Negende hoofdstuk. De soldatentaal.Om de psychologie van het huidige Nederlandsche kazerneleger wetenschappelijk te verstaan, zijn drie dingen noodig. In de eerste plaats moeten wij het militaire zieleleven kennen, afgezien van nationaliteit of tijdstrooming. In de tweede plaats moeten wij dan het Nederlandsche soldatenleven tusschen 1850 en 1880 onderzoeken. En ten derde moeten wij de veranderingen nagaan die de laatste dertig jaren in onze kazernes hebben gebracht. Want wij leven thans in een tijdperk van overgang. Allerlei nieuwe stroomingen doen zich sedert 1880 in de kazerne gevoelen. Maar daartegenin en daaronder woelt nog de oude sleur. En dit zullen wij juist in de soldatentaal het aller duidelijkst bespeuren, omdat de taal als traditioneel familiestuk, in haar uitdrukkingsmiddelen door de bank veel meer onder den invloed staat van het vorig, dan van het thans levend geslacht, en zij dientengevolge de nieuwere sociale ontwikkeling altijd een beetje ten achter is. Over de psychologie van den 19d eeuwschen West-Europeeschen soldaat in het algemeen hebben wij twee nuttige onderzoekingen uit den laatsten tijd, die elkander zeer goed aanvullen. De eerste is het ‘Essai de psychologie militaire individuelle et collective’ van den Franschen officier van gezondheid M. Campéano, Paris 1902. Deze schrijver is een vereerder van het leger en ziet er bijna niets dan goeds in. A. Hamon's: ‘Psychologie du militaire professionnel2’ Paris 1904 daarentegen, is het réquisitoir van een heftig anti-militairist. Campéano nu begint met erop te wijzen: dat het leger er heel
en al op ingericht is, om een verstandig en nuttig gebruik te maken van de
psychologie de la foule. Welnu, waarin bestaat dan het eigenaardige van deze
psychologie der menigte? Niet elke bijeenkomst is een menigte. Zoo vormden de
passagiers en de bemanning van de ‘Titanic’ in de eerste dagen van
haar vaart, slechts een heele losse sociologische groep. Maar op den
noodlottigen avond van de ijsbergen in zicht, en vooral nà de aanvaring,
ziet, toen voer er ineens een besef van gemeenschappelijken doodsnood door die
honderdtallen: plotseling voelen zij hun eenheid, en zij handelen ‘en
foule’. Niet altijd echter slaat die band zoo plotseling: om een groep
van de meest uiteenloopende mentaliteiten z'n eenheidsklem vast, neen meestal
komen de menigten voort, uit 't langzaam samenvloeien en samenstroomen van
velen, in het nastreven van een gemeenschappelijk doel, m.a.w. uit reeds zeer
hechte sociologische groepen. Wat moet hier nu nog bijkomen om er een menigte
van te maken in psychologischen zin? Een sterke prikkel. Opwinding,
betoovering, opzweeping, hartstochtelijkheid. Een aanval op hun dierbaarste
goederen, van vijanden of gevaren: op hun bestaan, materieel of moreel! En dan
opeens breekt de menigte los. Alle eenlingen schijnen eensklaps hun
individueele hoedanigheden te hebben verloren. Alle beschaving, opvoeding, gezond verstand, zelfbedwang en willekeur verdwijnen: er laait slechts één hartstocht, ten goede of ten kwade geleid, dat hangt van de omstandigheden en de menners af, maar onstuimig, onbetoombaar, geweldig als een wervelvloed. In zoo'n menigte heeftieder, juist door het getal der menigte, een besef van onverwinlijke macht naar buiten, maar naar binnen zwicht hij voor instincten, die hij alleen en afzonderlijk zonder moeite zou hebben onderdrukt. Ieder schudt alle verantwoordelijkheid van zich af, de menigte is anoniem. Wie het eigenlijk gedaan heeft, komt nooit uit, ze hebben het allen gedaan. Ieders suggestibiliteit groeit ook tot in het ongeloofelijke. Alles nemen ze aan. Elke met overtuiging uitgesproken beoordeeling of waardeering: plant zich met epidemische zekerheid in alle hoofden voort. Alle geest van kritiek, op eigen daden en overtuigingen, zwijgt ten eenenmale. Niemand luistert naar argumenten, allen voelen slechts: en gloeien. Ze zijn ontzettend prikkelbaar voor allen weerstand, en lichtgeloovig voor alles wat op den weg ligt van hun hartstocht. Alle gevoelens zijn overdreven, maar zoo weinig gecompliceerd mogelijk. De menigte is onverdraagzaam en despotisch, wreed en cynisch; maar ze kan ook komen tot daden van ongelooflijken heldenmoed, zelfverloochening kweeken in de individuen, doodsverachting en weergalooze dapperheid. - Als het menschdom in zijn geschiedenis: moest missen al de daden der menigte, en alleen mocht bewaren de nagedachtenis der feiten, met koel overleg door individuen gewerkt, voorzeker, vele misdaden en gruwelen zouden uit het zondenregister der wereld worden weggeschrapt; maar ook vele gloriën van ons geslacht, zouden spoorloos uit de annalen der menschheid moeten verdwijnen. De Fransche revolutie is grootendeels een aaneenschakeling van gruwelen der menigte, maar al de groote veldslagen der wereldgeschiedenis hebben de overwinning, en een dikwijls glorieuze overwinning gebracht aan den veldheer, die van de psychologie der menigte wist partij te trekken, in den volsten zin des woords haar aanvoerder, haar leider was. - Daarom dan ook is - altijd volgens Campéano - elk goed georganiseerd leger er op ingericht: om de manschappen zoodra het noodig is, in een menigte te metamorphoseeren, hun in die onverantwoordelijke oogenblikken, verstandige, verantwoordelijke, ja zoo mogelijk geniale en heldhaftige officieren te verzekeren, en daarentegen door tucht en straffen ten strengste te waken, dat die ‘menigte’ niet in ongewenschte oogenblikken uitbreekt, en zich aan onwettige, vaak gewetenlooze menners zou prijs geven. Daarom zou het leger niet slechts een hechte sociologische groep, maar zelfs een soort kaste moeten vormen. Daarin toch kunnen de opvlammingen der menigte naar wensch verwekt en bedwongen worden.-Al geschiedt de aansluiting bij het leger meestal niet vrijwillig, het breken met de gewone beroepsbezigheden, de heel bijzondere uniform, het gaan inwonen in de kazerne, de gemeenschappelijke slaapverblijven, driloefeningen en maaltijden, met daarenboven de min of meer ruwe bejegening, en de strenge straffen, geven aan den soldaat, wiens krisis-leeftijd niet weinig tot het beoogde doel meewerkt, een vermindering van eigenwaarde, maar een groepsbewustzijn dat sterker is dan bijna overal elders, maken hem kortom tot lid van een kaste. En dit gaat zelfs zoover, dat de wapens onderling: elkaar weer als vreemden beschouwen, en dientengevolge met allerlei min of meer verachtelijke namen betitelen. Zeker de persoon boet daarbij vele van zijn individueele gaven in, zijn fijn gevoel stompt af; elke kaste toch biedt aan zijn adepten een stelsel van ideeën, geheel pasklaar zónder zijne medewerking; hij vindt er, zonder dat hij er iets tegen vermag, een systeem van tuchtvoorschriften en levensregels, die tot in het allerkleinste afdalen, en waaraan nu eenmaal niets te veranderen valt. Hier heerscht een almachtige traditie, en alle nieuwe ideeën van beneden af, zijn ten eenenmale uitgesloten. Hier niets van studentikooze spontaneïteit of levensvrijheid, hier is alles genummerd, gereglementeerd en voorzien. Geen hooger élan motiveert dan ook de dienstverrichting, het is een drilschool, waarin ieder zich goedschiks kwaadschiks onder de plak houdt, maar aan bijna alles een hekel heeft, en waarvan de meesten in jongensachtige zorgeloosheid, maar toch vaak niet zonder spetterende hoop: het einde verbeiden. Daaraan beantwoordt nu ook de soldatentaal. Weinig vinden wij hier van die spontane invallen en geestige extemporaties uit het Academieleven. De grappen en quasi-geestigheden zijn gewoonlijk nog al bot. De kastegeest spreekt duidelijk uit een tamelijk verregaande differentiatie der soldatentaal. Ze wijkt over 't algemeen nog meer van de gewone omgangstaal af dan het studentenjargon. - Het ‘audi et alteram parten’ indachtig, geven wij nu eerst de hoofddenkbeelden van den tegenstander A. Hamon. Deze gaat er van uit, dat het doel van het leger: de oorlog is; die zelf uit een aaneenschakeling van daden van geweld bestaat. Daarom moet dus zoowel de opvoeding der officieren, als de drilling der soldaten erop berekend zijn: hen geschikt te maken om op het gewilde oogenblik, zoo veel en zoo vreeselijke daden van geweld te stellen, als maar eenigszins mogelijk is. Daarom moeten zij gehard worden tegen lichaamsvermoeienis niet alleen, maar ook tegen pijn en ongemak, honger en dorst in henzelve. Gehard ook vooral tegen het medelijden met anderen. Vandaar in oorlogstijd dan die vrees voor niets, het minachten van kleiner of grootere wonden, het niet-tellen van menschenlevens, die dorst naar bloed en kanonnenvleesch, die soort moreele anesthesie die bijna allen uit de vuurlinie meebrengen, zoodat het doorstane levensgevaar zich in gruwelijke wreedheid ontlaadt. Maar ook in vredestijd toont zich deze onbarmhartigheid, ja onmenschelijkheid, maar al te vaak in de kazerne. Hoe dikwijls lezen wij niet van gruwelijke mishandelingen door meerderen hun minderen aangedaan, vooral in het Duitsche maar ook in het Fransche leger. Deze zijn weliswaar tegen de reglementen, en worden dan ook bij gelegenheid disciplinair gestraft. Maar hoe licht zijn vaak die straffen, door de collega's van den krijgsraad uitgesproken! En zelfs de hoogste militaire overheden, die de reglementen opmaken, geven dikwijls in hun voorschriften, vooral in zake straffen, van verregaande hardheid blijk. Vandaar ook het veelvuldig brutaliseeren van vreedzame burgers. Daar komt dan nog het onbewuste en soms zelfs bewuste vooroordeel bij: dat niet het leger voor de burgers, maar de burgers voor het leger moeten dienen: een soort kaste-trots, die diep neerziet op alles wat geen uniform of sabel draagt! Een verzachte vorm nu van die onmenschelijke ruwheid in daden, is de ruwheid in woorden en taal. Dezelfde overprikkeling toch van hardheid en gezags-trots, die de van nature ongevoeligen ook in vredestijd tot daden van geweld en wreedheid brengt, leidt in meer gevoelige temperamenten ten minste tot een uiterlijke ruwheid, een onbeschoftheid van taal, die misschien in geen enkele andere laag der maatschappij haar weergâ vindt. Wijl nu de meeste officieren en onderofficieren, natuurlijk de militaire loopbaan kiezen, uit een zekere neiging van strak temperament, zijn verreweg de meesten hunner brutaal in hun daden, maar allen zonder uitzondering brutaal in hun woorden en taal. Ik heb met opzet Hamon tot hiertoe gevolgd, om te laten zien, dat
hoe diep waar, ook veel van zijn beschouwingen zijn, hij zich toch op den duur
door zijn antipathie tot onmiskenbare overdrijving laat verleiden. Om wille der
volledigheid vermeld ik slechts in het kort, dat hij in zijn laatste twee
hoofdstukken omtrent de zedelijkheid, het leger van tamelijk algemeene
perversiteit beschuldigt. - Hoe verhield zich nu het Nederlandsche leger van
ca 1850 tot 1880 ten opzichte van deze algemeene gegevens? Op de
eerste plaats is er bij ons kalme Hollanders veel meer noodig dan bijna overal
elders, om welke sociale groep dan ook: in een gloeiende ziedende menigte te
veranderen. Breekt ze los, dan is zij er echter des te geweldiger om. Dat
bewijst onze woeste dapperheid in den uitersten nood. Daarom echter kent ons
leger ook niet die aanstekelijke adoratie voor sommige kranige hoofdofficieren,
niet dat dwepen met dit of dat, niet die eerste bevliegingen van dapperheid,
oplaaiend bij het eerste geruchtje. Verder zijn wij een echt-republikeinsch
aangelegd volk: we buigen ons niet gemakkelijk onder het gezag; we morren en
mopperen gauw en graag, en kritiseeren onze meerderen met meer realistische
scherpzinnigheid, dan de meeste volken om ons heen. Maar ten derde: Het groote
verschil tusschen de Nederlandsche kazerne, en die der andere groote
mogendheden, was zeker, dat de geest onzer troepen die na 1830 - '31 van geen
krijg meer wisten, veel minder oorlogszuchtig was. En juist omdat de oorlog met
zijn daden van geweld in hun zieleleven niet die éénige en eerste
plaats innam, waren ook de wreedheden en onmenschelijkheden bij ons zeldzamer.
Ook het lastig vallen der burgers bleef ten onzent binnen zekere, elders vaak
overschreden perken. Maar al stond het oogenblikkelijk oorlogsgevaar op het tweede plan, de militaire opleiding was er niet minder krijgshaftig om, en zoo ontwikkelden zoowel meerderen als minderen, ook ten onzent, de gebreken van hun goede eigenschappen: een zekere stugge hardheid van gevoel, en een aanmatigende uitoefening van het geringer of grooter gezag: en uit al deze oorzaken vloeide voort: een verregaande ruwheid van taal, en een onbehoorlijk repertorium van schimp- en scheldwoorden: voor minderen en meerderen. Daar verder het godsdienstig en zedelijk leven gedurende dit tijdvak niet bijzonder bloeide, werden de krachttermen veelal in vloeken, de grappen en moppen maar al te vaak in kringen van verdacht allooi, en de oorspronkelijke zetten niet zelden in obscene toespelingen gezocht en gevonden. Ik zou ten bewijze hiervan een heele reeks versjes kunnen aanhalen. Gelijk men weet, leert het kader aan de miliciens, om de verschillende signalen gemakkelijker te onderscheiden, gewoonlijk eenige rijmpjes van erg simpele makelij, maar waarvan het rhythme nauwkeurig met het signaal overeenkomt. Nu worden deze versjes echter voortdurend veranderd en uitgebreid, en wel zoo goed als altijd naar den viezen of obscenen kant. - Tegen al te verregaande conclusies hieruit waarschuwt echter Generaal Fabius, als hij schrijft: ‘Opmerkelijk is het, hoe in de kazerne - en bijna even sterk in de lagere volksbuurten - het woord ‘Sodomieter’ als het ware in ieders mond bestorven ligt; alhoewel de paederastie - wàt dan ook de z.g. uranisten durven beweren - gelukkig geheel buiten de zeden ligt. Zoo hoort men een moeder uit de heffe des volks haar kind betitelen als ‘lief sodomietertje’. Ook het woord koejeneeren, vroeger toch zoo algemeen in gebruik (zelfs b.v. bij Mevrouw Bosboom-Toussaint) duidt op die onzedelijkheid.’ Men zal dus wijs doen, met te bedenken, dat velen op dit punt allerlei woorden gebruiken, die ze eigenlijk niet verstaan, of zeker niet bedoelen. Maar van den anderen kant is toch de invoering van zulke termen zeker aan mannen te wijten, die ze maar al te goed verstonden. Vooral bij de artillerie was het mode, telkens om de twee woorden een vloek in te voegen. Ca 1870 ging een hoornblazer van de bereden wapens, behoorend tot een compagnie, die generaalszoons onder haar volontairs telde, er prat op: een nieuwen vloek te hebben uitgevonden - hij vroeg er een kwartje voor. Inderdaad, sinds Karel de Vijfde's ‘ordonnantie tegen de blasphemie’ waren wij op het einde der 19de eeuw nog maar weinig vooruitgegaan. Onze militaire romans en novellen uit die dagen laten de oudgedienden wel met ‘duizend bommen en granaten’ vloeken, maar durven toch de eigenlijke kazernetaal in al haar ruwheid niet aan. De eenige, die het gewaagd heeft, al die vuiligheden, vloeken en scheldwoorden neer te schrijven was de generaalszoon L.H. Drabbe in ‘Het dappere Hollandsche leger’5 (z. pl. en j.). Het minst stootende hoofdstukje laat ik hier ‘met permissie’ afdrukken. Alleen zal ik de vloeken en erger door een x vervangen, want anders liep het de spuigaten uit. Inspectie-delirium.De vierde compagnie zit in draf; overste Blom, de
bataljonscommandant, zal z'n driemaandelijksche inspectie houden. Er is gelast
uitpakken op de bedden. De dikke compagniescommandant, kapitein Frikkers (de
man staat op promotie) heeft 't buitengewoon met z'n eigen te kwaad, z'n
opgeblazen, rooie kop met de zwarte snor glimt van zenuwachtige agitatie,
benauwd als hij is voor bemerkingen van den god-overste. Op den avond te voren
heeft hij àl z'n kader bij zich op 't bureau laten komen; in een
kringetje stonden de onderofficieren en korporaals om hem heen, hij midden-in
en met militair aplomb legde hij den nadruk op 't gewicht der
driemaandelijksche bataljons-inspectie, er mocht geen bliksem aan mankeeren,
zei-die, want anders kwam 'r ‘stront an de knikker’; hij zou de
onderofficieren onherroepelijk straffen als hun sectie, en de korporaals,
‘met 'r klooten in de politiekamer donderen’ als hun escouade niet
in orde was. Dàt heeft Frikkers streng militairement georakeld, met
opgetrokken wenkbrauwen en heesch-hijgende stem van lijfdikte. Maar datzelfde
kader - 't noemt z'n kapitein ‘de ouwe hoer’ - had 'r maling an; de
gebruikelijke termen van dien kant bleven ook niet uit; de kapitein kon hun den
bout hachelen, de bullen zou'en toch wel kloppen, zoo'n inspectie voor de B.C.
was geregeld kouwe kak. En vanmorgen was dikke Frikkers al om half tien op de
chambree aan 't manoeuvreeren. De sergeant van de week heeft 'n boel moeten
slikken van den ouwen hoer; zoo moest hij expliceeren, waarom de kwispedoren
nòg van geen schoon laagje zand waren voorzien, waarom de groote
koffieketel niet blank was geschuurd, en het onderste randje van een beschot
zoo goor zag. - En nu, kwartier vóór elf - om elf uur wordt de
B.C. verwacht - loopt-i, met het gejaagde gevoel van een regisseur
vóór 't opgaan van 't scherm, blazend, puffend de vier
sectiën af, de glimmende sabelscheede kletterend tegen de ijzeren kribben.
Opeens ontwaart Frikkers den kamerwacht nog in corvee-tenue - x vent, wat ben
jij? - Kamerwacht, kaptein. - Nou, lummel die je bent, mot je dan
zóó bij de inspectie voor den bataljonscommandant verschijnen?
gauw als de bliksem je mouw-vest aan, je hebt geen permissie vanavond. - Maar
kaptein.... - Ja, hou nou maar gauw je smoel, anders douw 'k je de pot nog in;
kijk die vent 'r x 's uitzien, 't is of-i zóo met z'n donder uit de
beerput is gehaald. - Algemeen gelach, óok van de beide
luitenants-pelotonscommandanten, die, elk in z'n peloton, uit verveling heen en
weer drentelen. Voor 't raam van de derde sectie staan twee wateremmers.
Frikkers kijkt er naar, loopt er omheen, blijft er dan vlak vóór
staan. - Sergeant van de week! - Present, kaptein. - Kijk nou's die eene emmer,
zeg! - Wàt kaptein? - Zie je nou niks aan die eene emmer? - Nee,
kaptein, ik heb ze allebei laten vullen en de deksels liggen 'r toch op. - Maar
x x zie je dan niks aan die emmer? - Waarachtig niet, kaptein! - Dan zal ik 't
je zeggen: dat eene deksel ligt scheef; 't oog wil óok wat hebben,
sergeant. - En nu de sergeant, tergend-sarcastisch luid: - Kamerwacht! - Jawel,
sergeant. - Alla, kom hier, leg dat linker deksel conform 't andere! - Kapitein
Frikkers is doorgeloopen. in de zesde escouade gaat hij de richting der kribben
na.. - Escouadecommandant! roept hij op eenmaal. - Present, kaptein. - Jullie
zijn toch eigenlek allemaal beroerlingen; nou sta je d'r vlak met je snotkoker
bij en je ziet niet eens, dat de kribben in je escouade niet gericht zijn. Moet
ik je nou nog leeren, hoe je kribben richt? hé? ga nou hier 's staan,
hier, nou, kijk zelf maar, die vierde krib steekt uit, dat had je toch
ook wel uit je eigen kunnen zien? Laat 't onmiddellek herstellen, korporaal! -
Een der manschappen verduwt, op last des korporaals, de uitstekende krib,
terwijl de kapitein, 'n eind verder, gehurkt, een fictieve lijn langs de
voorkanten der kribben zit te trekken. - Och korporaal, kom hier, 't lijkt
gewoon nergens naar, je staat daar maar te kloothannesse, je moet zèlf
je escouade nagaan, dat is mijn werk niet. En je zorgt, dat de
bataljonscommandant geen énkele bemerking maakt, hoor! Ik waarschuw je! - Bij de laatste sectie spreekt de kapitein den luitenant-pelotonscommandant aan, òm wat te zeggen. - Hier alles in orde, Heuvels? - Zeker, kapitein, behalve bij één man, die mist 'n paar sokken - Wie? - De milicien Akkerman, kapitein. - Frikkers krijgt 'm staan. - Hei jij maar één paar sokken om mee uit te pakken, vent? Escouadecommandant! - Present, kaptein. - Weet jij daar iets van? - Nee, kaptein. - Hei jij dan gisteren die vènt z'n sokken niet nagekeken? Akkerman, waar is je tweede paar? - Geen antwoord. - Nou! sta d'r nou niet bij als Jan Lul, je hebt ze toch niet opgevreten? - Nee, kaptein. - Pak dan alleen met 't andere paar uit, 't is natuurlek die beroerde vent weer; na de inspectie zal 'k de zaak wel verder onderzoeken, 't is nou geen tijd meer; korporaal, je hebt vier dagen kwartierarrest. - Ik, kaptein? maar 'k heb gisteren ... - Hou je mond, korporaal, jij had moeten zorgen, dat die vent met 't reglementair voorgeschreven aantal sokken had kunnen uitpakken; voorloopig stel 'k 'r jou aansprakelijk voor. - Nog even blijft de kapitein het equipementstukkenzootje op Akkerman's bed gadeslaan. - Hei je verder alles present, jongen? - Jawel kaptein. - En nu ineens dikke Frikkers, op een toon van spontaan-verrast zijn: ‘Ligt jou kleerborstel niet verkeerd? die hoort toch links van de schoenborstel.... ten minste.... is 't nief Heuvels? - Nee, kapitein, ik geloof dat de láatste order luidde, dat de kleerborstel rechts van de schoenborstel moet liggen,’ antwoordt de eerste luitenant der infanterie Heuvels. - Ja God, geloove, geloove, daar komen we niet verder mee, waar is de sergeant-majoor? - Frikkers komt meer en meer in draf, 't loopt naar elf uur, de overste kan elk moment komen opdagen. - Sergeant-majoor! och roept de sergeant-majoor is! Present, kaptein. - Zeg, weet jij ook, hoe de de kleerborstel moet liggen: links of rechts van de schoenborstel? - Volgens de laatste wijziging in 't model van uitpakken links, kapitein,’ antwoordt de sergeant-majoor kortaf-gedecideerd. - Zie je, x daar hei je 't geneuk al!’ hervat de kapitein geïrriteerd. ‘Sergeant van de week! - Present kapitein. - Zeg tegen alle sectiecommandanten, dat ze moeten nagaan, of de manschappen bij 't uitpakken d'r aan gedacht hebben, de kleerborstel links van de schoenborstel te leggen. Vlug!! - De vóór-inspectie des kapiteins is afgeloopen, hij is langs alle bedden gepatrouilleerd. Met iets zelfgenoegzaams in z'n fysionomie wischt hij zich de zweetpareltjes van het dikke hoofd. De klok staat op vier minuten voor elf. - Denken jullie 'r aan,’ waarschuwt Frikkers, heen en weer loopend, voor alle manschappen tegelijk en met verheffing van stem, ‘dat als de overste je iets vraagt, dat je 'm dan bij z'n goeie rang noemt, hoor! Niet vergissen; die zich verspreekt, verbeurt z'n permissie en in de houding blijven, tot 'r gelast wordt: op de plaats rust! Begrepen allemaal? Zijn jullie zakboekjes in orde en hebben de sectiecommandanten hun kleedinglijst bij zich? X, vent, sta je daar stiekem te pruimen? Escouadecommandant! - Present, kaptein. - Zie je niet, dat die vent pruimt? - Ik heb 'r niet opgelet, kaptein. - Waar let je dan wèl op? ik zie 't toch óok? Alla, spuug uit die pruim, smeerlap! Sergeant-majoor, schrijf op: vier dagen arrest voor dien vent, wegens 't pruimen bij de inspectie voor den bataljonscommandant. Spuug uit, onmiddellek! - De ‘vent’ duwt de tabakspruim van achter zijn kiezen weg, spuwt ze uit in de holte van z'n hand en kwakt ze argeloos in het kwispedoor. Doch dàar komt de sergeant van de week tegen op. - Bè-je 'n háartje belazerd, kerel, niet in di schoone kwispedoor, breng 'm naar buiten! - De vent dremmelt nog even, rood van verlegenheid. - Hoor je me niet? Neem 'm 'r uit! - Nu bukt de vent zich, pakt voorzichtig de natte, met zand bekleefde pruim op en loopt er mee naar de binnenplaats. - Doe dat zand nou weer wat glad, korporaal,’ commandeert de kapitein. - En terwijl deze langzaam oploopt, moppert de escouadecommandant, die over 't pruim-incident is aangesproken, tegen den sergeant van de week: Als de vent in z'n broek had gepist was 't zeker ook mijn schuld geweest, ouwe hoer! - De kamerwacht zet hier en daar banken voor de tafels terecht, doch Frikkers wil nou niks meer van z'n plaats zien gaan, eindelijk moet 'r maar 's aan dat gedonderjaag 'n eind komen. ‘Ja, schei nou maar uit, zeg, laat die banken nou maar staan, die staan zoo heel goed; ga jij maar liever bij de deur staan, met 'n sabel in je hand; zoodra je den bataljonscommandant ziet aankomen, roep je dadelijk: in orde! Goed duidelek roepen, hoor, dat we 't allemaal kunnen verstaan. Vooruit, weg, marsch! Ik verzoek de heeren pelotonscommandanten, na de inspectie even op het bureau te komen.’ - De heeren pelotonscommandanten knikken, zeggen niks. De kamerwacht heeft gesabeld bij den ingang post gevat. Het is elf uur, Kapitein Frikkers gluurt even door het raam, om te zien of de overste nog niet komt; hij is zéér nerveus. Om zich wat te doen te geven, veegt hij met z'n witte-handschoenvinger langs den achterkant van een muurkastje, bekijkt-ie zich in den spiegel, zet z'n pet wat rechter, gluurt onder 'n krib, of-i ook stof ziet, licht de vouwen van 'n wolletje op, of 'r ook iets tusschen ligt ... nee, alles in orde, nergens één stofje, niks onbehoorlijks, de compagnie ziet 'r presentabel uit. Als nou de kerels óok maar meewerken. - Plotseling de harde krijgskreet: In orde! - De kapitein en de beide luitenants snellen als aangeschoten herten naar voren, blijven bij de deur, bezield door een geest van gelijktijdigheid, alle drie op hetzelfde moment pàl staan, salueeren. De manschappen en korporaals staan stijf voor hun bedden, de onderofficieren aan 't hoofd hunner sectie. Het is een aangrijpend oogenblik, de opening van een wapenfeit. Luitenant-kolonel jonkheer Blom, bataljonscommandant, treedt binnen, gevolgd door den luitenant-bataljonsadjudant en den adjudant-onderofficier. - Mòrge, mijne heeren, alles hier in orde, Frikkers?’ vangt overste Blom aan. - Zeker, overste!’ antwoordt de kapitein levendig. - En nu begint de rondetocht langs de kribben, sectiesgewijze, overste Blom, met ridderorden aan z'n borst, vóórop, achter hem de ellenlange hiërarchieke sleep: compagnies-commandant, pelotonscommandant, adjudant-onderofficier, sergeant-majoor en sergeant van de week. Overste Blom schijnt 'n weinigje blasé, hij kijkt bijna nergens naar, de vierde compagnie boft speciáal. In het eerste peloton loopt alles zonder incident af, maar in 't tweede wil het toeval, dat de overste juist milicien Akkerman aanspreekt. Frikkers zit in transes. - Wel jonge, hei je alles present? zijn je sokken heel? - Jawelle.... majoor. - Hòe zeg je? jonge, jonge, vergis je je nou niet, hé? ben ik nou majoor? - Geen antwoord; Akkerman, toch al niet pinter, is bij 't gezicht van al die uniformen heelemaàl van de wijs. Bête staart hij den overste aan. - Nou? ben ik majoor? hoeveel kwasten heeft 'n majoor? - Twee, kaptein ... majoor ... hakkelt Akkerman. - Hij is wat zenuwachtig, overste,’ vergoelijkt de kapitein. - Zenuwachtig, zenuwachtig, 'n soldaat móet niet zenuwachtig zijn,’ hervat de overste, ‘jonge, jonge, jij mag nog wel is 'n duchtig lesje krijgen, hoor! Wie is je instructeur? - Ik, overste,’ antwoordt korporaal Meyer, escouade-commandant. - Is-i altijd zoo, korporaal? - Ja, overste, hij is erg suf. - Zoo. Wat ben je van je vak, jongen? sta nou toch stil, 'n soldaat moet onbeweeglek stilstaan, als 'n meerdere tegen 'm spreekt, dat is je toch zeker wel geleerd, hé? nou? wat ben je van je vak? - Boere arbeijer, overste ... majoor. - Ja, dat kan 'k wel aan je knuisten zien, 't lijken wel stukken leer! - De gansche sleep lacht. Akkerman bekijkt onwillekeurig z'n werkpooten. En nu wil de overste geestig zijn. - Wat heb je liever in je klavieren, 'n geweer of 'n dorschvlegel?’ vraagt hij met een fijn glimlachje om z'n gedistingueerd grijs-snorremondje. - Akkerman antwoordt niet, begrijpt toch wèl, dat 't om 'n aardigheid te doen is, kijkt den overste bedeesd-glimlachend aan. - Nou? durf je niet? zeg 't maar, wat heb je liever? - 'n Dorschvlegel, overste,’ antwoordt Akkerman bangelijk. Hilariteit natuurlijk. Luitenant-kolonel jonkheer Blom loopt verder, nog zeggend: ‘Nou, erg militair is 't niet van je, hoor! je geweer komt je net zoo goed te pas als je vlegel. Frikkers, Frikkers, wat is die man nog achterlijk; heb je meer van die sujetten bij de compagnie? - Nee, overste,’ liegt de kapitein, ‘deze milicien is wel 'n uitzondering. - Nou, maak 'r dan nog 'n beetje soldaat van, hé!’ antwoordt de overste langzaam-goedig, met 'n bemoedigend knikje; dan, na even te hebben rondgekeken, vervolgt hij: - Ik dank de heeren verder wel, ik zie, d'r is zorg aan de compagnie besteed, laat de manschappen maar inpakken; straks wou ik de heeren wel even op 't bataljonsbureau zien. - De inspectie is hiermede afgeloopen. Overste Blom en z'n adjudant verlaten de chambree, uitgeleide gedaan door Frikkers en de beide luitenants, die meteen doorloopen naar het compagniesbureau. Korporaal Meyer, escouadecommandant van Akkerman, komt nu bleek-giftig naar dezen toe. - x x x Boere hengst, moest jij je weer vergissen, hé? lamgeslagen drieling, stom stuk, x x x stomme verdommeling, schollebek!! - De onderofficieren kijken elkaar lachend aan. - En nu komt opeens, haastig-driftig, de sergeant-majoor op de compagnie. ‘Korporaal Meyer en de milicien Akkerman, alla, allebei bij de kapitein op 't bureau komen. Akkerman met z'n eene paar sokken...’ Toen Drabbe al deze ruwheden hoorde en neerschreef, was de
kentering evenwel reeds ingetreden. Ook op het leger begonnen de groote
maatsphappelijke en godsdienstige stroomingen van den nieuwen tijd hun invloed
te doen gevoelen. Men beseffe slechts even: den afstand die er ligt tusschen de
ontelbare edities en vertalingen van Büchners ‘Kraft und
Stoff’, en Brunetières artikel in de ‘Revue des deux
Mondes’ over het failliet van de wetenschap. Het midden der
19de eeuw was de tijd van Renan en Strauss, en de ‘Moderne
theologie’ ten onzent. Maar tegen 1880 zien we een wederopbloei van het
Réveil, dan krijgen we de anti-revolutionnaire partij en de doleantie.
Over de katholieken komt, als een nieuwe Pinksterzegen, rijk genadeleven en
frisch inzicht van hun taak in de nationale samenleving. Kuyper, Lohman en
Schaepman worden vrienden, en sluiten zich van lieverlede tot een Christelijke
rechtsche partij aaneen. Die godsdienstige herleving deed zich weldra ook in de
gelederen gelden: niet langer werd de religieuze zin bedwongen in de
binnenkamer des harten, de flinksten durfden zich te uiten, en kwamen vierkant
voor hun geloof uit, ze begonnen te protesteeren als er gevloekt werd.
Aanvankelijk werden ze natuurlijk uitgelachen, maar dat bleef niet zoo. Want
het goede voorbeeld wekte weldra vele navolgers, die uit zichzelf nooit den
moed zouden gehad hebben. Vroeger schreef het Reglement van Krijgstucht voor:
‘Daar (ik cursiveer) de godsdienst de bron is van alle geluk,
deugd, waren moed en troost, moet ook in den krijgsstand eenieder zich tot
betrachting derzelve en tot een zedige levenswijze bevlijtigen: de
godslasteringen, het vloeken en zweren moeten worden nagelaten.’ Toen was
de godsdienst dus als het ware een utiliteitsbeginsel, en we zagen reeds wat
dat uithaalde. Nu kwam de drang tot een godsdienstig leven uit het diepe geloof
van geest en hart, en dat zijn heel wat werkzamer machten. - Ook op de
behandeling der mindere militairen bleef de godsdienst, die naastenliefde
vraagt, niet zonder invloed. Doch vermoedelijk zou dit godsdienstig opleven in
het leger niet zooveel hebben uitgewerkt, was daarbij niet gekomen:
1o de pers, die al de leelijke stukjes begon uit te brengen, waar
vroeger geen haan naar kraaide, 2o de meer humane begrippen,
die weliswaar aanvankelijk een zekere weekheid en verslapping in de hand werkten, maar ten slotte de strooming van een rationeeler opvoeding door sport en gymnastiek tot de ‘mens sana in corpore sano’ in het leven riepen; 3o de sociale beweging, die sterk opkwam tegen alle verdrukking, en aan de minderen die vroeger bijna alleen hun plichten leerden, nu ook vooral hun rechten kwam preeken. De officieren van nu: zijn waarschijnlijk niets beschaafder dan hunne voorgangers van vijftig jaren terug, maar ze toonen thans die beschaving óók in de kazerne tegenover hunne minderen. Vroeger wisten ze niet beter of een vloek was op z'n plaats in de kazerne, thans begrijpen ze min of meer reeds hun sociale opvoederspositie. Bovendien verminderde daardoor tevens het overprikkeld gezagsbesef. Een paar jaar geleden zat de hoogst in rang zijnde generaal - namelijk de Commandant van het Veldleger - aan een diner na een voetbalwedstrijd, met een paar miliciens in uniform! Wie had dat een halve eeuw geleden durven denken! - Verder kwam ook onder de recruten van lieverlede een veel hoogere beschaving. De afschaffing der plaatsvervanging en de instelling van het reserve-kader brachten een heele rij wel-opgevoede jongeheeren in de kazerne, ja zelfs bekwame, geleerde, artistiek- en religieus reeds hoogstaanden en gepromoveerden, die eerst na hun studietijd hun dienstplicht konden vervullen. En men zou zeer verkeerd doen met den invloed dier betrekkelijk weinigen te onderschatten. - Dit alles bewerkte weer een verbreeding van het verkeer naar buiten, en dientengevolge een losser worden der sociale groep, een vermindering van de kaste-eigenaardigheden. Ook door het grooter worden van het contingent, en het met fiets en tram zooveel vergemakkelijkte familiebezoek houdt de kazerne allengskens op ‘een wereldje apart’ te wezen, en dus ook de kazernetaal ‘een eigen taaltje’ te zijn. Ten slotte is om vele der bovengenoemde redenen, bij de
toonaangevende kringen, het leger aanmerkelijk in aanzien gerezen. In het
midden der 19de eeuw zou men zich een dochter van den burgemeester
eener groote stad die gearmd met een wachtmeester uitging, immers niet hebben
kunnen voorstellen. Het meest dragen daartoe nu evenwel nog twee nieuwe
stroomingen bij: 1o de nationaliteitsbeweging: met haar consequentie
in de volksweerbaarheid, 2o de bestrijding van de hand over hand
toenemende neurasthenie, en de nieuwe kijk op de veelgesmade tucht als het
geneesmiddel tegen zenuwzwakte. Van den anderen kant is het leger bij sommigen
in aanzien gedaald: 1o door de vredesbeweging en 2o door
het socialistische anti-militairisme. Ik geloof dat ieder Christenmensch, of
zelfs ieder beschaafd mensch, tegenwoordig wel toe zal geven dat ‘Vrede
door liefde en recht’ ons ideaal moet zijn. Zij die evenwel het woord van
den ouden Frits: ‘du weisst nicht, Sulzer, zu welch verdammter Rasse wir
gehören’ nog in de ooren hebben, zullen gemakkelijk inzien, dat toch
voorloopig aan de afschaffing van alle oorlogstoerustingen niet te denken valt,
en dus met Frédéric Passy en alle verstandige pacifisten: niet slechts wenschen een goed-georganiseerd leger te behouden, maar vooral de goede zijden van het leger, al langer hoe meer tot haar recht te doen komen. Er zal evenwel nog heel wat water door onze lage landen naar zee moeten vloeien, eer alle misstanden en ongeregeldheden in de kazerne zijn uitgeroeid, en aan de anti-militairisten alle reden tot klagen wordt ontnomen. Maar juist in dit streven treffen ten slotte de pacifisten, met de mannen van de volksweerbaarheid en de hygiëne van den geest te zamen. Het leger zal dan een opvoedingsinstituut, een school worden voor alle klassen van de maatschappij, waarin de discipline over het lichaam: het middel zal zijn om tucht over den geest te winnen. En dat dit niet weinig tot verhooging der geestelijke en moreele volkskracht moet bijdragen, en de voortwoekerende neurasthenie zal helpen keeren, kan aan geen gegronden twijfel meer onderhevig zijn. Zoowel Raymond, Pitres en Janet in Frankrijk, als Soesman in ons eigen vaderland, hebben het toch uit de ervaring geleerd, dat niet slechts onder de militairen zeer weinig zenuwlijders worden aangetroffen, maar dat de militaire dienst bovendien voor vele neur- en psychasthenici een uitstekende gezondheidskuur blijkt te zijn. Wij hebben dus uit dit alles te verwachten, dat de legertaal wel van lieverlede minder van de algemeene taal zal gaan afwijken als totnutoe, haar definitieve ondergang is echter nog op geen eeuwen na te voorzien. Wij zullen nu een reeks lijsten met kazerne-woorden laten volgen. De indeeling ontleenden wij in hoofdzaken, ter gemakkelijker vergelijking met de buitenlandsche gegevens, aan P. Horn: Die deutsche Soldatensprache2, Giessen 1905. Bovendien hebben wij een scherpe scheiding aangebracht tusschen de gegevens der 19de en der 20ste eeuw. Dit gaf natuurlijk aanleiding tot herhalingen, maar levert het groote voordeel op, dat men nu de inwerking der hierboven uiteengezette psychische tendenzen en sociale stroomingen, op heeterdaad kan betrappen. Alleen moet men hierbij vooral in het oog houden, dat ik voor de bereden wapens alleen een klein lijstje uit 1914 kan overleggen, behalve voor de artillerie, waarvan ik bijna geen nieuw materiaal heb kunnen bemachtigen, mijn verzamelingen voor de 19de eeuw veel onvollediger zijn dan die voor de soldaten van thans; en deze leemte doet zich vooral bij de ruwer woorden gevoelen, omdat vroegere schrijvers tegen het opnemen van zulke termen en uitdrukkingen veel meer bezwaren hadden dan onze moderne naturalisten. Het verschil in taal tusschen artillerie en infanterie is, gelijk men zelf uit de lijsten zien zal, niet zoo groot als men zou verwachten. Toch achtte ik een scheiding gewenscht; al was het alleen maar om te kunnen bepalen, bij welk kader de term het eerst is opgekomen. Overigens zijn, juist als bij de studententaal, alle obsceniteiten enz. kortweg geweerd. De boeken en stukken voor de 19de eeuw min of meer volledig geëxcerpeerd, zijn de volgende: Lodewijk Mulder: De Stokvischorders opnieuw gedrukt in Humor en Satire, Den Haag 1907, blz. 213 vlgd.; Schetsen uit het soldatenleven van een gewezen Limburgsch milicien, Sittard 1870; W. Vosmaer: In dienst, Den Haag 1886; N. van Harpen: Losse en scherpe Patronen, A'dam z.j.; N. van Harpen: Toevaltreffers, A'dam z.j.; F.A. Buis (pseudoniem van Gen. Fabius): Veteranen, A'dam z.j.; L. Drabbe: Het dappere Hollandsche Leger5, zonder plaats en jaartal. Lijst van woorden in gebruik bij de Kon. Mil. Akademie, Onze Volkstaal I, blz. 46 vlgd., II, blz. 119 vlgd. Bovendien stonden mij een paar woordenlijsten ter beschikking door Generaal A.N.J. Fabius en een onbekend artillerie-officier in het jaar 1882 voor Taco de Beer ‘Volkstaal’ opgemaakt, maar tot nu toe niet uitgegeven. - De soldatenwoorden van de 20ste eeuw zijn alle in de jaren 1913 en '14 door vrienden en oud-leerlingen uit den mond der soldaten voor mij opgeteekend. Alleen voor de Koninklijke Militaire Academie gebruikte ik o.a. een artikeltje in het Weekblad voor Leeraren. Overigens vergelijke men hiervoor nog Dl I blz. 495-501. I. Namen voor meerderen en bijzondere posten 1860-1885.Bij de Infanterie:
Bij de Artillerie:
Aan de Kon. Mil. Academie te Breda: Dubbele: sergeant-majoor, die dubbele streepen op de mouwen draagt. Fielt: onderofficier met de surveillance belast. Fieltenkooi: woning van den fielt. Ploert: de adjudant-onderofficier. Stip: de adjudant-onderofficier. Afgeleid van de knoop, die deze als distinctief op den jaskraag draagt. Namen voor meerderen en bijzondere posten 1913-1914Bij de Infanterie: Aan de K.M.A. te Breda: II. Namen voor de manschappen in de jaren 1860-1885Bij de Infanterie: Bij de Artillerie: Opsluiter: een klaplooper. Piot: scheldnaam voor den infanterist. Paplap: hospitaalsoldaat. Scherpschutter: een veelvraat; iemand die veel honger heeft. Ook een wellusteling. Slaap: de man naast wien men slaapt. Stoepie: scheldnaam voor vesting-artillerist. Theedrinker: iemand die vaak in het hospitaal wordt opgenomen. Ze zijn in het hospitaal met niets zoo gul als met thee. Vetdoffer: iemand die met de linkerhand vuil maakt, wat hij met de rechterhand heeft gepoetst. Vetlap: een smerig soldaat. Watercadet: zie fijn cadet. Aan de K.M.A. te Breda: Namen voor de manschappen in de jaren 1913-1914.Bij de Infanterie: Vetdoffer: een onzindelijk soldaat. Vierpooter: een viermaander. Zandhaas: scheldnaam voor infanterist. Zwengel: in samenstellingen geeft dit woord minachting te kennen b.v. 'n reservezwengel. Bij de Artillerie:
Aan de K.M.A.: Opmerkelijk misschien is het - trouwens zeer begrijpelijk, - verschil dat door militaire schrijvers, natuurlijk altijd officieren of cadetten, onwillekeurig gemaakt wordt tusschen man en persoon. Het eerste gebruiken ze uitsluitend voor hun minderen, het tweede slechts voor huns gelijken. III. Namen van de uitrustingsstukken in de jaren 1860-1885Bij de Infanterie:
Bij de Artillerie:
Aan de K.M.A.: Namen van de uitrustingsstukken in de jaren 1913-1914Voor de Infanterie: Bij de Artillerie: Aan de K.M.A.: IV. Termen voor dienst en verlof in de jaren 1860-1885.Bij de Infanterie: Permissie: met permissie gaan: een kort verlof krijgen van 1 à 2 dagen b.v. Maandelijksche herrie: maandelijksche inspectie. Mikmak: oorlog. Pof: op den pof gaan; zonder permissie het garnizoen verlaten. Potjes: hoeveel potjes nog? Hoeveel dagen moet je nog dienen? Ieder soldaat heeft een blikken eetketel, waarin hem - vroeger altijd en thans meer bij uitzondering - zijn warm eten wordt uitgereikt. Deze portie noemt hij zijn potje. Rats: in de rats zitten; erg bang zijn cf. blz. 464. Schieten met flodderpatronen: schieten met flaubertpatronen. Sergeant-majoor is jarig: het is tractement uit betalen. Vroeger alle vijf dagen. Tusschenuit: (er) tusschenuit trekken: deserteeren. Bij de Artillerie: Uitrukken: buiten de kazerne gaan voor oefeningen of werkzaamheden. Aan de K.M.A.: Termen voor dienst en verlof in de jaren 1913-1914.Bij de Infanterie: kilometer. De koppelplaat is de koperen plaat met het regimentsnummer er op. Koppelplaat: zie kilometer. Lijn: de lijn trekken: weinig of niets uitvoeren. Bij de compagnieschool is het een benijd baantje de touwen te mogen vasthouden. Men mag er zijn ransel enz. bij afleggen. Lijn: een goeie lijn hebben: een gemakkelijk leventje hebben, op den een of anderen dag, of in een of ander postje. Loopen: tippelen. Mikmak: aanslagoefeningen. Oppilemeuren: oppoetsen van koper. Afgeleid van een vroeger poetsmiddel ‘pierre de Namur’ genoemd. Rotzooi: kazerne of de geheele dienst. Rotzooi: de rotzooi uitgaan: met groot verlof gaan. Ontleend aan een liedje. Rustkamer: waar de foerier allerlei dingen buiten-gebruik, zoo den richtbok, bewaart. Speksie: inspectie. Schilderen: op wacht staan. Tierelieren, tureluren: tirailleeren. Traktement: traktement beuren: soldij innen. Vetwei: de vetwei: het exercitieveld. Wacht(je)kloppen: de wacht houden. Een duur wachtje kloppen: de wacht voor geld afkoopen. Zwenken: met groot verlof gaan. Aan de K.M.A.: Vgl. Deel I blz. 498-499. V. Woorden voor straffen in de jaren 1860-1885.Bij de Infanterie: Wijn en banket en bij den smid in de kost: opgesloten zitten op water en brood. Zetten: op den bon zetten: van iemand rapport maken. Zuur slaan: rapport maken. Zuur zijn: gestraft zijn.
Bij de Artillerie: Aan de K.M.A.: Woorden voor straffen in de jaren 1913-1914.Bij de Infanterie: Een douw krijgen: van den hoofdcursus verwijderd worden (is ook een straf). Er op staan, er in vliegen: straf krijgen. Nachies, nachjes: politiekamer. Klos: je bent de klos: je krijgt straf. Nor: de provoost. Petoet: provoost. Pond(je): een dag provoost. Pitjes: vier droge pitjes: vier dagen cachot. Strepe kwijt: degradatie, gedegradeerd. Wippen: degradeeren. Zuur: je bent zuur: je krijgt straf; iemand zuur slaan: voordragen voor straf. Zitten: je zit erin: voordragen voor straf.
Aan de K.M.A. te Breda: VI. Woorden voor eten, drinken, slapen, ziek zijn enz. 1860-1885.Bij de Infanterie:
Bij de Artillerie: middageten uit groente en aardappels bestaande. Rats: samentrekking van ratatouille. Rug: op den rug staan: te bed liggen. Scherpschutter: een veelvraat. Scherpstaan: honger hebben. Wellustige hartstochten koesteren. Soldaat: maak het maar soldaat: eet het maar op. Stal: verkorting van ziekenstal: hospitaal. Straatje: ruimte tusschen twee bedkribben. Tirailleeren: het eten dat na het vullen der eetketeltjes overblijft, verdeelen. Theedrinken: iemand die vaak in 't hospitaal wordt opgenomen. Wol: onder de wol gaan: gaan slapen. Wollen: slapen. Zaaiers: aardappels. Zak: een zak maken: het bed zoo opmaken, dat degene die zich te ruste wil begeven, in de lakens verward raakt. Ziekenbon: ziekenrapport. Ziekenstal: hospitaal.
Aan de K.M.A.: Namen voor eten, drinken, slapen en ziek zijn 1913-1914Bij de Infanterie: Scherp: de krib scherp zetten: de ijzeren matras omkeeren, zoodat de man er doorheen valt. Snelvuur: capucijners. Stroozakken: in den vrijen tijd op den stroozak gaan liggen. Tabak: zware tabak: andijvie. Uienswieber: uienrats. Veldketel: eetketel. Vetkwal: bijkok. Vetlellen: stukken vet in de soep. Wagensmeer: boter. Zaaier: menage- of kommiesbrood. Zesbeeners: vlooien. Zwabberen: schrobben.
Aan de K.M.A.: VII. Andere idiomatische eigenaardigheden 1860-1885.Bij de Infanterie: nog geen Bargoensch.
Bij de Artillerie: Smoesjes verkoopen: onwaarheden of uitvluchten opdisschen. Smoezen: flikflooien, iets door mooie woorden trachten te krijgen. Spie: geldstuk, een cent. Spijker: aan den spijker hangen: verkoopen. Vizier: in 't vizier hebben: iets in de gaten hebben. Wacht: in de wacht sleepen: iets meenemen of meepakken, vooral als het voorwerpen betreft, waarvan het eigendomsrecht betwist zou kunnen worden. Was: in de was zetten: iets zwart maken. De uitdrukking werd vooral gebezigd van knevels door kunstmiddelen zwart maken. Men zegt ook: in de slappe was zetten. Aan de K.M.A.: Bajadère: schoonmaakster aan de K.M.A. Balkan: veldlatrine. Balkannen: gebruik maken van de veldlatrine. Halen: een kleur krijgen. Kisten: laat je maar kisten!: geef alle hoop maar op. Klep toe!: doe de deur dicht. Lijn trekken: gezellig praten, keuvelen. Pik: je pik stinkt: je lamp stoomt. Slaadje: een slaadje tabak: een pruim tabak. Zwammen: kletsen. Zwampot: kletspartij. Andere idiomatische eigenaardigheden 1913-1914.Bij de Infanterie: ineens veel Bargoensch. Aan de K.M.A.: Huzarentermen te Tilburg in gebruik 1913-1914. Bloedsoldaat: soldaat eerste klas, die één jaar gediend heeft zonder straf, en daarom op één mouw een roode streep draagt. Bon: iemand op de bon slingeren: rapport maken van iemand. Bosjes: heel veel. Hij heeft bosjes spie: hij heeft veel geld. Bulis: strenge overste. Misschien Limburgsche verbastering van ‘beul’. Coblijnspet: uniformpet volgens het Engelsche legermodel. Zoo genoemd omdat Luitt. Coblijn die het eerst gedragen heeft. Te onderscheiden: groote en kleine Coblijnspet, naar gelang de bovenkant groot en rond, of klein en ellipsvormig is. Detective: iemand die in een goed blaadje wil staan bij zijn overheid, een dienstklopper. Galopje: een galopje pikken: in galop gaan rijden. Harnachement: uitrusting, ik ga mijn harnachement even in de houding slingeren: ik ga het eens even oppoetsen. Harry Knijp: scheldnaam voor dienstkloppers, die bang zijn voor straf. Hindernissen tikken: hindernissen nemen. Ketel: een ketel halen: druipen, b.v. Je haalt toch een ketel: je druipt toch. Knetters: grauwe erwten. Knippen: slapen. Knijpen: hij zit hem te knijpen: hij zit in angst. Zie Harry Knijp. Koffie: daar kom je bij op de koffie: dat doe je niet beter. Ook gezegd van iemand die een ander te paard wil inhalen maar het niet kan. Kotje: bed. Hij ligt nog op zijn kotje: op de dekens. Kurkentrekker: een prulsoldaat. Muziekdoos: paard dat bij de muziek loopt. Meestal een oud dienstpaard. Daarom gewoonlijk ‘oude muziekdoos’. Piepers: aardappelen. Pikeuren: hij zit te pikeuren: hij laat zijn paard onrustig loopen en is trotsch daarop, m.a.w. hij doet alsof hij een goed ruiter is. Pikeurtje: rijzweep. Rats: algemeene naam voor stamp, verkort uit ratjetoe (fra. ratatouille). Ritjanus: ritmeester. Slinger: hij heeft zijn slinger: hij heeft het naar zijn zin. Slingeren: iemand in de houding slingeren. Altijd als grap gezegd, wanneer een mindere tegen een meerdere te vrij wordt. Deze zegt dan lachend: pas op, anders zal ik je in de houding slingeren. Zie harnachement. Snelvuur: grauwe erwten. Snertsoldaat: een prulsoldaat. Spie: geld. Spons: scheldnaam voor een dronkaard. Stang: iemand op stang rijden: iemand flink aanpakken, kwaad maken. Ik heb hem op stang: ik heb hem woedend gemaakt. Zie trens. Steken: wat zal jij hem daarmee steken: wat zal jij daarmee bluffen. Tabak gaan halen: op de loop gaan, het paard niet kunnen houden. Trens: iemand op trens rijden: van iemand veel kunnen verdragen. Zie stang. Tuk: iemand tuk nemen: iemand erin laten loopen. Iemand tuk hebben: erin hebben laten loopen. Tusschenuit: hij is er tusschenuit: hij kan zijn paard niet meer houden. Tuimelaar: kogel die van boven naar onderen door de schijf gaat, dus een langwerpig gat maakt. Uienzwiebel: saus waarin uienschillen zijn. Vijfje: broodje van vijf cent. Vuilste: hij is in de vuilste: hij kan zijn paard niet meer houden. Wolletje: bed, ik kruip weer onder 'twolletje. Zwam nu gauw: houd toch gauw op met dien onzin te vertellen.
Wij moeten nu nog even stilstaan bij de soldatenliederen.
‘'t Oranjeboekje met liederen voor Janmaat en
Soldaat’ door
H. Clockener Brousson, A'dam 1881, geeft hiervan geen
recht begrip, daar de verzamelaar vrij willekeurig overal gelikt en gevit
heeft. De echte onvervalschte teksten en melodieën worden thans door den Heer Garms met veel zorg en toewijding verzameld. Als zijn werk eenmaal zal verschenen zijn, zullen wij daarin een kostbaar hulpmiddel hebben, om de legertaal in haar opeenvolgende perioden, wetenschappelijk te bestudeeren. Voorshands geef ik zelf een paar staaltjes van verzen en liederen, op een paar uitzonderingen na, alle woordelijk uit soldatenmond opgeschreven, deels in 1884, deels in 1914. Daar ik echter niets verhaspelen wil, en van den anderen kant overeenkomstig het doel van mijn boek, vele tamelijk vrije, soms zelfs vierkante vuile poespas niet verkies op te nemen, moet men in het oog houden, dat de werkelijkheid nog heel wat ruwer en ongegeneerder is dan deze bloemlezing zou doen verwachten. Ik vestig bij voorbaat de aandacht op den verbrokkelden zinbouw.
De klassiaan (van Vlissingen).
Van elf officieren.
De schietschool.
De vesting-kanonieren.
Afscheid der huzaren.
15. Kustzang.
Generaal Fabius schrijft mij over het bovenstaande lied (nr 15): dat het wel voor de kanonniers gemaakt is, maar betwijfelt, of het inderdaad wordt gezongen, en werkelijk bij den troep leeft: Het is te litterair. Wie geeft ons daaromtrent nadere inlichting?
In 't zwarte klooster.
Het lied der veld-artillerie.
En zoo zijn wij door de soldatenliederen als vanzelf tot de laatste eigenaardigheid gekomen, die ik in de kazernetaal wilde doen opmerken: den verregaanden ballast van Fransche woorden. Deze komen bijna alle uit de officieele legertaal der reglementen en voorschriften. In de dagen van Maerlant kenden onze Nederlandsche krijgslieden, behalve de vele andere Fransche leenwoorden, die ondertusschen weer verloren zijn geraakt, reeds de volgende termen: die sedert in gebruik zijn gebleven. Na 1352 kwamen daar, vooral onder invloed van het Bourgondisch bestuur nog verschillende nieuwe bij: Maar in onze eerste oorlogseeuw (1500-1600) wordt het nog veel drukker. Hoe taai het leven van sommige half officieele termen in het leger is, moge één enkel voorbeeld bewijzen. Een uittreksel van het Crimineel wetboek, dat aan de manschappen bij in-dienst-treding wordt voorgelezen, heet nog heden ten dage ‘de krijgsartikelen’ naar den ‘artikelbrief’ van ± 1595, waarin verschillende artikelen tegen allerlei militaire misdrijven voorkwamen. In het leger der Republiek waren na 1672, zoowel meerderen als
minderen, voor een groot deel van Fransche origine. Vele werken over militaire
wetenschappen: verschenen toen dan ook hier te lande in de Fransche taal. Een
heele reeks officieren kwamen, bij de opheffing van het edict van Nantes: uit
Straatsburg, Metz en Verdun, met nog veel minderen uit Lille, le Quesnoi en
andere grenssteden, in Holland een toevlucht zoeken. Op verzoek van den
stadhouder namen de Staten-Generaal hen allen op, elk in zijn eigen rang, en
verspreidden hen over de verschillende garnizoenen. Zoo kwamen er te
Breda, Maastricht, Bergen op Zoom,
's Hertogenbosch, Zutphen, Nijmegen,
Arnhem, Utrecht en 's Gravenhage
verschillende compagnieën, die bijna uitsluitend uit Franschen bestonden.
Dit bracht natuurlijk weer een heele reeks nieuwe Fransche termen in ons leger.
En als wij dan ook ‘Het groot militair Woordenboek van Johan Dibbetz, 's
Gravenhage 1740’ opslaan, vinden wij daar veel meer Fransche termen, als
thans nog in gebruik zijn. Want in de jaren 1740-1795 verhollandschte onze
legertaal weer geducht. In den tijd der Bataafsche Republiek, het Koninkrijk
van Lodewijk Napoleon, en onze inlijving bij het Fransche keizerrijk, kwam
echter een nieuwe stortvloed opzetten. Toen werd letterlijk alles verfranscht,
en voor heel lang. Want van 1815 tot 1870 bleef het Fransche leger geheel en
al: het model voor het onze. Van 1815-1830 dienden bovendien in ons leger vele
Belgische officieren, die het Fransch voor moedertaal hadden; terwijl vele
hoofdofficieren en alle generaals: bijna even goed Fransch als Nederlandsch
spraken; immers zij allen hadden nog onder Napoleon gediend. Eindelijk kwamen
na 1830 in het leger ten Noorden van de Maas weer vele militairen, die hoewel
Noord-Nederlanders, toch een tien- a vijftienjarigen diensttijd, in
Waalsch-België achter den rug hadden, waar natuurlijk de kazernetaal
uitsluitend Fransch was. Hieraan is het nu ook toe te schrijven, dat de Rijders
ca 1820 een Fransch korpslied hadden: Nous sommes tous des
francs-lurons (De Navorscher. Dl. 60, 1911, blz. 440) gedicht door Krahmer de
Bichin die in 1830 te Brussel sneuvelde. Toen echter de rijders eenmaal een
Fransch lied bezaten, was ook de veld-artillerie jaloersch op zoo'n geurtje, en
Jhr. de Villeneuve voldeed in 1846 aan dat verlangen door het hierboven blz.
469-470 afgedrukte lied, dat een paar jaar later, ‘opdat de troep er ook
iets aan hebben zou,’ op last van den Regiments-Commandant moest worden
vertaald. Zelfs betaalde men, tot voor eenige jaren de soldij uit: per 5 dagen
of halve décade. Na '70 richtten wij ons weliswaar meer naar
Duitschland, maar de oude Fransche termen bleven tòch in gebruik, evengoed als trouwens tot voor weinige jaren in het Duitsche leger zelf. Salverda de Grave heeft nu jammer genoeg, al de Fransche termen na 1600 opgenomen, niet verder meer onderverdeeld. En het zou dan ook werkelijk een studie apart worden, na te gaan, wat in de perioden van 1600-1672, 1672-1795, 1795-1813, 1813-1830, 1830-1870 in onze kazernetaal is ingeburgerd. Wijl nu echter de lijst van Salverda, volstrekt niet volledig is - ook in Bouwensch' Viertalig Militair Technisch Woordenboek, den Haag 1896, ontbreekt nog heel wat - heb ik zelf een nieuwe verzameling aangelegd: der nog thans in gebruik zijnde Fransche woorden, die na 1600 in ons leger zijn opgenomen. Alle woorden verder, die reeds bij Dibbetz, dus in 1740 gevonden worden, teekende ik aan met een kruisje. Al de overige die bij Landolt (Militair Woordenboek, Leiden 1861-62) voorkomen en eenige die hij, gelijk ik aliunde kon vaststellen, vergeten heeft, gaf ik een sterretje. De woorden zonder kruisje of sterretje zijn dus uit de laatste vijftig jaar. Eenige die men misschien met aanvankelijke verwondering zou missen, als adjudant en commando, zijn uit het Spaansch en soldaat is uit het Italiaansch ontleend. escouade * eskader † eskadron * estafette étage-vuur * étape * état-major * evacuatie evacueeren evolutie † examineer-troep * exempteeren exemptie † exerceeren † exercitie † expansie-systeem expeditie † explosie face * fakteur fanion * fascine * flank * flankeur * flèche * fleuret * foerage † foerageeren † foernituur † forceeren † formatie * formeeren † fortificatie † fougas * fouragères fourgon * front † fuselier * fusilleeren * galerij † galon † gamel * gecreneleerd * geforceerde marsch * gegradueerde generaal † genie * getenailleerd stelsel * glacis † granaat † gratificatie grenadier † gros * guds † haha harceleeren * harnachement heliografie heliografisch honneurs † hospitaal † huzaar * identiteits-plaatje infanterist inferieur * infirmerie * informatie † inspecteeren † inspecteur † inspectie † instructie † insubordinatie * intendance * intendant † interneeren interval * interventie * inundatie * invaliede † jalon * jalonneur * kader * kaliber † kalibreeren kampement * kanonneeren † kanonnier † kantonneeren * kantonnement * kapitaal * kapotjas * kardoes * kazerne † kazerneeren kepi koerier * koeskoes kokarde * kolbak koloniaal kolonne * kommandant † kommandeeren † kommies † kontingent * kordiet kordon † korps † korvee * kulas * kurassier * kwartier † kwartiermeester † latrines linie † logement † longes * lunette * majoor † machicoulis * magazijn † manège * manifest * manoeuver * mankeeren † maraude † marechaussee * markeeren * marsch † maskeeren * materieel † medaille * menage † milicien militair † militie † mineurs † mitrailleur mitrailleuse mobilisatie * mobiliseeren model † mortier † munitie-colonne neutraal † neutraliteit † nitro-glycerine nivelleeren * non-aktiviteit non-combattanten * observatie-posten * observeeren † offensie offensief * oleaat operatie † order † ordonnans * ordonnantie † organisatie * oriënteeren * paljas † paniek pansement pantalon parade † paradeeren * parados * pareeren † park parkeeren parlementair * parool † pas † pas de route * paspoort † pasporteeren passant † passeeren † patje patroelje † patroeljeeren patroon † peloton * pensioen † pensionneeren percussie permissie † personeele † personeel piket * pistool † planton * plongée * politie † politiekamer pompon ponton * ponton-afdeeling pontonnier * positie * post † poterne * presenteeren † pressen † prevoot proclamatie † profiel † progressief * projektiel * projektor promenade promotie proviand † proviandeeren † proviandeering provoost † rang † rangeeren † rantsoen † rapport † rapporteeren ration * rayon * ravelijn * recipisse † redan * redoute * reductie † refractair reglement † rekruteeren † rekruut † rekuil militair * r |