[p. 440]

Negende hoofdstuk. De soldatentaal.

Om de psychologie van het huidige Nederlandsche kazerneleger wetenschappelijk te verstaan, zijn drie dingen noodig. In de eerste plaats moeten wij het militaire zieleleven kennen, afgezien van nationaliteit of tijdstrooming. In de tweede plaats moeten wij dan het Nederlandsche soldatenleven tusschen 1850 en 1880 onderzoeken. En ten derde moeten wij de veranderingen nagaan die de laatste dertig jaren in onze kazernes hebben gebracht. Want wij leven thans in een tijdperk van overgang. Allerlei nieuwe stroomingen doen zich sedert 1880 in de kazerne gevoelen. Maar daartegenin en daaronder woelt nog de oude sleur. En dit zullen wij juist in de soldatentaal het aller duidelijkst bespeuren, omdat de taal als traditioneel familiestuk, in haar uitdrukkingsmiddelen door de bank veel meer onder den invloed staat van het vorig, dan van het thans levend geslacht, en zij dientengevolge de nieuwere sociale ontwikkeling altijd een beetje ten achter is.

Over de psychologie van den 19d eeuwschen West-Europeeschen soldaat in het algemeen hebben wij twee nuttige onderzoekingen uit den laatsten tijd, die elkander zeer goed aanvullen. De eerste is het ‘Essai de psychologie militaire individuelle et collective’ van den Franschen officier van gezondheid M. Campéano, Paris 1902. Deze schrijver is een vereerder van het leger en ziet er bijna niets dan goeds in. A. Hamon's: ‘Psychologie du militaire professionnel2’ Paris 1904 daarentegen, is het réquisitoir van een heftig anti-militairist.

Campéano nu begint met erop te wijzen: dat het leger er heel en al op ingericht is, om een verstandig en nuttig gebruik te maken van de psychologie de la foule. Welnu, waarin bestaat dan het eigenaardige van deze psychologie der menigte? Niet elke bijeenkomst is een menigte. Zoo vormden de passagiers en de bemanning van de ‘Titanic’ in de eerste dagen van haar vaart, slechts een heele losse sociologische groep. Maar op den noodlottigen avond van de ijsbergen in zicht, en vooral nà de aanvaring, ziet, toen voer er ineens een besef van gemeenschappelijken doodsnood door die honderdtallen: plotseling voelen zij hun eenheid, en zij handelen ‘en foule’. Niet altijd echter slaat die band zoo plotseling: om een groep van de meest uiteenloopende mentaliteiten z'n eenheidsklem vast, neen meestal komen de menigten voort, uit 't langzaam samenvloeien en samenstroomen van velen, in het nastreven van een gemeenschappelijk doel, m.a.w. uit reeds zeer hechte sociologische groepen. Wat moet hier nu nog bijkomen om er een menigte van te maken in psychologischen zin? Een sterke prikkel. Opwinding, betoovering, opzweeping, hartstochtelijkheid. Een aanval op hun dierbaarste goederen, van vijanden of gevaren: op hun bestaan, materieel of moreel! En dan opeens breekt de menigte los. Alle eenlingen schijnen eensklaps hun individueele hoedanigheden te hebben verloren. Alle

[p. 441]

beschaving, opvoeding, gezond verstand, zelfbedwang en willekeur verdwijnen: er laait slechts één hartstocht, ten goede of ten kwade geleid, dat hangt van de omstandigheden en de menners af, maar onstuimig, onbetoombaar, geweldig als een wervelvloed. In zoo'n menigte heeftieder, juist door het getal der menigte, een besef van onverwinlijke macht naar buiten, maar naar binnen zwicht hij voor instincten, die hij alleen en afzonderlijk zonder moeite zou hebben onderdrukt. Ieder schudt alle verantwoordelijkheid van zich af, de menigte is anoniem. Wie het eigenlijk gedaan heeft, komt nooit uit, ze hebben het allen gedaan. Ieders suggestibiliteit groeit ook tot in het ongeloofelijke. Alles nemen ze aan. Elke met overtuiging uitgesproken beoordeeling of waardeering: plant zich met epidemische zekerheid in alle hoofden voort. Alle geest van kritiek, op eigen daden en overtuigingen, zwijgt ten eenenmale. Niemand luistert naar argumenten, allen voelen slechts: en gloeien. Ze zijn ontzettend prikkelbaar voor allen weerstand, en lichtgeloovig voor alles wat op den weg ligt van hun hartstocht. Alle gevoelens zijn overdreven, maar zoo weinig gecompliceerd mogelijk. De menigte is onverdraagzaam en despotisch, wreed en cynisch; maar ze kan ook komen tot daden van ongelooflijken heldenmoed, zelfverloochening kweeken in de individuen, doodsverachting en weergalooze dapperheid. - Als het menschdom in zijn geschiedenis: moest missen al de daden der menigte, en alleen mocht bewaren de nagedachtenis der feiten, met koel overleg door individuen gewerkt, voorzeker, vele misdaden en gruwelen zouden uit het zondenregister der wereld worden weggeschrapt; maar ook vele gloriën van ons geslacht, zouden spoorloos uit de annalen der menschheid moeten verdwijnen. De Fransche revolutie is grootendeels een aaneenschakeling van gruwelen der menigte, maar al de groote veldslagen der wereldgeschiedenis hebben de overwinning, en een dikwijls glorieuze overwinning gebracht aan den veldheer, die van de psychologie der menigte wist partij te trekken, in den volsten zin des woords haar aanvoerder, haar leider was. - Daarom dan ook is - altijd volgens Campéano - elk goed georganiseerd leger er op ingericht: om de manschappen zoodra het noodig is, in een menigte te metamorphoseeren, hun in die onverantwoordelijke oogenblikken, verstandige, verantwoordelijke, ja zoo mogelijk geniale en heldhaftige officieren te verzekeren, en daarentegen door tucht en straffen ten strengste te waken, dat die ‘menigte’ niet in ongewenschte oogenblikken uitbreekt, en zich aan onwettige, vaak gewetenlooze menners zou prijs geven. Daarom zou het leger niet slechts een hechte sociologische groep, maar zelfs een soort kaste moeten vormen. Daarin toch kunnen de opvlammingen der menigte naar wensch verwekt en bedwongen worden.-Al geschiedt de aansluiting bij het leger meestal niet vrijwillig, het breken met de gewone beroepsbezigheden, de heel bijzondere uniform, het gaan inwonen in de kazerne, de gemeenschappelijke slaapverblijven, driloefeningen

[p. 442]

en maaltijden, met daarenboven de min of meer ruwe bejegening, en de strenge straffen, geven aan den soldaat, wiens krisis-leeftijd niet weinig tot het beoogde doel meewerkt, een vermindering van eigenwaarde, maar een groepsbewustzijn dat sterker is dan bijna overal elders, maken hem kortom tot lid van een kaste. En dit gaat zelfs zoover, dat de wapens onderling: elkaar weer als vreemden beschouwen, en dientengevolge met allerlei min of meer verachtelijke namen betitelen. Zeker de persoon boet daarbij vele van zijn individueele gaven in, zijn fijn gevoel stompt af; elke kaste toch biedt aan zijn adepten een stelsel van ideeën, geheel pasklaar zónder zijne medewerking; hij vindt er, zonder dat hij er iets tegen vermag, een systeem van tuchtvoorschriften en levensregels, die tot in het allerkleinste afdalen, en waaraan nu eenmaal niets te veranderen valt. Hier heerscht een almachtige traditie, en alle nieuwe ideeën van beneden af, zijn ten eenenmale uitgesloten. Hier niets van studentikooze spontaneïteit of levensvrijheid, hier is alles genummerd, gereglementeerd en voorzien. Geen hooger élan motiveert dan ook de dienstverrichting, het is een drilschool, waarin ieder zich goedschiks kwaadschiks onder de plak houdt, maar aan bijna alles een hekel heeft, en waarvan de meesten in jongensachtige zorgeloosheid, maar toch vaak niet zonder spetterende hoop: het einde verbeiden. Daaraan beantwoordt nu ook de soldatentaal. Weinig vinden wij hier van die spontane invallen en geestige extemporaties uit het Academieleven. De grappen en quasi-geestigheden zijn gewoonlijk nog al bot. De kastegeest spreekt duidelijk uit een tamelijk verregaande differentiatie der soldatentaal. Ze wijkt over 't algemeen nog meer van de gewone omgangstaal af dan het studentenjargon. - Het ‘audi et alteram parten’ indachtig, geven wij nu eerst de hoofddenkbeelden van den tegenstander A. Hamon. Deze gaat er van uit, dat het doel van het leger: de oorlog is; die zelf uit een aaneenschakeling van daden van geweld bestaat. Daarom moet dus zoowel de opvoeding der officieren, als de drilling der soldaten erop berekend zijn: hen geschikt te maken om op het gewilde oogenblik, zoo veel en zoo vreeselijke daden van geweld te stellen, als maar eenigszins mogelijk is. Daarom moeten zij gehard worden tegen lichaamsvermoeienis niet alleen, maar ook tegen pijn en ongemak, honger en dorst in henzelve. Gehard ook vooral tegen het medelijden met anderen. Vandaar in oorlogstijd dan die vrees voor niets, het minachten van kleiner of grootere wonden, het niet-tellen van menschenlevens, die dorst naar bloed en kanonnenvleesch, die soort moreele anesthesie die bijna allen uit de vuurlinie meebrengen, zoodat het doorstane levensgevaar zich in gruwelijke wreedheid ontlaadt. Maar ook in vredestijd toont zich deze onbarmhartigheid, ja onmenschelijkheid, maar al te vaak in de kazerne. Hoe dikwijls lezen wij niet van gruwelijke mishandelingen door meerderen hun minderen aangedaan, vooral in het Duitsche maar ook in het Fransche leger. Deze zijn weliswaar tegen de reglementen,

[p. 443]

en worden dan ook bij gelegenheid disciplinair gestraft. Maar hoe licht zijn vaak die straffen, door de collega's van den krijgsraad uitgesproken! En zelfs de hoogste militaire overheden, die de reglementen opmaken, geven dikwijls in hun voorschriften, vooral in zake straffen, van verregaande hardheid blijk. Vandaar ook het veelvuldig brutaliseeren van vreedzame burgers. Daar komt dan nog het onbewuste en soms zelfs bewuste vooroordeel bij: dat niet het leger voor de burgers, maar de burgers voor het leger moeten dienen: een soort kaste-trots, die diep neerziet op alles wat geen uniform of sabel draagt! Een verzachte vorm nu van die onmenschelijke ruwheid in daden, is de ruwheid in woorden en taal. Dezelfde overprikkeling toch van hardheid en gezags-trots, die de van nature ongevoeligen ook in vredestijd tot daden van geweld en wreedheid brengt, leidt in meer gevoelige temperamenten ten minste tot een uiterlijke ruwheid, een onbeschoftheid van taal, die misschien in geen enkele andere laag der maatschappij haar weergâ vindt. Wijl nu de meeste officieren en onderofficieren, natuurlijk de militaire loopbaan kiezen, uit een zekere neiging van strak temperament, zijn verreweg de meesten hunner brutaal in hun daden, maar allen zonder uitzondering brutaal in hun woorden en taal.

Ik heb met opzet Hamon tot hiertoe gevolgd, om te laten zien, dat hoe diep waar, ook veel van zijn beschouwingen zijn, hij zich toch op den duur door zijn antipathie tot onmiskenbare overdrijving laat verleiden. Om wille der volledigheid vermeld ik slechts in het kort, dat hij in zijn laatste twee hoofdstukken omtrent de zedelijkheid, het leger van tamelijk algemeene perversiteit beschuldigt. - Hoe verhield zich nu het Nederlandsche leger van ca 1850 tot 1880 ten opzichte van deze algemeene gegevens? Op de eerste plaats is er bij ons kalme Hollanders veel meer noodig dan bijna overal elders, om welke sociale groep dan ook: in een gloeiende ziedende menigte te veranderen. Breekt ze los, dan is zij er echter des te geweldiger om. Dat bewijst onze woeste dapperheid in den uitersten nood. Daarom echter kent ons leger ook niet die aanstekelijke adoratie voor sommige kranige hoofdofficieren, niet dat dwepen met dit of dat, niet die eerste bevliegingen van dapperheid, oplaaiend bij het eerste geruchtje. Verder zijn wij een echt-republikeinsch aangelegd volk: we buigen ons niet gemakkelijk onder het gezag; we morren en mopperen gauw en graag, en kritiseeren onze meerderen met meer realistische scherpzinnigheid, dan de meeste volken om ons heen. Maar ten derde: Het groote verschil tusschen de Nederlandsche kazerne, en die der andere groote mogendheden, was zeker, dat de geest onzer troepen die na 1830 - '31 van geen krijg meer wisten, veel minder oorlogszuchtig was. En juist omdat de oorlog met zijn daden van geweld in hun zieleleven niet die éénige en eerste plaats innam, waren ook de wreedheden en onmenschelijkheden bij ons zeldzamer. Ook het lastig vallen der burgers bleef ten onzent binnen zekere, elders vaak overschreden perken. Maar al stond het

[p. 444]

oogenblikkelijk oorlogsgevaar op het tweede plan, de militaire opleiding was er niet minder krijgshaftig om, en zoo ontwikkelden zoowel meerderen als minderen, ook ten onzent, de gebreken van hun goede eigenschappen: een zekere stugge hardheid van gevoel, en een aanmatigende uitoefening van het geringer of grooter gezag: en uit al deze oorzaken vloeide voort: een verregaande ruwheid van taal, en een onbehoorlijk repertorium van schimp- en scheldwoorden: voor minderen en meerderen. Daar verder het godsdienstig en zedelijk leven gedurende dit tijdvak niet bijzonder bloeide, werden de krachttermen veelal in vloeken, de grappen en moppen maar al te vaak in kringen van verdacht allooi, en de oorspronkelijke zetten niet zelden in obscene toespelingen gezocht en gevonden. Ik zou ten bewijze hiervan een heele reeks versjes kunnen aanhalen. Gelijk men weet, leert het kader aan de miliciens, om de verschillende signalen gemakkelijker te onderscheiden, gewoonlijk eenige rijmpjes van erg simpele makelij, maar waarvan het rhythme nauwkeurig met het signaal overeenkomt. Nu worden deze versjes echter voortdurend veranderd en uitgebreid, en wel zoo goed als altijd naar den viezen of obscenen kant. - Tegen al te verregaande conclusies hieruit waarschuwt echter Generaal Fabius, als hij schrijft: ‘Opmerkelijk is het, hoe in de kazerne - en bijna even sterk in de lagere volksbuurten - het woord ‘Sodomieter’ als het ware in ieders mond bestorven ligt; alhoewel de paederastie - wàt dan ook de z.g. uranisten durven beweren - gelukkig geheel buiten de zeden ligt. Zoo hoort men een moeder uit de heffe des volks haar kind betitelen als ‘lief sodomietertje’. Ook het woord koejeneeren, vroeger toch zoo algemeen in gebruik (zelfs b.v. bij Mevrouw Bosboom-Toussaint) duidt op die onzedelijkheid.’ Men zal dus wijs doen, met te bedenken, dat velen op dit punt allerlei woorden gebruiken, die ze eigenlijk niet verstaan, of zeker niet bedoelen. Maar van den anderen kant is toch de invoering van zulke termen zeker aan mannen te wijten, die ze maar al te goed verstonden. Vooral bij de artillerie was het mode, telkens om de twee woorden een vloek in te voegen. Ca 1870 ging een hoornblazer van de bereden wapens, behoorend tot een compagnie, die generaalszoons onder haar volontairs telde, er prat op: een nieuwen vloek te hebben uitgevonden - hij vroeg er een kwartje voor. Inderdaad, sinds Karel de Vijfde's ‘ordonnantie tegen de blasphemie’ waren wij op het einde der 19de eeuw nog maar weinig vooruitgegaan. Onze militaire romans en novellen uit die dagen laten de oudgedienden wel met ‘duizend bommen en granaten’ vloeken, maar durven toch de eigenlijke kazernetaal in al haar ruwheid niet aan. De eenige, die het gewaagd heeft, al die vuiligheden, vloeken en scheldwoorden neer te schrijven was de generaalszoon L.H. Drabbe in ‘Het dappere Hollandsche leger’5 (z. pl. en j.). Het minst stootende hoofdstukje laat ik hier ‘met permissie’ afdrukken. Alleen zal ik de vloeken en erger door een x vervangen, want anders liep het de spuigaten uit.



[p. 445]

Inspectie-delirium.

De vierde compagnie zit in draf; overste Blom, de bataljonscommandant, zal z'n driemaandelijksche inspectie houden. Er is gelast uitpakken op de bedden. De dikke compagniescommandant, kapitein Frikkers (de man staat op promotie) heeft 't buitengewoon met z'n eigen te kwaad, z'n opgeblazen, rooie kop met de zwarte snor glimt van zenuwachtige agitatie, benauwd als hij is voor bemerkingen van den god-overste. Op den avond te voren heeft hij àl z'n kader bij zich op 't bureau laten komen; in een kringetje stonden de onderofficieren en korporaals om hem heen, hij midden-in en met militair aplomb legde hij den nadruk op 't gewicht der driemaandelijksche bataljons-inspectie, er mocht geen bliksem aan mankeeren, zei-die, want anders kwam 'r ‘stront an de knikker’; hij zou de onderofficieren onherroepelijk straffen als hun sectie, en de korporaals, ‘met 'r klooten in de politiekamer donderen’ als hun escouade niet in orde was. Dàt heeft Frikkers streng militairement georakeld, met opgetrokken wenkbrauwen en heesch-hijgende stem van lijfdikte. Maar datzelfde kader - 't noemt z'n kapitein ‘de ouwe hoer’ - had 'r maling an; de gebruikelijke termen van dien kant bleven ook niet uit; de kapitein kon hun den bout hachelen, de bullen zou'en toch wel kloppen, zoo'n inspectie voor de B.C. was geregeld kouwe kak. En vanmorgen was dikke Frikkers al om half tien op de chambree aan 't manoeuvreeren. De sergeant van de week heeft 'n boel moeten slikken van den ouwen hoer; zoo moest hij expliceeren, waarom de kwispedoren nòg van geen schoon laagje zand waren voorzien, waarom de groote koffieketel niet blank was geschuurd, en het onderste randje van een beschot zoo goor zag. - En nu, kwartier vóór elf - om elf uur wordt de B.C. verwacht - loopt-i, met het gejaagde gevoel van een regisseur vóór 't opgaan van 't scherm, blazend, puffend de vier sectiën af, de glimmende sabelscheede kletterend tegen de ijzeren kribben. Opeens ontwaart Frikkers den kamerwacht nog in corvee-tenue - x vent, wat ben jij? - Kamerwacht, kaptein. - Nou, lummel die je bent, mot je dan zóó bij de inspectie voor den bataljonscommandant verschijnen? gauw als de bliksem je mouw-vest aan, je hebt geen permissie vanavond. - Maar kaptein.... - Ja, hou nou maar gauw je smoel, anders douw 'k je de pot nog in; kijk die vent 'r x 's uitzien, 't is of-i zóo met z'n donder uit de beerput is gehaald. - Algemeen gelach, óok van de beide luitenants-pelotonscommandanten, die, elk in z'n peloton, uit verveling heen en weer drentelen. Voor 't raam van de derde sectie staan twee wateremmers. Frikkers kijkt er naar, loopt er omheen, blijft er dan vlak vóór staan. - Sergeant van de week! - Present, kaptein. - Kijk nou's die eene emmer, zeg! - Wàt kaptein? - Zie je nou niks aan die eene emmer? - Nee, kaptein, ik heb ze allebei laten vullen en de deksels liggen 'r toch op. - Maar x x zie je dan niks aan die emmer? - Waarachtig niet, kaptein! - Dan zal ik 't je zeggen: dat eene deksel ligt scheef; 't oog wil óok wat hebben, sergeant. - En nu de sergeant, tergend-sarcastisch luid: - Kamerwacht! - Jawel, sergeant. - Alla, kom hier, leg dat linker deksel conform 't andere! - Kapitein Frikkers is doorgeloopen. in de zesde escouade gaat hij de richting der kribben na.. - Escouadecommandant! roept hij op eenmaal. - Present, kaptein. - Jullie zijn toch eigenlek allemaal beroerlingen; nou sta je d'r vlak met je snotkoker bij en je ziet niet eens, dat de kribben in je escouade niet gericht zijn. Moet ik je nou nog leeren, hoe je kribben richt? hé? ga nou hier 's staan, hier, nou, kijk zelf maar, die vierde krib steekt uit, dat had je toch ook wel uit je eigen kunnen zien? Laat 't onmiddellek herstellen, korporaal! - Een der manschappen verduwt, op last des korporaals, de uitstekende krib, terwijl de kapitein, 'n eind verder, gehurkt, een fictieve lijn langs de voorkanten der kribben zit te trekken. - Och korporaal, kom hier, 't lijkt gewoon nergens naar, je staat daar maar te kloothannesse, je moet zèlf je escouade nagaan, dat is mijn werk niet. En je zorgt, dat de bataljonscommandant geen énkele bemerking maakt, hoor!

[p. 446]

Ik waarschuw je! - Bij de laatste sectie spreekt de kapitein den luitenant-pelotonscommandant aan, òm wat te zeggen. - Hier alles in orde, Heuvels? - Zeker, kapitein, behalve bij één man, die mist 'n paar sokken - Wie? - De milicien Akkerman, kapitein. - Frikkers krijgt 'm staan. - Hei jij maar één paar sokken om mee uit te pakken, vent? Escouadecommandant! - Present, kaptein. - Weet jij daar iets van? - Nee, kaptein. - Hei jij dan gisteren die vènt z'n sokken niet nagekeken? Akkerman, waar is je tweede paar? - Geen antwoord. - Nou! sta d'r nou niet bij als Jan Lul, je hebt ze toch niet opgevreten? - Nee, kaptein. - Pak dan alleen met 't andere paar uit, 't is natuurlek die beroerde vent weer; na de inspectie zal 'k de zaak wel verder onderzoeken, 't is nou geen tijd meer; korporaal, je hebt vier dagen kwartierarrest. - Ik, kaptein? maar 'k heb gisteren ... - Hou je mond, korporaal, jij had moeten zorgen, dat die vent met 't reglementair voorgeschreven aantal sokken had kunnen uitpakken; voorloopig stel 'k 'r jou aansprakelijk voor. - Nog even blijft de kapitein het equipementstukkenzootje op Akkerman's bed gadeslaan. - Hei je verder alles present, jongen? - Jawel kaptein. - En nu ineens dikke Frikkers, op een toon van spontaan-verrast zijn: ‘Ligt jou kleerborstel niet verkeerd? die hoort toch links van de schoenborstel.... ten minste.... is 't nief Heuvels? - Nee, kapitein, ik geloof dat de láatste order luidde, dat de kleerborstel rechts van de schoenborstel moet liggen,’ antwoordt de eerste luitenant der infanterie Heuvels. - Ja God, geloove, geloove, daar komen we niet verder mee, waar is de sergeant-majoor? - Frikkers komt meer en meer in draf, 't loopt naar elf uur, de overste kan elk moment komen opdagen. - Sergeant-majoor! och roept de sergeant-majoor is! Present, kaptein. - Zeg, weet jij ook, hoe de de kleerborstel moet liggen: links of rechts van de schoenborstel? - Volgens de laatste wijziging in 't model van uitpakken links, kapitein,’ antwoordt de sergeant-majoor kortaf-gedecideerd. - Zie je, x daar hei je 't geneuk al!’ hervat de kapitein geïrriteerd. ‘Sergeant van de week! - Present kapitein. - Zeg tegen alle sectiecommandanten, dat ze moeten nagaan, of de manschappen bij 't uitpakken d'r aan gedacht hebben, de kleerborstel links van de schoenborstel te leggen. Vlug!! - De vóór-inspectie des kapiteins is afgeloopen, hij is langs alle bedden gepatrouilleerd. Met iets zelfgenoegzaams in z'n fysionomie wischt hij zich de zweetpareltjes van het dikke hoofd. De klok staat op vier minuten voor elf. - Denken jullie 'r aan,’ waarschuwt Frikkers, heen en weer loopend, voor alle manschappen tegelijk en met verheffing van stem, ‘dat als de overste je iets vraagt, dat je 'm dan bij z'n goeie rang noemt, hoor! Niet vergissen; die zich verspreekt, verbeurt z'n permissie en in de houding blijven, tot 'r gelast wordt: op de plaats rust! Begrepen allemaal? Zijn jullie zakboekjes in orde en hebben de sectiecommandanten hun kleedinglijst bij zich? X, vent, sta je daar stiekem te pruimen? Escouadecommandant! - Present, kaptein. - Zie je niet, dat die vent pruimt? - Ik heb 'r niet opgelet, kaptein. - Waar let je dan wèl op? ik zie 't toch óok? Alla, spuug uit die pruim, smeerlap! Sergeant-majoor, schrijf op: vier dagen arrest voor dien vent, wegens 't pruimen bij de inspectie voor den bataljonscommandant. Spuug uit, onmiddellek! - De ‘vent’ duwt de tabakspruim van achter zijn kiezen weg, spuwt ze uit in de holte van z'n hand en kwakt ze argeloos in het kwispedoor. Doch dàar komt de sergeant van de week tegen op. - Bè-je 'n háartje belazerd, kerel, niet in di schoone kwispedoor, breng 'm naar buiten! - De vent dremmelt nog even, rood van verlegenheid. - Hoor je me niet? Neem 'm 'r uit! - Nu bukt de vent zich, pakt voorzichtig de natte, met zand bekleefde pruim op en loopt er mee naar de binnenplaats. - Doe dat zand nou weer wat glad, korporaal,’ commandeert de kapitein. - En terwijl deze langzaam oploopt, moppert de escouadecommandant, die over 't pruim-incident is aangesproken, tegen den sergeant van de week: Als de vent in z'n broek had gepist was 't zeker ook mijn schuld geweest, ouwe hoer! - De kamerwacht zet hier en daar banken

[p. 447]

voor de tafels terecht, doch Frikkers wil nou niks meer van z'n plaats zien gaan, eindelijk moet 'r maar 's aan dat gedonderjaag 'n eind komen. ‘Ja, schei nou maar uit, zeg, laat die banken nou maar staan, die staan zoo heel goed; ga jij maar liever bij de deur staan, met 'n sabel in je hand; zoodra je den bataljonscommandant ziet aankomen, roep je dadelijk: in orde! Goed duidelek roepen, hoor, dat we 't allemaal kunnen verstaan. Vooruit, weg, marsch! Ik verzoek de heeren pelotonscommandanten, na de inspectie even op het bureau te komen.’ - De heeren pelotonscommandanten knikken, zeggen niks. De kamerwacht heeft gesabeld bij den ingang post gevat. Het is elf uur, Kapitein Frikkers gluurt even door het raam, om te zien of de overste nog niet komt; hij is zéér nerveus. Om zich wat te doen te geven, veegt hij met z'n witte-handschoenvinger langs den achterkant van een muurkastje, bekijkt-ie zich in den spiegel, zet z'n pet wat rechter, gluurt onder 'n krib, of-i ook stof ziet, licht de vouwen van 'n wolletje op, of 'r ook iets tusschen ligt ... nee, alles in orde, nergens één stofje, niks onbehoorlijks, de compagnie ziet 'r presentabel uit. Als nou de kerels óok maar meewerken. - Plotseling de harde krijgskreet: In orde! - De kapitein en de beide luitenants snellen als aangeschoten herten naar voren, blijven bij de deur, bezield door een geest van gelijktijdigheid, alle drie op hetzelfde moment pàl staan, salueeren. De manschappen en korporaals staan stijf voor hun bedden, de onderofficieren aan 't hoofd hunner sectie. Het is een aangrijpend oogenblik, de opening van een wapenfeit. Luitenant-kolonel jonkheer Blom, bataljonscommandant, treedt binnen, gevolgd door den luitenant-bataljonsadjudant en den adjudant-onderofficier. - Mòrge, mijne heeren, alles hier in orde, Frikkers?’ vangt overste Blom aan. - Zeker, overste!’ antwoordt de kapitein levendig. - En nu begint de rondetocht langs de kribben, sectiesgewijze, overste Blom, met ridderorden aan z'n borst, vóórop, achter hem de ellenlange hiërarchieke sleep: compagnies-commandant, pelotonscommandant, adjudant-onderofficier, sergeant-majoor en sergeant van de week. Overste Blom schijnt 'n weinigje blasé, hij kijkt bijna nergens naar, de vierde compagnie boft speciáal. In het eerste peloton loopt alles zonder incident af, maar in 't tweede wil het toeval, dat de overste juist milicien Akkerman aanspreekt. Frikkers zit in transes. - Wel jonge, hei je alles present? zijn je sokken heel? - Jawelle.... majoor. - Hòe zeg je? jonge, jonge, vergis je je nou niet, hé? ben ik nou majoor? - Geen antwoord; Akkerman, toch al niet pinter, is bij 't gezicht van al die uniformen heelemaàl van de wijs. Bête staart hij den overste aan. - Nou? ben ik majoor? hoeveel kwasten heeft 'n majoor? - Twee, kaptein ... majoor ... hakkelt Akkerman. - Hij is wat zenuwachtig, overste,’ vergoelijkt de kapitein. - Zenuwachtig, zenuwachtig, 'n soldaat móet niet zenuwachtig zijn,’ hervat de overste, ‘jonge, jonge, jij mag nog wel is 'n duchtig lesje krijgen, hoor! Wie is je instructeur? - Ik, overste,’ antwoordt korporaal Meyer, escouade-commandant. - Is-i altijd zoo, korporaal? - Ja, overste, hij is erg suf. - Zoo. Wat ben je van je vak, jongen? sta nou toch stil, 'n soldaat moet onbeweeglek stilstaan, als 'n meerdere tegen 'm spreekt, dat is je toch zeker wel geleerd, hé? nou? wat ben je van je vak? - Boere arbeijer, overste ... majoor. - Ja, dat kan 'k wel aan je knuisten zien, 't lijken wel stukken leer! - De gansche sleep lacht. Akkerman bekijkt onwillekeurig z'n werkpooten. En nu wil de overste geestig zijn. - Wat heb je liever in je klavieren, 'n geweer of 'n dorschvlegel?’ vraagt hij met een fijn glimlachje om z'n gedistingueerd grijs-snorremondje. - Akkerman antwoordt niet, begrijpt toch wèl, dat 't om 'n aardigheid te doen is, kijkt den overste bedeesd-glimlachend aan. - Nou? durf je niet? zeg 't maar, wat heb je liever? - 'n Dorschvlegel, overste,’ antwoordt Akkerman bangelijk. Hilariteit natuurlijk. Luitenant-kolonel jonkheer Blom loopt verder, nog zeggend: ‘Nou, erg militair is 't niet van je, hoor! je geweer komt je net zoo goed te pas als je vlegel. Frikkers, Frikkers, wat is die man nog achterlijk; heb je meer van die sujetten bij de compagnie? - Nee, overste,’ liegt de kapitein, ‘deze milicien is wel 'n

[p. 448]

uitzondering. - Nou, maak 'r dan nog 'n beetje soldaat van, hé!’ antwoordt de overste langzaam-goedig, met 'n bemoedigend knikje; dan, na even te hebben rondgekeken, vervolgt hij: - Ik dank de heeren verder wel, ik zie, d'r is zorg aan de compagnie besteed, laat de manschappen maar inpakken; straks wou ik de heeren wel even op 't bataljonsbureau zien. - De inspectie is hiermede afgeloopen. Overste Blom en z'n adjudant verlaten de chambree, uitgeleide gedaan door Frikkers en de beide luitenants, die meteen doorloopen naar het compagniesbureau. Korporaal Meyer, escouadecommandant van Akkerman, komt nu bleek-giftig naar dezen toe. - x x x Boere hengst, moest jij je weer vergissen, hé? lamgeslagen drieling, stom stuk, x x x stomme verdommeling, schollebek!! - De onderofficieren kijken elkaar lachend aan. - En nu komt opeens, haastig-driftig, de sergeant-majoor op de compagnie. ‘Korporaal Meyer en de milicien Akkerman, alla, allebei bij de kapitein op 't bureau komen. Akkerman met z'n eene paar sokken...’

Toen Drabbe al deze ruwheden hoorde en neerschreef, was de kentering evenwel reeds ingetreden. Ook op het leger begonnen de groote maatsphappelijke en godsdienstige stroomingen van den nieuwen tijd hun invloed te doen gevoelen. Men beseffe slechts even: den afstand die er ligt tusschen de ontelbare edities en vertalingen van Büchners ‘Kraft und Stoff’, en Brunetières artikel in de ‘Revue des deux Mondes’ over het failliet van de wetenschap. Het midden der 19de eeuw was de tijd van Renan en Strauss, en de ‘Moderne theologie’ ten onzent. Maar tegen 1880 zien we een wederopbloei van het Réveil, dan krijgen we de anti-revolutionnaire partij en de doleantie. Over de katholieken komt, als een nieuwe Pinksterzegen, rijk genadeleven en frisch inzicht van hun taak in de nationale samenleving. Kuyper, Lohman en Schaepman worden vrienden, en sluiten zich van lieverlede tot een Christelijke rechtsche partij aaneen. Die godsdienstige herleving deed zich weldra ook in de gelederen gelden: niet langer werd de religieuze zin bedwongen in de binnenkamer des harten, de flinksten durfden zich te uiten, en kwamen vierkant voor hun geloof uit, ze begonnen te protesteeren als er gevloekt werd. Aanvankelijk werden ze natuurlijk uitgelachen, maar dat bleef niet zoo. Want het goede voorbeeld wekte weldra vele navolgers, die uit zichzelf nooit den moed zouden gehad hebben. Vroeger schreef het Reglement van Krijgstucht voor: ‘Daar (ik cursiveer) de godsdienst de bron is van alle geluk, deugd, waren moed en troost, moet ook in den krijgsstand eenieder zich tot betrachting derzelve en tot een zedige levenswijze bevlijtigen: de godslasteringen, het vloeken en zweren moeten worden nagelaten.’ Toen was de godsdienst dus als het ware een utiliteitsbeginsel, en we zagen reeds wat dat uithaalde. Nu kwam de drang tot een godsdienstig leven uit het diepe geloof van geest en hart, en dat zijn heel wat werkzamer machten. - Ook op de behandeling der mindere militairen bleef de godsdienst, die naastenliefde vraagt, niet zonder invloed. Doch vermoedelijk zou dit godsdienstig opleven in het leger niet zooveel hebben uitgewerkt, was daarbij niet gekomen: 1o de pers, die al de leelijke stukjes begon uit te brengen, waar vroeger geen haan naar kraaide, 2o de meer humane begrippen,

[p. 449]

die weliswaar aanvankelijk een zekere weekheid en verslapping in de hand werkten, maar ten slotte de strooming van een rationeeler opvoeding door sport en gymnastiek tot de ‘mens sana in corpore sano’ in het leven riepen; 3o de sociale beweging, die sterk opkwam tegen alle verdrukking, en aan de minderen die vroeger bijna alleen hun plichten leerden, nu ook vooral hun rechten kwam preeken. De officieren van nu: zijn waarschijnlijk niets beschaafder dan hunne voorgangers van vijftig jaren terug, maar ze toonen thans die beschaving óók in de kazerne tegenover hunne minderen. Vroeger wisten ze niet beter of een vloek was op z'n plaats in de kazerne, thans begrijpen ze min of meer reeds hun sociale opvoederspositie. Bovendien verminderde daardoor tevens het overprikkeld gezagsbesef. Een paar jaar geleden zat de hoogst in rang zijnde generaal - namelijk de Commandant van het Veldleger - aan een diner na een voetbalwedstrijd, met een paar miliciens in uniform! Wie had dat een halve eeuw geleden durven denken! - Verder kwam ook onder de recruten van lieverlede een veel hoogere beschaving. De afschaffing der plaatsvervanging en de instelling van het reserve-kader brachten een heele rij wel-opgevoede jongeheeren in de kazerne, ja zelfs bekwame, geleerde, artistiek- en religieus reeds hoogstaanden en gepromoveerden, die eerst na hun studietijd hun dienstplicht konden vervullen. En men zou zeer verkeerd doen met den invloed dier betrekkelijk weinigen te onderschatten. - Dit alles bewerkte weer een verbreeding van het verkeer naar buiten, en dientengevolge een losser worden der sociale groep, een vermindering van de kaste-eigenaardigheden. Ook door het grooter worden van het contingent, en het met fiets en tram zooveel vergemakkelijkte familiebezoek houdt de kazerne allengskens op ‘een wereldje apart’ te wezen, en dus ook de kazernetaal ‘een eigen taaltje’ te zijn.

Ten slotte is om vele der bovengenoemde redenen, bij de toonaangevende kringen, het leger aanmerkelijk in aanzien gerezen. In het midden der 19de eeuw zou men zich een dochter van den burgemeester eener groote stad die gearmd met een wachtmeester uitging, immers niet hebben kunnen voorstellen. Het meest dragen daartoe nu evenwel nog twee nieuwe stroomingen bij: 1o de nationaliteitsbeweging: met haar consequentie in de volksweerbaarheid, 2o de bestrijding van de hand over hand toenemende neurasthenie, en de nieuwe kijk op de veelgesmade tucht als het geneesmiddel tegen zenuwzwakte. Van den anderen kant is het leger bij sommigen in aanzien gedaald: 1o door de vredesbeweging en 2o door het socialistische anti-militairisme. Ik geloof dat ieder Christenmensch, of zelfs ieder beschaafd mensch, tegenwoordig wel toe zal geven dat ‘Vrede door liefde en recht’ ons ideaal moet zijn. Zij die evenwel het woord van den ouden Frits: ‘du weisst nicht, Sulzer, zu welch verdammter Rasse wir gehören’ nog in de ooren hebben, zullen gemakkelijk inzien, dat toch voorloopig aan de afschaffing van alle oorlogstoerustingen niet te denken valt, en

[p. 450]

dus met Frédéric Passy en alle verstandige pacifisten: niet slechts wenschen een goed-georganiseerd leger te behouden, maar vooral de goede zijden van het leger, al langer hoe meer tot haar recht te doen komen. Er zal evenwel nog heel wat water door onze lage landen naar zee moeten vloeien, eer alle misstanden en ongeregeldheden in de kazerne zijn uitgeroeid, en aan de anti-militairisten alle reden tot klagen wordt ontnomen. Maar juist in dit streven treffen ten slotte de pacifisten, met de mannen van de volksweerbaarheid en de hygiëne van den geest te zamen. Het leger zal dan een opvoedingsinstituut, een school worden voor alle klassen van de maatschappij, waarin de discipline over het lichaam: het middel zal zijn om tucht over den geest te winnen. En dat dit niet weinig tot verhooging der geestelijke en moreele volkskracht moet bijdragen, en de voortwoekerende neurasthenie zal helpen keeren, kan aan geen gegronden twijfel meer onderhevig zijn. Zoowel Raymond, Pitres en Janet in Frankrijk, als Soesman in ons eigen vaderland, hebben het toch uit de ervaring geleerd, dat niet slechts onder de militairen zeer weinig zenuwlijders worden aangetroffen, maar dat de militaire dienst bovendien voor vele neur- en psychasthenici een uitstekende gezondheidskuur blijkt te zijn. Wij hebben dus uit dit alles te verwachten, dat de legertaal wel van lieverlede minder van de algemeene taal zal gaan afwijken als totnutoe, haar definitieve ondergang is echter nog op geen eeuwen na te voorzien. Wij zullen nu een reeks lijsten met kazerne-woorden laten volgen. De indeeling ontleenden wij in hoofdzaken, ter gemakkelijker vergelijking met de buitenlandsche gegevens, aan P. Horn: Die deutsche Soldatensprache2, Giessen 1905. Bovendien hebben wij een scherpe scheiding aangebracht tusschen de gegevens der 19de en der 20ste eeuw. Dit gaf natuurlijk aanleiding tot herhalingen, maar levert het groote voordeel op, dat men nu de inwerking der hierboven uiteengezette psychische tendenzen en sociale stroomingen, op heeterdaad kan betrappen. Alleen moet men hierbij vooral in het oog houden, dat ik voor de bereden wapens alleen een klein lijstje uit 1914 kan overleggen, behalve voor de artillerie, waarvan ik bijna geen nieuw materiaal heb kunnen bemachtigen, mijn verzamelingen voor de 19de eeuw veel onvollediger zijn dan die voor de soldaten van thans; en deze leemte doet zich vooral bij de ruwer woorden gevoelen, omdat vroegere schrijvers tegen het opnemen van zulke termen en uitdrukkingen veel meer bezwaren hadden dan onze moderne naturalisten. Het verschil in taal tusschen artillerie en infanterie is, gelijk men zelf uit de lijsten zien zal, niet zoo groot als men zou verwachten. Toch achtte ik een scheiding gewenscht; al was het alleen maar om te kunnen bepalen, bij welk kader de term het eerst is opgekomen. Overigens zijn, juist als bij de studententaal, alle obsceniteiten enz. kortweg geweerd. De boeken en stukken voor de 19de eeuw min of meer volledig geëxcerpeerd, zijn de volgende: Lodewijk Mulder: De Stokvischorders

[p. 451]

opnieuw gedrukt in Humor en Satire, Den Haag 1907, blz. 213 vlgd.; Schetsen uit het soldatenleven van een gewezen Limburgsch milicien, Sittard 1870; W. Vosmaer: In dienst, Den Haag 1886; N. van Harpen: Losse en scherpe Patronen, A'dam z.j.; N. van Harpen: Toevaltreffers, A'dam z.j.; F.A. Buis (pseudoniem van Gen. Fabius): Veteranen, A'dam z.j.; L. Drabbe: Het dappere Hollandsche Leger5, zonder plaats en jaartal. Lijst van woorden in gebruik bij de Kon. Mil. Akademie, Onze Volkstaal I, blz. 46 vlgd., II, blz. 119 vlgd. Bovendien stonden mij een paar woordenlijsten ter beschikking door Generaal A.N.J. Fabius en een onbekend artillerie-officier in het jaar 1882 voor Taco de Beer ‘Volkstaal’ opgemaakt, maar tot nu toe niet uitgegeven. - De soldatenwoorden van de 20ste eeuw zijn alle in de jaren 1913 en '14 door vrienden en oud-leerlingen uit den mond der soldaten voor mij opgeteekend. Alleen voor de Koninklijke Militaire Academie gebruikte ik o.a. een artikeltje in het Weekblad voor Leeraren. Overigens vergelijke men hiervoor nog Dl I blz. 495-501.

I. Namen voor meerderen en bijzondere posten 1860-1885.

Bij de Infanterie:

 
B.C. (be.se:): bataljons-commandant. Deze verkorting wordt in de reglementen gebruikt en is daaruit overgenomen.
Beul: de provoost-geweldige.
Brigges: korporaal. Het woord komt van brigadier, den titel van een korporaal bij de cavalerie, ook als vocatief gebruikt door de lagere klassen buiten het leger.
Dubbele: sergeant-majoor, naar de dubbele streep, die hij op de mouwen heeft.
Kadraaier: eerste of tweede kadraaier: eerste of tweede luitenant. cf. Zeemanstaal.
Stip: adjudant-onderofficier, zoo genoemd omdat hij als onderscheidingsteeken een kleine knoop op de kraag heeft.

 

Bij de Artillerie:

 
Big: scheldnaam voor een milicien-korporaal,
Broekje: een jong aangesteld gegradueerde, iemand die slechts kort een rang of graad bekleedt. Het woord komt waarschijnlijk van: een jong, klein broekje, iemand die slechtskort een broek draagt, iemand die nog heel jong is.
Brigges: verkorting van brigadier, titel van een korporaal bij een bereden wapen.
Dienst-klopper: een strenge meerdere, een strenge dienstdoener.
Drilmeester: korporaal of sergeant die met eenige hardheid leert exerceeren.
Korpus: verkorting van korporaal.
Menagedief: scheldnaam voor den menagemeester.
Mieter: 'n hooge mieter: een hooggeplaatst persoon. Eigenlijk iemand die een hoog hoofddeksel draagt. Mieter van het lat. mitra, muts, hoofddeksel.
Olie: Jan Olie: scheldnaam voor den plaatselijken adjudant.
Opper: verkorting van opperwachtmeester. Ook naam voor den sergeant-majoor.
Pook: scheldnaam voor een adjudant-onderofficier (niet algemeen).
Punt: hetzelfde als pook.
Roffeljongen: tamboer.
Stip: adjudant-onderofficier. Zie dit woord bij de Infanterie.
Stok: scheldnaam voor den adjudant-onderofficier. Deze droegen vroeger stokken.
Vuurpik: scheldnaam voor den sergeant-majoor-vuurwerker.

 

Aan de Kon. Mil. Academie te Breda:

 
Brievenmajoor: de onderofficier die de brieven brengt.


[p. 452]

Dubbele: sergeant-majoor, die dubbele streepen op de mouwen draagt.
Fielt: onderofficier met de surveillance belast.
Fieltenkooi: woning van den fielt.
Ploert: de adjudant-onderofficier.
Stip: de adjudant-onderofficier. Afgeleid van de knoop, die deze als distinctief op den jaskraag draagt.

Namen voor meerderen en bijzondere posten 1913-1914

Bij de Infanterie:

 
B.C.: bataljonscommandant.
Brigadier: eigenlijk korporaal bij de bereden wapens. Sarrend overgenomen door de Infanterie voor hun korporaals.
Brigges: brigadier. Zie lijst van 1860-1885.
Compiesvader: kapitein.
Dubbele: sergeant-majoor. Naar de dubbele strepen op de mouwen.
Dubbele punt: vaandeldrager. Naar de twee stippen op z'n kraag.
Ezel: gestreepte ezel: iedere meerdere.
Goudkraag: majoor of hooger.
Jan met de pet: zie B.C.
Kanarievogel: aspirant-reserve-officier. Zoo genoemd om de gele biesjes aan weerszijden van den kraag.
Kòpral, kopraal, kiepraal: korporaal.
Kuchboer: soldaat die het kommiesbrood, kuch, uitdeelt.
Luit, luint, lurnt: luitenant.
Man: twee man en een paardenkop: korporaal, zoo genoemd om de weinige manschappen, die onder hem staan.
Olie: Jan Olie: in kleine garnizoenen algemeen de plaatselijke adjudant.
Oppasser-richtbok: helper van den foerier (die den richtbok in bewaring heeft); gewoonlijk dezelfde als de kuchboer.
Pet: Jan, Piet met de pet: de overste.
Punt: adjudant-onderofficier, naar de zilveren of gouden punt of stip op zijn kraag.
Roffeljongen: tamboer.
Sant: sergeant.
Sergeant-majoor in de grondverf: korporaal, omdat de streep om de mouw niet van goud maar geel is.
Stip: zie punt.
Vaandelsjouwer: vaandeldrager.
 

Aan de K.M.A. te Breda:

 
Balgstip: adjudant, huismeester met het eten belast.

II. Namen voor de manschappen in de jaren 1860-1885

Bij de Infanterie:

 
Boutje: een nieuw-aangekomene voor het Indische leger. (Alleen te Harderwijk gebruikelijk.) Wellicht afgeleid van: een vet boutje voor de ingezetenen van Harderwijk, die op de kolonialen azen.
Boutjes-wagen: diligence of omnibus, die de boutjes aanbracht.
Doordoffer: een zindelijk man.
Dure: een plaatsvervanger, omdat hij zooveel geld gekost heeft.
Kafkaf: de cavalerie.
'n Nummer: aardige kerel.
Sprotter: iemand die nog kort in dienst is.
Vetkees: een onzindelijk man.
 

Bij de Artillerie:

 
Boon: witte boon: scheldnaam voor een infanterist. De infanterie-kleeding was vroeger voorzien van witte biezen. Vandaar wellicht deze uitdrukking.
Boer: een nieuw aangekomene milicien.
Cadet: gegoed, 'n fijn cadet: een volontair, die tot officier wenscht opgeleid te worden, of die veel geld heeft. Een heertje. Voornamelijk bij het Instructie-bataljon gebruikelijk.
Dokstukje: een gunsteling, protégé.
Kanarievogels: scheldnaam voor de Infanterie. Deze had een gele uitmonstering.
Kaassnijer: een militaire dandy.
Kanenbraaier: een militaire dandy; ook wel iemand die veel verteert of bluft.
Kerel: een dure kerel: een remplaçant, omdat deze veel geld kost.
Knoopendraaier: flikflooier.
Kraan: een knappe, verstandige kerel.
Lans: landsman
Lijfhoornblazer: élève-hoornblazer.


[p. 453]

Opsluiter: een klaplooper.
Piot: scheldnaam voor den infanterist.
Paplap: hospitaalsoldaat.
Scherpschutter: een veelvraat; iemand die veel honger heeft. Ook een wellusteling.
Slaap: de man naast wien men slaapt.
Stoepie: scheldnaam voor vesting-artillerist.
Theedrinker: iemand die vaak in het hospitaal wordt opgenomen. Ze zijn in het hospitaal met niets zoo gul als met thee.
Vetdoffer: iemand die met de linkerhand vuil maakt, wat hij met de rechterhand heeft gepoetst.
Vetlap: een smerig soldaat.
Watercadet: zie fijn cadet.
 

Aan de K.M.A. te Breda:

 
Asymptoot: iemand, die in zijn overgangsexamen niet slaagde. In de wiskunde is asymptoot een lijn (het pad der studie) welke een andere (den top van den berg, het doel) steeds nadert zonder haar ooit te bereiken.
Baar: nieuweling aan de Academie, wat aan de Universiteiten een groen is.
Baren: ontgroenen.
Brenzert: slaper.
Dokstukje: een baar die door een oudje en amitié wordt genomen.
Donderstukje: een baar die door een oudje erg onzacht ontgroend wordt.
Fideel: familiaar. 'n Fideele baar: een baar die zich vrijheden veroorlooft.
Kafkaf: de Cavalerie.
Kierpaal: iemand die hard werkt, vooral stiekem.
Lans: landgenoot, kameraad.
Oliefuif: man die de lampen schoon houdt en aansteekt.
Oliekadet: oliefuif.
Onmogelijk: 'n onmogelijke kerel: een vervelende, dwaze kerel.
Opsluiter: klaplooper.
Oudje: ieder die baar af is, dus cadet van het tweede of later verblijfjaar.
Schetteraar: praatjesmaker.
Slaap: de man naast wien men slaapt.
Typisch: een typisch (goede kerel): een bijzonder (goede kerel).
Voshengst: iemand die hard studeert.
Wollert: slaper.

Namen voor de manschappen in de jaren 1913-1914.

Bij de Infanterie:

 
Big: recruut die nog niet is afgericht.
Boerenlul: milicien die nog niet afgericht en een beetje boersch is.
Bokkepooten: infanterie. cf. Artillerie.
Dienstklopper: iemand die altijd zijn best doet.
Hongerlijder: vrijwilliger.
Jantje: soldaat.
Kameraad: medesoldaat.
Kanarievogels: reservekader.
Kikkers: jagers.
Knuppel: in samenstelling geeft dit woord minachting aan: b.v. reserveknuppel.
Kopschijf: algemeene scheldnaam. Overdracht van de schietschijf, die in vorm zoowat op een mensch gelijkt.
Lijntrekker: iemand die vrij van dienst of een gemakkelijke dienst ziet te krijgen.
Man: anderhalve man en een paardekop: heel weinig volk b.v. dat een korporaal onder zích heeft.
Milicienbonk: milicien.
Milicienhengst: milicien.
Milicienknuppel: milicien.
Pikkes: (Indisch) marinesoldaat.
Piot: infanterist.
Poetskurk: klein ineengedrongen ventje.
Pompstokken: grenadiers.
Roetjakstamper: scheldnaam voor soldaat.
Sambalburger: scheldnaam voor soldaat.
Schijtvlieg: scheldnaam voor iemand die in de stad gaat om ergens te praten en koffie te krijgen.
Slaap, slaapie: de man naast wien men slaapt.
Snijboon: 'n snijboon van goeie afkomst: jong soldaat uit den deftigen stand.
Veld: de veld: de veldartillerie.
Veldbonk(er): veldartillerist.
Vesting: de vesting: de vestingartillerie.


[p. 454]

Vetdoffer: een onzindelijk soldaat.
Vierpooter: een viermaander.
Zandhaas: scheldnaam voor infanterist.
Zwengel: in samenstellingen geeft dit woord minachting te kennen b.v. 'n reservezwengel.
 

Bij de Artillerie:

 
Bokkepoot: infanterist. De naam is ontleend aan de indrukken van de hakijzers, die de infanterie in het zand achterlaat. Daarop slaat ook het versje: Infanterist bokkepoot - Hei-je geen geld, ga dan maar dood.
Ezel: infanterist. Anderen zien in die hakijzer-indrukken gelijkenis met ezels-hoefijzers: vandaar de naam.

 

Aan de K.M.A.:

 
Balgtype: iemand, die veel eet.
Bokje: een soldaat.
Booker: een schooier.
Kei: de eerste van de klas.
Kekkeling: iemand die er fijn uitziet.
Klos: kei.
Poen: een schooier.
Schragerijders: cavaleristen.
Stoep: artillerist.
Wespen: de genisten.
Veulen: de jongste van de Academie, bij een feest of andere gelegenheid.
Zandhazen: de infanteristen.
 

Opmerkelijk misschien is het - trouwens zeer begrijpelijk, - verschil dat door militaire schrijvers, natuurlijk altijd officieren of cadetten, onwillekeurig gemaakt wordt tusschen man en persoon. Het eerste gebruiken ze uitsluitend voor hun minderen, het tweede slechts voor huns gelijken.

III. Namen van de uitrustingsstukken in de jaren 1860-1885

Bij de Infanterie:

 
Bak: ransel.
Bijtrekken: de plooien goedtrekken.
Doffen: poetsen. Waarschijnlijk uit de tegenstelling met glimmend maken, zooals b.v. ‘een koopje’ door tegenstelling is geworden: een misrekening.
Haringen: de tentpennen waaraan de tentlijn(en) zijn bevestigd.
Hartklopper: medalje.
Kaasmes: sabel.
Keep: sjako.
Kling: sabel.
Pieper: pompon.
Schrap: de roode schrap, de roode chevron.
Slakkesteker: bajonet.
Spuit: geweer.
Trappers: schoenen.
Turftrappers: schoenen.

 

Bij de Artillerie:

 
Bijtrekken: de plooien bijtrekken: zorgen dat de plooien van achteren bij jas of mouwvest goed zitten, wanneer de sabelkoppel wordt omgedaan.
Bullen: 't zelfde als spullen: alle kleeren.
Bokkentuig: zie tuig.
Doffen: poetsen.
Kaasmes: korte sabel.
Kapitein: de kapitein is dood: je muts staat verkeerd op je hoofd.
Lat, lange lat: sabel, lange sabel.
Pereboom: paal in 't midden van een tent om deze op te houden.
Pierebak: patroontasch.
Slakkesteker: bajonet.
Spuit: geweer.
Tuig: het tuig omhangen: de wapenen en het ledergoed aandoen.
Vet: onzindelijk.
Vetdoffen: slecht poetsen.

 

Aan de K.M.A.:

 
Bullen: benoodigdheden: kennis; eigendom.
Kaas: zie snijden.
Ongekleed: de uniform niet naar den eisch aan hebben, b.v. de jas niet geheel toegeknoopt dragen.
Postiek: burgerkleeding.
Spuit: geweer.
Smurrie: olie met blauwsteen om het geweer te poetsen.
Snijden: er mooi uitzien. Ook: kaas snijden.



[p. 455]

Namen van de uitrustingsstukken in de jaren 1913-1914

Voor de Infanterie:

 
Bliksemafleider: tuniek; zoo genoemd om het roode biesje van de nieuwe tuniek.
Bokkie: ransel. Dit woord wordt vooral in 't Ned.-Ind. leger gebruikt, naar de huid waaruit de ransel is vervaardigd.
Buiten model: niet precies volgens voorschrift. Hij doet buiten model, hij doet mal. Wordt vooral van meerderen gezegd.
Doffen: poetsen. Knoopen doffen.
Eenmansschijf: schietschijf.
Flikkersjas: tuniek.
Flodder: losse flodder: losse patroon.
Gamellen: fra. gamelles, ijzeren bakken voor koffie of rats. Wordt verbasterd tot kamillen of kameelen.
Kaasmes: sabel van onderofficiers en korporaals,
Kamillen. kameelen: zie gamellen.
Kapotjas: lange soldatenjas.
Keep: kepi. Als de keep achterste voren staat, vraagt men: ‘Is de bataljonscommandant (de b.c., de kapitein) dood?’
Kegeltje van Jan: bronzen medalje.
Kistjes, sigarenkistjes: dienstschoenen.
Kling: lange sabel.
Knol: paard.
Kopschijf: schietschijf.
Linnenkast: ransel.
Mobilisatie-keep: leelijk model kepi door het Rijk verstrekt.
Mobilisatie-pet: zie mobilisatie-keep.
Model: volgens voorschrift. Een sergeant die model is: die zeer streng is. Modeldienst doen. Hij is model, modelschoenen enz.
Monddeksel: stop op de geweertromp. B.v. Waar is je monddeksel? Die markeert de pas op de Maaldrift, d.w.z. die heb ik verloren op de Maaldrift (Kampen).
Nogablokken: loodblokken in de patroontasch.
Ongekleed: de uniform niet naar den eisch aanhebben.
Opdoffen: oppoetsen. Ik moet den luitenant nog opdoffen, zegt een oppasser.
Patje: bies op de kraag.
Pieper: 1o aardappel, 2o scherpe pieper: scherpe kogel.
Potlood: geweer. (Bij de schutterij).
Rijp: de knoopen zijn rijp: vallen bijna af.
Rompschijf: schietschijf.
Scheerkwast: pluim op de kepi.
Schietijzer: geweer.
Sigarenkistjes: zie kistjes.
Sik: paard.
Slakkesteek: bajonet.
Smurrie: olie met blauwsteen om 't geweer op te poetsen.
Soepjurk: lange soldatenjas.
Spuit: geweer.
Tenue: groot tenue: tuniek, omdat de miliciens in groot tenue deze tuniek aan hebben.
Tuniek: jas voor dagelijksch gebruik.
Vetleeren medalje: medalje.
Zwenkjas: grootverlofjas.
 

Bij de Artillerie:

 
Biek: dienstpaard.
Bijltje: klein artillerie-sabeltje.
 

Aan de K.M.A.:

 
Geit: mak paard.
Kanapee: mak paard.
Koei: mak paard.

IV. Termen voor dienst en verlof in de jaren 1860-1885.

Bij de Infanterie:

 
Bij zijn in z'n reglementen: ze goed kennen.
Copie, Compie: Compagnie.
Geweer: hij staat voor 't geweer: een veel gebruikt antwoord wanneer er naar iemand gevraagd wordt, die afwezig is.
Klassineeren: iets op reglementaire wijze in orde brengen, gezamenlijk iets verrichten. Komt vermoedelijk van collationeeren: geschriften met elkaar vergelijken b.v. het afschrift met het oorspronkelijke. Dit afschrift werd bij 't collationeeren verbeterd. De sergeant-majoor klassineerde, bracht in orde.


[p. 456]

Permissie: met permissie gaan: een kort verlof krijgen van 1 à 2 dagen b.v.
Maandelijksche herrie: maandelijksche inspectie.
Mikmak: oorlog.
Pof: op den pof gaan; zonder permissie het garnizoen verlaten.
Potjes: hoeveel potjes nog? Hoeveel dagen moet je nog dienen? Ieder soldaat heeft een blikken eetketel, waarin hem - vroeger altijd en thans meer bij uitzondering - zijn warm eten wordt uitgereikt. Deze portie noemt hij zijn potje.
Rats: in de rats zitten; erg bang zijn cf. blz. 464.
Schieten met flodderpatronen: schieten met flaubertpatronen.
Sergeant-majoor is jarig: het is tractement uit betalen. Vroeger alle vijf dagen.
Tusschenuit: (er) tusschenuit trekken: deserteeren.
 

Bij de Artillerie:

 
Afpresenteeren: De soldaat moet gepresenteerd worden aan den chef, op den dag vóór zijn eventueel vertrek.
Bajonet: zijn bajonet afslaan: met het werk of spel eindigen, omdat het voortzetten toch niets geeft. Sla je bajonet maar af, schei maar uit: het geeft toch niets. In 't algemeen: met iets eindigen. Na afloop van de exercitiën of de wachten wordt gecommandeerd: bajonet af, d.w.z. doet de bajonetten van de geweren.
Bajonetten: op bloote bajonetten: op bloote voeten.
Brood: nog brood op de plank hebben: nog moeten dienen. Ik heb nog een jaar brood op de plank. Brood op de plank hebben: nog kommiesbrood voor de toekomst hebben.
Dienst kloppen, uitmaken: 1) verschillende personen voor dienst commandeeren 2) in overleg treden: zij maken den dienst uit: zij overleggen hoe het wezen moet.
Donder het hooi in de ruif: gewoon commando om de paarden te voeren.
Drillen: iemand leeren exerceeren vooral met eenige hardheid.
Hiel: twee uur op z'n linker hiel draaien: twee uur op post staan.
Lakens: de lakens uitgeven, uitdeelen: kommandeeren.
Lappen: een functie uitoefenen voor iemand die door ontstentenis of ziekte verhinderd is. Dus toevoegen, aanlappen wat te kort is.
Lapweek: de orderweek hebben bij ontstentenis van den korporaal of sergeant der week.
Linker: zie hiel.
Oliehalen: bij militaire marschen een gewone uitroep voor: links en rechts van den weg gaan om een rijtuig te laten passeeren.
Pas: in den pas staan: goed aangeschreven staan. Wanneer men achter elkaar marcheert en men heeft niet denzelfden pas, dan gaat het loopen slecht. Men trapt op de hielen van anderen en krijgt woorden. In den pas gaat het beter.
Paulus heeft de week: het is mooi weer, dus exerceeren.
Petrus heeft de week: 't is slecht weer, dus geen exerceeren.
Pof: op den pof gaan: zonder verlofpas uitgaan, pierewaaien.
Pijn: pijn in den ransel hebben: te lui zijn om zijn ransel te dragen.
Ransel: zie pijn.
Rapport houden: b.v. de chefs der korpsen houden rapport: d.i. houden op een bepaald uur zitting om rapporten in te nemen, diensten te bevelen, straffen uit te deelen, enz.
Sokken: er de sokken in zetten: hard wegloopen.
Schilderen: op wacht staan.
Schutteren: slecht exerceeren: ook iets verkeerd of onhandig uitvoeren. De afleiding is voor onze schutterij niet vleiend.
Stoom: verkorting voor den vroegeren stoom-cursus.
Theorie: er is theorie aan de lucht: het wordt slecht weer. Bij slecht weer worden de wapenoefeningen in de open lucht vervangen door theorie binnen.
Tusschen: ervan tusschen (uit) zijn, gaan: zich zonder verlof van het korps verwijderen.
Uitpakken: inspectie maken. De ransels worden dan uitgepakt. Ook geneeskundige visitatie.


[p. 457]

Uitrukken: buiten de kazerne gaan voor oefeningen of werkzaamheden.
 

Aan de K.M.A.:

 
Blokken: hard studeeren.
Boom opzetten: gezellig praten, keuvelen.
Bullen: opstand maken, oproerig worden.
Bullenfeest: opstand.
Contramarcheeren: een dito plagerij als keeren een straf is. De patiënt kroop bij 't hoofdkussen, kop vooruit, onder de wol. En als hij aan 't voeteneind er weer uit kwam kijken, kreeg hij een glas water in 't gezicht.
Dokken: beschermen; een baar dokken: een baar in bescherming nemen.
Drossen: wegloopen, de poort uitloopen.
Druipen: niet overgaan, zakken.
Eendjes: naar de eendjes zien: over het muurtje bij het Spanjaardsgat kijken.
Gang!: ‘vlug wat’.
Gang, geng!: geroep waarmee verzocht wordt om door te gaan met het een of ander en daardoor geen oponthoud te veroorzaken. Zoo b.v. bij gedrang op corridors of elders.
Haas: je bent kolossaal haas: zie haas vreten en puntje.
Haas vreten: bang zijn, een dwaas figuur maken. Vandaar ook het geroep: haas! haas! Waarschijnlijk is het afkomstig van den versregel: Ende hi vrat haese! in Reinaert de Vos.
Kieren: hard studeeren.
Komt 's an!: daar komt zij aan! Waarschuwend geroep voor overtreders van de een of andere bepaling.
Mopperen: studeeren.
Pakriem: een lange pakriem: een lange rechte weg.
Pennebaantje: dictaten afschrijven enz. door de baren voor de ouderen.
Pet-af!: waarschuwend geroep, synoniem met ‘komt 's an!’ en in gebruik genomen, toen deze laatste uitdrukking verboden was.
Poetszak: achter de poetszak: jonger zijn. B.v. hij ligt drie jaren achter me poetszak: hij is drie jaren jonger in dienst dan ik.
Politiek: 'n politiek: een burger.
Postieker: burger.
Potje: club. Een potje opzetten: gezellig praten.
Puntje: in een zin als: je bent 'm een puntje. Het is moeilijk door een bepaalde uitdrukking te vervangen en wordt in verschillende beteekenissen gebruikt. Wanneer iemand iets onaangenaams wedervaart of hem iets tegenvalt, zegt men dat bij 'm een puntje is. Ook als A. iets beweert en B. bewijst hem het tegendeel, dan roept men A. toe: ‘nou ben je 'm een puntje.’
Puppen: rooken.
Snorren: boodschappen doen.
Spieren: bij een examen ongeoorloofde middelen gebruiken.
Spiertje: stukje papier met aanteekeningen voor bovenbedoeld gebruik.
Stechel: zie spiertje.
Stechelen: zie spieren.
Vossen: hard studeeren.
Walletjes pakken: wandelen op de thans geslechte wallen.

Termen voor dienst en verlof in de jaren 1913-1914.

Bij de Infanterie:

 
Afgaan: den dienst verlaten.
Afpresenteeren: de laatste dienst hebben.
Afzwaaien: met groot verlof gaan.
Afzwaaier: schot, dat niet in de schijf zit. De naam komt hiervandaan, dat er met een rood vlaggetje uit den kuil gezwaaid wordt.
Alle uur een lepel: de soldatenschool.
Boel: de boel inleveren: afgeven wat men van het Rijk in gebruik heeft.
Burgerkorveeërs: vroeger beteekende dit woord alleen de burgerknechts in de kazerne: nu ook de gymnastiek-onderwijzers.
Copie, Compie: compagnie.
Dienstkloppen: nauwkeurig alle dienstver-plichtingen vervullen. Minachtend ook in de beteekenis van vleien, stroopsmeren.
Dienstklopper: iemand die dienstklopt.
Dwarstreffer: een kogel die dwars op de schijf komt.
Hengsten: met de recruten hengsten: de recruten onderrichten.
Kilometer: zooveel kilometer achter de koppelplaat hebben: een marsch maken van zooveel

[p. 458]

kilometer. De koppelplaat is de koperen plaat met het regimentsnummer er op.
Koppelplaat: zie kilometer.
Lijn: de lijn trekken: weinig of niets uitvoeren. Bij de compagnieschool is het een benijd baantje de touwen te mogen vasthouden. Men mag er zijn ransel enz. bij afleggen.
Lijn: een goeie lijn hebben: een gemakkelijk leventje hebben, op den een of anderen dag, of in een of ander postje.
Loopen: tippelen.
Mikmak: aanslagoefeningen.
Oppilemeuren: oppoetsen van koper. Afgeleid van een vroeger poetsmiddel ‘pierre de Namur’ genoemd.
Rotzooi: kazerne of de geheele dienst.
Rotzooi: de rotzooi uitgaan: met groot verlof gaan. Ontleend aan een liedje.
Rustkamer: waar de foerier allerlei dingen buiten-gebruik, zoo den richtbok, bewaart.
Speksie: inspectie.
Schilderen: op wacht staan.
Tierelieren, tureluren: tirailleeren.
Traktement: traktement beuren: soldij innen.
Vetwei: de vetwei: het exercitieveld.
Wacht(je)kloppen: de wacht houden. Een duur wachtje kloppen: de wacht voor geld afkoopen.
Zwenken: met groot verlof gaan.
 

Aan de K.M.A.:

 
Bel: aan de bel trekken: jagen, als een paard op hol is.
Biggen: duwen.
Buikslieren: tirailleeren.
Bul: een burger.
Fokken: een taes fokken: hoogrood worden. Naadjes fokken: erg over iets inzitten.
Fut: futpeeën: gymnastiek maken.
Kankeren: mopperen.
Kieren: bang zijn.
Koonen: hard blokken.
Pet: iets in de pet hebben: iets in de gaten hebben.
Poelen: gaan poelen: gaan zwemmen.
Rijden: rijden op een vak: er niets van weten. Rijden op een examen: het niet weten.
Spieken: smokkelen met repetitie.
Spieren: zie spieken.
Steggelen: zie spieken.
Voorkaaien: vóórzeggen.

Vgl. Deel I blz. 498-499.

V. Woorden voor straffen in de jaren 1860-1885.

Bij de Infanterie:

 
Bon: strafrapport. Op de bon staan: vermeld staan op 't strafrapport.
Front: voor het front komen: zich moeten verantwoorden (voor het front der troepen moeten komen). Kom jij eens voor ons front: wat heb je uitgevoerd?
Gewipt: gedegradeerd.
Klas: naar de klas gaan: naar het depot van discipline worden overgeplaatst, geplaatst worden in de 2e klasse van discipline.
Klassiaan: iemand die naar het depot van discipline overgeplaatst is.
Logeeren: uit logeeren gaan: met politiekamer gestraft worden.
Manchetten: handboeien.
Mutatie: de reden der straf. De soldaat zegt mutasje. Komt van fra. mutation, verandering in de positie van den soldaat. Er was een kolom ‘mutation’ in de militaire registers. De laatste kolom van het strafregister droeg nu wel niet het opschrift ‘mutatie’, maar ‘mutatie’ heette een kolom te zijn. In zoo'n kolom stond de strafreden. Dus was 't een mutatie.
Pond: een dag provoost. Hij heeft twee pond: hij heeft twee dagen provoost. Naar het brood van één pond, dat de gestrafte krijgt.
Schildersofficier worden: gedegradeerd worden.
Schroef: voor de schroef: voor den krijgsraad.
Schuit: strafpeloton.
Sokken: hij is van de sokken getimmerd: hij is gedegradeerd.
Sokken-verkocht: gestraften-appèl. Het blaast sokken-verkocht, het blaast gestraften-appèl.
Toeren varen: strafexerceeren.
Toertje: een toertje krijgen: een toer strafpeloton moeten meemaken.


[p. 459]

Wijn en banket en bij den smid in de kost: opgesloten zitten op water en brood.
Zetten: op den bon zetten: van iemand rapport maken.
Zuur slaan: rapport maken.
Zuur zijn: gestraft zijn.

 

Bij de Artillerie:

 
Blauwverver worden: de gele of roode chevrons kwijt raken door terugstelling tot gewoon soldaat.
Bon: op de bon zetten: van iemand rapport maken.
Branden: zich branden. Zie lamp.
Bij: er bij zijn: gestraft zullen worden wegens eenige overtreding.
Draaien: er in, in de kast draaien: in de strafkamer geplaatst worden. Hij draait erin: hij zal wel gestraft worden.
Driekantje: een in den vorm van een driehoek gevormd briefje, waarin aan een officier arrest wordt opgelegd. Alleen bij officieren gebruikelijk.
Forceetje: arrest forcé. Officiëel arrest voor officieren zonder acces. Alleen bij officieren gebruikelijk.
Kast: strafkamer.
Klas: dépot van discipline. De soldaten behoorende tot de tweede klas van discipline staan daar onder strengere krijgstucht.
Klassiaan: iemand die daartoe overgeplaatst is.
Lamp: aan de lamp likken: zich schuldig gemaakt hebben aan een overtreding, waardoor men gestraft zal worden. Waarschijnlijk hetzelfde als: zich branden.
Loterij: de loterij trekt: er wordt straf uitgedeeld. Wat heeft de loterij voor mij getrokken: wat voor straf heb ik gekregen.
Nachie: een dag politiekamer.
Nor: politiekamer. Nor is eigenlijk een vuile plaats, een akelig hok.
Pond: een dag provoost. Steeds met een telwoord b.v. vier pond: vier dagen provoost.
Ridder te voet worden: gedegradeerd worden, tot gewoon soldaat teruggesteld worden.
Schuitje: een toer strafpeloton.
Schuitje varen: strafexerceeren.
Stropdas: uit z'n stropdas stinken: een kwaden adem hebben.
Wacht: in de wacht sleepen: gearresteerd worden.
Wippen: degradeeren, tot soldaat terugstellen.
 

Aan de K.M.A.:

 
Das: 'n das geven: een straf voor baren: men slaat den arm om den hals van den patiënt en knijpt dezen zoo lang toe, als de straf vereischt. Ook een manier van vechten aan de K.M.A. gebruikelijk.
Keeren: een van de straffen, die veelvuldig worden toegepast op baren. Zij wordt uitgevoerd als volgt: Twee personen vatten de matras van den reeds slapenden kameraad, aan de eene lange zijde, en door een forschen ruk trekken zij die eerst naar zich toe om hem daarna om te slaan.
Loeren: in de kaart loeren: oppakken. B.v. de klabakken hebben hem in de kaart geloerd.
Sterrekijken: straf voor de baren. Om die te ondergaan, projecteerde zich de patient rugwaarts op den vloer. Boven zijn gelaat hield men de eene pijp van een pantalon, waarna men door dezen geïmproviseerden telescoop een kan water wierp.
Uitschijter: standje, uitbrander.
Verticaal zetten: straf voor de baren. Men neemt de krib van den reeds te bed liggenden baar bij 't voeteneind op, en laat haar om 't hoofdeinde opwaarts scharnieren tot de grootst mogelijke helling. Deze manoeuvre die niet gevaarlijk is, berust zuiver op den angst van den patiënt.

Woorden voor straffen in de jaren 1913-1914.

Bij de Infanterie:

 
Achterover tikken: voordragen der straf.
Baaies: gevangenisstraf. Zie Bargoensch.
Bokking: 'n bokking, een standje krijgen.
Bon: op de bon slingeren: het voordragen der straf.
Douw: een douw hebben: de strafbeet hebben, als n.l. de kapitein de straf heeft opgelegd.

[p. 460]

Een douw krijgen: van den hoofdcursus verwijderd worden (is ook een straf).
Er op staan, er in vliegen: straf krijgen.
Nachies, nachjes: politiekamer.
Klos: je bent de klos: je krijgt straf.
Nor: de provoost.
Petoet: provoost.
Pond(je): een dag provoost.
Pitjes: vier droge pitjes: vier dagen cachot.
Strepe kwijt: degradatie, gedegradeerd.
Wippen: degradeeren.
Zuur: je bent zuur: je krijgt straf; iemand zuur slaan: voordragen voor straf.
Zitten: je zit erin: voordragen voor straf.

 

Aan de K.M.A. te Breda:

 
Bon: op de bon zetten: op 't strafrapport schrijven.
Das: een das geven. Zie lijst 1860-1885.
Uitschijter: een standje.

VI. Woorden voor eten, drinken, slapen, ziek zijn enz. 1860-1885.

Bij de Infanterie:

 
Gesmeerde: een gesmeerde drinken: een kop thee met suiker.
Knijzer: kommiesbrood, van kniezen.
Kuch: kommiesbrood. In de dieventaal der 18e eeuw (Duisburg) vond ik voor brood het woord hoest. Ik geloof nu beide termen te begrijpen. Iemand die aan grof en droog brood niet gewoon is, moet er natuurlijk van hoesten en kuchen. Hangt hiermee ook het Amsterdamsch-Rotterdamsche keggie samen?
Lappen: geld bij elkaar leggen om drank te laten halen.
Maffen: slapen.
Menage: een beste menage: lekker eten en drinken. Oorspronkelijk hielden de soldaten te zamen één menage, vormden één huishouden.
Paaltje: stukje brood ter waarde van vier centen.
Politiekjes: burgerboterhammen tegenover kommiesbrood; gemeubelde politiekjes: belegd met kaas of vleesch.
Rats: doorgestoofd eten.
Schuiven: onder de wol schuiven: naar bed gaan.
Snelvuur: grauwe erwten.
Stal: hospitaal.
Straatje: ruimte tusschen twee kribben op de slaapzaal.
Stukje: een stukje van vier: een stukjebrood ter waarde van vier centen.
Wacht: het lijkt wel eten voor de wacht. Dit is een uitdrukking ter aanduiding, dat iets niet bevalt, onaangenaam is.
Ziekenpeut: ziekenvader in 't hospitaal.

 

Bij de Artillerie:

 
Bonzen: aardappels.
Brits: lage houten bank in 't cachot.
Donder: rooie donder: bieten met aardappelen door elkaar.
Heen en weer: een cent heen en weer: het brood laten voorzien van voor een cent boter.
Jagers: gemengde jagers: snijboonen met aardappelen, naar de groene uniform der jagers.
Jassen: aardappels schillen, van: de jas uitdoen.
Kaantje: uitgebraden stukje ossenvet.
Knijzer: kommiesbrood. Eigenlijk munitiebrood.
Knoedelmajoor: houten roerspaan waarmee men het eten dooreen mengt.
Kotje: bedkrib.
Kuch: kommiesbrood.
Lamp: tegen de lamp loopen: een geheime ziekte opdoen.
Lappen: geld bij elkaar leggen om drank te koopen.
Longe: aan de longe hebben: met iemand uitgaan die ten slotte het gelag betaalt.
Maffen: slapen.
Pas: zijn pas afteekenen: zijn snee brood laten voorzien van een laagje boter.
Piepers: aardappels.
Pik: fijne pik: goed klaargemaakt eten b.v. dat der onderofficieren.
Piketpalen: wortelen. Deze groente valt voor de militairen wel eens wat houterig uit.
Raasdonders: grauwe erwten.
Ransel: met gepakte ransel: met volle buik.
Ratjetoe: van ratatouille. Dooreengemengd

[p. 461]

middageten uit groente en aardappels bestaande.
Rats: samentrekking van ratatouille.
Rug: op den rug staan: te bed liggen.
Scherpschutter: een veelvraat.
Scherpstaan: honger hebben. Wellustige hartstochten koesteren.
Soldaat: maak het maar soldaat: eet het maar op.
Stal: verkorting van ziekenstal: hospitaal.
Straatje: ruimte tusschen twee bedkribben.
Tirailleeren: het eten dat na het vullen der eetketeltjes overblijft, verdeelen.
Theedrinken: iemand die vaak in 't hospitaal wordt opgenomen.
Wol: onder de wol gaan: gaan slapen.
Wollen: slapen.
Zaaiers: aardappels.
Zak: een zak maken: het bed zoo opmaken, dat degene die zich te ruste wil begeven, in de lakens verward raakt.
Ziekenbon: ziekenrapport.
Ziekenstal: hospitaal.

 

Aan de K.M.A.:

 
Ballen: gehakt. b.v. We eten van middag ballen,
Brenzen: slapen. Zie Brenzert.
Fuiven: lekker eten, smullen, een feest geven.
Hok: door beschotten afgesloten gedeelte der slaapzaal hoogstens voor twaalf personen.
Hot: karnemelk met stroop.
Jassen: aardappels, uien schillen of groente schoonmaken.
Kaantje: gebraden stukje spek.
Kotje: krib, bed.
Kuch: munitiebrood.
Lijntjes exerceeren: zuurkool eten.
Maffen: slapen.
Mandje: bed.
Piepers: nieuwe aardappels.
Pootenzaal: zaal vijf in de infirmerie, waar de cadetten die zich aan handen of voeten bezeerd hebben, verpleegd worden.
Pruimtabak met kokardes: andijvie met kroten.
Raasdonders: grauwe erwten.
Rats: in 't algemeen: gestampte kost, b.v. Wortelrats.
Reparatiekast: ziekenzaal. b.v. Leg je op de reparatiekast.
Sparren: zie fuiven.
Stal: ziekenzaal.
Verbussen: laat je verbussen: ga naar de ziekenzaal.
Voeding der wilde dieren: het eerste souper na het groot verlof, waarbij de nieuw aangekomenen tegenwoordig zijn. Dit souper mag bijgewoond worden door ouders, vreemden en belangstellenden.
Wol: in de wol kruipen, onder de wol schuiven: naar bed gaan.
Wollen: slapen. Zie Wollert.
Ziekenpreek: ziekenvader.

Namen voor eten, drinken, slapen en ziek zijn 1913-1914

Bij de Infanterie:

 
Bikken: eten.
Brenzen: bronzen, slapen.
Jassen: aardappels of groente schoonmaken.
Keeren: de krib keeren: iemand met zijn bed omkeeren.
Keveren: gaan slapen.
Kotje: krib en toebehooren.
Krib: bed.
Kuch, Kuchies: kommiesbrood. Nog zooveel kuchies: nog zooveel dagen dienst.
Langbeeners: vlooien.
Lijn: op de lijn a b (gaan) liggen: naar bed gaan, op bed liggen.
Lijn(tjes) exerceeren: zuurkool eten.
Maffen: slapen.
Mopperen: slapen.
Nest: bed.
Neutje: borrel.
Offerbakje: (vooral in Indië) kist onder het bed.
Piepers: aardappels.
Politiekie: wit broodje, burgerboterham, in de cantine verkrijgbaar.
Puist: menage- of kommiesbrood.
Ratjetoe: hutspot, stamp.
Rats: hutspot, stamp.
Ratsblik, ratsketel: eetketel.


[p. 462]

Scherp: de krib scherp zetten: de ijzeren matras omkeeren, zoodat de man er doorheen valt.
Snelvuur: capucijners.
Stroozakken: in den vrijen tijd op den stroozak gaan liggen.
Tabak: zware tabak: andijvie.
Uienswieber: uienrats.
Veldketel: eetketel.
Vetkwal: bijkok.
Vetlellen: stukken vet in de soep.
Wagensmeer: boter.
Zaaier: menage- of kommiesbrood.
Zesbeeners: vlooien.
Zwabberen: schrobben.

 

Aan de K.M.A.:

 
Balgen: eten.
Buffelen: zich volstoppen.
Fuif: smulpartij.
Gaan piepen: gaan slapen.

VII. Andere idiomatische eigenaardigheden 1860-1885.

Bij de Infanterie: nog geen Bargoensch.

 
Berg je wapennummer: wordt gezegd, als er een militaire lijkstoet voorbij gaat.
Glad: dat is nogal glad: dat is nogal duidelijk.
Korvee: aan iets een heele korvee hebben: een moeilijke taak hebben.
Lons: iemand aan de lons hebben: iemand beetnemen. Lons komt van ‘longe’ bij het paarddresseeren.
Marsch: hij is in den marsch: hij is dronken.
Pootje: iemand een pootje verkoopen: iemand vermoeien.
Post: op post staan: op zijn meisje staan te wachten.
Reserf: iemands reserf zijn: in beurt op iemand volgen, b.v. bij het wasschen of bij het lezen van de krant. ‘Zeg, ik reserf!’
Sas: in z'n sas zijn: blij zijn.
Slaan: stelen.
Slons: meisje.
Vizier: iemand in 't vizier hebben: iemands kwade bedoelingen begrijpen.

 

Bij de Artillerie:

 
Ballen: hij weet er de ballen van: hij weet er niets van.
Batterij: achterwaarts in batterij komen: aan een natuurlijke behoefte voldoen. De vuurmonden der bereden artillerie komen in batterij d.w.z. worden van de voorwagens afgehaakt en neergezet om te kunnen schieten. Dit kan geschieden achterwaarts en voorwaarts.
Bullen: hij kent, weet zijn bullen: hij weet zijn zaken.
Dokken: iemand begunstigen.
Draai: zijn draai hebben: vroolijk zijn. Wellicht van: het draait; het heeft leven - dat geeft vroolijkheid.
Gefort zijn: buiten echt met een vrouw leven. Gefort zijn beteekent op een fort zitten, dus gebonden zijn, niet kunnen gaan waar men wil.
Glad zijn: knap zijn, eigenlijk goed zijn om zich ergens doorheen te werken. Dat is glad genoeg: dat is nogal natuurlijk. Een gladde vent: iemand die zich overal doorheen weet te werken.
Geuren: bluffen.
Geurtje: hij liep met een los geurtje: hij wandelde heel deftig.
Giebelton: urineton.
Lieremannetje: delirium tremens,
Longe: aan de longe hebben: met iemand uitgaan, die het gelag betaalt. Zie Lons.
Loonwachtje: een loonwachtje snappen: met het meisje van een kameraad uitgaan.
Onderuit: er onderuit komen: durven opkomen. Kom er maar onderuit: ik daag je uit.
Opsluiten: klaploopen.
Opsluitend: in het opsluitend gelid staan: moeite doen om te kunnen klaploopen. Wellicht een toespeling op het klaploopen van het kader, dat in het opsluitend gelid plaats neemt.
Smiezen: iets in de smiezen hebben: iets in 't oog hebben, iets vermoeden.


[p. 463]

Smoesjes verkoopen: onwaarheden of uitvluchten opdisschen.
Smoezen: flikflooien, iets door mooie woorden trachten te krijgen.
Spie: geldstuk, een cent.
Spijker: aan den spijker hangen: verkoopen.
Vizier: in 't vizier hebben: iets in de gaten hebben.
Wacht: in de wacht sleepen: iets meenemen of meepakken, vooral als het voorwerpen betreft, waarvan het eigendomsrecht betwist zou kunnen worden.
Was: in de was zetten: iets zwart maken. De uitdrukking werd vooral gebezigd van knevels door kunstmiddelen zwart maken. Men zegt ook: in de slappe was zetten.
 
Aan de K.M.A.:
 
Bajadère: schoonmaakster aan de K.M.A.
Balkan: veldlatrine.
Balkannen: gebruik maken van de veldlatrine.
Halen: een kleur krijgen.
Kisten: laat je maar kisten!: geef alle hoop maar op.
Klep toe!: doe de deur dicht.
Lijn trekken: gezellig praten, keuvelen.
Pik: je pik stinkt: je lamp stoomt.
Slaadje: een slaadje tabak: een pruim tabak.
Zwammen: kletsen.
Zwampot: kletspartij.

Andere idiomatische eigenaardigheden 1913-1914.

Bij de Infanterie: ineens veel Bargoensch.

 
Aardappel: de mensch is geen aardappel. Dit wordt gezegd, als iets moeilijks gekommandeerd wordt.
Ballen: twee, drie ballen gehakt voor hem: wordt gezegd als iemand iets goeds doet.
Beisje: dubbeltje.
Bidden: vloeken.
Doorgang: het kabinet.
Draaimolen: het kabinet.
Dweilen: zwabberen.
Gonje: meisje.
Heitje: een kwartje.
Kaaien: diefstal plegen.
Kalebas: hoofd.
Keesavond: avond waarop de dienstmeiden in de stad vrij hebben.
Klauwen: vingers, beenen.
Knaak: rijksdaalder.
Knerpen: diefstal plegen.
Maffie, mafje: een kwartje.
Mikmak: de heele mikmak: de heele boel.
Mokkel: meisje.
Niese: een meisje.
Poetszak: b.v. je ligt een jaar achter mijn poetszak: je staat ver beneden me. De poetszak met vuile lappen hangt aan de krib bij den muur aan 't hoofdeinde.
Pop: een gulden.
Pruimen kauwen: pruimen.
Ratsen: stelen.
Sjiske: meisje.
Sjoof: een gulden.
Snijden: kaas snijden: er net uitzien.
Spie: een geldstuk, een cent.
Teefje: meisje.
Tekkels: beenen.
Temeies: minder net meisje.
Tronie: hoofd.
Zweetjakkers: zweetvoeten.
 

Aan de K.M.A.:

 
Balkan: kabinet.
Balkannen: gebruik maken van 't kabinet.
Balkanpapier: closetpapier.
Lijk slaan: dronken zijn.
Philippensen: naar de Philippensen: naar den bliksem.

Huzarentermen te Tilburg in gebruik 1913-1914.

 
Afknippen: het iemand in iets afknippen: iemand in iets de baas zijn.
Afzwaaien: misschieten. Zoo genoemd omdat dan met de aanwijsstok gezwaaid wordt.
Bang: ik ben bang: dat wil ik wel eens zien. b.v. Een overste zegt. Dadelijk krijg je veertien dagen, als je niet oppast. Antwoord: ik ben bang!


[p. 464]

Bloedsoldaat: soldaat eerste klas, die één jaar gediend heeft zonder straf, en daarom op één mouw een roode streep draagt.
Bon: iemand op de bon slingeren: rapport maken van iemand.
Bosjes: heel veel. Hij heeft bosjes spie: hij heeft veel geld.
Bulis: strenge overste. Misschien Limburgsche verbastering van ‘beul’.
Coblijnspet: uniformpet volgens het Engelsche legermodel. Zoo genoemd omdat Luitt. Coblijn die het eerst gedragen heeft. Te onderscheiden: groote en kleine Coblijnspet, naar gelang de bovenkant groot en rond, of klein en ellipsvormig is.
Detective: iemand die in een goed blaadje wil staan bij zijn overheid, een dienstklopper.
Galopje: een galopje pikken: in galop gaan rijden.
Harnachement: uitrusting, ik ga mijn harnachement even in de houding slingeren: ik ga het eens even oppoetsen.
Harry Knijp: scheldnaam voor dienstkloppers, die bang zijn voor straf.
Hindernissen tikken: hindernissen nemen.
Ketel: een ketel halen: druipen, b.v. Je haalt toch een ketel: je druipt toch.
Knetters: grauwe erwten.
Knippen: slapen.
Knijpen: hij zit hem te knijpen: hij zit in angst. Zie Harry Knijp.
Koffie: daar kom je bij op de koffie: dat doe je niet beter. Ook gezegd van iemand die een ander te paard wil inhalen maar het niet kan.
Kotje: bed. Hij ligt nog op zijn kotje: op de dekens.
Kurkentrekker: een prulsoldaat.
Muziekdoos: paard dat bij de muziek loopt. Meestal een oud dienstpaard. Daarom gewoonlijk ‘oude muziekdoos’.
Piepers: aardappelen.
Pikeuren: hij zit te pikeuren: hij laat zijn paard onrustig loopen en is trotsch daarop, m.a.w. hij doet alsof hij een goed ruiter is.
Pikeurtje: rijzweep.
Rats: algemeene naam voor stamp, verkort uit ratjetoe (fra. ratatouille).
Ritjanus: ritmeester.
Slinger: hij heeft zijn slinger: hij heeft het naar zijn zin.
Slingeren: iemand in de houding slingeren. Altijd als grap gezegd, wanneer een mindere tegen een meerdere te vrij wordt. Deze zegt dan lachend: pas op, anders zal ik je in de houding slingeren. Zie harnachement.
Snelvuur: grauwe erwten.
Snertsoldaat: een prulsoldaat.
Spie: geld.
Spons: scheldnaam voor een dronkaard.
Stang: iemand op stang rijden: iemand flink aanpakken, kwaad maken. Ik heb hem op stang: ik heb hem woedend gemaakt. Zie trens.
Steken: wat zal jij hem daarmee steken: wat zal jij daarmee bluffen.
Tabak gaan halen: op de loop gaan, het paard niet kunnen houden.
Trens: iemand op trens rijden: van iemand veel kunnen verdragen. Zie stang.
Tuk: iemand tuk nemen: iemand erin laten loopen. Iemand tuk hebben: erin hebben laten loopen.
Tusschenuit: hij is er tusschenuit: hij kan zijn paard niet meer houden.
Tuimelaar: kogel die van boven naar onderen door de schijf gaat, dus een langwerpig gat maakt.
Uienzwiebel: saus waarin uienschillen zijn.
Vijfje: broodje van vijf cent.
Vuilste: hij is in de vuilste: hij kan zijn paard niet meer houden.
Wolletje: bed, ik kruip weer onder 'twolletje.
Zwam nu gauw: houd toch gauw op met dien onzin te vertellen.

 

Wij moeten nu nog even stilstaan bij de soldatenliederen. ‘'t Oranjeboekje met liederen voor Janmaat en Soldaat’ door H. Clockener Brousson, A'dam 1881, geeft hiervan geen recht begrip, daar de verzamelaar vrij willekeurig overal gelikt en gevit heeft. De echte onvervalschte teksten en melodieën worden

[p. 465]

thans door den Heer Garms met veel zorg en toewijding verzameld. Als zijn werk eenmaal zal verschenen zijn, zullen wij daarin een kostbaar hulpmiddel hebben, om de legertaal in haar opeenvolgende perioden, wetenschappelijk te bestudeeren. Voorshands geef ik zelf een paar staaltjes van verzen en liederen, op een paar uitzonderingen na, alle woordelijk uit soldatenmond opgeschreven, deels in 1884, deels in 1914. Daar ik echter niets verhaspelen wil, en van den anderen kant overeenkomstig het doel van mijn boek, vele tamelijk vrije, soms zelfs vierkante vuile poespas niet verkies op te nemen, moet men in het oog houden, dat de werkelijkheid nog heel wat ruwer en ongegeneerder is dan deze bloemlezing zou doen verwachten. Ik vestig bij voorbaat de aandacht op den verbrokkelden zinbouw.

 1. (terwijl men een glaasje drinkt) 1914, Tilburg.
 Op de gezondheid van de trop
 Keukel ik er een over den kop.
  
 2. 1914, Arnhem.
 Compelement van Krullemie,
 Compelement van Kaatje!
 Kaatje had de knipmuts op
 In iedere knip een gaatje.
  
 3. 1914, Arnhem.
 Een soldaat van het Nederlandsche leger
 Snoefde op zijn heldendaân.
 Hij ging toen naar Atsjeh henen,
 Hij zou duizenden verslaan;
 En op het batteljons bevel
 Om op te rukken, maar jawel:
 Toen meldde zich die snoeverd ziek
 Vin je dat niet kommiek. (bis)
  
 4. 1914, Arnhem.
 Wie z'n vader heeft vermoord,
 En z'n moeder heeft vergeven,
 Die is nog veel te goed voor het soldaten-leven;
 Maar eenmaal komt de tijd,
 Dat we de rotzooi gaan verlaten,
 Vervloekt zij 't regiment!
 Maar nimmer de soldaten.
  
 5. 1914, Arnhem.
 Bij Sédan, al op een heuvel
 Stond na een bloedigen strijd
 Na de laatste avonduren
 Een Saks al op de wacht.
  
 Maar wat ruischt daar in dat boschje?
 Het is een ruitersman
 Die met diep geschoten wonden
 In zijn bloed lag, bij Sédan.
  
 Breng mij water, kameraden,
 Want de kogel trof zeer goed,
 Bij die gindschen groenen heuvel
 Stroomde voor het eerst mijn bloed.
  
 Thuis daar had ik vrouw en kinder
 En dat doet mij 't hart zoo zeer;
 Zij beminden hunnen vader
 En ik keer tot hen niet weer.
  
 Het was al op een vroegen morgen
 Dat dolf de Saks een graf,
 En hij strooide schoone bloemen
 En takjes al op zijn graf.

De klassiaan (van Vlissingen).

 6. 1914, Arnhem.
 Lieve moeder wil niet weenen,
      Want uw zoon is klassiaan,
 Aan de krijgstucht onderworpen,
      En voor straf naar hier gegaan.
 Dagelijks moet ik excerceeren,
      In de duinen op en neer,
 Presenteeren de geweren,
      Schildwacht spelen keer op keer.
 Van den dienst weer thuis gekomen,
      Moest ik komen op 't beroo,
 ‘Soldaat daar is een brief gekomen,
      Lees hem mij maar even voor’.
 Ach mijn moeder leit op sterven,
      Kon ik haar maar even zien,
 Ja al zijn wij klassianen
      Zijn wij daarom zoo slecht toch niet.


[p. 466]

 
 Soldaat, verlof mag ik niet geven,
      Daarvoor ben jij een klassiaan,
 Aan de krijgstucht onderworpen,
      Ruk maar in, ge moogt niet gaan.
 Moet ik dat als klassiaan nu dulden?
      Nu mijn moeder stervend is,
 Neen, dan ga ik deserteeren,
      Dat is zeker en gewis.
  
 In de Ramstraat aangekomen
      Groote God, wat zag ik daar!
 Stond mijn eenigste geliefde,
      Met de handen in elkaar,
 Nu behoefde ik niets te vragen
      Want mijn moeder was reeds dood,
 Ja, al zijn we klassianen,
      Den ouder die vergeet men nooit.
  
 7. 1914, Arnhem.
 Loop je in de Roggestraat
 Zooals het daar gewoonlijk gaat:
 En je salueert niet voor een korporaal,
 Die maakt rapport, 't is kollosaal!
 Dan moet je komen al bij die kaptein,
 Die zal je leeren, leelijk zwijn,
 Zeg donder die vent de politiekamer in!
 Is dat dan billijk? O ja of neen?
  
 En 's middags bij het middagmaal,
 Daar is het weer dezelfde kwaal:
 Een ieder krijgt zijn deel,
 Gelijk ieder evenveel.
 Maar kijk je die korporaals daar an,
 Ze zitten 't dichtste bij de pan,
 Ze scheppen het vet voor zich alleen,
 Is dat billijk? O ja of neen?
  
 En bi-j je 's morgens dan niet goed,
 Zoo dat je voor den dokter moet,
 En om te genezen van je kwaal,
 Stuurt men je naar het hospitaal.
 En dan krijg je zonder dâ je 't weet,
 Een dag of acht dieet,
 Zoo dat je kwijnt van den honger heen
 Is dat dan billijk? Ja of neen?
  
 8. 1914, Arnhem. Uit den 10-daagschen veldtocht.
 Ik ben soldaat, ik ben soldaat
 Uit liefde voor de Staat;
 De koning roept mij in 't geweer
 Voor Hollands roem en schutters eer:
 Ik ben soldaat, ik ben soldaat
 Uit liefde voor de Staat.
  
 9. (fragment van een oude ballade) 1914, Arnhem.
 Zij diende als jager omtrent drie jaar,
 Geheel onbekend bij haren minnáár
 Met hare wonden verbonden op 'tzelfde pas,
 Daar werd bevonden:
 Dat het een dochtertje was.
  
 10 1914, Arnhem.
 Napoleon die goeie vent, hallee halloo!
 Die gaf 1 gulden traktement, hallee halloo!
 Maar Willem drie, die goeie man
 Die maakt er 7 stuiver van, hallee halloo!
 Bij ons gaat alles zoo.
  
 Dan hebben wij nog een witte broek, hallee halloo!
 Die gooien we 's Zaterdags in de hoek, hallee halloo!
 't Wasschen kost maar 7 cent,
 't Gaat allemaal van je traktement, hallee halloo!
 Bij ons gaat alles zoo.
  
 Dan hebben we nog een model geweer, hallee halloo!
 De vizierklep die gaat op en neer, hallee halloo!
 En onder zit de kollefplaat,
 Die geregeld in de rooie (roest) staat, hallee halloo!
 Bij ons gaat alles zoo.
  
 11. (Evenals de volgende uit een handschrift van 1884, geschreven door een soldaat in het kamp bij Oldebroek; de meeste zijn natuurlijk al veel ouder).

Van elf officieren.

 1.
 Ach vrienden wilt aanhooren
 Wat te Wezel is geschied:
 Van die ellef officieren
 Die door den kogel zijn vernield.
 Zij waren daar als dappere helden,
 Zij geloofden geen arrest:
 Zij werden door de dienaars gevangen,
 En hun wapens afgelegd.
  
 2.
 De dienaars namen hen gevangen
 En naar Wezel getransporteerd,
 Dat was juist naar hun verlangen,
 Om van de Pruisen te zijn gesuspendeerd.


[p. 467]

 
 Drie maanden dat was hun arrest
 Zaten zij op de vesting vast,
 Zij riepen den hoogen hemel aan:
 Komt, stuurt ons naar ons vaderland.
  
 3.
 Elf September ten half twaalf
 Wierd de dood hun aangezegd:
 Dat zij toen zouden moeten sterven
 Maar den elfden kreeg pardon,
 Den elfden zou pardon ontvangen,
 O neen sprak hij met helschen moed,
 Want de dood is mijn verlangen,
 Hetgeen gij aan mijn broeders doet.
  
 4.
 In strikken werden zij gebonden
 En vier wapens gecommandeerd,
 Buiten de Berliner poort gezonden,
 Zoo te worden getransporteerd.
 Maar toen sprak de heer van Helden
 Deze moeite laat maar staan,
 Want wij hebben nog wel zooveel moed
 Om naar ons graf te gaan.
  
 5.
 Toen zij kwamen op de heide,
 Elf grafsteenen zagen zij daar staan,
 Zoodat de een tegen den andere zeide:
 Ach broeders ziet ons rustplaats aan!
 Maar toen sprak de heer van Helden
 Broeders hebt gij ook nog geld?
 Laten wij het tezamen tellen,
 Want wij raken aan ons end.
  
 6.
 Want ons lichaam moet onder de aarde
 Door de wormen zijn verteerd,
 Zij zullen op ons grafsteen schrijven:
 Hier liggen elf officieren.
 Vivat, vuurt op ons aan,
 Want het is met ons gedaan,
 Kozakken vuurt maar op ons aan,
 Want het is met ons gedaan.

De schietschool.

 12. Oldebroek, 1884.
 Daar komen de jongens van de schietschool ann!
 Zij hebben hun blauwe broeken aan:
 Een blauwe broek met een roode bies,
 Die nimmer hare kleur verliest.
  
 Dan hebben zij nog een model-sjaco:
 Van voren laag, van achteren hoog,
 Aan ieder zij een leeuwenkop,
 Een grappenmaker er boven op.
 Dan hebben zij ons nog goed bedacht:
 Een kruiskanon ervoor gebracht;
 Dat kost maar een en twintig cent,
 Ik betaal het van mijn tractement.
  
 En dan hangt er nog voor cieraad aan:
 Een stormketting eraan gedaan;
 Die kost maar een gulden tien,
 Dat kunt gij op mijn zakboek zien.
  
 En dan hebben wij nog een korte jas:
 Twee rij knoopen, net van pas,
 Een rooie bies met een zwarte kraag,
 Dat zien de Zwolsche meiden graag.
  
 En als wij soms uit wandelen gaan,
 Dan heb ik nog een paar schoenen aan,
 Van achteren met een groote strop:
 Ik schaam mij d' oogen uit de kop.
  
 Napoleon die slechte vent
 Die gaf een kwartje tractement.
 Maar Willem Drie die goeie man
 Die maakte er dertien stuivers van.
  
 13. Oldebroek, 1884.

De vesting-kanonieren.

 1.
 Wat blijkt er van verren een glans en een gloed!
 Wie treden er zoo gestadig voorbij,
 Met hun blikken zoo fier in de rij!
 Zoo gaan zij naar het veld met een hoofd-komedant
 Met het vroolijk muziek van den stafmuzikant;
 Waar menig meisje groot en klein
 Gleurt tusschen bloem en veldgordijn.
 Vooruit, dat louter zwieren,
 Houdt allen moed, wij gaan naar het veld!
      Als Vesting-kanonieren.
  
 2.
 Wat schalt dat hoorn, nu nadert de dood,
 En zweeft over 't oorlogsveld heen,
 Daar kleurt menig brave de aarde weder rood,
 De moed breekt 't hart weer vaneen.
 Reeds velen die vielen, wij staan nu alleen,
 Het kanon dat waait door de gelederen heen,
 Maar menig dondert het hoera.
 Staat pal! de hulp genaakt weldra:
 Vooruit wij gaan het vaandel sieren,
 Wie makkers zijn, vooruit, vooruit!
      Als Vesting-kanonieren.


[p. 468]

 
 3.
 De strijd is begonnen, nu vroolijk weer de macht;
 De maan schiet zijn zilveren glans neer.
 Hoe menig strijder die hier heeft volbracht!
 Hij stierf op het veld van eer.
 Zij zijn in die gansche gewesten vereerd
 Aan vriend en aan vijand hun rusten verleend,
 Maar aan den zoom van het boschje daar
 Dringen zij allen bij elkaar:
 't Zijn gewonde kanoniers en officieren,
 Zij stierven voor hun vaderland
      Als Vesting-kanonieren.
  
 4.
 Maar hier hoog in den hemel vergadert de raad
 Van veldheeren uit vroegeren tijd.
 't Zijn mannen als wij zijn: in woord en in daad,
 Gevallen als zij in den strijd.
 Maar wie klopt er, aan de poorten zoo zacht?
 Treed binnen die veldheer, hier boven aan de wacht,
 Respek voor hun, gij legerscharen!
 De wereld gaat boven doodsgevaar,
 Vooruit dat wij tikorie vieren;
 Nu vraag ik u, om eer en plaats
      Als Vesting-kanonieren.
      (sic, zonder drukfouten).
  
 14. Oldebroek 1884.

Afscheid der huzaren.

 1.
 Het uur is reeds geslagen,
 Het uur dat wij vertrekken moeten gaan:
 Het duurt maar een paar dagen,
 Dan hooren wij den afmarsch slaan.
  
 Refr. En den anderen dag komt de foerier
 Zeg jongens, geeft je rommeltje maar hier,
 Ik zal het wel voor u bewaren,
 Heb dus maar geen bezwaren.
  
 2.
 En aldien dan lieve meisjes,
 Al heb gij nog een traantje in je oog,
 En je moet er niet om treuren
 Want de wind die maakt het droog. Refr.
  
 3.
 En de huzaren gaan vertrekken
 De eene heeft plezier, de andere heeft verdriet,
 Wij zullen ons niet laten koeieneeren
 ............ Refr.
  
 4.
 En nu zijn wij aan 't marcheeren:
 Om die groote reis te begaan
 En wij zien de meisjes treuren,
 Dat wij zijn weggegaan. Refr.
  
 5.
 Dus lieve meisjes, wilt niet gaan treuren,
 Want onze liefde is niet gedaan.
 En wij zullen tellegrafeeren
 Als wij daar komen aan. Refr.
  
 6.
 En voor het laatste wil ik sluiten:
 Aldien lieve meisjes, als gij ons niet meer ziet,
 En wij zijn hier wel ontvangen,
 Van moeder en van vriend. Refr.

15. Kustzang.

 1883.
 Hoort ge daar die donders rollen,
 Van de Harssens tot Kijkduin?
 En de stalen monden buldren,
 Op hun vloeren van arduin!
  
 Ziet ge daar die buskruit wolken
 Wentlend zich naar 't firmament,
 Als een lijn vulkanen barstend?
 't Is het vierde Regiment!
  
 Donder rol dan, rol dan, rol dan,
 Langs het Marsdiep voort!
 En verpletter en verniel dan:
 s'Vijands macht en boord.
  
 Al splintere 't staal het onze,
 Al korrele het beton,
 De driekleur blijft geheschen
 Bij 't laatste kustkanon.
  
 En mocht die vlagge dalen
 Op 't gruis van staal en steen,
 Dan dekke ze als een doodenwàa
 Wat rest van ons, meteen.

Generaal Fabius schrijft mij over het bovenstaande lied (nr 15): dat het wel voor de kanonniers gemaakt is, maar betwijfelt, of het inderdaad wordt gezongen, en werkelijk bij den troep leeft: Het is te litterair. Wie geeft ons daaromtrent nadere inlichting?



[p. 469]

 16. Utrecht 1914.
 En in den hemel
 Daar is het goed zijn:
 Daar drink je alle dagen
 Je buikje vol wijn.
 En Sinter Cecilia
 Die slaat er de maat:
 Je kunt niet weten,
 Hoe goed of dat gaat.

In 't zwarte klooster.

 17. 1914, Arnhem.
 Zachtjes luidt het avondklokje,
 Alles keert ter ruste weer,
 Vogelen zingen treurige liederen,
 't Zonlicht daalt in 't westen neer.
  
 Achter in het zwarte klooster
 Zusters in hun stille dracht;
 Zij verplegen daar de lijders,
 Die verwond zijn aangebracht.
  
 Beide deuren staan wijd open
 En een zuster treedt daar in
 Met een jongeling op haar armen,
 Die niet meer ten strijde ging.
  
 Beide beenen afgeschoten,
 En daarbij de rechterhand:
 Want hij had zoo trouw gestreden
 Voor zijn dierbaar vaderland.
  
 Achter in het zwarte klooster
 Klopt een droeve moeder aan:
 Ligt mijn zoon hier zwaar gewond soms?
 Gaarne zou ik tot hem gaan.
  
 Arme moeder, sprak de zuster,
 Ach uw zoon hij leeft niet meer.
 En hij had zoo trouw gestreden
 Hij stierf voor zijn land en eer.
  
 In de kamer aangekomen
 Nam zij 't witte doodskleed af,
 En in tranen stort zij neder:
 Delf voor mij en hem een graf!
  
 Op het kerkhof ligt begraven
 Eene moeder en haar zoon.
 En nu strijden zij voor eeuwig,
 Ja voor eeuwig voor Gods troon.

Het lied der veld-artillerie.

 18.
 Amis compagnons d'armes
 Fiers d'êtres canonniers,
 Notre état plein de charmes
 Est digne d'être envié!
 Les amours, pour compagnes
 L'honneur, la liberté,
 Artilleurs de campagne
 Sont nos divinités!
  
 Le bruit du tonnerre
 Eclatant dans nos rangs,
 La fumée, la poussière
 Enivrant tous nos sens,
 Les décharges à mitraille,
 Les canons vomissants,
 La mort dans les batailles
 Voilà notre élément.
  
 Nous nous moquons des charges
 Des hussards ou dragons,
 Nous les chassons au large
 A coups d'écouvillons;


[p. 470]

 
 Les canonniers bataves
 Jamais ne se rendront,
 Plutôt mourir en braves
 Mourir sur leurs canons.
  
 Après les temps de guerre
 Retournant au foyer,
 Les belles les plus fières
 Ne sauraient résister.
 Car l'Artilleur de Campagne
 En tout temps sait dompter,
 En amour en campagne
 Ennemi et beauté.
  
 Amis trinquons ensemble
 En nous fraternisant,
 Et que la terre tremble
 Au bruit de nos accents!
 Animés de Champagne
 Chantons d'un seul élan
 Vive l'Artillerie de campagne
 Vive notre Régiment.


[p. 469]

 
 Wat dreunt daar op de heide!
 Wat blinkt daar in 't verschiet?
 Wat dondert tusschen beide
 Dat men door 't stof niet ziet?
 Hoe flikkeren de zwaarden,
 Wat forsche melodie,
 Hoe rennen daar die paarden?
 't Is de Veld-Artillerie.
  
 De kruitdamp is hun leven,
 't Kanon is hun banier!
 De hoop daarvoor te sneven
 Bezielt elk kanonnier.
 Zij haken naar den strijde
 Voor Vaderland en Vorst,
 Voor Land en Koning beide,
 Klopt steeds hun mannenborst!
  
 Van 't paard bij 't stuk gevlogen,
 Dra dondert reeds het schot,
 Weer vlug vooruit getogen,
 Vernielt hij s'vijands rot.


[p. 470]

 
 Rent d'overmacht hem tegen,
 Manmoedig staat hij pal,
 Koopt door zijn dood de zege
 En juicht nog in zijn val!
  
 Maar ook in tijd van vrede,
 Blinkt steeds de kanonnier:
 En meisjes schoon van leden,
 Zijn op zijn liefde fier.
 Waar moed zit, heerscht ook trouwe
 Met kracht nooit uitgebluscht,
 Daarom de schoonste vrouwen
 Heeft hij naar hartelust!
  
 Hoera dus voor ons wapen:
 Lang leev' de kanonnier!
 Lang leev' die forsche knapen!
 Des legers schoonste sier!
 Hun leus zij steeds te strijden,
 Werwaarts ook d'eer hen zendt,
 Voor Land en Koning beide
 Tot roem van 't Regiment.

En zoo zijn wij door de soldatenliederen als vanzelf tot de laatste eigenaardigheid gekomen, die ik in de kazernetaal wilde doen opmerken: den verregaanden ballast van Fransche woorden. Deze komen bijna alle uit de officieele legertaal der reglementen en voorschriften. In de dagen van Maerlant kenden onze Nederlandsche krijgslieden, behalve de vele andere Fransche leenwoorden, die ondertusschen weer verloren zijn geraakt, reeds de volgende termen:

 
banier
bende
compagnie
harnas
heraut
kampioen
kapitein
kwetsen
kwetsuur
mijn
officier
prison
prooi
rantsoen
standaard
tent
vizier,

die sedert in gebruik zijn gebleven. Na 1352 kwamen daar, vooral onder invloed van het Bourgondisch bestuur nog verschillende nieuwe bij:

 
artillerie
foerier
gage
garde
garnizoen
kornet
lans
mortier
ordonneeren
pantser
present
schermutselen
soldij
trein enz.

Maar in onze eerste oorlogseeuw (1500-1600) wordt het nog veel drukker.

 
affuit
ammunitie
avancement
artikelbrief
bres
capituleeren
cavalerie
citadel
congé
degradeeren
embuscade
equipeeren
executeeren
flankeeren
fort
guide
infanterie
kadet
kampeeren
kanon
karabijn
klaroen
kolonel
konvooi
korporaal
kuras
lancier
luitenant
marcheeren
munitie
musketier
parlementeeren
piek
pionier
ponjaard
rapier
regiment
represailles
revanche
ronde
rot
sommatie
triomf
tros.



[p. 471]

Hoe taai het leven van sommige half officieele termen in het leger is, moge één enkel voorbeeld bewijzen. Een uittreksel van het Crimineel wetboek, dat aan de manschappen bij in-dienst-treding wordt voorgelezen, heet nog heden ten dage ‘de krijgsartikelen’ naar den ‘artikelbrief’ van ± 1595, waarin verschillende artikelen tegen allerlei militaire misdrijven voorkwamen.

In het leger der Republiek waren na 1672, zoowel meerderen als minderen, voor een groot deel van Fransche origine. Vele werken over militaire wetenschappen: verschenen toen dan ook hier te lande in de Fransche taal. Een heele reeks officieren kwamen, bij de opheffing van het edict van Nantes: uit Straatsburg, Metz en Verdun, met nog veel minderen uit Lille, le Quesnoi en andere grenssteden, in Holland een toevlucht zoeken. Op verzoek van den stadhouder namen de Staten-Generaal hen allen op, elk in zijn eigen rang, en verspreidden hen over de verschillende garnizoenen. Zoo kwamen er te Breda, Maastricht, Bergen op Zoom, 's Hertogenbosch, Zutphen, Nijmegen, Arnhem, Utrecht en 's Gravenhage verschillende compagnieën, die bijna uitsluitend uit Franschen bestonden. Dit bracht natuurlijk weer een heele reeks nieuwe Fransche termen in ons leger. En als wij dan ook ‘Het groot militair Woordenboek van Johan Dibbetz, 's Gravenhage 1740’ opslaan, vinden wij daar veel meer Fransche termen, als thans nog in gebruik zijn. Want in de jaren 1740-1795 verhollandschte onze legertaal weer geducht. In den tijd der Bataafsche Republiek, het Koninkrijk van Lodewijk Napoleon, en onze inlijving bij het Fransche keizerrijk, kwam echter een nieuwe stortvloed opzetten. Toen werd letterlijk alles verfranscht, en voor heel lang. Want van 1815 tot 1870 bleef het Fransche leger geheel en al: het model voor het onze. Van 1815-1830 dienden bovendien in ons leger vele Belgische officieren, die het Fransch voor moedertaal hadden; terwijl vele hoofdofficieren en alle generaals: bijna even goed Fransch als Nederlandsch spraken; immers zij allen hadden nog onder Napoleon gediend. Eindelijk kwamen na 1830 in het leger ten Noorden van de Maas weer vele militairen, die hoewel Noord-Nederlanders, toch een tien- a vijftienjarigen diensttijd, in Waalsch-België achter den rug hadden, waar natuurlijk de kazernetaal uitsluitend Fransch was. Hieraan is het nu ook toe te schrijven, dat de Rijders ca 1820 een Fransch korpslied hadden: Nous sommes tous des francs-lurons (De Navorscher. Dl. 60, 1911, blz. 440) gedicht door Krahmer de Bichin die in 1830 te Brussel sneuvelde. Toen echter de rijders eenmaal een Fransch lied bezaten, was ook de veld-artillerie jaloersch op zoo'n geurtje, en Jhr. de Villeneuve voldeed in 1846 aan dat verlangen door het hierboven blz. 469-470 afgedrukte lied, dat een paar jaar later, ‘opdat de troep er ook iets aan hebben zou,’ op last van den Regiments-Commandant moest worden vertaald. Zelfs betaalde men, tot voor eenige jaren de soldij uit: per 5 dagen of halve décade. Na '70 richtten wij ons weliswaar meer naar Duitschland, maar de oude Fransche

[p. 472]

termen bleven tòch in gebruik, evengoed als trouwens tot voor weinige jaren in het Duitsche leger zelf. Salverda de Grave heeft nu jammer genoeg, al de Fransche termen na 1600 opgenomen, niet verder meer onderverdeeld. En het zou dan ook werkelijk een studie apart worden, na te gaan, wat in de perioden van 1600-1672, 1672-1795, 1795-1813, 1813-1830, 1830-1870 in onze kazernetaal is ingeburgerd. Wijl nu echter de lijst van Salverda, volstrekt niet volledig is - ook in Bouwensch' Viertalig Militair Technisch Woordenboek, den Haag 1896, ontbreekt nog heel wat - heb ik zelf een nieuwe verzameling aangelegd: der nog thans in gebruik zijnde Fransche woorden, die na 1600 in ons leger zijn opgenomen. Alle woorden verder, die reeds bij Dibbetz, dus in 1740 gevonden worden, teekende ik aan met een kruisje. Al de overige die bij Landolt (Militair Woordenboek, Leiden 1861-62) voorkomen en eenige die hij, gelijk ik aliunde kon vaststellen, vergeten heeft, gaf ik een sterretje. De woorden zonder kruisje of sterretje zijn dus uit de laatste vijftig jaar. Eenige die men misschien met aanvankelijke verwondering zou missen, als adjudant en commando, zijn uit het Spaansch en soldaat is uit het Italiaansch ontleend.

 
abri
acces †
actief
activiteit
adjunct (v. adjoint)
administrateur
administratie †
advies †
aggressief
alarm †
alarmeeren *
alignement
ambulance *
ancienneteit
appèl †
armee †
arrest †
arrestatie
arrestant †
arresteeren †
arsenaal *
assaut
attaqueeren †
avanceeren †
bagage †
bajonet *
bandelier †
banket †
barak †
barbet *
barrikade *
barrikadeeren †
bastion *
batailje †
bataljon †
batterij †
bivak *
bivakkeeren
blessuur †
bom †
bombardeeren †
bon †
bonnet *
brevet *
brigade †
cachot †
caisson
calque
campagne-vivres †
cantine †
capitulatie †
carré *
chambree
charge †
chef *
chevaux-legers *
chevron *
circumvalatielinie *
civiel †
combattanten *
communicatie †
concentratie
concentreeren *
conduite-lijst *
conscriptie *
consigne *
consigneeren *
contra-appel
contravalatielinie *
contre-escarpe †
controle *
controleur †
conventie †
correctie voor de derivatie *
correctioneel
coup-de-main *
coupure *
courage †
courtine *
couvert †
cremaillère *
cunette *
décade *
decimeeren *
decoratie *
defendeeren †
defensie †
defensief *
defilee *
defileeren †
defilement *
degradatie
delogeeren *
demarcatielijn *
demonteeren *
departement †
depêche †
deporteeren †
deserteeren †
deserteur †
desertie †
detachement †
detacheeren †
detonatie
directie †
dirigeeren †
disciplinair
discipline †
disciplineeren
dislocatie *
distributie †
divisie †
donjon *
dragon *
dragonder †
dynamiet
écharpeervuur *
échelon *
échiquier *
éclaireur *
elevatie *
élèvehoornblazer
embrasure *
enceinte *
enfileeren *
équipement *
epaulement *
épaulet *
escarpe *
escorte †
escorteeren †


[p. 473]

escouade *
eskader †
eskadron *
estafette
étage-vuur *
étape *
état-major *
evacuatie
evacueeren
evolutie †
examineer-troep *
exempteeren
exemptie †
exerceeren †
exercitie †
expansie-systeem
expeditie †
explosie
face *
fakteur
fanion *
fascine *
flank *
flankeur *
flèche *
fleuret *
foerage †
foerageeren †
foernituur †
forceeren †
formatie *
formeeren †
fortificatie †
fougas *
fouragères
fourgon *
front †
fuselier *
fusilleeren *
galerij †
galon †
gamel *
gecreneleerd *
geforceerde marsch *
gegradueerde
generaal †
genie *
getenailleerd stelsel *
glacis †
granaat †
gratificatie
grenadier †
gros *
guds †
haha
harceleeren *
harnachement
heliografie
heliografisch
honneurs †
hospitaal †
huzaar *
identiteits-plaatje
infanterist
inferieur *
infirmerie *
informatie †
inspecteeren †
inspecteur †
inspectie †
instructie †
insubordinatie *
intendance *
intendant †
interneeren
interval *
interventie *
inundatie *
invaliede †
jalon *
jalonneur *
kader *
kaliber †
kalibreeren
kampement *
kanonneeren †
kanonnier †
kantonneeren *
kantonnement *
kapitaal *
kapotjas *
kardoes *
kazerne †
kazerneeren
kepi
koerier *
koeskoes
kokarde *
kolbak
koloniaal
kolonne *
kommandant †
kommandeeren †
kommies †
kontingent *
kordiet
kordon †
korps †
korvee *
kulas *
kurassier *
kwartier †
kwartiermeester †
latrines
linie †
logement †
longes *
lunette *
majoor †
machicoulis *
magazijn †
manège *
manifest *
manoeuver *
mankeeren †
maraude †
marechaussee *
markeeren *
marsch †
maskeeren *
materieel †
medaille *
menage †
milicien
militair †
militie †
mineurs †
mitrailleur
mitrailleuse
mobilisatie *
mobiliseeren
model †
mortier †
munitie-colonne
neutraal †
neutraliteit †
nitro-glycerine
nivelleeren *
non-aktiviteit
non-combattanten *
observatie-posten *
observeeren †
offensie
offensief *
oleaat
operatie †
order †
ordonnans *
ordonnantie †
organisatie *
oriënteeren *
paljas †
paniek
pansement
pantalon
parade †
paradeeren *
parados *
pareeren †
park
parkeeren
parlementair *
parool †
pas †
pas de route *
paspoort †
pasporteeren
passant †
passeeren †
patje
patroelje †
patroeljeeren
patroon †
peloton *
pensioen †
pensionneeren
percussie
permissie †
personeele †
personeel
piket *
pistool †
planton *
plongée *
politie †
politiekamer
pompon
ponton *
ponton-afdeeling
pontonnier *
positie *
post †
poterne *
presenteeren †
pressen †
prevoot
proclamatie †
profiel †
progressief *
projektiel *
projektor
promenade
promotie
proviand †
proviandeeren †
proviandeering
provoost †
rang †
rangeeren †
rantsoen †
rapport †
rapporteeren
ration *
rayon *
ravelijn *
recipisse †
redan *
redoute *
reductie †
refractair
reglement †
rekruteeren †
rekruut †
rekuil militair *
r