Tiende hoofdstuk. De zeemanstaal.Dank juist onze koele religiositeit, waren wij Nederlanders
voorbestemd om de groote wateren te trotseeren. Een gerust geweten en een koel
hoofd, zijn in barnende gevaren de plechtankers van onverschrokken durfmoed.
Wij hebben er boven, bij 't ontleden van ons algemeen volkskarakter reeds op
moeten wijzen, hoe wíj de zèe, en de zèe óns getemd
heeft. En bij het Zeeuwsch-Hollandsche karakter in het bijzonder, mochten wij
de deugden en wilseigenschappen vieren, die ons land en volk in Europa hebben
groot gemaakt. Onbegonnen werk zou het zijn, aan de hand onzer romanschrijvers
en geschiedkundigen: al die mooie combinaties van stoere karaktertrekken na te
gaan; de helden bovengenoemd, leven en stralen in elke Nederlandsche
herinnering. En ik waag het niet, dat volop gerechtvaardigde nationale
zelfbewustzijn te gaan onthalen: op een armelijk overzichtje van dien
rijk-parelenden zieleschat! ik, naïeve leek in het vak, die nog nooit m'n
neus gestoken heb buiten het zeegat, en de stormende golven alleen ken, van
strand en duintop uit. Eenieder sla dus uit een zijner lievelingsboeken,
vooraleer hij de volgende lijst ga dóórlezen en
dóórproeven, de mooiste zeemanstype nog eens op. Slechts dit
ééne zou er misschien aan kunnen ontbreken, omdat het uit de
daden minder spreekt dan uit de woorden: onze zeelui hadden een
allerduidelijkste invoeling in hun schip. Dat personifieerden zij van boven tot
onder. Zij gaven het niet alleen gewoonlijk een weidschen naam, gelijk weleer
Roeland of een andere van Charlemagnes palladijnen: aan hun hoorn of hun
zwaard; maar zelfs al de onderdeelen van hun vaartuig voelden onze stoere
vaderen als vleesch van hun vleesch, en been van hun gebeente; alle
Nederlandsche namen voor lichaamsdeelen zijn tot den naam geworden van een deel
van het schip. Later in ons vijfde deel kunnen wij dat betooverend-streelende
zielefeit, dat wij invoeling noemen, pas in bijzonderheden ontleden. Daarheen
zij dus op voorhand verwezen. - De belangrijkheid dezer taalgroep op
sociologisch gebied ligt vooral in den verregaanden invloed dien onze
Nederlandsche zeemanstaal eenerzijds op de Russische, Duitsche, Engelsche en
Skandinavische, anderzijds op de Fransche, Bretonsche, Baskische, Portugeesche,
Spaansche en Italiaansche zeemanstalen heeft uitgeoefend. Hier zien wij zoo
goed, hoe verschillende sociale groepen bijna van nature internationale kringen
zijn, die spotten met grenzen of verschil van landstaal. De aansluiting der
Russische zeelui bij de onze: is een paar eeuwen lang, sterker geweest dan hun
verbinding met hun eigen volk. En daarom is zoo goed als alles, wat zij als
zeeman te noemen hebben, eenvoudig Nederlandsch, en geen Russisch. De
hierondervolgende lijst wemelend en krioelend van Russische woorden, spreekt
hier voor zichzelf. Ook van de Duitsche zeemanstaal zullen wij zien, dat zij
grootendeels Nederlandsch van oorsprong is. Dit vraagt echter eene kleine opheldering. Wij zitten hier met de vraag of sommige dezer woorden niet uit Nederduitschland afkomstig zijn. Men begrijpt, hoe graag de Duitsche geleerden dit achterdeurtje openhouden: om de vroegere minderwaardigheid van ‘Deutschland über Alles’ bij ons klein-kliemerig landje, weg te redeneeren. Maar niets wil baten. De feiten zijn te duidelijk. ‘Wenn die technischen Ausdrücke zwischen Niederdeutsch und Niederländisch vielfach urgemeinsam sind,’ zegt Kluge, ‘so muss doch ausdrücklich festgestellt werden, dass der Stempel einer niederländischen Priorität vielfach nicht zu verkennen ist. Niederdeutschland war der nehmende, die Sprache der Niederlande der gebende Teil. - Die Quellen des 17. bis 18. Jahrhunderts verwenden zuweilen technische Ausdrücke, die rein Niederländisch sind. Die meisten Deutschen des 17. Jahrhunderts fuhren mit holländischen Schiffen über See, und noch im 18. Jahrhundert war Niederländisch die Sprache der Hamburger Seemansschule.’ Röding's: Allgemeines Wörterbuch der Marine, 4 Bnde, Leipzig 1794-96 heeft dan ook nog veel meer Nederlandsche woorden dan Kluge, die zich verontschuldigt deze niet te hebben opgenomen, omdat hij ze nergens anders vermeld of gebruikt vond. Of dit criterium van zijn standpunt het juiste was, wil ik in het voorbijgaan wel even in twijfel trekken, daar Kluge zelf aan de wetenschappelijke degelijkheid van Röding voortdurend hulde brengt - maar hem hierin na te volgen was van mijn standpunt onmogelijk, daar het eenvoudig een bestendiging zou zijn van partijdigheid. Want dat Kluge bij de bewerking der afzonderlijke woorden, maar al te dikwijls de zoo juist aangehaalde constateeringen vergeet of wegmoffelt, is een onwederlegbaar feit. Slechts betrekkelijk zelden zegt hij ronduit: ‘niederländisches Lehnwort’. Gewoonlijk blijft het bij een ‘entsprechend niederländisch:...’ Ik heb dan ook een heele reeks termen als Nederlandsche leenwoorden opgenomen, over wier herkomst Kluge zich niet uitlaat, of die hij om 't een of ander schijnschoon gegeventje als niederdeutsch gelieft te boeken. En toch ben ik na al deze restituties aan onze stoere vaderen, nog meer beducht: dat ik hun eer te weinig dan te veel heb gegeven. Den term ‘nederduitsch’ zal men in mijne lijst niet aantreffen: 1o omdat de eigenlijke Nederduitsche Hamburgsche zeemanstaal sinds de 17de eeuw feitelijk geheel en al van de Nederlandsche zeemanstaal afhankelijk was, en ik dus achter alle 17de eeuwsche woorden den Nederduitschen vorm had op kunnen geven; 2o omdat ik de overneming in het Nederduitsch van heel geringe beteekenis acht, als niet de inlijving in het Hoogduitsch gevolgd is. De Fransche, Engelsche en andere ontleeningen zijn weliswaar van minder belang, maar geven toch juist grond genoeg om te staven, dat wij Nederlanders inderdaad in het internationale zeemansgilde, langen tijd den toon hebben aangegeven èn de spraak. - Mijn verdere bronnen waren: I. Alnaes: Bidrag til en Ordsamling over Sjömandssproget, Christiania 1902, J. Nordahl-Olsen: Livet i Bergen, Bergen 1909. Falk-Torp: Norwegisch-dänisches etym. Wörterbuch, Heidelberg 1910. W. Skeat: A Concise etymological dictionary of the English Language, Oxford 1901. W. de Hoog: Studiën over de Nederlandsche en Engelsche Taal- en Letterkunde en haar wederzijdschen invloed2, Dordrecht 1909. R. van der Meulen: De Hollandsche Zee- en Scheepstermen in het Russisch, Kon. Ac. Amsterdam 1909, Idem: Hollando-Russica, Tijdschr. Mij. Dl. 28-32. A. Jal: Glossaire Nautique, Répertoire polyglotte de termes de marine anciens et modernes, Paris 1848. Fr. Kluge: Seemanssprache. Halle 1911. N. Witsen: Aeloude en hedendaegsche Scheepsbouw en bestier, Amsterdam 1671. W. Winschooten: Seeman, behelsende een grondige uitlegging van de Nederlandsche Konst, en Spreekwoorden, voor soo veel die uit de Seevaart sijn ontleend, en bij de beste schrijvers deeser eeuw gevonden worden, Leiden 1881. A. Twent: Verzameling der Nederlandsche Zee-Kunstwoorden en Spreekwijzen, overgebragt in het Fransch en Engelsch, 's Gravenhage en Amsterdam 1833. Het exemplaar dat het Canisius-College te Nijmegen van dit boek bezit, is door een hand uit de jaren 30 a 40 (wellicht Twent zelf) op vele punten aangevuld en verbeterd. J. van Lennep: Zeemans-Woordenboek, Amsterdam 1856. F. Blij: Onze Zeilvischsloepen, Gent 1902, en verder Franckvan Wijk: Etymologisch Woordenboek der Nederlandsche Taal, Den Haag 1912, en last not least: Het groot Woordenboek der Nederlandsche Taal. Gelijk elk deskundige spoedig zal zien, is mijn lijst ten eerste gewild-eenzijdig. Ik ontken namelijk volstrekt niet, wat onze zeemanstaal aan andere volken te danken heeft; en was in het begin ook van plan, bij elk Nederlandsch woord de eventueel vreemde herkomst te boeken. Hierdoor werd echter mijne verzameling hopeloos ondoorzichtig. En daar het mij in dit handboek natuurlijk niet om een volledige boedelbeschrijving, maar wel om een karakteriseering van de Nederlandsche taal, in hare veelzijdige verwikkelingen te doen is, besloot ik voor de zeemanstaal: nu eens alleen de ontleeningen van andere talen uit het Nederlandsch te behandelen, gelijk ik in andere hoofdstukken uitsluitend op de ontleeningen van het Nederlandsch aan andere talen gewezen heb. - Ten tweede is mijne lijst om dezelfde beweegreden niet strikt aan één tijdperk gebonden. Er zijn woorden bij als kogge, die reeds in den tijd onzer Hollandsch-Friesche kruistochten, of wellicht nog een paar eeuwen vroeger ontleend werden. Er zijn er andere uit het volle Middeleeuwsche tijdvak; bestaat het woord nog thans, dan werd het - waar geen verwarring te vreezen was - in de Nieuw-Nederlandsche spelling gedrukt. Voor het Deensch en Zweedsch volgde ik vaak de oude spelling van Röding, omdat ze thans wellicht niet meer bestaan. Verreweg de meeste ontleeningen dateeren uit de 16de, 17de en 18de eeuw. - Ten derde is onze lijst allesbehalve volledig. Het excerpeeren der speciale zeemans woorden boeken van Deensch, Zweedsch en Noorsch, Engelsch, Amerikaansch, Spaansch en Italiaansch, zou ongetwijfeld nog een heele schat Nederlandsche afstammelingen aan het licht brengen. Ook het Maleisch en andere Aziatische en Afrikaansche talen, vooral het Japansch en het Hindi, verbergen nog veel oud-Hollandsche familiestukken. - Ten slotte geef ik misschien ook meer dan men verwacht, omdat hier allerlei woorden zijn opgenomen, die men niet alleen in de zeemanstaal, maar in verschillende andere groeptalen terugvindt. Met de opneming in deze lijst bedoel ik echter alleen, dat deze Nederlandsche woorden: door de zeelui naar andere landen zijn overgebracht. Over de theoretische vraag of zulke woorden al of niet bij de zeemanstaal thuishooren, zal onze behandeling van het Algemeen-Nederlandsch in het volgende deel, naar ik hoop, de gewenschte opheldering brengen. Afhouden: zoo keeren, dat de wind van achteren in 't zeil valt, hgd. abhalten, de holde af, zw. hålla af. Afkleeden: de touwen bloot maken, hgd. abkleiden, de. afklaede, zw. afkläda. Afknijpen: iemand juist op 't randje de loef afsteken, hgd. abkneifen. Afschaken: vieren, hgd. abschaken, de. afskage, zw. afskaga. Afschepen: de waren in 't schip brengen, hgd. afschiffen, zw. afskeppa. Afslaan: de zeilen van de raas afnemen, hgd. abschlagen, zw. afslå. Afslechten: glad worden van zee en hout, de zee slecht af: de zee wordt stiller, hgd. abschlichten. Afsnijen: no. sneie af. Afstroomen: door den stroom afdrijven, hgd. abströmen, de. afströmme, zw. afströmma. Aftakelen: hgd. abtakeln, de. aftakle, zw. aftakla. Afvallen: laten afdrijven enz., fra. affaler, it. affolato, bask. affala, bret. affalo. Afzeilen: vertrekken, hgd. absegeln, de. afsejle, zw. afsegla. Augurk(jeu): engl. gherkin, vgl. jurk: jerkin. Alles wel!: antwoord van de post aan den officier, hgd. Alles wohl!, eng. all's well, de. alt vel, zw. allt väl. Anker: inhoudsmaat, engl. anker, russ. ánker, ankertje: ánkerok. Anker: ijzeren voorwerp om schip vast te leggen, russ. ánker (verouderd). Zie de talrijke aan 't Nederlandsch ontleende uitdrukkingen bij Anker in Röding. Ankerring: ring boven het anker, waardoor het kabeltouw wordt gestoken, hgd. Ankerring, de. Ankerring, zw. ankarring, russ. rym uit holl. ring. Ankerschoen: soort van houten bus of schoen rond de ankerpunten om bij het ophalen of neerlaten van 't anker 't schip niet te beschadigen, hgd. Ankerschuh, de. Ankerskoe, russ. škun uit holl. schoen. Ankerstok: dwarsstok van 't anker om het zoo te doen kantelen, dat één der armen in den grond komt, hgd. Ankerstock, de. Ankerstok, zw. ankarstock, russ. ankerštók, štok. Ankerstoktalie: talie (takel) waarmee de ankerstok tegen het boord getrokken wordt, russ. ankerštoktali, štoktáli. Ansjovis: de. Ansjos, zw. ansjovis russ. ančóus. Apenval: bezaanstagzeilval, hgd. Aapenfall, de. Abefald, zw. abenfall. Apostels, apostelsooren, Judasooren: opstaande houten bij de eerste verbreeding van den voorsteven. Appelsien: hgd. Apfelsine, de. Appelsin, zw. apelsin, russ. apel'sín. Arbeiden: het schip arbeidt: het schip wordt hevig heen en weer geslingerd, hgd. Das Schiff arbeitet, de. skibet arbeider, zw. skeppet arbetar. Arm: uitstekend stuk balk. Artikelbrief: krijgsverordeningen, hgd. Artikelbrief, de. Artikelbrev, zw. artikelsbref, russ. artikelbrief. Artisjok: russ. artišok. Avarij, averij, haverij: zeeschade, hgd. Havarei, de. Haverie, zw. haveri, russ. avaríja, avaréja, averíja, gavaréja. Baai: 1o. flanel: hgd. boi, de. Bai, zw. boj, russ. bajka, 2o. inham: engl. bay, hgd. Bai, de. Bai. Baaizout: engl. baysalt, hgd. Baisalz. Baak: boei, hgd. Baak. Baar: matroos, die voor 't eerst de linie passeert. Vandaar een nieuweling, hgd. Baar. Baarsch: een baarsche streek: een streek van een nieuweling: een domme streek. Baas: hgd. Baas, no. Baas. Bagger(en): hgd. bagger(n). Baggermeester: hgd. Baggermeister. Baggerpraam: hgd. Baggerprahm. Bagijnebras: hgd. Baginbrasse, de. Berginebras, zw. baginbrass, russ. beginbras. Bagijnera, Bagijnree: ra zonder zeil (bagijn zonder kap) hgd. Bagin-, Bagijnraa, de. Beginneraa, zw. beginerå, russ. béginrej, begenrej. Bagijnetoppenant: hgd. Bagintoppenant, russ. begintopenant. Bak: 't voorste bovendek voor den fokkemast, hgd. Back, de. Bak, zw. back, russ. bak. Bak: eetbak, eetplaats, balie, russ. bak. Bak: scheepsafdeeling: de equipaadje is afgedeeld in bakken, russ. bak. Bak: tobbe, balie, russ. bak, žirbak (vetbak). Bakbeest: no. bakbaest. Bakboord: aan bakboord: aan de linksche zijde van het schip, fra. babord, it. babordo, spa. babor, ptg. babordo, bask. abora, bret. babours, russ. bákbord, bákbórt. Baken: teeken, dat de ondiepe plaatsen aanwijst, hgd. Bake, russ. báken, bákan, bákon. Bakstag: een touw aan beide zijden van de nok van eenig rondhout vastgemaakt en stijf gezet om het zijdelings te steunen, fra. bastague, hgd. Backstag, de. Bagestag, zw. backstag, russ. bákštag. Verder in een menigte van samenstellingen. Bakstagband: fra. hauban à bastague. Bakstagswind: hgd. Backstagswind. Bakstagsch: een bakstagschen wind hebben: ruimschoots zeilen. Bakstent: russ. bákovyjtent. Het substantief bákovyj: matroos, die op den bak dienst doet. Balie: doorgezaagde halve ton, die als emmer dienst doet, hgd. Balje, de. Balje, zw. balja. Baliën: uithoozen, hgd. baljen, engl. to bale, bail. Balk: russ. bálka, balak, baláka. Balken: kennis geven van de richting der haringscholen, engl. to balken. Balkwegers, balkwegering: inwendig langscheeps verband, waarop de balken rusten, hgd. Balkwäger, de. Bielkevaegare, zw. balkvägare. Ballast: engl. ballast, russ. balást, ballást. Ballasten: engl. to ballast, russ. balástit', ballastit'. Ballastpoort: opening in 't schip, waardoor de ballast geladen wordt, engl. ballastport, hgd. Ballastpforte, de. Baglastport, zw. barlastport, russ. balastport. Ballingere (mnl.): groot schip, engl. balinger, hgd. Ballinger. Band: rifband, ijzeren beugel, hgd. Band, de. Baand, zw. band, russ. bant. Banjer(dek): hgd. Banjer(deck), waar het scheepsvolk slaapt. Bank: ondiepte in zee, no. bank, russ. bánka, bánok. Bank: zitbank: russ. bánka. Bank: ruimte tusschen iedere twee stukken geschut op het scheepsdek, dat tot woning der matrozen dient, russ. bánka. Barbier: scheepschirurg, hgd. Barbier, de. Balber, zw. barberare. Barbierkist: medicijnkist: hgd. Barbierskiste. Barge: soort van trekschuit: russ. bárža. Barghout, barkhout, berkhout, berghout: houten band om het schip, hgd. Berghölzer, de. Berkholter, zw. berghulterna, russ. bargóut, barchóut, barchót, barkót, barkóut, Siberisch borchóty. Bark, barkschip: schip met drie masten: hgd. Barkschiff, de. Bark, zw. bark, engl. bark, russ. bárka, bárchat. Barkas: de zwaarste sloep aan boord, hgd. Barkasse, de. Barkass, zw. barkas, russ. barkáz, barkás. Barkoen: soort kraan, hgd. Barkun, de. Barkun. Bas: soort van klein geschut, russ. bása. Bedaren: stil worden van den wind, hgd. bedaren, de. bedare, zw. bedara. Beer: dam, engl. beer. Bekaaier: touw aan de bezaansroe, hgd. Bekaier. Bekaaid: een bekaaid schip, dat van de zonnehitte veel geleden heeft en daarvan komt, hgd. bekait Schiff. Belegeren: blokkeeren, engl. beleaguer, zw. balagra. Beleggen: touwwerk aan iets vastmaken, hgd. belegen, de. belaegge, zw. belägga, engl. to belay. Ben: vischkorf. Benepen: een schip is benepen: een schip kan niet vlot raken, hgd. benepen, engl. beneaped. Benzel, bensel, bindsel: een eind touw, eenige malen rondom twee naast of over elkaar liggende touwen genomen, die aaneen moeten verbonden worden, hgd. Bändsel, Bindsel, de. Baendsel, zw. bånsel, russ. bénzel', vénzel'. Berdeltjes: planken van de roef en het achterruim. Berm: rand, dijk, fra. berme: walrand. Beschouwen: bekomen, krijgen. Besteder: aanbesteder, hgd. Besteder. Bestek: opteekening van de voornaamste afmetingen van het schip en zijn deelen, de. Bestik, zw. bestick, russ. bešték. Bestevenen: hgd. besteven. Beting: toestel van twee sterke staanders voor den fokkemast tot het vastleggen der kettingen, hgd. Beting, de. Beding, Beting, zw. beting, no. beting, russ. bíteng, bítven. Betingbalk: hgd. Betingbalken. Betingbolten, betingbouten: hgd. Betingbolzen, de. Bedingbolten, zw. betingbult, russ. bítengbolt. Betingspenen: hgd. Betingsspenen. Beugel: ring of rond ijzer, russ. búgel'. Beuling: in de branders; een uit zeildoek gemaakte buis gevuld met kruit om het vuur te brengen naar de plaats, waar kruit en brandbare stoffen liggen, hgd. Beuling. Bevrachter(n): hgd. befrachter(n), de. Befragte(r), zw. befrakta(re), engl. to freight, fra. affrèter, -eur, ptg. fretar, fretador. Bezaan: mesane, achterste zeil van een klein schip, hgd. Besan, no. de. Mesan, russ. bizán', bezán'. Bezaansgaffel: hgd. Besansgaffel, russ. bizan'gafel'. Bezaansgeitouw: russ. bizan'gitov. Bezaansgijk: russ. bizan'gik. Bezaanshals: hgd. Besanshals, russ. bizan'gals. Bezaanskardeel: hgd. Besanskardeel. Bezaansmast: hgd. Besansmast, russ. bizán' mačta. Bezaansra: hgd. Besansraa. Bezaansroe, bezaansree: hgd. Besansrute, de. Mesanru, russ. bizan'rej, bizan'rjú. Bezaansrust: hgd. Besansrüst, russ. bizan'ruslen'. Bezaanschoot: hgd. Besanschote, russ. bizan'škot. Bezaanspriet: hgd. Besanspriet. Bezaans schoot an: uitroep bij de oorlamuitdeeling, hgd. Besanschotan, no. hale mesamskjöd, hale mesana. Bezaanstag: hgd. Besanstag, russ. bizan'štag. Bezaanstoom: hgd. Besanstoom. Bezaanswant: hgd. Besanswant, russ. bizan'vanty. Bezaanzeil: hgd. Besansegel. Bij den wind: zooveel mogelijk naar de zijde vanwaar de wind komt, hgd. bei dem Winde, de. bi di vind, zw. bi de vind, no. bi de vind, russ. béjdevínd. Bijlander: platboomd vaartuig vooral voor vrachtvaart, fra. bélandre, bolandre, it. belandra, spa. ptg. balandra, engl. bilander, hgd. Bilander, Blander, zw. bilander, de. Bilander, russ. bilánd(e)r. Bijvoet: touwrak tot de onderra, hgd. Beifusz, russ. bejfút. Bijvoettalie: talie, waarmee de rakken worden vastgezet tegen het stooten van de ra, russ. bejfúttáli. Bil: rondrug van het schip. Binnenhaleboorden, buitenhaleboorden: verbandsknieën aan 't achtereind van de schuit. Binnenlander: binnenlandsch schip, hgd. Binnenlander, zw. binnenlander. Bitterenden: korte stukken oud touw, hgd. Bitterenden. Blank: eng. blank. Blas: invloed der sterren op het weer, engl. blas. Blauwschuit: scheurbuik. Blind(e): zeil, dat den uitkijk belemmert. hgd. Blinde, de. Blinde, zw. blinda, russ. blind, blinda. Blinde ra: hgd. blinde Rah, russ. blindarej. Blinde schoot: russ. blindaškot. Blinde toppenant: russ. blindatopenant. Blinde trijs: russ. blindatris. Blinde val: hgd. Blindefall, russ. blindafal. Blink: lichte plek aan den bewolkten hemel, hgd. Blink. Blok: stuk hout ter aanvulling eener ruimte, russ. blóki. Blok: katrol, russ. blok. Blokbatterij: kleine lage houten batterijen op vier blokwielen, russ. blókbataréja. Blokmaker: hij, die de blokken maakt, russ. blokmaker. Blokwang: zijde van een blok. Bocht: kromme gebogen gedeelte van een touw dat rond ligt of wel het geheele touw. hgd. Bucht, engl. bought, russ. búchta. Bocht: inham, engl. bought, russ. búchta, Bodemerij, Boomerije: het voorschieten van geld, tegen hooge premie, op een schip of lading als pand, hgd. Bodmerie, de. Bodmerie, zw. bodmeri, fra. bomerie, it. bomeria, engl. bottomry, russ. bodmeréja. Boeg: de borstbuiging van het schip, hgd. Bug, de. Boug, zw. bog, engl. bow, russ. bucht, no. boug. Boeganker: russ. bucht (met weglating van anker). Boegband: hgd. Bugband, de. Bogbaand, zw. bagband. Boeglijn, Boechline (mnl.): zie boelijn, de. baugline, búglina, búglin'. Boegseeren: een schip door middel van sloepen, die geroeid worden, voortsleepen, hgd. bugsieren, de. buksere, zw. boksera, russ. bugsirovát', buksiróvát'. Boegspriet: de vierde mast, die onder een zekere helling naar voren steekt, hgd. Bugspriet, no. de. Baugspryd, zw. bogspröt, fra. beauprê, engl. bowsprit, russ. búgšprit, búšprit. Boegsprietwoeling: hgd. Bugsprietwuhling Boegtouw: russ. buchtou, buchtov. Boegzeil: fra. bourcet. Boei: ton, engl. buoy, hgd. Boje, de. Boie, zw. boj, spa. boia, ptg. boia, russ. buj(buék). Boei: kluister, hgd. Buje, russ. buj. Boeien, opboeien: de zijden van het schip met planken beleggen, hgd. bujen. Boeier: klein snelzeilend lastschip, fra. boyer, hgd. Bojer, Bujer, de. Boyer, zw. boyert, russ. búer, bójer. Boeireep: het touw, dat aan de boei en het anker vastzit, hgd. Bojereep, russ. bújrep. Boelijn: touw, dienende om de naar den wind gekeerde staande zijde van een razeil scheppend te doen staan, dat de wind beter in het zeil valt, fra. bouline, it. bolina, spa. bolina, ptg. bolina, hgd. Buline, zw. bolina, no. Boline, russ. búlin', búlina. Boer(en)knoop: gewone knoop in een touw, hgd. Bauerknopf, de. Burknob, zw. burknob. Boezeroen(tje): zeemanskiel, hgd. Buseruntje, russ. buzurúnka. Bom: hgd. Bumboot. Bombardier: russ. bombardír. Bommekijn (mnl.): vaatje, engl. bumkin. Bonnet: bijstrook aan het zeil. Boom: sluitboom, raspriet, engl. boom, fra. bômé, it. boma, ptg. bome, russ. bom, bon. Boomke(n): loefboom, engl. bumkin. Boomspar: engl. bomespar. Boord: rand, bijzonder van 't schip, russ. bord, bort. Boordtouwleider: langs het boord gespannen touw om de schanskleeren op te hangen, russ. bortóuléer. Boot: russ. bot, bóta in alle beteekenissen. Bootsman: aanvoerder der bootsgezellen, fra. bosseman, russ. bócman. Bootsmansmaat: helper van den bootsman, hgd. Bootsmannsmaat, russ. bocmanmát. Bootstouw: russ. boctóu. Borg, borgstrop: ijzeren inrichting, waaraan een onderra hangt, russ. borg, borgstróp. Borgschoot: de. Borgskiöd, zw. borgskot. Borstrok: russ. bóstrog, bastrók, bóstrik, bóstrjuk, bóstrok, bóstrak, vóstrik, vostrjúk. Bot: touw om meer ruimte aan een strik te geven. Boterham: engl. butterham. Botloef: balk boven den boeg uitstekend, hgd. Butluf, zw. bottlof, fra. boutelof. Bottelier: hij, die voor de eet- en drinkwaren zorgt, hgd. Bottelier, de. Bottelerer, zw. bauttler, russ. batalér (spr. batal'ór). Bout: metalen staf om twee stukken metalen aan elkander te bevestigen, russ. bóut, baút. Bout: lap zeildoek, russ. bóut. Bovenbindsel: hgd. Obenbindsel, de. Bovenbaendsel, zw. bofvenbänsel. Bovenblind: russ. Bomblind. Bovenblindera: russ. bomblindarej. Bovenblindeschoot: russ. bomblindaškot. Bovenblindetoppenant: russ. bomblindatopenant. Bovenblindetrijs: russ. bomblindatris. Bovenblindeval: russ. bomblindafal. Bovenbrambakstag: russ. bombrombakštag. Bovenbrambras: de. Bovenbrambras, zw. bofvenbrambrass, russ. bombrambras. Bovenbrambuikgording: russ. bombrambyček. Bovenbramezelshoofd: russ. bombramezel'goft. Bovenbramgeitouw: russ. bombramgitov. Bovenbramgording: bombramgorden'. Bovenbramlijzeil: hgd. Oberbramleesegel, de. Bovenbramlaeseil, zw. bofvenbramläsegel, russ. bombramlisel'. Bovenbramlijzeilschoot: russ. bombramlisel'škot. Bovenbramlijzeilval: russ. bombramlisel'fal. Bovenbrampardoen: russ. bombramfordun. Bovenbramra: hgd. Oberbramra, de. Bovenbramraa, zw, bofvenbramrå, russ. bombramrej. Bovenbramschoot: russ. bombramškot. Bovenbramstag: russ. bombramštag. Bovenbramstagzeil: russ. bombramstaksel. Bovenbramsteng: hgd. Oberbramstenge, russ. bombramsten'ga. Bovenbramtakelage: russ. bombramtakelaž. Bovenbramtoppenant: russ. bombramtopenant. Bovenbramval: russ. bombramfal. Bovenbramwant: russ. bombramvanty. Bovenbramzeil: hgd. Ober/nbramsegel, de. Bovenbramseil, zw. bofvenbramsegel, russ. bombramsel. Bovenkluiver: russ. bomkliver. Bovenkluiverlei(d)er: russ. bomkliverleer. Bovenkluiverschoot: russ. bomkliverškot. Bovenkluiverval: russ. bomkliverval. Bovenkruisbramstengestagzeil: hgd. oberkreuzbramstengenstagsegel. Bovenkruisraa: de. Bovenkrydsraa. Bovenkruisstengestag: de. Bovenkrydsstaengestag. Bovenkruisstengestagzeil: de. Bovenkrydsstaengestagseil, zw. bofvenkrysstängstagsegel. Bovenkruiszeil: de. Bovenkrydsseil, zw. bofvenkryssegel. Bovenlijzeil: hgd. Oberleesegel, russ. bomlisel'. Bovenra: russ. bomrej. Bovenuitlegger: russ. bomutlegar'. Bovenuitleggerbakstag: bomutlegar'bakštagi. Bovenzaling: russ. bomsaling. Braadspil, braadspit: hgd. Bratspit, Bratspill, russ. brášpil', brátšpil, brátšpit. Braadspilbeting: hgd. Bratspillbeting, de. Bradspilbeding, zw. bradspelbeting. Brak water: engl. brackish water. Bram: het zeil boven het marszeil, hgd. Bram. Brambakstag: russ. brambakštag. Bramboelijnen: hgd. Brambulinen, de. Bramboliner, zw. bramboliner, russ. brambulini. Brambras: hgd. Brambrasse, de. Brambras, zw. brambrass, russ. brambras. Brambuikgording: russ. brambyček. Bramdraaireep: russ. brandrajrep. Bramezelshoofd: russ. bramezel'goft. Bramgeitouwen: hgd. Bramgeitaue, de. Bramgitouer, zw. bramgigtåg, russ. bramgitovy. Bramlijzeil: hgd. Bramleesegel, de. Bramlaeseil, zw. bramläsegel, russ. bramlisel'. Brampardoen: hgd. Brampardunes, russ. bramfordun. Bramra: hgd. Bramraa. Bramschoot: russ. bramškot. Bramstag: russ. bramštag. Bramstagzeil: russ. bramštaksel'. Bramsteng: hgd. Bramstenge, russ. bramsten'ga. Bramtakelage: russ. bramtakelaž. Bramtop: de. Bramtop, zw. bramtop, russ. bramtóp. Bramtoppenant: russ. bramtopenant. Bramval: hgd. Bramfall, russ. bramfal. Bramvlaggestok: russ. bramflagštok. Bramwant: hgd. Bramwant, zw. bramvant, russ. bramvanty. Bramzeil, bramsel: hgd. Bramsegel, de. bramseil, no. Bramseil, zw. bramsegel, russ. brámsel'. Bramzeildoek: russ. bramsel'dúk. Bramzeilskoelt(j)e: hgd. Bramsegelskühlte, de. Bramseilskuling, zw. bramsegelskultje. Brandaris: kustlicht. Brander: een schip met brandbare stoffen beladen om vijandelijke schepen in brand te steken, hgd. Brander, de. Brander, zw. bränare, russ. bránder. Brandewijn: fra. brandevin, engl. brandy. Brandspuit: russ. bran(d)spójt. Brandwacht: schip, dat een eind van de vloot verwijderd wacht houdt om den vijand in 'toog te houden. Oorspronkelijk een wacht tegen vijandelijke branders, hgd. Brandwache, russ. brandváchta. Bras: touw tusschen ra en mast, hgd. Brasse, de. Bras, zw. brass, russ. bras. Brasblok: blok, waardoor de bras loopt. russ. brasblok. Brasem: engl. brassem. Brasschenkel: eind touw aan de uiteinden der ra's en waaraan het blok is gesplitst, door 't welk brassen loopen, russ. brasškéntel', brasškenkel'. Brassen: de brassen aanhalen, hgd. brasen, de. brase, zw. brassa. Breedwimpel: breede wimpel. B.v. kommandeur van den breeden wimpel (titel van hoofdofficier in rang volgende op den schout bij nacht), russ. brejdvýmpel. Breefok: vierkant razeil met losse strijkende ra, hgd. Breefock. de. Bredfok, zw. bredfock, russ. brífok. Breefokgording: russ. brifokgorden'. Breefokkehals: russ. brifokgals. Breefokkera: russ. brifokrej. Breefokkeschoot: russ. brifokškot. Breefokketoppenant: russ. brifoktopenant. Breefokkeval: russ. brifokfal. Breegang: boven de berghouten, hgd. Bregang, de. Bregang, zw. bregang. Breel: drijftonnetje, dat een haringnet draagt. Broek: kleedingstuk, russ. brjúki (meervoud). Broek: een dik touw, dienende om het terugspringen van 't kanon als ermede geschoten wordt, te beletten (vaste broeking) of op een bepaalden afstand te stuiten (losse broeking), hgd. Brook, de. Brog, zw. brok, russ. brjuk. Broek, broeking: zeildoeksche bekleeding tegen inwatering van buiten, hgd. Brook, de. Brog, zw. brok, russ. brjukanec, brjukins, brúkins, alle drie uit het meerv. broekings. Broektalie: hgd. Brooktalje, de. Brogtalje, zw. broktalja. Broodkamer: hgd. Brodkammer, de. Brôdkammer, russ. brotkámera, brodkamera. Bui: hgd. Bö, no. Boja, Bya, de. Byge, Bye, zw. by en vele hgd. samenstellingen als Aprilbö, Donnerbö, Hagelbö, Regenbö, enz. Buik: 1) van het schip, hgd. Bauch; 2) holte weinig beneden het midden van het zeil. hgd. Bauch, de. Bug, russ. bjuk, (verouderd). Buikgording: touwen dienend om de zeilen in het midden bij elkaar en bij de ra te halen, hgd. Bauchgording, de. Buggaarding, zw. bukgårding, russ. bykgorden'. Buikgordingblok: blok, waardoor de buikgordings gaan, hgd. Bauchgordingsblock, de. Buggardingsblok, zw. bukgårdingsblok, russ. bykgorden'blok. Buikstuk: kimstuk van een spant, hgd. Bauchstück. Buis: haringvisschersboot, engl. buss, hgd. Büse, Heringbüse, no. byse, de. Boise, zw. buis, russ. bujs, baus. Buiten: in zee. Het schip is buiten. Bulcke: lading, engl. bulk. Bun, beun: vischbewaarplaats op het schip, misschien hgd. Bünn. Buslappen: dubbele plankenrij voor aan den boeg van 't schip, hgd. Buschlappen, de. Buslapper, zw. byslappor. Buyzen (mnl.): mengl. bousen, nengl. bouse. Daal, pompdaal: buis waardoor 't water uit de pomp in zee loopt, hgd. Daal, Pumpendaal, de. Pompedale, zw. dala, engl. pumpdale, fra. dale de pompe, it. dala, spa. (a)dala, ptg. dala. Dag, dagge: touw, waarmee men de schepelingen tuchtigt, fra. dague de prévôt, hgd. Dag, Dagge, de. Dag, zw. dagg, russ. dach. Dagelijksch anker, dagelijksch: anker, dat voor den boeg gevoerd en 't meest gebruikt wordt, hgd. Der tägliche Anker, de. daglige Ankeret, zw. dageliga ankeret. russ. dágliks. Dagelijksch touw, daagsch touw: een van de ankertouwen, hgd. Das tägliche Ankertau, de. daglige Tovet, zw. dageliga tåget, russ. dáglikstou. Dam: fra. dame, bret. dâm. Damlooper: kleine boot, die over dammen kan gehaald worden, fra. dame lopre, hgd. Damloper, de. Damloper. Damschuit: damlooper, russ. domškóut, donškót. Dapper: engl. dapper. Daveren: het schip davert: het schip slingert zwaar, hgd. davern. Davits: kranen, waaraan de sloepen aan boord van schepen worden opgehangen. Deel: dunne plank, de. daele. Deining: hgd. Deining. Deizig: mistig, hgd. deisig. Dek: engl. deck, hgd. Deck, de. Daek, zw. däck, russ. dek. Dekken: engl. to deck. Dekjongen: hgd. Deckjunge, russ. dekjunga. Dempgording: touw om het zeil te dempen, geheel dicht te halen, hgd. Dempgording, de. Dempgaarding, zw. dämpgårding, russ. defgórden', devgórden', dempgording, dempgordinov. Derde hand: takelinrichting om zware stukken op te lichten, hgd. Dritte Hand, de. tredie Haand, zw. tretje hand. Deukel, deutel: pennetje geslagen in de houten nagels, hgd. Deutel, de. Dödel, zw. dötel. Deutelijzer: hgd. Deuteleisen, de. Dödeljern, zw. döteljärn. Dieplood: hgd. Tieflot, de. Dybslod, zw. djuplod, russ. diplót, lot. Dieploodlijn: de lijn waaraan het dieplood vast is, russ. dipótlin'. Dijk: fra. dique, ofra. digue, it. diga. spa. dique. Dirk, dirkval: looper van den gaffel, en ook: zeilboomstoppenant; een der touwen, waarin het einde van den bezaansboom, dat niet tegen den mast steunt, hangt, hgd. Dirk, de. Dirk, zw. dirk, engl. derrick. russ. derik, dírikfál, Dobber: engl. dobber. Doek, zeildoek: engl. duck, russ. zeil'duku. duk. Dofjes: eindjes van spijkers, die bij de bouten worden ingeslagen, om de koppen ervan in te klinken, hgd. Dofjes. Doft: zitbank der roeiers. Dogger(boot) cf. doggersbank: visschersboot, eigl. visscher, fra. dogre(bot), engl. dogger(boat), hgd. Dogger(boot), zw. doggerbåt, beteekent ook: zeehond, kabeljauw, russ. dogr. doggeren: visschen met een dogger, hgd. Doggern, de. doggre. Dok: kunstmatig waterbassin tot herstelling der schepen, fra. dock, hgd. Dock, engl. dock, de. Dokke, zw. docka, russ. dok. Dokken: een schip in 't dok brengen, hgd. docken, engl. to dock, de. dokke, zw. docka. Dol: pin van de roeiriemen, hgd. Dolle, no. Dol. Dolbord: waartusschen de riemen zich bewegen, hgd. Dollbord, no. Dolbord. Dominee: scheepspredikant, hgd. Domine. Domineeren: engl. to domineer. Dommekracht: hgd. Daumkraft, Dumkraft, de. Dommekraft, Donkraft, zw. donkraft, russ. dumokrachtov (mv.), domkrát, damkrát, donkrát, dumkrát, pankrát. Donder: donderen, no. donderen. Donderbus: engl. blunderbus, hgd. Donnerbüchse, de. Dundrebösse, zw. dunderbös. Dood: de zeilen dood aanslaan: zoo dicht mogelijk tegen de ra's binden, hgd. die Segel tot anschlagen. Dooddeel van het schip: het deel dat boven water steekt. Doodemansoog: bezaanstouwtje alleen tot sieraad, hgd. Doodsmannsauge, de. Dokshovedsöje, zw. doddkoppsöga. Doodshoofd, doodshoofdblok: blok met een rond of langwerpig gat in 't midden, hgd. Doodshoofd, de. Dokshoved, zw. doddkopp, eng. deadblock. Doopen: soort ontgroening der jonge maats, hgd. taufen, de. döbe, zw. döpa. Doorhalen: no. dörhale. Doordreggen: slepen van het anker. Doorslag: no. Dörslag. Dopguds: groote guds, hgd. Dopgüdse, Draad: ineengedraaide of gevlochten vezels hennep, russ. drat. Draaibas: draaiend kanon, hgd. Drehbasse, de. Drejbas. Draaien: al draaiende kracht uitoefenen, russ. dráit'. Draaier: russ. draék. Draaipalen: hgd. Drehphäle, de. dreypaele, zw. drayp lar. Draaireep: zware reep van touw, waarmede de ra's gestreken of geheschen worden, hgd. Drehreep, russ. drájrep, de. Dreyereep, zw. drájrep. Draaireepsblok: een der beide blokken op de marsera's, waardoor een draaireep geschoren is, russ. drájrepblók. Draaispil: braadspil, russ. drášpil. Dragen: de zeilen dragen: de zeilen vatten wind. Drager: pakkedrager, russ. drágil', drjágil'. Dreg: klein anker met drie klauwen (uit drîegge), hgd. Dregge, de. Draeg, zw. dragg, (gecontamineerd met engl. drag, fra. drague tot mnd. dragge enz.), russ. dreg, drek. Dregtouw: russ. drektóu, drektóv. Drempel: hgd. Drempel, zw. portrympel. Dreumel: smeerkast, hgd. Dreumel. Drift: de gang van een schip, hgd. Trift. Drijfgoed: hgd. Treibgut. Drijfhout: hgd. Treibholz. Drijven, het: russ. dréjf. Drijven: op den stroom, hgd. treiben, russ. dréjfovát, dréjfit' (versagen). Dril: drilboor, fra. drille, russ. drel', dril', dryl'. Drillen: een gat boren met een dril, engl. to drill, russ. drélit', drelovat'. Drommelaar: een soort vaartuig, engl. drumbler. Drong: een blok bij de billen van het schip. hgd. Drong. Drooge: heelkruid, specerij, fra. drogue, prov. droga, spa.-ptg. droga, it. droga, engl. drug, nhgd. Droge. Deze oude verklaring lijkt mij nog altijd zeer waarschijnlijk. Droogte: ondiepte, hgd. Drögte. Druif: een knop aan boomen en haken. Druifhagel: kleine kogels op een ronde schijf gestapeld in den vorm van een druiventros, russ. drejfgágel', drejfgágl, drevgágel', drevgágl. Druil: klein onderzeil, hgd. Drüll, fra. dreuil. Druilen: no. dröle. Druiloor: no. Dröler. Duffel: engl. duffel, nhd. Düffel, de. Dyffel, zw. doffel. Duim: lengtemaat, russ. djujm. Beteekent ook: omgebogen breede ijzeren haak: de duimen van de roerhaken. Duin: fra. dune, sp. duna, ptg. duna, it. duna, hgd. Düne, de. Dyn, zw. dyn, russ. djuna. Duit: engl. doit. Duizendbeen: 1o lange smalle kast met veel schijven, hgd. Tausendbein; 2o platting met uithangende stukken kabelgaren, hgd. Tausendbein, de. Tusindbeen, zw. tusenben. Duyninghe, deyninghe (Kiliaen): hgd. Dünung. Dukdalf: zwaar paalhoofd, hgd. Duc d'Alben, Dückdalben, no. Dikkedal, Dikkedar, de. Dukdalber, zw. duckdalbar. Durk: plaats voor 't vuile water onder in het schip, hgd. Durk, de. Durk, zw. durk. Duwen: de roerpen naar de loef wenden, hgd. duven, de. duve, zw. dufva. Zoo ook omduwen en voortduwen, hgd. um-, de, om-, zw. om-, hgd. fort-, de. zw.-fort. Dwarszaling: lat op den voorkant van het ezelshoofd, hgd. Dwarssahling, de. Twaersaling, zw. tvärsalning. Dweil(en): hgd. Dweil, dweilen, no. dveil, engl. dwile. Een draai over boord: een tjalk waarvan de roerpin vrij over boord kan gedraaid worden, hgd. Ein Dreh-über-Bord. Eerste wacht: van acht uur tot middernacht. Effen: no. effen. Eksters: piekstukken aan den achtersteven, hgd. Exters. Elger: hgd. Elger, engl. elger. End, Endje: dagge, hgd. Endje. Enterbijl: bijl om in 't hout te slaan en daarmede op een ander schip te komen, hgd. Enterbeil, de. Entrebile, zw. enterbila, russ. enterbeil', íntrepél', intrepl', entrépel', intripel'. Enterdreg: touw met haak, dat in 't wand van 't vijandelijk schip wordt geworpen, om dit naderbij te trekken, hgd. Enterdreg, russ. enterdrék, enterdreg. Enteren: een vijandelijk schip aanklampen en er op overspringen om het te vermeesteren, hgd. entern, de. entre, zw. äntra. Eskader: vlootafdeeling van minder dan 12 schepen, russ. eskádra. Ezelshoofd: scheepsblok boven aan den mast, waardoor mast en steng verbonden worden, hgd. Ezelshoofd Eselshaupt, de. Eeselshoved, zw. eselhufved, russ. ezel'góft. Fatsen: stukken zeildoek om het zeil naar het dek toe langer te maken. Heet ook onderbonnet. Hij is op de fatsen: hij is op den loop, hgd. Fatsen. Fitten: de diepte van geboorde gaten peilen, hgd. fitten. Flappen: 't toevallen van het zeil bij windstilte, hgd. flappen. Flodderen: engl. to flounder. Fluit: een transportschip, dat op alle zeeën vaart, fra. flûte, ptg. flute, it. flauto, hgd. Fleute, engl. flute, flight, de. Flöite, zw. flöjt, russ. flejt. Fluitschip: hgd. Fleutschiff. Fok: onderste razeil aan den voorsten mast, hgd. Fock, zw. fock, de. Fok, no. Fok, russ. fok. Fokkeboelijn: hgd. Fockbulin, de. Fokkeboline, zw. fokbolina, russ. fokabulin'. Fokkebras: hgd. Fockbrasse, de. Fokkebras, zw. fockbrass, russ. fokabras. Fokkegeitouw: russ. fokagitov. Fokkehals: hgd. Fockhals, russ. fokagals. Fokkehalstalie: russ. fokagalstali. Fokkehanepoot: russ. fokaganaput'. Fokkekardeel: hgd. Fockkardeel, russ. fokagardel'. Fokkemast: hgd. Fockmast, de. Fokkemast, zw. fockemast, russ. fokmačta. Fokker: engl. fogger. Fokkera: hgd. Fockraa, de. Fokkraa, zw. fockrå, russ. fokarej. Fokkerust: hgd. Fockrust, russ. fokruslen'. Fokkeschoot: hgd. Fockschote, russ. fokaškot. Fokkestag: hgd. Fockstag, de. Fokstag, zw. fockstag, russ. fokaštag. Fokkestagzeil: russ. fokastaksel', fokstaksel'. Fokkestagzeillei(d)er: russ. fokstaksel'leer. Fokkestagzeilneerhaler: russ. fokstaksel'-niral. Fokkestagzeilval: russ. fokstaksel'fal. Fokketoppenant: russ. fokatopenant. Fokkeval: hgd. Fockfall, russ. fokafal. Fokkewant: hgd. Fockwant, de. Fokkevant, zw. fåckvant, russ. fokvanty. Fokzeil: hgd. Focksegel, de. Fokseil, zw. fåcksegel, russ. fokzejl. Fout: gebrek, ziekelijke plaats in hout: hgd. Faut, russ. fáut. Foutvracht: te betalen voor opengelaten ruimte, hgd. Fautfracht. Fregat: oorlogsschip met drie masten, russ. fregát. Fuik: inham, hgd. Feuk, Fök. Gaarboord: de naaste planken aan de kiel van een schip, die de deelen als 't ware samengaren. Thans geheeten kielgang of zandstrook, eng. garboard, bret. garbours, hgd. Gahrbord. Gaffel: rondhout, met het dikke einde, dat van een klauw voorzien is, tegen den mast rustend en dien gedeeltelijk omvattend, en met het dunne einde of de piek achterwaarts omhoog wijzend, hgd. Gaffel, de. Gaffel, zw. gaffel, engl. gaffle, russ. gáfel'. Gaffelkardeel: russ. gafel'gardel'. Gaffeltopzeil, gaftopzeil, gaftopsel: hgd. Gaffeltoppsegel, russ. gaftópsel'. Gage: bezoldiging, hgd. Gage. Galeas, galjas: schip met twee masten, waarvan de voorste de grootste is, hgd. Galeasse, naast Galleatzen dat rechtstreeks uit 't it. Galeazza komt, engl. galeasse. de, Galease, zw. galeasse. Galjoen: 1. lichte uitbouwing aan den boeg van groote zeeschepen. 2. roosterwerk onder het galjoen, waar o.a. de gevangenen worden opgesloten: b.v. iemand in 't galjoen sluiten, hgd. Galion, de. Galion, zw. galion, russ. gal'jún. Matrozen, die in 't galjoen zitten opgesloten heeten in 't russ. gal'júnnye. Galjoot: een soort koopvaardijschip, hgd. Galiot, de, Galliot, zw. galliot, russ. galiót, gal'ót. Gang: de weg dien een schip bij 't laveeren maakt, zonder te wenden, hgd. Gang, de. Gang, zw. gang. Gangboord: loopplank, hgd. Gangbord, engl. gangboard. Gangspil: staand windas om zware lasten b.v. ankers op te winden, hgd. Gangspill. zw. gångspel. Ganzevleugel: schippersboom om den schootboom van het zeil uit te zetten, hgd. Gänseflügel. Gapen: b.v. de plank gaapt, sluit niet aan, hgd. gapen. Garnaal, garnaat, garneel: hgd. Garnat, fra. guernette, engl. garnel, russ. garnél'. Garnaat: talie voor niet zware lasten, engl. garnet, hgd. Garnat, de. Garnat, zw. garnat. Garneeren, garnieren: de lading met een bedekking van losse planken tegen schade beveiligen, hgd. garnieren. Garneering, garniering: het garneeren of de losse beplanking, hgd. Garnier, Garnierung, de. Garnering, zw. garnering. Gast: gezel, hgd. Gast, de. Gast, zw. gast en overal in vele samenstellingen. Gat: 1. enge in- of doorvaart: zeegat, hgd. Gat, de. Gat, zw. gatt. 2. achterdeel van het schip, hgd. Gat, de. Gat, zw. Gat. Geer: 1. stuk zeildoek, dat onder aan het zeil gezet wordt om dit te verbreeden, hgd. Gehren. 2. plank dienende ter aanvulling eener ruimte in het gaarboord, hgd. Geere. Geerd: touw, dat dient om den gaffel in den gewenschten stand te brengen, hgd. Geerde. In het Russisch alleen in samenstellingen: Geerdbakstagen: russ. gérensbákštagi, (j)érinsbákštagi, érnsbákštagi. Geerdtalie: talie van de geerd, russ. gérenstáli, érnstáli, (j)érinstáli. Gegeid: met geitouwen ingehaald: een gegeid zeil. Gegord: een gegord zeil: door middel van de gordings ingekort. Gei, gij: een loopend touw, om de zeilen in te korten. Een zeil in de gei: een zeil door geitouwen ingekort, hgd. Gei, Geie. Geien: inkorten door middel van geitouwen. Geitouw, gijtouw: touw, dienende om de schoothoorns van 't zeil naar 't midden van de ra te brengen en zoo het zeil te bergen, hgd. Geitaue, de. Gitou, zw. gigtåg, russ. gítov. Geitouwblok: blok, waardoor een geitouw loopt, russ. gítovblok. Geitouwschenkel: de vaste einden der marsegeitouwen, toen men nog geen geitouwblokken gebruikte, russ. gítovškéntel'. Gek: 1. dwaas, engl. geck. 2. schoorsteenkap op de kombuis, hgd. Geck. 3. pompzwengel, hgd. Geck. Gelijkdrachtig: de zeilen voor en achter gelijkdrachtig stellen. Genever, jenever: engl. geneva. Gereed zijn: hgd. gereed sein. Geruimd: de wind is geruimd: is gunstig geworden. Geslurpt: geslurpt touw: met een punt eraan. Geul: smalle doorgang, hgd. Göle. Geus(je): vlag, die van de boegspriet waait. Zoo genoemd wellicht naar de Watergeuzen, die aldaar hun vlag heschen; de. Gjös, zw. gjös, gös (op geusje berust hgd. Gösch), russ. gjujs, Geusgast: hgd. Göschgast, de. Gjösgast, zw. gjösgast. Geusstok: stok of steng waar de geus op staat, hgd. Göschstock, de. Gjösstok, zw. gjösstak, russ. gjújsštok. Gezeegd: gebogen. Gezond: (van hout van een schip gezegd) gaaf, hgd. gesund. Gier: een zwenking, waardoor de richting der vaart verandert. Een Oostindische gier: een groote sierlijke zwaai. Gieren: heen- en weer schommelen: geen rechte streek houden in 't zeilen; met een zwaai wenden; hgd. gieren, no. gire, de. gire, zw. gira. Gieter: hoosvat om de zeilen nat te maken, hgd. Giesser, de. Gitter, zw. gitare, russ. gíters (de holl. plur. gieters als sing. opgevat), liters. Gijk (giek): spriet tot het uitzetten der lijzeilen; ook stok onder aan de bezaan om deze uit te zetten, hgd. Giek? russ, gik. Gijkebakstag: russ. gikabakštag. Gijkebras: russ. gikabras. Gijketoppenant: russ. gikatopenant. Gijktalie: russ. giktáli. Gijn: groote talie, hgd. Gien, de. Gie, zw. gin(a), russ. gin'. Gijnblok, jeinblok: hgd. Gienblok, de. Gieblok, zw. gineblåck, russ. gin'blok. Gijnlooper: hgd. Gienläufer, de. Gielöber, zw. ginlöpare, russ. ginlópar'. Gijnschenkel: russ. gin'škentel'. Gijp: het plotseling omslaan van het zeil; wacht u voor de gijp, hgd. Giep, engl. gybe, jib. Gijpen: omslaan van de bezaan bij het voor den wind zeilen, tengevolge van het sterk omloopen van den wind of van het te sterk gieren, hgd. giepen, de. gibe, zw. gipe, engl. to gybe, jibe. Gillen: schuin afsnijden, afzagen: een zeil, een plank gillen, hgd. gillen, Gilling: de schuine afgesneden kant van de kleeden van een zeil; de schuine afgezaagde kant van een plank; ook de plank zelf. Vervolgens de gebogen lijn van een doorloopend scheepsboord, hgd. Gilling, de. Gilling, zw. gilling, gilning, Gillingkleed: schuin afgesneden baan in het zeil. Gillingpunt: de scherpe hoek aan den neg van een zeilbaan, waar de gilling ten einde loopt. Gladdek: een dek, dat onafgebroken doorloopt. (De stortzeeën maken gladdek: slaan alles van het dek af), hgd. Glattes Deck, de. Glatdaek, zw. glattdäck. Glas: zandlooper, die in een half uur uitloopt. Vandaar tijdruimte van een half uur: het schip zeilde drie mijlen in acht glazen. Ook onderdeel van de wacht: vier glazen in de hondewacht: twee uur na middernacht. De glazen slaan: door slagen op de klok kenbaar maken, hoeveel halve uren van de wacht verstreken zijn, hgd. Glas, de. Glas, zw. glas, engl. glass. Gorden: een zeil inhalen en buiten werking stellen. Een schip gorden: (als de inhouten dreigen los te gaan) het steunen door er kabels onder te brengen. Gording: het opkorten van 't zeil. Ook: een loopend touw, waarmee men een gedeelte van de ra- of gaffelzeilen tegen hun rondhouten ophaalt, om den windvang te verminderen, hgd. Gording, de. Gaarding, zw. gårding, russ. górden'. Gordingblok: blok, waardoor een gording vaart, russ. gorden'blok. Gotelingen: een soort van licht geschut; hgd. Gotelingen. Gotelingschot: hgd. Gotelingschuss. Graadboog: werktuig, om de hoogte der zon te meten; russ. grádbog. Graat: engl. grate. Graft, gracht: engl. graft. Greep: de scherpte van 't schip voor onder bij de steven; hgd. Greep, engl. gripe, russ. grep. Greling: het dunste ankertouw, hgd. Greling, fra. grélin, bret. grélink, bask. guerlinca, spa. garlin, Genua grelin, it. carlino, gherlino. Grietje (van Dijck): het bovenkruiszeil; hgd. Gretchen vom Deich. Groeve: engl. groove. Grof: engl. gruff. Grond: het land, dat onder water gelegen is, bodem van het water; russ. grunt. Grondsop: engl. groundsop. Grontje, grondel: soort visch, engl. grundy. Grondtouw: een der beide kabeltouwen, die aan de lijzijde van 't schip wordt vastgezet, onder het schip doorgaan en naar den tegenovergestelden wal loopen: zij dienen om het schip op den gevordenden afstand van de kielkade te houden; de. Grundtou, zw. grundtåg, russ. gruntóv. Groot: oude munt; engl. groat. Groot: wordt gezegd van alles wat met den grooten mast in verband staat. Grootbovenbrambakstag: russ. grotbombrambakštag. Grootbovenbrambras: de. Storbovenbrambras, zw. storbofvenbrambrass, russ. grotbombrambras. Grootbovenbrambuikgording: russ. grotbombrambyček. Grootbovenbramra: hgd. Grossoberbramraa, de. store Bovenbramraa, zw. storbofvenbramrå, russ. grotbombramrej. Grootbovenbramschoot: russ. grotbombramškot. Grootbovenbramstag: russ. grotbombramštag. Grootbovenbramstagzeil: russ. grotbombramstaksel'. Grootbovenbramsteng: russ. grotbombramsten'ga. Grootbovenbramtoppenant: russ. grotbombramtopenant. Grootbovenbramval: russ. grotbombramfal. Grootbovenbramwant: russ. grotbombramvanty. Grootbovenbramzeil: hgd. Grossoberbramsegel, de. Storbovenbramseil, zw. stor bofvenbramsegel, russ. grotbombramsel'. Grootbrambakstag: russ. grotbrambakštag. Grootbramboelijn: russ. grotbrambulin'. Grootbrambras: de. Storbrambas, zw. storbrambras, russ. grotbrambras. Grootbrambuikgording: russ. grotbrambyček. Grootbramgeitouw: russ. grotbramgitov. Grootbramlijzeil: hgd. Grossbramleesegel, de. Storbramlaeseil, zw. stor bramläsegel, russ. grotbramlisel'. Grootbramlijzeilschoot: russ. grotbramlisel'škot. Grootbramlijzeilval: russ. grotbramlisel'fal. Grootbramra: hgd. Grossbramraa, de. store Bramraa, zw. storbramra, russ. grotbramrej. Grootbramschoot: russ. grotbramškot. Grootbramstag: russ grotbramštag. Grootbramstagzeil: russ. grotbramstaksel'. Grootbramstagzeilschoot: russ. grotbramstaksel'škot. Grootbramstagzeilval: russ. grotbramstaksel'fal. Grootbramsteng: hgd. Grossbramstenge, de. Storbramsteng, zw. storbramstang, russ. grotbramsten'ga. Grootbramstengestagzeil: hgd. Grossbramstengenstagsegel, de. store Bramstaengestagseil, zw. store bramstängstagsegel. Grootbramtoppenant: russ. grotbramtopenant. Grootbramval: hgd. Grossbramfall, de. store Bramseìlsfald, zw. storbramfall, russ. grotbramfal. Grootbramwant: russ. grotbramvanty. Grootbramzeil: hgd. Grossbramsegel, de. stor Bramseil, zw. bramsegel, russ. grotbramsel'. Groote bijvoet: russ. grotabejfut. Groote boelijn: russ. grotabulin'. Groote bramstengestag: hgd. Grosse Bramstengenstag, de. store Bramstaengestag, zw. store bramstängstag. Groote bras: hgd. Grossbrasse, russ. grotabras. Groote dag: russ. grotadach. Groote gaffel: hgd. Grossgaffel, russ. grotagafel'. Groote geitouw: hgd. Grossgeitau, russ. grotagitov. Groote gijk: russ. grotagik. Groote hals: hgd. Grosshals, russ. grotagals. Groote kardeel: russ. grotagardel'. Groote loosstag: russ. grota los' štag, grotlos'štag. Groote mars: hgd. Grossmars, russ. grotmars. Groote mast: russ. grotmačta. Groote ra: hgd. Grossraa, russ. grotarej. Groote rust: hgd. Grossrüste, russ. grotruslen'. Groote schoot: hgd. Grossschot, russ. grotaškot. Groote stag: hgd. das grosze Stag, russ. grotaštag. Groote steng: hgd. Grossstenge, russ. grotsten'ga. Groote toppenant: hgd. Grosstopp, russ. grotatopenant. Groote val (-touw): hgd. Grossfall-tau, russ. grotafal. Groote vlagstok: russ. grotflagštok. Groote zijtalie: russ. grotsejtali. Groote zijtalieschenkel: russ. grotsejtalejškentel'. Groote zwichtserving: russ. grotšvicsarven'. Grootlijzeil: hgd. Groszleesegel, de. stor Laeseil, zw. stor läsegel. Grootlijzeilspieren: russ. grotlisel'spirty. Grootluik: hgd. Grossluke, russ. grotljúk. Grootmarseboelijn: russ. grotmarsabulin'. Grootmarsebras: hgd. grosse Marsbrasse, de. stor Maersebras, zw. stor märsbrass. russ. grotmarsabras. Grootmarsebrasblok: russ. grotmarsabrasblok. Grootmarsebuikgording: russ. grotmarsabykgorden'. Grootmarsegeitouw: russ. grotmarsagitov. Grootmarsera: hgd. Grossmarsraa, de. store Maersraa, zw. stormärsrå, russ. grotmarsarej. Grootmars(e)schoot: russ. grotmarsaškot. Grootmarsetoppenant: hgd. Grossmarstopp, russ. grotmarsatopenant. Grootmarseval: hgd. Grossmarsfall, de. stor Maersfald, zw. stor märsfall, russ. grotmarsafal. Grootmarslijzeil: hgd. Grossmarsleesegel, de. stor Maerslaeseil, zw. stormärsläsegel. Grootmarszeil (los!): hgd. Grossmarssegel, de. stor Maersseil, zw. stor märssegel, russ. grotmarsel' (los!). Grootonderbramzeil: hgd. Grossunterbramsegel. Grootonderlijzeil: russ. grotunderlisel'. Grootstagzeil: hgd. Grossstagsegel, de. store Stagseil, zw. store stagsegel. russ. grotstaksel'. Grootstagzeilschoot: russ. grotstaksel'škot. Grootstagzeilval: russ. grotstaksel'fal. Grootstengebakstag: russ. grotsten' bakštag. Grootstengezelshoofd: russ. grotsten' ezel'goft. Grootstengeloosstag: russ. grotsten'los'štag. Grootstengestag: hgd. Grossstengenstag, de. stor Staengestag, zw. stor stängstag, russ. grotsten'stag. Grootstengestagzeil: hgd. Grossstengenstagsegel, de. store Staengestagseil, zw. store stängstagsegel, russ. grotsten'gistaksel'. Grootstengestagzeilschoot: russ. grotsten'gistaksel'škot. Grootstengestagzeilval: russ. grotsten'gistaksel'fal. Grootstengewant: russ. grotsten'vanty. Grootwant: hgd. Grosswant, russ. grotvanty. Grootzeil: onderste razeil aan den grooten mast, hgd. Grosssegel, russ. grot. Guds: holle beitel, hgd. Güdse, de. Gyds, zw. gyts. Gulden: engl. guilder. Gulp: gedeelte van een broek, dat van voren toegeknoopt wordt tot aan den gordel, russ. gul'f, gul'fik, gul'tik. Haai: engl. haye, hgd. Hai, de. Hai, zw. haj. Haak: russ. gak. Haakblok, hakeblok: blok met een haak voorzien; hgd. Hakenblock, de. Hageblok, zw. hakeblåck, russ. gakblók, gakablok, ook de omschrijving bloks gákom. Haan: (in de schijf van een blok of katrol) het vierkant stukje koper, waarover de schijf loopt. Hagje(spek): vleesch of spek, hgd. Hakjespek, de. Hakjespek, zw. hakjespek. Hagje(s)dagen: dag waarop het scheepsvolk vleesch krijgt; hgd. Hagjetage. Hakkebord: het bovendeel van den spiegel, dat uitgehakt is in verschillende vorm, om het schip te onderkennen, hgd. Hackebord, de. Hakkebret, zw. hackebräde, russ. gakbord, gakabórt. Halfdek: achterhelft van het opperdek; hgd. Halbdeck, de. Halfdaek, zw. halfdäck, russ. galfdek is verouderd. Halfwind: de wind dwars of dwarsscheeps inkomende; russ. gálfvind. Halen: engl. to haul, no. hale, hale an, hale dör, fra. haler, it. alare, spa. alar, ptg. alar. Hallo: uitroep om de opmerkzaamheid te trekken; hgd. halloh, zw. hallo, engl. halloo, de. hallo, russ. aló (alleen bij 't praaien). Hals: 1. (van een touw) de ronde ring of kous aan 't eene einde, waarmede het touw bevestigd kan worden. 2, touw, dat de onderloefpunt van een zeil neerhoudt; russ. gals, hgd. Hals(?) Het russ. gals beteekent ook de koers van een schip, wanneer het bij den wind zeilt. Halsblok: blok, waar de hals door vaart, russ. galsblok. Halsklamp: een klamp buiten boord, waardoor de hals vaart; hgd. Halsklampe, zw. halsklamp, de. Halsklamp, russ. galsklámp, galskljámpa. Halstalie: een talie om in 't zeil te zetten bij de hals als het stijf waait, hgd. Halstalje de. Halstallie, zw. halstalja, russ. galstáli. Halzen: voor den wind omwenden, hgd. halsen. Handdag: dag (stuk touw) dat men in de hand houdt om er mee te straffen in de provoost. Handig: no. handig. Handpomp: verplaatsbare pomp aan boord, russ. gandspómpa, ganspompa. Handspaak: hefboom bij de verwerking van hout of de bediening van geschut gebruikelijk, hgd. Handspaken, de. Haandspage, zw. handspak, engl. handspike, handspec, russ. gánšpug, ánšpug, gándšpug, fra. anspée, spa. espaque, ptg. espegue. Hanepoot: touw, welks beide einden op eenigen afstand van elkaar zijn vastgemaakt; hgd. Hahnepoot, de. Hanefod, zw. hanefot, russ. gánapút', ánaput'. Hangmakken, hangmatten: hgd. Hängmatten, de. Haengematter. zw. hängemattor. Hangerblok: plat katrol (blok) voor den marsedraaireep, russ. gángersblók. Hardlooper: snelzeiler, no. Hartloper. Haringbuis: engl. herring-buss. Harpoenier: hgd. Harpunier, engl. harpooneer. Harpoen: werptuig met lijn eraan vooral voor walvisschen en haaien; hgd. Harpune, de. Harpun, zw. harpun, engl. harpoon, russ. garpún. Harp: sluitschakel in een kabelketting. Harpuis: gekookte hars met zwavel of terpentijn gemengd, voor 't smeren van stengen en hout tegen den worm, hgd. Harpeus, Harpus, zw. harpojs, harpös, russ. gárpius. Hart: (van een touw) een weinig gedraaide streng van minder sterk garen, waaromheen de eigenlijke strengen van een kabel worden ineengedraad, hgd. Herz(?) de. hjerte(?), zw. hjerta(?) engl. heart(?). Haven: russ. gávan'. Havenmeester: russ. gavan'méjster, gavenmejster. Haverij: zie averij, russ. gavareja. Hei daar!: engl. heyda, heyday. Hei, heien: fra. hie, hier. Hek: slot van het achterschip; hgd. Heck, de. Haek, zw. häck. Hekbalk: balk achter in het schip, die tot grondslag dient aan hek en wulf en waarop de enden der buitenboords-planken bevestigd worden, hgd. Heckbalken, de. Haekbielke, zw. häckbalk. russ. gekbálk. Hekboot: boot, die aan de hekdavits hangt, hgd. Heckboot, de. Haekbad. Hekstutten: hgd. Heckstutzen, zw. häckstuttor. Hel: kleine donkere bergplaats vóór in 't schip, hgd. Helle. Helling: (helling van de) scheepstimmerwerf, hgd. Helling, de. Helling, zw. helling, russ. eling, élling. Helmstok: roerpen. Hennegat: eivormige opening, boven den achtersteven, om er den kop van 't roer doorheen te brengen, hgd. Hennegat, de. Hennegat, russ. genechat, genegát (verouderd). Heude, heu, hui: platbodemd vaartuig, hgd. Heu(de), engl. hoy, de. Hoy, zw. hoy. Hiel: (van een schip) het achterste deel van de kiel, de hoek die deze met den achtersteven maakt; (van een mast) het onderste deel van den voet; (van een touw) het onderste deel van de steng, waarin de schijf loopt, door ons uit het engl. en uit onze taal door de Duitschers ontleend, hgd. Hiel. Hielen: een kabeltouw hielen: het kroppen. Ook met den hiel van 't schip tegen den grond stooten, hgd. hielen. Hieling: zie hiel, het onderste deel van iets, hgd. Hielung. Hijschen: engl. to hoise, hoist, no. heise. Hoek: uitstekende punt van 't land, hgd. Huk, russ. guk. Ook vischangel. Hoekboot: ofra. hoquebot, hgd. Hukboot. Hoeker: groot noorsch visch- en transportvaartuig met twee masten, fra. (h)oucre, hourque, engl. hooker, hgd. Huker, de. Hukkert, russ. gúkar. Hoezee: russ. guzé. Hok: stal aan boord, hgd. Hock. Hol: ruim van het schip en zelfs het heele schip, hgd. Holl, eng. hold, hull, russ. gol. Hollander: slag met het einde van een touw, waardoor men dit vast maakt aan den haak van een takel, om op te winden; hgd. Hollander, de. Hollander, zw. hollander. Hollandsche (haring, kiel): russ. gol(l)án(d)ka. Holster: leeren hoker voor een pistool, engl. holster. Hommer, nommer: achthoekige verdikking van den mast, onder den top der steng, waarop de bramzaling en het tuig komt te rusten. Hommergat: gat boven in den top der maststengen. Hommerstuk: blok, die tegen den mast gespijkerd is en den hommer helpt vormen. Hondefok: takel met blokken, die dient o.a. om watervaten binnen boord te hijschen, hgd. Hundefock, de. Hundefok, zw. hundefock, russ. únderfok (alsof 't was ontleend aan: onderfok). Hondenhuis: houten kap, die bij slecht weer over het kajuitsluik gezet wordt; hgd. Hundehaus. Hondewacht: wacht van middernacht tot vier uur in den morgen, hgd. Hundewacht, de. Hundevagt, zw. hundvakt. Hoofd: 1. kaai, 2. uitstekend deel van een scheepsluik, 3. bovenste stuk van mast of steng, 4. werktuig van den touwslager, hgd. Hoofd. Hoofden: het kanaal tusschen Dover en Calais, zoo genoemd omdat daar de kust twee punten in zee maakt, hgd. Hoofden. Hoofdband, vla. hooband: hoofdtouw (cf. raband), fra. hauban, bret. houbank, bask. abenkka, spa. obenque, ptg. ovem. Hoofdtouw: het staande want van een schip, hgd. Haupttau, de. Hovedtou, russ. góftou. Hoogaars: schip met hoog uit het water liggenden boeg. Hoos: 1. hoosvat, waterschepper, 2. waterkolom bij wervelwind, hgd. Hose, de. Ose, 3. wervelwind. Hoos: leeren laars die bijna het heele onderlijf bedekt. Hoosgat: fra. ausec, ossec, osset. Hoozen: leegscheppen, zuidno. hausa, zw. dial, hösa. Houtvuur: vuur (bederf) in het hout, hgd. Holzfeuer, de. Fyr i trae, zw. fyr i trä, russ. góutféjr. Hou vast: engl. avast. Huid: buitenbekleeding van een schip, hgd. Haut(?), de. Hud(?) zw. hud(?) Hui: is een scheepsroep, eng. ahoy. Huyzenblas mnl.: vischlijm, engl. isingglass. Huizing: soort van bindtouw, engl. housing, russ. júzin', júzen'; gjuzing (verouderd). Hulk: eig. een soort van groot en log koopvaardijschip, russ. gul'k. Hut: oorspr. het met zeildoek overdekte gedeelte van 't achterschip, russ. gjut, jut. Verder: logies van stuurmannen en officieren en het nachtverblijf van de passagiers. Hutselen: engl. to hustle. Inhaler, inhaalder: touw, waarmee iets wordt ingehaald, russ. ingálder. Inham: hgd. Inham. Inhout: scheepsribbe, hgd. Inholz (?), zw. inhult, russ. ingóuty (mrv. verouderd). Interlooper, enterlooper: schip, dat handel drijft op plaatsen, waar alleen geoctrooieerde compagnieën daartoe recht hebben; ook schip dat heimelijk de haven binnenloopt zonder tol; hgd. Interlooper. Inwijk: inham, kreek; hgd. Inwiek(?) Jacht: vaartuig voor uitspanningstochten vooral; hgd. Jacht, engl. yacht, zw. jakt, de. Jagt, fra. yacht, russ. jáchta. Jacobsladder: ladder om in 't kraaiennest te klimmen; hgd. Jacobsleiter. Jacobstaf: instrument om de zonshoogte te meten, engl. Jacob's staff, hgd. Jacobsstab(?) Jager: 1. schip, dat op andere jacht maakt; snelzeilend vaartuig of stoomboot, die de eerste haring binnenbrengt, hgd. Jager, engl. jagger; 2. vooruitschietend kanon; 3. driekantig zeil boven den kluiver. Janhagel: het gewone bootsvolk; hgd. Janhagel. Janmaat: hgd. Jan Maat. Jan van Gent: soort Pelikaan; hgd. Jan van Gent. Jas: dikke schippersjas; hgd. Jas. Jijn (jein): zie gijn. Jol: kleine lichte sloep; engl. yawl, fra. jol, yole, de. Jolle, zw. julle, russ. el, (spr. jol). Jongen: scheepsjongen; hgd. Schiffsjunge, de. Skibsjunge, russ. júnga. Jonk: hgd. Junke, de. Junk, zw. junk, eng. junk, fra. jonque, spa. junca, ptg. junca, it. junca. Journaal: scheepsjournaal; hgd. Journal. Judasooren: zie apostel; hgd. Judasohren. Juffer(s): blok met inkeping en met drie of vier gaten voorzien, waardoor de talreepen loopen; Ook júnfer en júmfer, hgd. Jungfer, de. Jomfru, zw. jungfru, russ. júmfer, junfers, jufers, mrvd. Jurk: engl. jerkin, russ. žúrka, žúra. Jut, doove Juth (Judith): een houten blok, waarin bovenop een inkeping is om een schijf in te zetten; hgd. taube Jütte. Kaag: platboomd binnenlandsch vaartuig; fra. cague, hgd. Kaag, russ. kag. Kaai: steenen oever als aanlegplaats; hgd. Kai (?), de. Kai, zw. kaj. Kaaien: van richting doen veranderen, strijken, hijschen, hgd. kaien, no. kaie, de. kaie, zw. kaja. Kaaimeester: hgd. Kaimester, de. Kaimester, zw. kajmästare. Kaap: 1. vooruitstekend land in zee, russ. kap; 2. vuurtoren, hgd. Kape. Kabbelen: het tegen elkaar slaan van de golven, hgd. kabbeln, de. kabble, zw. kabbla. Kabel: dik touw, gewoonlijk ankertouw, russ. kábel'. Kabelaring, (kabellarga): touw, minder dik dan het ankertouw, dat dient om 't anker in te halen, hgd. Kabelar, Kabelaring, de. Kabelaring, zw. kabellarium, russ. kabaljáring, kabaljár, kapljár. Kabelaringsblok: russ. kabaljaringblok. Kabelgaren: het touw, waaruit de kabel gemaakt wordt, no. Kabelgarn, russ. kábolka. Kabelgast: scheepsjongen, hgd. Kabelgast. Kabelgat: berghok voor het touwwerk, hgd. Kabelgat, de. kabelgat, russ. kabel'gát. Kabeljauw: hgd. Kabeljau, de. Kabliau, zw. kabeljo, fra. cabillaud, Kabelkleed: bekleeding van een kabel op plaatsen waar deze kan schuren, hgd. Kabelkleid. Kabellengte: een lengtemaat; voor Nederland 120 Amsterdamsche vademen (204 M.) hgd. Kabellänge, de. Kabellaengde, zw. kabellängd. Kabeltouw: kabellengte, russ. kábel'tov. Kabuis: engl. cabouse. Kadraaien: kaaidraaien, in een bootje bij de schepen waren rondventen, no. kadreie. Kajuit: kamer op een schip, fra. cajute, cahute, russ. kajúta. Kajuitsjongen: hgd. Kajütsjunge, russ, kajutjunga. Kaken (haring): fra. caquer, caquehareng: (vaatje) gekaakte haring. Kalefaten (kalefateren kalfaten, kalfateren): het schip herstellen, hgd. kalfaten, kalfatern, de. kalfatre, zw. kaltafra, russ. konopátit', konopačivat', verbasterd uit kalafátit' onder invloed van 't russ. substantief konopljá (hennep). Kalf, mv. kalven: een stop- of aanvullingstuk, hgd. Kalb, mv. Kalven. Kalfaatbank: hgd. Kalfatbank. Kalfaatijzer: beitel, hgd. Kalfateisen, de. kalfaterjern. Kam: (aan een wiel) engl. cam. Kameel: holle houten of ijzeren bak, die dient om onder een schip vastgemaakt en dan leeggepompt te worden, ten einde den diepgang van het schip te verminderen, fra. chameau, it. cammello, ptg. camello, spa. camello, engl. camel, hgd. Kamel, de. Kameel, zw. kamel, russ. kamél'. Kampagne: (Kiliaen: kompanghe) licht bovendek op het achterdek, hgd. Kampagne, zw. kampane, de. Kompane. Kanevas, kanifas: grof doek, zeildoek, hgd. Kan(n)evas, de. Kanefas, zw. kanfas, russ. kanifás. Kant, b.n.: volkomen glad. De zeilen kant zetten: de zeilen in orde brengen, spannen. Zet je zeil kant (tot een dronkaard): houd je roer recht, hgd. kant, kant setzen. Kant en klaar: de. kant og klar. Kantje: een tonnetje met gekaakte haring; hgd. Kantje. Kantelen, kanteren: omkeeren, engl. to cant, de. kantre, zw. kantra, russ. kantovát'. Kaper: schip of schipper, die op zee vaart om te kapen, fra. capre, hgd. Kaper, de. Kaper, zw. kapere, eng. caper, russ. káper. Kapitein (kaptein): gezagvoerder op het schip, russ. káptén, kaptejn. Kapiteintje: kajuitsdweil, hgd. Kapitaintje. Kappen: de. no, kappe, zw. kap(p)a. Kapseizen: omslaan, kantelen. Karaak, kraak: grootste soort van koopvaardij- en oorlogsschepen, weleer in gebruik bij Spanjaarden en Portugeeschen. Kardeel: hijschtouw, zware takel, waarmee men de onderraas ophijscht, ook wimpel of vlaggetouw, zw. kardel, russ. kardél', gardél'. Kardeel(kordeel) eigenlijk quartel, kwarteel: spekton bij de walvischvangst, traanvat van twaalf steekkan, hgd. Kardelen (mrv.), engl. cardel, russ. kardelka, kartelka. Kardeelblok: gestropt blok met drie schijven waar het kardeel doorgaat, hgd. Kardeelblok, de. Kordelsblok, zw. kardelblåck. russ. gardel'blok. Kardeelreep: kardeel, russ. gardél'rep. Kardoes: met kruit gevuld papieren buisje tot lading van geweer of kanon, hgd. Kardus, de. Kardus, zw. kardus, russ. kartúz. Kardoeskist: hgd. Karduskist, de. Karduskist, zw. karduskist. Kardoeskoker: koker waarin de geladen kardoes bewaard wordt, hgd. Karduskoker, de. Karduskoker, zw. karduskoker, russ. Kartuzkokor, kartúznyj kókor. Kardoesstok: hgd. Kardusstock, de. Kardusform, zw. kardusform. Het tweede lid uit engl. cartridge-form. Kargadoor: scheepsmakelaar. scheepsbevrachter, hgd. Kargadeur, russ. kargador. Karreldoek: het stijfste soort zeildoek, hgd. Karreltuch, russ. kareldúk. Kartouw: engl. cartow, de. Kartove. Karveel, karvielschip: klein snelzeilend schip, hgd. Karviel(schiff), de. Kravel, zw. krafvel. Karviel(hout): balk of stang, die tot stut of verbinding strekt onder de ribben langscheeps, de. Kravel, zw. karfel. Karviel (karveel): hijschblok aan het marszeil. Karvielnagel (karveelnagel): 1) groote scheepsspijker, die dient tot verbinding van twee karvielhouten, russ. kárvel'nágel', karvil'nagel', 2) een nagel waaraan men touwwerk belegt, hgd. Karvielnagel, russ. karvel'nagel', karvil'nagel', (zie Konfijnagel) 3) stel metalen bouten om touwwerk in achtvorm vast te maken. Kasteel: halfdek, schans, hgd. Kasteel, de. Kastel. Kat: 1) klein anker, dreg, 2) geheide aanlegplaats, 3) koopvaardijschip, een driemaster, ook een licht vaartuig in de havens, engl. cat, 4) geesel tot tuchtiging van de matrozen, 5) zwaar jijn, waarvan de schijven in den kraanbalk het bovenblok vormen, russ. kat. In alle beteekenissen hgd. Kat, de. Kat, zw. katt. Kat: de kat met negen staarten, de karwats, engl. cat of nine tails. Katanker: zie kat 1), hgd. Katanker, de. Katanker, zw. katankar. Katbalk: zie kraanbalk, russ. katbálka. Katblok: het onderste blok van de kat of kattalie, engl. catblock, hgd. Katblock, de. Katteblok, zw. katblåck, russ. katblók. Kathaak: de haak aan het katblok, hgd. Kathaken, de. Kathage, zw. kathake, engl. cathook, russ. katgák. Katlooper: touw geschoven door de schijfgaten van den kraanbalk en het katblok om het anker van onder den kluis tot onder den kraanbalk te hijschen, hgd. Katläufer, russ. katlópar'. Katrol: een cirkelvormige schijf aan haar omtrek van een groef voorzien tot het opnemen van een koord, hgd. Kattrol(le), Katterol. Kattakel: zie kat 5). Kattalie: kattakel of kat 5), russ. kattáli. Katten: 1) de kat uitwerpen, het anker versterken. 2) met den kattakel het anker uit het water lichten en onder den kraanbalk hijschen, hgd. katten, de. katte, zw. katta, engl. to cat. Kattestaart: 1) zekere scheepsklamp. 2) losgerafeld touw. 3) korte wimpel, hgd. Kattsteert, de. Kattestaert, zw. katstart. Katting: een vereeniging van twee ankers, waarvan het een aan een kruishout van een grooter is vastgehecht. Kattouwtje: trosje om den haak van het katblok te sturen, zoodat de man op het anker de kat hoeken kan. Katzwijm: in katzwijm liggen, windstilte hebben. Kavelen: in den vloed zeilen om de ebbe afte wachten. Tij kavelen: eb en vloed berekenen. Keep: kerf, sponning, russ. kip. De keep in een scheepsblok, sleuf waarin het touw loopt, russ. kip u bloka. Keergijn, keerjijn: ophouder. Keering: mastkoker op haringbuizen, hgd. Keering. Keerlijn: keergijn, ophouder. Keernagel: groote houten pin. Keerplaats: ruimte om te keeren Keertouw: touw om iets tegen te houden of te richten, keertouwen der lijzeilspieren, hgd. Kehrtau. Keesje: dunne lijn welke van het schip naar den wal geworpen wordt om daarmede het kabeltouw aan wal te trekken Keg: ijzeren of ook wel houten wig. Kegels: engl. cails, fra. quilles. Keggen: wiggen indrijven, met wiggen vastzetten. Keizersvlag: russ. kéjzerflág. Kelduivel: rum, hgd. Keldüvel. Kenteren, kanteren: goederen overladen van 't eene schip in 't andere, omkantelen, omkeeren, hgd. kentern, de. kantre, kaentre, zw. kantra. Kerfbijl: hgd. Kerfbeil. Kerk: voorkajuit, logies onder 't halfdek. Kerven: kappen, omhakken. Den mast kerven, hgd. kerben. Kesp: draagstuk van de vlakgangen in platte schuiten, hgd. Kesp. Ketting(s)pomp: twee naast elkander staande pompbuizen, waarin een ketting met zuigers wordt rondgevoerd om het water onder in het ruim op te pompen, hgd. Kettenpumpe, de. Kiedepompe, zw. kiettingspump, russ. kétenspómpa, vroeger: ketink pump. Keuken: hutje op den achtersteven. Kiel: bodembalk, zw. balkvormig hout overlangs, in 't midden onder een schip. Vandaar ook het heele schip, engl. keel, fra. quille, spa. quilla, bask. guilla, ptg. quil'ha, it. (a)chiglia, russ. kil'. Kielen: 1) de kiel leggen, 2) een schip overzijde halen om er van onderen het noodige werk aan te verrichten, hgd. kielen, russ. kilevát'. Kielgang: onderste der huidplanken, hgd. Kielgang. Kielgijn: zijgijn waarmee het kielen geschiedt. Kielhalen: 1) zie kielen, hgd. kielholen, 2) een zware scheepsstraf, waarbij de overtreder onder de kiel van 't schip werd doorgehaald of waarbij hij tot aan de groote ra werd opgeheschen en vandaar door plotseling het touw te laten vieren meermalen in zee werd gedompeld, hgd. kielholen, de. kjölhale, zw. kolhala, eng. to keel-hawl, russ. kilevát'. Kielkade: kade waar de schepen gekield worden. Kiellichter: zwaar vierkant vaartuig met platten bodem om zware lasten te vervoeren of om schepen te kielen als er geen kielkade is, hgd. Kielleichter, russ. kiléktor. Kielwater: streep schuimend water die een varend schip achterlaat, hgd. Kielwasser, de. Kjölvand, zw. kölvaten, russ. kil'váter. Kies: de kies van een kaapstander, de klamp, hgd. Kies, de. Kis, zw. kis. Kil: waterdiepte tusschen twee zandbanken, hgd. Kille. Killen: de zeilen killen, de zeilen klapperen, hgd. die Segel killen. Killing: het aan den wind liggen der zeilen. Kim: 1) scherpe rand van een steven, 2) begin der ronding van een scheepsbuik, 3) de zware eiken gang die in 't ruim van een schip op de kromming der inhouten bevestigd wordt, 4) de horizon. Kin, Kinnebak: voorste deel van de kiel, hgd. Kinn, Kinnback, russ. baks. Kink: knoop, draai in een touw, hgd. Kink, de. Kink, no. Kink, zw. kink, engl. kink. Kinnebaksblok: een langwerpig blok met een schijf en met een opening aan de eene zijde, waarin men het touw leggen en weer uitnemen kan, zonder het heele eind door te scheren, hgd. Kinnbacksblock, de. Kindbaksblok, russ. kanibáksblók, kanifásblók. Kinneke(n): van kindeken, een klein vaatje, engl. kilderkin. Kip: insnijding. Kippen: 1) 't anker klippen, 't anker op 't boord zetten, hgd. kippen, de. kippe, zw. kipa, 2) snijden, kepen. Kits: kanonneerboot, hgd. Kits, zw. kits. Klaas: houten blok voor de hakjes spek, hgd. Klaas, de. Klas, zw. klas. Klaas, Klaas Jacobstang: houten nijptang op scheepswerven, hgd. Klaas, Klaas Jacobs. Klabaaien: latten van onder tegen de balken geslagen om er iets op te leggen, hgd, Klabaien, de. Klabaier, zw. klabaiar. Klaks: onderzijde van een haringnet. Klamaai: rechte stukken hout die langscheeps liggen, hgd. Klamei. Klamaaien: de naden van een schip dichtslaan, hgd. klameien, de. klameie, zw. klameia. Klamaai-ijzer: kalfaatijzer met breed blad en lange steel, hgd. Klamei-eisen, de. Klameie, zw. klamei. Klamp: bindlat, hgd. Klamp, de. Klamp, zw. klamp, engl. clamp, russ. klampa, klámka. Klampen: een mast klampen, zie schalen. Aan boord klampen: hgd. an Bord klampen, engl. clamp. Klap, klep: 1) afsluiting in een buis, pomp of kleppenkast, hgd. Klap, de. Klap, zw. klap, fra. clapet, 2) bij een tent op zijde af hangend om schuine zonnestralen tegen te houden, 3) klep van een broek. In alle beteekenissen: russ. klápan. Klapboei: tonneboei, hgd. Klapboje. Klapbouten: bouten om de puttings aan boord vast te leggen, hgd. Klapbolzen, de. Klapbolte, zw. klapbultar. Klaplooper: zijtakel in 't stengewant, hgd. Klappläufer, de. Klaplöber, zw. klaplöpare. Klaren: het anker klaren, in gereedheid brengen, hgd. klaren, de. klare, zw. klara. Klauw: driehoeking blad aan het uiteinde der armen van een anker, hgd. Klau, de. Klöe. zw. klo. Klauwen: zie breeuwen. Klavaatshamer: houten scheepshamer, hgd. Kalfaathammer. Klaverdoek: een soort linnen, kanefas, hgd. Klavertuch, russ. klaverdúk. Klavierstift: kort, dik stuk plank, waarop men het schip van de helling laat glijden. Kleed: dek-, schanskleed, russ. kletnjá. Kleeding: russ. kléding, kléting, kléten'. Kleine fok: fra. clinfoc, bask. clinfoca. Klemgrond: goede ankergrond. Klemhaak: twee haken aan een oog, die 't voorwerp dat men zal ophijschen, vastklemmen, hgd. Klemhaken. Klerk: schrijver, russ. klerk. Klik: uiterste stuk aan het roer van een schip, hgd. Kliek, de. Klik. Klimstag: touw onder aan den boegspriet tot hulp voor de matrozen, hgd. Klimmstag. Klink: omgeslagen spijkerpunt, hgd. Klink(e), de. Klink, zw. klink. Klinken: de spijkerpunten omslaan, hgd. klinken, de. klinke, zw. klinka. Klinkerd, klinkaard: een vaartuig met klinkerbekleeding. Zie klinkerbouw, hgd. Klinkert, de. Klinkert, zw. klinkert, fra. clincart. Klinker(baksteen)-bouw: een soort buitenbekleeding, waarbij de randen der planken over elkaar grijpen, hgd. Klinkerbau, engl. clinker, clinkerbuilt. Klip: steile blinde rots in zee, russ. klip. Klipper: een lang smal snelzeilend schip. Als voorvoegsel bij andere scheepsnamen dient het om de snelheid van zeilen aan te duiden, b.v. klipperbark, hgd. Klipper, russ. klíper. Klieven: fra. cliver. Kloen: een kluwen schiemansgaren, hgd. Klohn. Kloet: schippersboom, hgd. Klôte. Kloeten: een schip voortboomen. Kloeter: iemand die het schip voortboomt. Kloot: ronde knop op de toppen der bramstengen, van schijfgaten voorzien waardoor de vlaggelijn geschoren wordt, misschien hgd. Kloot, de. Klode, no. Klod, zw. klod, russ. klot. Klopzee: stortzee, hgd. Klopsee. Kluiffok: fok aan den voormast, hgd. Klüffock, de. Klyvfok, zw. klyffok, russ. kljúfok. Kluis: een koker vooraan 't schip, waardoor men de ankertouwen viert, hgd. Klüse, de. Klys, Klyds, zw. klys, russ. kljuz, chljust. Kluisband: hgd. Klüsband, de. Klysbaand, zw. klysband. Kluisbak: russ. kljuzbák. Kluisgat: opening aan weerszijden van den voorsteven, bestemd om het ankertouw er door te laten vieren, hgd. Klüsgat, zw. klysgat, russ. kljujsgat (verouderd). Kluiszak: een zak met werk gevuld, dien men in de kluisgaten stopt, om het indringen van het water te beletten, hgd. Klüssack, de. Klydsak, zw. klydsäck, russ. kljuzsak. Kluiver: voorste driehoekig zeil, hgd. Klüver, no. de. Klyver, zw. klyfvare, russ. klíver. Kluiverboom: naam van het verlengstuk van den boegspriet op koopvaardijschepen, hgd. Klüverbaum, de. no. Klyverbom, zw. klyfvarebom, engl. jibboom (voor 't eerste lid zie gijp), russ. kliverbom. Kluiverhals: russ. klivergals. Kluiverlei(d)er: gijn om daarlangs den kluiver op te hijschen, hgd. Klüverleiter, russ. kliverleer. Kluiverneer- of inhaler: engl. inhauler, inhaller, de. Indhaler, zw. klyfverts inhalare, russ. kliverniral. Kluiverschoot: hgd. Klüverschote, russ. kliverškot. Kluiverval: hgd. Klüverfall, russ. kliverfal. Kluizen: klotsen van het water tegen de kluisgaten; hgd. klüsen, de. klydse, zw. klysa. Knapen: klampjes om de planken eerst losjes vast te spijkeren, hgd. Knapen, de. Knapper, zw. knapar. Knappen: engl. to knap. Knapzak: engl. knapsack, hgd. Knapsack. Knecht: 1. soort van windas, 2. hout aan den koker van den mast om touw aan vast te maken, hgd. Knecht, de. Knegt, zw. kneckt, engl. knighthead, russ. knecht, knek, knéka. Knevel(s): houten nagel, die tusschen een bindsel gestoken en rondgedraaid dient om het nog sterker toe te halen, hgd. Knebel. de. Knaevel, zw. knäfvel, russ. knéven', knével's. Knevelsteek: hgd. Knebelstich, de. Knaevlsteeg, zw. knävlstek. Knie: zwaar gekromd stuk hout, hgd. Knie, misschien, de. knae, zw. knä, engl. knee. Knijpen (den wind): hard aan den wind houden, hgd. kneifen. Knikstag: hulp- of bijstag, hgd. Knickstag, de. Knaegstag. Knitsels: engl. knittles, zie knuttels. Knoop: in de loglijn, afstandsmaat, hgd. Knopf, de. Knop, zw. knop, russ. knop. Knuppel kneppel: dikke stok van den touwslager, hgd. Knüppel, de. Knöppel, Knipel, zw. knypel, russ. knípel'. Knuttels: met de hand samengedraaid kabelgaren. Zie knitsels: hgd. Knüttels, de. Knyts, zw. knytts. Koebrug: 1) vierde verdieping van bovenaf op een fregat, hgd. Kuhbrücke, russ. kúbrik, 2) staketsel tusschen groote mast en fokkemast, waarop de booten liggen: hgd. Kuhbrücke, de. Koebrugge, zw. kobrygga. Koekoek: 1) soort van open luik om licht in de hutten te geven, 2) dievenlantaren, hgd. Kukuk. Koelte, koeltje: wind, hgd. Kühlte, veroud. no. Kulte, zw. kultje. Koelzwabber: zwabber, waarmee men bij groote warmte de planken vochtig houdt, hgd. Kühlschwabber, de. Kölswaber, zw. kulswabbar. Koers: russ. kurs, kurc. Koevoet: hgd. Kuhfuss, no. de, Kofod, zw. kofot. Kof (schip): een soort rondgebouwd zeeschip met breeden achtersteven en tweemasten, hgd. Kuffschiff, de. Kufskib, zw, kuf, engl. koff, russ. kof. Kog, kogge: fra. coque, catal. coqua, spa. cochait, cocha. Kok: de. Kok, zw. kock, russ. kok en waarschijnlijk ook fra. coq. Koker: ronde of vierkante opening, hgd. Koker, de. Koger, zw. koger. Koldergat: gat waarin de spil van den helmstok steekt, hgd. Koldergat, de. Koldergat, zw. koldergat. Kolderstok: stok waar de roerpen mee bewogen wordt, hgd. Kolderstock. Kolsem: tegenkiel binnen 't schip. Kolzwijn: zie kolsem. Kombaars: ruwe scheepsdeken. Hij is allang in een kombaars genaaid: hij is allang dood; hgd. Kombaars, Kumbeers. Kombof: zie kombuis. Kombuis: kookinrichting aan boord, fra. cambuse, russ. kámbúz, kámbús, kónfuz. Komfoor(ke): russ. konfórka, kamfórka, kanfórka. Kommerdagen: magerdagen (tegenover hagjesdagen), hgd. Kummertage, de. Kummerdage, zw. bekymmerdagar. Kompas: russ. kompas. Konfijnagel (zie karvielnagel 2): hgd. Koffeinagel, de. Kofilnagel, zw. koffernagel, russ. kófel'nágel'. Koning: standaard, as. Konstabel, konstapel: opzichter van 't geschut, russ. konstápel'. Konstapelsgat: bewaarplaats, hgd. Konstapelsgat, zw. constapelsgat. Konvooi: hgd. Convoi, de. Konvoi, zw. konvoi, russ. konvój, kanbój, vroeger kamvoj. Kooi: slaapstee aan boord; hgd. Koje, de. Koie, no. koie, zw. koj, russ. kójka. Kop: 't bovenste deel van allerlei scheepsdeelen. Kor, korre: trechtervormig sleepnet. Korten: inhalen: den kabel korten. Het schip korten: 't schip dichter bij wal brengen. Korven: krommers in kleine vaartuigen, hgd. Korven. Korver: haringboot, engl. corver. Kot: touwenhok, hgd. Kot. Kou: wind. Er waait een aardige kou. Kous: lederen kabelbekleedsel, ijzeren ring in een strop, om het doorslijten te voorkomen; hgd. Kusse, Kausch, de. Kous, zw. kous, russ. kóuš, fra. cosse, prov. cossiou, bret. Kos, bask. cossa. Kraag: 1) omwindsel van geteerd doek om den mast, 2) een zware strop waarmee 't onderste deel der vlaggen wordt vastgemaakt; russ. krag, krágen. Kraaienest: ton of vat boven aan den mast, waarin de uitkijk geposteerd wordt, (hgd. Krähennest, engl. crownest?). Kraaier (verouderd): een zeker soort van Oostzee-schip, russ. kráer. Misschien uit 't Nederlandsch: engl. craier, fra. craier. Kraan: 1) werktuig om zware lasten te lichten, hgd. Kran, russ. kran; 2) tap met een sleutel aan vaten enz., russ. kran. Kraanbalk: twee sterke stukken hout, die dienen tot het ophalen van 't anker, hgd. Kranbalken, de. Kranbielke, zw. kranbalk, russ. kránbalk, krámbalk, kránbalka, krámbalka, krámbol, kránbal, kránbala, krámbola. Krabber: touw om de booten op het dek aan de klampen te binden; hgd. (Boots)-krabber. Kran(t)s: geteerd ringvormig touw, hgd. Krans, Kranz, de. Krands, zw. krants, engl. krantz, russ. kranc, kránec. Krap: een krap geslagen touw: een sterk gedraaid touw, hgd. Ein krappgeschlagenes Tau. Kreng: engl. kreng. Krengen: op één zijde zeilen, hgd. krengen, de. kraenge, zw. kränga, russ. krengovát'. Kreupelspil: losse gangspil, hgd. Krüppelspill, de. Kröbbelspil, zw. kryppelspel. Kriel: vischmand op den rug gedragen. Krimpen, opkrimpen: van 't Westen door 't Zuiden naar 't Oosten draaien, van den wind gezegd; hgd. krimpen, aufkrimpen, de. krimpe op, zw. krimpa up. Kromhout: knie. Misschien hgd. Krumholz, de. Krumholt, zw. krumhult. Kromsteven: breed schip met gekromden voorsteven, hgd. Krumsteven. Kroos: waterlinzen, hgd. Kroos. Kroppen: een schip zooveel in den kop of het gat leggen, dat de tegenovergestelde deelen bloot komen voor het kalfaten. Kruidhoren: kruithoorn, de. Krudhorn, zw. kruthorn. Kruis: bij het anker verbreeding van de schacht van onderen, waaraan de armen bevestigd zijn, hgd. Kreuz, russ. kryž. Kruisappel: russ. kružapel, skryžapel'. Kruisbanden: de twee beslagbanden over den buik van het zeil. Kruisbovenbrambakstag: russ. krjujsbombrambakštag. Kruisbovenbrambras: russ. krjujsbombrambras. Kruisbovenbrambuikgording: russ. krjujsbombrambyček. Kruisbovenbramgeitouw: russ. krjujsbombramgitov. Kruisbovenbrampardoen: russ. krjujsbombramfordun. Kruisbovenbramra: russ. krjujsbombramrej. Kruisbovenbramschoot: russ. krjujsbombramškot. Kruisbovenbramstag: russ. krjujsbombramštag. Kruisbovenbramsteng: russ. krjujsbombramsten'ga. Kruisbovenbramtoppenant: russ. krjujsbombramtopenant. Kruisbovenbramval: russ. krjujsbombramfal. Kruisbovenbramwant: russ. krjujsbombramvanty. Kruisbovenbramzaling: russ. krjujsbombramsaling. Kruisbovenbramzeil: russ. krjujsbombramsel'. Kruisbrambakstag: russ. krjujsbrambakštag. Kruisbramboelijn: russ. krjujsbrambulin'. Kruisbrambras: de. Krydsbrambras, zw. kryssbrambrass, russ. krjujsbrambras. Kruisbrambuikgording: russ. krjujsbrambyček. Kruisbramgeitouw: russ. krjujsbramgitov. Kruisbramgording: russ. krjujsbramgorden'. Kruisbrampardoen: russ. krjujsbramfordun. Kruisbramra: hgd. Kreuzbramraa, zw. kryssbramrå, russ. krjujsbramrej. Kruisbramschoot: russ. krjujsbramškot. Kruisbramstag: russ. krjujsbramštag. Kruisbramstagzeil: russ. krjujsbramstaksel'. Kruisbramstagzeilschoot: russ. krjujsbramstaksel'škot. Kruisbramstagzeilval: russ. krjujsbramstaksel'fal. Kruisbramsteng: hgd. Kreuzbramstenge, de. Krydsbramstaeng, zw. kryssbramstäng, russ. krjujsbramsten'ga. Kruisbramstengestag: hgd. Kreuzbramstengenstag, zw. kryssbramstängstag. Kruisbramstengestagzeil: hgd. Kreuzbramstengenstagsegel. Kruisbramstengwant: hgd. Kreuzbramstengenwant, de. Krydsbramstaengevant. Kruisbramtoppenant: russ. krjujsbramtopenant. Kruisbramval: russ. krjujsbramfal. Kruisbramwant: hgd. Kreuzbramwant, zw. kryssbramvant, russ. krjujsbramvanty. Kruisbramzeil: hgd. Kreuzbramsegel, de. Krydsbramseil, zw. kryssbramsegel, russ. krjujsbramsel'. Kruisbramzeilsval: hgd. Kreuzbramsegelfall, de. Krydsbramseilsfald, zw. kryssbramsegletsfall. Kruisen: heen en weer varen, engl. to cruise, hgd. kreuzen. Kruiser: kruisend schip, ook de gezagvoerder erop, hgd. Kreuzer, engl. cruiser, russ. kréjser. Kruishout: vroeger russ. kro(i)sgouta, thans krjújsóv, kriúsóv, zie slothout. Kruising: verbinding van twee touwen in 't midden. Kruislijzeil: hgd. Kreuzleesegel, de. Krydslaeseil, zw. kryssläsegel. Kruismars: hgd. Kreuzmars, russ. krjujsmars. Kruismarsebras: russ. krjujsmarsabras. Kruismarsebuikgording: russ. krjujsmarsabykgorden'. Kruismarsegeitouw: russ. krjujsmarsagitov. Kruismarsera: russ. krjujsmarsarej. Kruismarseriftalie: russ. krjujsmarsariftali. Kruismarseschoot: russ. krjujsmarsaškot. Kruismarsetoppenant: russ. krjujsmarsatopenant. Kruismarseval: russ. krjujsmarsafal. Kruispeiling: russ. krjujspéleng. Kruissteng: hgd. Kreuzstenge, de. Krydsstaeng, zw. kryssstäng, russ. kriujssten'ga. Kruisstengebakstag: russ. krjujssten'bakštag. Kruisstengeëzelshoofd: hgd. Kreuzstengeneselshaupt, russ. krjujssten'ezel'goft. Kruisstengepardoen: russ. krjujssten'fordun. Kruisstengestag: hgd. Kreuzstengenstag, de. Krydsstaengestag, zw. kryssstängstag, russ. krjujssten'štag. Kruisstengestagzeil: hgd. Kreuzstengenstagsegel, de. Krydsstaengestagseil, zw. kryssstängstagsegel, russ. krjujssten'gistaksel'. Kruisstengestagzeilschoot: russ. krjujssten'staksel'škot. Kruisstengestagzeilval: russ. krjujssten'gistaksel'fal. Kruisstengwant: hgd. Kreuzstengenwant, de. Krydsstaengevant, zw. kryssstängvant, russ. krjujssten'vanty. Kruiszaling: hgd. Kreuzsaling, russ. krjujssaling. Kruiszeil: hgd. Kreuzsegel, de. Krydsseil, zw. krysssegel, russ. krjujsel', krjusel'. Kruiszeilsboelijn: russ. krjujsel'bulin'. Kruiszeilsbras: russ. krjujsel'bras. Kruiszeilsgeitouw: russ. krjujsel'gitov. Kruiszeilsra: russ. krjujsel'rej. Kruiszeilsschoot: russ. krjujsel'škot. Kruiszeilsval: hgd. Kreuzsegelfall, de. Krydsseilsfald, zw. krysssegletsfall, russ. krjujsel'fal. Kruitkamer: russ. krjútkámera, krjújtkámera. Kuil: 1) deel van 't schip, dat van onder het halfdek tot onder den bak loopt, hgd. Kuhl, de. Kul, zw. keul; 2) draaikolk, maalstroom, hgd. Kuhl. Kuildek: 't vierde dek op een schip, van beneden af. Kuiper: hgd. Küper, russ. kúpor, kupar. Kussens: stoot- en wrijfkussens van zacht hout of zeildoek, hgd. Küssen. Kust (kost): hgd. Küste, de. Kyst (Kost), zw. kust, russ. kjust. Kwaart, kwart: vierde gedeelte van de soldij van een matroos. Kwart: wacht. Kwart slaan: 's nachts als het laatste kwartieruurs van de wacht genaderd is, wordt er een slag op de bel gedaan, en het kwartier opgepord, dat de wacht moet aflossen, hgd. Quart. Kwartier: 1) aanvankelijk een vierde, toen een derde, ten slotte de helft der manschap, die beurtelings de wacht heeft, verdeeld in stuurboordskwartier en bakboordskwartier; 2) wacht. Kwartier maken: de wacht hebben, hgd. Quartier, de. Quarteer, zw. quarter. Kwartiermeester: schieman, hgd. Quartiermeister, de. quarteermester, zw. quartersmästare, engl. quartermaster, fra. quartiermaître, it. quartiermaestro, russ. kvartírmejster, kvartírmistr. Kwartiervolk: wachthebbende manschap, hgd. Quartiervolk, de. Quarteervolk, zw. quartervolk. Laag: 1) (verouderd) kielwater, 2) rijstukken op ieder verdek van een oorlogschip: een schip van twee lagen. De volle laag geven: alle stukken van een oorlogsschip tegelijk op een ander afvuren, russ. lag, palít'lágom. Laars: touw waarmee men iemand straft. Laarzen: britsen, met een end dag op de natte broek kastijden, hgd. laarsen. Laarzenstraf: 't toedienen van touwslagen op de natte broek. Labber: (van den wind) zacht, flauw. Labberen: flauw waaien, hgd. labberen. Labberkoelt(j)e: flauwe wind, hgd. labbere Kühlte, de. Labberkuling, zw. labberkultje. Labberlot: naam eener sloep, die in grootte op de barkas volgt, hgd. Labberlot. Lade: 1) gat, waarin het roer hangt; 2) bus waarin de helmstok steekt. Laf in de pomp gieten: lafenis, water van boven ingieten, hgd. Laf in die Pumpe giessen. Lagerwal: oever waarop de wind staat. Laken: uitgespannen zeil. Het gaat vlak voor 't laken: wij hebben den wind van voren, hgd. den Wind flach vor dem Laken haben. Lakmoes, ouder Lekmoes, Likmoes: hgd. Lackmus, de. Lakmus, engl. litmus. Landkrab: soldaat. Lange splitsing: hgd. Langsplissung, de. Langsplidsning, zw. långsplisning, russ. lónga splésen'. Langtakelblok: russ. longtákel'blok. Lang(s)zaling: twee eiken dwarsbalken, aan weerskanten op de ooren der benedenmasten en op de hommers der topmasten geplaatst, hgd. Langsahling, de. Langsaling, zw. långsalning, russ. longsáling, lóngasáling. Laning, lanen: 1) planken brug, hgd. Lanen; 2) deel van de kruitkamer. Lanketten: barkoenen om wolbakken te persen, hgd. Lanketten, de. Lanketter, zw. lankettor. Lap, lapje: zeil, hgd. Lap. Lappen: een schip kalfateren, hgd. lappen. Lapzalven: kalfateren, scheepstuig teren, hgd. labsalben, de. lapsalve, no. laksalve, zw. lappsalva. Lasch: de. Lask, zw. lask. Last: bevrachtings(maat), fra. last(e) lest(e), ptg. lasto, lastro, spa. lastre, it. lasto, de. Last, zw. last, russ. last. Lastbalk: (verouderd) lastdrager. Lastgeld: havengeld, scheepvaartrecht. Lastlijn: lijn die de grens van het ladingvermogen van een schip aangeeft. Laspoort: laadpoort. Latijnzeil, Latijnsch zeil: emmerzeil. Was veel bij de Latijnsche volken in gebruik. Lat, latten: fra. lattes, ptg. latas, spa. latas, it. latte. Laveeren: tegen den wind opzeilen, opwerken, hgd. lavieren, engl. to laveer, de. lavere, zw. lafvera, russ. lavirovát'. Leeg: onbevracht, fra. lége. Legger: 1) geteerd watervat, zw. vattenliggare 2) stutbalk, russ. podlégars, 3) water op een leeg schip. Leguaan: bekleedsel van touw om de raas, ook dienende ter vervanging van het bindwerk der raas, hgd. Leguan, de. Levang, zw. leguan, russ. légvand. Legwaring: 1) kalfatering van 't onderschip; 2) lijfhouten op 't dek langs het boord. Leider, leier: 1) schuinhangend touwwerk van den masttop naar de stags, 2) leuning, borstwering, hgd. Leiter, Leier, de. Leyder, zw. ledare, russ. léer. Leidsel, leisel: strop aan de ra. hgd. Leissel. Leizeil: zie lijzeil, hgd. Leitsegel. Lek: engl. leck. Lekkage: hgd. Leckage, de. Laekage, zw. läckage, russ. lekáž', likáž. Lelie: punt der kompasnaald. Leng: 1) strop, dubbel geslagen touw, dienende om vaten enz. op te hijschen, 2) visch, fra. lingue. Lens: ledig van vocht, no. de. lens, zw. läns. Lenzen: bij stormweer met weinig of zonder zeil voor den wind of de zee wegloopen. no. de. lense, zw. länsa. Leuteren: het zeil leutert: het zeil fladdert, hgd. leutern, engl. to loiter. Leuvers: korte touwen met de einden aan de lijken der zeilen gesplitst, hgd. Löwer, russ. ljúvers, ljúfers, zie luier. Levanter, levantijn: zware westenwind en storm op de kusten van Phenicië en Syrïe. Levendig: de zeilen levendig houden: de zeilen laten wapperen, op de wind hellen, brassen, hgd. lebendig braszen, russ. leventig, léventich, léventik. Lichter: 1) hek- of marslantaarn, russ. líchter, ligter, 2) vaartuig bestemd tot lossing van groote schepen. Een lichter aan boord krijgen: hulp krijgen, hgd. Lichter, de. Ligter, Legter, zw. ligtare, liktare, engl. lighter, russ. líchter, lígter. Lichting: draaiing van het touw. Lij: zijde van 't schip, waar de wind uitgaat. In lij, aan lij: onder den wind, russ. aanli, anléj. Lijboelijn: boelijn aan de lijzijde, hgd. Leebulien, de. Laeboline, zw. läbolina, engl. Leebowline. Lijboord: boord aan de zijde onder den wind. Lijbras: bras onder den wind, hgd. Leebrasse, de. Laebras, zw. läbrass. Lijzeil, vroeger lijstzeil: hgd. Leitsegel, Leesegel, de. Laeseil, zw. läsegel. Lijf: soort borstrok, russ. lif. Lijf: langste arm van een knie. Lijfhouten: zware planken op de balkeinden der dekken rustend hgd. Leibhölzer, de. Livholter. Lijfknoop: boelijnsknoop, hgd. Leibknoten, de. Livknob, zw. lifknop. Lijk: touw om een zeil vastgenaaid. Het zeil is uit de lijken: uit den rand gescheurd, engl. leech, russ. lik. Lijken: 1) de zeilen op den wind brassen. 2) een zeil met touwwerk omzoomen, hgd. leiken. Lijkgaren: hgd. Leikgarn. Lijkleuvers: russ. likljufers. Lijknaald: kleine marlpriem voor 't lijken gebruikt, hgd. Leiknadel. Lijksoogen: gaten langs de lijken, rifgaten. Lijkentros: russ. liktrós. Lijn: russ, lin', in het lijntje loopen, hgd. in der Lien laufen. Lijnhok: hgd. Lienhock, de. Linhok, zw. linhok. Lijnschieter: hgd. Lienschiesser, de. Linskydere, zw. linskytare. Lijnslager: hgd. Lienschläger. Lijst: versieringslat, fra. lisse, listeau. it. lista. Lijstlijn: hgd. Leistlinie, Liestlien, Lieslien. Lijwaarts: onder den wind. Lijwal: kust onder den wind. Lijzeil: zeil dat bij ruimen wind buiten de razeilen op de spieren uitgehaald wordt. hgd. Leesegel, de. Laeseil, zw. läsegel, russ. lísel'. Lijzeilblok: russ. lisel' blók. Lijzeilgeitouw: russ. lisel'gitov. Lijzeilhals: russ. lisel'gals. Lijzeil(s)ra: hgd. Leesegelraa, de. Laeseilsraa, zw. läsegletsrå, russ. lisel'rej. Lijzeilschoot: hgd. Leesegelschot, russ. lisel'škot. Lijzeilspier: hgd. Leesegelspier, de. Laeseilsspir, zw. lä(segel)spira, russ. lisel'spírt. Lijzeilstaarten: russ. lisel'šterty. Lijzeiltakelage: russ. lisel'takelaž. Lijzeilval: hgd. Leesegelsfall, de. Laeseilsfald, zw. läsegletsfall, russ. lisel' fal. Lijzeilsvalblok: hgd. Leesegelsfallblock, de. Laeseiletsfaldblok, zw. Läsegletsfallblåck. Lippen: lipvormige tanden aan de klampen, hgd. Lippen, de. Lipper, zw. läppen. Lipklampen: hgd. Lipklampen, de. Lipklamper, zw. läppklampor. Loch: gat, opening. Lochgat: gat waar het vuile water door loopt. Loef: zijde van den wind, hgd. einem das Luv abstecken, en misschien fra. lof, bret. loff, zeker russ. ljuf, aan loef: russ. a(a)nljúf. Loefgierig: zwaar op het roer. Een loefgierig schip: een schip dat makkelijk naar den wind luistert en tegen het roer in geneigd is te loeven, hgd. luvgierig, no. luvgjerrig de. luvgirig, zw. lofgirig. Loefhout: russ. lifgáut. Loet: spaansche bezem, waarmee een schip onder water geschrobd wordt, hgd. Luth. Loeven: tegen den wind inkrimpen, den voorsteven van 't schip tegen den wind inbrengen; fra. louvoyer en misschien fra. loffer, dat echter ook van 't engl. luff kan afstammen. Loever, loevert: te loever, loevert: loefwaarts. Log: een plat driehoekig met lood bezwaard plankje, dat aan een lijn bevestigt in zee geworpen wordt om de snelheid van 't schip te bepalen. Logboek: scheepsjournaal. Loggat: slechte zeiler. Logger: snelzeilend Engelsch vaartuig. Logies: matrozenhut, hgd. Logis. Lont: engl. lunt. Lontstok: engl. lintstock, linstock, link. Lood: dieplood, peillood, russ. lot. Loodbak: russ. lótbák. Looden: met 't peillood de diepte peilen, hgd. loten. Loodlijn: lijn van 't dieplood, russ. lótlin'. Loods, loodsman: de. Lods, Lodsman, zw. lots, russ. lócman (ook als vischnaam), lóca. Loodsgeld: loon van den loods. Loog: stukken hout, die volgens 't beloop van het schip moeten gebogen worden en door bevochtiging en branding krom trekken. Loop: een loop in 't lijntje: een jong matroos. Loopen, het zeil laten -: door z'n eigen zwaarte laten zakken, hgd. laufen lassen, de. lade et Seil löbe, zw. lata et segel löpa. Looper: takeltouw, geleiblok, hgd. Läufer, de. Löber, zw. löpare, russ. lopar', lópyr'- (schinkel, kort touw met blokken). Loopgraaf: 1) kruidloop in een brander, hgd. Laufgraben, 2) een smalle gang op de koebrug in het ruim, hgd. Laufgraben, de. Löbegrav. Loopschans: engl. lopesconce. Loopstag: leider van den boegspriet, hgd. Laufstag, de. Lobestag, zw. löpstag, russ. lopštag'. Loos: looze poorten, russ. los' pórty; looze mast: hgd. loser Mast, looze stag of loosstag: hgd. loses Stag, russ. los'štág. Lording: geteerd touw, dat om de kabels gewonden wordt, driedraadsch geteerd garen, hgd. Lording, de. Lording, zw. lörding, russ. lórden', lórlin' (2de lid is ned. lijn). Los: marszeil los! russ. marsel' los! Losboord: latten langs het schip, waarlangs de goederen omlaaggelaten worden, hgd. Löschbord, zw. losbord. Losgeld hgd. Löschgeld, te betalen voor het lossen. Lossen: vrachtgoed uitladen, hgd. lossen, löschen, de. losse, zw. lossa. Losplaats: hgd. Löschplaats, de. Losseplads. Lui: niet krom genoeg, hgd. leu. Luiaardsbank: bank bij het stuur. Luier: leuver, no. Löier, de. Löiert. Luik: no. Luka, de. Luge, russ. ljuk. Luisteren: aan 't roer gehoorzamen. Luitenant: russ. lejtenánt. Luitouwen: voor het uitluien, hgd. Leutauen. Luiwagen: 1) ronde borstel op hoogen steel, hgd. Leuwagen, no. lövang, de. Levang; 2) dwarspen waarover de roerpen loopt, hgd. Leuwagen, no. Löivang, Löigang, de. Levagen, Levang, zw. levagen, engl. leefange. Luizenplicht, luizenplecht: (veroud.) verschansing op het voorkasteel, hgd. Lausepflicht, de. Lusepligt, zw. lusplikt. Lul: stagzeil, hgd. Lulle. Lurken: geen grond raken; van het pomp-hart: de pomp lurkt. Luwte: hgd. Luvte, Laute. Maalstroom: engl. maelstrom. Magazijn: van scheepswaren, hgd. Magasin, de. Magasin, zw. magasin, russ. magazin, magazejn. Magazijnmeester: beambte, die zorgt voor de mondbehoeften. Magazijnwachter: russ. magazinvachter. Mager: mager water, ondiep water. Magerman, magermannetje: fokkezeils-boelijn, hgd. Magermann, de. Magerman, zw. magerman, russ. magermán. Makelaar: 1) tusschenhandelaar, hgd. Makler, fra. maquerau, 2) knie, waarin de vlaggestok steekt, hgd. Mäkler, zw. Mäklare. Maker: russ. máker = meester (verouderd). Makker: maat, hgd. Macker, de. makker. Makreel: de. Makrel, zw. makrill, russ. makrél'. Mal: vorm, uit dunne planken vervaardigd, hgd. Mall, zw. mall, russ. malka. Mallemok: 1) grauwe stormvogel, hgd. Mallemucke; 2) een walvischsnijder, zoo genoemd, omdat hij bij dit werk gewoonlijk ook een paar van die roofvogels moet dooden, hgd. Mallemucke. (be)Mallen: naar den mal werken, hgd. (be)mallen, de. (be)malle, zw. (be)malla. Mamiering(s): geleibuis voor vocht of gas, scheepsgoot, hgd. Mamierung, de. Mammering, zw. mammiring, russ. mámerínec, -ing. Mamieringsspijker: platkop, een spijker met platten kop, 24 streep lang. Mand: fra. mande, manne, Mandeken: fra. mannequin. Mannen: 1o. bemannen, 2o. van hand tot hand aangeven, hgd. mannen, no. Mande. Manshoofd: houtblok, hgd. Mannshoofd. Mantel: takel tot 't hijschen van zware lasten, hgd. Mantel, de. Mantel, zw. mantel, russ. mántyl', mántyr'. Manteltalie: russ. mántyl'tali. Manteltalielooper: russ. mantyl'talilopar'. Marlen: de onderlijken der zeilen omwinden met marlijn, hgd. marlen, engl. to marl. Marling, marlijn: touw om iets vast te leggen hgd. Marlleine, Marlien, Marling, engl. marline, de. Maerling, zw. märling, russ. márlin', fra. merlin, bret. merlink, ptg. merlim, spa. merlino, it. merlino, ngri. merlino. Marlpriem: gebogen ijzeren of houten priem, dienende om de strengen te lichten van het touwwerk dat men splitsen wil, hgd. Marlpriem. zw. marleprin. Marlreep: zeker touw op het ouderlijk der fok, dienende om deze op te lichten. Marlslag: knoop in 't touw, hgd. Marlschlag, de. Maerlslag, zw. märlslag. Marlspijker: hgd. Marlspiker, engl. marlspike. Mars: houten vlak rondom den mast, hgd. Mars, no. de. Mers, zw. märs, russ. mars. Marseboelijn: hgd. Marsbulin, de. Mersboline, zw. märsboline, russ. marsabulin. Marsebras: hgd. Marsbrassen, de. Mersebras, zw. märsbrass. russ. marsabras. Marsebuikgording: russ. marsebykgorden'. Marsedraaireep: russ. marsadrajrep. Marsegeitouw: de. Mersgitoug, zw. märsgigtåg, russ. marsagitov. Marsera: hgd. Marsraä, de. Mersraa, zw. märsrå, russ. marsarej. Marseschoot: hgd. Marsschote, russ. marsaškot. Marseschootsblok: russ. marsaškotblok. Marsetoppenant: russ. marsatopenant. Marseval: hgd. Marsfäll, zw. märsfall, russ. marsafal. Marsevalblok: russ. marsafalblok. Marszeil: hgd. Marssegel, no. Mërsseil, de. Mersseil, zw. märssegel, russ. mársel'. Marszeilskoelt(j)e: zie bramzeilskoelte, hgd. Marssegelkühlte, zw. märsegelkultje, russ. marsalkult, thans verouderd. Marszeil los!: russ. marsel' los! Mast: fra. màt, ptg. masto, spa. mastil, mastro, russ. máčta, mačuška, mašenka. Mastenmaker: hgd. Mastenmacher, de. Mastmager, zw. mastmakare, engl. mastmaker, russ. mačtmaker. Mastkeg, mastklamp: stuk hout, dat in 't mastgat om den mast wordt geslagen om dezen in den stand te houden. Mastklimmer: marsgast, hgd. Mastklimmer. Mat: kleed van platting en touw, russ. mat. Mattenoot mnl.: mat- of kooigenoot, fra. matenot, matelot. Uit het meervoud hiervan ontstond: Matroos: hgd. Matrose, de. Matros, zw. matros, russ. matrós, matroz. Meetbrief: verklaring door beëedigde scheepsmeters betreffende den toestand van een schip, hgd. Messbrief, zw. mätbref. Melken: (veroud.) op- en neerhalen van touwwerk, hgd. melken. (aan)Meren, maren, marren: een schip voor en achter vastleggen aan palen en dukdalven, fra. amarrer, bask. amarratu, spa., ptg. amarrar, it. amarrare; met verschillende afleidingen in al die talen. Merk: 1) teeken op den steven, van afstand tot afstand, om den diepgang aan te duiden. 2) schuim door de zee op 't strand achtergelaten. Merkels: hoepels tot 't drogen van een zeil. Merker: een losse balk boven de luik-opening; hgd. Merker. Middelstagzeil: russ. midel'staksel'. Middelstagzeilschoot: russ. midel'staksel' škot. Middelstagzeilval: russ. midel'staksel'fal. Middenboords: in of naar 't midden van 't schip. Midscheeps: in of naar 't midden van 't schip. Mik: 1) oorspronkelijk de kruk, waarop men de schietroers lei om te mikken; vandaar alle dwarshout dat tot steunsel dient, hgd. Mick, de. Mik, zw. mick, russ. mik, 2) scheepslantaarn. Mitis: (veroud.) touwwerk aan den mast, hgd. Mitis. Modderen: het schip moddert: schuift over den bodem. Moeren: vastmeren, engl. to moor. Moertouwen: meertouwen. Mok: drinkbeker, hgd. Mok, Muck. Moker: hgd. Moker, de. Moker, Muker, zw. mocker, mokare. Monsteren: zich voor één reis tot den zeedienst verbinden. Monstering: het opmaken der monsterrol, de. Mynstring, zw. mönstring. Monsterrol: lijst van alle personen, die aan boord zijn. Mooi weer: hgd. moy Wetter. Moppen: mopperen, engl. to mope. Mortier: kort kanon, russ. mortíra. Mosch: een gedroogde plant tot het stoppen van naden aan de buitenhuid van het schip. Moskuil, moskwil, moskel: groote houten hamer, hgd. Muskeule, de. Musseköle, zw. mussköl, russ. múškel', múškar', múskil'. Mosselwagen: ruimte tusschen twee betings, hgd. Musselwagen. Mud: engl. mud. Muilsteek: hgd. Maulstich, de. Moulesteeg, zw. mulstek, en misschien russ. mul'k. Muizen: de kabelaring beslaan, hgd. mäusen. Muis, muizing: verdikking in het touw om het doorschieten te beletten, hgd. Maus, de. Mus, zw. mus, engl. mouse (?), russ. músing. Mummelen, mompelen: engl. to mump. Murgpijp, murwpijp: koker waarlangs het vuil naar zee wordt afgevoerd. Mutseke(n), mutsje: vochtmaat, hgd. Mutsje, engl. mutchkin. Naad: voeg tusschen twee planken, hgd. Naht, de. Naad, zw. nåt. Naadpresenning: strook over de naden gespijkerd, hgd. Nahtpresenning, de. Naadpresenning, zw. nåtpresenning. Naaien: aanslaan, vastsjorren, hgd. annähen, de. naie, zw. naya. Naaiïng, naaitouw: verbinding der oogen aan de touweinden door touwwerk, hgd. Nähung, de. Nayïng, Naytoug, zw. nayïng, russ. najtóv. Nachtglas: verrekijker voor het donker, hgd. Nachtglas. Nachthuis(je): een tegenover den roerganger geplaatste houten kast met drie vakken, waarvan twee elk een kompas bevatten, terwijl in 't middelste een lamp is geplaatst om ze beide te verlichten, no. de. Nathus, zw. nakterhus, russ. nachtgois, naktóuz, naktous. Nagel: houten pin, fra. nable, russ. nágel'. Nagelprop: prop om de spijkergaten aan de buitenhuid van een schip dicht te maken. Neb, nebbe: 1) nek of schoot waar de armen eener knie samenkomen, 2) sneb. Neer: sterke kabbeling in het water tengevolge van twee tegenovergestelde stroomingen, hgd. Neer. Neergaan: in zee gaan. Neerhaler: touw, hgd. Niederholer, de. Nedhaler, zw. nedhalare, russ. nirál, nerál. Nes(se): buitendijksch land, hgd. Ness. Neus: voorste deel van 't schip. Neusje: neushaak der walvischvaarders, hgd. Neusje. Neuskijker: jongen die voor op den boeg op uitkijk staat, hgd. Nasekucker. Neut: houten of ijzeren rol, dienende om het verschuiven van twee op elkander geplaatste stukken hout te beletten; ankerneuten: hgd. Ankernüsse. Niks: niets, engl. nix, niks. Nok: het bovenste eener ra, van een zeil, engl. nock, russ. nok. Nokbindsel, Nokbendsel: hgd. Nockbändsel, de. Nokbaendsel, zw. nockbäntsel, russ. nokbénzel'. Nokgording: hgd. Nockgording, de. Nokgaarding, zw. nåckgårding, russ. nokgórden'. Nokgordingblok: russ. nokgorden'blok. Nokken: de nokbindsels leggen, de razeilen vastmaken. Nokleuver: boven- of buitenhoek van een vierkant zeil, dat aan de ra is vastgebonden. Zie leuver en luier. Nokpaard: touw dat in een bocht langs de ra loopt, hgd. Nockpaard, de. Nokpert, zw. nåckpert. Noktalie: russ. noktáli. Noktalieschenkel: russ. noktálejškentel'. Noodgording: hgd. Notgording, de. Nödgaarding, zw. nödgårding. Noodtalie: (aan het roer), hgd. Nottalje, de. Nödtalje, zw. nödtalja. Noord: noord houden: in noordelijke richting varen, fra. nord, enz., russ. Nord. Noorderzon: hgd. Nordersonne, zie zon. Noordkaper: engl. nordcaper. Noord-Noord-Oost: russ. Nord-nord-ost. Noord-Noord-West: russ. Nord-nord-vest. Noord-Oost: russ. Nord-ost. Noordoosterzon: hgd. Nordostersonne. Noord-Oost ten Noorden: russ. Nord-ost-ten'-nord. Noord-Oost ten Oosten: russ. Nord-ost-ten'-ost. Noord ten Oosten: Nord-ten'-ost. Noord ten Westen: russ. Nord-ten'-vest. Noord-West: russ. Nord-vest. Noordwesterzon: hgd. Nordwestersonne. Noord-West ten Noorden: russ. Nord-vest-ten'-nord. Noord-West ten Westen: russ. Nord-vest-ten'-vest. Deze samenstellingen (zie ook Oost-, West- en Zuid- komen bijna alle op dezelfde wijze, in alle hier geciteerde Europeesche talen voor. Van waar dit kompasroos-systeem afkomstig is durf ik niet beslissen. Maar zeker hebben onze voorvaderen zeer veel tot de verbreiding ervan bijgedragen. Oesters: hgd. Uster, Auster, russ. ustersy, ústricy waarnaar 't sing. ústrica. (Om)baksen, (om)boksen: een stuk geschut zijdelings richten, hgd. backsen, de. bakse(?), zw. backsa(?) Ombrassen: hgd. umbrassen, de. onbrasse, zw. onbrassa. Omscheren: loopend touwwerk anders vastmaken. Omschieten: de binnenste bochten van een touw het buitenst keeren. Omtrent: russ. antrétno, antretnyj. Onder: russ. under, unter. Van onderen: palúndra, polundra. Ondergilling: de gilling die langs het onderlijk van een zeil komt te staan en de richting van dat lijk bepaalt. Onderlast: last onder in 't schip, russ. unterlast. Onderlijk: touw, waarmee de onderkant van een zeil omboord is, hgd. Unterleik, de. Underlig, zw. undralik. Onderlijzeil: 't onderste lijzeil, hgd. Unterleesegel, de. Underlaeseil, zw. underläsegel, russ. únderlísel'. Onderluitenant: russ. underlejtenant, únterlejtenánt. Onderofficier: russ. underoficér, unteroficer, undercer, under. Onderpaard: russ. únderpért, unterpért. Onderzeil: hgd. Untersegel, de. Underseil, zw. undersegel, russ, underzéjl. Ongeluk: engl. ungheluct. Onwe(d)er: hgd. Unwetter, de. Uvejr, zw. oväder. Oog: strik, hgd. Auge, de. Öje, zw. öga, russ. ógon. Oogbout: bout, van een oog voorzien, hgd. Augbolz, de. Öjebolt, zw. ögnebult, engl. eyebolt, russ. ogbólt. Oor: een over-oor-gebouwd schip, hgd. Ein übersohrgebautes Schiff. Ooren: van het anker: |