
†Uitschieten (sorteeren): bij 't onderzoeken eener partij, die men koopen wil, steentjes terzijde leggen, die men niet in den koop wenscht in te sluiten.
†Veinig(openleggen): nadig, fr. veine: ader.
Vensteren (blootmaken): 't hier en daar slijpen van plaatsen, om den steen te doorzien en onzuivers te ontdekken. Heet ook open maken.
†Verdraaid: een steen, die niet op zijn was loopt.
†Verloopen: het te groot worden van een ruitje.
Versch ijzer (schijf inwerken): 't beginnen van een nieuwen kring op de schijf.
†Verstel: het aanbrengen van vier halfjes en twee sterretjes op het verstelde bezeel.
Verstelblok: blok waarin de gloeiende dop gezet wordt.
†Verstellen: 't plaatsen van den te slijpen steen in den dop. Deze wordt uit 't vuur

[p. 304]

gehaald, in het blok geplaatst, waarna de versteller aan het soldeer al knedende den kegelvorm geeft. Hierna wordt de steen bovenin gezet. Dan wordt met de versteltang en de vingers het soldeer rondom bijgewerkt zg. ‘aangestreken’ en de dop in den bluschbak afgekoeld.
Verstelpin (gasvier, verstelvier): de vlam die bij het verstellen gebruikt wordt.
(Versteltang): om de steenen in de seduur te plaatsen.
†Verzetje: kleine beweging om den dop te verbuigen. Volksetymologie van facetje.
(Vierpunten): steenen, die zich onderscheiden door een afgezaagde of wel afgesneden tafel en twee of vier onaangeraakte bezeelen.
†Vinger: stift, welke dient om 't steentje, dat gezaagd wordt, vast aan te drukken.
†Vóórloop: spiritus. Beteekent het product, dat bij distilleeren van ruwen spiritus, 't eerst wordt opgevangen.
†Was: 1) richting, waarin de diamant gegroeid (gewassen) is, 2) de helft van een gekloofden steen, 3) geheime was, eigenaardige gewoonte van slijpers, wanneer een steen, op allerlei wijzen opgezet, niet heeft willen loopen. Dan wordt de dop uit de tang genomen, in de hoogte geworpen, opgevangen en blindelings opgezet.
Wasbeentje: een beentje met was aan de punt, om de steentjes op te nemen,
(Waskens): steenen, die bovenop drie wassen hebben.
Waspootje: Zie wasbeentje.
Waterdun: zeer dun.
Zandchips: zeer kleine chips.
Zandklein: buitengewoon klein.
(Zijde): aan den regelmatig gevormden doch onbewerkten ruwen steen zijn twee zijden, twee tegenover elkander liggende intrekkende plaatsen.
Zitten: zijn werkplaats hebben, b.v. hij zit bij A.
Zoetertje: uiterst kleine beweging van den dop.
Zouten: bedriegelijke handelwijze: het leggen van ruwe diamanten in een stuk grond en het doen voorkomen alsof men diamant-houdende aarde heeft.

 

Zoo ligt in de woorden van dezen kring dus bijna z'n heele geschiedenis gekristalliseerd.

2. De taal van goud- en zilversmeden. (Vgl. het dialect van Schoonhoven). 8/30

A. Vakblad voor goud- en zilversmeden. M. Olivier, Amsterdam. 4/30.

C. De Hazepoot. (R.-K. goud- en zilverbewerkersbond) Groote Oost 116, Hoorn 4/30. Volledige beschrijving van alle konsten, ambachten, handwerken, fabrieken, trafieken, derzelver werkhuizen, gereedschappen enz. in 24 deeltjes, Dordrecht 1788-1820, nr. 13. De Graveur. - J.M. Lion: Heraldieke modellen ten dienste van ... graveurs, zegelsnijders enz. den Haag 1894. - P. Hollman: Het galvaniseeren der metalen4. D. Bolle, Rotterdam.

 

Daar de meeste juweliers ook goud- en zilversmid zijn, komen in deze rijke ambachtstaal een heele reeks diamant-woorden voor naast allerlei fijne metaalbewerkingstermen, en zoo vormt deze groep een overgang tot

3. De horlogemakerstaal. 80/30

A. Christiaan Huygens, B. Cuperus Azn., Bolsward 20/7. - De Uurwerkmakerskunst. F. van Spanje, Velp, pas opgehouden te verschijnen. -

H. Sievert: Leerboek voor den horlogemaker, strekkende tot zelfonderricht voor den leerling, en tot handleiding bij het onderwijs van den patroon2. Bolsward, 1905.

 

Als ik mij niet vergis, zal deze tamelijk kleine vaktaal zeer loonend zijn voor het idiomatisch en psychologisch onderzoek. Al de horlogemakers toch, die ik persoonlijk als goede vakmannen ken, zijn voorbeelden van een stipt karakter. Het is, of hun fijn en nauwlettend arbeidsmateriaal een levenstoonbeeld

[p. 305]

wordt, dat zij onbewust in acribie willen nastreven, en ze eischen datzelfde ook van anderen, wat wel eens onaangenaamheden tengevolge heeft. Al die menschen spreken ook een overdreven, bijna mathematisch nauwkeurige taal, men kijke er den titel van het juist geciteerde vakboek maar eens op aan. En in den mond met die saamgeknepen lippen worden de klinkers glashard en vele zachte medeklinkers verscherpt. Echte horloge- of klokkenmakers zijn er evenwel in ons land niet meer te vinden. Zij zijn moeten wijken voor de concurrentie der buitenlandsche groot-industrie die, wat vroeger de meester met een paar leerlingen deed, thans in 2000 deelbewerkingen heeft gesplitst, waarvan elke arbeider er gemiddeld nog slechts twee mag of kan verrichten, zoodat bij de fabricatie van één slaguurwerk, thans gemiddeld een 1000 arbeiders betrokken zijn. Tegenover zulke arbeiders, die natuurlijk geen vaktaal meer hebben, staan nu onze horloges- en klokkenréparateurs nog heden in een zeer goede, niet geestdoodende maar tuchtkweekende ambachtspositie.

4. De taal der loodgieters, zinkbewerkers en gasfitters. 137/30

A. Het Loodgieters- en Fittersbedrijf (Patroonsorgaan). Eshuis & Co., Dalfsen. 11/7 - De IJzerwinkel (IJzerwaren en Verlichtingsartikelen). H. Germs, Doesburg x/7. - Het Gas. C. Teulings, den Bosch 20/30. - Gas en Water (Verwarming en verlichting) van Breestraat 185, Amsterdam 13/7. - Het gasgloeilicht. H. Beudeker, Arnhem x/x. Bij de optelling reken ik hier altijd een x in den teller voor 3 en een x in den noemer voor 30.

D. De Loodgieter en Gasfitter. (soc. gezellen), Zaagmolenstraat 121 B. Rotterdam x/15. - A. van Houcke: Vak- en kunstwoorden, Ambacht van den loodgieter en zinkbewerker. 2 deelen, Kon. Vla. Acad. Gent 1901, waarin ook verdere bibliographie.

 

Voor deze taal geef ik een uittreksel uit van Houcke's woordenboek. Men lette er wel op, dat dit vooral Vlaamsche vakwoorden zijn, waarnaast het zeer interessant zou zijn: de Hollandsche parallellen te vergelijken. Bij deze confronteering moet men evenwel voorzichtig zijn, daar de bewerker ook vele termen uit Noord-Nederlandsche boeken schijnt te hebben overgeschreven. De Vlaamsche Academie gaat er blijkbaar in hare prijsvragen steeds van uit, dat een vaktaal over het geheele land ongeveer dezelfde is. Hierin ligt zeker een grond van waarheid. Het rondreizen der jonge gezellen, het aannemen van werk soms ver buiten de woonplaats, het betrekkelijk klein getal vaklui, dat meestal op ééne plaats samenwoonde, gaven aan de ambachtstalen reeds in de Middeleeuwen een zekere algemeenheid over het heele land, binnen den beroepskring wel te verstaan. Men moet dit echter niet overdrijven; en het is een onloochenbaar feit dat zeer vele termen, juist van de oudere ambachtstalen, strikt dialectisch begrensd, ja soms zelfs scherp locaal beperkt zijn. En nu wil het mij lijken dat de bewerkers en de beoordeelaars dezer Vak- en Kunstwoordenboeken hier niet half genoeg rekening mee gehouden hebben. Bijna in alle vindt men Hollandsch en Vlaamsch, Algemeen-Nederlandsch en strikt-plaatselijke uitdrukkingen, meestal zonder éénig kenteeken kriskras dooreen,

[p. 306]

óók bij van Houcke; wat te uitdrukkelijker dient geconstateerd te worden, omdat de ondeskundige lezer uit zijn verspreide bijvoegingen: West-Vla., Vla., Brab. enz. zou kunnen besluiten, dat al de overige tot de Algemeen-Nederlandsche vaktaal behooren, wat in de verste verte niet het geval is. Deze fout is in al deze prijsvraagboeken des te noodlottiger, wijl de Vlaamsche dialectwoorden nooit, zelfs niet bij benadering, opgegeven zijn met de klanken, waarin ze alleen voorkomen, maar altijd met onvermijdelijke willekeur worden overgezet in een fictieve algemeen-Nederlandsche verklanking, die ze vaak tot onherkenbaar wordens toe opdirkt of verminkt. Ten slotte is hier altijd de alphabetische volgorde gekozen, die het bijeenhoorende noodeloos vaneenrukt; immers een alphabetische index achter in een zakelijk geordend vakwoordenboek, zou in alle behoeften veel beter voorzien. Na deze waarschuwing neem ik echter onder beneficie van inventaris verschillende bloemlezingen uit deze boeken over. Alleen liet ik bijna alle samenstellingen achterwege, omdat hieronder bij deze uitgaven, dikwijls de onmogelijkste eigengesmede termen voorkomen die naar het oordeel der puristische bewerkers, de feitelijk gebruikte Fransche zouden moeten vervangen.

 
Aandak: bovendeel van den gevel, dat voorbij de dakschilden (d.w.z. de bedekte hellingen) schiet; ook de randen die buiten de dakschilden uitsteken.
Aanhang (Brab.): afdak. (in W.-Vl. aanklad, aangetrek; Brab. ook afhang, afhangsel).
Aanval: regenbord: stuk hout onder aan de kepers genageld, om de helling aan den dakvoet te verminderen.
Achteraf: bestekamer.
Afbreken: een staaf afbreken, inkorten.
Afeten (afbijten, schoonbijten, afvreten, klaarvreten): oppoetsen.
Afsmetten: 'n rechte lijn afteekenen door middel van een besmeerd koord.
Afsnikkeren, afsnekkeren (W.-Vl.): bij stukjes afsnijden, b.v. de randen van bloklood.
Apenvel (Hageland): gomelastiek (Vl. duivelsvel, Br., Antw. ezelsoor).
Asselke (Arab.): klein bosje hout, als vuurmaker gebruikt.
Baan: voorvlak van 'n hamer; ondervlak (zool) van 'n schaaf.
Bedraglood: schietlood.
Begijnepomp: gewone huispomp met pompbak.
Biljoen: afgeschuinde kant.
Blutsen: bolronde verheffing in 't metaal (aan den anderen kant 'n buts).
Boeibord: plank aan den voet van het dak, waartegen de goot wordt aangebracht.
Bogelen: verheven rond beeldwerk maken.
Bok: tas met schuinstaand hoofd.
Buskool: houtskool.
Daal: buis eener pomp.
Daggeren: (Antwerpen enz.) 't rondloopen van 'n boor die niet dadelijk in 't metaal bijt.
Dagvlak: 't zichtbare deel van 'n zinken ruit (dakbedekking).
Dansmeester: passer met sterk gebogen beenen.
Distel: zinken prikkeldraad.
Doodman: over den doodman werken (W.-Vl.): zonder loon werken (‘volontair’).
Dopper: werktuig tot het maken der koppen aan klinknagels.
Drogen, koper drogen: 't afzonderen van tin en lood.
Druif: leunknop aan een omslagboor.
Duivel: kleine kachel (i.p.v. komfoor) om lood of soldeer te smelten.
Eenponder: spijker van 1000 in één pond, zoo halfponder: (1000 in ½ pond) kwartponder en driekwartponder.


[p. 307]

Egge: 1) rand op blik door afdroppelen van het tin; 2) snede van een mes.
Eksteroogen: schitterende plekjes in soldeer (wanneer er niet genoeg tin is in evenredigheid met het lood).
Ezel: ijzeren stang waarop lood of zink bewerkt wordt.
Ezelin: dubbele ezel.
Figgelen: verkeerd snijden van metalen platen.
Foelie: zeer dun geslagen metaal.
Gaar, gaar lood: van goede kwaliteit, zonder vreemde bestanddeelen.
Gebet: gebet zand, door verwarming gedroogd.
Gek: 1) uitstekend stuk boven op 'n pomp, waarop de hefboom van den zuiger steunt; 2) schoorsteenkap (ook Jezuïet genoemd).
Gekrikkel: geluid dat men hoort als tin snel wordt gebogen, (geknetter, gekraak, geschrei; hieraan wordt tin dadelijk herkend).
Gemoet: verdikking aan een stang, pin in 'n buis.
Gespot, gespot blik: blik met vlekjes.
Gestreken: gestreken lood heeft door de schaven de vereischte dikte gekregen (niet getrokken of geplet).
Glid, glit: loodoxyde.
Gording: zwaar stuk hout of ijzer, rustend op de gebintstijlen van opeenvolgende dakspanten.
Grief of griffel: zinksnijmes.
Gruis: kleine nagels.
Haal: stang van komfoor, waaraan de ketel hangt.
Handhaaf (pakaan, pakvast, beide Vl.): hecht, handvat. In 't bijzonder: handhaaf van 'n zaag, pakaan van gereedschapsbak.
Harpluis: geteerd werk.
Harpuis: spiegelhars (verkregen door distillatie van gom van vurenhout, waaruit al de terpentijngeest getrokken is).
Heiligen (gewestl.): ouderwetsche of geschonden voorwerpen, uitschot.
Heugel: haal, ijzeren haak met ketting, waaraan de ketel boven 't vuur hangt.
Hoos: bekleeding van torentop, onder 't kruis of topsieraad.
Inluiken: buis sluiten door rechter- en linkerweerboord (omgeslagen kant) over elkander te slaan.
Inpinnen: randen ómzoomen, boorden maken die 'n metaaldraad bevatten.
Jodenhars, -pek, -lijm: aardpek, ‘bitumen’.
Kapittelstok: wringstok van 'n bankschroef.
Keper: dakspar; houten ribben waarop de beschieting wordt genageld.
Kiel: plaats van samenkomst van twee daken of deelen van daken.
Knevel: streng, kort bindkoord.
Knier: scharnier.
Koeverdak: leien dak, waarvan de ‘dagvlakken’ ruiten zijn (cf. rensdak).
Koevoet: hooge tas, banktas. Zie tas.
Koning: zuiverst bestanddeel van gemengd metaal; metaalmengsel waarin tin voorkomt, en dat groote wrijving moet kunnen doorstaan.
Korteres, korteres van werk: schaarschheid, gebrek aan werk.
Koudbeitel: korte sterke beitel om metaal koud te kappen.
Krangkant: verkeerde kant, rugzijde van 'n blad zink.
Krauwsel: gietfout, doordat 't zand bij 't gieten van den vorm valt.
Kreushamer: geulhamer, dient om holle keellijsten te slaan.
Kuiken (Antw. pop): blokje ijzer aan 'n omslagboor, waarin de dril wordt gestoken.
Laf, de pomp heeft geen laf: de pomp is afgeloopen, ‘la pompe n'est pas chargée’.
Libel: luchtbelwaterpas.
Lijns: spie (op de as) die 'n wiel belet af te draaien.
Loodboom: de vorm (vertakkingen) waarin lood kristalliseert tegen zink dat in azijnzuurloodoxied (‘loodsuiker’) gestoken wordt.
Lutsen: wiggelen, losstaan, het staat luts; overg.: ergens aan wiggelen b.v. bij 't uittrekken van krammen.
Lutteren: het verschilt van lutsen hierin dat de wiggeling ‘veel lichter en dapperder geschiedt en meest met gereutel vergezeld is.’ (De Bo).
Maagdenlood: onbewerkt lood, dat zoo uit den vlamoven komt.


[p. 308]

Maas: opening tusschen draden van 'n stof, bij vlechtwerk malie genoemd.
Mal: teekenmodel dat afgetrokken wordt.
Mamiering: geleibuis (eigl. niets dan 'n hevel).
Mik, op een pomp: gek.
Mof: van binnen beschroefde rol om twee buizen te verbinden.
Neep: plooitang.
Niet: oxied verkregen door 't verkalken van zink.
Nieten: ‘nietnagels’ vastzetten, d.i. metalen platen aaneenklinken.
Noesch: scheef.
Oorzaag: zeer smalle schrobzaag.
Opdiepen: drijven, metaal hol-, bolmaken,
Overtaster: kromme diktepasser om buizen te meten.
Pezerik: stierepees om gereedschap in te vetten.
Pieters afsteken (W.-Vl.): slechte waar zien te slijten (vgl. heiligen).
Pingel: dun koord.
Pompegrui: kleine platkop-nageltjes, waarmee 't leer aan 't pompslot (Z.-Vl.; N.-Vl. pomphart) genageld wordt. Ook kloefnageltjes genoemd. Zie gruis.
Puimen: glad slijpen met puimsteen.
Raasmaandag, verloren maandag: koppermaandag.
Rabauw, -lood: vensterlood (geschilderde ramen).
Rensdak: leien dak met gebogen ‘dagvlakken’.
Roef: schuif, stuk lood met 2 omgeslagen boorden, om looden platen van dakbedekking (wier randen óók omgeslagen) te verbinden.
Roerlood: dàt ‘maagdenlood’, dat 't eerst afvloeit; de tweede bewerking geeft perslood.
Roffel(schaaf): schaaf om lood op de vereischte dikte te brengen.
Rooier: ‘parallelliniaal’, werktuig om evenwijdige krassen te maken.
Salieblad: blad van een metaalkrabber.
Sas: houten beitel om hoeken (b.v. in een looden bak) scherp te maken.
Schampiljoen: afstand tusschen evenwijdige leien (van schampelen: afwijken?).
Schepelkraan: kraan die oogenblikkelijk kan gesloten worden.
Scheutgeven (Gent-Brussel): katoen geven, snel voortwerken. Op scheut staan: op den loer staan. Als er geluierd wordt en de baas komt, dan roept de uitkijk: ‘scheute, de baas!’ d.i. ‘maakt voort.....’ (misschien ook: ‘schuwt u...!’ De baas komt dan op scheut.
Scheute (O.-Vl.): helling (W.-Vl. scho(o)t). N.B. In Noord-Nederland zegt men: ‘daar zit schot achter’ voor: ‘dat vordert flink’.
Schild: vlak van een schild- of tentdak (‘toit en pyramide’).
Schrobzaag: korte smalle handzaag.
Schroefgang: de inspringende ruimte langs den schroefdraad.
Schroo: afgesneden langwerpig stuk metalen plaat.
Schroot: dakdeel (voor de beschieting).
Slab(be): plaat lood of zink die het doorzijpelen verhindert, waar de dakbedekking tegen metselwerk aankomt.
Slabbetje: strookje lood of zink op eene bedekking, onder de kroonlijst.
Slagel, slegel, slei: stuk hout met korten steel om lood of zink effen te slaan.
Slaglijn: de lijn bij 't afsmetten gebruikt.
Slakken: gestold metaalschuim.
Slape, slapergoot: kiel. Zie aldaar.
Sleg: hetzelfde als slagel, doch dient om palen in te slaan.
Slot geven: dicht aansluiten, b.v. den gietvorm.
Smetlijn: slaglijn.
Smouter: pezerik.
Snaakshoofd: grijnzende kop van lood of zink als versiersel.
Snuit(er): uiteinde van 'n buis, verwijd om 'n andere buis in te schuiven.
Spel: verzameling van verschillende typen van een gereedschap, b.v. tangenspel (stel).
Spiesglans: antimonium.
Spitskopje: topsieraad op gevel- of torenspits.
Sprok, sprooi (Vl.), sproos (Vl.): broos.
Spuier: dolfijn, onderstuk van 'n afvoerbuis in den vorm van een dolfijnekop.
Stamp: holle vorm om 'n plaat bol te stampen.
Stapel: poot van stoel, loodpot, stander enz.
Sterfput: zinkput met stankafsluiter.


[p. 309]

Stuiken: doodloopen van een goot op 'n torentje b.v..
Tap: uiteinden van de as van een slijpsteen, die in de kussens vatten.
Tas: stalen staak met breeden kop, waarop metaal wordt bewerkt. Deze wordt met den staart in 't tasgat, in de werkbank of in 'n blok gestoken.
Toot (tuit, teute W.-Vl.): bek, spuwer van 'n pomp.
Tremel: soort trechter tot 't laden van een oven.
Uitslaan: een werk uitslaan: in volle grootte afteekenen.
Verglaasd, vergleierd, vergleisd: geëmailleerd.
Vergunning: dikte en gewicht van bladzink worden slechts benaderend opgegeven; 'n kleine vergunning is toegestaan; 't mag wel wat verschillen.
Verkitsel: stopverf.
Verlaat: kraan waarmee 'n heele vertakking der waterleiding kan worden afgesloten.
Versmeren: zachte metalen (o.a. lood en zink) versmeren de vijlen: deze bijten niet meer (groeven vol vijlsel).
Versterven: 't vervliegen van scherpe vochten, wat verschalen is voor dranken.
Verval: helling, verschil in hoogte.
Verzinken: nagels dieper inslaan, zoodat de kop niet meer uitsteekt.
Viertijd: schofttijd.
Vijlstaak: bankschroef.
Vlotter: drijfkraan, toestel om waterstand in vergaar- of stortbak te behouden.
Voeting: plaats waar 't staande deel van 'n dakvenster de dakbedekking snijdt.
Watergarf: garfvormig buizenstelsel.
Waterspruit: zie waterspuier.
Waterspuier, waterspuwer: looden of zinken bak om het dakwater naar beneden te voeren.
Wekker: kleine spuwer boven 'n bak ofgoot, als veiligheidsklep voor buisverstopping.
Wemelen: boren met een wemel (W.-Vl.), omslagboor.
Wolf (vooral Vl.): 1) nok, 2) gek.
Wrange (W.-Vl.): zwengel.
Zaling: bekleeding aan een schoorsteenmonding.
Ziel: 1) ijzeren of houten beslag van 'n topsieraad; 2) blaasbalgklep.
Zoetsteen: aanzetsteen.
Zoetvijl: platte fijne vijl.
Zot draaien: dit doet 'n schroef met versleten draad of in 'n verwijd gat: hij pakt niet meer. In 't Hollandsch: die schroef is dol.
Zwei: haak met beweegbare beenen om hoeken te teekenen.
Zwijn: dakruiter, versierde -vormige dakvorst.

 

Dat de opkoming van het gaslicht in deze vaktaal een groote verandering en verrijking heeft gebracht, spreekt van zelf. Maar van Houcke schijnt de gasfitterstaal niet in zijn bestek te hebben opgenomen. Tusschen deze groeptaal en de volgende (der koperslagers) rangschikken wij nu het best de groot-industrie van blanke schroeven, moeren, façondraaiwerk, gas-, étalage- en electrische fittings. De fabriek der ‘Automatic Screw Works’ te Nijmegen bekleedt hier een voorname plaats. Het eerste wat den binnentredende opvalt, is dat hier de metaalarbeid als bestaande uit eenige zeer lichte handgrepen aan de banken, vooral door vrouwen en meisjes wordt verricht. Door de specialiseering in onderdeelen, is voor haar de routine in één richting van meer waarde, dan de kennis van het heele bedrijf. Geen wonder dan ook dat van de 207 arbeiders en arbeidsters er slechts 74 geschoold, 8 getraind zijn en de overige 125 heel en al ongeschoold kunnen blijven (1 Jan. 1910). Van de groote massa wordt dus veel minder vakkennis geëischt dan voor den burger-ambachtsman, maar bij de kleine minderheid der chefs, werkmeesters en opzichters

[p. 310]

natuurlijk belangrijk meer. Wie de vaktaal der Nijmeegsche zinkbewerkers en gasfitters, met die der werklieden uit deze fabriek eens systematisch wilde vergelijken, zou een werk kunnen tot stand brengen: even leerrijk voor de taalwetenschap als voor de sociologie. Ook de blikken-, trommel- en bussenfabricatie is reeds bijna heel en al aan het gewone ambacht onttrokken. Groote fabrieken te Krommenie, Dordrecht en Vlaardingen leveren gemakkelijk 200,000 blikken bussen per dag. Bijna al de deelbewerkingen worden door machines verricht. De deksels b.v. worden uit een strook blik gestampt. ‘Één man kan zoo in één minuut 100 deksels laten stampen. Het instellen van die gestampte deksels om er den ongelijken rand af te fraisen, maakt den indruk van razende vingervlugheid en intensiteit. Bijna alle machines worden door ongeschoolden bediend. De meer ingewikkelde felsmachines door jongens beneden de 16 jaar. Zoo van de straat worden ze eraan gezet; nu eens staan ze aan een persje, dan aan een felsmachine, dan aan een kantmachine, een kleine buigbank of walsje. Na een week hebben ze de gewenschte snelheid in hun werk. Het handwerk is, op wat soldeeren na, geheel en al verdrongen: 78,5% ongeschoolde arbeiders,’ natuurlijk bijna zonder vaktaal. In de gasfabrieken, wier arbeiders ook nog bij deze groep moeten gerekend worden, is het weliswaar iets beter. Op de gasfabriek van Amsterdam zijn 20,7% geschoolden, 34,3% getrainden en 45% ongeschoolden.

Het gaat hiermee dus langzamerhand overal denzelfden weg op, dien Adam Smith in zijn Wealth of Nations van 1776 reeds voor de speldenfabricatie beschreef: Één man alleen zou op één dag hoogstens 20 spelden kunnen maken. Nu is het werk in 18 deelbewerkingen gesplitst, en maken ze (in 1776!) met 10 arbeiders 48000 spelden per dag’. En dan houdt Smith een lofrede op die gulden arbeidsverdeeling, waardoor niet slechts iedere werkman een grootere bedrevenheid krijgt voor zijn onderdeel, maar bovendien de tijd bespaard wordt, die anders bij 't overgaan van het een naar het andere werk verloren gaat, en waardoor ten derde zoo vele machines worden uitgevonden door gewone arbeiders, die er hun aandacht op richten, hun eenvoudig werk nòg vlugger en zekerder te maken. Van het nadeel zoo den menschelijken geest berokkend, had Smith nog geen flauw vermoeden. Weldra echter verhieven Ricardo in zijn Principles of political economy and taxation3 1821 en Sismondi de Sismondi: Nouveaux principes d'économie politique 1819, hunne waarschuwende stem. Zeker, zegt de laatste: ‘Iedereen maakt iets beter, als hij altijd hetzelfde doet; en waar ten slotte zijn arbeid wordt teruggebracht tot de allereenvoudigste bewerking, komt hij er toe die met zooveel gemak en vlugheid uit te voeren, dat de oogen hem niet meer volgen kunnen. Maar vaak leert deze arbeidssplitsing, dat de arbeider aan een machine gelijk geworden, ook door de machine vervangen wordt. En zoo begrijpt men, dat de mensch door deze

[p. 311]

splitsing: aan intelligentie, lichaamskracht, gezondheid en levensvreugde evenveel verloren heeft, als hij won aan vermogen om meer rijkdom voort te brengen.’ ‘Want door de verfijnde kunstige samenstelling van het werktuig, zegt Prof. Quack, werd de taak van den arbeider hoe langer hoe eenvoudiger. Door de geweldige arbeidsverdeeling werd zijn werk hoe langer hoe monotoner en dommer.’ Niet geheel gelijk is de toestand in de volgende naverwante groep.

5. De taal der smeden en koperslagers. 149/30

A. De Hoefsmid. A.W. Heidema, Huygensplein 5, den Haag x/30. - Orgaan voor smedenpatroons. IJzer-, staal- en rijwielindustrie, Ruygrok & Co Haarlem x/7. - Vakblad voor smeden. H. Germs, Doesburg x/7. - De Smidsgezel. (Rotterd. metaalbewerkers), v.d. Werffstraat 47, Rotterdam x/x. - De IJzer- en Staalkroniek. Gebr. Binger, Amsterdam 7/7. - Vakblad voor den smid, koperslager, loodgieter, Installateur, en den handel in ijzerwaren, motoren, rijwielen, enz. C. Misset, Doetinchem x/7.

B. De Metaalbewerker. Balistraat 9, Utrecht x/x.

C. De Metaalbewerker ‘St. Eloy’. Eikenweg 17 Amsterdam x/14. - De Metaalarbeider. Holstraat 65, Gent 9/15.

D. De Metaalbewerker. Prinsengracht 965, Amsterdam 20/7.

K. Berghuis: Handboek voor het smeden. D. Bolle, Rotterdam. - H. van Dijk: Modern Smeedwerk. Amsterdam 1906. - Jos. Herman: Modern Kunstsmeedwerk. Amsterdam 1906. - J. van der Kloes en J. Risch Jr.: Handleiding voor den metaalbewerker, meer in 't bijzonder voor den smid2, Leiden 1908. - F. van der Togt: Practisch handboek voor den metaalbewerker en den leerling in den machinebouw. Van Looy, Amsterdam. - R. van der Wal: Handboek voor smeden. Van Mantgem & De Does, Amsterdam 1907. - A. de Bruyn: Gids voor hoefsmeden. Den Haag 1882. - Frateur: Een overzicht van het hoefbeslag. Leuven 1906. - F.C. Hekmeyer: Handleiding tot de leer van het hoefbeslag. Belinfante, 's Gravenhage 1905. - J. Hinze: Het hoefbeslag, leer- en handboek. 's Gravenhage 1906. - F. Lameris: Het hoefbeslag in woord en beeld. C. Misset, Doetinchem 1904. - J. Moubis: Het hoefbeslag. Handl. tot eene rationeele uitvoering van het hoefsmidsvak. Amersfoort 1889. - J. Vuylsteke: Vak- en Kunstwoordenboek, Ambacht van den smid. Gent 1896.

 

Ook voor deze vaktaal heb ik een uittreksel gemaakt uit het juistgenoemde Vakwoordenboek der Vl. Academie, en gelden dezelfde opmerkingen als ondernr. 4.

 
Aaneenwellen, wellen: witgloeiend maken en zoo aan elkaar hameren.
Aanstuiken (den kop aan staaf of spijker): ijzer in de richting zijner lengte op zichzelf ineendringen, teneinde het in dikte te doen toenemen.
Aanvijzen, vijzen: met schroeven vastmaken.
Aardvlas, steenvlas: onbrandbare delfstof die gebruikt wordt in gaskachels om brandstof te verbeelden, asbest.
Afbramen: de bramen of baarden van het metaal met vijl of beitel afwerken.
Afeten, klaareten: een stuk ijzer klaar of wit laten trekken in sterk water.
Afrooien: met een rooier afteekenen.
Alaam, aalme of halme: de verzameling werktuigen van den smid.
Arduindook: een stuk gesmeed ijzer dat in arduin vastgegoten wordt met lood en dient om iets vast te maken.
Arend: 't spits uitloopend uiteinde van een snijdend werktuig, waarmee het in het handvatsel gestoken wordt.
Baar: metalen staaf of stang.
Barbeel: tanden onder en boven aan het schof van een slot.
Begeven: onder het gewicht of de kracht plooien. Een ijzeren balk begeeft niet licht.
Begorie, bigorie, speerhaak: aambeeld met twee hoornen of spitsafloopende armen.


[p. 312]

Beloen: afgevijlde of afgeslepen kant van een stuk metaal
Betemperen, (be)timperen: staal verharden met het gloeiend in water of olie te dompelen, (fra. tremper). Timperen wordt ook gezegd van het met een lepel door elkaar slaan en stijf maken van het beslag voor een pannekoek: struif timperen.
Bijten: deze vijl bijt niet meer: is versleten.
Bladderig: gezegd van ijzer, waarvan de oppervlakte met pellen of blaasjes bedekt is.
Bloket: dik stukje ijzer, dat binnen in de slotkas vastzit en evenals de reepen dient om de valsche sleutels te beletten van tot de barbeelen te geraken.
Bo(e)kscharnier: uitspringende scharnier, die bij het sluiten der deur toeslaat gelijk een boek.
Braam: baard van gegoten, gevijld of gekapt metaal.
Brandels: haard- of vlamijzers, ijzeren of koperen staanderswaarop men houtvuur maakt.
Broek: ijzeren gesmede band, die een voorwerp omsluit en bijeenhoudt.
Centerboor, appel- of cirkelboor: boor met centrum, om groote regelmatige gaten zuiver en snel te boren of om cirkelvormige insnijdingen te maken.
Dook, dokke: stuk rond plat of vierkant gesmeed ijzer dat van onder verdikt, gewrongen of gespleten is en in arduin met lood vastgegoten of in metselwerk met plaaster vastgezet wordt.
Doorn: ijzeren of koperen lichtstander voor veel kaarsen, vooral in kerken gebruikt.
Doorslag, drevel, pons, drijfijzer: werktuig waarmee een metalen plaat doorgeslagen wordt.
Dopper: holle doorslag, dient om regelmatige koppen aan de klinknagels te slaan.
Draailing, wervel: ijzeren plaatje dat op een nagel zit en draaien kan.
Draailing, draaisel: kleine ijzeren krullen, welke bij het bewerken op de draaibank van het ijzer vallen.
Driepikkel: ijzeren standert met 3 voeten, waarop men lange stukken ijzer laat rusten om ze te bewerken.
Draaispank, -massche: ijzeren schakel, waarin een draainagel zit.
Drevel: zie doorslag.
Drijfijzer: zie doorslag.
Dril: stalen priem om gaten in metaal te boren.
Drilboog: boog waarmee men de drilklos in beweging zet om met de borstdril gaten te boren.
Duim-, goudslecht: hengsel of scharnier die aan het einde kokerwijs omgekruld is, om op een duimhaak te draaien.
Duivelken: klein gegoten kacheltje.
Eest: haard der smidse.
Elleboog: stuk buis in den vorm van een elleboog.
Ezel: ijzeren balk die, in een kram geschoven, op de werkbank rust en waar het plaatijzer op bewerkt wordt.
Ezelin: dubbele ezel, dien men gebruikt in de vijlstaak gespannen.
Flokkezwart: fijn zwart poeder dat, gemengd met terpentijn, gebruikt wordt om de kachels te zwarten.
Frikkelen, uitfrikkelen: met een halfronde of ronde vijl een groef boogvormig uithollen.
Gang: hengsel van een deur.
Gemoet: plaats waar een metalen staaf verdikt om tegen een ander stuk gespannen te worden.
Geut(e), goote: versch gegoten ijzer.
Geuteling: oude gebroken stukken van gietijzer.
Geuze: nieuw ijzer, dat dient om, samen met ander ijzer gemengd, geut te maken.
Grendelgemoet: zie houvast.
Grui: nageltjes met platte kopjes.
Haaklede: hangsel.
Haal: zie hangel.
Hangel, haal, hengel, hangelhaak: getand hangijzer bij houtvuur in den schoorsteen gebruikt om ketels aan te hangen.
Helpen: een slot helpen, herstellen.
Houtvast: scherp stuk ijzer met platten voorkant, dat in den muur geslagen wordt en dient om iets op te houden.
Houvast, stuit, grendelgemoet: haak of uitsteeksel aan een grendel of schuif om hunne bewegingen te beperken.


[p. 313]

IJnze, ijns, inze, eins, einze, heinze, heynse, heize, eis: ijzeren omgebogen handvat voor ketels, emmers, koolbakken enz.
IJzermaal: ijzerroest.
IJzermastiek: soort van cement om kachelpijpen en ander ijzerwerk dicht te maken.
Inhalen: inhameren, met een hamer vernauwen.
Inluiken: een rechtschen of linkschen weerboord over elkander slaan en zoo de buis sluiten.
Insassen: met een sas doorzetten.
Sas, zethamer: een stuk verstaald ijzer met effen vlak, of waarin een geul of een anderen vorm uitgehold is, en waar men op slaat om het ijzer glad te smeden of om den uitgeholden vorm aan een onderliggend stuk gloeiend ijzer te geven.
Invetten: met olie of was bestrijken om van het roesten te vrijwaren.
Jager, jacht: plaatijzeren of gegoten vuurdekker voor open vuren.
Jachtwiel: groot wiel dat het boortuig of andere machines in gang houdt.
Kalkoentjes: kleine schroeven zonder kop en aan den kop verdund om in versierselen vast te klinken.
Kanonboor: een dril om een geboord of geslagen gat te zuiveren of wat wijder te maken.
Keere, sofreinkeere: boor om de bramen van de pasgeboorde gaten af te draaien.
Klamp: een soort van kram die met bouten of vijzen vastgezet wordt.
Klauwijzer: kleine vierkante ezel met een verhoog of tafel aan het uiteinde en die in de vijlstaak gespannen wordt. Het dient om plaatijzer over te slaan en om de klinknagels achter een boord vast te kunnen slaan.
Klepper: hamer van een slagbel; ook haak die een tandwiel belet verder te draaien.
Klouwiere: stuk ijzer met ronde en vierkante gaten, waarin men de pinnen der nagels steekt om er een kop aan te slaan.
Kraag: kort stuk buis met rand, dat rondom het rookgat van een kachel geklonken is en dient om de buis op te zetten.
Krukboor: tweepuntige handboor om gaten te verwijden.
Krukgang: langwerpige scharnier.
La(a)(i)ijzer: al het oud en onbruikbaar ijzer.
Lasch,: de plaats waar twee stukken ijzer aan elkaar gesmeed zijn.
Lecht: hengsel.
Leêgaard, wippe: trapplank waarmee men de wrang van een draaibank of slijpsteen doet draaien.
Lengsel: stuk ijzer, dat men aan een ander zet om dit laatste gemakkelijker te hanteeren in het smeden.
Lijns, leinze, lijnze: spievormig stuk ijzer dat door den top eener as gestoken wordt, om te beletten, dat het wiel afdraait.
Lijshaak: metalen haak, die met een nagel vastzit, doch zoo dat hij er op kan draaien.
Maalde: mal; wanneer men een aantal gelijke stukken in plaatijzer moet uitkappen maakt men eerst een juiste maalde, waarmee men al de stukken afteekent.
Malie: ijzeren of koperen ringetje.
Massche, maze: schakel van een keten.
Mijnsel, minsel, mensel, meinsel, munsel: kleine metalen band aan het einde van een stok, mes, handvat enz. om het splijten te beletten.
Misplat: langwerpig vierkant.
Nijd: omgeklonken of overgeslagen top van een nijdnagel, nijdbout of nijdspil.
Nijden: een nijdnagel vastklinken.
Noot: de noot van een dagslot is een rond stuk ijzer of koper met twee vleugels, in zijn dikte met een vierkant gat doorboord. In dit gat past de pin van de kruk waardoor men het slot in beweging brengt.
Ontlaten: ijzer dat door het hameren te hard geworden is, verzachten met het wederom te heeten.
Pons: zie doorslag.
Poont, (punt): dunne spijker.
Rooier: ijzeren roede met een koperen rondeeltje vast op den top en een beweegbaar grooter rondeel in ijzer om evenwijdige koperen lijnen op plaatijzer af te teekenen.
Rul: ruw, hobbelig, oneffen.
Rust: in een slot de kerf, in den bovenkant van het schof van een slot en waarin de veer rust, die het slot in- en uithoudt.


[p. 314]

Scharten: enkel met de grove vijl de peelen van het gesmeed ijzer afnemen, voor grof smeewerk, dat moet geschilderd worden.
Scheers: platen spie, die door een bout gestoken wordt en dient tot sluiting.
Schaf: het deel van een slot, dat door den sleutel in- en uitgeschoven wordt. Eigenlijk alles wat uitgeschoven wordt.
Schoot, veurster: de voormuur van een schouw langs welks binnenkant de rook naar boven stijgt.
Stuit: zie houvast.
Tap: geschroefde stalen pil waarmee men een draad in moeren kan trekken.
Tas: verstaalde of stalen blok om ijzer op te trekken of vast te klinken.
Veurster: zie schoot.
Wachter: ijzeren buis boven op een schouw gezet en draaiende volgens den wind om den trek te vergrooten.
Wippe: zie leêgaard.
Wrong: een plooi in gesmeed ijzer.
Zetkamer: zie sas.
Ziel, windvang: de sluitval van een blaasbalg waar langs de wind ingetrokken wordt.
Zwaluwstaart: verbindingsmiddel om 2 stukken metaal stevig aan elkaar te brengen.
Zwee: een juist rechthoekige schrijflat om langs af te teekenen.

 

Ook hier heeft de grootindustrie het ambacht reeds verdrongen: uit het constructiewerk, de gieterij en de grofsmederij. De meeste wijzigingen onder den invloed der moderne machines kwamen pas in de laatste 20 jaren tot stand. In de smederij verschenen de stoomhamers en smeedpersen, in de ketelmakerij het hydraulisch klinken, en het nog jongere pneumatische caulken; in de schaverij werd het schaven door fraisen, in de draaierij werden de oude banken door automatische vervangen, in de gieterij kwamen de nieuwe vormmachines, ook hydraulische; de montage kreeg betere electrische kranen, de poetserij haar zandblaasmachines, de modelmakerij haar zaag- en schaafmachines. Wat verder vooral opvalt, is weer de groote specialiseering in nieuwe beroepen. Maar toch schijnt hier de vakbekwaamheid niet sterk te verminderen. Want wat aan veelzijdigheid verloren werd, werd aan volmaakte werkwijze en grooter nauwkeurigheid gewonnen. Zeker het oude vak werd vernauwd, maar de werkman levert tienmaal beter werk, en daar beleeft hij eer en genot van. Bovendien stellen de grootste fabrieken er prijs op, zelf hun jonge arbeiders in vak- en avondscholen degelijk te onderleggen, veelzijdig te oefenen en hun een kijk te geven op het heele bedrijf. Verder houdt ons kleine landje de al te eenzijdige specialiseering der fabrieken tegen, zoodat toch nog vele arbeiders van alle markten thuis moeten zijn, en een heele vaktaal kennen. De geschoolden vormen nog 80% der werklieden. Als van der Waerden dan ook de Amerikaansche en Duitsche toestanden met die onzer vaderlandsche machinefabrieken vergeleken heeft, komt hij tot een betrekkelijk gunstig resultaat. En het ziet er, eveneens volgens hem, niet naar uit, dat dit in de eerste jaren sterk veranderen zal. Wij hebben hier dus een geval, waaruit blijkt, dat ons moderne industriewezen niet onvermijdelijk gedoemd is, om den arbeider dom, en zijn zieleleven leeg te houden. En waarom zouden de andere industrieën, desnoods door verstandige wetten een handje geholpen, zich hieraan niet kunnen spiegelen?

Jammer genoeg hebben zich door de genoemde nieuwe machines, een paar verwante

[p. 315]

takken van metaalbewerking ontwikkeld, die ten slotte buiten de moederfabriek terecht kwamen; ik bedoel de schroefbouten- en klinknagelfabrieken. Het eenvoudige werk bestaat hier in draadsnijden, moerenfraisen, moerentappen en boutenpunten, alles met de machine, en in 2 maanden te leeren. Een beetje moeilijker en in 6 maanden te leeren is het moerenmaken, het boutensmeden en het klinknagelmaken. De arbeiders doen eigenlijk niets anders dan de machines voeden met koud of gloeiend materiaal, terwijl hun eentonige arbeid zonder onderbreking doorgaat in het tempo, grootendeels door de machine zelf bepaald. Verreweg het grootste getal werklieden is hier dus ten eenen male ongeschoold. Van een vaktaal is geen sprake meer. Op zulk een geestdoodende fabriek moest eigenlijk een normaal-begaafd arbeider niet langer dan één of twee jaar mogen werken, om vandaar over te gaan naar de machinefabriek. De Rijwielindustrie is ook sinds 20 jaar een zelfstandige tak van bedrijf geworden. Voortdurend werd in dien tijd door nieuw geconstrueerde machines de geschoolde arbeid, hier gemiddeld in 5 jaar te leeren, omgezet in getrainden van 3 tot 6 maanden. En ten slotte is het percentage der geschoolden in ééne fabriek tot 23% en in een andere zelfs reeds tot 10% gezonken. In deze laatste worden althans de chefs gekozen uit de beste arbeiders. Gelijk men ziet houdt deze industrie dus tusschen de beide vorige het midden, hoewel allesbehalve een gulden midden. Het zou nu de moeite loonen, naar de vaktaal der verschillende soorten van werklieden in deze drie soorten van fabrieken een degelijk en onbevooroordeeld onderzoek in te stellen, om te zien in hoeverre inderdaad mannen met normale begaafdheden voor inferieuren arbeid worden gebezigd. Want hierop heeft men tot nog toe, mijns inziens, bij de beoordeeling van dergelijke vraagstukken niet voldoende gelet. Ook bij de oude ambachten zijn er knechts en handlangers, die nu eenmaal zoo weinig begaafd zijn, dat ze nergens anders voor dienen kunnen. En aan dezulken wordt natuurlijk volstrekt geen kwaad maar goed gedaan, door hun den spierarbeid te verlichten, en hun psychisch werk te vereenvoudigen. Kleine menschen - en die zijn er zeer vele! - vragen nu eenmaal niet beter. Maar om hier oog op te krijgen moeten dus de vaktalen eerst individueel worden bestudeerd, om zoo een vergelijking mogelijk te maken.

6. De taal van rijtuig- en wagenmakers. 13/30

A. Nederlandsche rijtuig- en automobielindustrie (voor wagen-, rijtuig- en autocarosseriemakers.) H. Germs, Doesburg x/30. - De Rijtuigbouw. J. Boom, Haarlem 3/30.

C. De Rijtuigmaker (Le Carossier). Kogelstraat 7, Brussel 7/30.

J. van der Kloes, G. van Helden: Handleiding voor den Wagenmaker. E.J. Brill, Leiden 1907.

 

Deze groep vormt natuurlijk een overgang tusschen de metaal- en houtbewerkers, en heeft daardoor voor de taalstudie een bijzondere waarde.

7. De timmermanstaal. 130/30

A. Het hout en zijne bewerking. Florentiestraat 23, Brussel 4/14.



[p. 316]

C. De Katholieke Timmerman. Th. J. Rutjes, Kattenburgerkade 18, Amsterdam 12/15. - De Belgische Houtbewerker. Onder den Toren 5, Mechelen 13/15. -

D. De Timmerman. 1ste Helmersstraat 42, Amsterdam 20/7.

J.v. Gendt: Zamenstelling der voornaamste timmerwerken, Amsterdam 1879. - H. de Groot: Handboek voor timmerlieden.3 A.S. van Looy, Amsterdam 1913. - G. Scholten: De practische timmerman. Handboek voor timmerlieden, bazen, opzichters en aanstaande bouwmeesters3 's Gravenhage 1910. - J. van der Kloes: Handleiding voor den timmerman3, Leiden 1909, - F. Berghuis: Handboek voor bouwkundigen, Deel I. Onze betimmeringen. Deel II. Kappen en daken en verdere timmerwerken. Rotterdam 1892. - J. en V. van Keirsbilck: Vak- en Kunstwoorden. Ambacht van den timmerman, Gent 1898.

 

Ook van deze Vlaamsche Academie-uitgave ter kenschetsing een uittreksel: Over het leerzame woord ledikant (lit de camp) zie men K. de Flou: Verslagen en Mededeelingen der Kon. Vl. Ac. 1907, blz. 176-184 en het boek geciteerd blz. 291.

 
Aal: spits stalen werktuig met houten hecht, om gaten in 't hout te steken. Ook els-priem.
Aanloop: overgangslid tusschen twee verschillende deelen van een lijstwerk.
Aankoop: houten of ijzeren blokje op den zijkant van een schaaf om de diepte van deze te regelen.
Aansnede: de voorsprong van den bovensten tand der zaag vóór den ondersten.
Afbiljoenen: een paal van de scherpe hoeken ontdoen door schaven.
Afroffelen: ruwe stukken hout door schaven ontdoen van de oneffenheden.
Afschrijfpunt: els.
Afzaat: 't schuine bovenvlak van een horizontale lijst.
Alaam: het gereedschap.
Angevel: loodrechte stijl van een houten hek.
Anker: ijzeren houvast in steenen muren.
Appel: ronde deurknop.
Arm strijken, schaven: een deur langs de diktezijde schuins schaven.
Avegaar: groote schroefboor.
Balksleutel: steunstuk aan 't uiteinde van den balk.
Batting: een soort van plank of balk.
Beschieten: met planken beschieten.
Beslaan: haaksch maken.
Bestaken: met staken omzetten.
Beun: zoldering.
Blinde vernageling: zoodat de nagels onzichtbaar zijn.
Blokkeel: eind rib, welk met een zwaluwstaartlip tegen den gebintstijl wordt gewerkt en in den muur draagt.
Bloktrede: de onderste volle trede van een trap.
Blonk: stomp, waar de scherpe punt af is.
Bocht: een houten afgesloten kerkbank.
Boei: een planken hut, loods.
Boenen: 't uitslaan van ondroog eikenhout en kastanjehout.
Boezemhout: steunbalk onder aan den schoorsteenmantel.
Boks: houten afsluiting in een paardenstal.
Bomgat: galmgat in een houten toren.
Boogschaaf: blokschaaf met rond ondervlak.
Boogzaag: grootste zaag, waar het stalen zaagblad in een houten span of raam is gespannen.
Boord: winkelplank.
Boorsel: houtdeeltjes, die bij 't boren uit de gaatjes vallen.
Bordes: rustplaats tusschen twee traparmen.
Bordesch: 1) houten portaaltje aan de buitendeur; 2) een verkoopplank buiten het venster.
Borst: uitspringende boord van den breedsten kant eener pen.
Borstboom: boom van een weefgetouw, waartegen de wever met de borst leunt.
Boschkant beslagen hout: boomstam, die aan vier kanten beslagen is.
Bossing: schuin paneelstuk, waarvan de vier uiteinden in de groef der vergaring (voeg) worden opgesloten.


[p. 317]

Braam: spoor van het slijpen op een beitel enz.
Breiel, breidel: houten doorloopende brugleuning.
Brits: houten rustbed.
Buk: een der twee schaven, waaruit een nootschaaf is samengesteld.
Burghaak: tandvormige kerf.
Cartelle: klein versierd plankje, boven aan een stok, dat men in processie ronddraagt.
Dag: de dag van een opening: de afstand tusschen de twee paneelaven.
Dakkapel: dakvenster op een kerkdak.
Dakruiter: kleine torentjes, op den nok of vorst geplaatst.
Daktengel: dun en smal latje om de naden van 't beschot eener daking dicht te maken.
Dekken: dakken, met een dak toeleggen.
Delie: deel, plank van Noorsch hout.
Deugel: drevel, doorslag.
Deunstok: bij wevers, een stok dienende om den ketting te vlakken.
Diamant-knop: paneel, waarvan de vier zijden schuins in een toppunt toeloopen.
Dissel: snijdend werktuig, bestaande uit een breed omgebogen ijzer, in een langen steel vervat.
Doodloopen: 't onderbroken worden van een lijst, die een rondloopende lijn beschrijft.
Doof hout: rot hout.
Doorslag: stalen stift om de koppen der spijkers in 't hout te drijven.
Dop: werktuig om gleuven in hout te kappen.
Draad: naar den draad: volgens de richting der houtvezels.
Dracht: lengte van een horizontaal gelegden balk.
Drevel: doorslag.
Driepikkel: drievoet.
Drift: twee klampen, waartusschen gelijmd hout gelegd wordt.
Drijven: de planken van een vloer nauw tegen elkaar doen sluiten.
Druif: houten ronde knop van een boor.
Eg: scherpe kant van een stuk hout; kantelaaf.
Fermoor: steekbeitel.
Fiefer: een soort van olm met fijn hout.
Fitsefaze: een soort van scharnier.
Freesboor: spitsboor om de ingeboorde gaten kegelvormig te vergrooten;: frizeerboor.
Fret: schroefvormige boor om kleine gaatjes te boren.
Gaard: houten of grenen afsluiting van een omsloten weide enz.
Galent: houten hek.
Galg: houten staak boven een put, voorzien van arm, waaraan de emmer hangt.
Gapen: 't openstaan van een naad tusschen twee planken.
Geeselbank: houten bank om de korrels uit de aren te kloppen.
Gelent: galent, houten hek.
Gijk: arm aan een wegwijzer of paal.
Giool: kooi.
Glint: latwerk tot ondersteuning van boomen.
Gording: lang verbindstuk, liggende dwars te midden over de lengte der verbonden balken.
Graander: haverkist in stallen.
Guts: holgebogen beitel om holle en bolle voorwerpen te bewerken.
Haak: werktuig bestaande uit twee dunne, aan elkander verbonden houten of ijzeren bladen, dat dient om aan te duiden volgens welke lijn een stuk hout moet bewerkt worden, winkelhaak.
Haak: in den haak: behoorlijk naar den winkelhaak.
Haaksch: zie in den haak.
Hakvermoeren: hakbeitel.
Hamei: uiterste slagboom, getralied hek.
Hamerbaan: 't platte deel van den kop eens hamers.
Hamerpin: 't scherp afloopend deel van den hamer.
Hand: vóór de hand zagen: bij 't zagen de zaag loodrecht op en neer bewegen.
Hang: rek aan den muur.
Hangel: bij wevers een getande stok.
Hangoor: tafel met neerslaande bladen.
Haspel: draaiboom op een pad om alleen voetgangers door te laten.
Hoekverbinding: het verbinden van twee houtstukken tot 't vormen van een hoek.


[p. 318]

I. gewone hoekverbinding, waarbij de stukken bij den hoek ophouden.
a. Koud in 't verstek. De stukken kunnen vlak (koud) tegen elkander geplaatst worden.
b. Inkepingen met lippen: van beide stukken hout, die even dik zijn, wordt (aan 't uiteinde) de helft der dikte afgezaagd, zoodat beide stukken aaneengevoegd, de dikte van elk stuk heeft. Lip met zwaluwstaart, - lip met verstekband.
c. Pen- en gatverbinding: 1. Enkele penen gatverbinding of open gat met pen of inscharing. 2. Dubbele pen- en gatverbinding. 3. Pen- en gatverbinding met in 't verstek gewerkte borsten. 4. Penen gatverbinding, waarvan de eene borst in 't verstek loopt en de andere nog een vierkante inkeping heeft, terwijl de pen niet tot den buitenkant doorloopt. 5. Penen gatverbinding met bastaardpen.
d. zijn de stukken niet gelijk, dan met zwaluwslaartvormigen tand.
II. Het eene stuk gaat door en het andere loopt er tegenaan. Verbinding door inkeeping; gewone lip - verloren lip - zwaluwstaartvormige lip.
III. Beide stukken loopen door: a. Inkeping met draagtand. b. Halfhout-inkeping, c. Inkeping met tanden.
Horde: laag muurtje van hout langs den dorschvloer.
Houvast: spits ijzer, dat in den muur wordt geslagen en dient om iets op te houden.
IJzer geven: een schaaf veel ijzer geven: den schaafbeitel zóó stellen dat hij veel hout wegschaaft.
Inlaten: twee stukken hout aaneenvoegen door een keep of sponning.
Juffer: lange staak.
Juk: bak onder een luifel of afdak.
Karbeel: een stuk hout, dat dient om een liggenden balk te versterken.
Kardoes: een uitgesneden plankje dat iets anders, wat daarop komt te liggen moet steunen.
Kattestaart: rattestaart: een zeer kleine dunne vijl.
Keel: een holle lijst of een smalle strook eener plank.
Keg: houten of ijzeren spie om vloeren dicht te drijven.
Kelderhals: omtimmering van den ingang van een keldertrap.
Keper: dakspar.
Kerkwerk: groot balkwerk, zwaartimmerwerk.
Keuvelend: de schuinsche zijde aan weerszijden van 't dak eener schuur.
Kijkvenstertje: raampje in deur of poort.
Kijl: wig.
Kijlen: toesluiten van deuren door middel van spieën.
Kikkert: sluitingsmiddel voor deuren, vensters enz.
Kinderbalk: de mindere balken van een zoldering.
Kisten: bij 't bevloeren de laatste twee planken schuins aaneen plaatsen en dan met geweld plat drukken.
Klauwhamer: groote gekloven hamer, welke dient tot het uittrekken van nagels.
Klinket: kleine deurtje in een groote deur of poort.
Klokkestoel: houten gestel, waarin een klok hangt.
Kokergat: opening in 't vensterkozijn om de tegenwichten van een schuifraam in te hangen.
Koppelen: 't aan elkander voegen van stukken hout.
Kort van draad: het hout is kort van draad, wanneer het bij 't bewerken telkens bij kleine gedeelten doorbreekt.
Kreupele balk: die met één eind op den muur rust terwijl het andere eind in een anderen balk gewerkt is.
Kwartier: een kwart van een ouden duim.
Kwast: knoest in 't hout.
Lasch: vereeniging van twee stukken hout, zoodanig dat hun breedte en dikte nagenoeg onveranderd blijft.
Lateihout: hout boven de opening van deur of venster om het metselwerk te dragen.
Leest: wigvormige draagplank onder den stijl van een kozijn.


[p. 319]

Lepelboor: boor met een soort van lepel, die het boorsel opneemt.
Lijs: houten schot naast de voordeur in huizen, waar de voordeur in de kamer opengaat.
Loopen: het loopen van de zaag, de afgeschreven lijn niet volgen.
Makelaar: 1) rechtstaand stuk hout midden op den hoofdbalk van een dak tot steun van den nokbalk. 2) een stuk hout dwars over de deur, grendelboom.
Malie: houtporie.
Maljenier, mallenier: ambachtsman, die met den hamer werkt.
Mei: tak op de nok, wanneer het huis onder dak is.
Menageeren: 't versmallen van een pen aan een regel.
Messing: afgedunde rand eener plank, om in de groef van een andere plank gevoegd te worden.
Mik: alle dwarshout, dat tot steunsel dient.
Mond: de mond van een schaaf, opening waarin het schaafijzer zit vastgeklemd.
Mondstuk: stukje hard hout, om onder aan den mond der schaaf te lijmen, als de mond uitgesleten is.
Mot: krullen, spaanders.
Motterig hout: eikenhout met vlekjes.
Mul: zaagsel.
Neep: dat gedeelte van de geheele boor, waarin het boorijzer geschroefd wordt.
Omslag: houten of ijzeren gedeelte(zwengel) van een omslagboor, in den vorm eener C.
Ondervangen: iets door balken, planken tijdelijk ondersteunen.
Ontschachten: timmerwerk uiteen nemen.
Opwerken: het opwerken van nagels, het naar buiten komen van de koppen.
Opzoeten: afgewerkt hout voor de laatste maal gladschaven.
Opzuiveren: planken gladschaven.
Overtaster: passer met sterk gebogen beenen om ronde en bolle voorwerpen te meten.
Paard: soort van schraag om de onderlagen van een bed te dragen.
Paardepoot: groote kromlijnig omgebogen knoest in 't hout.
Pak-aan: handvatsel.
Paren: van een timmerwerk de stukken zoo teekenen, dat men weet hoe men ze tegenover elkander moet aanbrengen.
Passeetje, passetje: kleine stelling van hout, gewoonlijk vierkant.
Pen: houten nagel, stop.
Pezerik: bullepees, dienende om de zaag te smeren.
Pilaster: vierkante ruil.
Ploeg, ploegschaaf: dient om een groef aan een stuk hout te schaven.
Plug: kleine houten tap, dien men in een muur slaat om er beter een nagel te doen inhouden.
Rabatten: 't schuin bijschaven van een omheining, die bestaat uit planken, die met een sponning ineengevoegd zijn.
Rad: houten cirkel op den puntbodem, waarop 't metselwerk staat.
Raster: een lat, riggel enz. van een rasterwerk.
Rattensprenkel: een lange smalle kist, aan weerszijden open, verdeeld in nesten, om ratten erin te laten nestelen en zoo te vangen.
Rattestaart: kattestaart.
Raveellinge: balkverbinding rondom dakvenster enz.
Ravegat: klein venstertje in de houten naald van den toren.
Reeden: met de reeschaaf gladschaven.
Regel: maatstok
Rieschaalde: rieschaalde hout: hout, waarvan de jaarlagen niet aaneengegroeid zijn en dat dus slecht samenhoudt.
Rinket: klein deurtje in een groote deur.
Roef: schuin afloopend deksel op een doodkist.
Roffel: soort schaaf.
Roffelen: het ruwe van het hout met een roffel wegschaven.
Ruiter: lat, die op den nokbalk wordt gespijkerd.
Schaal: eerste en laatste plank, die uit een boom gezaagd wordt.
Schaard: kleine breuk in 't scherp van beitel enz.
Schalk: eenvoudig hijschtuig.


[p. 320]

Schamel: bank.
Schap: een houten stellage om iets op te zetten.
Scheel: deksel van een kist.
Scheers: platte lange houten pen,
Scheerzolder: vliering
Schei: dwarshout om groote stukken te verbinden.
Scheren: een touw scheren: op 't katrol schikken en spannen om er een gewicht aan op te hijschen.
Schoeien: een waterkant beplanken.
Schoep: de dunne smalle plankjes van een zonneblind.
Schongel: schommel, schop.
Schote: op schote staan: op de loer staan.
Schranken: bij een zaag beurtelings den eenen tand naar deze, den anderen tand naar gene zijde uitbuigen.
Schroot: smalle strook hout.
Schurpen: met de schurpzaag zagen.
Slepen: het haperen van een deur bij 't open- of toedraaien.
Sliet: afgescheiden plaats in een stal, waar de koeien enz. staan.
Smetlijn: wit- of zwartkleurig touw, waarmede men het hout afteekent, dat gezaagd moet worden.
Smetten: afteekenen.
Snuiten: van een stuk hout een uitstekend gedeelte wegnemen.
Sofrein: kegelvormige holte in hout gemaakt.
Spanjolet: op- en neergaande stang om opendraaiende vensters te sluiten.
Spatten, uitspatten: het naar buiten uitwijken van een dak.
Speling: wordt gezegd van timmerwerk dat te los in de opening sluit. Dit paneel heeft te veel speling.
Spil: de loodrechte trapboom van een wenteltrap.
Sprinkel: houten stang van een roosterwerk.
Steken: schaven, vooral van lijstwerk.
Stoelplank: plank langs den muur op de hoogte van de stoelleuning.
Strijken: met een vijl over de scherpe tanden der zaag strijken.
Stuik: voeg tusschen twee planken.
Talaan: holle lijst.
Togen: een vergaring dichtsluiten.
Travalje: hoefstal bij den hoefsmid.
Uileveeren: lichtbruine strepen met witte vezels in eikenhout.
Valderen: deur van sporten aan een weide.
Verdrinken: de koppen der spijkers zoo diep in 't hout drijven, dat zij er niet meer uitkijken.
Verstek: half rechthoekig afgewerkte lijst of plank.
Vet: vet hout: waarin veel hars zit.
Vis: soort van scharnier.
Wemel: omslagboor.
Wemelen: met een wemel boren. Gaatjes wemelen in 't hout.
Wervel: sluitmiddel voor vensters.
Winket: rinket.
Witte, roode olm: vlekken in het hout.
Zaagbok: houten stel om 't te zagen hout op te leggen.
Zaagmeel: fijn zaagsel.
Zetten: het alaam zetten: het gereedschap zoo plaatsen, dat men den te verrichten arbeid spoedig kan afleggen.
Zoet stellen: de schaaf staat zoet, als de tegendradige houtvezels zeer glad worden afgeschaafd.
Zool: het ondervlak eener schaaf.
Zot: die schroef is zot: is dol, draait zonder sluiten.
Zwieping: schuin geplaatste lat, die bij 't plaatsen van een kozijn, dit in loodrechten stand houdt.

8. De zagers- en houthandelaarstaal. Vgl. het Zaansch dialect. 76/30

A. De houthandel. Zijlstraat 59, Haarlem 19/7.

J. Hoffman: Het hout als handelswaar. Jacob van Campen-bibliotheek 1910. - G. Key: Vademecum voor den houtkooper, Amsterdam 1894. - A. Nijssen: Handleiding voor houtkoopers, houthandelaars en eigenaars van boomen2, Goes 1902.



[p. 321]

9. De taal van kuipers, klompenmakers en kurkensnijders. 33/30

A. De Klompenmaker (ook voor hoepelmakers). J. Koonings Jz., Eindhoven 9/15. - De Kurkenindustrie, Bureau Zeist x/7.

D. Ons Blaadje (Kuipers- en houtbewerkers) Westnieuwland 23, Rotterdam (ongeregeld).

 

Uit ‘Volk en Taal’ VI en VII geef ik hier de ambachtstermen van een streng gelocaliseerde klompenmakersgroep te Sint Niklaas in het land van Waas. Ik heb om willekeur en onjuistheden te vermijden de sterk dialectisch gekleurde uitlegging onveranderd overgenomen. Dit is trouwens de éénig ware achtergrond.

 
Afdraaien: ziet opdraaien.
Afkrammen: ziet verkrammen; ook zegt men nog: uit den rou (ruwe) snijden. Ziet krammen. Nu heeft den kloef 'nen vorm, 'nen ruwen vorm; thans moet hij uitgehold en langs buiten en binnen gefatsoeneerd worden.
Afleggen: ziet maat.
Afsnijden: den blok zijnen vorm geven, gelijk het behoort, gelijk men het model wilt hebben. Dit doet men met een mes wat lichter als het krammes.
Afteenen: van binnen den kloef bijna schoon uitsnijden en hem zijne breedte geven. Ziet teenmes.
Afzolen: de zool van den blok schoon effen maken. Ziet zoolmes.
Afzuiveren: ziet opdraaien en zoolmes.
Binden: ziet koppelmes.
Binnenspie: om den kloef te kunnen bewerken zooals het dient gedaan, spant men hem in de banke vast bij middel van binnenspieën of spanhouten.
Borstmes: een lang mes, dat langs beide uiteinden in appelkes zit en dat dient om de kloefen effen te snijden. Tegenwoordig gebruikt men zulke messen om blokken te schrapen. Bij schrijnwerkers komt men het tegen.
Distel, destel: een snijdend werktuig bestaande uit een breed omgebogen ijzer, met korten steel. De kuipers gebruiken dit werktuig ook. - Ziet De Bo op diesel. De blokmaker werkt daar even goed mee als met de handbijl, ja, voor sommige gevallen kan hij ze niet missen.
Drijling: naam van den kloef, als de maat maar een steek of zeven wijst. Zie halfwerk.
Drijlingboor, vrouwboor, halfhooge of groote boor: ziet voor den uitleg dezer verschillende boren, de verschillende namen der kloefen.
Geest: verondersteld, een kloefmaker verkoopt eenige wissen aan 'nen winkelier; maar de koopman ondervindt als zijne waar te huis komt, dat er 'nen kloef gebroken is. De winkelier zendt nu den goeden kloef weer bij den blokmaker en vraagt een ander paar. Welnu, de kloef die, geleverd zijnde, weerkeert bij den kloefkapper noemt men geest.
Goezie: holle beitel, dienende om den kloef langs binnen uit te kappen. Ziet De Bo op goeze.
Haak: soort van mes, gekruld lijk een haak, zittende in 'nen langen steel, waar men den hiel, langs binnen in den kloef mee schoon maakt. Ziet verder uitdraaien.
Halfhoog: halfhooge kloefen, kloefen met halfhooge muilen.
Halfwerk: de blokmakers gebruiken eene soort van houten maat, die verdeeld is in steken. Als de maat in den kloef gestoken wordt en elf steken wijst, dan heet men den blok halfwerk.
Halfwerkboor: als de blokmaker halfwerk moet maken, dan gebruikt hij inplaats van den voorganger, de halfwefkboor. Dus volgens den kloef, gebruikt men deze boor.
Handbijl: een bijlken, met recht blad en korten steel, waar men de kanten afkapt van een gekloven stuk, en het alzoo den uitwendigen vorm geeft van 'nen kloef.
Heuldodden: zoo heet de afval van den kloef als men hem bewerkt met de verschillige booren en de goezie. Ziet heulen en goezie.
Heulen: die bewerkingen gebeuren met de verschillige booren. 't Komt hier dus op aan holen te maken, te booren.


[p. 322]

Hielmes: mes, zoodanig op den steel gebogen, dat 't er schier 'nen rechten hoek mee uitmaakt, snijdende langs weerkanten, en een beetje omgekruld aan de punt. Het dient om den hiel, van binnen in den kloef te bewerken. Dít mes zit in 'nen langen steel, die rust op den schouder van den werker.
Hoog: hooge kloefen, kloefen hoog van muil.
Kaai: iedere blokmaker moet over eene plaats beschikken, waar hij zijne gekochte en gevelde boomen zal op een leggen, om ze volgens dat hij ze noodig heeft te gebruiken. Zulke plaats heet de kaai.
Kapblok: een houten blok, lijk de kliefblok, maar rustende op drij pooten. 't Is op den kapblok dat men het gekloven stuk den eersten, ruwen vorm geeft van den kloef. De beenhouwers hebben ook kapblokken.
Kappelingen: afval van den kloef als hij op den kapblok bewerkt wordt. Ziet kapblok en opkappen.
Kerfzaag: groote zaag met scherpe en sterke tanden, lang en zwaar van blad, zonder raam met houten rechtstaande handhaven aan de uiteinden. Men trekt de zaag weg en weer, gewoonlijk met vier man, twee langs weerskanten.
Kliefblok: als de boom in gelijke stukken gezaagd is, worden die stukken in afgemetene blokken gekloven op 'nen platten blok, zonder pooten; 't is de kliefblok.
Kliefhamer: een groote houten hamer, met langen steel en zwaren kop; waar de blokmaker het kliefmes mee door het hout jaagt.
Kliefmes: een soort van kapmes, zonder houten handhaaf, geheel in 't ijzer. Men deelt daarmee de gezagen stukken, in zooveel deelen als men er kloefen kan uit maken. De Bo spreekt ook van een kliefmes, maar van zulk toch niet. Zoo een gezagen stuk nu heet gekloven stuk.
Kluvelingen (kliefelingen): klompkes hout die tot het bewerken niet dienstig en zijn. Ziet gekloven stuk en kliefblok.
Knots: een ijzeren spie of wigge die men steekt in de kloof van een te klieven stuk hout, om dit voort te doen splijten. De zagers gebruiken ook de knots.
Koppelmes: gewoon mesken met smallen lemmer, dienende om de hollekes in den kloef te maken, langs waar men ze dan aaneen bindt, aaneen koppelt bij paar.
Krammelingen: ziet de woorden afdraaien, opdraaien, opsnijden.
Krammes: een groot mes, op 't gedacht van eene zeis, maar zoo breed niet; langs den eenen kant is er een haak aan, waar het vast mee ligt aan 't peerd en langs den anderen kant een houten handhave. De blokmaker werkt met dit mes als hij aan 't gekloven stuk den eersten vorm gegeven heeft met de handbijl; hij snijdt er de kanten wat schoonder mee rond, de teen komt er aan alsook de hiel. Geheel die bewerking heet: afkrammen, verkrammen, uit den ruwe (rou) snijden.
Kronen: stukken hout, zelfs schijven, waar niets inzit als weeren (takken) en waar geen goede blokken van kunnen gemaakt worden.
Maat (zaagmaat): een rond stuk hout van 50 cM. lang en omtrent 3 cM. diameter; dienende om de lengten af te teekenen (af te leggen) op den boom die moet in schijven gezaagd worden.
Mansblok: naam van den kloef voor jonge lieden en mannen.
Ondermansblok: naam van den kloef voor kinderen.
Opdraaien: de scherpe kanten, de snee van den kloef wegdoen. Ziet opdraaier.
Opdraaier: soort van mes, waar men de scherpe kanten van de kloefen mee afdoet.
Opkappen: ziet kapblok.
Opsnijden: ziet opdraaien.
Opsnijder: ziet opdraaier.
Opwissen: eer nu de kloefen in den handel komen, moeten ze opgewist of opgedaan worden, en dat gebeurt alzoo: men plaatst eenige kloefen, paar boven paar opeen, men bindt dat stapelken kloefen bijeen met eene wisse (wiedouw).
Paarbank: zie pasbank. Er is ook eene pasof paarbank bij den kapblok. 't Is deze bank die de beste en de bijzonderste is.
Pasbank: boven aan den vapeur is er nog een klein tafelken bijgemaakt, waar men de

[p. 323]

kloefen opzet om ze te paren, te koppelen, te zien welke kloefen een goed paar zal zijn. Daarom heet de pasbank ook nog paarbank.
Peerd: een eindeken boom, 80 tot 100 cM. lang, steunende op drij pooten. 't Is aan zoo een peerd dat het krammes en de vapeur vast liggen.
Plat: platte kloefen, kloefen plat van muil.
Plooien: in plaats van blommen of figuren op den kloef te ritsen geeft men enkel eene langwerpige snee, drij of vier, op den muil van den kloef. Dat heet plooien; ziet plooimes.
Plooimes: een mes met breede punt, breed, hoekig en scherp van sneê, waar men de insneden mee geeft op den muil van den kloef.
Putten: de bewerking wordt verricht met de goezie.
Rieschalig: rieschalig hout, dit is hout, dat niet verbruikt kan worden, omdat het van binnen kapot is.
Rits: een klein mes, waar men de blommen en zekere figuren op den muil van den kloef mee snijdt. Der zijn veel soorten van ritsen, volgens dat men fijne of grove figuren moet trekken. - De rits waar De Bo van spreekt, en die gebruikt wordt om tonnen te merken en is dezelfde niet als die der kloefkappers.
Ritsen: blommen en zekere figuren op den kloef trekken hetgeen men doet met de rits.
Rooken: als de kloef nu geschreept, geritst of besneden is en dat men hem eene bruine kleur geven wilt, wordt hij in eenen oven gestoken om gerookt te worden. Men doet dat meest bij middel van zagemeel of andere vochtige stoffen. Sommige blokmakers, om eene schoone bruine kleur aan de kloefen te geven, gebruiken daarvoor peerdendrek.
Schijf: stuk gezaagd hout, de lengte van de blokken, die men wilt maken.
Schrepelingen: ziet schrepen.
Schrepen: de kloefen schrepen, d.i. met een glas, schoon effen en glad maken.
Schroeien: zuiver maken. De blokmaker doet dat werk met eene boor.
Snijlingen: ziet het woord krammes.
Spaanderen: ziet kappelingen.
Spannen: in de bank spannen: den kloef, bij middel van binnenspieën en spanhouten in de bank vastmaken. De kloefen staan dan goed vast en kunnen gemakkelijk bewerkt worden.
Spie: eene soort van puntige kantzuil (pyramide) in hout. Voor 't gebruik, ziet knots. De menschen gebruiken ook dit woord om een stuksken hout te bedieden, dat men langs binnen op de klink van de deur steekt.
Steek: indeeling van de maat.
Stuikgat: ziet De Bo op aarsgat.
Teenmes: wanneer de kloef met den voorganger bewerkt is, dan komt het teenmes. Een weinig omgekruld, snijdende langs beide kanten, zit het in 'nen langen steel, zoodanig dat deze rust op den schouder van den werkman. Met dat mes haalt hij verder den teen van den kloef uit; vandaar de naam.
Uitdraaien: den hiel, langs binnen in den kloof schoonmaken met den haak.
Uithielen: van achter in den hiel tot tegen den muil, de zool schoon maken. Ziet hielmes.
Uitscherpen: ziet uitdraaien.
Uitspannen: als de kloef afgewerkt is op de bank, dan slaat men bij middel van een houten hamerken de binnenspieën en spanhouten weg. Dat heet men den kloef uitspannen.
Vapeur: een mes, op 't gedacht van een krammes, met dees verschil dat er te midden een boog aan is. Het dient om den hiel, langs achter, 'nen ronden vorm te geven. De blokmaker gebruikt het na het krammes, of wel als de kloef geheel afgewerkt en droog is. Er zijn ook vapeurs met drie bogen.
Verbijlen: ziet handbijl.
Verdistelen: ziet distel.
Verkrammen: ziet krammes.
Vóórgangen: de bewerking die men doet met den voorganger.
Voorganger: een stuk ijzer, in den vorm eener boor, met een lepel van voren aan, waarmee men het eerste hol in den kloef maakt om hem verder te heulen.
Vrouwsblok: naam van den kloef voor vrouwen.
Wis: een wis kloefen, dat is 13 paar die opgewist zijn. Eene wis maakt uit 13 paar kloefen (voor mannen en vrouwen), 36 paar

[p. 324]

halfwerk, 39 paar voor twee wissen (drijling).
Zaagpeerd: de boomen worden van den stapel gerold en bij middel van handboomen (hefboomen) op het zaagpeerd geplaatst. Dit bestaat uit een balksken of boomken van omtrent 2 dM. tot 2,5 dM. middellijn op 2,5 M. lengte; langs het eene uiteinde staat het op twee pooten en met het andere rust het op den grond. In dat balksken zijn vier gaten gemaakt, waar men een sterk hout insteekt om den boom, als hij er opgerold wordt, vast te leggen.
Zoolmes: achter 't teenmes, 't zoolmes. Veel platter als het teenmes, bijna niet omgekruld, ook snijdende langs weerskanten. Volgens den naam dient het om den zool van den kloef (langs binnen) plat en effen te maken. Dit mes zit in 'nen langen steel, die rust op den schouder van den werker. Er zijn ook zoolmessen, die een krulleken van voren aan den neus hebben. Zulke zijn meest in gebruik bij blokmakers van fijne blokken, dan moet men niet meer afzuiveren.

10. De taal van manden-, meubelmakers en behangers. 74/30

A. Het eerste Vakblad (rietmeubel-, manden-, teen- en bamboe-industrie.) F. Heymans, Apeldoorn 3/30. - Het Huis (huisinrichting, bouw- en sierkunst, meubelen.) Jan Luykenstraat 2, Amsterdam 12/30. - Onze Gids (v. behangers, stoffeerders en meubelfabrikanten.) Heerengracht 255, Amsterdam 20/15.

C. Het Bondsblad (meubelmakers, behangers en stoffeerders.) Hobbemastraat 230, den Haag 3/30.

D. Ons Vakblad (meubelmakers en behangers.) Hiligardisstraat 34, Rotterdam 8/15.

L. van den Berg: De volmaakte Schrijnwerker, Leiden z.j. (1860). - F. Berghuis: Handboek voor den meubelmaker, 's-Gravenhage, 1901. - P. Doorn: De meubelconstructeur, verzameling meubeltypen. S.L. van Looy, Amsterdam 1902. - C. van Hoek: Het beitsen en kleuren van hout, Handboek ten dienste van meubelmakers, draaiers, architecten enz. Insulinde Haarlem, 1908. - Volledige beschrijving van alle konsten enz. (zie nr. 2) nrs. 19-21, de Orgelmaker. - E. Kindts: De moderne meubelmaker, Amsterdam 1905.

 

Ik heb met opzet eerst de voornaamste ambachten die hout bewerken afgehandeld, om nu weer even stil te staan bij de moderne fabrieksontwikkeling, die veel van het oude groepenverband dreigt te ontwrichten. In den houtzaaghandel is, als wij de sigarenkistjesfabrieken, die louter machinaal werken, uitzonderen, nog het minst verandering gekomen. Sinds 1870 werden allengs de oude windzaagmolens, vooral aan de Zaan, door de stoomzagerijen vervangen. Zoowel in de oude als in de nieuwe zagerijen is het meerendeel der werklieden ongeschoold. Er moet nu eenmaal veel bij gesjouwd worden. Dit sjouwen moet men echter niet onderschatten. Ik heb zelf een jaar tegenover de werf van een bloeiende Vlaamsche houtzagerij gewoond, en herhaaldelijk gelegenheid gehad de handigheid en vernuftigheid dier arbeiders bij het op- en afladen van zware boomen te bewonderen. Verder wordt het gezaagde hout tegenwoordig meestal geploegd en geschaafd in machinale schaverijen. De schaafmachine is er een van zeer ingewikkelde constructie, bediend door één geschoolde kracht, waarbij het werk der overige arbeiders teruggebracht wordt: tot het invoeren en het opvangen van het hout. Een gedeelte ongeschoold sjouwwerk is hier echter overgenomen door een electrische loopkraan,

[p. 325]

zelfs het vergaren en transporteeren van het uitvloeiende zaagsel geschiedt mechanisch. Alles te zamen vindt men in houtzagerijen en -schaverijen ca. 65% relatief ongeschoolde en van 12 tot 19% slechts getrainde werkkrachten.- De timmerfabrieken in de laatste 20 jaar ontstaan, hebben een groote verandering gebracht in het bedrijf. Gemaakt worden: deuren, kozijnen, winkelbetimmeringen, lambriseeringen, schooltafels, parketvloeren en zelfs losstaande trappen. Ook hier zijn de werkzaamheden weer zóó gesplitst, dat de bewerking van het hout met zaag, schaaf en beitel, grootendeels is overgenomen door de schaaf-, zaag en frais-banken, wier bediening meestal aan nietvakmannen kan worden toevertrouwd. Weliswaar vormen de timmerlieden met handwerk bezig, nog de meerderheid, maar hun werkkring is toch ook merkbaar vernauwd, en bepaalt zich tot het afschrijven, in elkaar passen, lijmen en afwerken van de machinaal klaargemaakte onderdeelen; waarbij meestal maar weinig meer te veranderen valt. Deze vaklui zouden voor veel, altijd wisselend bouwwerk, als het stellen van kappen, het plaatsen van trappen, het leggen van vloeren, het afhangen van deuren, vreemd staan op te kijken, daar ze dit op de fabriek nooit geleerd hebben; en dientengevolge is ook hunne vaktaal reeds zeer merkbaar vereenvoudigd en verarmd. In de meubelfabriek heeft de moderne stijl met z'n vele rechte lijnen de machinale fabricatie zeer in de hand gewerkt. Omgekeerd echter benut de fabriek nu natuurlijk ook de mode, en maakt de meubelmodellen naar het gemak der fabricatie zoo eenvoudig mogelijk. Het is dan ook vooral bij de goedkoopere meubels, dat de massafabricatie veld wint. Zoodoende vormen zich twee groepen van werkplaatsen. Op de eene soort blijven, hoew