Achtste hoofdstuk. De socialistische arbeiderstaalBetreffende de psychologie der fabrieks- en mijnarbeiders: zijn wij nog niet volbevredigend op de hoogte. Toch heeft Levenstein voor den Duitschen werkman velerlei materiaal verzameld, dat als we maar voorzichtig te werk gaan, reeds veel inzicht geeft over 't algemeen, en in allerlei bijzondere punten zelfs afdoende resultaten heeft aan het licht gebracht. Bijna steeds werkt het eentonige bezigzijn met de machine, het altijd door herhalen van juist dezelfde, van alle persoonlijk initiatief warse manipulaties, in hygiënisch en aesthetisch meest slecht verzorgde omstandigheden, degradeerend en neerdrukkend. Want tegenover een klein getal Enquête-antwoorden, die getuigen van bewondering en sympathie voor de machine, van mannen die blij zijn, dat ze altijd hetzelfde moeten doen, zoodat al hun bewegingen automatisch worden, en ze hun hoofd en aandacht aan eigen gedachten kunnen wijden; die ophalen van het rhythmisch genot, dat hun den arbeid verlicht, hun verbeelding stof geeft, hen muzikale melodieën tegemoet zingt; die het geluk roemen, dat het gestomp en gedreun hun brengt, en de aangename droomerijen vieren, die het gesis en gesnor, het gerol en geraas, het knerpen of knarsen, hen weten in te suizelen; daartegenover staat een ontzaglijke reeks van getuigenissen die slechts ééne groote klacht uitklagen, van de lijdende menschheid, onder den druk van de geestdoodende machine. Het volstrekte gemis aan alle overleg en verstandelijke bezinning,
kweekt in de ziel van den fabrieksarbeider meestal een wilden haat voor dat
ding, heelemaal uit staal, alleen uit staal, dat noch ziel noch zenuwen heeft,
geen vermoeienis kent, dat vervloekte staalding, dat overwinnen moet in een
wedstrijd, die geen wedstrijd meer ís. Ja in den strijd met de
onbarmhartige machine moet de arbeidersziel het maar al te vaak ondervinden:
‘WER MIT IHR SCHAFFT - VERLIERT DES MENSCHEN EIGENSCHAFT - WIRD
UMGEWANDELT UND ZERSTÜCKT - ZUM WERKZEUG SELBST HERABGEDRÜCKT’.
- Ja die eentonigheid maakt stug, murw, lam en dood! En tot nu toe zijn bijna
alle daartegen gerichte kleine middelen, hoe ook te prijzen en te verbreiden:
als het bevorderen der conversatie, het ophangen van telkens nieuwe
wandversieringen en schilderijen, de grammophoon, het houden van huisdieren,
vogels enz. niet bij machte gebleken dezen menschheid-verdoffenden invloed te
keeren. De godsdienst ten eerste, die meer dan alle andere krachten, den
arbeid, ook zelfs den slaafschen arbeid, weet te adelen, door hem krachtens
zuivere meening en genade te verheffen tot een navolging van Christus, een
heilmiddel van uitboeting, dankbaarheids-betuiging, of gunstverkrijging voor
zichzelf en anderen; ten tweede de fijnere ontwikkeling van artistieken aanleg
en de breedere opvoering van het gedachteleven; en ten derde de compensatie buiten de fabriek van wat daarbinnen gemist wordt, schijnen, gelijk Levensteins feiten uitwijzen, geroepen om aan die misstanden een einde te maken. Maar tot nu toe wordt bij de meeste ongeloovige arbeiders niet alleen de individualiteit onderdrukt, maar ook de vermogens van den sociaal-levenden en -voelenden mensch zijn aan het afstompen, hij wordt lusteloos. Daarmee is alle vroegere vereering, voor het heilige van den arbeid als 's werkmans hoogste goed, hem ontnomen. Uit Th. van der Waerdens Delftsche dissertatie over
‘Geschooldheid en Techniek’ 1911, blijkt meer dan duidelijk dat de
Nederlandsche fabrieksarbeider er niet beter aan toe is dan de Duitsche:
‘Nog afgezien van een verlaging der loonen,’ lezen we daar,
‘is de vernedering van den mensch, gevolg van het overbodig worden van
bekwaamheid en scholing: een hoog ernstige zaak. Indien personen gewend aan een
krachtdadig gebruik van hun vermogens: verwezen worden naar een arbeid, die hun
als redelijke schepsels niets zegt’, dan ‘verworden zoo alle
ambachtslui tot handlangers van de machine’. ‘De machinale
arbeidsverdeeling: richt al de verstandelijke inspanning op een werktuigelijk
voorwerp; en stompt hen zakelijk af.’ En dit wordt niet alleen beweerd,
maar door een uitvoerig feitenmateriaal op degelijk en veelzijdig onderzoek
berustend, voldingend bewezen. En daaruit ontkiemt nu o.a. die algemeene
ontevredenheid, door de raddraaiers opgehitst, en door de wreede mannen van het
‘openhouden der wonde’ met ijdele beloften verzuurd, en verbitterd
tot het groote ongeluk onzer hedendaagsche maatschappij. Ik ga nu verder alleen
op den socialistischen arbeider dieper in, niet omdat deze beter is dan de
anderen, maar omdat in hem het ziekteproces meestal ten top gevoerd is, en hij
dus als 't scherpst van de andere groepen onderscheiden, en in dien zin dus de
meest typisch-kranke arbeiderspsychologie aanbiedt. Want het socialisme drijft
de chronische ziekte om ze te genezen tot een acute crisis. Jammer genoeg dat
het geneesmiddel nu zoo licht erger wordt dan de kwaal. Immers het voert den
instinctmatigen haat tegen de machine op: tot een beredeneerden haat tegen de
patroons en heel de gegoede klasse. Het socialisme heeft, als de Romeinsche god
Janus, twee aangezichten, het eene schijnt louter liefde en broederschap,
gekeerd naar den arbeider, het ander naar ‘kapitalist en
bourgeoisie’ gericht, blijkt louter nijd en vinnige haat. Of om het met
Leroy-Beaulieu nog eens anders te zeggen: als de liefde het socialisme ten
vader was, de haat is zijn moeder; en scheen 't kind in z'n prille jaren meer
op den vader te gaan gelijken, opgegroeid van lieverlede, luisterde het bijna
uitsluitend naar de inspraken zijner moeder. Daardoor kreeg het socialisme dien
sectarischen geest tegen alle andere klassen. De klassenstrijd, d.w.z. de
verwoede oorlog tegen de gegoede standen, dat werd hun kruistocht, hun heilige
krijg. En als zoovele jonge mannen met edelen moed zich daarvoor laten
winnen, wij erkennen het gaarne, dan is het gewoonlijk niet uit lage drift, maar in spontane opwelling van edelmoedigheid, en hooger aspiraties dan de liberale materialistische tijdgeest der laatste eeuw hen bood. Ja, hun menschenliefde is er een van ouder datum, een overblijfsel van de christelijke beschaving, die al de West-Europeesche volken heeft gedrenkt en gevoed, en ze heeft doordrongen tot in het merg van hun gebeente. Maar jong als ze zijn en alles behàlve bezadigd, zonder zelfkritiek of voorzienigheid, schijnen zij niet te doorschouwen, dat die ideale liefde die hen tot den klassenstrijd trok, noodwendig voerde tot haat, tot lagen haat, tot infernalen haat, het onedelste wat ooit in 's menschen hart is gevaren: het tegendeel van hun hoog ideaal, de parodie van hun goede bedoelingen, de caricatuur van hun liefde. In sommige cynische geesten echter is dit de volbewuste bedoeling, en vergenoegd wrijven die zich in de handen, zacht mompelend: LA HAINE EST FÉCONDE. Aan de hand van beide soorten van leiders wordt nu de arbeider opgekweekt, in 'n zeer eenzijdige levensbeschouwing: van historisch materialisme. Alle hoogere troost wordt hem ontzegd of op zij geschoven: hij mag niets zien en overwegen dan zijn economische belangen. Met een klapwiekend koningswoord van Marx: ‘Het is niet het bewustzijn der menschen dat hun zijn, doch omgekeerd hun zijn, dat hun bewustzijn bepaalt’ (Troelstra: Woorden v. Vrouwen blz. 12), wordt bewezen dat alle middelen: om rechtstreeks hun bewustzijn te verbeteren, absoluut niets kunnen baten, maar alleen de verbetering van hun eten en slapen en drinken! Alsòf het bewustzijn der arbeiders niet tienmaal zooveel recht had: hun ‘zijn’ te heeten, als hun korst brood, hun glas bier en hun dutje. Diepe psychologen zijn de socialisten nooit geweest! Zoo wordt door de menners in de ‘menigte’ (want men behoeft de verslagen der socialistische vergaderingen en congressen maar in te zien, om te begrijpen dat wij hier in den volsten zin met een psychologische ‘foule’ te doen hebben) stelselmatig ontevredenheid aangekweekt en bestendigd. ‘De arbeider die spaart is een verrader. Een goed gehuisvest werkman is voor den klassenstrijd verloren. De diamantslijpers, die het zoo goed hebben, zijn een gevaar voor de partij.’ De antwoorden in den volkscatechismus van Helsdingen bedoelen niets anders. Beginnen we maar bij het begin. Eerste Les, Eerste vraag.
1 V. Wat is het kenmerk van den toestand waarin gij leeft? A. Die van afhankelijkheid. 2 V. Zijt gij dan geen vrij mensch? A. Mijne vrijheid bestaat slechts op het papier. 4 V. Wat heeft men te verstaan onder economische afhankelijkheid? A. Dat men afhankelijk is van hen die den grond, de fabrieken, de machines, de werktuigen, gereedschappen en grondstoffen bezitten en zonder wier toestemming men geen arbeid kan verrichten om van te leven. 5 V. Wat verstaat gij onder politieke afhankelijkheid? A. Dit, dat ik moet gehoorzamen aan wetten, die anderen voor mij
gemaakt hebben, zonder dat ik daarbij recht van meespreken had. 6 V. Gij noemt u dus in dubbel opzicht een onvrije? A. Ja, mijn toestand is die van moderne slavernij, want afhankelijkheid is het wezen der slavernij. 8 V. Zijn de bezitters der arbeidsmiddelen menschen van hoogeren aanleg dan gij? A. Zij zijn van gelijke beweging, hebben dezelfde organen, dezelfde behoeften als ik, alleen zij genoten beter onderwijs, en hun macht over mij is groot door hun bezit. 9 V. Waarom verlangen zij grond en arbeidsmiddelen te bezitten? A. Omdat zij mij daardoor dwingen kunnen tot arbeid in hun dienst. 10 V. Is dat dan zoo prettig voor hen, dat gij in hun dienst werk verricht? A. Prettig misschien niet, maar voordeelig wel. 12 V. Wat dus de bezitters der arbeidsmiddelen het hunne noemen, is door u voortgebracht, wilt ge zeggen? A. Zoo is het. Onbetaalde arbeid, is de grondstof waaruit tegenwoordig de groote fortuinen worden opgebouwd. 17 V. Waarom tegen het kapitalisme? A. Omdat dat de belichaming is van de onvrijheid, de slavernij der arbeiders. 19 V. Maar bij die exploitatie verdient gij toch als arbeider het brood? A. Dat is gewoonlijk te veel om te sterven en te weinig om te leven. De kapitalisten houden de grootste brok voor zich. 20 V. Gij zijt dus niet tevreden? A. Ik kan en mag niet tevreden zijn, omdat ik leef in afhankelijkheid, onzekerheid en groote zorg voor het heden en de toekomst
In de Gedichten voor het Proletariaat door L.M. Hermans onder den titel: ‘Laat de Christenen maar slapen’, klinkt eenzelfde toon (zie o.a. Achtergebleven, blz. 12. Een socialistenboodschap aan de machtigen der aarde, blz. 5). Het voortdurend spreken van beheerschers en beheerschten, heeren en slaven! helpt al weer mee. ‘Elke hervorming op den bodem van het kapitalisme heeft in theoretisch opzicht hare bedenkelijke zijde, zegt Troelstra. Hervormingen zijn even onwetenschappelijk en dom, als in den ouden tijd aderlatingen tegen de koorts waren, beiden niets dan een onbeholpen manier om verschijnselen van de kwaal te onderdrukken.’ ‘Ze doen zelfs vaak ontzaggelijk kwaad; zij openen de veiligheidsklep en maken daardoor het kwaad voor het oogenblik dragelijk,’ zeggen Hugenholtz en consorten. Tak zei het ronduit: omdat het in het belang van de Partij is, de maatschappelijke wonde open te houden,’ ‘omdat, voegt een ander er aan toe, het socialisme zijn voedsel vindt in de bestaande ellende en wanverhoudingen.’ Ten slotte bereikt ook, gelijk uit 't bovenstaande begrijpelijk is,
in den socialistischen arbeider de verdoffing, de verlaging des gemoeds z'n
diepste peil. Dat blijkt ten eerste uit de zedelijkheidsbegrippen, die in
‘Het Volk’ verkondigd worden: ‘Van vrije liefde maakt de
bourgeoisie met den algemeenen dooddoener van ‘onzedelijkheid’ zich
zoo licht niet af! Diefstal is altijd noodweer. Zelfmoord een onafwendbaar
noodlot. ‘Wie op huwelijk aandringt, is reeds van begin af aan
veroordeeld. Ten tweede uit den toon hunner redevoeringen en artikelen waarvan
de termen nooit intens genoeg, de kleur van scheldwoorden nooit schreeuwend genoeg schijnen, de opwinding en hartstocht laaien altijd door; want als een schrijver niet hard genoeg lawaait, en er de verf niet zóó vet oplegt, dat wij er van gruwen, dan verstaat, dan voelt de socialistische arbeider er niets meer van. Deze ongevoeligheid verhardt nu verder tot cynische spotternij die ons vaak een rilling door de leden jaagt: zoo de platen uit den Notekraker, en teksten als de volgende: ‘Wat is het toch goed dat in het Paradijs de eerste zonde is bedreven! Wie zouden we anders de schuld van al de misère moeten geven?’ enz. Ten vierde: uit het breken aller banden van menschelijke samenleving en broederschap, en het open of bedekt aansporen tot gewelddadigen opstand en revolutie. ‘Niemand heeft het recht, zegt Vliegen terecht, ons den naam van revolutionair te ontzeggen.’ ‘Wij hebben twee geweldige middelen, zoo drukt Het Volk naar Destrée af: de obstructie in de kamer en den opstand op straat.’ Het ‘revolutionaire temperament’ wordt met vreugde zelfs door Troelstra begroet; en van ons Koningshuis zegt dezelfde: ‘Een stuk bederf dat aanvreet al datgene, waarmede het in aanraking komt, en dat slechts bestaat, omdat een gewetenlooze bourgeoisie het noodig heeft tot verblinding en knechting van het door haar uitgebuite en onderdrukte volk.’ Nog wat aanschouwlijker sprak Demblon in Brussel: ‘De vijf en twintigste verjaardag des Konings is gevierd door een troep bedorven insecten, die zweven komen rondom een lijk in ontbinding.’ 1. De zaaier.Vele socialistische dichters doen niets dan haat zaaien.
Vooral in België is het volkslied hèt groote propaganda-middel. Men behoeft dan ook de drie Bundels met ‘Zangen voor het Volk’ van de Vooruit te Gent maar te doorbladeren, om den mephitischen haat en den revolutiewalm in volle gulpen op te snuiven, maar ook dat behoort tot onze taalgeschiedenis.
Het continues-meisje.
Stemlied.
Wij zijn degeen.
En hier behoeven wij ons niet te beperken tot het aanhalen van synoniemen voor morren, mokken of protesteeren, voor verdrukken, uitzuigen, villen of gevild worden, uitbuiten, dooddrukken e.a. Neen, de heele ontwikkeling der woordbeteekenis drijft, op de door ons geschetste mentaliteit.
1. DOOR DEN HAAT KRIJGEN MOOIE OF NEUTRALE WOORDEN EEN WEERZINWEKKENDEN GEVOELSTOON.
a. Door koppeling met een afstootende bepaling of bijstelling. spoorslaven, een ministerie van volksverdomping, de dienaars van God Kapitaal, de schuimers dezer firma, de huisjesmelkers zijn de hechtste steunen van troon en altaar, de grondwoekeraars, de smerige houding der klerikale pers, om in de traditiën te blijven der heilige lasterpers het monopool der zedelijkheid het ‘zaken’-Christendom de godsdienstventers zaniken daar nog alle dagen over. de geheiligde belangen der clericale rijke achteruitkruipers de tijd der schoonmoeders in de katholieke partij. de aartsvaders der katholieke partij wat zal Papa de Paus doen? de rijke gieren. Roomsche roofkapoenen, de macht berust bij echt bandieten broedsel. de huidige burgerkliek. de meesters, lage parasieten het gebroed van Rome. het ongedierte der papen het stomme kapitaal het arbeidsvee, - schandige hongerwetten, de bloedwet, - de knoeierswet.
b. Door een leelijke plaat met mooi onderschrift of omgekeerd. omgord met boeien, achtergrond: laaiende brand. Onderschrift: Waarom zouden wij geweer en sabel dragen we hebben onze eigen wapenen. (Notenkr. 4 Nov. '11). ‘Slaven van het Kapitalisme’ (de Priesters). Kapitalist met geweld een priester neerdrukkend om hem de hand te doen kussen. Beide handen zijn met bloed besmeurd. Onderschrift: Wat raakt het u, dat mijne handen met bloed bevlekt zijn, kussen moet ge ze toch! (Notenkr. 11 Nov. 1911). De Aandeelhouder: Beter 1600 menschen-levens, dan ook maar een uur verloren. Plaat: Zwartgerokte aandeelhouder. Opschrift; Record varen. (Notenkr. 27 Apr.' 12). ‘Coalitieman’: Bak maar brave man, dan zal ik je voor tijdsverdrijf wat voorlezen uit ‘De Christus en de Sociale Nooden’. Plaat: Bakker voor gloeienden oven, Orthodoxe coalitieman, een boek op de knieën, met Godzalig uiterlijk. Opschrift: ‘Woorden en Daden’. (22 Juni 1912 Notenkraker.). ‘Als de kinderen met ons bidden, staan wij voor niets!’ (Nieuwe Haarl. Courant). Kapitalist, grijnslach op 't gelaat, die de beweging maakt (met vinger en duim) van geldtellen. In den benedenhoek een plaatje voorstellend een kind, dat voor een Mariabeeldje, zit te bidden. Opschrift: Haarlemsch recept. (1 Febr. 1913 Notenkraker). Naar den Kerstmaaltijd! Onderschrift: Persfotograaf: ‘Zetten jelui nu eventjes een vroolijk gezicht asjeblieft’. Plaat: Optocht van arme haveloos gekleede, uitgehongerde mannen, vrouwen en kinderen, die door den persfotograaf worden gekiekt. (Notenkraker 4 Jan. 1913). c. Door hunne definitie in den Volkscatechismus, artikelen en redevoeringen.
afhankelijkheid (zie boven les 1 vr. 1-5) - moderne slavernij (vr.
6) - knecht loonslaaf - rijke: bezitters der arbeidsmiddelen (vr. 12) - rente:
de pest voor de geheele maatschappij. - Les 4 vr. 5. Maar het geld dat de
kapitalisten aan den staat leenden, gaf toch als het gebruikt werd ten nutte
van het algemeen, ook voordeel voor de geheele bevolking, en is het dan niet
billijk dat er rente van dat geleende geld betaald wordt? - Antw. Daar is iets
van aan. Maar daar staat tegenover, dat onze geheele nationale schuld ruim
elfhonderd millioen gulden bedraagt, en daarvoor alleen van 1884 tot 1903 aan
rente is betaald ruim 600 millioen. In 40 jaar hebben de rentetrekkers dus hun
kapitaal terug. In den loop van 100 jaar minstens 2½ misschien wel 3
maal en blijven dan toch nog hun oude rechten behouden. - Waarom nu moet in
tijd van nood de burger zijn leven geven voor de gemeenschap, en de rijke in
tijd van nood niet het geld dat hij te veel heeft. De rente is de pest voor de
geheele maatschappij en ook voor de financiën van den staat. Bovendien
zijn de meeste schulden gemaakt door opdrijving der militaire uitgaven, dus
niet voor nuttige doeleinden. - eigendom der arbeidsmiddelen (Les 1 vr. 8) -
exploitatie, kapitalisten (Les 1 vr. 12 en 9) - burgerpartij, bourgeoisie - Les
5 vr. 16. Is die partij gezien bij de andere partijen? - Antw. In den grond van
de zaak haat men de socialistische arbeiderspartij in de kringen der
burgerpartij, doch men haat haar slechts om dat men haar vreest. - klasse
bevoorrechting - geldvorsten - onbetaalde arbeid (Les 1. vr. 12) - onderdanen
geloof - de heerschende klasse (Les 1. vr. 10) - plichten - Les 3 vr. 1. Hebt
ge tegenover de maatschappij plichten te vervullen? - Antw. Een mud vol. -
kapitalisme (Les 1 vr. 17) - vrijheden en rechten - Les 3 vr. 7. Maar ge geniet
toch van de vrijheden en rechten die de tegenwoordige tijd den burgers geeft? -
Antw. Ik heb recht om van mijn 6de tot mijn 13de jaar een
beetje onderwijs te ontvangen, en den plicht om van het 13de jaar af
of vroeger, in fabriek of werkplaats te arbeiden of waar dan ook, als men mij
tenminste met voordeel plaatsen kan. Ik mag op mijn 19de of
20ste jaar voor 8 jaar soldaat worden en later tot mijn
35ste jaar bij de landweer dienen; en als ik oud ben dan moet ik
naar het armhuis gaan; ziedaar wat ik voor rechten en vrijheden geniet. -
Belasting - Les 3 vr. 12. Onder de lasten die ge te dragen hebt noemdet ge ook belasting betalen. Maar ge behoeft toch geen directe belasting te betalen? - Antw. Directe belasting zooveel niet, wilt ge zeggen. Zoodra men mij maar voor de inkomsten- en personeele belasting kan aanslaan doet men het wel degelijk. Maar het meest wordt ik gevild door de indirecte belastingen. - Invoerrechten - Les 3 vr. 23. Maar dan komt er ook meer werk zegt men, niet waar? - Antw. Ja, voor de kommiezen van de belastingen, voor de deurwaarders van de rechtbank en.... voor de pandjeshuishouders. Voor de arbeiders, ho maar! - Liberalen, vrijzinnig-demokraten, anti-revolutionairen, katholieken (Les 5 vr. 7). - Les 5 vr. 7. Maar tusschen de liberalen en vrijzinnig-demokraten eenerzijds en de antirevolutionairen en katholieken anderzijds is toch wel een hemelsbreed verschil? - Antw. Niet zoo groot als het schijnt. Over onderdeelen haspelen ze wel met en tegen elkander, maar in de politiek ten gunste van het kapitalisme zijn ze broeders. - Les 5 vr. 8. Van waar dan die felle strijd vaak buiten of in het parlement tusschen hen? - Antw. Zij twisten gewoonlijk alleen over kleine verschillen en over de vraag op welke wijze men het volk het best voor de meeste lasten kan laten opdraaien. - Les 5 vr. 9. Dus dan zijn, als ik u goed begrijp, kerkelijken en liberalen van ééne familie? - Antw. Juist. Antirevolutionair en katholiek, liberaal en vrijzinnig zijn de voornamen die verschillen. De familienaam is van allen dezelfde. Ze zijn de kapitalistische partij met elkander.
d. Door tropen, overdrachten en figuren, metonymia, synecdoche etc.
brandkast (kapitalist) - De brandkast beschermd met bijbel en wierookvat. - breekijzers: Christelijke arbeiders, die uit een neutrale vereeniging gaan en zich onderling vereenigen. - brandkasten politiek (politiek ten voordeele van de kapitalisten) - wissel op de toekomst (vaste schelduitdrukking voor den kerkelijken troost met het hiernamaals) - verlengstuk der machine: arbeider - vuilnisbakken: bladen der andere partijen - bekgevecht: debat.
Zien wij hier dus de gevolgen van den haat; ik was benieuwd er het uitvloeisel der liefde tegenover te stellen. Ik meende namelijk en meen nog, dat de liefde zich zou moeten toonen: in den idealen klank van vele warme gevoelvolle woorden, die de vroegere geslachten koud lieten of hun onbekend waren. En die heb ik dan ook wel gevonden. Maar het getal viel me niet mee. Ik heb toen anderen nog eens gevraagd te zoeken, maar ook zij waren niet heel gelukkig in hun vondsten. Wanneer men toch het volgende lijstje met het voorafgaande vergelijkt, en men daarbij in het oog houdt, dat wij er de meest gelezen nieuwere socialisten-literatuur voor geëxcerpeerd hebben, en over 't algemeen de volgende opgenomen voorbeelden nog niet eens alle zoo erg sprekend zijn, dan moet men, meen ik, uit de taal tot dezelfde conclusie komen, als Leroy-Beaulieu uit de parlementaire en maatschappelijke feiten afleidde, dat het socialisme der laatste jaren veel meer negatief met afkeer en haat, dan positief met lotsverbetering en liefde heeft gewerkt, wat nog meer klem krijgt, als wij nagaan, dat de woorden uit de voorafgaande lijst allemaal tamelijk concreet zijn, en die uit het volgende lijstje bijna alle dor en abstract, in toekomstmuziek verklinken.
2. NEUTRALE WOORDEN KRIJGEN IDEALEN OF MEDELIJDENDEN KLANK klasse bewustzijn klasse gevoel - klasse solidariteit klassestrijd(beweegkracht der maatschappelijke ontwikkeling) arbeidersbelang solidariteit dag der bevrijding eigen hulp zegepraal van den arbeid bevrijding van den arbeid vrijheid het arbeiderschap (naar analogie van priesterschap) bewustwording - bewustmaking van het proletariaat organisatie - vereeniging de partij, partijgenooten, gezel (Genosse) de strijd heilstaat - toekomststaat ontwakende en opgroeiende arbeidersbeweging stakingsrecht algemeen kiesrecht zedelijke wedergeboorte van het proletariaat volledig menschzijn menschelijkheid de nieuwe tijd arbeid sociale bevrijdingsoorlog bewuste kracht een bewuste gelijkberechtiging van alle burgers mannen en vrouwen ekonomische revolutie proletarisch verzet uit België: sympathiestrijd, sympathiebeweging, uit sympathie in staking gaan, werkersorganisatie, ons broederorgaan, het groot onweder van het Westen, de steunbeweging, het machtig heir der proletaren. Men voelt dit echter nog beter in den samenhang. Het geïdealiseerde woord zal ik telkens cursief laten drukken tusschen den gewoongedrukten tekst van het idealiseerend milieu. 't Zijn alle citaten uit de Gentsche ‘Zangen voor het Volk.’
Men ziet, het is niet heel veel; en wie koel-objectief de heftige haat-schettering van hierboven, met deze vale quasi-religieuze liefdes-lyriek vergelijkt, zal ongetwijfeld met onze conclusie instemmen: hier heeft de haat de liefde onderkropen. In één soort van idealiseering echter is de socialistentaal waar en echt. Het is in de omkeering van den gevoelstoon der verachtelijke termen, waarmee zij door hun tegenstanders genoemd worden. Dit verschijnsel is diep-menschelijk, en men treft het overal aan. Van de Indiaansche inboorlingen, waarvoor C.C. Uhlenbeck het onlangs in bijzonderheden naging over onze ‘Geuzen’, tot bij de Fransche dichterschool der ‘decadenten’. Het is een soort ironie van zelfbewuste fierheid: zich te durven noemen met z'n scheldnaam en daarop te roemen. Het is een bewijs van krachtsbesef en tart-behoefte. Het is een van die prikkelgevoelens, waarmee, gelijk wij in ons derde deel zullen zien, de moderne tijd zoo gul is. De twee volgende liederen zijn er bijna weergalooze voorbeelden van: Het kanailje.
Wij zijn zoo gemeen.
3o. Daarentegen zijn er voor al die opgezweepte nijdschakeeringen en haats-opvlammingen: een nieuwe schat van SCHELDWOORDEN en scheldconstructies noodig, opspeeltermen en krachtzinnen. Onze taal, die vroeger zoo nogal kalm was, heeft in den socialistenmond der laatste jaren, hierin dan ook een nooit vertoonde productiviteit ontwikkeld. Gelukkig blijven ze voorloopig nog in de partijbladen. Maar van koud psychologisch-linguistisch standpunt is dit verschijnsel uiterst merkwaardig. Men oordeele weer zelf. Een zekere mijnheer Bommer heet in een stuk van den Tabaksbewerker, die pas te voren alleen zakelijke stukken beloofd had, onder andere:
4o. Maar deze afzonderlijke woorden geven nog geen
flauw denkbeeld van HET TALENT DEZER SCHELDVIRTUOSEN. Wij moeten daarom de
andere helft van ons materiaal met z'n volle kontekst laten opluiken, in het éénig milieu van geuren en kleuren dat hen omstoeit, om althans eenigszins den onstuimigen afkeer aan te voelen, die deze schrijvers en dichters voor hun medemenschen bezielt. De liefde mag men er gerust met de lantaren gaan zoeken. .... Daar ziet elk denkend wezen onmiddellijk in, waar de groote
slok-op zit, die de arme boeren en andere werkers op het land tot op het
gebeente uitzuigt etc. (Troelstra: De S.D.A.P. 1899 blz. 33). De
klasse-bewustheid staat niemand in den weg, om te onzaliger ure den stap te
zetten van arbeider naar dood-eter. (Klassenstrijd, Fred. Emons, 1905 blz. 11).
- En wie.... van 't parasiteerende kapitalisme in den arbeidersstand
verviel.... (ibid.). - Dan doen immers de bourgeois en verdere nietsnutters
óók aan socialisme? (ibid.). - De schrapers vonden zoo'n
‘vertegenwoordiging’ e.t.q. maar wat lekker en het volk zat in de
klem. Eerst toen zoowat alles uitgeperst en uitgezogen was, kwam men op 't
denkbeeld.... (ibid. pag. 19). - Hier leest men wat de menschen, die zoo te
keer gaan tegen de ‘rotte maatschappij’, en te-velde trekken tegen
de ‘vuile kapitalisten’, waard zijn. (ibid. pag. 47). - In zijn
‘Theorie en Beweging’ 1902 laat Troelstra op blz. 9 Radboud zeggen:
‘Liever met mijn voorvaderen in de hel, dan met die schooiers van
christenen in den hemel!’ - ‘Ds. Kuyper, handlanger thans van de
uithongeraars, vuistkapelaan voor de van...., beulshelper voor de woordbreukige
van...., werpt zijn in deze dagen hinderlijk profetenmanteltje af, en komt te
voorschijn in z'n ware plunje van kapitalistenknecht: veilig door de moordende
macht der geweren, waarop hij rekent, bespringt hij den zwakken arbeider, werpt
hem ter aarde, legt hem kluisters aan en tracht hem den strik om den hals te
winden. (Het Volk, 8 Mrt. '03). - Onze Christenen smullen. Het leger der zich
tegen nieuwe kneveling en vertrapping verzettende arbeiders ligt verslagen en
zij waren als nog niet zeer hongerige beesten, die geen haast hebben, rondom
hun prooi honderden en honderden slachtoffers. (Het Volk, 17 April
1903).-‘Omdat die klasse (proletariërs).... daar hij de hoop is
geworden van allen die gruwen van de zonde, de huichelarij, het onmenschelijke,
het laag materialistische, het plat egoistische, het alle waarden van het leven
naar geld taxeerende, menschelijke schoonheid, kunst, wetenschap en geloof
prostitueerende, dat het kapitalisme kenmerkt’. (Troelstra S.D.A.P. 1912
blz. 54). - De stompzinnigheid, ruwheid en bestialiteit. waardige uitvloeisels
van het regeerings despotisme sluiten ten eenenmale ieder ideaal uit, dat met
heftigheid om verwezenlijking vraagt. Door het kunstmatig kweeken van dien
kuddegeest, in de democratische phraseologie ‘gemeenschapsliefde’
geheeten, is iedere uiting van het zelfzijn in het individu gedoemd om in de
klem te worden gesmoord. - Over de Christenen: de gieren der zich christelijk
noemende en wanende kapitalen-macht. - Over Talma: een duivel met Gods naam op
de lippen. - (Troelstra; voorwaarts, marsch! Ons standpunt bij de verkiezingen
1905.). - vrije universiteit.... een drilschool ter opkweeking van
Kuyperiaansche volksmenners (blz. 3). - Het is noodig tegenover de
volksmisleiding, waaraan zich, om uit den grootkapitalistischen en
kleinburgerlijken hoek de kiezers te vangen, de Regeering en hare trawanten
schuldigmaken. (blz. 4). - De geloovige arbeiders zijn, vooral door de kleine
‘Christelijke’ pers, de leugenfirma Aalberse, Sybrandy & Co.,
door Dominees en pastoors zóó tegen ons opgezet dat etc. (blz.
10). - .... ‘zegt deze duivenmelker’ (dr. Kuyper) ‘dat wij ze
willen lijmen’ (blz. 14). - Het oppermachtige hoofd der coalitie is dr.
Kuyper, de man met de biceps, de waakhond voor de brandkast. - .... Deze
Kuiper, voor wien de ‘kleine luyden’ van ons land de duigen waren,
die hij in de hoepels zijner theologische systemen besloot, is nu geworden tot
visscher in de troebele wateren van het liberalisme en de sociaaldemokratie is
de pols of kodde geworden, waarmee druk in 't water wordt geplonsd,
om de verschrikte vischjes - de goudvischjes niet te vergeten - in de ‘Christelijke’ netten te vangen, (blz. 26 en 27). - ....Waar de Nederlandsche Opperchristen (dat is Abr. Kuyper natuurlijk) in plaats van het gelaat van den man van Nazareth, dat van een Bismarck of Napoleon heeft vertoond en het teere rijs met ruwe hand heeft neergegooid en met lompen poot vertrapt. (blz. 39, 40). Uit de Notenkraker citeeren wij nog:
31. Er is voor de kapitalistenkliek toch een nieuwe kans geboren. - O, diep gezonken Kamer! - O, oude zwijnenstal! Notenkraker 25 Mei 1912.
De eerste kamer.
(Notenkraker 10 Febr. '12).
5o. Maar de vergroving der socialistische arbeidersmentaliteit: toont zich in de taal ook door een ruwe rauwe zinbouw, het kiezen van woorden en constructies uit veel lager kringen, als de meeste schrijvers dat gewoon zijn; en een bedenkelijk gemis aan kieschheid en goeden smaak zijn er het gevolg van. De lezer oordeele alweer zelf. IS DAT BESCHAVING? Het grof materialisme.... kreeg opnieuw de overhand en
dáármee poogt men den ongelukkigen arbeider op te knappen, den
man, die gewillige ooren heeft voor een moelvechterij (debat) waarin hij over
zijn stoffelijke belangen heel veel aanlokkelijks komt braddelen. Klassenstrijd
Emons. 1905 blz. 20. De conclusies dier snuffelaars staan lijnrecht tegenover
elkander: De eene zegt, klassenstrijd, de andere: je bent mal! - de beschaving
der menschen brengt heil, maar geen onzinnig klassengewauwel! (ibid. pag 25).
Troelstra: Voorwaarts marsch! 1905. Het tuchthuis ontwerp van Cort van der
Linden, een stuk nare reaktie, waarbij de aanhangige strafwet novelle van Loeff
nog maar een beestje is (blz. 24). - .... de regeering en hare vrienden
stellend in staat van beschuldiging, wegens den schandelijken aanslag op het
beetje macht der arbeiders, zoodra dit in Januari 1903 openbaar werd. Een aanklacht waarmee wij hen tot de deuren der hel zullen vervolgen, wegens het op straat gooien van 5000 arbeiders, alleen, opdat zij (hen)....zouden kunnen voorliegen.... (blz. 39). Ziedaar Mr. Aalberse's plan; komt het tot uitvoering, dan kan de volksverdomming, de geestelijke kneveling, op groote schaal ter hand genomen worden. Het Volk 5 Mei 1903.
‘Partijgenooten, wij kunnen dit ook bereiken als gij uw body er maar achterzet. Volk 31 Mei 1903. - Dat de boel er zoo slechts voor stond, dat het donderen werd en het niet kwaad zou zijn, zoo er een klein ontsporinkje of ongelukje gebeurde. - Over H.M. de Koningin, (Volk 26 Mei 1903.) - (rondgevoerd) ‘Als een nummer van een kijkspul voor een gapende menigte. - Over niet-socialistische socialisten, (Volk 1 Mei 1903.) - ‘Een afzichtelijke bende eerafsnijers’ die in de vijandige pers haar smerig handwerk verricht. - ‘gore socialistenhaat’ (in de partijtaal) - muilkorven: dwingen te zwijgen. - judasserig. Uit den Volkscatechismus voor ons land, bewerkt door W.P.G. Helsdingen: 3o. Les, 1o. Vraag. Hebt ge tegenover de maatschappij plichten te vervullen? Antwoord. Een mud vol. - 2o. Vraag. Hebt ge daartegenover aanspraak op rechten? Antwoord. Een schijntje. - 26o. Vraag. En de vrouwen? (hebben die kiesrecht?) Antwoord. Die tellen heelemaal niet mee. Die zijn gelijk gesteld met idioten, gevangenen en kinderen. - 4o. Les. (Titel) Over de vraag, waar het belastinggeld aan verdaan wordt. Uit Laat de Christenen maar slapen van L. Hermans kies ik nog: De vagebond.
Klassenstrijd, door Fred. W.H. Emons. - (pag. 20.) ‘De man die gewillige ooren heeft voor een moelvechterij, waarin hij over zijn stoffelijke belangen heel veel aanlokkelijks komt braddelen’. - De hondsche behandeling van de patroon of z'n handlangers. - De arbeiders terug jagen in hun kot. - Onze dierlijke roofmaatschappij. Notenkraker 18 Jan. '13. De oorlogsbegrooting.
In ‘De Vrije Socialist’ wordt van ‘Recht voor Allen’ gezegd, dat het ‘perfide gemeen is en met paardevijgen gooit’, waarop R.v.A. nog lieflijker uitvalt met ‘schelden, verdachtmaken, bezwadderd, poespas van onhebbelijkheden, geschreeuw en getoeter, een Blauwbaard die zijn vrienden en beginselen afmaakt, een verrader, een sujet’. 6o. Ten slotte geven wij hier nog een lijstje tamelijk nieuwe woorden, die noodig waren voor de socialistische begrippen over maatschappelijke en economische verhoudingen. Zeer vele ervan zijn met of zonder hun aanvankelijke gevoelskleur reeds overgenomen in het algemeen beschaafd. Specifiek socialistische woorden en uitdrukkingen Men ziet hieruit reeds, dat onze socialisten een heele reeks Germanismen in hun partijtaal hebben overgenomen. Adama van Scheltema zegt hierover zeer terecht in De Grondslagen eener nieuwe poëzie, Rotterdam 1908: ‘Het Duitsche onkruid tiert welig in de sociaal-democratie: de soc. dem. wetenschap en levensbeschouwing zijn geheel van Duitsche geboorte; de voornaamste wetenschappelijke organen waar de soc. dem. leiders uitputten, zijn Duitsche; bijna al de vertaalde brochures zijn uit het Duitsch; en ten slotte leeren de autodidacten uit het proletariaat in de eerste plaats Duitsch. In waarheid zien wij propagandisten onder de soc. dem., die zóó door de wol geverfd zijn, dat zij in de meest letterlijke zin geen Hollandsch meer kunnen schrijven, en brochures vertalen, die achteraf nog meer op Duitsch dan op Hollandsch gelijken! De soc. dem. pers zelve gaat hierin voor, en niet alleen ‘Het Volk’, ook meer letterkundige periodieken als wijlen ‘De Kroniek’ en ‘De Nieuwe Tijd’: woorden als: planmatig (overlegd, met overleg) aanvechtbaar (betwistbaar), de breede schicht (laag klasse) heenwijzen naar (doelen op), geplande werkstaking (voorgenomen, beraamd), enz. enz. zijn schering en inslag, maar wat zegt men van de volgende, uit genoemde periodieken opgeteekende, uitdrukkingen: het bevestigt zich (V), een beginsel vertreden (Kr), wie er geen vrede mee heeft, kan er zijn bedenken tegenover plaatsen (V), een voorkamper (NT), een nogmalige kritiek (NT), een wetenschappelijke vorsching (Kr), langwijlig (Kr), het leert ons andere hindernissen te omgaan (NT), uit haar aangehoorigheid tot de arbeidersklasse (V), hij wijst er in heftige beweging op (V), cursusvergaderingen beleerden de deelnemers (V), het klassebelang (dat) de inzichten bestemt (Kr), een eenheidlijk karakter (Kr), het tweede boek bemoeit zich met aan te wijzen (NT), zooals onze geest zich in de ruimte terecht vindt (NT), de moraal is het samengevatte inbegrip van ... (NT), de orde oprecht te houden (V), och laten wij er ons niet veel bekommernis over aannemen (Kr), bestatigen (V), de heer B. werpt zich in de borst (V), kan ik er niet omheen een woord bespreken over...(V), doch elkaar haten zij zich alle even hard (V), de hoogzomertijd (V), de philosoof moet als zoo materialistisch mogelijk worden nagewezen (NT), negerslavernij (Kr), de gezinningen en handelingen der menschen (NT), de kunst afzijds van de groote stroomingen (NT), tegenwillige onderwerping (V), de eerste mei werkte zoo beruischend (V), enz. enz. Is het niet ongelooflijk! En dit zijn geen uitpluizerijen, maar in korte tijd, zooals zij voor de hand kwamen opgeteekende en gemakkelijk met dozijnen te vermeerderen uitdrukkingen. En in plaats dat de letterkundigen in de partij dit tegengaan, gaan zij daarin voor: verreweg de meeste der opgeteekende germanismen uit de NT zijn van Gorter of Roland Holst afkomstig. Wat te zeggen over het Hollandsch van ‘De nieuwe Geboort (‘Die Neue Geburt’), dat soms meer Duitsch dan Hollandsch schijnt, dit voorbeeld van gewrongen en gemaakte taal, om toch maar anders dan gewoon te schrijven. Naast een aanhaling uit de tallooze willekeurige woord en zinsconstructies, als: ‘Soms breekt iets binnenst, en omvatten wij de wereld momentaan’, ‘In schemeruur overkomt haar te droomen’, enz.; de volgende germanismen: alnachtlijk, waar alle wegen enden, hun hand preste hun hart; klaart een venster der ziel zich, wel had ik gespand de hemelen doorreisd; 't jaar schijnt te wijlen, eens zat ik in zeldene stilte, mij bangt, de arbeiders voelden zich zoo ‘heimlijk’, of uit Gorters ‘Verzen’: ‘Vanaf bewogen gestaden zien wij naar heerlijke ginders’ (??) of waar hij zijn held door het ‘dageslicht’ laat gaan!’
Over
Herman Gorter en
Mevrouw Roland Holst, heb ik, na de vermelding hunner
socialistische Duitsche woorden, hier niets meer te zeggen; want dat hun taal
op alle andere punten, evenver van alle echte socialistische-arbeiders-spraak
afwijkt: als exotische cactussen van paarde- en zonnebloemen, is aan iedereen
voldoende bekend. Ook Adama van Scheltema zelf, is een veredelde socialist. En
zoo houdt zijn taal het midden tusschen die van
Kloos en
Rik Mijn hart.
En dat zulke poëzie ook bij echte socialistische arbeiders weerklank vinden kan, bewijze ten slotte een uitzonderings-stroof van E. Moyson:
Dat is dus de taal der zieke socialistische arbeiders in al haar lief en leed. Wij kunnen ze mooi vinden of leelijk, als taalkundigen hebben wij er rekening mee te houden. En wij zijn er voorloopig nog niet van af. Want het voorbeeld der omliggende groote landen, Frankrijk en Duitschland, die ons in de wereldbewegingen gewoonlijk een beetje vóór zijn, leert ons, dat wij nog niet voor het socialisme te lijk zullen mogen gaan. Toch begint het vroegrijpe leventje reeds teekenen van seniele aftakeling te vertoonen, daar het zich voortdurend meer bij de burgerpartijen gaat aansluiten. Een groote stap was het revisionisme der Parlementariërs: met het onvermijdelijk gevolg, dat Van der Velden Belgisch staatsminister werd, dat Troelstra zich in een hofkoets naar de koninklijke lunch laat rijden, en Ter Laan met den burgemeestersketting omhangen Hare Majesteit bedankt voor het vertrouwen in hem gesteld. Vroeger waren ze consequent in het openhouden der wonden, en stemden ze tegen alle sociale wetten, maar thans durven ze dat al zoo stout niet meer aan. In den beginne kondigden ze den socialistischen heilstaat voor de allernaaste toekomst aan, waarschijnlijk ca 1880, zeker in 1900 te verwezenlijken. Nu geven ze al toe, dat hun revolutie meer op een evolutie zal gelijken; en dat de overgang der productiemiddelen in de handen der gemeenschap: een proces is dat misschien nog eeuwen van ontwikkeling vraagt. Zoo evolueeren de leiders. Zien wij nu de fabrieksarbeiders zelf. Hun lot wordt zeer merkbaar beter. Van de meest verschillende kanten werkt men samen: om geleidelijk zoo mogelijk alle redenen van ontevredenheid weg te nemen. Ook deze sociale hervormingen vragen echter tijd en geduld. Als wij er echter in slagen: 1o rechtstreeks door godsdienst en hoogere ontwikkeling het bewustzijn en de levensvreugde der arbeiders te verbeteren; 2o de eentonigheid door variatie van werk, vermindering van al te langen arbeidsduur en opklimming tot een breeder vak te verminderen; 3o door een nauwkeurig afwegen van voor- en nadeelen in de verschillende bedrijven de arbeidssplitsing eenigszins te beperken, of althans niet verder door te voeren; 4o buiten de fabriek door goed voedsel, rust, uitspanning en familiegeluk den dagelijkschen arbeid te verzoeten; 5o door de collectieve arbeidsovereenkomsten den werkman praktisch te doen beseffen, dat het hem niet wèl kan gaan, tenzij het ook zijn patroon wèl ga! Dàn worden vanzelf de oorzaken van de socialistische mentaliteit dérmate verzwakt, dat een heel ander complex van beslommeringen hen zal gaan beheerschen. Zoodoende wordt dus van lieverlede de pas-ontstane socialistenbedding weer ondieper en breeder, totdat hare wateren zich in de stroomen van andere hervormingspartijen gaan verliezen. Het socialisme zal geen twintig eeuwen oud worden. - Maar ook in het betrekkelijk korte verleden heeft het reeds merkwaardige verandering in onze Nederlandsche taal gebracht. Dat kunnen wij evenwel pas in z'n volle breedte en diepte, in ons derde deel overschouwen. |