|
|
|
| |
| | | |
Eerste hoofdstuk. De Jodentaal.
De Joden zijn een fel woestijnvolk, tusschen tammer woud- en
akkerbouwvolken verdwaald, een Oostersch heet geslacht aan de lauwe
Westerkusten verjaagd, een meer subjectief trekkend Semietenvolk onder veeleer
objectieve en gezeten Indogermanen verstrooid, en tòch zijn ze altijd en
overal in het diepste van hun wezen zich zelf geweest en gebleven. Altijd
veracht, maar altijd invloedrijk, overal achtergesteld en overal althans in
eenigen hunner, met succes naar voren dringend, allerwege voor uitvaagsel en
vreemden gehouden en allerwege toch met weinigen betrokken in de geheimste en
intiemste verwikkelingen, nooit een ras geweest en als volk verstrooid en toch
één gebleven, steeds arm neerhurkend in den beginne, en bijna
overal, zij het ook niet allen, tot machtigen rijkdom hoog geklommen in 't
einde, zijn zij een éénig verschijnsel in de wereldgeschiedenis,
dat bijna overal vrees en ontzetting inboezemt, en z'n diepsten grond vindt, in
een wonder samentreffen van temperament- en karaktereigenschappen, die, mogen
ze al niet immer bekoren door hun diepe veelzijdigheid, toch door hun keurige
aaneensluiting en onderlinge aanpassing ware bewondering afdwingen.
Wie daarom de oude wereld verstaat, weet veilig dat niet minder dan
Egyptische beschaving of Babelsche astrologie; niet minder dan Grieksche
kunsten en wetenschappen of Romeinsche legioenen, de Palestijnsche
Israëlieten daar staan, als een geweldige bergmassa van oud-menschelijke
grootheid, misschien alle andere overtreffend, maar zeker al de grootste
evenarend. En wie de geschiedenis der nieuwere tijden te weten meent, en niets
van de onder ons levende Joden kent, moet maar stilletjes nog eens opnieuw
beginnen. Want sinds de Joden aan het einde der middeleeuwen uit het
Apennijnsche en Pyreneesche schiereiland verdreven, zich over later beschaafde
landen van Europa, en meer in 't bijzonder over Holland, Engeland, Duitschland,
Polen, Litauwen, Hongarije en Roemenië hebben uitgespreid, is er heel wat
door hen gewrocht. Overal waar wij in de 15de en 16de
eeuw, de Joden in grooten getale zien verdrijven, daar komt tamelijk plotseling
een tijdperk van oeconomisch verval. Van 1492 af tot het einde der
16de eeuw worden alle Joden uit Spanje en Portugal verdreven. En op
het einde der 16de eeuw is het oeconomisch lot van Spanje en
Portugal beslist. In Italië worden de Joden in 1492 uit Sicilië,
1540-41 uit Napels, 1550 uit Genua en Venetië verdreven, en het
oeconomisch verval treedt overal in. Reeds vroeg worden de Joden uit de meeste
Duitsche handelsteden verjaagd: Keulen 1424-25, Augsburg 1439-40, Straatsburg
1438, Erfurt 1458, Neurenberg 1498-99, Ulm 1499, Regensburg 1519; en als echo
volgt overal weer de oeconomische nood. Van den anderen kant is Livorno een der
weinige Italiaansche steden, die in de 16de eeuw opkwamen, en het
| | | | is ook juist weer hetzelfde Livorno, dat bijna alle naar
Italië vluchtende Joden opnam. En in Duitschland, wie openen daar voor de
Joden hunne poorten? Hamburg en Frankfurt a/Main. En de
handelsgeschiedenis derzelfde eeuw is dan ook vol van hun bloei. In het
Frankrijk van de 17de en 18de eeuw zijn Marseille,
Bordeaux en Rouaan de bloeiendste handelsteden, en waren tevens een eeuw
daarvoor, de reservoirs geweest die de Joodsche vluchtelingen hadden
opgevangen. Ook Engeland nam in de 16de eeuw vele Joden op. Vooral
in de 18de eeuw vermeerderen zij zich nog voortdurend. En het gevolg
liet zich alweer niet wachten. Het causale verband tusschen de komst der Joden
en den handelsbloei werd ook in zeer vele dezer gevallen door tijdgenooten
geconstateerd. Zoo waren onze voorvaderen toen Manasseh ben Israël op z'n
bekende reis naar Engeland toog, zeer beducht, dat de Hollandsche Joden
daarheen zouden verhuizen, en onze gezant in Engeland Neuport kreeg last
Manasseh daaromtrent te interviewen. Wanneer ook maar de helft waar is van al
deze feiten, die Sombart (Die Juden und das Wirtschaftsleben, Leipzig 1911), op
grond van vele gegevens, aan de Joden toeschrijft, zegt Steinmetz, en ik zeg
het hem na, dan moet hunne, zij het ook eenzijdige oeconomische kracht haast
wonderlijk groot zijn. En ook Holland heeft daar mede van geprofiteerd. De
eerste Portugeesche Marranen komen in 1578 te Amsterdam aan, en in 1597 hebben
zij reeds hun synagoog Beth Jaacob. Daarvan getuigen nog de volgende
Portugeesche en Spaansche geslachtsnamen van Nederlandsche Joodsche families
aan Winkler ontleend: Da Costa, Spinoza, Da Cunha, Carvalho, De Pinto, Diaz,
Vaz, Santilhano, Pinedo, Pereira Salvador, Ferares, Mendes, Chumaceiro, Del
Canho, Alveres Vega, Sequeira, Sarphati, Oliveira, Salzedo, De Lima, Cappadose,
De Leon, Cardozo, Caminha, D'Andrade, De Souza, De Miranda, Montanhes,
Belinfante, Coutinho, D'Oliveira, D'Ancona, Melhado, Cassuto, Querido, Pesaro,
De la Fuente, De Murcia, Morpurgo, Montezinos, De Casseres, Palacios, Gomez de
la Penha, Henriquez de Castro, Teixeira de Mattos, Vaz Diaz, Vaz Nunes, Bueno
de la Mesquíta, Franco Mendes, Cattela de Lima, Ozorio Colaço,
Cohen de Lara, Lopez de Suasso, Orobio de Castro, De Leao Laguna, Santcroos,
Salvador enz., alle tot den huidigen dag in gebruik. Men meene daarom niet, dat
ik nu zoo kortzichtig ben, om den opbloei van onze gouden eeuw enkel en alleen
de Israëlieten als een pluim op de muts te steken. Neen, gelijk overal
werkte ook hier eene hiërarchie van oorzaken te zamen, maar wie onder deze
oorzaken de Joden heelemaal wegcijfert, als W. van Ravesteyn (Die neue Zeit,
1912), vervalt juist in het omgekeerde uiterste, dat hij Sombart verwijt. De
rijkste Portugeesche en Spaansche Joden waren immers naar Holland gekomen:
Manuel Lopez Homen, Maria Nunez, Miquel Lopez, e.a. Maar ook uit Duitschland
verjaagde Joden kwamen naar Groningen en Amsterdam. Aanvankelijk slechts
| | | | de arme uitwijkelingen van Worms, Spiers en Frankfort in 1615-1635.
Maar na 1648 ook vele verdrevenen en vervolgden uit Litauwen, Polen,
Galicië en Roemenië: rijken, groothandelaren en dragers van
wetenschap. In 1540 waren toch volgens J.M. Hillesum, van de 3700
groothandelaren in Polen er 3200 Joodsche. Hadden beide naties in den beginne
een afzonderlijke gemeente gevormd, in 1673 moesten Polen en Duitschers, zich
op last der stedelijke regeering tot ééne kerk vereenigen. Hunne
afkomst leeft vaak nog voort in hun tegenwoordige familienamen: Wertheim,
Emrik, Krakau, Cracau, Lemberg, Presburg, Oppenheim, Barnouw (in Pommeren),
Konijn (Conin in Polen), Libau, Lissa (in Polen), Mesritz, Meseritz (in Polen),
Wyborgh, Wyburg (in Finland), Wallach, Walch, Bloch, Blog (= Wallachijer),
Riga, Belgrado, Calisch, Speyer (= Spiers) Frankfort, Wormser, Hildesheim,
Bohemen, Prager, Bosnak (= Bosniër), Simmeren, Pohl, Polack, Polak (=
Pool), Binger, Hamburger, Frankfurter, Eltzbacher, Bremer, Altorfer,
Augsburger, Berliner, Bregentzer, Dannenfelser, Darmstädter, Kirberger,
Mausvelder; van Emden (vele Portugeesche Joden kwamen in 1583 over Emden naar
A'dam) van Norden, van Leer, van Gelder, van Crevelt, van Minden, van Cleef,
van Coevorden, van Maagdenburg, van Dantzig, van Goch, van Grau (in Hongarije).
Ca 1650 zijn dan ook talrijke Israëlieten over al de
Geünieerde Provinciën verspreid, en noemen de Joden zelf Amsterdam
reeds, hun nieuw en groot Jerusalem. Aan de Joden heeft Amsterdam dan ook zijn
heele diamantindustrie te danken. Het actiekapitaal onzer Oost-Indische
Compagnie is voor een deel in Joodsche handen geweest en Joodsche beambten
waren daarvan het natuurlijke gevolg. Onze West-Indische Braziliaansche kolonie
bestond en bloeide bijna uitsluitend door Nederlandsche en Portugeesche
Israëlieten. Alle suikerplantages waren in hunne handen. Wij zagen boven
bij het West-Indisch, hoe uit hunne mengtaal daar het Djoe-tongo ontstond, dat
zij naar Suriname overplantten. Ook op Suriname waren en zijn vele der inwoners
Joden en een derde der plantages in hun bezit. In de Noord-Amerikaansche
kolonie aan de Hudson kwamen ook Amsterdamsche Joden met de uit Brazilië
verdrevene samen, die, gelijk van Amsterdam uit geschreven werd, moesten
toegelaten worden ‘because of the large amount of capital which they have
invested in shares in this Company.’ En van Nieuw-Amsterdam gingen zij
ook spoedig, naar Long Island, Albany, Rhode Island en Philadelphia.
Ook onze groote financiers der 17de eeuw waren voor een deel
Israëlieten. Men denke slechts aan Mozes Machado, den gunsteling van
stadhouder Willem III, het gezantengeslacht der Belmontes, en aan den rijken
Isaäc Suasso, die aan denzelfden stadhouder in 1688 twee millioen gulden
leende. In de 17de en 18de eeuw komen verschillende
vorsten van Europa in hun geldnood naar de Pinto's, Delmontes, Bueno de
Mesquita's, d'Acosta's te Amsterdam of in | | | | den Haag een leening
sluiten. Salomon Medina, Merides da Costa en de Suasso's volgen Willem III naar
Engeland en worden ook daar groote geldmannen. Zeker, Sombart overdreef, toen
hij meende, dat de rijkste bankiers dier dagen allen Joden waren. De Hope's,
Clifford's, Deutz-en, Goll's, Hogguer's, Pels-en, De Smeth's, Muilmans,
Meulenaers en van Marselis'sen waren geen Joden; maar of van Ravesteyn nu ook
weer niet te ver gaat, als hij de genoemde Joodsche financiers, tot een
‘obere Schicht’ rekent, die ‘im damaligen Amsterdam ... viele
Hunderte Christen zählte’ durf ik althans met reden vermoeden. Als
wij dus Sombart van overdrijving beschuldigen als hij beweert dat alles wat in
de 18de eeuw in Holland met beurs, speculatie, geldleening of de
toen pas-nieuwe obligaties in verband stond, geheel en al van Joodschen geest
doordrongen is en bijna alles op de Joden drijft, dan zien wij hierin niet een
blunder, maar een éénzijdig naar voren trekken van een
fragmentarische waarheid. Of heeft van Ravesteyn ook nagegaan, welke Joodsche
chefs de genoemde firma's in hun dienst hadden?
Max Weber heeft bewezen, dat veel bestanddeelen van het
moderne kapitalisme, dat knaleffect onzer Westersche beschaving! aan de dogma's
der Engelsche Puriteinen ontleend zijn. En daarbij aansluitend vond Sombart,
dat juist die Puriteinsche leerstellingen niet slechts op Joodschen invloed
berustten, maar bijna formeel uit Talmud en verdere Joodsche traditie waren
overgenomen. Ik laat dit alles gaarne over aan de studie van meer deskundigen;
maar dit staat na al het voorgaande wel vast. In de 17de en
18de eeuw is de invloed der Israëlieten op Nederland van
relatief groote beteekenis geweest. En dit is in de 19de eeuw nog
niet heel veel veranderd. Fruin zegt dan ook niet zonder reden, dat ‘het
Israëlietische element, hoe weinig talrijk het ook zij, op den algemeenen
maatschappelijken toestand hier te lande, een zeer merkbaren invloed uitoefent,
en wel in de eerste plaats bij de ontwikkeling en richting van het
handelsverkeer. In den eindeloos vertakten kleinhandel is het ongemeen
bedrijvig en nuttig. In den groothandel is het aan de beurs met eere
vertegenwoordigd op elk terrein, vooral op dat van bank- en credietwezen. En
zoo er groote zaken en stoute ondernemingen gedaan worden, het heeft hierin
niet het kleinste deel’. Wel zeggen de deskundigen, dat in de laatste
jaren gaandeweg de Joodsche invloed vermindert, omdat van den eenen kant de
Germaansche handelaars en financiers, de Joodsche handigheden en bekwaamheden,
op den langen duur van hen afgekeken en meesterlijk aangeleerd hebben; en van
den anderen kant de Joden al langer hoe meer hun best doen, om zich in alles
aan de volken waaronder zij leven aan te passen; maar pas de geschiedenis der
toekomst zal hiermee rekening te houden hebben. Wij echter, die de ontwikkeling
der Nederlandsche taal in de laatste eeuwen uit geschiedenis en volkskarakter
trachten te verklaren, mogen en moeten dus uit al het voorgaande | | | |
besluiten, dat wij geducht met het Jodendom in ons vaderland rekening zullen
moeten houden, en wel vooral in de geschiedenis van het Amsterdamsche dialect.
Volge dus nu eerst een nauwkeuriger ontleding van het zoo opvallende Joodsche
karakter. Hoewel ik hierbij somtijds op feiten en toestanden uit oudere
perioden terugwijs, is mijn bedoeling toch niet, dat al deze
karakter-eigenschappen bij het Joodsche volk van den beginne af erfelijk zouden
geweest zijn, wat Sombart schijnt te meenen, maar wil ik vooral de
Nederlandsche Joden en het meest nog die van Duitsche afkomst karakteriseeren.
Ook meen ik volstrekt niet, dat deze eigenschappen zich bij elken
Nederlandschen Israëliet volledig laten terugvinden; mij dunkt alleen, dat
onder hen een veel grooter proportie van zoo aangelegden voorkomt, dan onder de
echte Nederlanders. Ik geef ze dus, om in de terminologie van Steinmetz te
spreken, als distributieve groepeigenschappen. Of er misschien ook elementaire
groepeigenschappen bij zijn, laat ik aan het verder onderzoek over. Verder geef
ik gaarne toe, dat ook met den besten wil om louter objectief te zijn, ik
wellicht niet aan alle ras-partijdigheid heb kunnen ontkomen. Moge deze
openhartige erkenning dus een waarschuwing zijn voor den lezer! Maar gelijk ook
reeds in het eerste deel is gebleken: de gewoon menschelijke gebreken, leenen
zich overal beter tot een psychologische groepkarakteristiek, dan deugden of
helden. Ik moest mij dus wel aan dit gevaar blootstellen.
Het meest typische kenmerk is misschien wel, dat de Israëliet
zoo instinctmatig voelt, dat de geest meer waard is dan het lichaam, dat de
mensch geen dier is. Zelden verdient de Nederlandsche Jood zijn brood met
handenarbeid. Ruppin en Steinmetz wijten dit vooral aan hun afkeer voor
eentonig werk, ik geloof echter dat dit slechts een bijkomende oorzaak is.
Behalve slagers, die er voor de orthodoxe Joden wel moèten zijn, ken ik
geen enkel ambacht, waarvoor de Joden ten onzent een noemenswaard procent der
handarbeiders leveren. Wel zijn ze in dienst der grootindustrie, waar
oplettende handigheid en fijne vingers te pas komen, zoo in de
diamantslijperijen en de sigarenfabrieken. De historische uiterlijke reden
hiervan, dat deze industrieën in de 17de eeuw niet in gilden
vereenigd waren en dus makkelijker de Joden toelieten, werkte samen met een
scherpere en intrinsieke reden van grootere geschiktheid. Immers alleen aan de
laatste is het te wijten, dat, nu sinds meer dan een eeuw de eerste geheel
verdwenen is, het gevolg nog hetzelfde is als te voren. Ook de moderne sport
trekt de Joden niet aan. Alleen uit vergedreven aanpassingstendenz doet hier of
daar een enkel clubje mee, te Amsterdam b.v. Poseidon; maar onder de
sportleveranciers, wat een Joden ineens! Nergens staat de wijze en de slimme en
de geleerde, dan ook zoo hoog in aller achting als bij hen: ‘De wijze
gaat vóór den koning, de wijze bastaard gaat boven den onwetenden
hoogepriester,’ zegt de Talmud. Leerplicht is dan ook in Israël van
ouden | | | | datum. De synagoog heet nòg school (sjoel), zoowel in
het Oosten als hier te lande, want godsdienst en onderricht zijn
één en hetzelfde, onwetendheid is doodzonde, wie niet lezen kan
is een onverlaat op aarde, en een vervloekte voor de eeuwigheid. En niets wordt
in de spreekwoorden van het Ghetto zoo gegeeseld als onslimme domheid: Onrecht
is mij liever dan sjtoes. Een dwaas is een Gesar. Een Poolsch-Duitsch
Jodenspreekwoord luidt: ‘Gott sall behüten var gojesche Händ
und var jüdisch Köpp.’ In ‘MOJECH CONTRA KOJECH’,
d.w.z. hersenen tegen geweld, ligt heel der Joden geheim besloten. Hun
intellect-gebruik gaat evenwel in een zeer bepaalde richting, namelijk de
scherpzinnigheid en helderheid in ietwat oppervlakkige, maar complexe
verwikkelingen. Dat spreekt al zoo duidelijk uit hun zinbouw. Geen perioden,
geen rijk geconstrueerde, diepdoordachte taalgewrochten, maar sobere,
naïeve, nuchtere zinnetjes, los aan elkaar gevoegd, door het eeuwige en...
en... en... voor ons een doolhof, voor hen de bloeiende tuin waar hunne
gedachten als vlinders wiegelen en spelemeien. Ze denken vlug en onderscheiden
scherp, combineeren handig, en zien spoedig waar 'm de knoop wringt. Jellinek
merkt op, dat reeds het oude Hebreeuwsch bijzonder rijk is aan termen voor deze
verstandsverrichtingen: voor ‘onderzoeken’ zijn er elf Hebreeuwsche
woorden, voor ‘aanknoopen, verbinden, combineeren’ vijftien, voor
scheiden en onderscheiden zelfs vier en dertig synoniemen. Daarom ook kunnen de
Joden dikwijls zoo goed schaken en rekenen, zoo goed een diagnose maken als
geneesheer, zoo goed pleiten als advokaat, zoo goed mazzeltjes maken op de
beurs vooral. Daardoor wordt eveneens hun opmerkelijke neiging tot
geestigheden, grappen en woordspelingen verklaard. De spitsvondigheid is hier
echter de onvermijdelijke keerzijde van. Hunne fantasie is bijna louter
combineerend. De scheppende verbeelding of intuïtie, en de fijn
bekoorlijke aanschouwelijkheid worden dikwijls gemist. Wel vindt men bij hen
‘veel ingenomenheid met het uiterlijke, met schitterende kleuren en
schetterende klanken’, gelijk Fruin het zeer gelukkig uitdrukt. Vandaar
bij Joden slechts zelden dat fijne, instinctieve verstaan, half op gevoel half
op verbeelding berustend, dat den omgang met hoog beschaafde Indogermanen zoo
vol, diep en zoet maakt; even zelden als mystiek of wat daarnaar zweemt, nooit
Schwärmerei met blauwe idealen, maar altijd een opvallende nuchterheid
(sprak Eduard Meyer niet van koele, nuchtere berekening, nuchter denken,
ontzettende nuchterheid?), bijna nimmer de spontane subconsciënte invallen
van het genie. Hun beamingen zijn dan ook dikwijls in zóóver
abstract en inconcreet, dat ze het zieleleven en het sociale leven niet in hun
volle werkelijkheid aanvoelen. 't Zijn meer genummerde verschijnselen in een
Israëliet, het eene zus, het andere zoo, maar een stuk leven heelemaal in
zijn onvergelijkelijke volheid, zijn organisch gegroeide eenheid, vooral in den
West-Europeeschen mensch | | | | het persoonlijke te vatten, daartoe
ontbreken de meeste Israëlieten de gaven. Toch zijn zij soms scherpe
menschenkenners, maar dàn analytisch. Zij zien 's menschen
eigenschappen, alle zwakheden en deugden, één voor
één, en vooral dat hij híérvoor deugt en
dáárvoor niet deugt; maar hoè zoo'n Westerling in het
diepste van zijn wezen alles waardeert, aanvoelt en in de geheimkamer van zijn
koninklijk hart of geweten, vonnis velt en eerelauweren uitreikt naar
welbehagen, wat voor atmosfeer er hangt in de diepste ééne
zielesfeer! de zielekleur, het zielscachet der Gojim, daarvan heeft menig,
overigens scherpzinnig Israëliet, geen flauw vermoeden. Want de Jood is
geboren individualist en liberaal. Vrijhandel en vrije concurrentie! want hij
kent geen menschen of nooden van vleesch en bloed, slechts abstracte
staatsburgers, rechtssubjecten en plichtdragers, die allen werken volgens een
vaste formule, die uit de statistieken is af te lezen. Maar alle
intellectualisme, en vooral dit soort, is au fond oppervlakkig en bijziende,
het dringt nergens in de diepte des levens en der ziel. Naast zulk een groot
praktisch verstand, en gedeeltelijk als een uitvloeisel daarvan, heeft de
Israëliet nu een even machtige praktische gave: te weten wat hij wil. Die
doelbewustheid is hem aangeboren, in een ontzaglijke perseveratie-tendenz. In
alles ziet hij een ‘middel òm’. IS DE INDOGERMAAN ALS HET
WARE GEDRENKT IN HET CAUSALITEITSBEGINSEL, DE ISRAËLIET ZWELGT IN
FINALITEIT. Wij Germanen vragen altijd: Hoe kwam dat en waarom? De Jood denkt
alleen: Wat brengt dat mee, waartoe kan ik het gebruiken, waarvoor kan het
dienen? Wij leven in het tegenwoordige en het verleden, de Jood leeft zeker in
het heden, maar om het op te offeren aan de toekomst. Een vergelijking van de
werkwoordsvormen in de Semitische en Indogermaansche talen kan hierover nog zoo
ontzaglijk veel leeren. De Indogermaan zegt zoo graag: Coronemus nos rosis,
cras enim moriemur. De Jood is een Crastinist, d.w.z. hij ligt graag krom
vandaag, om het morgen breed te hebben, óók al komt aan dien dag
van heden geen einde. Zelden geeft hij zich onbevangen over, aan de omgevende
buitenwereld, zelden zwemt hij in de koele feitenwateren of zweeft hij
zorgeloos op in blauwe denksferen, zelden duikt hij gedachteloos onder in de
diepten van het menschenleven; als hij zwemt, dan is het als een casuïst
naar een distinctie, om het princiep te redden; als hij stijgt, dan is het als
een valk om een reiger; als hij duikt, is het in een duikerpak om het goud, dat
een gestrand schip gul op den bodem der zee heeft uitgestrooid. Geen woord
bekoort hem zoo als de klanken van ‘TACHLIES’ die, doel, oogmerk,
resultaat beteekenen. ‘Tachlies’ moet àlles zijn wat hij
doet. ‘Tachlies’ is de diepste zin van zijn bestaan.
‘Tachlies’ is de éénige alomvademende ruimte van zijn
heelal. Niet Tragiek of Gods verwoest ideaal, maar ‘Tachlies’ is
voor de meeste Israëlieten het leven, de wereld, het al. En wie dat met
Steinmetz eenzijdig ‘als practisch | | | | egoïsme’
verstaat, heeft geen flauw vermoeden, van het diepe onderscheid in zielsaanleg,
dat achter dit tooverwoord schuilt. Zeker, Heine sprak van ‘Zwecklos wie
die Liebe, wie das Leben.’ Maar hoeveel onzer Israëlieten voelen hem
dat na? En daar zijn ze trouwens niets minder, maar slechts anders om. Tot
zoover is dit alles een uitvloeisel van hun verstandelijken praktischen aanleg
en hun perseveratie-tendenz. Nu komt daarover heen een weidsche koepel, een
blinde berg van langzaam maar onweerstaanbaar voortdrijvende energie. Als een
vlottend werelddeel is Israël onzen Atlantischen Oceaan in komen varen en
heeft vele Europeanen op zij gedrongen. De weergaloos taaie wilskracht, de
koppige hardnekkigheid (het woord is van Heine) is het wezen van het Joodsche
bestaan. Onverstoord in tegenspoed, kalm lijdend in plagen, alle gewenschte
vormen van godsdienst of staatkunde omhelzend voor het uiterlijk, zich zelfs
dood houdend bij wijlen neergedoken in duister, maar zoet hopend reeds bij den
eersten schemerschijn van uitkomst, geduldig wachtend tot alles opklaart, en
aldoor peinzend, zwoegend met groote plannen, tegen allen storm en vervolging
in, en eindelijk triomfeerend in goud van geluk en zonneschijn!
zóó waart de Joodsche natie als een reusachtige vogel, met haar
zielseigen jong het kapitalisme, onze nieuwe geschiedenis door. O zeker, vele
Joden komen de verdrukking niet te boven, en beschouwen zich soms terecht als
de verdrukte onschuld. Vele der onaangename hebbelijkheden, die wij Europeanen
meer als zij trachten te vermijden, hebben wellicht juist aan die schandelijke
verdrukking hun ontstaan te wijten: zoo vooral hun minachting voor anderen, hun
exclusivisme. Hun verwaandheid en blufferigheid, hun vaak linksche,
onbeschaamde op- en indringerigheid, het ‘breed laten hangen’
verklaart Steinmetz zeer aannemelijk uit het parvenu-schap, waarin zich de
meeste welgestelde Joden bevinden. Bovendien is waarschijnlijk de supranormale
proportie van meer dan middelmatig begaafden, eveneens aan de doorgestane
eeuwen van ellende en Auslese te danken. Een dergelijk verschijnsel vinden wij
b.v. ook bij de Noordbrabantsche katholieken. Want de Europeaan - de
Nederlander wel is waar iets minder - heeft zich tegen den Aziaat duchtig
geweerd, hem vervolgd en vermoord, belasterd en door uitzonderingswetten
vernietigd zonder mededoogen; en nog heden is het Antisemitisme een kracht van
haat, waar helaas de wereldgeschiedenis mee rekent. Als echter sommige Joodsche
schrijvers daardoor vooral getroffen, beweren dat men de geschiedenis van het
Jodendom in West-Europa, zou kunnen schrijven in louter passieve verbaalvormen,
daar zij nooit iets zelfstandig gedaan hebben, maar alles lijdelijk zouden
gedaan zijn; dan miskennen zij moedeloos een der bewonderenswaardigste
eigenschappen van hun nationaal volkskarakter! Het gevoelsleven der Joden is
niet fijn, hoe hartstochtelijk ook in volle kracht. Er moet heel wat gebeuren
eer hij bewogen wordt. Daar is de Jood te nuchter | | | | voor. Ook
Steinmetz spreekt van gevoelsdorheid en geringere emotionaliteit, en een zekere
kruiperigheid is onmiskenbaar. Daarom voelt hij ook weinig voor een
persoonlijke overheersching van ziel over ziel, een persoonlijk vereeren en
adoreeren van ziel tot ziel, een ridderlijk dienen, een teergevoelig
aanhuiveren. In plaats daarvan vindt men bij de meesten hunner, een ietwat
plakkerige gezelligheid, een ietwat zwoele toon van familiariteit, waar zij
zelf groot op gaan, als aan de gojim onbekend, maar die ook heel spoedig in
heftig meeningsverschil overslaat, als de persoonlijke belangen in conflict
komen. Velen gaan recht op het sexueele af en recht op het geld. De echt vrome
Jood gaat recht-toe recht-an naar God, en de minder vóorkomende maar
toch altijd hier of daar weer opduikende type van den goedigen Jood, als de
Mozes van Fritz Reuter is ook zóó goed in eens: als een kussen
met watten. Van de rijke gevoels-complexen van tragiek of romantiek vindt men
in velen hunner geen spoor. Enkele geniaal aangelegden kunnen hier, evenmin als
overal elders, iets aan afdoen.
Als uiterlijk gevolg van die aldoor tintelende streving daar binnen,
zien wij den Israëliet van buiten, erg bewegelijk en schielijk onrustig,
ja soms rusteloos. Niet slechts in de bewegingen en gebaren zijner handen en
armen, maar nog sterker door zijn drijvende actie in het maatschappelijk leven.
Bijna alle aanleggers van feesten, tentoonstellingen, herinneringsvieringen in
onze groote steden, zijn Joden. Niemand als zij, heeft voor zulke dingen
zooveel blakende, altijd wakkere knetterende energie beschikbaar. Dat verklaart
althans ten slotte nog eens te beter hun bewegelijk aanpassingsvermogen aan
alles en allen. Want de vereeniging van ‘OPINIâTRETé ET
SOUPLESSE’ is naar Leroy-Beaulieu's onweerlegbare uitspraak hen eigen in
den allerhoogsten graad. ‘Le juif est à la fois le plus
résistant et le plus pliant des hommes, le plus opiniâtre et le
plus malléable’. En dáárom liggen, nu de daemon der
onrust er weer toe drijft, in de Jodenzielen onzer dagen de meest orthodoxe
rechtge-loovigheid, en het verregaandst aufgeklärte scepticisme zoo dicht
bijeen; waarlijk zoo ooit, om dieper eenheid van contrasten, les extrêmes
se touchent, dan is het hier. De Joden zijn dan ook de beste (en ten onzent tot
voor kort bijna de eenige) journalisten en de talentvolste tooneelspelers der
wereld.
Iedereen heeft bij het toetsen dezer karakterschets, aan de
ervaringen in eigen omgeving opgedaan, wel meer dan eens den indruk gekregen,
dat het Israëlietisch temperament toch in menig punt opvallend, met het
specifiek Hollandsch en Amsterdamsch karakter overeenstemt. De nuchterheid, de
werkzaamheid en de perseveratie-tendenz of de volharding in kalme kracht, de
mindere aanleg voor persoonlijke warmte en innigheid enz. enz. Zou dat alles
weer toeval wezen? of hebben we hier met causaal verband te doen? Het boven
over de Puriteinen opgemerkte, maakt dit vermoeden tot een waarschijnlijkheid,
| | | | waarmee wij voorloopig althans een klein beetje rekening zullen
moeten houden. Achtte reeds Fruin zich niet verplicht om in zijn schets van het
Nederlandsch volkskarakter, een goede plaats te geven aan de psychologie der
Israëlieten? Over de geschiedenis der Joden en hun invloed op ons
vaderland leze men: H. Koenen: Geschiedenis der Joden in Nederland, Utrecht
1848. R. Kaltofen: De Amsterdamsche Joden. Vragen van den Dag, 1913, Deel 38,
blz. 56 vlgd., 199 vlgd. en vooral Dr. M. Wolff in de Bijdragen voor Vaderl.
Geschiedenis en Oudheidkunde, 4de reeks, Deel 6, 1907, blz. 430
vlgd. Deel 9, 1910, blz. 365 vlgd. Deel 10, 1911, blz. 134 vlgd., blz. 354
vlgd.; 5de reeks, Deel 1, 1913, blz. 88 vlgd, aan wien ik graag nog
vele bijzonderheden ontleend had, als de plaatsruimte mij niet had bedwongen en
S. Steinmetz: Kultuurwaarde en toekomst der Joden, Den Haag 1912.
De taal der Nederlandsche Joden is nog zeer weinig bestudeerd, en
dit is te meer betreurenswaard, omdat hieruit niet slechts zeer zeker allerlei
eigenaardigheden onzer handels-, bank- en geldtaal, onzer journalistentaal,
onzer dieventaal en onzer tooneeltaal, maar waarschijnlijk ook nog menige
bijzonderheid onzer dokters- en advokatentaal, misschien zelfs onzer
Protestantsche kerktaal verklaard moeten worden. Immers de kring der Joden
snijdt al deze taalkringen, en reikt in de vier eerste zóóver tot
in de centrale groep van elk, dat zij de leiding bijna alleen in handen heeft,
terwijl zij er in de twee volgende ongetwijfeld krachtig toe meewerkte, en in
de laatste althans toe bij gedragen hebben kàn. Het weinige wat wij
hierover weten zullen wij te gelegener plaatse onderbrengen. Zoo goed als alle
Joden spreken meerdere talen. Op de eerste plaats kennen zij allen min of meer
Hebreeuwsch, zij het dan ook in de nieuwe Duitsche, tamelijk vulgaire
uitspraak. Hun voortdurend opgaan in Bijbel, Talmud en Hebreeuwsche
gebedenboeken, is oorzaak dat zij allerlei woorden, vooral die voor abstracte
en religieuze begrippen, uit het Hebreeuwsch in hunne nieuwe moedertaal
overnamen. Hebreeuwsch zijn ook bijna alle woorden voor gemoeds- en
gevoelsnuances. ‘Der hebräische Ausdruck’, zegt Grünbaum,
‘ist viel wirksamer und eindringlicher als es der deutsche sein
würde, da er erinnerungs-reicher ist. Die hebräischen und
talmudischen Wörter für Wittwe, Waise, Wohltätigkeit, Erbarmen,
Ehrung der Eltern und viele andere der Art erinnern unwillkürlich an die
Bibel- und Talmudstellen, in denen diese Ausdrücke vorkommen und die Liebe
zu allen Geschöpfen zur Pflicht gemacht und dringend ans Herz gelegt wird.
Diese Ausdrücke sind altherkömmliche, von Geschlecht zu Geschlecht
überlieferte Losungsworte.’ Om dezelfde reden zijn ten slotte ook
Hebreeuwsch: alle emphatische woorden en uitdrukkingen, waartoe ook de
scheldwoorden (vooral voor Gojim) behooren. Want al is thans hun Hebreeuwsch
geen volkstaal meer, daar het van de markt en de steegjes verjaagd en binnen
synagoog en school is gevangen gezet, toch kunnen wij | | | | het ook niet
een loutere boekentaal of schrijftaal noemen. Want dáár juist
achter die dikke muren, ontvangt elke jonge Israëliet - ik zeide het
reeds: er zijn geen analphabeten onder hen - zijn strenge opvoeding; door deze
ruimten klinken nog dag-in dag-uit, de Hebreeuwsche gebeden, de Hebreeuwsche
Hymnen en psalmen, wordt nog aldoor voorgelezen de echte Hebreeuwsche tekst,
waarbij nog immer juist gelijk bij de Brahmanen en hun Veda's, het oude accent,
de oude taalmelodie door zorgzame overlevering is bewaard.
Dááraan zal het dan ook wel toe te schrijven zijn, dat welke
Europeesche, Afrikaansche, Aziatische of Amerikaansche taal de Joden ook
overnemen, zij al die talen toch spreken met hetzelfde, alle volken opvallende
Joodsche accent en een typisch Joodsche zinsmelodie. Verder articuleeren zij
altijd meer achter in den mond dan wij. Dat brengen misschien de Hebreeuwsche
gutturalen mee. Maar zeker geeft dit aan heel hun taal een soort
‘joedelend’ karakter. Hier is ook een gevolg van, dat de adem
dikwijls door den neus ontwijkt, wat aan al hun klinkers een hoornig neusgeluid
verzekert. Verder wijzen de sterk uiteenloopende Hebreeuwsche sisklanken op een
eigenaardigen lippenstand, die ons aan lispelen doet denken, en waardoor in de
Jodentaal allerlei s'sen ons half als sj klinken. Een verder gevolg dier
stramme lippen is de ontronding der ü, ui, eu en de vermijding der w in
bijna alle Jodentalen. Voeg daar eindelijk nog bij, dat zij ook het
schreeuwerig roepen, dat wij misschien ten onrechte met het woord
‘Jodenkerk’ of ‘lewaai, lawaai’ verbinden, nimmer
kunnen afleeren, dan begrijpen wij zonder moeite dat wat de Duitschers
‘mauscheln’ noemen, wat door v. Seidlitz bij de Bergjoden in den
Kaukasus, wat door Vambéry bij de Joden van Bagdad werd teruggehoord,
wat bij de Russische Joden in Siberië, zoowel blanke als zwarte Joden van
Voor-Indië terugkeert, wat noch bij de Italiaansche noch bij de
Turksch-Spaansche Joden ontbreekt, met dezelfde duidelijkheid als een totaal
steeds-identiek complex van mondstandbijzonderheden of echte articulatie-basis,
ook aan het Joodsche Nederlandsch ten grondslag ligt. Eer wij echter nu tot het
kind: de Nederlandsche Jodentaal, kunnen overgaan, moeten wij eerst de moeder:
het Jodenduitsch bespreken.
Dit Jüdisch-teutsch, Iwre-teutsch, Tsjines-teutsch,
Korben-Minhe-teutsch, Sidder-teutsch, Prost-jüdisch, Jiddish, Mamme
loosjen, Loosjnekaudische Sprache, Jargon, of hoe men het ook mag noemen, is
van huis uit de taal der middeleeuwsche Ghetto's in Duitschland, dus
Middelhoogduitsch. Het werd en wordt nog heden geschreven in Hebreeuwsche
letters, zelden het bekende kwadraatschrift, maar meestal het vereenvoudigde,
maar altijd onduidelijk rabbijnenschrift. Uit dit feit alleen al, kan men
vermoeden, wat trouwens hierboven reeds voor alle Jodentalen werd geadstrueerd,
dat het Hebreeuwsch diepen invloed op deze taal heeft uitgeoefend. Vooral in
den zeer eenvoudigen zinbouw, het overheerschen der nevenschikking, en de
reduceering aller verleden tijden tot | | | | één, is dit
even duidelijk, als in de vele Hebreeuwsche leenwoorden, ca 20%. De
oudste sporen van een eenigszins afwijkend Joden-Middelhoogduitsch dateeren uit
de 14de eeuw. Die afwijkingen - vooral in den zinbouw - heeft men nu
willen wijten aan Franschen invloed, daar juist in die dagen de Joden uit
Lotharingen werden verdreven en in de Zuid-Duitsche Ghetto's een toevlucht
vonden. Maar de Hebreeuwsche innerliche Sprachform en de sociale isoleering,
vooral na de ‘zwarte pest’, zijn zeker even goed bij machte om deze
eigenaardigheden te verklaren. Alleen eenige Fransche leenwoorden als: kapabel,
plet (billet), preien (prier), almer (armoire), sarver (serviteur), courage,
kapote, zijn wel van deze Lotharingsche emigranten afkomstig. Van lieverlede
werd nu de mijding tot vervolging; wij noemden hierboven reeds de jaartallen
waarin de Joden uit de verschillende Duitsche steden zijn verdreven. De
Poolsche soevereinen hadden door klinkende aanbiedingen, reeds vroeger menig
talentvol Joodsch handelsman naar het Oosten gelokt; was het wonder, dat nu ook
de scharen van vluchtelingen daarheen trokken, waar het welkom zoo vriendelijk
lachte, terwijl de haat achter hun schreden vloekte? Polen, Litauwen, Rusland,
Bohemen, Roemenië namen de arme zwervers op. En typisch voor de Joodsche
perseveratie-tendenz, juist als de Spaansche Joden in den Balkan hun
Jodenspaansch in eere hielden, zoo namen de Duitsche Joden hier niet de talen
van hun nieuw vaderland aan, maar bleven er Duitsch spreken. En pas in dit
isolement tusschen de Slavische en Baltische talen in, krijgt het Jodenduitsch
zijn eigen specifiek taalkarakter. Bovendien worden nu natuurlijk een reeks
Poolsche en Litauwsche leenwoorden onvermijdelijk: voor dingen uit het
dagelijksch gebruik, als kleeding, voeding, woning en handwerk. En wat
bijzonder voornaam is, langzamerhand ontwikkelden zich twee of drie
Jodenduitsche dialecten, die vooral in de klinkers en tweeklanken verschillen.
Voor de dialecten van thans geven Saineanu en Gerzon de volgende
Entsprechungen.
| Middel-hoogduitsch. |
Litauwsch Jodenduitsch. |
Poolsch Jodenduitsch. |
| tac |
tog |
tug |
| jâr |
jôr |
jûr |
| mîn |
mein |
mân |
| boge |
bêgen |
boigen |
| brôt |
brêt |
broit |
| sumer |
sumer |
simer |
| hûs |
hois |
hous |
| guot |
gut |
git |
| stein |
sjtên |
sjtain |
| boum |
bêm |
boim. |
Sommigen voegen, maar op niet zoo goede gronden, hier nog een
Zuidelijk dialect voor Zuid-Rusland, Galicië en Roemenië aan toe. Aan
Slavischen invloed zijn in deze dialecten o.a. te wijten: 1o. de
vrouwelijke nomina agentia op -ka: Schneider: Schneiderka (Schneiderin),
Schuster: Schusterka (Schusterin) enz.; 2o. De vrouwelijke uitgang
der Hebreeuwsche woorden op -d of -t. Scho- | | | | chet: Schocheticha,
magid: magidicha, enz. 3o. De Comparatief-constructie: er ist
reicher vun Kroesus (Poolsch: bogatszy od Krezusa). Eer dat deze
dialectscheiding en Slavische inwerkingen zich evenwel nog goed en wel hadden
kunnen vestigen, brak ook hier de vervolging uit. De opstand der Kozakken van
Chmelnitski in 1648 dreef opnieuw niet minder dan 250 Jodengemeenten in
ballingschap. En zoo ging het op allerlei plaatsen. Vele dezer Poolsch-Duitsche
Joden kwamen nu naar ons land en vestigden zich vooral te
Groningen en te Amsterdam. Maar ook Litauwsche Joden
kwamen blijkens de boven-geciteerde namen hierheen. Zij vonden hier evenwel
reeds Joden, die Jodenduitsch spraken; want juist in 1648 verscheen te
Amsterdam een Jodenduitsche vertaling van de Sjebet Jehoeda (de scepter van
Juda) geschreven door Jehoeda Ibn Virga. Dit is het oudste Nederlandsche
Jodenduitsch dat wij kennen, en daarom mogen een paar citaten er een denkbeeld
van geven.
Man wert drinen gefinen wunderberliche geschichtnis die geschehen
sein unsern eltern in de
(verbanning), un' wie viel mal sie haben
(heiligers van den naam des hemels) gewesen, (d.w.z. hun
leven voor het geloof hebben ten offer gebracht.) In dem land
kamen die
un' sprachen, sie heten gefunden ein toten
in ein juden haus. Da war alda vor dem kinig sein rat her
un' redt ser vil bes (bös) auf die juden. Da sprachen sie zu dem kinig, er
solt sie recht helfen über die juden, aber wo es der kinig nit ton wert,
da wolten sie sich mit ir hand rechnen (rächen) an den juden. Da sprach
der kinig: Sei gelobt der almechtig got, der warhaftig richter, nun wil ich enk
(euch) weisen enker (euer) falsche un' unrechte sachen, un' das wil ich enk
weisen, der mit irs enkern kindern die nach enk kumen sagen solt. Aso bald
schikt der kinig nach alen juden un' sprach zu in: Was hat der kinig
gemeint mit den
, das is in teitschen, er ontschlumt nit noch schlaft nit
der hiter vun
, nun wen er nit ontschlumt gewissiglich schlaft er nit, was
darf der
sagen, das er nit ontschlaft? Da sprachen sie: Mir wissen
auf dem
kein ander teitsch nit. Da sprach der kinig: Ich wil enk
sagen die bescheidnis vun dem
in der gestalt: heint die nacht hab ich nit gekent schlafen
noch ruhn in kein wegen. Da bin ich aufgestanden van meinem bet, un' bin gangen
in mein andern pals (
= paleis), un' der manet hat gar licht gescheint da hab ich
mein kon aus den fenster getan un' hab gesehn etliche manen laufen un' haben
getragen auf ir achsel gleichnis vun ein menschen. Da hab ich aso bald geschikt
meine drei diner sie soln doch sehn was sie tragen, ob es is ein toter mensch
oder was anders un' soln mir wider entwert (antwoord) sagen. Aso bald seinen
meine diner gangen un' haben gesehn, das sie haben getragen ein toten mensch
un' zwei von den manen die kenen meine diner. Un' aso bald kamen des kinigs
diner un' sagten die sachen als wie es war zu gangen. Da sprach zu sie des
kinigs ratgeber: Un' warum hat ir sie nit genumen gefangen? Da sprachen die
diner wieder: Sie haben den toten menschen geschwind geworfen in einen juden
haus un' sein aso bald geschwind wek gelofen; auch haben sie bei sich gehat
gewer un' mir haben gar kein wer bei uns nit gehat, auch hat uns der kinig nit
befoln, das mir sie soln nemen gefangen, neiert mir soln sehn was sie tragen.
Da sprach der kinig zu den juden: Das hat auch gemeint der kinig
, das got nit ontschlumt un' last andre leit auch nit
schlafen, der worten (met het inzicht) das er hit (hütet) sein volk
, as mich got hat ach nit lassen schlafen vun wegen sein
volk
. Da lies der kinig die selbigen manen um brengen, die da
haten die besen sachen getan.
| | | |
Of de vertaler van dit boek echter in Holland woonde, staat niet
vast. Want Mozes ben Israël Naftali Hirsch Porges van Praag, liet in 1650
ook zijn Derkei Zion in Amsterdam verschijnen, kwam echter zelf voor een tijdje
naar Holland, wat hieruit blijkt, dat hij verschillende gebruiken vermeldt,
juist bij de Amsterdamsche Joden in zwang. Wel weten wij dit zoo goed als zeker
voor den vertaler van Josippon van
Joseph ben Gorion, te Amsterdam in 1661 uitgegeven door
Abraham ben Mordechai Kohen. De berijmde Proloog begint
aldus:
Leient in diesem seifer was es beteit
Es is ein seifer vun alte zeit,
Es habens gemacht un' getracht edel leut.
Vun grose wunder un' zeichen was da is geschehn vor alte zeit,
Izunder weln mir nit wissen was es beteit,
Vil menschen senen die ir leben lang nit haben in aso ein seifer
geleient (gelezen).
In de Voorrede wordt dan gezegd dat de schrijver het ‘nit
für ungeschikt angesehen, ach (auch) das Josippon zu teitscher sprach zu
machen un' zu druken ... dieweil es gar ein nuzlich seifer zu leien is. Zudem
aso is es gor kurzweilig zu lesen, den es werden drinen derzelt maassim
(geschiedenissen) die da geschehen sein vun sjesjet iëmê bereisjit
(de zes dagen der Schepping) an un' bis nach dem churbon baïs sjoni (de
verwoesting van den tweeden tempel) enz. Op fol. 76a lezen wij een
treffende Bijbelsche episode, waar de Hollandsche invloed reeds merkbaar is. De
waarschijnlijke Hollandismen laat ik cursief drukken.
(Fol. 76a.) ... Da sagt der kinig, brengt her zu mir den
sibenden, der weil er noch is ein klein kneblein, vil leicht werd ich in
mogen über reden mit meinen worten. ... Un' sie genohten den
sibenten zu vor den kinig un' er war noch ein klein kneblein. Da redt der kinig
barm herziglich mit im, un' er sagt zu im: Lieber, ich bit dich tue meinen
wilen, so wil ich dir schweren bei meinem eid, das ich wil befelhen un'
ich wil dich machen zu dem aler nechsten hern bei mir, un' ich wil dich
gewaltig machen über al mein kinigreich, un' du werst sein reich vun
silber un' vun gold un' an alem das dir dein herz gelustet un' begert. Da ver
schmeht das kneblein die reden des kinigs, un' es sagt zu im: Wê dir du
alter kinig, das du also ein nar bist, den wie kanstu dich berimen
1) un' loben mit einer
falschen gab die doch nit dein is, den du magst nit wissen was dir morgen dies
tags widerfarn un' begegnen wert, ob du tot oder lebendig werst sein. Da
entwert im der kinig zorniglichen un' er derschreckt das kind un' er sagt zu
im: Wen du den nit wilt meinen wilen tun, un' das du nit wilt buken zu
meinem
2), so wil ich dich lassen
peinigen mit grausamen peinigung un' ik wil dich also lassen töten. Un' es
entwert das kneblein zu dem kinig:
, das is in teitsch: Was berümst du dich in dem
bösen du starker held, die genad gots die is bei uns den ganzen tag. Eil
bald un' tu als du geret hast mit mir, un' saum dich nit, den got der hot
beglikt meinen weg das ich sol kumen zu im. Un' als der kinig hört die
reden des kleinen kneblein, da war es gar ser wunderbarlich in seinen augen,
un' er ruft zu seiner muter das sie solt kumen zu im. Da kam sie un' sie stund
also zu vor im, un' ire beide hend die waren ir gebunden. Un' er sagt zu ir der
kinig: Du gute frau, derbarm dich nun über das kind das dasig, un' derbarm
dich über die vrucht deines leibes un' über red in mit deinen
reden das er wert tun meinen wilen, un' so wert | | | | sein des dasige zu
dir zu einer ontrinung
1) un' auch du werst
bleiben leben. -
Un' sie sagt zu im: Gebt in zu mir so wil ich mich ein
klein wenig mit in vun euch vern
2), un' ich wil besehn, vil
leicht wer ich megen zu über reden.
, Un' sie gaben in zu seiner muter, un' sie fuhrt in ein
klein wenig weit vun inen un' sie sagt zu irem kind: Mein sun, tu dein herz zu
meinen reden un' prüf (
) sie, un' gedenk al das dasig das ich dich getragen hab in
meinem bauch neun monet, un' zwei jar hab ich dich gesaugt mit meiner
milch, un' mit puter
3) un' andre speis hab ich dich
gespeist bis auf den heitigen tag, un' auch vun der vorcht unsers gots un'
seiner
nach alem meinem vormegen un' nach deinen jaren hab ich
gelernt dich. Un' izunder mein sun, ofen deine augen un' sich die himel un' die
erden, das mer un' die troknis, die wasser un' das veier un' den wint un' die
übrigen ding die da sein derschafen worden un' prüf an inen das du
derkenst, das mit der red gots sein sie ale derschafen worden. Un' dar nach das
er hat derschafen got den menschen, das er sol sein vrum un' ganz in seinem
dinst, un' das er sich sol beheften an in un' das er sol sezen in sein herz
sein getliche vorcht, un' die versichrung des menschen die is torheit un'
lerikeit
4) den sie mag nix helfen.
, Un' izunder mein sun, las dich nit vor sichern der
unbarmherzig der dasige mit seinen reden die da falsch un' lugen sein, un' du
solt dich nit vor lassen auf den wint seines munt, den er mag dir nix geben.
Un' darum so sol es vermiten5)
sein vun dir zu tun das dasige. Neiert her in meiner stim
un' stirb izunder von gots wegen un' geh zun deinen bridern. Un' die weil sie
also mit im redt un' noch viel mê (
) reden wolt mit im, da entwert das kind un' es sagt zu
seiner muter: Warum saumst du mich zu gehn un' warum hinderst du mich zu zihn
zu zihn zu meinen bridern den heiligen, den ich hab nit in meinem herzen (
in meinem wilen) zu heren zu dem kinig un' ich wil auch nit
gehorsam sein zu im un' seine red un' seine versichrung die sein al zu mal as
nix gerechnet in meinen augen; aber warhaftig solt du wissen, das ich
wil heren un' wil under tenig sein der
unsers gots, die da gegeben is durch die hand
zu den kinder
dem volk dem heiligen. -
, Un' sie nam in die vrau bei der hand un' wider kert
in zu dem kinig un' sie sagt zu im: Nun er is in deiner hand, den ich hab in
nit mögen über reden das er deinen wilen wil tun. Da mert noch
mê der kinig un' er sagt zu dem knaben: Ach du junger knab un' du tor,
warum wilt du nit heren zu meinem rat zu tun meinen wilen un' das du leben
bleibst un' nit getöt werdest? -
, Un' er sagt der knab zu dem kinig: Ach du alter kinig un'
du nar, du unbarmherziger feind gots, über wem wilt du dich
derheben zu sagen, das du in über sigt host mit deinen reden un' mit
deiner nerischen vernunft? Ik bin ein kind siben jar alt, un' du bist ein man
vun sibenzig jar alt, un' ich verspot dich vun wegen deiner torheit. Den ich
glaub an die
des hern unsers gots, den du hast gelestert un'
geschent mit deinen reden, un' ich wil mich nit keren zu deinen
unwirdigen abgotern un'
(Götzenbildern). Un' du alter kinig du nar, wê
dir wo wilt du vor dem wint unsers gots hin gehn, un' wo wilt du vor seinem
angesicht hin ontflihen? Du man du leidiger un' du veind du
schalkhaftiger man, nun der her got unser got, der wert uns beschonen un' er
wert uns derhochen un' er wert uns achpern in die ewikeit, un' er wert
lebendig machen unsre selen zu ewikeit, un' wê zu dir das du
gemutwiligt host zu senden deine hand an seine knecht...
- Un' er war derzornt der kinig ser vun deswegen das er nit
getan hat seinen wilen, un' er gebot un' er lis meren auf das dasig kneblein
schlek (Schläge) un' peinigung biterliche un' unbarmherzige, mer den ale
die peinigung die er getan hat an seinen bridern un' also ward auch getöt
der sibend vun den bridern. -
- Un' da zu mal ir muter
die heilig un' die reine un' die vrume, die einige in irer
gerechtikeit in
, die stund bei den toten
| | | | korpeln irer kindern, die da hin geworfen waren auf der
erden, un' sie spreitet aus ire tener (handen) kegen dem himel, sie tet
un' sie sagt:
, es vreiet sich mein herz an got.
, er hat derhoben meine herschaft in got, den er hat weln
werden getrost über sein volk mit meinen kindern.
, er hat derweitert meinen munt über meine veind den
sie haben nit megen über reden auch nit einen vun meine kindern, das sie
heten weln glauben an die unwerdigen
irer abgotrei.
, es is keiner also heilig als unser got.
, ir solt nit meren zu reden hoche un' hofartige
ding, ir veint gots un' ir leidiger
, un'
un' es soln auch nit aus gehn starke ding vun eurem munt zu
sagen, das ir habt übersigt mit eurer kraft un' das ir woltet loben zu
euren abgotern.... Un' es war als sie hat vulendet zu tun
un' zu vergisen ire reden zu vor got, da ging ir aus ire
sel die weil sie noch also redet.
Te Amsterdam verschenen nu ook kort na elkander twee Joodsche
vertalingen van den Bijbel, waarbij wij iets langer stilstaan. De eerste
vertaling is die van
Jekoetiël Blitz, en gedrukt bij
Oeri Wiwoesj in de jaren 1676-79; de tweede is
onafhankelijk van de eerste bewerkt door Josef Witzenhausen en kwam
ao 1677 in het licht bij Josef Etiasj, meer bekend onder den naam
van Athias. Beide vertalingen zijn, even als bijna alle Jodenduitsche boeken in
rabbijnen-schrift gedrukt, en dus zonder puncteering en met heel weinig
interpunctie, wat de lezing nu juist niet makkelijker maakt, en wel te meer,
wijl iedere schrijver er zijn eigen spelling op nahoudt. Blitz heeft meer
Hollandismen in zijn vertaling opgenomen, gelijk ieder spoedig ziet. Athias
verklaart trouwens in zijn voorrede tot Witzenhausen, dat in diens vertaling
geen woorden voorkomen die alleen bij de Joden van Holland en Friesland
moergel (in gebruik) zijn, maar in Bohemen, Moravië en Polen niet verstaan
worden. Hieruit blijkt dus, 1o dat de toenmalige Hollandsche Joden
zich reeds bewust waren, dat hun taal al van die der Duitsche, Boheemsche en
Poolsche Joden was afgeweken; en 2o dat zich uit de Boheemsche,
Moravische en Poolsche en andere variëteiten, door het internationale
Jodenverkeer een Algemeen-Jodenduitsch ontwikkeld had, dat van Amsterdam tot
Praag en Wilna verstaan werd. Ook in dezen taalkring vinden wij zoowel de
differencieering der verspreide kleinere taalgroepen met innerlijk druk
verkeer, als de gedeeltelijke hier bewuste assimilatie der internationale
verkeerstaal terug. Wij geven nu van deze, voor ons Amsterdamsch dialect zoo
gewichtige teksten, eerst eenige parallelle stukjes uit de Proverbia van
Salomon. Ik volg hierbij weer de transscriptie van M. Grünbaum:
Jüdischdeutsche Chrestomathie, Leipzig 1882. Ik transscribeer nu ook de
Hebreeuwsche leenwoorden.
| Das erste Kapitul. Die Beispil von Sjlaume der Sun van
Dôwid der Kinig von Jisrôeil. Witzenhausen (1677). |
Das erste Kapitel. Die bei Reden von Sjlaume der Sun vun
Dôwid der Kinig von Jisrôeil. Blitz (1676-79). |
| Die erste wissenschaft is gots forcht, klug-heit und straf
haben die naren verschmeht. |
Vs. 7. Die forcht gots is die beginzel der wissenschaft,
die naren vor schmehen weisheid un' zucht. |
| | | |
| Mein son, her die straf von deinem vater, un du solst nit vor
lasen die lernung von deiner mutter. |
Vs. 8. Mein son, sei doch heren die straf deines vater un' sei
du die lernung deines mutters nit verlasen. |
| Sie is kestlicher men weder gim
1)
gold, un' al dein begerung is nit zu vor gleichen mit ir. (Ei noch) ein wenig
schlafen, (ei noch) ein wenig schlumern, (ei noch) ein wenig sich rengirn, un'
die hent in anender schlagen, (noch ein weil) zu ligen. |
(3, 15.) Sie is werdiger weder gim1) gold, un' ales
was du begern magst is mit ir nit gleich. (6, 10.) Ein winzig schlaf, ein
winzig schlumern, ein winik hant fringen
2), ales nider
ligende. |
Seksarlei seinen die got feind hat un' das sibent is seinem
wilen ein unwirdigkeit. Hit mein gebot und bleib leben, un' meine Thauro
gleich as wie der schwarz apfel von deinem aug. |
(Vs. 16.) Seks seinder
3) das got
feindet, un' siben sein sein wilen ein unwerdikeit. (7, 2.) Sei meine
gebote bewaren un' lebe, un' mein lernung gleich als schwarz apfel deiner
augen. |
Den dorch das fenster von meinen haus, dorch das gegiter bin
ich worden gelugt. Sie hat geschecht ire schechtung
4), sie hat iren wein gemischt, sie hat auch iren tisch
angericht, |
(Vs. 6.) Den dorch den fenster meines haus, dorch den gegater
lugt ich erauser (heraus.) (9, 2.) Sie hat ir sjechtoem
gesjecht4), sie hat iren wein gemengt auch hat sie iren tisch
zugericht. |
| Sie hat ire junkfrauen geschikt, (un') sie hat gepreit auf
den fligel der hechung
5) von der
stat. |
(Vs. 3.) Sie hat ire dinst maiden ausgeschikt, si tut preien
auf die erhobene hechte5) der stat. |
| Ein nerische frau brumt (narheit), die (nerische) frau weis
aber niks. |
(Vs. 13.) Ein narische frau,sie is rumorachtig
6), die
narheit selber un' von niks is sie wissen. |
| Es ist besser ein winig in gots forcht, men weder ein groser
schatz, un' es is kein ruh da bei. |
(15, 16.) Er is besser ein winik dorch gots forcht, weder ein
grosen schatz un' vertumlung derbei. |
| Es is besser ein gericht grin kraut, un' es is libschaft
dorten, men weder ein gemester oks, un' feind schaft da bei. |
(Vs. 17.) Es is besser ein mal zeit grin krut, da auch libte
is, weder ein gemester oks, un' feind schaft der bei. |
| Welger deine werk auf got, und deine gedanken werden anbereit
sein. | (16, 3.) Sei deine werken wergeln auf got, so werden deine
gedachten befestigt werden. |
| In dem schos wert das gaurol
7) geworfen, aber von
got is al sein gericht. | (Vs. 33.) Das gaurol7) wert in die schos
geworpen, aber von got is gar sein recht. |
| Ein test is zu leitern das silber, un' ein
schmelzofen zu dem gold, aber got prift die herzer. |
(17, 3.) Der schmelz topf is vor
das silber, un' die test vor das gold, aber got prift die herzer. |
| Gleich as wie ein kestlicher stein, is der sjauchat
9) in den augen
von seine hern, uber all wo er sich hinkert, wert er begliken. |
(Vs. 8.) Der stech tfenik
8) is in die augen seines hern ein angenem geschenk, wohin er sich
wert keren wert 'er bekligen. |
| Der seine
red vormeid, der weis wisenschaft, ein wirdig gemit is ein vorstendiger
man. |
(Vs. 27.) Wer wisenschaft weis, du vor
meidet seine worten, un' ein man von verstand is kestlich von gemut. |
| Der seinen vater un' muter flucht, dem wert | (20, 20.) Der sein vater oder muter flucht, |
| | | |
| sein licht vor
loschen werden in der schwarze finsternis. |
den selbigens lampf
wert aus gelescht werden, in tunkere
1)
finsternus. |
| Gewen den jungling nach seinen weg (zu gutem), wen er den
auch wert alt werden, aso wert er nit abkern davon. |
(22, 6.) Sei hantgiftigen zu den jungling, nach sein weg nach,
ales er auch alt wert geworden sein, wert er davon net abweichen. |
| Du solst nit sein unter den, die da tekinas kaf
2) geben, unter
den die da borg seinen vor schulden. |
(Vs. 26.) Sei du nit unter dieselbe die hant stechung tuen,
unter dieselbe, die vor schulden borg sein (Bürge sind). |
| Her (Hör') zu deinem vater der dasig der dich gewunen
hat, un' du solst deine muter nit verschmehen, as sie alt geworden is. |
(23, 22.) Sei heren (hören) deines vater der dich gewunen
hat, un' sei du deine muter nit verschmehen, ales sie alt geworden
is. |
| Dein vater und dein muter werden sich freien, un' die dich
gewunen haben, werden frelich sein. |
(Vs. 25.) Las sich dein Vater erfreien, auch dein muter, un'
las sie sich erfreien, dieselbe die dich gewunen hat. |
| Ein kluger der da straft, bei einem or das da gehorcht, is
gleich as wie ein gilden nas band un' ein hals band von gim gold. |
(25, 12.) Ein weiser bestrafer bei ein herig or, is ein golden
stirn zirzel
3) (das bis auf der nasen hengt) un' ein gim goldene
zirat. |
| Wen dein feind hungrig is. gib im brot zu esen, un' men er
dorstig is, gib im waser zu trinken. |
(Vs. 21.) Ob derselbe der dich feindet hungert, so gib ihm
brot, zu esen, un ob er dorstig ìs, sei im waser trenken. |
| Der wind von sôfaun
4) macht gewinnen
den regen, aso (macht gewinen) ein verborgene zung ein trauerig angesicht. |
(Vs. 23.) Der sôfaun4) wind vermeidet den
regen un' ein zornhaftig enzelt die verborgene zung. |
| Ein eisen scherft man an dem andern eisen mit anander, un'
ein man scherft das angesicht von seinem geselen. |
(27, 17.) Eiser
5) scherft man mit
eiser, aso scherft ein man das enzelt seines mit geselen. |
| Der da sein gut vor mert met beisung und mit ribes
6), der samelt es
ein, vor einen der sich über die armen der baremt. |
(28, 8.) Der sein gut vor meret durch beisung (das auf gab
gelt) un' mit iberige (übrige) gewinst, er tut das selbige ver samelen vor
den, der armen tut leitseligen. |
| Ein gebird, das seinen vater flucht, un' seine muter nit
benscht
7). |
(30, 11.) Da is ein gebirt, das sein vater verflucht un sein
muter nit segent. |
| Ein frum weib wer kan sie finden, un sie is weit (men wert)
as gim gold. |
Wer wert ein frau einer helden finden, den ik kauf schats is
geferet über gim gold. |
Deze teksten leken mij echter te interessant, om het bij deze kleine
proefjes te laten; en ik ben dus zelf aan het werk gegaan, om nog een paar
samenhangende hoofdstukken uit beide vertalingen te transscribeeren. Dank zij
de hulp van H. Padberg S.J., kan ik mijne lezers dus nog de volgende teksten
aanbieden. Deze transscriptie heeft echter, gelijk ik boven reeds aanstipte,
hare eigenaardige moeilijkheden. Zoo hebben onze teksten b.v. in de plaats der
stomme e meestal i (aleph-jod). Maar ook heel vaak moeten wij ze, als de sjwa
in 't Hebreeuwsch, zelf aanvullen. Dit berust toch waarschijnlijk op een
verschil in uitspraak. Om nu deze in 't rabbijnenschrift niet uitgedrukte sjwa,
| | | | van de welgeschreven i te onderscheiden, zonder den tekst al te
onkenbaar te maken, transscribeer ik deze slot-i als é; ik meen
namelijk, dat de Fransche uitspraak van é met accent aigu, wel tamelijk
dicht bij den klank moet komen, dien onze vertalers hier bedoelden. Als men nu
die é maar niet geaccentueerd gaat lezen, anders is de remedie nog erger
dan de kwaal. Een tweede moeilijkheid is de transscriptie der aleph-waf-jod,
waarmee sommige auteurs au, andere oi bedoelen. Uit eenige woorden als greuel,
über, übel e.a. meen ik te mogen concludeeren, dat Witzenhausen en
Blitz hier onmogelijk au kunnen gezegd hebben, maar oi of ui bedoelden, en
transscribeer ik dus ook zoo, in afwijking van de bovengegeven transcriptie uit
Grünbaum. Juist als hij, schrijf ik de aleph-jod-jod niet eu maar ei.
Trouwens gelijk wij uit het bovengegeven lijstje kunnen zien, zeggen de
hedendaagsche Poolsche Joden voor Haus nog hois, en de Litauwsche
boim voor Baum, en voor euch, euer zeggen beide groepen
eich en eier. Wat eindelijk de s betreft, waarvan wij boven
zagen, dat zij in alle Jodentalen min of meer gelispeld en gepalataliseerd
wordt, merken we nog op, dat onze Amsterdamsche auteurs daarvoor bijna altijd
het Sjin-teeken gebruiken, dat bij vele buitenlandsche Jodenduitsche auteurs
vast sj beduidt. Als wij echter altijd sj transscribeerden, zouden wij deze
afwijking zeker overdrijven: in alle gevallen waar het Nieuwhoogduitsch dus s
of sz heeft, schrijven wij een dubbele ss, deze moet echter eenigszins
lispelend en gepalataliseerd worden uitgesproken. Verder zal men zien, dat noch
Witzenhausen, noch Blitz vooral, consequent hun spelling doorzetten. Beiden
schrijven in - zoover wij kunnen nagaan - totaal gelijke gevallen, nu eens zus
en dan eens zoo. Dit hangt echter zeker ook met de locale verschillen in
uitspraak samen. De tekst van Witzenhausen b.v. is door een rabbijn uit Praag
gecorrigeerd, en Blitz heeft waarschijnlijk nu eens de Poolsche, dan weer de
Litauwsche uitspraak gevolgd, daar beide dialecten hier in het land toen
concurreerden. Overigens is onze spelling bijna de gewone Hoogduitsche, g is
dus altijd media G, u is oe, s is nl. z, z is ts. De citaten zijn uit
Genesis.
| Dass drei un' firzigsste kapitul. Vertaling van
Witzenhausen. |
Dass drei un' ferzigsste kapitel. Vertaling van
Blitz. |
| 1. Un' der hunger war sjwer in dem land. Un' ess war as si
hatten folend (= vollendet) oif zu essén dass korn, dass si hatten
gébracht fun Mizraïm, da sjprach ir fater zu inen: kert wider,
koift unss ein wenig korn. |
l. Un' da es ferzért war, wass si for korn aus
Mizraïm gébracht hatten sjprach ir fater zu inen. Ziht wider hin un
koift uns ein winig korn. |
| 2. Da sjprach Jehudo zu im, zu sagen(= zeggende); der man hat
unss zum hehssten forwert (= verwehrt), zu sagen: ir selt mein angesicht nit
sehn, neiart (= tenzij) eier bruder is bei eich. |
2. Da entfrét (antwoordde) im Jehudoh un' sjprach: der
man ferbitet uns das hart un' sprach: ir sult mein angésicht nit sehn es
sei den eier bruder sei mit eich. |
| | | |
| 3. Wen du unsern bruder wilsst mit unss sjiken, asô (=
also) wellen (= zullen) mir (= wij) hinabgin un' mir wellen dir korn
koifn; |
3. Is nun das du unsern brudér mit uns sendisst su
wellén mir hinabzihn un' dir zu essén koifen. |
| 4. Un' wen du in nit wilsst sjiken, asô wellen mir nit
hinabgin; den der man hat zu unss gésagt: ir selt mein angesicht nit
sehn, neiart eir bruder is bei eich. |
4. Ist es abér dases du in nit sendisst su zihn mir nit
hinab, den der man hat zu uns gésagt ir sult mein angésicht nit
sehn eier bruder sei den mit eich. |
| 5. Da sjprach Jisrôeil; warum habt ir mir aso uibel
gétan, dass ir dem man habt for-kundigt, dass ir noch einen bruder
habt. |
5. Jisroeil sjprach: warum het ir su ibl an mir gétan
das ir dem man ansagét wi ir noch ein brudér het. |
| 6. Un' si sjprachn: der man hat gar ernsstlich nâch
unss géfragt, un nach unsrm gébird, zu sagen: lebt eier fater
noch? habt ir noch einen bruder? Oif di dôsigen wort (op die woorden)
haben mir ess im forkundigt. Haben mir grad géwisst, dass er wert sagen:
brengt eiern bruder herab? |
6. Si entfrtén: der man forsjét so génoi
nach uns un' unser freintsjaft un' sjprach lebét eier fatér noch?
habt ir ach noch einen brudér? dô sagtén mir im, wi er uns
fragét; wi kuntén mir su ebén wissen das er sagén
wert; brengt eier brudér mit héruntér. |
| 7. Un Jehudo sjprach zu seinem fater Jisroeil: sjik den
jungling mit mir, un' mir wellen oifsjtin, un' mir wellen gin, un' mir werden
leben bleiben un' mir werden nit sjterben oich (= ook; in ontk. zinnen = noch)
mir, oich du, oich unser kleingésind. |
7. Da sjprach Jehudoh zu Jisroeil seinem vatér las den
knabén mit mir zihn das mir uns oifmachén un' reisen un'
lebén un' nit sjterbén beidé mir un' du un' unsré
kinder. |
| 8. Ich wil burg for im sein; fun meiner hant selstu in
bégerén. Wen ich in nit werd zu dir brengn un' ich werd in for
dich sjtellen, asô wil ich zu dir gésundigt haben al di teg. |
8. Ich wil burg for in sein fun meiné hendén
sultu in fordrén wen ich dir ihn nit wer sjtellén, su wil ich
mein lebén lang di sjuld tragen. |
| 9. Den wen ess nit wer, dass mir sich (reflexief voor alle
personen) gésoimt hetten, mir weren izundert sjun zwei malt
widergikumem. |
9. Den su mir uns nit hettén tun soimén,
werén mir sjun zweimal wider kumén. |
| 10. Da sjprach ir fatr Jisroeil zu inen: wen dem also hi is,
aso tut dass dôsigé: nemt fun dem kesstlichsten fun dem land in
eiré géfes un' brengt dem man ein présant (geschenk)
hinab, ein winig balsum un' ein winig hunig, alérlei géwirz
(würze) un' ulantwein (myrre-wijn) pfersjing (?) un' mandéln; |
10. Do sjprach Jisrôeil ir fatér zu inen: mus es
den ju (ja) alsu sein su tutess un' nemet fun dess landess besstén
fruchtén in eiré sekkén un' brengt dem man gésjenk
hinab un' ein winig dreiuks (balsem?) un' ein winig hunig un' waks un'
ulindwein un' hanbutén un' mandlén |
| 11 Un' topfél (doppelt) gelt nemt mit in eiré
hend (handen), un' dass gelt, dass dô is werden widergékert in den
munt fun eiré wot sek (voederzakken), dass selt ir widerkerén
(terugbrengen) in eiré henden; filleicht is ess ein irtum. |
11. Nemt och ander gelt mit eich un dass gelt das eich ubn in
eiren sek wider géwordén is, brengt och widr mit eich fileicht is
ein irtum dô gésjehn. |
| 12 Un' nemt eiren bruder un' sjtit oif, kert wider zu dem
man. |
12. Dô zu nemt eiren bruder macht eich oif un' kumt widr
zu dem man. |
| 13. Un' Got der almechtig sel eich barmherzigkeit geben zuvor
dem man, un' dass er eich eiern andern bruder un Binjômin mit eich sjikt.
Un' ich gleich as wi ich bin worden foreinigt fun (= vereenzaamd van = beroofd
van) kinder, Jossef un' Sjimaun, asô bin ich foreinigt fun
Binjômin. |
13. Doch der almechtigé Got gebé eich
barmherzikeit for den man das er los lasé eiren andrén
brudér un' Binjômin, ich abér mus sein wi einer der seiner
kinder gar béroibt is. |
| | | |
| 14. Un di mannén (mannen) namén di
dôsigé présant, un' topfél gelt haben si in
iré hend ginumen un' Binjômin. Un si sjtundn oif, un' si gingen
hinab ken (= gegen, naar) Mizraim, un si sjtundn zufor Jossef. |
14. Dô namén si disé gésjenk un' das
gelt zweifeltig mit sich un' Binjômin, machtén sich oif zu gin
nach Mizraim un tratén for Jossef. |
| 15. Un' dô Jossef Binjômin bei inen sach,
dò sjprach er zu dem der do uiber sein hois gesjtelt war: breng di
mannén in dass hois un' sjecht einé sjechtung (= slacht) un'
béreit einé malzeit an, den di mannén sellen mit mir zu
mitag essén. |
15. Dô sach si Jossef mit Binjômin un' sjprach zu
seinem hoisheltér fir (führe) disé mennér zu hois,
un' sjlachté un richté zu, denn si sollén zu mitag mit mir
essén. |
| 16. Un der man tet gleich as wi Jossef gésagt hot. Un
der man bracht di mannén in dass hois fun Jossef. |
16. Un' der man tet wi im Jossef gésagt hat un
firét di mennér in Jossef sein hois. |
| 17. Un di mannén ferchtéten (= fürchteten)
sich drum dass si waren gébracht in dass hois fun Jossef. Un' si
sjprachen einer zu dem andern: géwiss fun wegén ursach dass gelt,
dass dô das erssté mal is worden widerkert in unsré wot
sek, werden mir ingébracht zu welgérn oif unss (= om ons te
overrompelen) un' zu uiberfallen unss, un' dass er unss wil nemén zu
knechten un' unsré isel. |
17. Dô furchtéten si sich das si in Jossef sein
hois géfirt waréten un' sjprachen: mir sein hir ein géfirt
um dass gelts halbén dass mir in unsré sekkén zu forn
wider géfundn haben das er ess oif uns wil brengén un'
fellé ein urtél iber uns, damit er uns wil nemen zu
eigéné knechten sampt unsré iselén. |
| 18. Un' si génehntn (näheten) zu den man der
dô wer gésjtelt uiber dass hois fun Jossef, un' si rideten mit im
an der tir (deur) fun dem hois; |
18. Drum gingen si zu Jossef sein hoishaltér un rideten
mit im for der hoistir. |
| 19. Un' si sjprachen: génad mein her, mir seinen dass
ersjté mal géwiss gékumen korn zu koifen. |
19. Un' sjprachén: mein her, mir sein forhin hirab
gézugén korén zu kofen. |
| 20. Un 'ess war as mir in di herberg gékumen worren,
un mir haben unsré wot sek géëfint, un' nun dass gelt fun
einem itlichen man war in dem munt fun seinem wot sak, unser gelt mit seinem
géwicht; un mir haben ess wider-gékert in unsré
henden. |
20. Un' dô mir in di harbrég kamén un'
unsré sek oiftetén, sich, su war ein itlichem manss gelt
ubén in seinem sak mit fulen géwicht, darum habén mirss
wider gébracht. |
| 21. Un' mir haben oich ander gelt in unsern henden herab
gébracht, dass mir wellen korn koifen. Mir wissen nit, wer dô
unser gelt hot in unsré wot sek gétan. |
21. Un' habén och ander gelt mit uns hérab
gébracht korn zu koifn, mir wissen abér nit wer unser gelt in
unsré sek géstekt hat. |
| 22. Un er sjprach: fridn zu eich! ir selt eich nisjt ferchtn.
Eier Got un' eier fatérs Got hot eich ein heimlichn sjaz gégeben
in eire wotsek, Eier gelt is zu mir gikumen. Un' er bracht Sjimaun zu inen
herois. |
22. Er sjprach: habt guten mut, fergt eich nikss, eier Got un
eierss fatérss Got hat eich einen sjatz gégeben in eiré
sek, eir gelt is mir géworden. Un er firt Sjimaun zu inen
héroiss. |
| | | |
| 23. Un' der man bracht di mannén in dass hois fun
Jossef, un' er gab inen wassér un' si wesjéten iré fiss.
Un' er gab futer zu iren iseln. |
23. Un' firét si in Jossefs hois un' gab inen wasser
dass si iré fisen wesjten, un' gab iré iselén
futér |
| 24. Un' si bereiteten den présant an, bis dass Jossef
kam um den mitag, den si hatten géhert dass si solten brut (brood) dortn
essén. |
24. unterdesén bereitéten si das gésjenk
zu, bis dass Jossef kam oif den mitag, den si hattén géhert, dass
si aldô dass mitagmul esén sultén. |
| 25. Un' Jossef kam in dass hois un si brachten im di
présant, dass si in iren henden hatten in dass hois un' si neigten sich
zu for im zu der erden. |
25. Da nun Jossef zum hois einging brachtén si im ins
hois dass gésjenk in iré henden un buktén for im nider zu
der erden |
| 26 Un' er fragét nach irem fridn un' er sjprach: is
ess friden zu eirem alten fater, dò ir fun gésagt habt? lebt er
noch? |
26. er abér grisét si freindlich un' sjprach: git
es eirem fatér dem altén wul? fun dem ir mir gésagt het?
lebt er noch? |
| 27. Un' si sjprachen: ess is friden zu deinem knecht, zu
unserm fater; er lebt noch. Un' si bukten sich un' si neigéten
sich. |
27. Si entfrtén: es git deinem knecht unserm
fatér wul un' lebét noch un' si neigtén sich un
buktén for im nider. |
| 28. Un' er hub seiné oigen oif un' er sach seinen
bruder Binjômin, seiner muter sun, un' er sjprach; is dass dôsig
eier klensster, bruder, da ir zu mir fun gésagt habt? Un' er sjprach:
mein sun, Got sul dich huldselig machen. |
28. Un' er hub sein oign oif un' sach sein brudér
Binjômin seiner mutér sun un' sjprach: is dass eier jungster
brudér dô ir mir fun sagét? Un' sjprach weiter: Got sei dir
génedig mein sun. |
| 29. Un' Jossef eilét, den seiné bermherzigheit
hatten sich derhizt kign (jegens) seiné brider. Un er bigerét zu
weinen. Un' er kam in di kamér un' er weinet dorten. |
29. Un Jossef eilét sich, denn sein herz
ontbrennét im kigen sein brudér un' bégert zu weinen. Un'
ging in sein kamér un weinét. |
| 30. Un' er wesjét sein angésicht un' ging
heroiss, un' er war sich oifhalten (hieldzich in). Un' er sjprach: sjtel brut
oif. |
30. Un do er sein angésicht géwesjen hot ging er
hérois un' hilt sich oif un' sjprach: ligt brut oif (brengt brood
op). |
| 31. Un' si richtéten im bisunder an, un' zu inen oich
bisunder, un zu di mizriim di da bei im weren bisunder; den di mizriim
megén kein brut essén mit den juden; den ess is einé
unwirdigheit zu den mizriim. |
31. Un' man trug im bisundr oif, un' inen och bisundr, un den
Mizriim di mit im asen och bisundr; denn di Mizriim darftén nit brut
esén mit den Hebreir denn es is ein groil (Greuel) fer inen. |
| 32. Un si saten zu for im, der ersjt
géboréné gleich as wi seiné ersjté
géburd, un der jungssté nach seiner junkheit. Un' di
mannén forwunderten sich, einer kign den andern. |
32. Un man sezét si kigen im den ersjtgeborné
nach seiner ersjtgéburt un' den jungssten nach seiner jugend, dises
ferwunderten si sich unter ánender. |
| 33. Un er hub oif gésjenk fun for im, zu inen, un dass
gésjenk fun Binjômin merét sich min weder as al ir
gésjenk, finf teil mer. Un si trunken un si wurden trunken mit im. |
33. Un' man trug inen esén for, fun seinem tisj aber dem
Binjômin waréd finf mul mer den di andrén zu géligt,
un' si trankén un' wurdén trunkén mit im. |
| | | |
| Dass fir un firzigste kapitul. |
Dass fir un' ferzigssté kapitel. |
| 1. Un' er gébot dem der dô uibr sein hois
gésjtelt war un sjprach: derfil (erfülle) di sek fun den
mannén mit korn asô fil as si kennén tragen un tu einem
itlichen man dass gelt in den munt fun seinem wotsak. |
1. Un' Jossef béfelét seinem hoisheltér
un' sjprach: fille den mannen iré sek mit koren sufil si firen
megén un lig itlichem sein ge!t ubén in sein sak. |
| 2. Un' meinen bechér den silbern bechér solsst
tu tun in den munt fun dem klenssten sein wotsak un' dass gelt fun seinem korn;
un' er tet gleich as wi di rid (rede) fun Jossef dass er gésagt
hat. |
2. Un' mein silbern bechér lig ubén in dess
jungsstén sak mit dem gelt fer dass korén un' er tet wi im Jossef
hot gésagt. |
| 3. Dos morgéns da ess licht war un' di mannén
wurden hinwek gésjikt, si un' iré isel. |
3. Deses murgénss dô es licht waréd lisen
si di mennér zihn mit iren iseln. |
| 4. Si seinen oissgégangen fun der sjtat, si waren noch
nit weit, un' Jossef sagét zu dem der dô uiber dass hois gesjtelt
war: sjti oif, jag den mannén nach un' du solsst si géreichen un'
du solsst zu inen sagen warum habt ir bis (bös) bézalt an di sjtat
fun gutess? |
4. Do si abér zu der sjtat hinois warén un' nit
weit gékumén, sjprach Jossef zu seinem hoisheltér: oif un'
jag den mennér nach un' wen du si dergreifsst su sjprich zu inen: warum
het ir gutess mit bis fergoltén. |
| 5. Forwar dass dôsig dô mein her oiss trinkt un'
dô er oich géwiss mit-retilt (rätselt, toovert), ir habt uibl
gétan dass ir habt gétan. |
5. Ist es nit dass do mein her ois trinkt un' domit er
weissaget, ir het ibel gétan. |
| 6. Un er géreichét si. un' er sjprach zu inen
gleich as wi di dôsigé wort. |
6. Un' als er si géreicht, ridét er mit inen
sulché wortén. |
| 7. Un' si sjprachen zu im: warum sol mein her riden, gleich
as wi di dôsigé wort. ess sol formiten (verre) sein zu
deiné knecht dass mir selten tun gleich as wi di dôsigé
sachen. |
7. Si sjprachén zu im: warum ridét mein her
sulché worten es sei fermiten fun deiné knechtén
sulchéss zu tun. |
| 8. Nun dass gelt dass mir haben géfunden in dem munt
fun unsré wotsek dass haben mir dir wider gébracht fun dem land
Kenaän. Un' wi selten mir fun deiness herren hoiss sjtelén silber
uder gold? |
8. Sich, dass gelt dass mir findéten ubén in
unsrén sek habén mir wider gébracht zu dir ois dem land
Kenanan un' wi soltén mir den ois deiness hern hois gésjtolen
habén silber udér gold? |
| 9. Bei dem selbigen fun deinen knechten dass er wert
géfunden werden, der sol sjterben un mir wellen oich zu meinen heren zu
knechten sein. |
9. Bei welchém er géfundén wert unter
deinen knechtén, der sei dess tutess derzu wellén mir och
meinéss hern knecht sein. |
| 10. Dô sjprach er: ess sei oich asô izundert
gleich as wi ir géret habt; bei dem dô er wert géfunden
werden, der sol mein knecht sein, un' ir abér selt lideg sein. |
10. Er sjprach: Ju es sei wi ir géret het, bei
welchém er géfundén wert, der sei mein knecht ir aber solt
ledig sein. |
| 11. Un' si eiléten un' ein itlicher nidéret
(laadtaf) seinen wotsak oif di erden, un' ein itlicher efféneté
seinen wotsak. |
11. Un' si eiléten un liget ein itlicher sein sak ab oif
di erdén, un' ein itlicher tet sein sak oif. |
| 12. Un' er suchét, an den gresstn hat er
angéfangen. un an den klensstn hat er folend. Un' der bechér wurd
géfundn in dem wotsak fun Binjômin. |
12. Un' er suchét un' hub am gresstén an bis oif
den jungsstén da findét man den bechér in Binjomin sein
sak. |
| | | |
| 13. Dazu rissen si iré kleider un ein itlicher
ladét seiné lasst dem isel oif. un' si widerkeréten zu der
sjtat. |
13. Dozu rissen si ire kleider un ladeten ein itlicher oif
seinen isel. Un' zugén wider in di sjtat. |
| 14. Da kam Jehudoh un' seine brider an dass hois fun Jossef
un' er war noch dorten un' si filen zufor im nider zu der erden. |
14. Un' Jehudo kam mit seiné bridrén in Josfes
hois, denn er war noch dortén. Un' si filen fer in nider oif di
erdén. |
| 15 Un' Jossef sjprach zu inen: wass is dass dôsig for
ein werk dass ir habt gétan. Forwar ir wisst wul dass asô ein man
gleich as wi ich géwis retéln kan. |
15. Un' Jossef sjprach zu inen: wi habt ir das derfén
tun? wisst ir nit dass ein sulchér man wi ich bin es derrutén
(erraten) kunt? |
| 16. Do sjprach Jehudoh: wass sellen mir sagen zu meinem
heren, wass sellen mir riden uder wass sellen mir sich rechtfertign. der Got
hat di suind fun deinen knechten géfuddn, nun mir seinen knecht zu
meinem heren oich mir oich der selbig dô der bechér in seiner hant
is géfunden géworden. |
16. Jehudo sjprach: wass sollén mir sôgén
zu meinem hern udir wi sulén mir riden, un wass kennén mir uns
rechtfertigen? Got hat di mistat deiner knechten géfundén, sich
dô, mir un' der bei welchem der bechér géfundén is,
seiné meiness hern knechtén. |
| 17. Abér Jossef sjprach: dass sei formiten (vermeden,
verre van) zu mir, dass dôsigé zu tun. der man dass der
bechér in seiner hant is géfunden géworden, der sol mein
knecht sein. Abér ir git oif zu eirem fater in friden. |
17. Er abér sjprach: des sei fermiten fun mir
sulchés zu tun, der man bei dem der bechér géfundén
is, sol mein knecht sein, ir abér ziht hin oif mit friden zu eirem
fatér. |
| 18. Um Jehudoh génehnt zu im un' sjprach: génad
mein her, las doch deinen knecht ein wort riden for den uren fun meinen heren,
un' dein zorn sol nit dergrimen an deinem knecht, den du bisst gleich as wi
Pharau. |
18. Do tretit Jehudo zu im un' sjprach: mein her los deinen
knecht ein wort riden fer di urén meiness herrén un' dein
zorén dergrimé (ergrimme) nit iber dein knecht den du bist wi
Pharau. |
| 19. Mein her hat seiné knecht géfragt zu sagen:
habt ir einen fater uder einen bruder? |
19. Mein her fragét seiné knechtén
un'sjprach: habt ir och einen fatér udér brudér? |
| 20. Un' mir haben zu meinem heren gésagt: mir haben
einen alten fater un' ein jungling, in der elter géboren der
klenssté, un' sein bruder is gésjtorben. Un' er is alleint uiber
gébliben zu seiner muter un' sein fater hat in lib. |
20. Do entfrtén mir: mir haben einen fatér der is
alt un' ein jungén knabén in seiner eltér
géborén un' sein bruder is tut, un' er is alleint iber
gébliben fun seiner mutér. Un' sein fatér hat in
lib. |
| 21. Un' du hasst gésagt zu deiné knechten:
brengt in herab zu mir, un ich wil meiné oigen oif in tun. |
21. Do sjprachss tu zu deiné knechtén: brengt in
hérab zu mir, ich wil génad béweisén. |
| 22. Da haben mir zu meinem heren gésagt: der jungling
kan seinen fater nit forlassen, un wen er seinen fater forlies, usô mecht
er sjterben. |
22. Mir habén géentfrt meinem heren: der knab kan
nit fun seinem fatér kumén, wun er fun im kem, werdé er
sjterbén. |
| 23. Da hasst tu zu deinen knechten gésagt: wen eier
klensster bruder nit mit eich herab kumt, asô solt ir mein
angésicht nit mer sehn. |
23. Do sjprachss to zu deiné knechtén: wu eier
jungster brudér nit mit eich her kumt, solt ir mein angésicht nit
mer sehn, |
| 24. Un' ess war as mir seinen oifgegangen zu deinem knecht
meinem fater, dô haben mir im meiness heren wort forkundigt, |
24. dô zugén mir hinoif zu deinem knecht meinem
fatér un' sagéten im meines heren riden. |
| | | |
| 25, Un' unser fater sjprach: kert wider koift unss ein winig
korn. |
25. Dô sjprach unser fatér: ziht wider hin un
koifét uns ein wineg korn. |
| 26. Asô haben gésagt: mir kennén nit
hinab zihn ess sei den dass unser klensster bruder bei unss is. Asô
wellen mir hinabzihn, den mir kennén dass angésicht fun dem man
nit ansehn, un' unser klensster bruder is nit bei unss. |
26. Mir abér sjprachén: min kennen nit hinabzihn
es sei den unser jungsster brudér is mit uns su wellén mir
hinabzihn, den mir kennen dess mannes angésicht nit sehn wu unser
jungsstér brudér nit mit uns is. |
| 27. Dô sjprach dein knecht mein fater zu unss: ir wiss;
wul dass meiné hoisfroi zwei géwunen hat. |
27. Dô sjprach dein knecht mein fatér zu uns: ir
wisst des mir mein weib zwei géborén hot. |
| 28. Un' der eine is fun mir oisgégangen un' ich hab
gésagt: forwar er is géwiss forzukt (verscheurd) un' ich hab in
nit gésehn bis izundert. |
28.Einer ging hin hinois fun mir un' ich sagét: er is
zurissen un' hab inen nit gésehén bis alher (totnutoe). |
| 29. Un ir welt mir den dôsigen oich fun meinem
angésicht hinwek nemén, un' der tut (dood) mecht im
bégigénen, asô wert ir meiné greisigheit mit bisem
(Bösem) machen nidérn zu der grub. |
29. Wert ir disen och fun mir nemén un im mecht ein
ungéfal widerfarén su werdé ir meiné greisé
har mit jamér hinunter in di grubén brengén. |
| 30. Un' izundert as ich werd kumen zu deinem knecht meinem
fater un' der jungling is nit dô un seiné sil is geknipft an
seiné sil. |
30, Un su ich nun heimkemé zu deinem knecht mein
fatér un der jung wer nit mit uns, weil sein leib an disem leib
hengt, |
| 31. Un' es wert sein as er wert sehn dass der jungling nit
dô is, un' er mecht sjterbn. Un' deine knecht werden machen nidern di
greisigheit fun deinem knecht unsrem fater mit troirigheit zu der grub. |
31. Su wertss gésjehn wen er sicht des der jung nit
dô is des er sjterbt, su werdén mir deiné knecht di
greisé har deiness knecht unseres fatérs mit herzen leid in di
grubén brengén. |
| 32. Den dein knecht is burg géworden bei meinem fater
for den jungling. Un' ich hab im zugésagt: wen ich in nit werd zu dir
brengn, asô werd ich haben al di teg gesuindigt kign meinen fater. |
32. Den ich dein knecht bin burg wurden fer den jung kigen
meinem fatér, un' sjprach: breng ich dir in nit wider su wil ich mein
lebén lang di sjuld tragén. |
| 33. Un' izundert las doch deinen knecht bleibn an di sjtat
fun dem jungling ein knecht zu meinem heren, un' der jungling sol oifgin mit
seiné brider. |
33. Darum lass deinen knecht hibleiben an des jungen sjtat zum
knecht meiness herrén un' den jung mit seinen brider
hinoifzihn. |
| 34. Den wi selt ich oifgin zu meinem fater un' der jungling
wer nit bei mir, filleicht mècht ich sehn an dem bisem dass meinem fater
wert bégigénen. |
34. Denn wi sol ich hinoifzihn zu meinem fatér wenn der
jung nit mit mir is? ich werdé den jamér sehén mussen der
meinem fatér bégegénen wart. |
| Dass finf un firzigsjte kapitul. |
Dass finf un firzigsste kapitel. |
| 1. Dô kont sich Jossef nit lenger oifhalten for al den
di dô bei im stunden, un' er rif: last al di leit fun mir heroiss gin; un
ess sjtund kein man bei im, dô sich Jossef zu derkennén (erkennen)
gab zu seiné brider. |
1. Do kunt sich Jossef nit lengér onthaltén fer
allé di bei im her stundén un' er rif: last ider man fun mir
hinoiis gin, un' kein mensj blib sjtin bei im, da sich Jossef zu kennén
gab an seiné brider, |
| | | |
| 2. Un' er derhub seiné sjtim oif mit weinen. Un' di
Mizriim heréten ess un dass hoisgésin fun Pharau herét
ess. |
2. Un' er weinét loit dess es di Mizriim un' dass
gésint Pharau héréten, |
| 3. Un' Jossef sjprach zu seiné brider: ich bin Jossef,
lebét mein fater noch? Un' seiné brider konten im nit entworten,
den si waren dersjrokken zu for im. |
3. Un sjprach zu seiné brider: ich bin Jossef,
lebét mein fatér noch? un' seiné brider kuntén im
nit entfrén, su dersjrokkén si fer seinem
angésicht. |
| 4. Un' Jossef sjprach zu seiné brider: génehnt
doch zu mir; und si génehnten. Dô sjprach er: ich bin eier bruder
Jossef den ir habt forkoift ken Mizraim. |
4. Dô sjprach er zu seiné bridern: tret doch her
zu mir, un' si tratén zu; un' er sjprach: ich bin Jossef eier bruder den
ir nuch Mizraim frkoift habt. |
| 5. Un' izundert ir selt nit troirig sein, un' der zorn sol
nit dergrimen in eiré oigen dass ir mich alher habt forkoift. den Got
hat mich zufor eich gésjikt, dass ir selt leben bleiben. |
5. Un nun békumert eich nit un' last kein zorn sein in
eiré oigen dess ir mich hiher frkoift habt. denn um eier lebénss
willen hat mich Got fer eich her gésent, |
| 6. Den ess seinen nun zwei jar fun dem hunger inzwisjen dem
land, un' es seinen noch finf jar, dass kein akker un' klein sjnit sol
sein. |
6. Denn es sein nun zwei jar dass der hunger im land is, un'
sein noch finf jar dass kein pflugén noch kein sjneiden sein
wirt. |
| 7. Un' Got hat mich zufor eich gésjikt dass er eich
wil tun ein uiberbleibung in dem land, un' eich bei dem leben zu
béhalten zu einer grusse ontrinnung. |
7. Abér Got hot mich forher gésant das er eich
ibrig béhaltén wil oif erdén eier lebén
béhalté zu einer grussé ontrinug(Entrinnung,
redding). |
| 8. Un' izundert ir habt mich nit alher gésjikt neiart
Got. un' er hat mich gésjtelt zu einem unterweiser zu Pharau un' zu
einem heren zu al seinem hoisgesind, un' ein regiréndiger her in dem
ganzen land Mizraim, |
8. Un' nun ir habt mich nit her gésent, sundrén
Got der hat mich gésezt zum fatér zu Pharau, un' zum hern ibr
allé sein hois, un' zu einem ferssten im ganzén land
Mizraim. |
| 9. Eilt eich un' git oif ze meinen fater un' ir selt zu im
sagen: asô hat dein sun Jossef gésagt: Got hat mich zu einem heren
gésjtelt uibr ganz Mizraim. Kum zu mir herab du solsst nit soimen. |
9. Eilt nun un ziht hinoif zu meinem fatér un sagt im:
dass lust (lasst) dir Jossef dein sun sagén: Got hat mich zu einem hern
in ganz Mizraim gésetzt. Kum hérab zu mir, soim dich
nit. |
| 10. Un' du solsst in dem land Goossen wunen un' du solsst
nahnt bei mir sein, du un deiné kinder un' dein kindesskinder un
deiné sjaf un' dein rinder un al dass du hosst. |
10. Du sulsst wunén im land Goossen un' nahént
bei mir sein, du un dein kinder, un deiné kindesskinder, dein klein un
grus fich un allés wass du host. |
| 11. Un' ich wil dich dorten sjpeisen, den ess is noch finf
jar hunger, filleicht mechsstu forarmen du un' dein hoisgésind un' al
dass du hosst. |
11. Ich wil dich dorten fersurgén den es sein noch finf
jar dess hungerss oif dass du nit ferdarbst mit deinem hois un' allém
wass du host. |
| 12. Un' nun eire oign sehness un' di oign fun meinem bruder
Binjômin dass mein moil mit eich ret (loosjen hakaudesj). |
12. Sich nun, eier oigen sehn un' di oigen meinéss
brudérs Binjomin dass ich mundlich mit eich tun riden. |
Dat aanvankelijk de Joden, gelijk overal hun vroegere taal
zóó vasthielden, dat ze er zelfs geen Nederlandsch bijleerden,
mogen we afleiden uit het feit, dat in 1619 te Amsterdam een elementair
cijferboekje in 't Jodenduitsch verschenen is. In 1652 en 1697 verschenen er
twee edities van de ‘Teutsch apteik’ door | | | | Avkat
Roechel; in 1718 verscheen er ook waarschijnlijk het bekende Ahasverusspel
‘Achasjaweresj-Spiel. Auf einem neuen ofen gleich einer opera, un' is
ausgezogen vun targum sjoni umidrasj jalkut un' anderen midrasjim un' auf eine
solche manier gistelt gleich wie es vun rechten komoedianten gespielt
wert.’ En zoo bleef het in den loop der 18de eeuw. Alleen van
de bekende Zennerenne (Tsena Oerena) verschenen te Amsterdam tien edities,
achtereenvolgens in 1648, 1669, 1690, 1703, 1711, 1722, twee tegelijk in
verschillend formaat in 1732, dan weer in 1737 en eindelijk een laatste in
1811. In 1743 en 1771 werd de Josippon of Jossifon opnieuw gedrukt. Een heele
nieuwe bijbelvertaling met de verklaringen van Rasji erbij, verscheen te
Amsterdam tweemaal, eerst in 1735 en daarna in 1755. Het is echter de vraag, of
deze het werk is van een Hollandschen Israëliet. Maar verder zagen nog tal
van kleinere geschriften en pamfletten hier het licht, alle zeker door
Amsterdamsche Israëlieten, meest Rabbijnen geschreven, en die ons in de
Bibliotheca Rosenthaliana te Amsterdam zijn bewaard gebleven. Wie later het
Amsterdamsch dialect nauwkeurig onderzoeken wil, zal deze bronnen niet mogen
voorbijgaan. Voor mijn doel meende ik te kunnen volstaan, met nog een blik te
slaan in de Sj'êrith Israël, een oorspronkelijk
Nederlandsch-Jodenduitsch werk van Menachem Man, en de Machsor, Tefilloth,
Techinnoth en andere gebedenboeken, hier in die dagen gebruikelijk. Het
eerstgenoemde werk behandelt, gelijk de titel aangeeft: ‘Het overblijfsel
van Israël’, en wemelt van Hebreeuwsche woorden en uitdrukkingen,
maar ook van Hollandismen.
Naar de transscriptie van Grünbaum geef ik hier eerst een
stukje uit de Voorrede, en daarna eenige episodes uit het boek zelf. Gelijk ik
boven al zeide, is deze transscriptie, wat de klinkers en tweeklanken betreft,
niet altijd even goed te vertrouwen.
| |
Vorrede.
‘Gedenke der Tage der Vorwelt ... frage deinen Vater und er
wird dir erzählen, deine Alten und sie werden dir sagen’ und bemerkt
hierzu:... Un' freg dein elste, das seinen die gelernte, die wern es dir sagen,
den das über denkung von die alte zeiten brengt den mensch grose nuzen zu.
Den zum ersten brengt es an den menschen zu Jero un' Ahawo
1) den
wen man leient wie das hakodausj boruchu
2)
seine gassidim
3) gleich als unsre heilige
oves
4), geholfen hat, un' hat
sie grose nissim
5) getan, da durch lernt
der mensch, das er hak. bor.2) sol ach lib haben un' sol sich
forchten vor im.... Un' mer grose muzen, das man der vun kan lernen, es sei in
derech erets
6) es sei in andere
sachen was den mensch vorkumt. So er geleient hat was vor alte zeiten
geschehn is, den kan er sich ein exempel der vun nemen, gleich ein
goochem
7) hat gesagt die gelerntheit
macht einem alt sunder jaren; den wen der mensch schon jung is un' hat viel
geleient un' gelernt, weis er vil mer als ein ganz alter mensch der nix gelernt
hat. Darum haben ach unser gachomim mefauresj gewesen
8) den
posuk
9)
‘we-hodarto penei zokein’ das is teitsch: das die | | | |
Thauro
1) hat
gesagt, du solst kowet
2) anton den alten, das is
gemeint, der ein goochem is, wen er schon jung is. Un' das is ach der thangam
3) das hak. bor.
4) hat
gelast an mausje rabbeinu
5), schreiben vun
bereisjis bis hachaudesj hazee lochem
6)
das seinen nor verzelungs un kein mitswaus
7), gleich Raschi schreibt;
das is darum um das durch die verzelung vun die alte zeiten ken der mensch sich
lernen gute wegen zu gehn un' gute maniren, gleich der groser Goochem
Rabbi Leiwi Ben Gersjon gemacht hat auf die ganze Thauro, was vor nuzen das man
vun itliches mangse
8) kan lernen; es
wert geheisen Taung aliyaus horalbak gleich schon gedrukt is beloosjen askenaz
9) in die bibel.
Was sol ich vil schreiben was vor ein nuzen das die warhaftige histories
sein, den es is schon geschrieben in die hakdomo miseifer Jausiphon
10). Un' ob einer welt sagen, wie kumt der sich zu vergleichen
sein schreiben zu das schreiben vun Jausiphon, den Jausiphon is gemacht worn
durch Rabbi Jauseif Ben Gorion, der war in die zeiten vun Beis Hamiktosj
11), ein kauhein
12) un' er is ein groser
man gewesen, ach is er gewezen der bruder vun den nakdimon bengorion
13), un' ich bin ein
gemeiner man, der nit zu vergleichen is in das tausenste teil zu so ein groser
man, da auf entfer ich: Die gachoochim
14) haben gesagt, kabeil ho
emmes mimi sje'omrau, das is teitsch, nem an die warheit vun der es gesagt hat,
den die warheit bleibt alzeit warheit, es mag gesagt wern vun wem es is,
den ich bin in die sach gleich als Jauseif hakauhein
15), den was in
sein zeiten geschehn is, das hat er geschriben vun sich selber, aber was vor
sein zeiten geschehn is, das hat er ausgeschriben vun andre bücher, die
geschriben haben die gachmei ho umaus
16), gleich er selbert schreibt auf vil erter. Das
hab ich ach getan un' hab geschriben ale sachen die uns Jehudim
17) seinen über gekumen
(aus vielen werthvollen büchern) un' der bei hab ich gebracht sachen mi
kamo sifrei umaus
18)
die bekent sein vor warhaftige schreibers. Un' ich hab mein seifer
19) den namen gegeben Sjeeiris
Jisroeil
20)
vun drei thəngomim
2l) wegen. Eins is, weil es
verzelt wie es gegangen is die über bleibsel vun Jisroeil nach den das in
gurban bajis risjaun
22) die zehn sjewôtim
23) seinen vertriben geworn
auf verborgne erter, un' es seinen nor über gebliben Sjeiwit Jehudo un'
Binjômin
24) un' ein
winig vun Sjeiwit Leiwi
25). Der zweite Thangam
is, weil der posuk sagt in Sefanje. Kapittel 3... das is teitsch: Das über
bleibsel vun Jisroeil, die wern kein umrecht tun, un' sie wern kein ligen
reden, un' in ir maul wert nit befunden wern ein listiger zung, den sie wern
weiden un' hauern un' keiner wert sie derschreken. So ach ich, mechabber
haseifer
26) bin
vun die über bleibsel vun Jisroeil, ich hab in mein seifer kein sach
geschriben das da sjeker
27) is, den ich hab die
sachen wol nach gesucht ob sie war kenen sein. Der driter thangam is, das ich
das seifer hab geheisen Sjeeiris Jisroeil, weil aus den posuk gewisen is, das
Jisroeil kein falschkeit tunen un' kein sjeker reden gleich als man sie vil
bilbulim
28) hat zu
geworfen, die ale ngalilausj sjeke
29) sein
gewesen. Da über seinen kamo kehillaus kedausjaus
30) gestorben
ngal kedusjas hasjeim
31), un' sie haben kein ligen gewelt reden um sich kaufer zu sein
32). Darum hab
ich geschriben in das seifer ale sachen es sei guts oder bes was Jisroeil is
über gekumen (von der Zerstörung des zweiten Tempels bis zum jetzigen
Jahre 5503). Ein goochem godaul
33) hat in alte Zeiten
tun sagen, das mir tut ser wol behagen: Es is mit ein seifer, oder ein buch
| | | | aso gestelt, gleich mit ein gros bewachsen ofen feld, den der ochs
tut das gras zu sein speis draus reissen, die binen tunen honik un' wachs vun
die blumen beissen, das chazzer
1) das wult un' grabt
die worzels aus, die storch krigt drin den egdis
2) un die kaz die
maus, der mensch klaubt draus kreitich
3) um der mit zu
heilen ein wund, un' die spin sugt draus gift das vil mal den menschen
macht um gesund, So orteilt ein ider mensch der ein seifer tut lesen,
gleich sein art is un sein natuerlich verstand un' wesen.
Fol 24a aus dem 8. kapitel. - Dernach is MACHMED
(Mohammed) geplagt geworn vun das chauli naupheil
4), das im vil mal
mal über kam. Sein fra (Frau) die wolt dest wegen vun im abgescheiden
sein, aber er hat sich vor ir verentfert, das es kam vun das wein
trinken. Da hat er ir belobt, um kein wein mer zu trinken, mar
die krenk last doch bei im nit nach, darum um sein frah zu friden zu stelen,
hat er aus getracht, das es im über kam, weil der malach
5) Gawriël sich zu im
beweist un' lernt im ein neie wet zu schreiben, das er drum in die zeit
so vun sich selben is. Un' wen das gulas
6) vun im auf hert da hat er
al zeit die werter in sein mul gehat: in den namen vun den gnadiger un'
barem herziger got. Darum gefinden mir vor itliches kapitel in das Alkoran stet
diese spruch. Un' über die krenk hat er kein wein getrunken un' ach kein
chazzerfleisch gegessen, den das is um gesund vur die krenk, un' darum hat er
ach in sein wet verboten wein zu trinken un' ach kein chazzerfleisch zu
essen an ale die an im globen. Der nach um sein sach zu
versterken, das itlicher sol glaben das er ein nowi
7) is, hat er gewent
an ein taub, das sie ir speis sol holen aus sein ohr. Da hat er ale zeit
krimlich
8) brot in sein ohren
getan, da kam die taub un' esst es aus sein ohr, da hat er vor das volk
gesagt, da es is der Ruach ha kaulisj
9) der im in
luspert newieaus
10). Un' dernach hat er sein Alkoran geschrieben,
dorch die hilf vun ein minch
11) der ein ab
gefalener notsri
12) war,
un' ein Jehudi. Drum sehn mir in das alkoran das es vermengelt is mit
die bicher vun die notsrim12) un' ach vil vun unser Thauro un'
Gemóro un' Midrôsjim. - (Fol. 25a). - In die selbige
zeit hat verendert der kinig Machmed ir nowi ir namen, das sie nit mer soln
heisen Hagriim nach Hagar, den er hat sie den namen gegeben Saratzenen nach die
namen vun Sara die ein herin war, un' das sie nit mer soln heisen nach Hagar,
die ein dinst meid war... Machmed hat die Jehudim bestraft, warum das
sie im nit wolten geben ir mangse
13), den es sagt: Das
selbige das man gibt an den nowi von got, das is so vil als wen man es selt
geben an got. Da entfernt ein Jehoedi der geheisen was Pinches, der gestelt war
um zu reden vor die Jehudim, der entfernt kurz weilig, das es aus zu lachen wer
ein armer got zu sein, un' die menschen soln reich sein, das got die menschen
um gelt schazung versucht. Die spot achdige entfernt verdrist an
Abu besjr der neben Machmed stund, un' der hechster Kalif war, das er dem
Jehudi im schlak (Schlag) gab un' wolt im selbert umbrengen, um diese entfernt
in sein blut ab zu weschen, doch Machmed wolt es nit leiden. - Die tot vun
Machmed wert auf vil arlei maniren verzelt. Etliche sagen, das er durch
ein sam hamowes
14) das man
im hat in gegeben is getet geworn, un' etliche sagen vun das chauli
naupheil
15), un' etliche
sagen, vun pein in die gederm is er gestorben. Un' etliche sagen, das er
begraben is in die stat Jangtraup
16), un' etliche
sagen in die stat Mekka, un' sie sagen das man noch in dise zeiten seht in ein
tempel sein tot kist hengen in die luft, der weil das die tot
kist is vun eisen, un' das ale vir eken vun das cheider
17) wo er drin hengt magnet
stein is, un' das hat die natuer an sich um das eisen zu sich zu
zihn.
Fol. 31b aus dem 10. kapitel. Rabbi Jehudo Aleiwi, der
da hat gelebt in die zeit das man hat gezelt 4900 der hat manchtik gewesen
18) das seifer
hakuser aus das loosjen vun Kuzri | | | | in Loosjen hakaulisj. Da er
fufzig jar is alt gewesen, is er arauf gezogen nach erets Jisroeil, un' da er
is gekumen an die toren vun Jerusjolaïm, da hat er seine kleider zurissen
un' is barfisug gegangen auf der erd, um mekajim zu sein
1) den posuk: Ps.
102:15, das is teitsch: Deine kinder haben bewiligt die steiner vun erets
Jisroeil, un' ir erd haben sie geleit seligt; un' er is gegangen un' hat
geweint, un' hat geklagt die kinne
2), die er gemacht hat,
un' ein Jisroeil der das gesehn hat, der hat sich an im mekange
3) gewesen, weil es so
ernst is, un' hat mit sein ferd im über ritten un' hat im getet.
Das 15 kapitel: SAMARIA... Un' der nach is er (Binjamin) gegangen
nach Sjaumraun
4) da ken man noch sehen das
paleis vun Achab der king Jisroeil; un' es is ein feste stat, auf ein
berg, un drin sein mechtige kwal brunnen un' rawiren, un' gerten,
un' baum gerten un' elber
5) gerten. Da
wonen keine Jehoedim drin. Un' vun dorten is zwei meil nach die stat Nabiles,
das is die stat, die in die Thauro wert geheisen Sjechem, un' díe stat
is zwischen den berg Gerisim un' den berg Ngeiwol. Un' da wonen gar kein
Jehudim, neíert hundert Kusiïm, das seinen die Sjaumraumnim die
halten nit mer als Thauras mausje
6), den sie haben
nit mer als Thauras mausje un' Seifer Jehausjoeang
7), un' sie
seinen sich nit mischatten
8)
als mit kauhanim
9) der worten das sie
mit andere nit soln vermischt wern. Un' sie tunen noch den heitiger tag
korbônaus
10) auf brengen in ir schul
11) dem sie haben auf den
berg Gerizim un', sie sagen das ir schul is ein beis hamiktosj, un' an die
jomim tauwin
12) tunen sie makrif sein
korbônes
13) auf das misbeir
14) das sie haben gebaut auf
den berg Gerizim; un da an ken man sehn, das sie nit seinen vun die
zêrah vun Jisroeil, den sie wissen die ganze Mosjeh Thorath busen
(behalve) die drei Othioth (letters). Un' die Sjaumraumnim hiten sich, das sie
sich nit metamme sein
15) an ein
mes
16) oder an ein bein
vun ein mes oder an ein kever
17), un' die kleider die sie
taglich an tunen, die tunen sie aus wen sie gehn in ir schuln, un' sie seinen
sich erst tauwel
18) in wasser.
Un' auf den berg Gerizim seinen gute kwel brunnen un' baum gerten, un'
der berg Ngeiwol is dor mit felsen und steiner, un' zwischen die zwei bergen is
die stat Sjechem.
Kap. 16 Fol. 61a vlgd.... hagochem hagodaul der grosser
goochem RABBIAWRôHOM Bar Meier Ben Ezra der da hat ein peiroesj
19) gemacht auf ngesrim
weärbang
20),
un' hat ach vil Sefôrim
21) gemacht an aler lei
gochmes in die rechen kunst un' in die techuno, das is die lauf vun' die
kauchowim
22) un' mazolaus
23)...
Ach war er ein groser goochem in die doktrei. Un'er is al sein lebens
tag arum gereist in den ngaulom
24) um noch mer gochmes
zu lernen, gleich man ken sehen an das aus lassen
25) vun sein Seforim
26))...Un' der sjalsjelesj
hakabolo schreibt, das rabbi Jehudo Aleiwi der da geschriben hat das seifer
hakkuser, der is gewesen ein groser ngausjer
27), un' er hat nit mer
gehat als ein tochter, die war sehr schen, un' da sie is gros geworn, da hat im
sein frah kein ruh gelassen, das er ir sol ein man geben. Da is er ein mal
über ir brauges
28) geworn un' hat ein
sjewuë
29) gethan, das er sie wil
ausgeben an den ersten Jehudi der im begegnen wert. Un' es war auf den morgen,
da kam rabbi Awrôhom, Ben Ezra zu gen mit schlechte zu rissne kleider,
un' da die frah gesehn hat den armer jung da hat sie sich dermeint an die
sjewuë vun ir man, da hat sie im gewelt aus forschen wer er is, un'
ob er Thauro kent, da hat er sich nit zu ir zu kenen gegeben, un, hat sich
gemacht gleich als wen er gar nix kent. Da ging die frah in das beis hamedrosj
30) zu ir man, un' hat
geweint vor im, das er ir tochter nit sol geben an ein amorets
31). Da sprach ir man
Rabbi Jehudo zu ir: Hab kein mauro
32), ich wer schon mit
im
| | | | lernen, un' wer im zu ein groser lamden
1) machen. Da kam rabbi
Jehoedo zu im un' redt mit im, aber der rabbi Awrôhom hat im sein recht
namen nit gesagt, un hat sich an gestelt gleich als wen er gar nix kent. Da hat
im der rabbi Jehudo gebeten, er sol doch sich fleisen um vun im zu lernen, da
hat er sich angestelt gleich als wenn er anfangt zu lernen. Un' es geschach an
ein nacht das der rabbi Jehudo lang war aus bleiben in das beis hamedrosj, den
er hat das selbig mal gemacht den piut
2) der sich
anfangt hodaung gasso decho, un' er hat gehalten an das gesez das sich sol
anfangen mit die reisj
3) das is im ser
schwer gefalen. Da hat im sein frah gerufen aus das beis hamedrosj un' hat im
stark gebeten, das er sol aheim kumen zu essen. Da er nun war derheim, da fregt
im Awrôhom ben Ezra, was im is koosje
4) gewesen, das er aso lang
is gebliben in das beis hamedrosj. Da hat der rabbi Jehudo aus im gespot un'
sprach zu im: Du kenst mir doch da in nix helfen. Un' Rabbi Awrôhom. hat
im aso lang maftsieër gewesen
5) das die frah is gegangen
in das beis hamedrosj vun ir man, un' hat das geschrift gewisen
6) an den Rabbi
Awrôhom. Da hat er die pen in die hand genomen, un' hat in
den piut ver richt auf zwei, drei erter, un hat der nach weiter
geschriben die reisj. Un' da Rabbi Jehudo die sach hat gesehn, hat er sich ser
mesameier gewesen un' hat im gehalst un' gekusst, un' sprach zu im: Ich sehe
nun wol, das du bist der ben Ezra un er hat es bekent das er es is. Da hat im
der rabbi Jehudo gegeben sein tochter un' al sein gelt un' gut. - Un' der Rabbi
Awrôhom ben Ezra is gestorben, da er alt war finf un' sibzig jar; da hat
er auf sich gesagt da er hat geselt starben.... das is teitsch: Awrôhom
war finf un' sibzig jar alt, da er is araus gegangen van den grim zorn
vun dem ngaulom; un' das war in das jar das man zelt 4934.
In diese zeiten is ach gewesen in Spania Rabbeinu Bechaai hazokein
der hat gemacht, das seifer Chauwaus Halle wohaus
7) in
loosjen Arwi
8), un' rabbi Jehudo
ben Tibon der hat es tranzeltirt in loosjen hakaudesj
9). Der
sjalsjeles hakabolo schreibt, das er hat gefunden geschriben, das der rabbi
Maimon hat sich vor genumen gehat um gar kein frah zu nemen, un' da er nun is
gewesen in sein halbe jaren, da is im zu cholum
10) gekumen, das er sich sol
nemen zu ein frah ein tochter vun ein katsef
11), der da hat gewont in
ein andre stat nahent zu Cordova. Un' der rabbi Maimon hat den cholum nix
geacht, da is der cholum zu im gekumen gar vil mal, bis das er is gegangen da
hin un' hat den katsef sein tochter genumen zu ein weib, un' sie is vun im
tragen geworn, un' es ging schwer zu in das gewinen un' sie is gestorben. Un'
der nach hat der rabbi Maimon ein andre frah genumen un' hat kinder mit ir
gehat. Un' der sun vun die tochter vun den katsef, das war der RAMBAM, der hat
nix gekent lernen, un' hat winig lust gehat zu lernen. Un' er hat gedacht, das
er sein leben tag nix wert lernen, darum hat er im vertriben aus sein haus. Un'
der Rambam is gegangen schlafen in die schul, un da er zu morgens is
wacher geworn, da hat er sich befunden das er ein ander mensch war. Da
is er awek gelofen vun sein vater, un' is gegangen in die stat wo da hat gewont
der rabbi Joseiph ben Migâsj, un' er hat angefangen vun im zu lernen un'
is ein ser groser talmid chochem geworn. Nach etliche jaren is er wider
gegangen nach Cordova, un' is nit gegangen in sein vaters haus, neiert
12) an sjabbes hat er sich gestellt in die schul darsjenen
13) wunderliche sachen
un' grose chochmes
14). Un' nach die droosje
15) seinen gekumen sein vater
un' seine brider, un' haben im gekusst un' haben im freintlich
ontfangen...
Ten slotte geef ik eenige staaltjes uit Joodsche gebedenboeken.
Tusschen 1800 en 1804 verscheen te Amsterdam een bundel van vier bijeenhoorende
gebeden- | | | | boeken: Het eerste heet ‘Seider hattefillous mikkol
hasjôno kəminnək Asjkenâs im paresjious
oepərôkim sjir hajjichoet tehêlim oe techinnous’,
d.w.z. orde der gebeden voor geheel het jaar, naar Duitschen ritus met
bijbehoorende Thorapericopen, spreuken der Vaderen, psalmen en smeekgebeden, te
Amsterdam 1800. Het titelblad geeft behalve dezen Hebreeuwschen titel nog de
volgende Jodenduitsche toespraak, die ik, gelijk de volgende Jodenduitsche
teksten, ter gemakkelijker vergelijking met het Joodsche Nederlandsch, in
zooveel mogelijk Hollandsche spelling transscribeer: Ier waiber, maiden oen
kalles, betracht diezem sjainen saider hattefilles (gebeden) wie da forsjainen
die grausse ousijes (letters), oen (oem) bekwaam tsoe laaienen (lezen) for
sekainiem (oude mannen) oen sekaines (oude vrouwen). Ouch ies hakkol (alles)
kesaider (naar volgorde) an sainem oert tsoe fienden. Man broucht niet tsoe
zoechen foen foornen bies hienten, dabai sain gedroekt fiel sjaine
techinnes (gebeden), wie ier weert fienden bekamo mangeles (in hooge mate). Op
de laatste bladzijde staat een mooi avondgebed, dat ik overdruk. g is altijd
G.
| |
Ain sjain
1) nacht laaienen for
waiber oen' maidlich
2) ie zi ziech wellen
sjlafen liegen.
Iech befeel main ziel ien Gottes hand.
Asr miech hat foen moeter laib gesant
der ies main hielfer oen' baisjtand,
sain hailiger namen ies ien der gantsen welt gar waul
bekant.
Main forsiechroeng haab iech auf diech main Got,
lass miech niet weren main faint tsoe sjpot.
gieb mier hielf tsoe halten dain hailiges gebot
Dain barmhertsikait kain end hot.
Ietsoenderd bien iech anberait liegen tsoe gain
dain hailiger namen sol sjteets bai mier sjtain
er sol miech behieten oen' bewaren haint
3) oen' immerhain (immerhin)
lass miech haben in daine augen cheesəd oen' chain.
4)
Iech lieg miech niedər tsoe rasjt oen tsoe roe
auf diech main Got iech main fersiechroeng toe
doe solst miech behieten oen' bewaren for allem baisen
5)
oen' solst oens bald aus oensren goloes
6) derlaisen
7)
las miech widder derwachen friesj oen' gesoend,
as iech diech kan lauben miet mainəm moend
das biet iech diech aus hertsen groend
derheer
8) miech doch tsoe
diezer sjtoend.
haab iech heint diezen taag gesiendigt
iech auder eines foen main hausgesiend
solst doe mier fergeben wie man gesjrieben fiend
as wie doe fergiebst ein ietlichen froemen Joedenkiend.
Dein kouwet
9) ies foel
ien der gantsé welt ien allé fier ekken
lieber Got las miech ien der fienster nacht niet sjtekken
las miech kain baise chaloumes noch roeches
10 niet dersjrekken
miet dain hailigen namen las miech widder aufwekken.
Auf Got sain laub ies das lied worren gemacht
| | | |
das sol werren gesoengen haint oen allé nacht
as doe solst oens nemen ien dainer acht
as wie doe Got host auf oensré ouwes
1) getracht.
Omein
2) ien Gottes namen es sol
werren waar
das bienjem beis hamiekdosj
3)
sollen mier sehen miet oensré augen klaar
es sol biem hairo
4) werren waar.
Goeté meloochem
5) sjiek oens foen
hiemel, oen' fiel goeté sjaren
di sollen oens behieten oen bewaren
fer allém baisen oen fer tsaren
6)
das oens sol niks bais widderfaren
De titel van het vierde gebedenboek is deze: ‘Seider
Techinnes auf allé Taag oen' Sjabbes wejomiem touwiem auch wen man
r(ousj) ch(oudesj) bensjt, oen' wen man sjoufar bloost’ d.w.z. orde der
smeekgebeden op alle sabbat-en feestdagen ook als men nieuwe-maansfeest bidt en
als men den bazuin blaast. Wail mier haben geseen die mainsté Techinnes
sain gewesen das loosjen
8) gaar sjlecht, alsou haben
mier es ien ain besseré fersjtendnies oen' loosjen gemacht recht, te
Amsterdam (5)564 = 1804.
Slaan wij nu, eer wij verder gaan, nog een blik op al die
Jodenduitsche teksten, dan zien wij A. in de klanken: 1o. een
algemeene lippenontronding der klinkers: ö wordt tot i, ê en ai,
könig: kinig, hören: heren, bös: bais; ü werd tot ie:
hülfe: hielf, Jüdisch: jiddisch, behüten: behieten; eu werd tot
ei, zoo euch: eich, euer: eier, teutsch: teitsch; (niwaere, neuer) neuar:
neiart (nur); au werd tot oi, o en a: zoo kaufen: koifen, kofen enz., auch:
ach; 2o. eene vernauwing der klinkers: könig: kinig, wenig:
winig, von: vun, sollt: sult, kommen: kumen, gezogen: getsoegen, gehn: gien,
stehn: stien, du hast: host, er hat: hot, da: do, dasige: dosige, ja: jau, jo,
joe, so: soe; 3o. en dientengevolge soms diphtongeering: bös:
bês: bîs: bais, wohl: wôel: waul, gehn: gîen: gain,
stehn: sjtîen: sjtain, immerhin: immerhain, amen: omein, bees: beis;
4o. overeenkomstig de Joodsche sterk-ontwikkelde perseveratietendenz
een opvallend sterke persevereerende assimilatie: achtbar: achpern, antworten:
entfern, brantwein: bronfen, kindbett: kimpett en daaruit volgende achter-en
tusschenvoegingen van d en t, zoo: vorn: *vornn: forent, von
deswegen: *von desswegen: fun destwegen, lügen: *ligenn: ligent, korn:
*kernnel: kerndel, stein: *stênnel: stêndel, bên:
bêndel, hun: hindel, stern: sterndel, zon: zendel, hon: hendel, kin:
kindel, kan: kendel enz. enz.. B. in de grammatische vormen een beginnende
Creoliseering: 1o. de buigingsuitgangen van lidwoord en adjectief
zijn reeds voor het grootste deel verdwenen; Acc. en Nom. vallen samen; de
geslachten komen ook leelijk in de verdrukking, het onzijdig verdwijnt. Soms
neemt het Duitsche woord het geslacht aan van het gelijkbeteekenend
Hebreeuwsche woord en omgekeerd: der Pferd, das Susz. Enkelvoud en meervoud
zijn meestal isosyllabisch en alleen door den Umlaut onderscheiden.
2o. De werkwoordsvervoeging is erg vereenvoudigd. De twee- | | | | de
en derde pers. Sing. vallen samen, de Umlaut valt weg, de zwakke
en sterke werkwoorden loopen dooreen. Het Praeteritum wordt overeenkomstig de
Israëlitische mentaliteit, altijd omschreven met hebben of zijn. Ons
Imperfectum toch schildert, voelt mee, maar de omschreven verleden tijd
constateert, neemt nota en daarmee uit. Het hulpwerkwoord van het Futurum is
voor den Crastinist teekenenderwijze: welen (willen). 3o. Bij de
pronomina is mir = wir, en sich het reflexief voor alle drie de personen (een
Slavisme), het relatief is meest wos (was). C. in de woordvorming zijn de
hybridische afleidingen opmerkelijk. 1o. Allerlei Hebreeuwsche
woorden met Duitsche uitgangen, ich dibber, du dibbert, mir dibbern, ich hob
gedibbert; ponim: pönemer: penemer. 2o. Duitsche woorden met
Hebreeuwschen uitgang, vooral -te, zoo Schwiegerte: Schwiegermutter naar
Rebbezente, Sjochente etc. en teufel: teiwel: teiwlonisch naar
gaslonisch van hebr. gaslôn. 3o. Overeenkomstig de ons ietwat
plakkerig aandoende familiariteit: een overvloedig gebruik van diminutiva,
enkelv. el, -del, -chel, meerv. -lich of -lech. 4o. Bij de
telwoorden de weer echt-Joodsch vooruitloopende vormen: andertalben, dritalben,
fertalben = anderhalf, derdehalf, vierdehalf. 5o. Zeer veel nomina
agentis op -er. 6o. Bij verba vervangt zu- als praefix het Duitsche
zer-, en het ook elders in het Mhd. voorkomende der- het nhd. -er. D. In den
zinbouw is de frequente coördinatie, waar wij subordineering gebruiken
opvallend, verder is het typisch dat de Duitsch-Nederlandsche bijzinconstructie
bijna niet voorkomt, en dat in het algemeen de voorwerpen en bepalingen liefst
achter het ww. komen. De Germaansche zinstructuren zijn den Israëliet te
synthetisch, hij geeft de voorkeur aan de analyse. Men heeft hier, gelijk boven
reeds werd opgemerkt, ten onrechte Franschen invloed in gezocht. Wij hebben
hier niet met historische, maar met psychologische
‘Elementarverwandtschaft’ te doen en verder met Hebraïsmen.
Ook neemt het persoonlijk lijdend voorwerp graag de praepositie an voor
zich. Het subject wordt opvallend vaak weggelaten. Zeer dikwijls worden
eindelijk voor actieve werkwoordsbegrippen, Hebreeuwsche participia met het
werkwoord ‘sein’ gebruikt, weer een typisch uitvloeisel van het
actief-bewegelijk Jodenkarakter, immers voor hem is zijn: werken! Eindelijk
vele pleonasmen - weer echt voor hun perseveratie-tendenz: Er sage zu sagen.
Heren hot er dos nit gehert. enz.
Zoo had zich dus door de isoleering, der overal in kleine groepjes
bijeenwonende Joden, een nieuwe Germaansche groeptaal ontwikkeld, die van
Amsterdam tot in Bohemen, Moravië en Litauwen haar
vertakkingen had. Juist door dat isolement konden in deze taal vele
Middelhoogduitsche woorden en uitdrukkingen blijven leven, die elders reeds
lang waren ondergegaan, terwijl er uit de Slavische, Baltische en Nederlandsche
talen een groote hoeveelheid nieuwe elementen binnendrongen. Midden in de
18de eeuw verscheen echter de | | | | onbetwijfelbaar groote
geest Moses Mendelssohn als een reus in de Duitsche Jodengeschiedenis. Deze,
betreurend het isolement zijner geloofsgenooten, die deels voorzeker aan hun
altijd verder afwijkende taal te wijten was, begon zich tegen het gebruik van
het Jodenduitsch te verzetten, en spoorde onvermoeid zijn vele getrouwen aan,
toch het gewone Hoogduitsch te leeren lezen, spreken en schrijven. Hij had
succes. En sinds die dagen heet het Jodenduitsch bij de Israëlieten zelf
‘het Jargon’. Deze beweging sloeg ook naar Holland over, en nu
begonnen vele Joden ook hier, min of meer de Nieuwhoogduitsche schrijftaal over
te nemen. Zoo vinden wij in een Machsor van 1828, te Amsterdam gedrukt, deze
bijvoeging: fierte durch aut ferbesserte mit nauer (neuer) und reine deitsje
ibersetzung vermehrte auflage. Daarin heet het o.a., nu weer getransscribeerd
in Duitsche spelling:
| |
Gebet der nazin
Eine nazin di du bewahrest wi augenbild naht
dich fleht si an, du mechtest si fir misihre
o schaue huldreich auf si herab! bescheide
erbarme dich deines folkes, und gewehre ihm
Am akten tage besjtimme freide mir, und
fernim mein gebet, o heiliger! Am sjlusse des
festes, fleht es um milden regen; gewehre ihm!
schaue huldreich aus deinen himmeln herab;
denke an das bindnis mit der urfetern und sei
deren nakkommen erbermungsfoll.
und sind si auch fom pfade der tugend ab-
gewichen - o so sei ihnen gnedig!
ferleihe ihre fehltritte, und las ihnen heil
dir flehen si mit ganzem herzen;
du heilst zerbrokene herzen;
o bau ihn wider auf, den art ihres augen
merks und herzen sluss. -
forleihe ihre sinden, erhalte deine bundes-
kinder, der frommen gebete halben. -
Allgitiger himmelthroner! las si bald ein-
treten di zeit ihres trostes; las erwaken di in
Allmechtiger hehenbewohner! der begeben-
heiten urheber! Nim si wieder auf, deine
ferstossenen! las aufheren deine hasser: er-
freie deine liebenden im reiche, fihre ihn
las ihn hoch glenzen deinen heiligen nun
Und seine feinde ferstummen. Sihe, dir feiert
lobsingend di gesammte gemeinde; fernim
di stimme ihrer bitte! da sjtehet si flehend;
pakt an deine pforten und huldigt ununter-
Wat een verbuiging ineens!
En zoo vond ik ten slotte in Groningen, bij een ouden
Israëliet nog in gebruik, een Seider chinnes oe wagoosjes (reeks van
gebeden en smeekingen) fir fromme jidische frauen, gedrukt te Rödelheim in
1847, waarvan de taal zich ook tamelijk nauw aan het Nieuwhoogduitsch aansluit,
gelijk men uit de volgende proeve zien kan.
| |
Gebet fir eine fromme jidische frau
Wer bin ich dass ich es wage anzubeten
meinen so furchtbaren könig der da ist ein
gelobt und geheiligt sei sein wirdiger name!
ich bin ja ein sindenfolles geschöpf und habe
deinen furchtbaren und hochgeehrten namen
o Gott! mit meinen bösen taten di ich gethan
| | | |
ich bin ja nur blut und fleisch wurm und motte
und bin nicht wirdig an deinen grosen und
hoch geehrten namen auch nur zu denken;
geschweige for dir zu beten und diesen grosen
und hochgeehrten namen so öft zu melden
wehe mir! wi soll ich mein angesicht auf-
heben for dem könig aller könige.
wi kan ich bestehen for meinem so hoch-
geehrten und furchtbaren, der da ist ein könig
iber alle könige und ein herr iber alle herren?
gelobt und geheiligt sei sein name!
er ist erhöhet iber alle höhen, und ist ein
herrscher iber alle herrscher; doch wegen
seiner grosen gnade und bermherzigkeit, da
er sich der ganzen welt erbarmt, hat er auch
gewis gern die tefilles (gebeden) und wa-
goosjes (smeekingen) fon mir seiner magd,
gleichwi jener posuk sagt: (hebr. tekst)
‘Gott ist nahe allen denen, di ihn mit wahr-
heit anrufen’ (hebr. tekst)
‘und ihr schreien vernimmt er und rettet si’.
weiter steht im posuk: ‘du Gott! vernimmst
die tefilles aller kreaturen, di dich mit wahr-
Ondertusschen had echter de Fransche overheersching, hier
gelijkheid van rechten gebracht voor alle burgers. Daardoor werd de zoo vaste
Israëlitische groep, uit hare isoleering teruggebracht in de volle
Nederlandsche maatschappij, die nu voor goed en krachtig een sterk
assimileerenden invloed begon uit te oefenen, óók op de taal. Tot
dan toe hadden de Joden, om met hun medeburgers te kunnen omgaan en verkeeren,
wel de Nederlandsche taal aangeleerd, maar zij spraken die gebrekkig; nu begon
dat langzamerhand anders te worden en het Jodenduitsch raakte van lieverlede in
onbruik, niet evenwel zóó spoedig en zóó totaal,
dat het nog niet de heele 19de eeuw door, krachtig op de
Nederlandsche Joodsche volkstaal is blijven inwerken. Thans is het evenwel, bij
het jonger geslacht althans, zoo goed als uitgestorven. Behalve misschien in de
een of andere kleinsteedsche geïsoleerde Jodengemeente, verstaan de
Israëlieten, na 1875 geboren, het Jargon nog wel een beetje, omdat zij het
nog vaak van hunne ouders en grootouders hoorden gebruiken, maar het zelf
spreken kunnen zij niet meer. Zoo is het althans zeker in Groningen en in
Amsterdam. Bezien wij nu eindelijk eens eenige staaltjes van
Joodsch-Nederlandsch, gelijk het dus in den loop der laatste 150 jaren
zachtjesaan is opgekomen. Wij hebben daartoe een paar prachtige voorloopers in
twee berijmde Nieuwjaarscirculaires van Moses Polak, potloodverkooper aan de
Amsterdamsche beurs. De eerste is uit het jaar 1771 het origineel behoort aan
de Bibliotheca Rosenthaliana. Zij luidt als volgt:
| |
Nieuwjaarswensch van Moses Polak ao 1771
Sjolem! hal degien die deezen zillen zien, hof oore leezen:
Galjooten fol símche on draydeks Firgatten,
Propvol primesorten von Massematten;
Vlotschyten mit Masel-broche, on Ryvig;
On lang Khezont, niet Khadik, noch Khatijvig;
Maur bay Khoeksléjen fol von halle gemakkie,
Winscht jou hals volgt, de Photloot Polakkie;
On das krek in de beginseltyd von Janhoevaarie.
Y Winschtje begotje, gien villis noch larie:
Maur dingen daur pit on kryn hin stheeken.
Oor dan oe y jou doch an khomt te spreeken.
Mach em maur hin zen zauk niet konfuys.
Eeren von de Beersen, on von de Staduys!
Khyk dan! dau khom ich weêr han mit de Seeltje.
Proper gedrikt, hin phampier has freweeltje,
| | | |
Mit de mooie Kransie daurom; On daur op
Weêr de auwe Printje zoo net has ien pop.
Khyk maur rekt yt, nach boven hin de rantje,
Dau zie je de Khroontje hover de antje,
Dats te zeggen voorwat! zo woor zel dít Schrift,
Doch weezen gekhroont tot ien Nyjejoors gift:
Hom dats, ets khomt doch yt Mausje zen phootje,
Die ets maukte mit hilp, von Rochel zen Grootjes,
On die 't je nou zilf priffeteert bin 't Joor ien.
Want zei me Grootje: khyk! ich zeg zoket mien,
Mausjele, doe doch me Schoorstien brauf rooken,
Datsich jau de Sjabbeskhoegel khan khooken,
Je weet woor Mammaatje de Sjimmes vor khoopt,
Daur je zo zier mit de Photloot hom loopt:
Mach de klayn Raympie; khoeskhoesset hin order,
Ky hin de Beers, de Staduys, on zo vorder,
On giebes jou Khlanten, versthauije? Pirsent,
's Is doch Nyjoor: dau, hallis et ien hent.
Khyk! on hal de Uysgezin, Mimmele, on ikke,
Villen, begraypste? An 't schrayve on schikke,
On ier de Khoegel doch hop was, was 't kloor.
Bachaje rausi, 's maur einmool Nyjoor,
On ets gaut tegen Phoeriem zei Grootje, khom reppie,
Schiet je Sjabbes kliet an, maur neem ierst ien scheppie
Jajinne Sjorof, aêrs worje ligt flauw,
On sies doch kosjer; Ich deê es hom de khau,
On liep mit de Phakkie, dau, listig mit hienen.
On khyk! dau staun ich nou hop me twie Bienen,
On ier is de Raympie, ai neem em doch an,
Sta auch iens stil bay de Photlootspenneman:
Hal straykvoet de Beers, giebst em auch was stattinschje,
On oor ien minnietje, nach Mausjes Winschje.
Eeren von de groote on klayne Beers zoom!
Ich Winsch jou ien Joor doch viel vetter has room;
On zoviel moos doch hin hal jou Khommersie,
Has 'er doch Letters staun bin dieze Versie.
Ich Winsch je bay de lange maat, diezend dezyn
Miljoenen Gometersche Graaden Fortyn;
On das je zway onderd Kalekoetische Mylen
Han Vaten mag phakken, on Oxoofden phylen,
On stierenze, dray diezend ier, hover Zee.
Behalve das halles, zo winsch ich je meê,
Mit je Ettes, on Sissies, on Meetjes, on Peeten,
Finf Morgen Gelik, on wol draytzig Gemeeten
Ravochem on Zegen; On vier diezend Roê
Khezonteit, versthauije? Noch hop de khoop toe;
Seks diezend Schippond mit wigtige plaaten,
Dhibbeltjes, Zessies, Gildens, on Dikkaaten,
Niet von Sjolitam, maur frisch yt de Mint:
Sphikkeleer nou, hof Mausje jou de Geldje niet gint.
Das je mag ouwen hin goeije pispesisie,
Ier hop de Beers, noch minnig kontperisie,
On stheeken mit de Photloot te schrayven hop de boek,
Dau, anden fol dyten on styvers hin de broek.
Khyk! on das winsch ich auch halle Winklieren,
On das gien Schirk jou mit slenters zel pieren,
Maur das je ien Sjona tauve, mit viel prosperteit,
In jou Nering ebt, langs jou Thoonbank verspreit;
On das je mag winnen, han helk ien paultje,
Ier hop de Beers ien Birger khappetaultje;
Khoekemool! das je dan noch de oogste Lot
Threkken mag, maur von jou Leeven gien Bankrot.
Phak dan, on zak dan, on leef hin jou Winkel,
Tot jou de Dood phakt die schraale Scharminkel,
Dan isses aus gemacht mit de gantsche Weld!
Maur giebf doch ierst versthauije von je Geld,
Zo je gerist wil schaaijen, han Polakkie,
Niet meêr begotje, has de henkelde sakkie.
| | | |
Hal de Ley von de Playdooije ghemientje!
Winsch ich deer mirg on dwars deer 't ghebientje,
Bay de vette maat, Holykhannen fol Yl,
On ien Vaêm daaijemanten von de kist von Brezyl.
Ich Winsch hal de Aaldokaaten on Prokkereersen!
Ondert paur schoenen, on fouftzig paur leersen,
Straykefol Phiekmans, zwoor on dik;
On hin hal je Pormetausie viel gelik.
Das je von Hadvysen, on vette Piersessen,
Lekkertjes, on auch khezontjes mag vressen,
Hop das je niet khlaagt has Bessie von Meers,
Ich Winsch de Nattaarsen on de Stolleksesteers!
Zo hin 't Karmeneel has vor de Heinjirries,
Beerzen fol Maffies ghelaaden hop birries;
On das je schrayft minnig ien Photlootjen of,
Das Mausje auch kraygt was von die Stof,
Dan khoop ich 'er von, for Hindel Polakkie,
De sphiksplinter nieuwe Sjabba-rok of Jakkie.
Ich Winsch de Maagklaar, on Beenaas Joo ren Khezonteit!
In veteid, mogereid, plateid, on rondeid;
Jau, ich Winschje yt de phit on de phint von me Hart,
Das je hin de Beers, on hin de Khoremart,
Mit Sjolem alleychem mag frikkenteeren,
On hover de Sychauze niet mirmereeren.
Ich Winsch je bay de natte maat Ankers fol phoen,
On hyder Sjabbes ghewonnen de vet hoen.
Das je mag verslyten mit sthevige troniën,
Hin et vormeeren von Scharremoniën,
Zwantzig Aam hoeden von Jokef ghekogt,
On vier Potten pryken hyt Laypzig ghebrogt;
Jau, das je mit 's Heeren Strauten te boenen,
Haf mag laufen zieven Mingelen schoenen,
On agt Phintjes koussen, ghekogt hin de oek,
On tien Missies laken hof tryp tot ien broek,
Die jou phast han jou benedenste khanìs,
Das je 'er zo rym woont has hin ien khabanis,
Aber doch mit heerlikke Kertasie verdient.
On das de Gelik et iens zo mit je mient,
Das je ien Last Uizen bouwt klinkler Albaster;
Das je 'er hin smooken mag Finf midd' Khanaster,
On dau bay drinken seks Scheppelen Wyn,
On das je niet Sikker, maur Khezont mag zyn.
Ich Winsch auch von zeelen de Karregat-dooren!
Schippen vol vatten, ontvaartrayke Jooren;
Koffen, on Smakken, on Flyten bay 't Gros,
Die jou, begraypste brauf stheeken hin den dos;
Das je zo viele Vaartygen mag klaaren,
Die rayk bevragt mit de Stikgoedje vaaren,
Von et hauwe tot hin et Nyje Joor hin;
Dan gaut et doch Mausje hal mie nach zen zin.
Noch Winsch ich de Loopers hal von de Kontfooijen!
Das ze von'er Winsten sjeen moogen pooijen,
On Leeven von de Lyssenten doch vrolyk on wel,
Ai, begotje! dan win ich mie moos bay de spel:
On dan smokken doch Mausje on Simmi Polakkie
Hop hal jou Fortyn de phypie Tabakkie.
Eeren Schraybenten hal von de Nagosie!
Ich Winsch jou de Leeven lang raykelik Moosie;
Swelven fouftzig ton Jooren Khezont;
Maur Leef doch niet langer ier has je kont.
Das je verschrayven mag diezend Khop Phennen:
Ondert El Inkelt; Dray Schellevisbennen
Fol mit Phampieren; Maur auch doch vor vast,
Von Mausjes Photlootjes vier diezend Last.
Das je mit schrayven wint zwantzig Vierdevatten,
Drooge maat, weetje? Ghesthreeken fol Schatten;
Draytzig Halfvaten verval von de snaay:
On das je nimmer doch schreeuwen mag, ô waai!
Nooit auch ytgekhaspert deer zwindeloorum,
| | | |
Jou mag vergraypen dan hin de Machorum:
Maur das je fol lekkers, on zoets, on geliks,
Lang olik, on vrolik, on frischjes, on fiks,
Mag boekouwen, schrayven, rondloopen, on phakken;
On das je ien phypemantje fol Halmenakken,
Doch slyten mag, zonder bril hop 't Khantoor;
On bewooren je Gezigt, je Gevoel, on Gehoor,
Tot jy, hasje houd bint, khan leeven jou Renten;
Heerste wol vlaytige Eeren Schraybenten?
Maur schrayf doch meer mit de Photloot has de Pen,
Hop das de Photlootsman auch leeven ken;
Denk dan versthauije auch mie hom Polakkie,
Die hop de Beers hom jou hien krypt has ien slakkie.
Khyk! wie zellich nou meêr staun te Winschen?
Jau, ghebenst mot je weezen halle Minschen!
Diezendmool ghebenst doch zo lang has je Leeft,
Das jy Ravochem bay Emmers fol eeft.
Das gien Apekonter, noch Ingemenausies,
Jou lillen han de khop, mit haar temtausies;
On das jou gien Potegram, on auch gien Artyk,
Noch Khrimping, noch eskrementheele Kelyk,
Von binnen hof byten khom attekeeren,
Hof das jy jou hooit mot lauten khlisteeren,
Noch khoppen, noch prikken, hin Arm hof hin Bien,
Vor Fieber, hof Pipseit, hof Dauwirm, hof Stien,
Hof vor de Poeppelsie, hof Bykpyn; Maur dat je
Zo frisch on zo vlig mag zyn has de khatje;
On das je mag Leeven, jo doch, nach diez tyd,
Noch minnig ien Joor, on worden mit rispyt,
Zo hauwt has ien visnet fol Grieksche Sebillen:
Maur hassit ghebeert, dan laut ik me.... villen.
Adjie dan, tot weêr hop ien hander Nyjoor!
Hal Winsch ich was leeges, dut oop ich word woor.
Zo lang has je Leeft dan, ausser on khovit:
On nach je Dood, bay Avroomtje, on Dovit,
On Mausje, on Jossef, on hander goed Volk,
Heeremool Khlanten! das Winscht je nou Polk
Zo iettich hop 't Smausjes; Hop 't Ollands Polakkie,
Die jou doch Daugliks gherayft yt zen bakkie,
On die jy khan vinden pirsies hin de Beers;
Dau sthaun ich, gelayk ich nou sthau mit dut Veers,
Vlak hop mayn hauwe ont khaut stiene plekkie,
Tissen paul ien, on de hyzere ekkie;
Dau phint ich de Photlootje phintigjes an,
Vraug maur nach Mausje hof Polk de Photlootman.
Men ziet, wij hebben hier nog een mengelmoes van Duitsch en
Nederlandsch. Nu wil echter het geluk, dat wij daarmee kunnen vergelijken een
zelfde Nieuwjaarscirculaire van denzelfden Moses Polak aan zijn zelfde klanten,
vier jaar later ao 1775, hier afgedrukt naar J. van Lennep en J. ter
Gouw: Het Boek der Opschriften, Amsterdam 1869.
| |
Nieuwjaarswensch van Moses Polak ao 1775.
Hyl on Zegen on Gezondheid,
Helk zijn Beers ien goeije rondtheid,
Hal de Birgers von de stad;
On wat hijder heerlijk mensch
Is zijn aige hartenwensch,
Wensch ik weer nou 't Nieuwjaar is
Wie negesjant of Makelaar is.
| | | |
Voor wat ook! hydere schribent
Die Mausesje ien scherpe pint geeft
On die daardoor syn krys on mint heeft,
Die maak ik hier dit complement.
Ik Polakje, mit mijn bakje,
Hop wat! Sta wat rym Messieers!
Kom 'ier in myn Sjabbespakje
Hart 'anloopen hop de Beers,
‘Want (sei Vaârtje) 't wordt Nieuwjaartje,
Listig, Seentje, maakje vort;
Setje hoedje hop ien hairtje,
Doe jou Hindel niet te kort,
Want dat Wintertje, dat begint'ertje
Soo te knappen; kist 'on mand,
Hout 'on tirf self 't laatste splintertje,
Von 't Khabanis, och wat schandt!
On, jy Sympje, hebt jou Rympje,
‘Beeling repje, nog niet klaar.’ -
Phen on Ink! Wie helpt nou Sympje?
Hokus book ... 't sit in mekaâr,
Khyk, dat liktje, 'on dat stikje,
‘Hiet 'on warm, soo in de pars.’
Klanten, khyk! dit egte drikje
Krygje ook warmpjes, soo karsvars,
Hyder Vrindje, heeft 't Printje
Mit de hantjes meer gezien,
Die om 't kroontje 'on de lintje
Braaf schermitslen, pinten biên
Maar wat maakje? 't groote zaakje
Is de Veers, dat is wat nies:
Von nieuw snofje 'on nieuw smaakje
Valt me op Nieuwjaarsdag niet vies.
Hoor dan Heertjes, en Sinjeertjes,
Stitten van de Photloodkraam!
Die hik hal soo mennig keertjes
Heb gelikwenscht hiel bekwaam,
Khyk, ik wenschje, hals ien menschje
Die sijn' Hyl in 't jouwe vindt,
Massematje, 'on ik bensje
Hals ien vaârtje benst syn kind,
Helk sijn broodje, niemant 't pootje,
Jicht, noch stien, noch swoore phyn;
Helk Gesondheid, 'on ien sootje
Ik wensch jou, Klantjes! dat jou hantjes
Worden blaauw von hal de moos,
'k Wensch je ryërtjes mit rantjes,
'On dat niet slegts voor ien poos,
'On ik hoopje, Vrindjes! khoopje
Datje daarin mennig loopje,
Mennig kligtje, 'on viel gelach
'On ik raaje, menschen staaje
Daar te willen schrijven iet,
Khoon de Photlood, ai versmaaje
‘Nou voor 't lesje’ (sei myn Besje)
Set 'er nog ien Veersje 'an:
Wensch dat helk met smaak syn vlesje
't Havond leegt. De Birgerman
By dit Deentje, sou mijn Seentje
Mausjes, Seens seen, vijf jaar houdt,
Hebben 'angevoegt ien Deentje;
Maar de Demis was te khoudt
Wagt dit dan hals 't weer Nieuwjaar is, dat is: hop ien andre
keer,
Von de klyne Poppedyne. Khyk ik ben jou serviteer.
| | | |
Gelijk men merkt, heeft ons Polakje in de vier jaren van 1771 op
'75 aardig wat Nederlandsch bijgeleerd; maar zoowel de elementaire als de
historische verwantschap met het Jodenduitsch is toch in beide stukken al zeer
duidelijk. Juist als daar treffen wij hier A. in de klankleer: 1o.
de lippenontronding der klinkers, 1771: vlotschuiten: vlotschyten, pruiken:
pryken, uit: yt, duiten: dyten, buikpijn: bykpyn, vaartuigen: vaartygen, lui:
ley, stuivers: styvers, kruipt: krypt, fortuin: fortyn, vuilnis: villes(?);
1771 en 1775: beurs: beers, schön: sjeen, öl(olie): ijl, gebeurt:
gebeert, serviteur: serviteer, messieurs: messieers, seuntje: seentje, beuling:
beeling, sinjeurtjes: sinjeertjes, deuntje: deentje, dreumes: deemis; 1771:
uur: ier, minuutje: minnietje, duzend: diezend, ducaten: dikkaaten; 1771 en
1775: zullen: zillen, vlug: vlig, munt: mint, gunt: gint, dauwwurm: dauwirm,
guldens: gildens, gedrukt: gedrikt, lustig: listig, zusjes: sissies, mud:
midd', hulp: hilp, burries: birries, lullen: lillen, murmereeren: mirmereeren,
tussen: tissen, kust: kist, burgers: birgers, punt: pint, turf: tirf, lukt-je:
likt-je, stukje: stikje, drukje: drikje, schermutselen: schermitselen, stutten:
stitten, geluk: gelik, kluchtje: kligtje; 2o. de vernauwing der
klinkers 1771 en 1775: mee: mie, degeen: degien, een: ien, zeer: zier, kleed:
klied, eerst: ierst, henen: hienen, twee: twie, beenen: bienen, gemeente:
gemientje, gebeente: gebientje, veel: viel, zeven: zieven, heet: hiet, heel:
hiel, steen: stien; jaar: joor, klaar: kloor, einmaal: einmool, heelemaal:
heeremool, Guck einmal: Koekemool, zwaar: zwoor, bewaren: bewooren, waar: woor,
magerheid: mogereid, Rachel: Rochel; wensch: winsch, handel: hindel, met: mit,
midd', prentje: printje, menig: minnig, speculeeren: spikkeleeren, respijt:
rispijt, processen: piersessen, frequenteeren: frikkenteeren, alles: hallis,
precies: pirsies, present: pirsent, 3o. en dientengevolge soms
diphtongeering ja: jau, maar: *moor: maur, da(ar): do: dau (daur), zaak: zauk,
braaf: brauf, versta-je: versthauije; het gaat: es gaut, vraag maar: vraug
maur, staan: staun, paal: paul, kapitaaltje: khappetaultje, paar: paur,
parentatie: pormetausie, tentaties: temtausies, daaglijks: dauglijks, straten:
strauten; ieder: yder, gerief: gerayf, diamanten: daayemanten, scribenten:
schraybenten, bij: bay, scheiden: schaayen, pleidooien: playdooije, krijgen:
kraygen, schrijven: schrayven, rijk: rayk, begrijp-je: begraypste, vlijtig:
vlaytig. Verder vinden wij on voor en naar 't Jdd. oen'. Verder
vinden wij hier vele woorden waarin de begin- of middenklinker wordt
voorafgegaan door h, en woorden die in 't Nederlandsch met h
beginnen, zonder die aspiratie. Ditzelfde vindt men nog heden in het
Jodenduitsch van Litauwen o.a. te Bjelostok, en heeft ongetwijfeld z'n grond in
het eigenaardig plotseling vocaalbegin, dat in het Hebreeuwsch door de aleph
wordt aangeduid, en waarmee de meeste Israëlieten alle klinkers inzetten,
of er een h voor staat of niet. Waar wij Nederlanders nu een h
gewoon zijn, hooren wij iets te weinig en geven die uitspraak in letters weer
zonder de h, | | | | waar wij echter een langzaam beginnenden
klinker zonder aspiratie gewend zijn, hooren wij iets te veel, dat naar een
h zweemt. Verder wordt de s soms tot sj (hier sch geschreven)
ceremoniën: scharremoniën. Eindelijk vinden wij ook hier: een
persevereerende assimilatie of verlenging en daaruit voortvloeiende achter- of
tusschenvoeging van medeklinkers: advokaat: *addokaat: aaldokaat, procureur:
prokkereer, notarissen: nattaarsen, makelaar: maagklaar; cargadoors:
karregatdooren, konvooyen: contfooijen; het enkele: de henkelde, presenteer:
prissenteer; conparitie: kontperisie, licenten: lyssenten. Ten slotte een
dissimilatie van l tot r: heelemaal: heeremool, fluweel: freweel. B. in de
grammatische vormen een begin van Creoliseering: verdwijning van vervoeging,
verbuiging en geslachten, vooral het onzijdig gaat te loor: de vet hoen, de
phypie tabakkie, von de Staduys, von halle gemakkie, de auwe printje, boven hin
de rantje, hover de antje = over de handjes, jij eeft. C. in den zinbouw veel
bepalingen achter elkaar, en maar zelden echte subordinatie van den bijzin:
Homdats, ets khomt doch yt Mausje zen phootje, enz. enz.
Ter gelegenheid van het inwijden der Jodenclub, in het
emancipatiejaar 1795, verscheen er een satyrische rijmelarij: ‘Heil en
Broederschap, tusschen den Burger en den Jood, bij gelegenheid der Heilrijke
Omwending van 's Lands zaaken in January 1795, en het inweiden der Jooden Club
op den 11den February 1793.’ Daarin lezen we het volgende
GESPREK.
Jood: Goeden dag Birger! hik whensch je viels ghelik met de
homwenteling, Man! Burger: Kijk! wat een compliment! - die Zaak gaat jouw
immers niet an? - Jelui bent immers klanten, die allegaêr werkt voor
Oranje, En deszelfs vloekgespan, als ook voor het
Neêrland-moordend-Grootbrittanje, - Daar heb jelui altijd voor geijverd,
en dus ook 's Lands bederf gezogt, - Zwijg derhalven. Jood: Dhat ad hik
nou niet van je ghedhogt, - Dhat je me zho zhou andelen, dhaar hik je in 't
vhrindelijke stha te fillessesteeren. Khijk! Er zijn schirken honder hons
geweest, mhàar hik bhin de Mhan met heeren, - Hen what khan de heerlijke
Man et helpen, dhat hij skhirken et onder zijn gheslacht? - Beghot! his 't wel
couser, dhat dhaarhom de iele Boel whord verhagt? - Nheen, Birger, dhat gaat
niet, - hik dhogt je was te verstandig, Man hom zo'n hoordeel te vhellen.
Burger: Zwijg toch, Isreliet je hoeft me niet meer te vertellen, - Jelui hebt
altijd tot de Oranje cabaal behoord, - En daarom laat mij maar gaan. Ik heb
meêlij met jelui, - Maar ik houw me niet op met jou consoort.
Men ziet, 't zijn bijna al dezelfde afwijkingen als in het eerste
stukje. Overigens is er van de Jodentaal heel weinig opgeschreven, of althans
nauwkeurig opgeschreven. Alleen weten wij iets meer van het Amsterdamsch
Jodendialect, door het onderzoek in 1877 ingesteld door
W. van Lennep en
J. Alberdingk Thijm (Onze Volkstaal II). Naast zeven
hoort men daar zeeiwe, spelen: speeilen, veel: veeil, tegen: teeige, mijnheer:
meheir, leeuw: leef, sneeuw: sneef, geschreeuw: geschreef; wreed: vreed, dweil:
feil, wraak: fraak, gebeuren: gebeuiren, nieuw: nuw, nuut; boter: bauter, zoon:
zaun, mooi: mauj, ik docht: | | | | doch, zocht: zoch, gedocht: gedoch,
gezocht: gezoch, gezicht: gezich, bruin: broin, suiker: soiker, die weer bijna
alle reeds in het Jdd. voorkomen. Creoliseeringen zijn nog: ik bent hier, ik
doet het, ik gaat er heen, ik ziet het niet, het hoef niet noodig (het hoeft
niet), eksekseke (exerceeren), de kind, de boek, enz. enz. Ik laat hier nu
volgen eenige hedendaagsche teksten met Joodsche gesprekken, uit verschillende
streken van ons land:
| | 1o. Begrafenis door
H. Heyermans Jr. (De Gids 1897)
Amsterdamsch-Joodsch
In 't zijkamertje zaten Hangjas en Snoek. - ‘Ogh!’ zei
Hangjas met 'n keelschrapertje. - ‘Ogh! ògh!’, schudde
Snoek, z'n dikke tong klakkend. - Hangjas nam 'n leeren toetje uit z'n jaszak,
rolde 'n pruimpje, stak 't in den mond. - ‘Wat e geschte’, zei
Snoek, strak naar de deur kijkend -: ‘ògh, wat è gesjogte
boel.’ - ‘Die jongste is e mamser benenidde’
1). - ‘Gooi die
ànder ook niet weg - dik-lispelde Snoek:... “ik zeg je, 't is 'n
frotter haurek”
2). - Hangjas frommelde
de pruim tusschen z'n dunne lippen, duwde z'n dasje neer, keek naar de
deurknop, knipperde met de oogen. - “Dàt leeft” - zei Snoek
na 'n stilte, waarin flauw stemmengezoem buiten, - “dàt leeft as
'n geschmadde jid
3) - as-die de krenk
het
4), denkt-ie eerst an z'n
miese
5)... 't Is'n eweire
6) om met je kooschere
hande zoo'n treifene jid an te rake - ògh wat e gotspe
7) van die eene -
ògh! ògh!” - “Ogge-nebbiesch
8), 'k heb toch
ragmoones
9) met dat gajes”.
10) - Ragmoones...
Ràgmoones!... Die Schuit is betoeg
11) wat ik je zeg... Die
probeert 't koefnoen
12) te hebbe’... -
't Pruimpje kwabbelde tusschen de dunne lippen. Een keer dacht-ie dat de deur
openging, dee-die de nat-bruine prop gauw in z'n hand. Buiten hield iemand de
deurknop vast. - Of ze nou lang of kort smoeze’, zei Snoek: ‘'n
cent e makke
13) minder.’ De
deurknop klotste tegen 't hout. - ‘Ogh wat e gotspe’, bromde
Hangjas. - ‘Zulleke Jehoediem moeste zich late kaschere
14) - meende Snoek, zenuwtrekkend. - De hand liet
de deurknop los. - “Niks geen masseltof
15) bij zòòn
lawaaie”, - verzekerde Hangjas, z'n pruim weer versappend tusschen de
bruine lippen. - Had-ie minder gasser
16) gevrete’,
zei Snoek, bot-ernstig, opdraaiend de eene knoop dat-ie angenaaid leek. -
‘...Afzet-terij? Ogh!... Die neef is 'n màmser, 'n
màmser...’ - ‘Wat maak jij je de sappel! Laat 'm zegge...
Laat 'm zègge... Hep jij met 'm te make?... Hep ik met 'm te make?...
Laat 'm loope naar de aschmedij...’
17) - ‘Als 't an mij lee,
gaf 'k 't minder... Cente laat-ie niet na... - ‘Ogh! Ogh!... 'n Gasser 'n
hoor eraus...!’
18) -
‘'n Schandaal?... 'n Schandaal?... An Sjabbes riches
19) doen, dàt noem 'k
'n schandaal!... 'n Stuk in de krant schrijve!... Oj?... òj?...
òj?... Je mot wat hoore... Hèhèhè!... Pas op... -
De deurknop piepte in de ijzeren voeg. Maar Ben en Aaron bleven buiten. -
‘...Wat e gemoes...’ - ‘Nannò... Vierhonderd dertig
gulden ... 'k Heb tòch ragmoones...’ - ‘Ze snijje zich
géén krieje - giegelde Hangjas ... ‘géén
krieje ... en tòch 'n krieje!...’
20) - De dikke buik van Snoek schobberde op en neer van 't
!achen. - ‘...Geen krieje ... en tòch 'n krieje,’ lachte die
na. - ‘...Dát wóu Pruim olef-e-scholem
21)’,
zei Hangjas weer, droogkomiek en krabde met z'n wijsvinger in 't grauwe
stoppelveld. Buiten - vlak voor de deur - was 't stemmengeschuifel. Binnen,
kijkend naar de bewegende deurknop - praatten de twee joodjes, giftig, afgevend
op Schuit, die zoo driftig geweest was en op Aaron's | | | | trotsche,
kort-en-bondige manier van doen. In het zijkamertje mufte een ghetto-lucht. Nu
ze alleen waren, niet gedwongen om kruiperig-beleefd te zijn voor den
geld-meerdere, voor den beschavings-meerdere, kwam de ingehouden woede los van
conservatief vormen-jodendom tegen christelijk-vernist-jodendom. In den grond
van hun hart hadden ze een zeer groote minachting, hààtten ze
zùlleke Jehoediem ... zùlleke gasser-vreters..., voelden ze dat
ze gedùld werden vandaag, geduld mòrrege ... voor de lawaaie
1) ... dat over-morrege
meneer Bernard Schuit op ze zou neerzien as-die ze in de jodenbuurt toevallig
ontmoette... Zulleke Gojiem onder de Jehoediem ...
2) - Met
z'n drieën kwamen ze weer binnen. Oom David was er bij. Dat gaf zekere
verzoening. Oom David kende Hangjas en Snoek, zag ze dikwijls in de Synagoog.
Met 'n lach van vriendschappelijke welwillendheid om z'n dikke, zinnelijke
lippen, gaf Oom 'n hand aan Hangjas en knikte Snoek toe. - ‘Wèl
meneer Hangjas... Wat 'n droevige geschiedenis... Wàtte zeg u d'r van
... 'n Beetje hàrder alsjeblief...’ - ‘Enne hoe maakt 't uw
vrouw, meneer Hangjas?’ - ‘Be-ést, mijneer.’ -
‘Zoo-zoo - Zoo-zoo - àlles wel bij u thuis?’ - ‘Dank
u. Alles wel.’ - ‘Heeft u zoontje z'n barmitswe al gedaan?’ -
‘Joozep?... Nee dat zal over 'n week zijn... Als mijneer mij de eer wil
andoen.’ - ‘Zeker-zeker. Zoo-zoo... Ja dat heb je zoo niewaar... In
't eene huishoue vreugd... In 't andere leed... Me broer was nog geen
vijftiger. Nòg geen vijftiger... Op Simches-taure
3) was-ie gebore...
Wel 'n toeval, watte?... Toen was ik twee jaar... Jaja... Jaja... We worre
allemaal 'n daggie ouwer... Wat ik vrage wou... Wat is dat met dat geld?’
- Behendigjes viel de pruim in 'n zijzak van Hangjas. Met z'n nog-natte hand
nam-ie 't notitie-boekje weer op en praatte, halfschreeuwend in de behaarde
ooren van oom David. - ‘Dát is van schjoelgeld!’ -
‘Hoeveel?’ - ‘Vierhonderd een en dertig gulden vijf en
veertig cente.’ - ‘Hàrder... 'k Versta geen woord...’
- ‘Vierhonderd éen en dertig gulden ... en vijf en veertig
centé ... van schjoelgeld ... - “Van Schjoelgeld, ja, dat heb ik
wel gehoord... Zoo-zoo... En watte is daarmee?” - Geduldig gaf Hangjas de
uitlegging. Oom David luisterde met aandacht, de pluizige wenkbrauwen
saamgeschroefd, knikkebollend alsof-ie 't vólkomen eens was. -
“Wat hou u de boel nou òp, oom,” zei dan Aaron in
éens -: “u weet toch alles van a tot z.” - Nee dat weet ik
niet.’ - ‘Heb ik u niet in de keuken verteld...’ - ‘Ach
van jóuw uitleg heb 'k nìks begrepe... Meneer Hangjas heeft 't me
duidelijk gemaakt... Zoo-zoo - Enne mot dat betaald worde?...’ - Hangjas
en Snoek legden 't nòg eens uit. - Oom schudde begrijpend en toestemmend
't hoofd. Z'n grijsgrauw haar was in een stage trilling. Onrustig wiebelde het
been van Ben, die tegen de lessenaar geleund stond. Aaron trommelde met de
vingers tegen 't behang. - ‘Late we 't nu in gosnaam kort make,
oom’, zei Ben, ongeduldig. - ‘Ja-ja. Zeker-zeker’, knikte
oom, die voor 't zaakje breeduit ging zitten alsof-ie 'n post dadels of
sinaasappelen an 't afsluiten was... ‘Dus 't mót betaald worde...
Da's rècht en billijk... Dat zou Mijkel òok zegge... Dat zou
Mijkel zèker zegge... Alléén bij je dood de voordeele ...
en bij je leven niks, dat gáát niet an... Nèe... Da's heel
juist... Daar valt niks tege in te brenge...’ - ‘Maar Gót
oom, gebruik nou toch je verstand!’ - Watte zeg je, jonge?’ -
‘Dat-u je verstand mot gebruike!... 't Is 'n sluipmoordenaarsmanier om
zóó 't geld af te dwinge!’ - ‘Ja nétjes is het
niet, mijneer Hangjas... U is 'n door en door net man... Nèt is 't
niet... Me zuster zit hiernaast te huile... En d'r twee dochters... En dan 'n
úur geredeneer over geldzake... Maar u doet 't ook niet voor u plezier,
niewaar?... Ik begrijp wel dat-u 't niet voor u plezier doet... Weet u
wát we moeste afspreke... U moest me morrege de nota op me kantoor
zende... Dan zal 'k d'r is nakijke... Dan hoeve we nou | | | | niet langer
over geldzake te spreke... Niewaar?... Geldzake van avond ... in een sterfhuis
... en me goeie Mijkel bòve ... me goeie broer ... met wie 'k gespeeld
heb als kind... Oe-oe-oe!...’ - Oom David snoot z'n neus, snikte
éénmaal, schudde 't hoofd zeer-langzaam, snoot z'n neus nog
éens met breed-uitgalmend getoeter. - ‘Ik héb al
gezegd’ ... begon Hangjas weer, duwend an z'n dasje en
krakerig-schreeuwend bij ooms behaarde oor - en wèer deed-ie 't verhaal
dat hij máar beambte was en dat-ie als directeur niet mocht begraven
voor de schuld angezuiverd was. Snoek bemoeide zich er óok mee. -
‘Kijk nou is hier’, zei-die met z'n dikke tong en trekkend met z'n
neus bij elke twee-drie woorden: - ‘we hebbe nog pas zoo iets in de
gemeente gehad ... en 'n gefal dat nòg anders was... Ken u Haas... Mozes
Haas...? Die was al getrouwd op 't Stadhuis... Heb-u daar niet van
gehoord...?’ - ‘Wat vertelt-ie toch?’ - vroeg oom. -
‘...Die zou de volgende dag kerkelijk trouwe ... 's Morgens ben 'k bij 'm
voor schuld van hem én zijn vader - verstaat u wèl, van hem
én van zijn vader - én van zijn vader, hoor u? - en die zei ook
dattie 't niet had - en we hebbe 'm niét getrouwd... Dat was voor zeven
en zestig - neè, voor voor zeven en tachtig guldens...’ -
‘Is 't af te make voor honderd gulden contant? - vroeg oom plòts,
rustig, zeker in z'n koopmanschap - “Ik scháam me ooge uit me
hoofd!” schreeuwde Aaron heftig. - Ogh wat!... Waar bemoei jij je mee,
jònge... Heb jij te betale?... Meneer Hangjas en ik wete wàt
handel is... Wàtte?... Las mar gèhn... De jeugd, mijnheer
Hangjas... Is honderd gulden contant goed, en de rest na
verificàtie?’ - ‘Nee, mijneer Pruim. Ik heb de vólle
quitantie van de gemeente.’ - ‘Wàtte?’ - ‘Kijk u
maar.’ - ‘Nou ja... Wat zègt dat? Wat zegt dàt? 'n
Quitantie zegt niks... Zulle we honderd vijftig contant zegge?... Wie?...
Wie?... Sind doch alle gesjochte... Mach's e bische... Wie?... Was...’ -
‘'s Geht niegt... Hab keen Wort da drúber zu sage...’ -
‘Comme ils sont bêtes, nom-de-Dieu!’ - snauwde Ben kregel:
‘Is me dat úit met jullie gesjagger!... Geef óp je
quitantie!’ - ‘Bennie ... wát begin je...’, schrikte
oom, verbaasd. - ‘'t Hangt me de keel uit, dat gekònkel!’ -
vonkelde Ben. Dwars over de quitantie schreef-ie haastig 'n paar woorden. -
‘Asjeblief.’ - ‘Betaalbaar bij?... Betaalbaar bij?... Bij
wie?’ - vroeg Hangjas lezend. - ‘Bij me kassier.’ - In
òrde meneer... De handteekenig van mijneer Schuit is zoo goed als
bankpapier... En geloof u mijn ... da'k niet...’ -
‘Jawel-Jawel...’ ‘...Late we dan op tweehonderd
afmake,’ - kwam oom weer, die niet begrepen had. - ‘'t Is
betááld!’ - ‘Wàtte?’ -
‘Méneer heeft betááld!’ - ‘Betaald?
Betaald?... Daar bemoei ik me mee... Bewounes senerabbe!
1)...’ -
‘...Dus om één uur de begraffenis?’ ‘...Om een
uur precies.’ - ‘....En hoeveel koesse, mijneer?’ -
‘...Tien...’ - ‘...Elleke koes is zeven gulden.’ -
‘...'k Praat niet over geld’ ... - ‘...O goed... o-goed
mijneer... En verlangt u koorde?’ - ‘Wat zijn koorde?’ -
‘Koorde op de koes ... koorde op de uniforme... Weet-u niet?’ -
‘Goed, kóórde... De boel moet'r netjes uitzien... Alles
éérste klasse ... versta u?’ - ‘'t Zal naar u genoege
zijn...’ - Oom David met z'n ouwe huisjasje, kwam vlak bij Ben staan,
vroeg mee: - ‘Enne... heeft mijneer Hangjas de lijst?’ -
‘Welleke lijst?’ - ‘Van de familie die meerijdt, bedoelt
mijneer.’ - ‘De lijst?... Nee da's waar. Schrijf jij is op Aaron...
Wacht, d'r ligt binne 'n lijst van kennisgevinge... Haal j'm is?’ - Aaron
haalde de lijst. Hangjas vond 't beter om voor acht en dertig heeren
twáalf rijtuigen te nemen - Twee reserve rijtuigen was nooit te veel -
Dat was goed - Maar dan was'r weer 't bezwaar dat als hij, de directeur,
meereed, er dertien tijtuigen achter den lijkwagen zouen rijen... Of 't dan
niet beter was, dertien volgkoetsen te bestellen ... dan rejen er veertien...
En al hechtte mijneer er niet aan - 't stònd als er véel
rijtuigen | | | | achter 't lijk waren ... 't Scheelde net zeven gulden. -
Goed. Dertien rijtuigen. - En dat kwam ook heel mooi uit. Want op de lijst
stonden de rabijn en de voorzanger niet - Die rejen natuurlijk mee van 't
sterfhuis... De assistent-sjamoziem dat kostte zooveel niet - 'n Gulden voor
ellek - Zoo. En nou 't regelen van de rijtuigen. Dan liep morgen alles van 'n
leien dakje. Snoek met de bibberende beroerte-hand op de vette knie was met oom
een gesprek begonnen. Oom met de handen in de zakken van z'n kapotte huisjasje
- dat morgen zou dienen voor krieje snijjen - vertelde hoe de laatste dagen van
Mijkel geweest waren en dan Snoek, sympathiek-meewarig an 't kijken naar de
scheurkalender op 't behang - Tetetetè, wel verschrikkelijk! -
Krankzinnig. - En dan vertelde Snoek weer van Pommademan en schreeuwde oom:
wàtte, en keek Snoek met klein-zwarte oogjes van het kapotte jasje van
oom naar de correcte jassen van de twee andere heeren en grolde de kwaadaardige
minachting in 'm op voor die gasservreters, die óók jood ware,
ook Jehoediem, die zich schaamden voor d'r gelóof. Ze hadde 't wel niet
noodig om zich morrege 'n krieje te late snijje, maar an d'r risches-poonem zag
je wel, dat ze 't evenmin zoue doen voor d'r eige vader. Hangjas zat voor de
tafel en nummerde de heeren op 't 't lijstje. - Oom David, aànhoudend,
koppig, zich niet thuis voelend bij de familie van z'n broer, die niks van de
gebruike wiste - die d'r allemaal zoo liberaal over dachte, vroeg dan plots an
Hangjas en Snoek of 't ànging dat z'n schoonzuster en z'n nichies op 'n
kanapee zoue zitte - als morrege de lawaaie was - of niet de heele stad d'r
schande van zou spreke dat de vrouw en de kindere niet sjiwwe
1) zatte. Maar Hangjas wijselijk-kijkend hield zich daarbuite.
Dat moest mevrouw Pruim zèllef wete... Hij bemoeide zich alleen met wat
búíte gebeurde... Niewaar... De een die dacht zus en de ander
zóo ... 't Stond wel voorgeschreve... Maar tegenwoordig had je
zoóveel vrije jode ... nàh ... en die moste d'r ook zijn...
Kwamme ze in Brussel niet op Sjabbes met 'n sigaar in d'r mond naar de Schjoele
rijje?... En had je in Berlijn geen muziek in de Schjoele?... En ware d'r geen
kerreke waar de manne en de vrouwe bij elkaar zatte?... Als 't aan hèm
lee ... an hèm... - ...Maar mevrouw Pruim wíst wat 'r paste en
mevrouw Schuit die wist 'r óok alles van ... en mijnheer Schuit had z'n
barmitswe gedaan... Maar hij bemoeide zich alléén met de
begraffenis... Was dat niet 't beste, mijneer Schuit? - Met de handen in de
zakken van 't kapotte jasje, liep oom heen en weer, brommend, snauwerig -
uit-z'n-humeur, dat-ie nòoit zoo iets bijgewoond had - nòoit -
zóo'n familie van allemaal-gojiem - d'r kón geen zegen op ruste
... geen mezoesos
2) an de poste - geen God
en geen gebod - zùlleke jode ware de grootste rischesmakers
3) - geen sjiwwe
zitte ... geen krieje-snijje ... en rouwkleere - met rouwjurke an, op de
lawaaie - 'n schande voor God. Ben, hoofdpijnachtig, geprikkeld, vroeg of 't
nou uit was, of de ruzie nòg eens moest beginne, dat ma gelijk had,
gróót gelijk, dat je je moest voege naar de christenmaatschappij
waarin je leefde ... - ‘Hoùe jullie nou op’ - bad moeder:
... ‘jullie make me dóód...’ - ‘'k Zal
nìks meer zegge’ - hardpraatte oom David - ‘an jullie is
niks dan soore en wijtik
4) - Nou
weèt je 't...’
| |
2o. De erfenis uit
Persoonlijkheid door
Sam. Goudsmit.
Amsterdamsch-Joodsch.
Moe en hongerig van den heelen dag in en buiten de stad te hebben
geloopen, slofte-ie de laatste straathoek om, waar heftiger windrukken en
dichter sneeuwslag 'm even 't hoofd buigen en instinctief naar de kraag
deê grijpen. Geschrokken bleef-ie voor 't huis staan: de gordijnen hingen
neergelaten. Maar de schrik verkalmde dadelijk toen hij begreèp ...
tante Mietje zeker dood, heeregòd, gèk ... gèk ... ja
zeker, dàt zeker, dàt wàs 't. En | | | | 't werd een
verwonderd, verrast zijn over iets, dat niet vreeselijk was en lang vooruit
ingedacht, maar dat tòch nog bevreemdde in z'n plotsen ommekeer van veel
dingen ... gister, eèrgister had ze kunnen sterven. - Haastig in de
nieuwe overrompeling, die een oogenblik uiteenwarde z'n droefenis, liep-ie
Izak's nu versloten ijzerwinkel door naar achter, waar, in de groote kamer,
Esther aan tafel zat aardappelen te schillen met den rug naar 't groote raam
gekeerd, waar ook 't gordijn voor was neergelaten en zoo zich zelf en den
arbeid den eenigsten lichtschijn verschaduwend. - ‘Tante Mietje
olewesjolem?’ vroeg-ie, met den deurknop nog in de hand. - Zij nikte met
afgewend hoofd: ‘Vanmorrege al,’ zei ze, ‘bericht gekrege van
't Gasthuis, nèt was je de deur uit.’ - Hij duwde z'n pet in de
hoogte, wreef z'n voorhoofd af, nikte dan terug: ‘Boroeg Dajen
Hoëmmes,’
1) zei-ie brooche-makend. - ‘Ja, in 'n oogeblikkie was ze
d'r uit, het de zuster gezegd, maar niks geen pijn meer gehad sinds
gister...’ - ‘O,’ zei-ie en ging zitten, vermoeid; ‘'t
Is gelukkig voor haàr, ze het er toch niks as hinder van gehad, dat ze
d'r nog langer most weze. Is de lewàje van hier?’ -
‘Neè, uit 't Gasthuis...’ - ‘Waarom dan niet van
hiér?’ - ‘Nou ... aarzelde ze, “omdat Izak 't beter
vindt uit 't Gasthuis...” - “Mesjogge,” zei-ie vinnig
“mot hij daarover beslisse...! en vin jij dat goed...?” - Ze lei de
schillende handen in 't mandje en van achter haar groote blauwe brilleglazen
zag ze hem aan: - “Is hij daar dan geen baas van? 't is toch zijn huis,
is 't niet?” - Hij was in 'n hoek gaan zitten tot ze weer binnen kwam, 't
trapje af uit de keuken. Toen bleef-ie nòg even angstig zitten ...
worstelweifelend, verbrutaalde zich dan plots, sprong op en liep naar 'r toe: -
Essie, hoor 's, waàrom vraàg je niks ... je weet toch wel da 'k
na Smits toe was en na Lezàrus ... waarow vraag je niks ... de heele
week vraag je al niks ... begrijp dan nou 's alles goed ... je krijg nou toch
geld, je kan me nou toch uit de brand hellepe, as je teekene wil ... dan zal
Smits me géve ... as jij teekene wil.’ - Hij had 'r hand in 't
heftig toespreken gegrepen, wou dichterbij komen staan, Maar 'n kordate doorzet
van norschheid rimpelde om 'r breeden mond. en boven 'r brilleglazen zag-ie
fronsing van 'r brauwen ... naàr ... naàr ... wat deê ze
kwaad. - ‘La me gaan,’ riep ze, ‘toe Da, la me nou gaan, hou
je hande thuis ... 'k heb wel gedacht, dat 't mis zou gaan met die Lezarus, en
met de heele boel ... hoe ka-je daàr nòu over prate ... ik
weèt niet ... ik weèt nòu niet...’ - Essie wat ga je
toch àn!’ riep-ie, ‘kom 's hièr kind, waarom he-je
dan zoo'n kwaje bui, het-ie je soms getreiterd, zèg 't nou maar, je kan
't toch an mijn wel zegge.’ - ‘Och, la me gaan!’ zei ze,
‘toé Da 'k mot de tafel dekke, toe!’ - ‘Maar Essie,
hoòr nou 's, 'k ga failliet! ... nou motte we weer bij 'm blijve, daar
komt noòit 'n end an ... addenommegod, waàrom teeken je
geen briefie voor me, je krijg toch geld ... zal ik 't maar schrijve ... nou?
gauw eve schrijve?’ - Geschrokken hield-ie op, zij had hem nijdig
afgestooten, toen de deurbel klingelde, 't gluipig gezicht van kippigen,
gebochelden Izak de kamerdeur òm kwam gluren. - Roerloos zat Essie in 'r
blauwe katoenen japonnetje voor de tafel, die verslordigd stond van gebruikte
kopjes en schoteltjes. Hij voelde 'n zacht, angstig verwijten tegen haar ...
waaròm wist-ie niet, maar ze had er nog geen woord tegen 'm gesproken
vanmorgen. Was ze soms kwaad over die stommiteit met Lezarus ... já, ja
... hij deed ook altijd van die schlemieligheden,.. maar kon-ie 't helpen ...
hij had toch 'n acceppie van 'm gekregen ... wie denkt nou dadelijk aan zoo'n
afzetterij ... às 't 'n afzetterij zou worden ... 't kwam alleen nou zoo
ongelukkig uit, dat dat failllet 'r tusschen kwam... daar kon-ie toch niks an
doen... Hij zag 'r bleek-witte, langzaam liefgeworden gezicht strak-versloten
staan onder 'r armen gekruist onder 'r ongecorsetteerde borstdeining; zonder
op- of omzien zat ze, maar wat ze dacht ... dat, dat wist-ie niet, dat wou-ie
zoo dólgraag weten.., 't was om te vloèken | | | | dat je 'r
niet te spreken kon krijgen ... Essie, Essie ... had ze nou geen ragmones
1) met 'm ... begreep ze
nou niet ... dat ze zoo nooit in d'r eeuwigheid geen gassene konden doen ...
waaròm was ze niet stiekem even achter Izak om bij 'm gekomen om te
praten ... verdòmme, die stilte ... dat ze geen mond los-deed ...
god-o-god ... 't was benauwd d'r van hier... Hij voelde een martelende,
rondvinnigende begeerte in zich, de stilte als met haat-handen vaneen te
scheuren, hun tweeën op hun gezichten te slaan, dat ze hun stemmen zouden
laten hooren... Hij wou schreèuwen, schreèuwen door het huis, z'n
angst uitkrijten... Essie-ie! Essie-ie!... ‘daar straks komt -
eèet!’ wou-ie roepen - dat ze schrikken zou van 'r stommiteit
alles te vergeten, o gòd, hoe was 't mogelijk ... - Zij lieten 't maar
zóó gebeuren... 't besloop 'm als 'n moòrd, en geen-een
die wat zei ... ze zàt maar, zàt maar vòòr 'm en
soesde ... Izak had 'n zware sigaar opgestoken, de lucifer in de kamer gegooid
en zat met z'n hoogen rug boven tegen de stoel gedrongen, rustig-luxueuze
trekjes te genieten. Jammerlijk wrokkend om z'n achteruitzetting, zat David 'm
van terzij uit z'n hoekje stilbenijdend op te nemen; hònd ... hoe
presenteerde me 'n arme broer niet 'n sigaar, nooit ... hoe sprak me in geen
driè jaar met iemand om zoo'n vuile kleinigheid as d'r tusschen
hùn was voorgevallen? hij wist wel álles ... hij zou d'r wel z'n
pleizier van hebben, já ... zòò was-ie wel, vàst
wel ... tòch zou-ie 'm niks laten zien van al z'n besoeres
2) tòch niet ...
nee, hijzelf zou toch zoo niet zijn, waàr had-ie 't an verdiend, had-ie
ooit plezier gehad as 't iemand slecht ging? Hij zag 'm z'n sigaar met
goudbandje naar z'n roodrigen puistigen kop steken onder 't vanonder
vochtig-bruingele snorretje in z'n breed-drogen mond en telkens trekjes nemen,
opzettelijk-kalmweelderig met één hand zich de weggeblazen rook
toewaaierend; z'n hoogen hoed had-ie afgezet, twee natkleverige haarhelften
lagen gescheiden gladgekamd op z'n uit de rugbolling gedrongene hoofd. Zij
zagen alle drie nu weer vóór zich, beefstil, in de van vreemde
angstontroering nijpende geluidloosheid. Daàrin schokte dan plots de
vinnige belruk, die David òp deed springen van z'n stoel,
één oogenblik, een hijging slaand door z'n borst naar z'n keel.
Dan zag-ie Izak kalm naar de deur gaan, en snel bedenkend, dat-ie hèm
moest laten gaan, dat wou-ie altijd, Izak, 't was zijn huis, hij woonde hier,
en boodschappen zou hìj aannemen ... liét-ie hem. Maar Izak, na
enkele woorden in de gang gesproken, kwam terug de kamer in, en met glimlachje
tegen Esther, zei-ie: ‘'t Is voor hèm ... een zeker persoon van et
gerèch...’ David zag 'm aan, één seconde staan
blijvend, de wangplekken om z'n baard waren strak-wit, kleur-verstorven, 'n
heete schroeizwaarte was in 'm neergezonken, tot-ie licht wankelde; oòk
even, vóór 't weggaan naar de deur, zag ie om naar Esther en
zòcht, zòcht ... zag niets dan 't beweeglooze hoofd, de blauwe
brilleglazen, die de oogen dekten. In den dwang van gebeurensvoortgang, die z'n
kalme denken verflardde, keerde-ie zich om, liep de gang in. Daar, onder 't
aannemen der dagvaarding en 't bevend teekenen, hoorde ie ze voor 't eerst
vanmorgen sprèken binnen; bij 't teruggaan met 't billet in z'n hand
kwam Izak hem tegen die de straat op ging... Dat gaf 'm 'n lichte verruiming
... diè wèg, nou kon-ie tenminste spreken ... Sneller liep-ie
naar binnen, wierp 't papier voor Esther op tafel: - ‘Daar hè je
'n et,’ zei-ie, ‘goddank, dat die tenminste is weggegaan ... nou
kind, wille we 't nou òphoue? hé? dan binne we klaar ... kijk
hier...’ - ‘'k Kan toch niet léze...’ zei ze ‘da
wéét je doch wel...’ - ‘Nou,’ zei-ie ‘wat
geèft dat, zeg maar is, hoeveel je, krijgt ... dan gaan ik 't in orde
make.’ - Hij stond dicht vóór haar bij den tafelhoek, waar
ze altijd zat, met den rug naar 't raam. Zij bleef omlaag kijken, 't hoofd even
gebogen, in de zelfde, zwaarsmartelijke gelatenheidshouding, waarin zij zoo
dikwijls, in laatsten tijd vooral, met 'r aarzelende teruggetrokkenheid hem
pijnde. Hij zag haar hoofd, in langzaam | | | | weifel-overwinnen,
schudden gaan ... en wijer en wijer sloop in hem rond zijn angstige
heèl-gebrokenheid, 'n gluipgebaar, niet àf te weren, niet terug
te slaan met de armen die slap neerhangend verlamden, niet weg te schoppen met
de beenen die wrikten in de knieën, en dat hem toch, met de ziènde
oogen waargenomen, vermoorden ging ... - ‘Waàrom schud je je
hoof...’ vroeg-ie, ‘hè-je soms niks georreve? zèg 't
maàr...’ - ‘Néé ... dàt niet ... dat
wor je tòch gewàar...’ - ‘Wat dan?’ vroeg-ie
hijgend ‘wat mòt je dan van me, Essie, waarom gèef je ze
dan niet ... je zeg niks ... je doet geen mond tegen me los ... mot ik 't je
dan nou weèr an 't verstand brenge?’ - ‘Nee,’ zei ze
... ‘'k doe 't niet...’ - ‘Je doèt 't niet? Je doet 't
niet? Essie ... bè-je krankzinnig?’ - ‘'k Doè 't
niet,’ zei ze, ‘'k geef 't òp ... 'k neem an joù niet
... 'k neem an Izàk...’ - ‘Hè,’ wat zeg
je?’ - ‘'k Neem an Izak,’
1) zei ze ... ‘de andere maand gane we
trouwe...’ - ‘Izak?’ riep-ie, ‘Izak? an die vuile,
zieke bochel, neem jij die ... hebbe we daar zès jaar voor
gevrèje ... Essie, wat doè-je me! Tante Mietje keert zich
òm in 'r graf! Je ben krankzinnig ... je weet niet wa-je doet ... je
laat je gèk make van die boef ... die wil je cente hebbe ... je
cènte ... je cènte...’ kermde-ie. - ‘Hij is
zuinig,’ zei ze kàlm, vastbesloten ... ‘an joù binne
ze onnut besteed ... je ben geen koòpman...’ - ‘Heb 'k niet
me best gedaan?’ riep-ie, huilend, gebogen over de tafel met van nu
àl geweten smart-hevigheid sidderend doorkrampt lijf, z'n handen om z'n
gezicht, dat staarde in het komend leeg-bange, ellende-donkere bestaan -
‘heb ik me best niet gedaan, en ben ik niet goed voor je geweest, al die
tijd, zoòveel jare ... kan ik 't dan hellepe as alles me
tégeloopt ... mot je me daàrom late loope...’ - ‘Je
hadt al voor tweê, driè jaar verstandiger motte wèze ...
zei ze in trilloosgebleven sleeptoon; ‘hij het je wàt goed
angeboje - hadt nièt eigewijs gewees.’ - ‘Dat zèg je
maar...’ zei-ie, in langzaam naar verzèt òmmestuitend heet
schrei-gegons in z'n hoofd, dat naar z'n oogen brandde: ‘as knech van
hèm hadt je me nooit genome ... nooit, Essie, dat lièg
je...’ - ‘Dan maar niet,’ zei ze, ‘je wéet 't
nou ... 'k kan 'r niks an doen ... mot je maar wat zoeke...’ - ‘O
... most je dat metéén zegge, da 'k wèg mot?’
vroeg-ie, z'n hoofd oprichtend. - ‘Izak wil et...’ - In een
rùk stond-ie overeind, 'n haat-gereutel krinkelde naar z'n keel, toen-ie
'r met 't zelfde, kalme meedeel-gezicht van Izak hoorde spreken. 'n Oogenblik
schoot 'n krankzinnige driftflits door z'n armen, tot slaàn, 'r
venijnig-moordend-effene gezicht plat te beuken met één enkelen
houw... Dan bedwongie zich in verstikkend kort-hijgen - niet slaàn ...
niet slaàn - en z'n hoofd wrikkend en rukkend beworstelde de opgillende
haat: - ‘Sekreet!’ scheurde-ie walgend uit z'n keel - ‘je zal
'm afsterreve vóor je trouwdag, hoor je!, hoor je! dat zeg ik, hoor je
me?’ - Dan liep-ie naar de deur, wou wèg, wèg ... anders
gebeurden er verkeerde dingen - toè, wèg ... ogod ... niet meer
zièn ... niet meer ... - In de gang, als-ie 'r niet meer
vóór zich had, kroop dichter de leedkluwen op naar z'n hoofd ...
waar mot 'k na toe ... alles wèg ... niks meer, niks meer ...
zoòlang ben 'k bij je geweest... Essie, Essie... nou mot 'k weer naar de
vodde ... met de vuile stofrommel, dat smerige zoodje ... en de vlooie, de
vlooie ... - Tegen de deurpost huilde-ie uit. - Esther was zonder zucht of
gebaar blijven zitten in de stille kamer, 'r armen over de borst gekruist, 't
hoofd, strak geligwit, éven gebogen; leefloos-groot dekten de blauwe
brilleglazen haar oogen.
| |
3o. Fragmenten uit
Zoekenden door
Sam. Goudsmit, in het Joodsche dialect van
Meppel, Steenwijk, Kampen en
Zwolle. 1908.
Hij was al driemaal begonnen aan z'n Joodsche krantje, maar
telkens had ze 'm er weer uit weggetrokken, z'n oordeel vragend over nieuwe
brutale plagerijen van de overzij. | | | | ‘Was zien vrouwe 'm zoo
weinig weerd, dat-ie niet even die vuile krante kon loaten liggen? Honing
zoog-ie er uut ... tut ze 'm òp zol zeggen of 'm elleke Vrijdag in 't
fernuus douwen ... was 't'm de muujte niet weerd um éven noa 'r te
luusteren? ... hoe die snotneuzen 'r beroddelden op 'r olde dag... Gister had
ze weer an die Grietje zien stoan proaten met die vrouwe van de sjammes ... en
àls hadden ze êlachen en met de heufden 'eschud hier noa toe...
God weet wat ze weer sament 'adden of 'eroddeld! Als die Jacobsche maar in den
winkel kwam, zol ze 't 'r wel ies vertellen ... nogh! most die nul 'r mond niet
toe holden? vrat die niet van allemoale? van haàr Poeremfooi zol ze zich
geen weke zat eten ... die speult met de broodwinning...’ - Vader alles
verstaand, doorlezend alleen in de hoop dat ze als-ie geen woord gaf zwijgen
zou, zag eerst pijnlijk geplaagd van terzij naar haar op, keek toen
bitter-glimlachend naar 'r geweeklaag. - ‘Ies! ik verscheure doar bij God
die frotte krante 'eur ... o, hoe kan me zóó iemand loaten
afsarren ... hoe kan me zoo iemand loaten billen ... was ik d'r maar uut ... o,
God loat mien d'r maar uut-goan!’ - ‘Wat e'm ze nòu dan weer
van oe èzegd ... èj dan wat 'eheurd van de sjammesvrouwe?’
- Met driftigen hoofdruk en minachtend lippensmakken stiet ze z'n zachtheid
terug: ‘Zal oe oòk oe zorreg wezen.’ - ‘Oók
goed,’ zuchtte-ie, nou ze z'n belangstelling negeerde. - Maar toen ze 'm
alweer in aandacht meende de krant te zien lezen, borrelgilde de drift naar
haar keel, in 't voelen naderen van de verlamming, waarmee haar sloeg de angst,
dat niemand, ook hij, geen nota meer van haar nemen zou; en met verwijtenden
loens naar z'n afgewende hoofd trok hem haar eerst bitter aanfleemende, dan
venijnig-uitsnerpende haatstemmetje naar zich toe: ‘Um dad iè nou
niet heùren willen ... doarum èbben ze niks èzegd ... nee,
niks èbben ze èzegd ... niks ... ze loaten mien allemoale met
rùst ... ze denken allemoale ... loat die olde vrouw nebbiesch
begoàn ... is 't niet?... Pésten doen ze mien ... jà,
pèsten, heur-ie 't nou? de ééne met de andere vergallen ze
mien mien leven, oè zeune en oe schoondochter ... en oe neeve en oe
nichte en oe hééle zeùgien ... as ze de koppen bij mekare
steken, dan giet 't over mìen, dàh ... nou wèet-ie 't ...
en det druppeltien bloed det 'r nog òverblef.., det drinken oe zeune en
oe dochter hier in huus wel op ... weet-ie 't nou? al wil ie 't nou niet
heuren, doarum is 't nog wel zoo ... vroag an de warrekgojje, vroag an de
buren, vroag de ... de meiden, an de bakker en an de krudenier en an pomstok en
de heele wereld ... of ze niet roddelen en spijen ... hun gal uut!
woàrumme nìet? ìe em d'r geen last van ... ìe lezen
de krante en ìe goan de stroat op ... hoe kan me zoo'n hond
wezen?’ - ‘Wat 'em ze dan weer van oe verteld, die
snotsneuzen’, dreunde hij langzaam, z'n hoofd, haar oogen zoekend, zacht
keerend naar haar op, ‘det gekraisch is toch ummers overbodig kind,
godogod, mut iedereene det dan heuren? ie zollen oardig wat wiezer doen, aj 't
alleenig en dan alléénig an mièn vertelden ... is 't dan
nièt zoo?’ - ‘Um daj zoo graag noa miên wîllen
luusteren,’ klaagstaarde ze, toch zachter pratend. - ‘As iè
maar niet altied zoo schreeuwden,’ overtuigde hij, wat moediger nu, maar
weer voorzichtig-zachter: ‘wie èf 'r dan nou weer erroddeld van
die twee, Grietje of Naatje.’ - In 't laatst van z'n toon, heel even
fijntjes, glimlachte al weer zijn bijna spotten. Maar nu ze toch voelde hem
bezig te houden, merkte ze dat niet, kriebelde haar hevig de begeerte om de
beide jonge vrouwen even, al was de straatbreedte ook tusschen haar, te
straffen, dan dat ze zooveel aandacht geven zou aan z'n toon. - ‘Vroag ie
nog wie? ... of 't niet precies eender is ... Kump d'r wat op àn ... aj
't wèten wîllen,’ driftte ze al moeilijker - nou ze z'n
belangstellend vooroverbuigen zag, ‘die Naatje, vallen zal ze van 'r
gràatje ... hef van de weeke an de bakker iernoast verteld, dat wij an
Joop zoo em of-èzet
1) ... jaàa ...’ zong ze, aangemoedigd door zijn
ongeloovig schuin- | | | | oogen - ‘wat zeg-ie doarvan...
vreet-iè oe nou nièt op van de zenewen ... wij em an Joop zoo
of-'ezèt met de gassene.’ - Wij 'em of-èzèt met de
gassene?’ hervroeg hij met klem, alsof hij Naatje voor zich zag en 't
haar toevlijmde, ‘nògh, det is toch heelemoàle schmoes, hoe
kun wij ofzetten as hij toch de briefies ef betaald.’ - ‘Juust
doarumme,’ lei zij gebarend uit, nu opeens vertrouwelijk naar hem
gekeerd, ‘em ze verteld ... we êm ... já, schrik oe niet ...
we em eknòeid met ... met de winkeliers,.. ìk weet veule ... en
mesjogge op kosten 'ejaagd um maar een mooie gassene te kriegen ... allemoale
vuile smerige proaties ... goa iernoast bij de gojje van de bakker, die hef 't
mien zoo terloops verteld ... 'n garp on 'n schand veur 't fetsoenlike gajes,
det 't heuren mut, werachtigas-god, zullie onder mekaare weten bèter
vrede te hollen ... zoo'n gojje mut mien det vertellen ... ìk verzeker
oe ie kun haàr gerust geleuven van hiernoast eur ... is
ééne makke woord leugens bij...’ - ‘Nogh,’
zei-ie minachtend, zich schurkend in den leunstoel, ‘wat lui!’ en
na even stilte, toch niet graag toestemmend dat de gojje van hiernaast
eerlijker en fatsoenlijker zijn zou dan z'n schoondochter en z'n nicht,
bedacht-ie zich, terug-krabbelend en tegelijk met een sussen van haar haat: -
‘As 't teminste woar is, zie, niemand stiet mien d'r borg veur, dat die
gojje d'r niet oók 'n biètien bij ef 'emaakt, heelemoale liegen
zal ze 't vanzellef wel niet, doar zie 'k er niet veur àn...’ -
‘Die gojje,’ besliste zij met gefronste wenkbrauwen, ‘die
gojje is wát 'n ressjaffene
1) gojje
... ik verzekere oe, ressjaffener as zij en as zij ... nògh ... vreet-ie
oe nou nièt op van de zenewen bij zu'k soort - de's de olde tante en
de's ... de's de olde mòeder,’ neeg ze, na even zwijgen, met
vinniger verwijt, ‘ie begriepen toch zeker wel, dat det van gunder is
'ekomen - det hef ij verteld of zij ... och god ... ik zal maar niks zeggen -
maar ze bezundigen zich 'eur, ze bezundigen zich zwoár an mien.’ -
Weer kwam even een triestig zwijgen waarin Moeder neerzat in wiebelend beklag,
hij naar woorden zocht, die 'r kalmeeren zouden en tòch niet prikkelen
door negeeren van 't gelaster, waartegen ze jammerde. - ‘In ieder geval
is 't niet zuver an de groat,’ probeerde-ie 't laatste te betwijfelen,
‘dat die bakkersgojje det overkletst, is oòk niet arreg verstandig
mu'k zeggen, as ìk boas was, nou, dan kreeg ze van mien waarachtig geen
cent meer in de la.’ - ‘Umdet det mensche te fetsoenlik is, um
zukke vuiligheid te kun verkroppen,’ verdedigde ze, ‘umdet ze 't
nou niet uut kan stoan, dat zoo'n stuk pest 'n olde vrouwe giet bekladden tegen
'n vreemde, dad iè det nou niet begriepen kun, nou det kan 'k best
geleuven ... ìk zeg oe, van mien kreg ze wèl weer centen in de
bak ... in de là,’ versprak ze zich in 'r aangorgelenden drift,
‘zeker mag 'k det poossien, da 'k d'r nog bin, toch nog wel baas wezen
over de huusholding niet?’ - ‘Och god kind’, glimlachte hij,
‘goa oe gang maar 'eur, al wol ie d'r nog driè bakkersgojjes bij
nemen ...’ - ‘O ... as 'k dèt dan nog maar
màg,’ zei ze zachtjes, en ze kruiste de armen over de borst,
zuchtend uit gewoonte. ‘As 'k dèt dan nog maar màg
...’ herhaalde ze in àl droever, stil-star kijken
vóór zich wazend, ‘dan is 't goed ... dan bi 'k al weer
tevreden ... a'k dèt dan nog maar màg ...’
Een Zondagmiddag, enkele weken na vader's zeventigsten verjaardag,
gingen ze bij Moos en Naatje om tegenvisite af te leggen. Jette en Meijer zouen
thuis blijven, Meijer om op den winkel, Jette om op het huis te passen, beide,
om dat Sam ze niet mee wou hebben. Als Vader en Moeder mee gingen was 't meer
dan mooi genoeg. Jette had geen zin, in een hoekje te worden geschoven. Zij als
eenigste zuster hoorde er bij, wanneer iets ernstigs als een huwelijk van een
broer behandeld ging worden. Waarom moest zij thuis blijven? | | | | Dan
ging ze de deur uit. - ‘Goa oe gang,’ zei Sam. - ‘Maar ik doe
't niet,’ schermde ze, ‘ik doe 't niet, as jullie goan dan goa 'k
mee.’ - ‘En as iè goan dan goa ik niet mee’ vocht Sam
tegen, ‘dan blieve ìk thuus, dan mutten jullie 't maar zonder mien
ofdoen.’ - Vader knipoogde tegen Jette: ‘Wees toch goochem,
kinderachtige meid, kan 't oe wat schelen? Ik beloove oe, ie zullen niks
missen, we zullen oe alles wel vertellen, hoe ku'j nou zoo kinderachtig wezen,
ie worren toch alles gewaar en d'r mut toch ééne thuus
blieven.’ - ‘Umdat 'k altied achterof worre ezet,’
klaaghuilde Jette, ‘altied, altied, de's veur mien sappelen de heele dag,
da 'k as 'n snotneuze deur iedereene in 't gezichte worre eslagen, 'n ander
geeft zien eenigste zuster de kowet um ook ies mee te proaten en 'r meening te
zeggen, op mien spugen ze, de's umdat 'k mien de kolde koorse make.’ -
‘Maak ie oe nièt de kolde koorse,’ sarde Sam, ‘vroag
wie 't oe bestelt, doar vreet ie toch oòk van mee, we zullen oe dame van
gezelschap maken en ons de kolde koorse maken voor òe ... goa'j mee
vader? ja of nee, anders goa 'k alleenig, det gedonder altied, neem de eele
femilie mee a'j wat rechtschapens te beproaten hebben, mevrouw wil aar meening
zeggen, ogh! heb-ie doar óók al 'n meening over? Kàk op oe
meening, as ik maar mien meening zegge, wat 'n brutaligheid.’ -
‘Verrek!’ eindigde Jette nijdig. - ‘Nou aju, Meijer, pas op,
let op de winkel eur, en breng doar even die worst weg, anders stuurt det kreng
ze oe weer-umme!’ - Met hun drieën gingen ze naar de overzij. - Moos
had tegen de pittige zomerwarmte de gordijnen voor 't winkelraam neergelaten,
al was er weinig vleesch in den winkel. Aan een glinsterend-geschuurden haak
boven 't hakblok, voor 't raam van de kamer, hing week-blank, met plekken van
blauwig grijs en warmrozig gevlek, een enkel kalf, breed uitgerekt met
doorhaakte pooten, uit te bloeden op een dweil. Achter de toonbank, voor de
koperen roe, waaraan bruinrood-doorspikkelde worsten rijden tegen de witte
muur, restten een paar aangesneden koebouten; een drooge lap geel-wit vet,
flardig en dun, een stel bruin glimmende nieren, als groote weeke kiezelsteenen
lagen, naast afgewogen, geribd-roode biefstukjes, kliekjes meelig uitgebraden
vet en een tong, vadzig uit als 'n wijsneuzig lang schoenengezicht, neergekwakt
op 't gebroken marmerblad van de uitstalkast. Door den winkel, waar Sam haastig
rondkeek, 't kalfsvleesch keurde en de bestellingen voor 't raam langs gleed,
de bouten tegen de muur krengig vond uitzien, stapten ze, door Naatje
opgewacht, naar binnen. - Naatje gaf stoelen met veel gebaar en voorgenomen
ontwijking van aandacht vragen voor de meubels. Zij had lichtgeel behang met
nieuwerwetsche roode bloemen, waarop terzij van de notenhouten linnenkast
portretten en hevig-leelijke platen door den dichtslag van den deur te rengelen
hingen. Zij had stoelen met groen leer en hooge leuningen op geel en rood
gebloemd tapijt, gelijke matjes, en overgordijnen met roodbekwaste lambrequins.
Boven de zwarthouten schoorsteenmantel pochte in breed bruine lijst, een hooge
geslepen spiegel, waarin te zien was 't geblikker van het notenhouten buffet
daar tegenover, met marmeren blad en servies; het verpronkte de donkere kamer
met in den schemerhoek deftig wegblikkerende fijnheid, de kopjes en
gebakschoteltjes had ze met het uitbollend gesprei van het teergeele theedoekje
omfranjed. - ‘Ga jullie nou zitte,’ noodde ze, ‘dan zalle we
eerst een kop koffie zette, want me sjikse die is uit, die most met alle geweld
naar der aschmedaj, want die most naar d'r vrijer met permissie, naar d'r
aanstaande met permissie, en nou heb ik nog geen tijd gehad om zoover te
komme.’ - We komen ook wat vrog,’ excuseerde Moeder, ‘'t Is
woar we kommen wat vrog, maar det bewiest, dat we graag komen.’ -
‘Niks te vroeg, nooit te vroeg,’ zei Naatje, heen en weer loopend.
- Onderwijl ze zitten gingen om de salontafel en Moos in z'n wit jasje en met
z'n pet op binnen kwam, ging ze naar achter om koffie te zetten. - Moos
slingerde z'n pet in den hoek, wierp zich ongewasschen neer tegenover Vader
én Moeder, zware trekken puffend uit z'n sigaareind. -
‘Nou,’ kwam Naatje binnen, ‘je | | | | begrijpt wel, je
mot zoo'n hourekte
1) wat toegeve, och god
je hebt 'r zoo maar geen weer, jàa ze moest naar 'r vrijer de juffrouw,
ik denk nou, 't is wel je Zondag niet van de week, maar verga jij maar, ik wil
me met die daar niet afgooie, eer ze me stikke laat.’ - ‘Me mut ze
wat toegeven,’ zei Moeder zwaartillend, ‘met recht eer ze oe doar
stikken loat, 'n zorg, wees-ie maar de goochemste, en hol oe kalm en win oe
veural maar zoo niet op.’ - ‘Ogh!’ wierp zich Sam met
aristocratengemak achterover in z'n stoel, ‘wie d'r al niet vrijt, wie
d'r al geen aanstaande hef tegenswoordig, wat bin 'k misslijk.’ -
‘Hè god,’ smeekt Naatje tegen Moos, ‘doe me nou een
plezier en doe je andere jas an niet, je héb toch nog wel een ander
jassie om an te trekke niet? En ga me daar nou niet met je vuile vethande an de
stoel legge asjeblief! 'k Zal voor je op me knieë gaan legge toè
dan! Ja,’ gaf ze Sam antwoord, ‘wat zeg jìj daarvan? Net hoe
je zegt, wie d'r al geen vrijer het tegenwoordig, ik verzeker je, 'n goed hemd
met permissie het ze niet an 'r lijf, maar een aanstaande het ze
tòch!’ - Met een zucht naar z'n oome Ies stond Moos op, veegde in
den winkel z'n handen af en liep naar achter om een andere jas te halen. Naatje
schonk in preutsche fijn-bebloemde kopjes haar sterk-geurende koffie en uit
geribd-glazen, nikkel omrand en gehengseld gebakpotje presenteerde ze
bruingebakken boterkoek. Voor de tafel, de mouwboorden omgeslagen van haar
zwart-lusteren japon, zette ze zich tot drinken. Vader had z'n hoed afgezet,
zat met z'n hand te strijken over z'n glimmende, op de kruin enkel nog
fijn-grijze hoofd, bewreef dan z'n gezicht, z'n neus beknijpend, en afdalend
naar de kin, eindigden de vingers met de baardslierten naar weerszijden
genoegelijk uit te punten. Hij wou niet 't eerste beginnen, de eenigste, die
van 't in vergadering behandelen van 't huwelijk nog eenigen afkeer had, al
zag-ie niets leelijks in 't fatsoenlijk sjadjenen van twee jongelui tot
degelijken sjiddes. - ‘Nou?’, ongeduldig lachend haastte Naatje,
met haar kopje spelend, zeggeris jonges, motte we wat beprate, of motte we
nièt wat beprate, en naar Sam rechts deelde ze schalklachend een kneep
uit. - ‘Ja,’ kort knapte Moos af, en wierp z'n oom en z'n neef elk
een sigaar toe, ‘we hebbe niet lange neudig te proaten jonges, we mutten
maar met de deure in huus vallen, spiekers met koppen sloan, heur.’ -
Trots streek-ie met z'n dik-rooie hand z'n zwarte natte knevel op naar z'n
frisch kleurende wangen en nam z'n sigaar uit z'n mond: - ‘Kiek nou ies
an, zonder d'r duukies umme te winden, ik geleuve wel,’ redeneerde-ie
onder nerveus gekuch van Moeder, Vader en Sam en wijdoogend glimlach-geglinster
van Naatje, ‘zonder d'r duukies umme te winden, ik geleuve wel zie as ik
noa Amsterdam goa, dat ik det zaakien met det meissien en met die oome wel
kloar zal speulen; Sam die zal ongetwiefeld wel idee hebben,’ redeneerde
hij door de kamerstilte, ‘en as ze dan samen varder kennis hebben emaakt,
dan geleuve ik dat we doar varder niet veule meer over te proaten hebben, woar
of niet?’ - Vader zag Moos aan, en Moeder zweeg, zat met haar zakdoek
haar wangenvel opduwend Moos te volgen, loenzend langs den mageren neus met van
aandacht doorblauwende aderen op 't smal-bleeke voorhoofd. Sam, verlegen,
zenuwachtig, trok, onder de hard-rosse roestige ruigheid van zijn snor- en
hoofdharen met te veel en te hevige rukken z'n versche sigaar aan, beloerend
het brandende puntje, zonder opkijken of uitweg weten tot antwoorden. Hij zou
doen of hij uit beleefdheid Moos liet gaan, in de pijnende benardheid van in
familie zich behandeld te voelen en onder 't triomphantelijk geglimlach van nog
niet zuiver bevriend geweten Naatje. Woar wol Moos toch noar toe, dat-ie er zoo
op had estoan, dat teminste Vader mee most komen? Onder 't nadenken begon-ie
vrijer te trekken aan z'n sigaar, ruimer luisterhouding aan te nemen. -
‘En wanneer wi'j dan noa Amsterdam goan?’ vroeg Vader, ‘as
iè 't dan willen opknappen, mud iè maar eerst goan, | | | |
zo'k denken.’ - ‘Det kump allemoale wel goed,’ zei Moos,
‘maar nou mut ik nog even over wat anders proaten.’ - ‘En det
is?’, vroeg Vader kalm met een genoeglijken haal aan z'n sigaar. - Sam,
in blijvende leunhouding zag boven z'n vuist uit naar 'm op. - ‘Det
is,’ begon Moos in een van middag glijdenden zakentoon, ‘det is ...
kiek jullies ies even hier ... jullie snappen toch zeker wel, as Moos die paar
centen met det meissien mee kreg, dat doar dan wat mee te doen is...’ -
‘Det spreekt van zelf,’ bleef Vader alleen met scherp kijken
antwoorden. - ‘En wat wol ie doar dan wel mee doen?’ vroeg Moos,
z'n oom wetend te vangen, maar dan dadelijk om rekking en gekibbel te weren,
zei-ie, z'n stoel verschuivend, ‘zal ìk oe det nou ies
vertellen?’ - ‘Nou dan,’ vroeg Vader. - ‘An mekare
1) kapot
maken!’ lachte Moos ernstig. - ‘An mekare kapot maken ... wat
wol-iè dan?’ - ‘Det zal ik jullie ies netties vertellen! D'r
wonen hier in de stroate nou op 't oogenblik èèn, twee, drie,
vièr katsowem
2), is det woar of is det
nièt woar?’ - ‘De's woar,’ bromde Sam achter z'n
vuist, om niet heelemaal kinderachtig te blijven zwijgen. - ‘De's woar
hè? Nou,’ zei Moos, ‘die maken mekare kapot, is det
oòk woar of niet? Nou rechtuut antwoorden en geen flauwe kul verkoopen,
we proaten nou selied.’ - De's óók woar,’ zei Vader
eerlijk, ‘en wat wol ie nou? schiet op!’ - ‘Ik wol d'r drie
van maken!’ - ‘Drie? dan wo'j samen doen?’ - ‘Zoo is
't, ik wol buttien bij buttien doen, loat Sam nou zien drie mille nemen, en
ìk mièn drie mille en 't bietien da 'k doar nog mee overlegd heb,
en loaten wij doar nou samen 'n stevige zake van maken ... jullie mutten
dadelijk zeggen ja of nee, 't is veur jullie goed en veur mien niet
slecht.’ - Sam, heugelijk verrast, zag nerveus om naar Vader, bang dat
die tegen zou vechten. Hij had grooten lust. Naatje zat stil te lachen om haar
mans goocheme voorstel, waaraan zij den hevigsten stoot had gegeven en zij
spiedde de tafel rond, de gezichten langs die dáchten. Moeder bleef
zwijgen, in zaken gewoon haar man te laten oordeelen; nooit had ze zich daar in
gemengd, altijd zich klein-weg en trouw, zonder hinder of hulp, aan zijn
meerderheid onderworpen. - ‘Doar mut 'k over denken,’ zei Vader
triestig-zacht. Hij merkte plots droef, dat zoo en niet anders z'n zaak op de
been kon blijven. Al z'n heerlijke onafhankelijkheid zou-ie dus tegen
evenwichtig oordeel van een dertigjarig oomzeggend vennootje moeten ruilen. Ze
zaten daar voor hem en klonken hem aan zich vast; hij had niet meer te zeggen,
hij had toe te geven, hij was oud. Dan, opeens, zag-ie smartelijk de tweede
bedoeling: Joop, nou tegenover de sterk gemaakte zaak, moest er totaal onder.
Ja, ja, het ging zoo heel goed, drie duizend en drie duizend, dat waren er zes,
ze zouen hem nou even met z'n vrouw en z'n kleintjes dood gaan bijten. Hij zou
mee helpen, om 'm de laatste knauw te geven. Zeker had-ie nog niet genoeg
honger geleden, in 't poosje, dat-ie daar tegenover ze zat te scharrelen en te
krabbelen. Zou hij 'm zoo moeten helpen uitzuigen? Had-ie 'm daarvoor onder de
goppe gebracht? Zou z'n Moeder d'r niet aan denken? Nee, hier stond-ie alleen,
't zou Sam en Meijer en Jette hun zorg zijn, of hun broer daar morgen of
overmorgen op de keien stond, nogh! óók 'n zorg, ging 't
hùn wat an?
3) As d'r maar wat lekkers bij 't brood was en wat stevigs in
de soep, godegod wat stond-ie zwak tegenover ze ... - ‘Nou mutten we niet
zoo lange proaten,’ zei Moos heet, ‘mut 'k goan of mut 'k
nièt goan ... ik weet niet, wat doar nou over te prakkezeeren valt, och
god nog toe, 't is toch de eenige weg, ik wil jullie godbewaar niet beleedigen,
maar kiek dan goed uut oe oogen ... de concurrentie die hef jullie net zoo min
centen in de zak ebracht; ik zegge niet, da'k 't alleenig veur jullie doe, det
zol mesjoggaas wezen, kinderachtige flik-vlooierije zol det wezen, ik doe 't
net zoo goed veur mien ook as veur jullie, maar 't is toch ook de eenigste
weg...’ - ‘Van zelf,’ zette Naatje bij,
‘zóó kan 't toch niet blijve | | | | voortgaan, van
daag verkoope jullie voor zeve stuiver, en wij gaan op een schelling, dan gane
jullie weer op 'n kwartje en de klante, de frotte stinkende klante die steke de
winst in de zak. Doene jullie nou de krachte bij mekaar, dan wascht toch de
eene hand de andere, we kunne altijd nog wel zien waar we naar toe gaan, hier
of bij jullie, dat komt van zelf allemaal wel terecht.’ - ‘'t Beste
is netuurlik,’ zei Moos, ‘dat de oldste zake blieft en dat we dan
oe winkel 'n bietien verbouwen goan, met onze rommel 'n bietien d'r in kan 't
werachtig as god 'n oardig winkeltien worren.’ - Vader nam z'n sigaar uit
z'n mond en zag hem bitter-scherp aan met even-gedoken hoofd. - ‘Maar 'k
doe 't niet.’ zei-ie als kalm, ‘ik weet 't wel, ik weet 't wel,
jullie maken dan die andere, ie weten wel, die ándere,’ wees-ie
bitter naar den kant van Joops huisje, ‘die maken jullie dan eventies
kapot hè? In de gauwigheid hè? die wollen jullie dan netties
onder de toafel speulen hè? nee, nee, maar 't gebeurt niet ... d'r kump
niks van heur, loat mièn dan maar mien halleve boterham hollen, zoo lang
as ik hier bin gebeurt 't niet, as ik weg bin, dan kunnen jullie doen waj
willen, maar eerder niet ... eerder vaste niet eur...’ - Moeder zag
zwijgend naar hem op, zuchtend, dichter kruisend haar armen tegen de borst, dan
naar Sam afwachtend wat die zeggen zou. - ‘'t Gebeurt niet!’
herhaalde Vader, ‘nee Moos, nee Naatje, nee vrouwgien, det kan niet heur
jonges, dan even goeie vrinden.’ - ‘Maar 't gebeurt wel!’
kwam Sam nu los, half zich naar z'n Vader keerend, ‘ik zeg oe, 't gebeurt
wél, ... ieder mut maar veur zich zelf zorgen, det is allemoale
heèl mooi en heèl oardig ... doar kunnen wij niet van vreten, as
wij doar 'n goeje zake van kunnen maken, dan zal ik 't doarumme niet loaten,
hij zal zich wel redden, dan mutte wij ons oòk redden!’ - Moos en
Naatje gaven daadlijk geen antwoord, zagen elkaar aan, met wenken zich daar
buiten te houden. - ‘Maar 'k goa d'r niet noar toe!’ zei Vader, nog
zachtjes pratend, droeve dingen vóór zich, ‘jullie zollen
wel anders proaten, a'j maar ies wisten, a'j maar ies eventies wisten wat
honger is ... maar weten jullie veule!...’ - ‘Doar zal 'ij zich wel
deur 'ééne sloan, ie ebben òòk niet altied zoo
eproat,’ verweet Sam. ‘Toe-ie pas zien winkel ef op'ezet, toe
hèj de ofslagbriefies ook niet van de ramen of-etrokken, en tòch
hè'j eweten dat-ie alle weken hef mutten verspeulen, ogh! wat 'n
mesjoggaas ook, iemand die oe vlak tegenover oe deure tegenwarrekt, goa die
onderhollen, of bloed dood um 'm te sparen, ógh! wat 'n onzin allemoale,
Moos, ik zal oe wat zeggen, ... 't is akkòord eur!’ - ‘En ik
doe 't niet!’ riep de ouwe. - ‘Maar ìk doe 't
wèl!’ drifte Sam op tafel bonzend, ‘dan doen-ie 't maar
niet, ik doe 't wel, dan goan ie maar slachten ... en dan gaan ie maar de boer
op ... wol ie soms oòk nog 'n apart zaakien opzetten? doar bín
nog meer huuzen hier in de stroate, wat zeg íe van diè
mesjoggaas?’ - ‘Heur doàr ies!’ begon nu Moeder Vader
te verdedigen, ‘heur doàr ies 'n kwoajonge tegen zien Vader,
verrekkeling! Hef-ie niet genog veur jullie esappeld soms? hef-ie niet genog
veur jullie tut over de ooren erin ezeten? um jullie uut de drek te halen? goa
de boer op! zet zelf 'n zaak op! det is tegen de olde Vader! hé'j 'm
niet efillesseteerd toen-ie zeuventig joar was de veurige weke? rotslepel! ja,
ja, ie bin toch maar 'n rotslepel bij hem vergeleken? trap 'm de deure uut!
woarumme niet? 't is oe vaar maar! snauw maar en grauw maar en bek maar of, goa
oe gang!’ - ‘Loat-ie nou as toe blief die mesjoggaas d'r
buuten,’ kalmeerde Sam, ‘veur mien hef-ie niet neudig de boer op te
goan, en een rotslepel bin 'k nou ook niet heelemoale meer!’ -
‘Da's onzin!’ zei Naatje, ‘'n man bij de veertig jaar is geen
rotslepel meer, da's gekheid tante Saar.’ - ‘Nou,’ verdedigde
Moeder, ‘ik zegge tege zien Vader vergeleken, um zoo'n mond tegen 'm op
te zetten, 'n Vader díe vijftig joar veur 'm esappeld hef; hef-ie doar
dan zoo groot ongeliek an? dat-ie niet wil hebben dat jullie an Joop heelemoale
reneweeren goan? a'j maar ies eerst zelfs kinders hebben ... wacht maar, ik wil
oe mazzel niet verzeggen, maar me weet niet hoe God wil.’ - ‘Ie
hebben zeker niks | | | | ezegd, tegen Joop,’ vocht Sam,
‘toen-ie bij ons vandoan is egoan, ie hebben ook maar niet op 'm annegoan
en op 'm espuugd, altied bin-ie veur 'm in de bocht esprungen, wat doen 'k met
die flauwe drijerije?’ - ‘Nou, nou hèb ik wel ies wat ezegd,
doar heb ik mien reden veur ehad, en tòch hef oe Vader gelieke, dat ie
'm niet zien laatste stukkien brood uut de mond wil loaten scheuren.’ -
‘Heur ies,’ overtuigde Moos, ‘ik zal oe nou ies wat vertellen
... ik kan mien doar van zelf niet mee bemujen, maar dèt weet ik wel,
die Joop van oe is òok geen kind, en as-ie zoo'n honger had ehad, dan
was-ie doar al lange vandaan ewest, dan had-ie wel argens anders goan zitten,
en zoo arg zal det nou wel niet loopen, veur mièn ... ik verlange 'm
niet in de grond te warreken, ik gunne die jonge geen kwoad, hij hef mien noch
an mien vrouwe nog nooit geen stroo breed in de weg elegd, onzin, maar as wij,
net zoo as Sam doar zeg, as wij op die maniere det goed veur mekare kunne
kriegen, dan is det malligheid um det te loaten ... ik verzeker oe oome Ies,
die jonge die zal zien paar klanten doar wel umme hollen, ie weten heel
goed,’ lachte hij met z'n hand naar Vader gebarend, ‘ie weten heel
goed, dat hij niet zoo'n kind is, hij zal zien kost wel opscharrelen, wees
doàr maar verzekerd van, as jullie 'm geen kwoad doen, ìk zal 't
zeker niet doen, en nog íes, hij is geen kind, um de verdommenis
niet!’ - ‘Och,’ redeneerde Naatje, ‘kletse jullie niet,
as dat nou alles ís wat je d'r tege heb, dan is dát niks, dan
gaat me mannetje morge of overmorge naar Amsterdam, en dan smoest-ie 'n beetje
la-la-la met de Kalle, en dan houwe we 't andere jaar gassene, of misschien nog
wel gauwer ... hoe lijkt u dat tante Saar, nou?’ lachte ze over de tafel
heen haar toe: ‘hè? da's zoontje nommer tweè die onder de
goppe gaat hè? heb u trek in een gassene?’ - ‘O, arg, arg
trek, ik kan mien trek niet op,’ kniesde Moeder, ‘schei maar uut,
veur mien bin d'r andere dingen um an te denken, ja, gassene, gassene, doar heb
ik allemoale geen heufd meer veur ... ik kan 't wel zonder gassene's of, best,
best...’ - ‘Och kom!’ sprong Moos op, ‘ie màken
d'r wat van, ík wedde, as 't eénmoal zoovarre is, dat ie 't
langste opblieven van de hèele boel, allemoale die zoo proaten, die
doèn doarumme nog niet zoo, ik heb d'r wel lol in, in 'n goeie gassene,
ik heb in lange geén plezíertien ehad, 'k zal godverdomme dansen
dat de hanebalken kraken, wat-ièje Na?’ - Nou hè,’
lekker lachte Naatje, die 'n uitkómst zag in 't glimlachend zwijgen van
haar oome Ies, ‘ik dans de menuet dadelijk met oome Ies, daar kan ik 't
beste maat mee houe, wat, óome Ies? hè ... oome Ies die danst zoo
licht, jullie benne allemaal van die houte boere, maar daar voèl je je
niet bij, nee, dat zeg 'k nou nerges om, maar dat is zal 'k sterve waar, ik
dans altijd wàt graag met 'm.’ - Vader, díe bij Sam's
volhouden dadelijk angstig begrepen had, dat-ie toe moest geven, wijl-ie in
naam geraadpleegd werd, maar toch aan de jonge krachten de dingen over moest
laten, zat zich op te dringen aan den noodzaak der feiten; of-ie al praatte en
opspeelde, of weigerde, och, als Sam doorzette, zou-ie niet meemoeten? hij kon
de zaak niet voeren, hij was niks meer... Langzaam liet-ie zich sussen, door
Moós en Naatje, door de eigen hoop, dat Joop zich er wel doorheen zou
slaan, eindelijk door den troost, dat, àls 't ook mísliep, hij er
toch niets tegen doen kon. Hun vroolijkheid deed nu 't óverige,
aanvonkend den levenslust, die hem altijd krachtig gebleven was. Hij gaf zich
over aan de schikking van den niet weg te dringen dingenloop ... misschien
had-ie werkelijk wel wat overdreven, en waàr was 't dat ze zoo alle drie
naar de kelder gingen. Moeder, onmachtig tot eigen óordeel, had zijn
gezicht beloerd onder 't overtuigend geredeneer der anderen, en tot schuwen
glímlach plooiden zich haar trekken, toen ze hem vroolijk zag worden
onder Naatjes gegiechel. - ‘Nou,’ vroeg Moos, ‘mut 'k goan of
mut 'k niet goan... Sam vindt 't vanzelf goed, niet woar zwoager?’ -
‘Nou,’ hoofdschudde Vader naar zijn vrouw sober glimlachend,
‘as 't niet anders kan, en 't is zoo de eenigste goeie weg, dan mut 't
ook maar zoo gebeuren, dan mag 'k lieden, dat 't jullie | | | | goed mag
goan en ons allemoale.’ - ‘En an ons allemaal!’ zei Naatje
hem begrijpend. - ‘Nou,’ zei Moeder Vader na, toen ze zag, dat hij
haar oordeel meende te vragen, ‘as 't niet anders kan, ja dan mut 't ook
maar gebeuren, dan hoop 'k oòk dat 't maar goed mag goan.’ -
‘O, zoo,’ zei Sam, ‘zóó mag 'k 't heuren, nou
proaten jullie as verstandige menschen.’ - ‘Accoord,’ lachte
Naatje, met bei haar handen slaand op 't tafelloopertje en naar den winkel
wijzend: ‘Moos daar is volk, ga jij eve kijke, toe,’ bedelde ze
lief. - ‘Nee,’ zei Moos, door de ramen glurend, ‘Simon is
toch veur, niet?’ - ‘O, ja,’ zei Naatje, ‘'t is ook
waar ook, hij helpt al.’ - ‘Heur ies,’ boog zich Moos naar
Vader en Sam voorover, ‘ie begriepen wel, dat 'k die òòk
weg kan doen, de's allemoale geld dat we sparen kunnen, det bin toch ook twee
achterwielen alle weken!’ - ‘Wie meen-ie,’ vroeg Vader. -
‘De knecht, Simon,’ zei Moos. - ‘O, wo'j die weg doen?’
- ‘Netuurlijk, ssst,’ maande Moos verstandig uitleggend naar Sam,
die gebaarde van dat spreekt van zelf, ‘vroag of 't maar genog is,’
zong-ie hoog fluisterend naar Vader, ‘drie man in 'n zake, 'k bin
tevreden as alledrie veurloopig geregeld wark hebben.’ - ‘Nou, ja,
och van zelf, a'j 'm bepoald níet meer gebruuken kunnen,’ voelde
vader te moeten toegeven. - ‘Dat zou wel mesjoggaas zijn,’ zei
Naatje, de koekkruimels van haar schoot kloppend, en met een lachje naar Sams
kant weer, zag ze tante Saar aan on ook haàr goedkeuring te hooren. -
‘Och, ja,’ zei Moeder, ‘as-ie niet meer neudig is, gekheid,
me kan niet iemand veur niks de kost geven, de's nog al dùdelijk.’
- ‘Ik denk er nog niet half an,’ besloot Moos, ‘ja, ze bin
nog al zoo lekker de knechten, um lief veur ze te wezen, en dan, ja, wat 'n
malligheid, me kan doar 't geld weggooien, al was-ie de beste knecht van de
wereld, kan-ie mien zeggen hoe laat of 't is, ze denken óok verrek maar,
as ze arregens anders een kwartien meer kunnen kriegen,’ -
‘Nou,’ zei Naatje, ‘as jullie drieë voor eerst werk
hebbe, werachtig dan magge jullie tevreje weze, 't zou aardig mòoi zijn,
màr, 'n zaak met drie man...’ - ‘'k Beloòve
jullie,’ spiegelde Moos voor, ‘wij zullen 't kloar speulen, maar
nou ies wat anders... Na, is 'r nog wat te drinken, ja of nee.’ -
‘Netuurlijk,’ lolde Naatje, ‘ze kenne 'n glas cognac krijge
as ze luste en tante Saar 'n zoet slokkie.’ - ‘Nou, schiet dan
op!’ haastte lachend Moos, ‘'k heb trek in een stevig glas cognac,
as me over dingen van beteekenis hef eproat en me is ofgehandeld, dan mut me
samen 'n glas cognac drinken.’ - ‘Ie zullen wel dorst hebben
ekregen,’ zei Sam, ie hebben mutten proaten as 'n advekaat.’ -
‘Schei maar uut,’ pochte hij terug, ‘'t argste kump nog
jongien, hol oe maar stille, nou mut 'k nog veur oe an 't pleiten.’ -
‘As 't maar geen pleite
1) geeft,’ gijnde
Vader, ‘schep-ie maar niet zoo op, ie zullen wel niet zooveule meer te
doen hebben, ik denke, 't pleidooi is al ewunnen, veur dat de zitting geopend
wordt.’ - ‘Det denk ik ook,’ nam Sam, moediger nu, over,
nou-ie wat gewend raakte aan de gedachte, door Moos en Naatje genadiglijk een
vrouw te krijgen toegeworpen, ‘ie zullen oe lippen niet an 't bloeden
hoeven te proaten, maar heur ies, zonder flauwe kul - nee, geef mien 'n
cognakkien, Naatje, - wanneer goa-'j nou, nou niet zoo lange wachten
zeg.’ - ‘Hoor is,’ plaagde Naatje, die is met recht verliefd
voor-ie verloofd is, d'r is haast bij, wat zeg je daàr van?’ -
‘Op jullie gezondheid, op de nieuwe firma en op de anstoande sjiddesch!
klonk Moos; zij dronken uit met 'n Omein! en schijnbeweeg van klinken, Moeder
en Naatje anisette, de mannen cognac. - ‘Morgen goa 'k noar groot
Mokem!’ riep Moos, z'n knieën beslaand en lach-oogend de kamer rond,
‘en as 't in orde is, bezweer 'k oe, dan schrief 'k 'n briefkaart en ie
komen bij mien!’ - ‘Accoord!’ zei Sam, ‘nou nog ies
inschenken op Moos en Naatje, hoera!’ - ‘Loaten we nou maar ies
eerst zoo varre wezen,’ lolde Moos lekker, met den jubel in zijn hoofd
van de pretjes en de goeie zaak, | | | | ‘ik goa morgen, zonder
smoes, en dan kom-ie bij mien, en we goan samen met de kalle noa huus!’ -
‘Ofgespreuken!’ zei Sam. - Vader en Moeder stonden op om heen te
gaan. - ‘Hoe laàte goa'j morgen?’ - ‘Um 'n uur of
tiene, eerste klas en alles fijn heur,’ rekte zich Moos geeuwend,
‘op oe kosten heur, det neem ik d'r van.’ - ‘Goa oe
gang,’ klopte hem Sam op den schouder, ‘ie maggen oe veur mien
rekening bezeupen drinken an kloare jenever, van de duurste!’ -
‘Alderabbe,’ wenschte Moos. - ‘Nou, lig jullie niet te
donderen!’ bromde Vader, ‘we mutten weg, goed succes wensch 'k oe,
we zullen zien.’ - Nog eens lachend en groetend gingen ze heen. -
Dinsdagsmiddags, in den winkel, kreeg Sam telegram. - Binnen, met een
hoeraatje, las-ie voor: - ‘Alles in orde, komt cito over.
Moos.’
Tot nog toe hebben wij alleen gelet op de taal der Hoogduitsche
Jodengemeente, die trouwens uit het oogpunt van taal, om haar veel grooter
aantal leden, verreweg de voornaamste is. Wij moeten nu echter ook nog wat
nader op de taal der Portugeesch-Israëlitische gemeente ingaan. Wij zouden
dwalen als wij meenden hier eenvoudig met Portugeesch te doen te hebben. Vele
Portugeesche Joden toch waren vroeger uit Spanje naar Portugal gevlucht, en
hadden daar het Jodenspaansch of Spanjoolsch als kerktaal behouden, hoewel ze
spoedig in den dagelijkschen omgang uitsluitend Portugeesch begonnen te
gebruiken. En zoo is dan ook het merkwaardig feit te verklaren, dat in de
Portugeesch-Israëlitische gemeente te Amsterdam, tot
ca 1850 de vertaling der Hebreeuwsche gebeden in de kerkboeken niet
Portugeesch maar Spaansch is gebleven. De preeken daarentegen waren meestal
Portugeesch. Daar komt nu nog bij, dat vele Portugeesche Israëlieten, om
met het groote getal hunner Hoogduitsche geloofsgenooten te kunnen verkeeren,
weldrahet Jodenduitsch aanleerden. Als staaltje van vroeg-Jodenduitsch, in de
pen van een Portugeesch Israëliet, druk ik hier af DE MERKWAARDIGE
VOORREDE VAN ATHIAS, uit de bovenbesproken bijbelvertaling van Witzenhausen,
volgens de transscriptie der Biblia Pentapla. Schiffbeck bei Hamburg 1711. Ik
vermoed echter, dat ook Witzenhausen, althans voor de taal, in deze redactie
wel de hand heeft gehad.
Es spricht Joseph der Suhn meines Herren Vaters, des heiligen
Abraham Athias, das Andänken des Gerechten is zum Segen, er ist lebendig
verbrant worden auf den heiligen Namen des einigen Gottes in der Stat Korduba,
im Jahr 5427. (der Welt, das ist 1666. sq. nach Christi Geburt:) - Die
Belehrung hat angeschrieben im Buch Deut. 27: 8, und du solst schreiben auf die
Stein al die dasigen Wort des Gesetzes wohl bescheidlich, da macht Raschi, in
sibenzigerley Sprach, die Gemara sagt auch, warum is Jisrael gen Babel
geführt, darum dasz ihre Sprach der heiligen oder Hebreischen Sprach am
nächsten war, damit das Gesetz nit in Vergessenheit gestellet würde
von Jisrael. Drum auch hat der Heilige Hochgelobte Got geboten, man sol die
Lehre schreiben wohlbescheidlich, auf solche Art wie macht Raschi, in
sibenzigerley Sprach, den es is eine offenbahre und bekante Sache zu vor dem
Heiligen und Hochgelobten Got gewesen, dasz Jisrael werden verspreit werden in
al die vier Seiten von der Welt, unter allerley Volk und Sprach, der Worten,
dasz sie überal wo sie werden seyn, in ihren Ländern, nach ihren
Sprachen werden die Lehre haben, dasz die Lehre das sey ferne und Friede nit
sol vergessen werden | | | | von Jisrael, den anderst wär keine
Hoffenung zu Jisrael, dasz sie könten aus dem Exilio verlöst werden,
den die letzte Erlösung wert seyn gleich as wie die erste Erlösung is
gewesen, und es is männiglich bekant, dasz Jisrael durch Haltung des
Gezetzes seynen verlöst geworden von Egypten, as wie der Spruch sagt in
Exod. 3:12. Wen du das Volk hast ausgezogen von Egypten, sölt ihr Got
dienen auf dem dasigen Berg, aso wert die zukünftige Erlösung auch
seyn durch Haltung des Gesetzes. Aber heut des Tags sieht man an unsern
überhäuften Sünden augenscheinlich, dasz die heilige Lehre, das
geschriebene Gesetz, fast gar is verworfen in einem Ek der Haus-Winkel, das
brengt auch durch unsre überhäufte Sünden unser
Verlängerung des Exilii, gleich as wie Jaakobh unser Vater, über ihm
sey Friede, hat gesagt Genes. 27:47. Aso sicht man auch heutigs Tags, fast in
gansz Pohlen und Böhmen und men andre Länder, dasz asobald ein Kind
neiert ein weinig Buchstabiren kan, lernt der Rabbi ein Abteilung oder etwas
mehr der fünf Bücher Mosis, danach hebt man Mischnijoth und Gemara
mit ihm an, und legt sich auf Spitzfündigkeiten und Zwizsigkeiten, aber
den Haupt-Grund den Brunnen lebendiger Wasser das geschriebene Gesetz last man
stehn, rechtschaffen klagt die Torah schäbi Ethabh, wie der Prophet sagt.
- Und auch sint die Zeit dasz viel Polnische Gelehrte in Teutschland seynen
gekummen, da man sunst jo hat pflegen Biblische Sprüch und Verse zu
lernen, da haben sie auch, gleich as wie ihr Brauch is, wenig Sprüch mit
den Kinder gelerrent, wens der Lehr-Meister nit kan wie sols der Schüler
wissen, mitlerweise mocht doch ferne und Friede das geschriebene Gesetz
vergessen werden von Jisrael: Ja auch man hat den Zennah ve Rennah auf
fünf Fünfteil vom Gesetz und fünf Bücher und Prophetische
Texte, das is neiert ein Stük von der Lehre, und seynen meistenteil
ausschweifende allegorische Auslegungen, alls Erklärungs-Weise, aber nit
der Haupt-Grund von der Lehre, dasz man solt verstehn, wie der Spruch in dem
eigentlichen Begrif oder blosem Wert nach enander redt: Der früh gejagte
Hinde und gesammelte Nachleft und andere Bücher men, seynen sehr
mächtige schöne Bücher auf das Gesetz, die Propheten und andere
Schriften, seynen aber nit verteutscht von Wort zu Wort, neiert auf die schwere
Wörter, und auch viel Erklärungs-Weise: nun der Maggid auf die
Propheten und andere Schriften is auch schwere Wörter und viel auf die Art
einer Deutung, aber nit schlecht weg eine Auslegung der Sprache, und al diese
Bücher seynen dazu auch gar schlecht gedrukt, seynen besudelt und nit wohl
zu leienen, und auch voller Druk-Fehler, und wen man sie jo aso nach enander
leient, kan der gemeine Man der kein Gelahrter is, dem Text kein Verstand
abhaben, den die Bücher seynen nit von Wort zu Wort verteutscht durch
Auslegung der Worte, dasz es ein itlicher es sey Man oder Weib, Jüngling
oder Jungfrau auch gemeine Leut, aso wohl könten die Folge von den Texten
verstehn, aso wohl as ein Gelehrter, der Worten dasz man sol können
haltend seyn, und du solst sie schärfen zu deinen Kindern, und du solst
davon reden wen du in deinem Haus sitzst, und wen du auf dem Weg tuhst gehn u.
Deut 6:7. Das geht doch jo auf das geschriebene Gesetz, gleich as wie aus dem
Zusammenhang der Verse oder Texte erhellet, den es stehet weiterbescheidlich,
und du solst sie schreiben vers. 9. Unsere Meinung is nit die oben gemelten
Auslegungen, das sey ferne und Friede, zu verachten, das sey ferne. Sie gehen
nach ihrer Weise, wir gehen nach unser Weise. - Unsere Meining is mit der
Hülfe Gots durch Ubersetzung der Sprache zu verteutschen das Gesetz, die
Propheten, und Schriften Wort vor Wort in einem guten Teutschen zierlichen
Styl, dasz es ein itlicher, er sey auch wer er sey, in den Länder
Böhem, Mähren, Oestereich, Pohlen und Teutschland wohl sol
können verstehn, und wissen was unsere heilige Lehre in sich hat, das
bisher wie viele tausent ja zehn tausenten von Jisrael nit gewüst haben,
was sich und wie sich alle Sachen haben zugetragen, dieweil mir Köninge
und Propheten haben gehat. | | | | Den last uns einmahl sehn, was haben
doch die Völker getahn, dasz sie haben nach ihren Geschlechtern, Sprachen,
Ländern und Nationen, Gesetz, Propheten und Schriften dolmetschend
gewesen, hat nit König Ptolomäus lassen sibenzig Aeltesten von
Isruschalaim kummen, die ihm das Gesetz haben übersetzend gewesen in die
Griechische Sprach, und er hat ihnen grose Geschenke gegeben, und hat sie mit
groser Ehr und Ruhm wieder lassen hinzihn, gleich as wie man es
ausführlich gefind in dem Buch, die Augen des Rabinen Sadi vol rohter
Ducaten. - Auch hat man es in Italia Gesetz Propheten und Schrifften
übersetzend gewezen in die Lateinische Sprach, in Korinten, Steyermark,
Tyrol, Bayern, Schwaben haben es in ihrem Sprach, in Sklavonia, Ungern,
Siebenbergen, Walachey haben es in ihr Sprach übersetzend gewesen, in
Böhmen, Pohlen, Reussen, Moscovia, Persia, Arabia, India, Armenia haben es
in ihrem Sprach übersetzend gewesen, Dennemarck, Norwegen, Schweden,
Lappeland, Liefland haben es in ihrem Sprach übersetzend gewesen,
Hoch-Teutschland, Nieder-Teutschland, Saksen-Land haben es in ihrem Sprach
übersetzend gewesen, in Hispania, Franckreich, Portugal haben es in ihrem
Sprach übersetzend gewesen, Engeland, Schotland und Irland; ein itlich
Landschafft, hat es in seinem Sprach übersetzend gewesen, und noch viel
men andre Länder, die uns hie viel zu lang zu schreiben seynen, den ich
hab selbert nun wie viel Jahr nachenander gedrukt, über zehnmahl hundert
tausend Bibeln in Engelsch und Schotsch, den es is kein Knecht hinter dem Pflug
oder kein Dienst-Magd geschweige den andre in gansz Engeland oder Schotland,
der da vier Schrit geht sunder seine Biblia bey sich zu haben, den alsobald
einer ein wenig ledig is, und niks zu tuhn hat, aso nemt er seine Biblia
hervor, zu bestätigen, wen du zu Haus sitzest, und wen du auf dem Weg
thust gehn. - Und warum söln mir sich den nit auch aso befleiszigen in
unsere heilige Gesetz, dieweil doch die Lehre zu uns is gegeben wurden, und zu
keiner andre Nation und Sprach, den mir haben Got sey Dank die lautere reine
Lehre in unserm der heiligen oder Hebräischen Sprach, das auch alle die
Nationen um derentwegen lieb haben, den sie selbert sagen, dasz mir den klaren
reinen Spiegel, die heilige Gesetz, sunder verfälscht haben, und ihnen
vortragen. - Man sech zu, was haben die hochmächtige Hern Staten General
von den vereinigte Nieder-Landen (das meint die sieben Provincias Holand,
Seland, und West Friesland, Stifft Utrecht, Gelderland, Uber-Isel und
Gruningen) dran gewent, und haben im Jahr 5379. (der Welt, Christi 1618, sq.)
lassen zu enander kummen von nahenten und von weiten fünff und zwanszig
grose Gelährte in das Ort Dort oder Dortrecht, und haben sich lassen
Gesetz Propheten und Schrifften recht wol übersetzend seyn, al dem lautern
wörtlichen Verstand nach, und haben solche grose Unkosten getahn, die nit
zu beschreiben seynen: - Aso seynen auch gewesen in der heiligen Synagog
Ferrara, hundert grosse Weisen aus Spanien, die da haben übersetzend
gewesen Gesetz, Propheten und Schriften in die Spanische Sprach Wort vor Wort,
nach seinem eigentlichen wörtlichen Inhalt, sunder einige Erklärungen
oder Auslegungen. Is den einem gemeinen Man etwas schwer zu verstehen, dasz er
nit weisz was der Text meint, aso geht er hin und fragt einen Gelehrten ein
Gesetz-Lehrer der da wolgeübt is in dem Biblischen Text in Gesetz
Propheten und Schrifften derselbige es Got sey Lob unter uns Spanier oder
Portugiesen insgemein viel gibt, die gar wol versucht seynen in dem Biblischen
Text, den man is doch jo erst schuldig einen Grund zu machen, eh dasz man einen
Bau aufstelt, aso gehört man den auch erst den Grund das Gesetz in
Geschrift zu lernen. - Und nachdem dasz der hochgelobte Nahm, gelobt sey er und
gelobt sey sein grosser Nahme, mich nun hat würdigend geweisen mit
Verstand in dem Werke des Buchdruckens, und ich hab es Got sey Lob in meinem
Vermögen, aso bin ich hingegangen, und hab im Jahr 5426 (der Welt, Christi
1665. sq.) gedrukt Gesetz Propheten und Schrifften in Hebräischer Sprache,
übersehen und gesaubert von allen | | | | Fehlern in der Welt. Den
sie seynen gereiniget von viel grosen Meistern des Gesetzes, von den Kindern
unsers Volks und von den Herren Professores von der Universität der Stat
Leida in Holand, und von den Herren Professores von der Stat und Stifft
Utrecht, und hab grose Unkosten darauf verwendend gewesen, dasz es sol
gereiniget seyn, dasz durchaus kein Fehler in der Welt darinnen zu finden is,
Got Lob. - Da hat mir auch die Regierung, die Hoheit ihrer Herlichkeit werde
erhoben, die Hochmächtige Herren Staten General ein Privilegium gegeben,
dasz niemant währender Zeit von 22. Jahren dergleichen Gesetz Propheten
und Schrifften sol dörfen nachdruken, oder verkaufen, und haben mich
verehrend gewesen mit einer güldene Ket, und ein Gnaden-Pfenning dran, das
auf einer Seit steht das Wafen von Holland, und auf derandre Seit das Wafen von
den sieben Provinzies, wiegt 36 Loht fein Gold, welch Privilegium und Ehre von
Menschen Denecken kein Israelit oder niemant hat gehat: - Da hab ich mir
gedacht, dieweil mich der Hochgelobte Name, gelobet ist er, mit diesem
Ehren-Zeichen hat würdigend gewesen, aso wil ich den der Welt auch weiter
zur Seeligkeit behülfflich seyn, mit al demjenigen das in meinem
Vermögen is, und hab nit angesehn Zeit oder Gelt, grad zum Wieder-Spiel
von andre Buchdrucker, die neiert auf Gewinst sehen, und druken aso schlecht
hin, nehmen schlecht Papier, schlecht Tint, schlechte alte Druk-Lettern, und
lassen neiert geschwind nach enander hinwek rumpfeln, dasz man es auch fast an
viel Orten nit wol leienen kan, und dazu vol von Fehler fast ohne Zahl, dieweil
sie keine besondere Aufsicht darauf, den sie gedenken neiert auf Gewinst. -
Aber bey mir is es Got sey Lob nit aso, damit folg ich meinem Vater über
ihm sey Friede nach, der da sein Leib und Leben hat sich übergebend zum
verbrennen gewesen, um des heiligen Namen des Einigen Willen, aso leg ich auch
iszundert mein Gelt und Müh und Aerbet an zur Ehre des heiligen Namen,
gelobet ist er, und hab nachgeforscht gewesen nach weisen und verständigen
Leuten, gelehrte versuchte im Gesetz Propheten und Schrifften, die mir dis Buch
söln übersetzend seyn aus der heiligen Sprach in die Teutsche Sprach,
Wort vor Wort, in einem zierlichen Styl, schlechtweg durch Verdolmetschung der
Wörter, gut Teutsch das man überal verstehn kan, in Pöhmen,
Mähren, Oesterreích, Pohlen und Teutschland, dasz kein Wort in dem
Text sol verfehlt seyn, und auch nit men as in dem Text sieht sol setzen, und
hab durchaus kein Gelt gespart, den ich hab dem Ubersetzer dem grosen
Meíster unserer Meister Joseln Witzenhausen Setzer, bezahlt von aso viel
as auf einem dieser gedrukten Bogen steht drey Reichstaler specie Gelt, auf
Schillings zu rechnen nach Proportion sechszehen und ein halben Gülden
Polnisch. - Noch über dieses hab ich gegeben an dem grosen Doctor, das
Licht der Juden, die Seule, der rechten Hand, ein starker Hammer, ein
besonderer Mann, geehrt ist sein Name, ein hochgelährter Mann, unser Herr
und Meister der Meisteren, das Haupt aller Vorsteher des Gericht-Hauses bey der
heiligen Versammlung der Teutschen, mein Fels und mein Erlöser behüte
ihn, in Amsterdam, von itlichen gedruckten Bogen drey und einen halben
Reichsthaler, neun siebenzehn Creutzer-Stücke specie, nach Polnisch Gelt
auf Schillings zu rechnen nach Proportion zwantzig Gülden, dasz er dem
Ubersetzer Rabbi Josell, der oben gemeldet ist, sol zuhören
überleienen die Ubersetzung Wort vor Wort, dasz kein Wort in dem Text sol
aussen geblieben seyn, und dasz die Ubersetzung sol recht seyn, dasz nit
bewahre Got und es sey Friede ein Fehler dadorch möcht kummen, und genaue
Acht darauf zu geben, desz es sol seyn das vollkommene Gesetz des Herren, das
reine und lautere Wort Gottes, gleich dem sibenmahl geläuterten Silber.
Aber da ich hab gesehn, dasz die vorerwehnte grose Excellenz gar
beschäfftigt is gewesen im Studiren und Richten gantzer Gemeinen in
göttlichen Sachen, dasz er mänchen Tag nit hat Müsze gehabt zu
essen, und hat mich nit wol können befördern seiner Geschäfte
halber, und hat mich gar lang aufgehalten, viel über | | | | ein
Jahr, und hat die Dritte von dem Buch noch nit überleient, da hab ich
gesehn, dasz in aso einem Circel-Rad das Buch, das sey ferne und Friede, wie
viel Jahr solt müssen unter Handen seyn, eh es zum Stande käme, und
wer gibt einem Gelt genugen, oder Zeit genugen, und wer weisz was der Tag oder
die Zeit noch gebracht hätte, ein Menschen-Kind is übernächtigt,
und auch kan man nit die Leut alzeit aso kriegen, die da geschikt seynen, aso
ein Buch übersetzend zu seyn in die Teutsche Sprach, in einem schönen
zierlichen Styl, und auch dasz ein aso herlich Buch nit länger sol vor der
Welt verborgen seyn, dasz ein itlicher Menschen-Kind sol können seines
Lichts sich bedienend seyn, da hab ich nach-forschend gewesen, nach warhaftige
und der Gewinsucht nit ergebene Männer, die eben nit alls von Geltswegen
tuhn, sunder allein nach allen Kräften ihres Vermögens sich
bestrebend seynen, an aso einem herlichen Buch Fleisz anzuwenden, ihrer viele
damit sich verbindlich zu machen, und das Verborgene ans Licht zu bringen. -
Aso hat mich Got geführet zu dem Doctor der H. Schrifft oder des Gesetzes,
as nemlich zu dem Meister unser Meister, dem Bas-Singer aus der heiligen
Synagog Prag, einem rechtschaffenen redlichen Man, der Got fürchtet und
das Böse scheuet, einem weisen und verständigen Man, der fast alle
unsere Bücher sich bekant gemacht, gleich as wie man wol sehen kan an
seinem Buch Siffsi Jeschaynim das er hat verfertigend gewesen, da hab ich mich
erfreuend gewesen, gleich einem der eine grose Beute findet, dasz ich aso einen
Man hab gefunden, der auch wol geübt is in den Sprachen von den
Ländern Böhem, Mähren, Oestereich, Pohlen und Teutschland, der
Worten dasz man es überal wol sol können verstehn, und keine
Wörter in diesem Buch gebraucht, die hie in Holand oder Friesland
gebräuchlich seynen, den man versteht sie anderstwo nit, und hab ihm wol
bezahlt, dasz er hat angenummen die Ubersetzung von diesem herlichen Buch zu
überleienen mit dem Ubersetzer, nemlich den Meister unser Meister Josel
Witzenhausen, dessen vorhin schon gedacht worden, das da noch nit
überleient is, bis ganz aus, mit grosem Bedacht u. Aufmerksamheit, gleich
as wie er auch getahn hat, und hat sehr aufmerksam gewesen in alle Ausleger,
dasz oberwehnter Ubersetzer itlich Wort recht wohl verteutscht hat, der Worten
dasz nit ein unangenehmes Wort solt das sey ferne und Friede seyn unter der
Hant ihm entfallen, und dasz dis vortrefliche Buch möcht zu völligem
Stande kummen, den wie viel hundert Männer und Weiber und kleine Kinder
sehr nach diesem Buch verlangen, Wasser aus dem Brunnen der lebenigen Wasser zu
schöpfen. - Auch hab ich durchaus kein Gelt gespart, und genummen
auser-lesenst Papier, gute Tint, schöne neue Druk-Lettern, die beste
Werk-Meinster, den auch der Ubersetzer, dessen ich schon gedacht, hat es auch
selbert gesetzt, und wohl Achtung gegeben auf die Correctur, und alle Sachen
gar hüpsch ordentlich gestelt. Zum ersten seynen dorch das ganze Buch
gezeichent die Kapitul, und in den Kapitul einen itlichen Vers besunder
gezeichent mit 1. 2. 3. Zum andern is in den fünf Büchern des
Gesetzes die ordentliche Abteilungen des Gesetzes gezeichent mit 1. 2. 3. dasz
man alzeit kan wissen dorch das ganze Jahr, die wie vielste Abteilung das es
is. Zum dritten is in den fünf Büchern des Gesetzes überal auf
dem Kant gezeichent das Leienen, was man an Feyer-Tägen, unbeweglichen
Festen, Neu-Monden, algemeinem Pasten, Einweihung, Hamans-Fest, und vier grose
Sabbather leient, neiert von Exod. 21. bis Num. 7. acht gedrukte Bogen, da is
niks gezeichent, den die acht Bogen hat ein anderer übersetzend gewesen.
Zum vierden is in einer itlichen Abteilung des Gesetzes auf dem Rand gezeichent
die Prophetische Lection die dazu gehört, und wo man sie gefinden sol, und
in den Prophetischen Büchern seynen die Prophetischen Lectionen auch al
gezeichent, wo sie anheben, und wo sie auslaufen. Zum fünften, al die
Hebreische Wörter, oder die Nähmen von Menschen Kindern und von
Plätzen, oder sunst ein fremd Wort, hat man gestelt zwischen solche ()zwey
halbe Monden. (NB. Dieser 3te, 4te, und 5te Punct ist in diesem Deutschen Druck
nicht observiret worden. | | | | Item ach der 7de Punct nicht, hingegen
sind an dessen Stat die zwey grosse Abteilungen eines jeden Verses, Atnach u.
Silluk, die im Hebräis, befindlich, alezeit mit beygefüget.) Zum
seksten, wen man wert gefinden ein Wort oder men Wörter zwischen aso [ ]
einem Klammer-Zeichen, das weist dasz die Wörter nit in dem Hebreischen
Grund-Text stehn, neiert man hat sie müssen setzen von Verbindung der
Sprache wegen, oder der Worten dasz man den eigentlichen Wort-Verstand von dem
Text sol recht können verstehn. Zum sibenden is, alwo ein Sach oder Rede
aufhöret, ein Stüfelchen gestelt, dasz man sol wissen, welches herauf
oder herab geht, das dem Leienen einen sunderlichen Nachdruk oder Geschmak
gibt. - Und drum sol ein itlicher mit Aufmerksamheit in diesem Buch leienen,
aber nit eilendig hinwek schlupfern, neiert wol in acht nehmen, was er leient
oder wo er leient, in welchem Buch, in welchem Kapitul, in welchem Vers, der
wert des verborgenen Grund von dem Gesetz gewahr werden, und was unsre heilige
Gesetz in sich hat, und dadurch verhof ich wert die Aemulation der Nachforscher
die Weisheit mehren, den wen ein gemeiner Man, es sey auch wer es sey, dainnen
wert leienen, und sehn und erfahren wunderwürdige Sachen, die er sein Tag
nit gewüst hat, und wert bisweilen wol davon reden vor einem Gelahrten
oder wol ein Schwürigkeit fragen, und dieser Gelahrter hat sein Lebtag
kein Biblischen Text gelerrent, der wert nit wissen, wer dem Menschen die Reden
beygebracht, wo kumt dem das her, und wert auch hingehn und vor sich nehmen
Gesetz Propheten und Schrifften zu lernen, mit al den Auslegungen, der Worten
wen er möcht etwas gefragt werden von einem gemeinen Man, dasz er wert
können sein Antwort geben und nit zu Spot werde. Auf diese Weise wert sich
die Gesetz Lehre mehren unter Jisrael, und wert bestätiget werden der
Spruch Jerem. 31, 34. und sie werden nit men ein itlicher Man seinen Geseln und
ein itlicher Man seinen Bruder lernen zu sagen, kent Got, den sie alzumahl
werden mich kennen von den Kleinen und bis zu dem Grosen, den ein itlicher wert
die Lehre können verstehn, und die Erd wert derfült werden mit
Wissenschaft, gleich as wie die Wasser den Bodem von dem Meer zudeken Habac. 2,
14. und verhof ein itlicher der sich um viele verdient machen wirt, der wirt
auch vieler Gerechtigheit teil-haftig seyn, aso wert der Verdienst von meinem
Vater dem Heiligen, und der Verdienst des herlichen Buchs bleiben bisz auf den
Jüngsten Tag und bisz in alle Ewigkeit. - Und da die hohe Regierung, die
Hoheit ihrer Herlichheit werde erhoben, die hochmächtige Hern Staten von
Holand und Westfriesland und von dem Stift Utrecht haben gesehn, dasz ich nach
allen Kräften meines Vermögens mich befleiszigend bin, ein schön
neu Buch zu druken, das von Anfang der Welt her aso nit is gedrukt worden, und
aso viel Gelt hab da auf verwendend gewesen, und durchaus kein Gelt da an
gespart, der Worten dasz alls zuletzt rechtfertig und schön sol seyn,
haben sie mir ein Privilegium gegeben, währender Zeit von sechzehen Jahren
von dem Tag an folglich zu rechnen dasz niemant es sey auch wer es sey sol
vermögen das dasige Buch nachzudruken oder herbrengen zu verkauffen. Auch
haben mir die Doctores Häubter und Anführer und Excellenzen der
Ewigkeit Regenten der vier Landschaften Pohlen, und die Vornehmsten die grosen
Lichter und Häubter der Academien, die in den vier ob erwehnten
Landschafften ihr Approbation da auf gegeben, mit dem Nachdruk aller
Bestärkung und Fläche, dasz sich niemant sol derwägen, dieses
wehrtgeschätzte Buch innerhalb sechzehn Jahren von dem Tag an nach zu
druken, gleich as wie ihr ein oder zwey Blat vorwerts könt die
Approbationes leienen. Darumb ein itlicher der da genennet ist auf den Nahmen
Jisrael, und wert sehen den grosen Nutzen von diesem Buch, und dasz ich aso ein
grosz Stük Gelt hab daauf verwendend gewesen, der Worten dasz ich vielen
zu Dienst wil seyn, nit sparsam sol seyn auf das wenig das er vor dis Buch wert
geben, den er kauft sich damit das ewige Leben, wen er wert halten was dainnen
tuht stehn, drum kumt zulaufen tuht nit lanzum gehn, den es is ein Wesen da,
ein Baum des | | | | Lebens denen die sich daran fest halten, wen ihr
ernstlich drinnen werd leuen, aso wert sich euer Hertz derfreuen, und wen ihr
es wert halten, aso wert ihr in Ehrn alten, drum auch last euch euer Gelt nit
verdriessen, den ihr wert es noch in der zukünfftigen Welt geniessen, as
wie der Spruch sagt, dasz wer mich find das Leben find, und wert euch beleiten
in das Land der Lebendigen. So steht im Biblischen Text, wenn du gehest in
jener Welt, so lasz sie dich behüten, und wenn du wachest, so rede von dem
Gesetz. Und der Got des Lebens, der da reitet oder beherschet die Himmel, mache
euch würdig zu sehen an die Tröstungen Zion und an den Bau
Jerusalems, eilendig in unsern Tägen, es geschehe, und dis sey der Wille
oder Wolgefallen. So weit die Reden des Drukers Joseph Athias, von Stam der
Spanier oder Portugiesen.
Hierna geef ik nu een eigenaardig pamfletje, waarschijnlijk uit
het jaar 1780. De titel luidt: KHOOTJE, WAAR BINJE? hof Conferensje hop de
vertrekkie van de Colleesje, hin de Pooretoegeesche Koffy 'uyssie, hover de
Gemasquerde Bal ontmasquert. Kyk! de rest weetje. Bem aprende cada hum: a sua
custa. In het Voorwoord zegt de schrijver: ‘De maaker van dit Dichtstukje
heeft gepoogt in het zelve de gewoone spreektrant der Portugeesche Joodsche
natie in Holland na te bootsen: hy heeft alzo, een byzondere Trant of Cadans
tot dat einde verkooren, in welke het muzyk hunner Taal of liever Spraakdialect
natuurlyk wordt uitgedrukt; zodat de Leezer zelfs als gedwongen wordt, de
Vaerzen zoodanig en niet anders op te zeggen als zy spreeken.’
Ik sette myn kliet han soo net hals ien pop,
Hook trok ik myn beerspryk versthaje me, hop,
Hen liep mit ien foerie hal na de Colleesje,
Daar vondt ik de Christe, hen Pooretoegeesje,
Hal lieden, versthaje hal van de verstand:
De heen las'er de Lysje, hen de aêr de Corant,
De heen dronk 'er Koffie, hen de hander Likeeren,
Hen haltemaal leefde se hals 'eele Sinjeeren,
‘Begot! sei der ien van de Naasie van my,
Wat lees ik daar hin de Corantje? O wey!
Van de laatste Poeriem-Bal binnen de Droomen,
Ik vreesde et hal, hin de drikkie gekomen,
Dat vindt ik broetaal van de luy van de Kinst.
Gelukkig die 'er staan in diesen hin ginst.
O Khootje waar binje? waar zitje hin de lieren?
Ebje geleesen, voorwat! de Satieren,
Soo doende kan 'er niemant 'ier 'ebben de grap,
Hof hy krygt by de leeven! Soo hanstonds van de lap,
Oor je wel Khootje? wat segje van de stikken?
Brammetje seide ik, men souw 'er voor schrikken?’
Ki aai! watte khak om de henkelde Bal,
Ben jylui by me Capore dan mal
Rymelaars, jy mit soo woelig te wesen?
Leesers, jy mit soo veel gek'eid te leesen?
Brengt doch jou ieren verniftiger deer.
O me lieve Brammetje! 't stik his te teer,
Ik mag 'er, ik dirf 'er, begot! niet han denken,
Om soo honse Lindes repoutaatsje te krenken,
Voor wat syn die Prillen en Lorren, me kind!
't Is haltemaal rouach, hen de henkelde wind;
Sy kunnen syn 'oneur soo weinig ledeeren,
Hals ik mit ien schreeuw de Tirk verveeren.
Y lacht 'er iens hom hal is 'et broetaal,
Hen 'et daarom doch ge'ouwen de Baal,
Maar niet soo in horder de 'iel Masquerade,
| | | |
Hals y handers zouw doen, hals y de genade
Gead ad, versthaje? van 'oogere and.
Doch die weygering his voor de Nasie gien schand.’
‘Daar 'eb je gelyk hin (sei Brammetje,) Khootje,
Ik bin ier haccoort in mit jou en me grootje;
Halleen me Papa is van de hander consept.
Ik 'ad, by de leeven! van de saak niet gerept,
Hen 'oe honse Linde geconfoesiëert is,
Na dat 'y hin de Bal te 'ouden geweert is.
Hof honse Papa riep huit: ai, voor wat!
Wat sel dit ien opschudding syn in de stad!
Ai! wat ien malle en gekke versoekkie;
Hen hals deer op huytkommen de Veersie en Boekkie,
His et niet na merite mon coeur?
Hen deer sie je de affaire nu hal mit rigeur,
O wey voor de delicaat repoutaatsie
Van de 'iele Pooretoegeesche Natie.
Deer ien soo'n geval his 'aar glorie capot,
Hen sy by de leeven capore! ten spot.
Maar nou bin ik meê in die selve miening:
Hen dat, ki aai, de man van de bediening!
De iele Baal Sem van de Natie van hons
'Ad 'y 't niet gevraagt, 'y 'ad niet de bons,
Hop de Cabesso gekreegen, versthaje?
Hen nou is 'et bombario! laat 'er maar waaije,
Die der gebrant 'et de gatje compeer!
‘Moet hop de blaar sitten mit sijn clisteer.
Ik avouëerde 'em diese sententie,
Maar iel pour le reste noukerig silensie,
Vermits ien gelach van de lui daar present.
‘Aai, aai, riep een hyder dat chompelement,’
Van den afslag versthaje der Poeriempassagie,
His hal voor jou Nasie de groote Kolagie,
Hen de lange nees han de volk gemaakt,
De neet van de heer van de Nasie gekraakt,
Hen jouluy de schrik voor halles gegeeven,
Hom honsluy in stacy te boven te streeven
Hen huytteminten in koninglijkheid,
Boven luyden met jouly van honderscheid.
Want Jooden die moeten sig niet distingoueeren
Van de veel grooter en deftiger 'eeren;
Hof soo sy 't doen dan syn se in geen tel
Hen helk lacht hom de Hactiënspel.
O waai! o waai! voor de Poeriemgenooden,
Men maaktse begot! tot danssende dooden,’
Men set haar te kyk in de spil-Rarekiek. ...’
Mit kwam 'er Risie, en ik schierde me piek,
Also ik versthaje gien klop wilde 'ebben.
Mit van ien Bal van de Natie te lebben;
Ik deê de salouade han Bram mon ami,
Hen sei de Colleesje versthaje adie;
Laatse wat babbelen by de capore!
Hals ik 'er niet by ben kan ik 'et niet 'ooren.
Over't algemeen komen de klankafwijkingen dus zeer goed met het
Jodenduitsch-Nederlandsch overeen: 1o de invoeging en weglating der
h's voor de klinkers, 2o de ontronding der lippen in beurs: beers,
likeuren: likeeren, sinjeuren: sinjeeren, door: deur: deer, nauwkeurig:
noukérig; neus: nees; noot: neut: neet; pruik: prijk; luren: lieren,
uren: ieren, ruzie: risie, schuren: schieren; druk: drik, kunst: kinst, gunst:
ginst, stukken: stikken, vernuftig: verniftig, ik durf: ik dirf; prul: pril;
Turk: Tirk; uitmunten: huytminten. 3o de vernauwing der klinkers:
kleed: klied, een: ien, heel: iel, geen: gien, meening: miening, deze: diese;
met: mit, spel: spil. Ook hier verwaarloozing van de geslachten: de verstand,
de lijsje, de Corantje, de volk, de consept; ook hier wordt het adjectief niet
verbogen: de delicaat repoutaatsie, de iel masquerade, enz. Ten slotte vinden
wij in het Portugeesch-Israëlitische taaleigen veel frequenter dan in het
Joden-duitsch-Nederlandsch: voorbeelden van u als oe uitgesproken: furie:
foerie, brutaal: broetaal, reputatie: repoutaatsie, confusie: geconfoesieert,
distinguee- | | | | ren: distingoueeren, saluade: salouade. Meer en
misschien beter materiaal zou men nog kunnen vinden in Raphael Noenez Karwalje:
Lehrrede hower de vrauwen, Hopper Rhabbijn te Presburg, Amsterdam 1820, maar ik
ben er niet in geslaagd, dit boekje onder de oogen te krijgen.
Tot 1850 bleven de Portugeesche Israëlieten zich voornamelijk
van het Joden-Portugeesch bedienen. Met het openbaar onderwijs verdween echter
ook deze laatste Jodentaal uit ons land. Toch zijn er nog vele overblijfselen
van in stand gebleven. Gelijk men uit de hierna volgende woordenlijst kan zien,
zijn vele liturgische woorden nog zuiver Portugeesch. Verschillende gebeden in
de Snoge worden nog altijd in de Portugeesche taal gezegd (zie op
Saudes). Maar ook in de gesproken taal leven nog een heele voorraad
Portugeesche woorden voort, gelijk men kan zien bij W. Davids: Bijdrage tot de
studie van het Spaansch en Portugeesch in Nederland naar aanleiding van de
overblijfselen dier talen in de taal der Portugeesche Israëlieten te
Amsterdam. Handelingen van het Zesde Nederl. Philologencongres
1910. Ik geef nu eindelijk een lijst van Joodsche woorden, die in al haar
onvolledigheid, als eerste proeve, toch menigeen dienstig zal kunnen zijn. Ik
ben daartoe begonnen met het excerpeeren der Joodsche woorden uit Taco de Beer
en Laurillard's Woordenschat. Deze artikelen zijn zoo goed als alle van den
bekenden Rabbijn Tal. Deze lijst nu, heb ik aangevuld 1o met de
Portugeesch-Israëlitische woorden van Davids, en nog een reeksje andere
uit de aanteekeningen van een Port. Isr. werkman, mij uit de Bibliotheca
Rosenthaliana verstrekt; 2o met de Joodsche woorden, die ik aantrof
in romans, novellen en tooneelspelen van Heyermans (slechts voor een deel),
Carry van Bruggen en Samuel Goudsmit (tamelijk compleet); 3o met de
Joodsche woorden, die ik uit het mondeling en schriftelijk gebruik van andere
Nederlandsche Israëlieten heb genoteerd. Hierbij hooren ten slotte een
paar opvallende eigenaardigheden in de uitspraak, waarop D. Hesseling mij
opmerkzaam maakte: Zoo goed als alle overigens onberispelijk Nederlandsch
pratende Israëlieten, spreken de samentrekking van ‘zoo een’
altijd tweelettergrepig uit, en zeggen dus zo:ən;
niet-Israëlieten zeggen zoo goed als altijd zo:n. Verder hebben zij
nog tegenwoordig moeite met het onderscheid tusschen v en w vooral in woorden
als eventueel, juist als Mauses Polakkie al voor leeuwen: leven en voor
nieuws: nies schreef. Ten tweede wees mij er L. Dorsman Cz. op, dat de meeste
Jodenkinderen altijd zεstəx en zewəntəx
zeggen voor sεstəx en sevəntəx.
| |
Eigenaardige woorden onder de Nederlandsche Joden
gebruikelijk.
| Ab, Aw: vijfde maand der Joden. |
| Abatare(n)
(Portugeesch-Israëlitisch): in de war brengen. Ptg. abater. |
|
Aboefare(n) (Ptg. Isr.): iemand overstelpen. Spaansch nog abahado:
gezwollen. |
| Accompagnar (Ptg. Isr.): het begeleiden bij het dragen
van den Sepher Thora. |
| Adem: schoonzoon (Hgd. Eidam). |
|
|
| | | |
| Adonai: letterlijk mijne Heeren! Deze meervoudsvorm
wordt enkelvoudig gebruikt bij 't spreken tot God. Daar de Israëlieten den
geschreven naam Gods (J.H.V.H.) niet mogen uitspreken, zoo zeggen zij steeds in
plaats daarvan het woord Adonai: Heere. En om ook dien naam niet onnoodig uit
te spreken wordt vaak daarvoor gezegd: |
| Ado-sjem dat is: Ado ... en
hoe verder de naam Gods is (sjem: naam). |
| Adenom, Adenol,
Addechim: Heere! uitroep van verwondering. |
| Aftenade (Ptg.
Isr.): erg vermoeid; v. Ptg. afanavo. |
| Afflite (Ptg. Isr.):
bedroefd; v. Ptg. afflicto. |
| Afi-kaumon (Nhbr.): naspijs, slotspijs.
Het stukje Paaschbrood, waarmede de Isr. op de de beide Paasch-avonden het maal
besluiten. |
| Agradeesíede (Ptg. Isr.): Dank u. Ptg.
agradecido. |
| Alderabbe: talm. Hebr. aderabbe: in elk geval, des te
meer. |
| Alman (Nhbr.): weduwnaar. |
| Almana (almono):
weduwe. |
| Almemmer: biemah; zie aldaar. |
| Arba-kanfoth:
(arbang-kanfous) (Hebr.) lett. vier hoeken en duidt aan 't kleine
vierhoekig - door iederen Isr. onder zijn bovenkleederen gedragen -
godsdienstkleed, met uitgesneden halsopening. Aan elk der 4 hoeken is een
bundel aanschouwingsdraden (Tsitsith) vastgehecht. (Zie Tallith). |
|
Ariël: in de cabala een watergeest; in de middeleeuwen ook
luchtgeest, beschermer van onschuld en vervolgden. |
| Arrodiamentos
(Ptg. Isr.): de omgangen om de biemah; v. Ptg. arrodear. |
| Atrodieren
(Ptg. Isr.): om de biemah gaan, 't zelfde. |
| Attordide (Ptg. Isr.):
versuft, verbijsterd; v. 't Ptg. aturdido. |
| Asjkenazim: Duitsche
Israëlieten. |
| Arijlim: onbesnedenen. |
| Asjmedaai:
vrijer, verleider, helsche geest, hel. Asmodee cf. Tobias, 3, 8. |
| Atlas
maken: opschudding, beweging, drukte maken. |
| Awadde zie
waddaï. |
| Aweire (Nhbr. Awera): zonde, overtreding. 't Is 'n
aweire, spreekwoordelijk voor: 't is zonde. |
| Baba (Chald.): poort.
Er zijn 3 opeenvolgende Talmoed-tractaten, behoorende tot de 4e
afdeeling, die heeten: baba-kama: eerste poort, baba-metzià:
middel-poort, baba-bathra: laatste poort. |
| Baddeken v. Nhbr. badak:
onderzoeken. |
| Barmitswoh: kerkelijke aanneming; barmitswedag:
aannemingsdag. |
| Baroech (Hebr.): gezegend, Baruch (eig. Baroech) de
gezegende, later in 't Latijn en andere talen vertaald: Benedictus, Benoit,
Benedetto. |
| Bassam zeggen (Ptg. Isr.): een bepaald ritueel gebed
spreken. |
| Bas (Hebr. bath): dochter. |
| Bas-kol (Hebr.
bath-kol): dochter der stemme, d.i. weerklank eener andere stemme. Daarmede
wordt steeds aangeduid: de echo van de goddelijke stem, d.i. een geluid, dat -
als door God gezonden - een oordeel of een beslissing over personen of zaken
doet hooren. |
| Beber (Ptg. Isr.): drinken, aan den drank verslaafd
zijn; v. Ptg. bebêr: zuipen. |
| Beginnom (Nhbr.): niets,
kosteloos. vee; fig. domoor. |
| Behaf: doodmoei. |
| Behema,
Beheime, Beheimoh (Nhbr.): tam |
| Beis kewoeres: bepraafplaats.
Zie keber en beth: huis. |
| Bensjen (bendsjen) v. Italiaansch-Lat.
benedicere: zegenen, zegenwensch uitspreken, ook het groote dankgebed na den
maaltijd. |
| Beracha (berocho) (Hebr.): zegen, zegenwensch. In de
liturgie: lofprijzing Gods, lofzegging, zooals die door den Israëliet bij
elke bijzondere omstandigheid in 't dagelijksch leven wordt uitgesproken. |
|
Beris-milo (Hebr.): verbond der besnijdenis, duidt de besnijdenis aan,
als ook den daarmee verbonden feestmaaltijd. |
| Besamiembus:
specerijbus en kaarsenhouder voor de plechtigheid der scheiding (Habdalah) van
den Sabbath. |
| Besjolem: goed en wel. Zie sjolem: vrede en sjoloum
aleichem. |
| Besnijdenisjurk: soort doopjurk. |
|
| | | |
|
Besnijdeniskist: waarin de instrumenten worden bewaard. |
|
Besnijdenisstoel: dubbele besnijdeniszetel, op den eenen zetel neemt de
besnijder (mohel) plaats, de andere blijft open voor den profeet Elias. |
|
Besnijdenisvoorhang. |
| Besoeres: ellenden. |
| Beth of
Beis: de 2e letter van 't Hebr. Alphabet; ook het getal
twee. |
| Beth-hamidrasj (beis-hamidrosch) (Nhbr.): leerhuis,
huis van studie der gewijde boeken. |
| Betoeg: rijk, goed af. |
|
Betoela (besoela) (Hebr.): jonge maagd. |
| Bewadde. Zie
waddai. |
| Biemah: vierkant podium midden in de kerk, waar de
voorlezing geschiedt. |
| Bir, Biro (Chald: Hebr. beër): bron,
vandaar vaak in plaatsnamen voorkomend. |
| Boas entradas (Ptg. Isr.):
zalige Sabbath eigenl. Sabbathingang. |
| Boas entradas de jejum (Ptg.
Isr.): zalig Vastebegin. |
| Boas festas, bos festas (Ptg. Isr.): zalig
feest; v. Ptg. bõas festas. |
| Bom saliente (Ptg. Isr.): zalig
uiteinde (van feest of sabbath). |
| Bon(h)ora (Ptg. Isr.): zalige
bevalling (eigl. een goed uur), wensch aan een kraamvrouw. |
| Bon
proveito (Ptg. Isr.): het bekome je goed (na den maaltijd). |
| Bon
Samanos (Ptg. Isr.): Gelukkige week! |
| Bor (Hebr.): onbeschaafd,
onwetend mensch. |
| Boratjáng (Ptg. Isr.): dronkaard; v. Ptg.
borrachão. |
| Borraatje (Ptg. Isr.): dronken; v. Ptg. borracho,
dronkaard. |
| Borrege, Hebr. Boruch hu: Geprezen zij Hij, na den naam
Gods of Kodesj (heiligdom). |
| Briezemiele, brezemiele:
besnijdenis. |
| Brooche, brooge: zegen. |
| Bueno dias (Ptg.
Isr.): goeden dag. |
| Cantares (Ptg. Isr.). psalmen. eigenl. een
Spaansch woord. In 't Portugeesch heeten ze cánticos, maar dat wordt ten
onzent niet gebruikt. |
| Chanoeko-kandelaar op de biemah in de
Synagoog; chanukilho, chanoekielje (Ptg. Isr.): chanoeka: lamp. Zie
ganoeka. |
| Chasidan (Hebr.): ‘de vromen’, naam eener
Joodsche sekte, vooral in Rusland, Gallicië en Hongarije verbreid, die
eenerzijds door innigen blijden godsdienstzin en strenge inachtneming van
geloofsplichten uitmunt, doch anderzijds vaak overhelt tot mysticisme en
bijgeloof. Zij ontstond omstreeks 1700. |
| Chataniem (Hebr.): de
bruidegoms der wet; de personen wien op het Vreugdefeest der wet (Simchath
Thora) de eer te beurt valt om bij het slot en het weder beginnen der
Thoralezing, voor de Thora te verschijnen. |
| Chataniemzetels: stoelen
voor de bruidegoms der wet, |
| Cheflade (Pgt. Isr.): in zich zelf
gekeerd. |
| Cheilek (Hebr.): deel. |
| Chein (Hebr.):
welgevalligheid, gunst, vroolijkheid. |
| Choepa: trouwhemel of
baldakijn met daarbij behoorende zetels. |
| Dal (Hebr.): arm; vandaar
Dalles (Nhbr. dalloeth of naar de uitspraak der Hoogd. Isr. dalloes):
armoede. Dalles-dekker: wijde mantel of ander kleedingstuk, waarmede men
zijn armoedige onderkleeding bedekt. |
| Daleth, Dôles: letter d,
ook 4. |
| Dalfon (Hebr.): arme man; in schertsend verband met Dalpon,
den naam van Haman's tweeden zoon, Esther IX: 7). Dalfones:
armoede. |
| Dalles: armoede. Zie dal. |
| Deezenfan(t)sjaar
(Ptg. Isr.): het loswikkelen der fan(t)sja, mappa; v. Ptg. desenfaixar. |
|
Deies, zie meoth: met de meies komen de deies, met rijkdom komt
raad. |
| Deisje (Ptg. Isr.) (vooral in de artistentaal): zwijgen, den
mond houden; v. Ptg. deixar: ophouden. |
| Desconfiade (Ptg. Isr.):
wantrouwig; v. Ptg. disconfiado. |
| Despatsjare (Ptg. Isr.): (iemand)
afschepen; v. Ptg. despachar. |
| Deurpostgeschriften. Zie mezoeza en
fluitjes. |
| Digo mismo (Ptg. Isr.): insgelijks; Ptg. letterl.: ik zeg
hetzelfde. |
| Dineire decontade (Ptg. Isr.): boter bij de visch, eerst
betalen! |
|
| | | |
| Doechenen: bij de Hgd. Isr. in Nederland 't
uitspreken van den priesterzegen door de mannen van Aäronitische afkomst,
staande op de verhevenheid (doechan, Hebr.) vóór de H. Ark. |
|
Doedaïm (Hebr.): liefde-appelen, wortelen eener plant, die gezegd
worden liefde te wekken. |
| Ebed (Hebr.) Hgd. uitspraak: ewed:
knecht. |
| Eben (Hebr.): steen. Eben-Haëzer (Hebr.): steen
der hulpe. |
| Echa of Eicho (Hebr.): ach! Aanvangswoord van
drie der vijf hoofdstukken, waaruit het boekje der Klaagliederen van Jeremias
over de verwoesting van Jerusalem bestaat. Vandaar: eicho over iets
zeggen: een Jeremiade over iets aanheffen. |
| Echad of
Echod (Hebr.): één. Het is 't laatste woord van het eerste
vers der Israël. geloofsbelijdenis. Vandaar: Echod lang aanhouden:
zijn geloofsbelijdenis met aandacht uitspreken. |
| Edom (Hebr.): de
roode; bijnaam van Ezau. Zijne nakomelingen heeten Edomieten of later
Idumeërs. Met den naam Edom worden in de Israël. litteratuur vaak
Rome en de Romeinen, en in 't algemeen Israël's vijanden aangeduid. |
|
El (Hebr.): God. In vele Hebr. namen als voor- of achtervoegsel. |
|
Elef (Hebr.): duizend. |
| Eloel: laatste maand van het maanjaar
van den Israël. eeredienst. |
| Emmes, immes (Nhbr.): vastheid,
trouw, waarheid. Uit (Ohebr.) emet. In de Amsterdamsche volkstaal:
éénig, fijn, magnifiek! |
| En (Hebr.) van aïn:
bron, dus z.v.a. bron van. Vaak als voorvoegsel van namen. |
| Engoelier
oen boi con cornes (Ptg. Isr.) spreekw. letterl. een os met de horens
inslikken (iets onmogelijks willen). |
| Epicuros, in de Joodsche
spreektaal vaak verbasterd tot Apikoures en gebruikt in den zin van
Godloochenaar, omdat de Epicuristen Gods voorzienigheid ontkenden. |
|
Eppes, ippes, Mhd. vorm van etwas; thans gebruikt in dezelfde beteekenis
als emmes. |
| Eretz (Hebr.): land. Met voorgevoegd artikel
ha-arets: de aarde. Erets Jisrôeil: het land van Israël. |
|
Erew, eref (Hebr.): Ohbr: êreb: avond, vóóravond. In
't Nhbr. en vandaar in 't gewoon taalgebruik: voorafgaande dag, die met
zonsondergang eindigt. B.v. Eref Poerim: dag voor 't Poerimfeest. |
|
Ethanim: naam der 7e maand van 't Hebr. godsdienstig
jaar. |
| Ethrog, Esrog, Esrouk: de paradijsappel door de
Israëlieten op het Loofhuttenfeest bij de ceremonie gebruikt. |
|
Ethrogdoosje: doosje waarin de Ethrog wordt bewaard. |
| Ets
chajjiem: de cylindervormige houten staven, waar de perkamenten wetsrollen
worden op- en afgerold. |
| Fant(s)je (Ptg. Isr.): mappa om de wetsrol;
v. Ptg. faixa. |
| Fluitjes (Amsterdamsch): huisjes der
deurpostgeschriften. Zie mezoeza. |
| Fielje de vielje (Ptg. Isr.): als
zoon van zijn vader (die 't een of ander voorrecht had); uit 't Ptg. filho de
velho: zoon van den ouden. |
| Fraale: grootmoeder; v. 't Jdd. Fraule,
zie barrle. |
| Frot, Frotte, Frotterin: Jdd. scheldwoorden (v. Ndl.
verrot?) |
| Gaaies: Christenen. |
| Gabbe: v. Nhebr. gabbai,
mrv. gabboîm: beheerder, bestuurder. |
| Gaboentje (Ptg. Isr.):
poffertje, een aardappel die ongeschild gekookt wordt. De Gaboentjes komen met
de geschilde op tafel. Het is een aardigheid voor kinderen; van Spa-Port.
cabaña, gabinete: regenmantel? |
| Gachamin (Hebr. mrv. van
gacham: wijs): de wijzen, de klassieke geleerden van Israël, die de
traditie beoefenden en overbrachten. |
| Gaiwe: trots. |
|
Gai-wekajom (Hebr.): de luid uit te roepen beginwoorden van een Hebr.
smeekgebed. Vandaar: gai-wekajom-schreeuwen: Jdd. uitdrukking voor luid
ach en wee roepen. |
| Gajes: Christenen. |
| Gajew (Nhbr.):
schuldig, vooral geldschuldig. |
| Gajim (Hebr.): leven. |
|
|
| | | |
| Galaeth (Nhebr.) (spr. golvet, goloes): ballingschap,
verbanning. |
| Galchoes (Nhebr.): Christelijke, of ook niet-Joodsche
letterkunde en wetenschap. |
| Galjófe (Ptg. Isr.): gezellig,
daar moet je heengaan, 't is er een echt galjofe boel; uit 't Ptg. galhofa:
vroolijkheid. |
| Galietsa (Nhebr.): schoen-uittrekking, de naam der
Israël. ceremonie, die bij verbintenis, ontbinding en overgang plaats
had. |
| Galla (Nhebr.): broodkoek, gevlochten sjabbeswaterbrood bij de
inwijding; ook het stukje deeg, dat afgezonderd moest worden. Vandaar galla
nemen: 't afzonderen van dit stukje deeg en galla: 't sabbathbrood, waaraan
deze plicht vervuld is. Hebr. challa van chalîl (hij heeft
doorboord): tegenwoordig nog doorboren de Joden hun offerkoeken. |
|
Gallach (Nhebr.): die de tonsuur of geschoren plek draagt. |
| A
gallienje de mienje vezienje è meljor ka mienje (Ptg. Isr.): de kip
van m'n buurvrouw is beter dan de mijne. (De arme vrouwen kregen vroeger aan de
Portg. Snoge bij sommige feesten bedeeling van een kip.) |
| Gallif
(Nhebr.): slachtmes. |
| Galoosjoes (Nhebr.): zwakte, onmacht,
bezwijming. |
| Gamino (Nhebr.): hitte. |
| Gammer (Nhebr.)
(Hebr. gamor): ezel; vooral in den zin van domoor. |
| Gamosjim
(Nhebr.) zie Gomesj. |
| Gan Eiden (Hebr.): de hof Eden. |
|
Ganfenen (van Hebr. chaneph) Jdd. vleien, flikflooien. |
|
Gannef: dief. |
| Ganoefo (Hebr.): vleierij; ganoefo
drijven: vleierijen vertellen. |
| Ganoeka, Hebr. chanoeka:
inwijding, inwijdingsfeest of feest der Maccabeeën, dat vooral door het
ontsteken van feestlichten tegen 't einde der Joodsche maand Kislew (ongeveer
begin December) gevierd wordt. Het gedenkt de bevrijding van Israël van de
Syrische overheersching (± 180 v. Chr.). |
| Garaboelje (Ptg.
Isr.): wanorde, b.v. in een boekenkast. Italiaansch garbuglio: wirwar. |
|
Garoto (Nhebr.): berouw. |
| Garpe (Hebr. cherpa): schande. |
|
Garpe-ne-schand (Jdd.): samengetrokken uit: Eine Garpe und eine
Schande. |
| Gasj (Jdd.): niet veel zaaks. |
| Gassene (Nhebr.)
(Hebr. chasunna, Hgd. uitspr. gasoeno): bruiloft. |
| Gattes (Hebr.
chatta) mrvd, gatteisim: zondaar; iemand van weinig gewicht. |
| Gaulem
(Nhebr.): klomp; vandaar automaat, lummel. |
| Gaulo: ziek, zieke; van
't Hebr. challa of chalah: hij is ziek geweest. |
| Gausom (Nhebr.):
zegel; (van 't Hebr. chótam). |
| Gawroeso (Nhebr.): gezelschap;
(v. gawwer). |
| Gaveta, Gewéte (Ptg. Isr.): zitbank in de kerk;
van Ptg. gaveta: lade. |
| Gawwer (Nhebr.): makker, vriend. |
|
Gazaljáde (Ptg. Isr.): gezelligheid; 't Ptg. gasalhado: herberg,
plaats waar men gastvrij ontvangen wordt, heeft z'n beteekenis ietwat gewijzigd
onder invloed van 't Nederl. woord gezelligheid. |
| Gaz(z)an (Nhebr.):
opziener, voorganger in 't gebed, voorzanger in de synagoge. |
|
Gazeeren: op 't Israël. Nieuwjaarsfeest iemand een goede beslissing
of bestemming toewenschen van 't Hebr. gazeera: besluit). |
|
Gazir: zwijn; (Hebr. chazir). |
| Gazomem: voorzanger. |
|
Gazzer: slechte kerel; (Hebr. chazir: zwijn). |
|
Gebedsmantel. |
| Gebedsriemen. |
| Gedalja (vastendag
van): Joodsche vastendag op den 3den Tisjri (in September of
October) wegens de vernietiging der laatste rest van Israël's nationale
zelfstandigheid, uit den tijd des eersten tempels. |
| Geider (van
Hebr. cheder: vertrek, studievertrek): godsdienstschool. |
| Gei-hinnom
(Hebr.) (Jod. volksuitspraak: geinem, Grieksche uitspraak: gehenna):
hel. |
| Geilek (Nhebr.) (Hebr. chélek): deel, aandeel. |
|
Geilew (Nhebr.) (Hebr. chèleb-chèleb): vet, talk. |
|
|
| | | |
| Gein (Hebr.): vroolijkheid, geintjes, grapjes. Zie
chein. |
| Geirem (Hebr.): ban. In geirem doen: in den ban
doen. |
| Geisjek (Hebr.): lust, zin. |
| Geivoesjd (Nhebr.):
uitdrijving, Jodenvervolging. |
| Gejoene: genot. |
| Gemara,
gemòrò: volmaking (van Hebr. gamer: hij heeft voleindigd).
Maakt met de Misjna den Talmud uit. Ze heet ‘volmaking’ met 't oog
op de Misjna, welke ze uitlegt en aanvult bij wijze van commentaar. |
|
Gemara (Nhebr.) (Hgd. uitspraak gemoro): |
| Geneiwoh (Nhebr.):
diefstal. Vgl. gannew. |
| Ger (Hebr.): vrouwelijk: (Nhebr.)
giroeres: vreemdelinge, eene persoon, die uit een ander volk komend zich
onder de Joden vestigde. Vandaar, iemand die tot 't Jodendom is
overgegaan. |
| Geroddel (Jdd.): kwaadsprekerij; zie roddelen. |
|
Gesjieves: braaf, engelachtig. |
| Gesjwan, Chesjwan: Joodsche
maand (in October-November). |
| Geséra (Nhebr.): lot,
beslissing, bestemming meestal door loten. Ook: noodlot, onheil. |
|
Gezeire: verwensching van ziekten (hetzelfde woord als 't vorige). |
|
Getseken (Jdd.): geschrei. Zie Tsekenen. |
| Getsi (Nhebr.): de
helft. Hebr. cheetsie. |
| Gevatterin (Jdd.): meter bij de besnijdenis,
't vrouwelijk van Sandek. |
| Gewéte: zie gaveta. Zitbank in de
Ptg. Isr. Snoge. |
| Gewoeres (Hebr. geboera: kracht): machtige
daden. |
| Gewro, Gewwre (Nhebr.): vereeniging, gezelschap. |
|
Gewroeze (Nhebr.): kameraad. |
| Gibbôr (Hebr.): held,
sterke man. |
| Gidoesj (Nhebr.): vernieuwing, nieuwigheid,
nieuwstijding. Hebr. chodesj. |
| Gilloek (Nhebr.): onderscheid,
verschil. Hebr. chalukka. |
| Gimmel: derde letter van 't Hebr.
alphabet. Drukt ook het getal drie uit. |
| Ginoegh (Nhebr.):
inwijding. Hebr. chanucca. |
| Giroeres zie ger. |
| Gisjmel,
mrvd. Gisjmeilim, benaming der Zigeuners in den Hebr. tongval der
Duitsche Joden. In 't klassiek Hebreeuwsch komt 't woord niet voor. |
|
Gochmo: wijsheid, verstand. Hebr. chokma. |
| Godoul (Nhbr.):
groot; Hebr. gadôl. |
| Goeape, Goeapidade (Ptg. Isr.): knap,
fier(heid), trotsch(heid) van 't Ptg. guapo. |
| Goël: verlosser;
ook hij die als naaste verwant, een schuld inlost. |
| Goetspo
(Nhebr.): onbeschaamdheid; brutaliteit; Hebr. chatsap: hij is hard, streng
geweest. |
| Goetspo-ponim (gotspe-ponem) Nhebr.):
onbeschaamdheid-gelaat, brutale kerel. Hebr. pânim: aangezicht. |
|
Gojje, Gojim: volk, niet-Israëlieten of afgevallen
Israëliet. |
| Golem (van Hebr. choloum): droom. Vandaar
golemer, droomer, suffer. |
| Goliele (Nhebr.): het zij verre!
Hebr. chalîlate. |
| Golous, Golus: ballingschap. Hebr.
galaeth. |
| Gomesj (Nhebr. gamesj, Ohebr. chumeesj: vijf), een of meer
deelen der vijf boeken van Mozes. |
| Gometz (Hebr. chamêtz):
gedeesemd, gezuurd, en al wat gedurende den Paaschtijd niet in het bezit van
een Israëliet mag zijn. |
| Goochom (Nhebr.): wijs, verstandig.
Hebr. chacam, ook een titel voor Israël's geleerden. |
| Gootsef
(Nhebr.): onbeschaamd, brutaal mensch. |
| Goppe: kerkelijke
huwelijksinzegening. |
| Gosied (Nhebr.): vrome, mrvd. Gosidûn,
Hebr. chasîd, mrvd. chasidûn, nml. Joden, die om aan God te
behagen, meer doen dan de wet voorschrijft. De stichter der tegenw.
Chasidûn (zie aldaar) was een Israëliet uit Podolië:
Baäl-Schem in de 18e eeuw. |
| Goson, Gosen (Hebr.), Goton
(Nhebr.): bruidegom. |
| Gotspe zie Goetspo. |
| Goudesj
(Nhebr.) mrvd. chadasjim: maand en wel maanmaand, d.i. aanvangende met de
nieuwe maan, van chudasj: hij is nieuw geweest. |
| Gousjech (Nhebr.):
duisternis. |
|
| | | |
| Gouses (Nhebr.): stervend. |
| Gow
(Nhebr.): geld, schuldverplichting. |
| Gower (Nhebr.): (eig. makker)
vriend, collega (van edelen en geleerden). Eeretitel verleend aan
verdienstelijke personen op synagogaal gebied. |
| Gravidade (Ptg.
Isr.): deftige, ernstige plechtstatigheid; van 't Ptg. gravidade. |
|
Habdala: zie hawdalah. |
| Hadassim (Nhebr.): mirtentakken, een
der plantsoorten door de Israëlieten op 't Loofhuttenfeest bij deze
godsdienstige plechtigheid gebruikt. |
| Hafdolo: zie hawdalah. |
|
Haftara (Hebr.): afscheid, slotstuk; in de synagoge de lezing van een
hoofdstuk uit een der profetenboeken in aansluiting aan de voorafgaande
voorlezing uit den Pentateuch. |
| Hagada (Nhebr.): voordracht; van
Hebr. haggied: verhalen. Volledige verzameling van de in de Talmudsche
litteratuur voorkomende verhalen, legenden, zedelessen, gelijkenissen enz. Ze
staat in de Talmud-litteratuur naast de Halacha. |
| Hagadasjel Pesach,
ook wel enkel Hagada: de godsdienstige plechtigheid en voordracht, welke op de
beide eerste Paaschavonden in ieder Joodsch huis in den familie-kring
geschiedt. |
| Hakafa (hakofo) (Nhebr.): omgang. Bij sommige
godsdienstige plechtigheden in de synagoge. |
| Hakdama (hakdomo)
(Nhebr.): voorrede, inleiding. |
| Halacha (halocho) (Nhebr.):
eindbeslissing, vaste regel. In de Talmudische litteratuur omvat die naam alle
wetenschappelijke discussiën, regelen en beslissingen Israëls
wetbepalingen betreffend, volgens de geschreven wet en traditie. Zie
hagada. |
| Halbosjat 'Aroemîm (Hebr.): kleeding der schamelen,
een naam vaak gebruikt voor Israël. vereenigingen, om armen van kleeding
en dekking te voorzien. Van labasj of labeesj (een kleed
aantrekken) en 'aroem (mrvd. 'aroemîm: naakt, slecht gekleed). |
|
Hamansooren: feestgebak op Poerim. |
| Hanno-oh - hannah-ah
(Nhebr.): genot. osoer be-hanno-oh: ongeoorloofd om er genot van te
hebben. |
| Hargosja of Hargosjo (Nhebr.): gewaarwording, licht,
fijn gevoel. |
| Harrle (Jdd. van 't Mhd. herrle): grootvader. Zoo ook
Fraale (Jdd. van 't Ohgd. Fraule): grootmoeder. |
| Hawdalah,
Habdala, hawdolo (hebr.): scheiding, in 't bijzonder de Joodsche godsdienstige
handeling, waarmede elken Zaterdagavond met kaarslicht wijn en welriekende
specerijen, het scheiden van den Sabbath wordt uitgesproken en de komende week
ingezegend. |
| Hechal of Heichal (Hebr.): de heilige ark of
gewijde kast, waarin de wetsrollen worden bewaard aan den oostelijken wand der
Synagoge. |
| Hechsjer (Nhebr.) verklaring, dat iets ritueel geoorloofd
(kasjer of kosjer) is. |
| Hekdisj (Hebr.): 't gewijde huis nl. 't
ziekenhuis. |
| Hesped (Hebr.): treurdienst, lijkrede. |
|
Hewel (Hebr.): ijdelheid; hewel hawalim: ijdelheid der ijdelheden (Hebr.
habal habalîm.) |
| Homer-bord: een maat graan. Zie omer en
oumeren. |
| Hourek (Hebr.): eigl. moordenaar, als scheldwoord
gebruikt; voor vrouwen met 't Chald. suffix: hourekte. |
| Ikkor
(Nhebr.): de hoofdzaak. |
| Ikkor ha-dowor (Nhebr.): de kern der
zaak. |
| Immes zie emmes. |
| Ippes zie eppes. |
|
Irmandad (Ptg. Isr.): broederschap, godsdienstige
vrouwenvereeniging. |
| Issoer (Nhebr.): verbod, verboden zaak. |
|
Jaam (Hebr.): zee. |
| Jad (Hebr.): zilveren hand, waarmede bij
het lezen in de wetsrol wordt aangewezen. |
| Jajin (Hebr): wijn. |
|
Jajin nesech (Hebr.): wijn voor plenging (tot heidensche doeleinden).
Vandaar wijn, die niet voor Israël. gebruik geoorloofd is. |
| Jajin
sorof (Nhebr.): brandewijn (Hebr. sáráph: brandend en
vergiftig). |
|
| | | |
| Jatten: stelen, gappen; v. Hebr. jad:
hand. |
| Jedid-jah (Hebr.) lett. lieveling Gods, bijnaam van
Salomon. |
| Jehoedi, Jehoedo (Hebr.): Jood. Jehoediem. |
|
Jeitser (Nhebr.): drift, neiging. |
| Jeitser hora'h: booze
neiging. |
| Jeitser touw: goede neiging. |
| Jeroesjo
(Nhebr.): erfdeel, nalatenschap. Hebr: jerésjah en jerussja:
bezitting. |
| Jesjiwo (Nhebr.): zitting, waar de leerlingen voor den
leeraar zitten. Vandaar: hoogeschool, Talmudische academie, |
|
Jesoerim (Nhebr.): pijnen, smarten, kwellingen. |
| Jichoes
(Nhebr.): afstamming, geslacht. In 't bijzonder: edele afstamming, goede
familie. |
| Jid, Jiddene Jiddisj (Jdd.): verbasterd van Jüde,
Jüdin, Jüdisch: Jood, Jodin, Joodsch. |
| Jidsjen (Jdd.): tot
jood doen zijn (jüdischen) in 't verbond Abrahams opnemen: de
besnijdenis voltrekken. |
| Jisjkauach, Jitsgok (Nhebr.):
(verbasterd uit Jasjer-Kauach) lett.: Hij (God) verleene u kracht; een
algemeene uitdrukking van dank, zegenwensch uit erkentelijkheid. |
|
Jisrool Jisrôeil (Jdd.) uitspraak van 't Hebr. Jisraël:
Israël. |
| Kol Jisrool: geheel Israël (Hebr. kôl:
geheel). |
| Sj'ma Jisrool: Hoor Israël! Uitroep van verwondering
of ontzetting, naar de twee woorden eens gebed. |
| Jitsgok zie
jisjkauach. |
| Jôd, Joed (Hebr.): letter; getalwaarde: 10. |
|
Jom: dag, zie joum. |
| Jontef, Jomtew: feestdag zie
joum-touw. |
| Josjor (Jasjar) (Hebr.): recht, gelijk. |
|
Joukeir of ook Jokor: (Nhebr.): duur, kostbaar. Hebr.
jokór. |
| Joum, Jom (Nhebr.): dag, Hebr. joum. |
|
Joum-touw of Jom-tow, Jontef (Nhebr.): een goede dag, in 't
bijzonder feestdag. Meerv. eigenl. jomim touwim, doch gewoonlijk kortweg
jom-towim. Joum-kippoer, jom-kippoer: groote Verzoendag. |
| Jouresj
(Nhebr.): erfgenaam. Hebr. jóreesch. |
| Kaatzin of
Kootzin (Nhebr.): aanzienlijk man. Hebr. katzîn: overste. |
|
Kab (Hebr.): maat voor droge waren. |
| Kabbala (Nhebr.) lett.
ontvangst, in 't algemeen overlevering; een Joodsch-mystieke theosophie, in de
middeleeuwen tot bepaalden vorm gebracht en een geheimleer bevattend over God,
de wereldorde, de H. Schrift enz. Ook autorisatie om eene kerkelijke functie te
vervullen, b.v. die van beestensnijder (sochet) of van wetschrijver. Hebr.
kibbeel (van den wortel kabal): hij heeft opgenomen ontvangen. |
|
Kabeese (Ptg. Isr.) hoofd, kop, hij heeft geen kabeese: hij heeft geen
verstand; van 't Ptg. cabeça. |
| Kabôd (Hebr.) Nhebr.
kowoud, kawet: eer, aanzien; vandaar be-kowoud (in eer): respectabel, met
iemands eer overeenkomend. |
| Kabolo zie kabbala. |
| Kabron
(Nhebr.): grafbezorger; bij de Israëlieten iemand die voor de behandeling
en de teraardebestelling van 't lijk, 't noodige helpt verrichten. |
|
Kaddisj (Nhebr): letterl. heiliging (van Gods naam) 't Hebr. gebed, een
belijdenis van Gods voorzienigheid, vooral ook ter gedachtenis van overledenen,
in de synagoge uitgesproken. Daar ieder zoon, na den dood zijner ouders, de
aangewezen uitspreker is van dit gebed, zoo noemt men dien zoon weleens een
kaddisj. |
| Kal (Nhebr.): licht, los denkend over heilige zaken. |
|
Kalle (Isr. Hgd.): bruid. |
| Kamienjade (Ptg. Isr.): lange
wandeling, van 't Ptg. caminhada. |
| Kamies (Ptg. Isr.): hemd. Ptg.
camisa. |
| Kapoeres, Kapores (Hebr.): van een stam, die bedekken
beteekent, ook van de zonden gezegd, dus: vergeven (door God) of zich verzoenen
met menschen; verder reiniging, zoenoffer, offer; vandaar: offeren, dooden,
vermoorden: kapoeres maken. |
| Kapparah (Nhebr.): verzoening. Vandaar
ook: iets dat tot verzoening van zonde het leven laat. |
|
Kapparah-gaan: ten onder gaan. |
| Kapporet (Hebr.): eig.
deksel, verzoendeksel. |
| Karatielje, Katjereire (Ptg. Isr.):
kwaads- |
| | | |
| preekster; twee afkortingen van den naam eener om haar booze
tong vroeger beruchte Portug.-Israëlitische dame te Amsterdam: Caratilha
Ereira. |
| Kasjeren (Jdd.): iets kascher of koscher doen zijn; in 't
bijzonder: vaatwerk voor Joodsch ritueele spijzen geschikt maken. |
|
Katôn of Katân (Hebr.) (Nhebr. katoen, kotoun,
koton): klein. In: houd je maar katoen, is katoen een verhollandsching van
Hebr. katôn: houd je maar wat klein, wat nederig. |
| Katsof
mrvd. Katsowem: slager(s) ook metselaar(s). |
| Kavalone (Ptg.
Isr.): manwijf, groote vrouw. Augmentatief van Ptg. cavallo. Hendrik VIII
noemde een zijner vrouwen: une cavale flamande. |
| Keber, Kewer,
Keiwer (Hebr.): graf, mrvd. kebaûm of kebarôth, Nhebr.
keworous: gravin, vandaar Nhebr. beitha-keworous nl. bijs kewoeres: huis der
graven, Joodsche begraafplaats; keiwer owous: begraafplaats der vaderen. |
|
Kehilloh (Kehillah) (Hebr.): gemeente, verzameling. |
| Kelew
mrvd. Kelowim: hond. |
| Keloloh (Kelalah) (Hebr.): vloek,
verwensching. |
| Kemouch: verstand. |
| Kesef (Hebr):
zilvergeld. |
| Kether: kroon, die soms de beide siertorens op de
uiteinden der Ets chajjiem vervangt. |
| Ketoeba (Hebr.): de in het
Chaldeeuwsch gestelde huwelijksacte. |
| Ketoebîm (Hebr.): de
geschrevene dingen. |
| Kewoeroh (Nhebr.): begrafenis. Hebr. keboerah.
Zie keber. |
| Kewonoh (Nhebr.): aandacht, oplettendheid. |
| Ki
aai, Ki ay (Ptg. Isr.): uitroep, waarschijnlijk Spa. qué hay: wat is
er? |
| Kidoesj-beker of Kiddesj: bokaal voor de wijding (Hebr.
kidoesj) van Sabbath of feestdag. |
| Kiesjeliesj: Hamansooren,
feestgebak op Poerim. |
| Kille (Kehilla) (Nhebr.): gemeente. |
|
Kimpett (Jdd.): kraam; van Hgd. Kindbett. |
| Kinnesinne: haat
en nijd, jaloezie, Hebr. kinne: nijd, Hebr. sinne: haat. |
| Kinoh
(Hebr.) kinah: nijd. |
| Kinoh-sinoh: haat en nijd. |
| Kioem
(Nhebr.): duur; gelegenheid om te blijven bestaan. Chald. kejâm:
ordonnantie, sterk gebod. |
| Kippoer, Jomkipper: groote
Verzoendag. |
| Kippoh (Nhebr.): verzameling, gemeenschap. |
|
Kis (Nhebr.) Hebr. kissee: zetel, troon; later heette het privaat: bet
ha-kissee (het huis van den zetel); vgl. Ned. stoelgang. |
| Kis (Kies)
(Nhebr): zak, foedraal, geldtasch. |
| Kisjef (Nhebr.) Hebr.
kèschef: 't tooveren, tooverij. |
| Kislef: een maand der Joden,
November-December. |
| Kissee zie kis. |
| Kloumer (eig.
ke-loumar) (Nhebr.): alsof men zeggen wil, om zoo te zeggen d.i.
schijnbaar. |
| Knas leggen (Nhebr.): een overeenkomst maken, vooral
bij verlovingen, dus knas (: boete) (op)leggen, omdat vaak daarbij een boete
werd vastgesteld op 't verbreken der overeenkomst. |
| Koidesj, Kodesj
(Hebr.): heiligdom. |
| Konsogres (Ptg.Isr.): wederzijdsche
schoonouders. Ptg. consogres. |
| Korouf (koref) (Nhebr.) bloedverwant,
mrvd. kerouwim. Hebr. karoob mvrd. keroobim. |
| Kosjer of
Kasjer (Nhebr.): bruikbaar, in goede orde. Vooral van spijzen, den
Israëlieten geoorloofd: zuiver. Van een eerlijke zaak, die goed te
vertrouwen is. Van Hebr. kasjer: recht, dienstig tot voedsel, omtrent
vleeschspijs, die eerst nauwkeurig onderzocht is geworden, want het is den
Israëlieten verboden eenig vleesch te eten, dat verscheurd, niet goed
gezond of zijn natuurlijken dood gestorven is. Hebr. kasjeer: het is
recht geweest. |
| Koul (Nhebr.): stem. Hebr. kool. Allemaal kool!
allemaal praatjes. |
| Kowet: zie kabôd: eer. |
|
Kratsnabbel; krats over den navel, in de uitdr. geen kratsnabbel rijk
zijn: niets hebben. |
| Krethi en plethi: allerlei slag van volk. Hebr.
kereetim en peleetim. |
|
| | | |
| Kri'oh (Nhebr.): scheuring, de
inscheuring der kleederen als teeken van rouw bij den dood van bloedverwanten.
Krio snijden: zulk een insnijding maken. Hebr. kara': hij heeft
gescheurd. Vandaar in de volkstaal: zich een kris snijden: in een
treurige zaak verwikkeld zijn. |
| Lainen, Laaiënen, Leinen
(Jdd.): langs de lijn lezen (van het Mhd. Leine: lijn). Hiermede wordt
aangeduid het lezen of zingen uit de boeken Mozes, waarbij men met een wijzer
de lijnen of regels volgt. Ook nachtlaainen, avondgebed bidden. ‘Hebben
jullie al genachtlaaind?’ |
| Lavadores (Ptg. Isr,): ritueele
lijkenwaschters, companhia de lavadores. |
| Lef, uit Hebr. lêb:
hart, moed. |
| Lego doudie: gezang op Vrijdagavond in de
synagoog. |
| Lehach'is (Nhebr.): lett. om te krenken. Gebruikelijk in
de beteekenis van plagenderwijs. |
| Leilisj (Jdd.): beddelaken; Mhd.
leinel-ich, leinelich-tack: linnen doek. |
| Le-mazzal: Nhebr. tot
geluk. |
| Le-mazzal oeli-bracha: Nhebr. tot geluk en tot zegen. |
|
Levantár (Ptg. Isr.): het opheffen van de wetsrol. |
|
Levantadór (Ptg. Isr.): de opheffer van de wetsrol. |
|
Levara (Ptg. Isr.): het dragen van den Sepher Thora. |
|
Lewàje: begrafenis, hij loopt achter 'n lewàje an. |
|
Lijzebeurzen: ontvangen. |
| Loelab, Loelof (Hebr.): palmtakken
bij 't Loofhuttenfeest. |
| Loelabstrik: strik om die palmtakken. |
|
Lofzeggingen. |
| Lotenfeest: Poerimfeest. |
| Loulem
(Jdd.): verbasterd van Nhebr. leolam: altijd, tenminste, in ieder geval. |
|
Ma'alah (maäloh) mrvd, maäloth (maälous); Nhebr. in 't
Jdd. verbasterd tot maile of meile: voortreffelijkheid, goede
eigenschap. Hebr. ma'ale: trap; ook verheven plaats. |
| Maansjene
(Jdd.): geen verschil. Verbastering eener Chald. uitdrukking. |
|
Ma'arich (Nhebr.): lang doende aan iets. Hij is maärich: hij is er
lang mee bezig. |
| Maäriw (Nhebr.): lett. die 't avond doet
worden. Woord aan 't begin van het Israël. avondgebed. Vandaar het
maäriw: het avondgebed; maäriw-oren (vergl. Lat. orare: bidden) het
avondgebed uitspreken. |
| Maäseer (Hebr.): de tiende, van a'sar:
tien. Bij den Israëliet 't tiende deel zijner inkomsten, dat hij zoo
mogelijk voor weldadige doeleinden behoorde te bestemmen. |
|
Maäseh (Hebr.) Jdd. meinse: gebeurtenis, daad,
handeling. |
| Maäsj-behéma (Hebr.) in 't Jdd. verbasterd
tot mainse beheime: een daad van een rund, een daad van groote
domheid. |
| Maccabeeënfeest: Inwijdings- of Chanoekafeest. |
|
Maccabeeënlamp: Chanoeko-luchter. Zie ganoeka. |
|
Machloukes (van het Nhebr. machaloketh): verdeeldheid, tweedracht,
twist. |
| Machsjaba, mrvd. machsjaboth, Hebr. (Nhebr. machsjowo, mrvd.
machsjowous): gedachte, voornemen. |
| Machsjaba toba (machsjowo towo):
goede gedachte, goed voornemen. |
| Machsor, v. Hebr. chosor:
herhalen: gebedenboek voor alle feestdagen. |
| Madrega (Hebr.): rang,
graad, trap van eer. Letterlijk: steile plaats. |
| Madrinja (Ptg.
Isr.): ‘Gevatterin’, meter bij de besnijdenis; van Ptg.
madrinho. |
| Mafsiek (Nhebr.): onderbrekend; in 't midden ophoudend.
Mafsiek zijn: in 't midden afbreken; vooral: bij onbehoorlijke staking
van het gebed of andere godsdienstige handeling. |
| Mah-nisjtanna?
(Nhebr.): waarin onderscheidt zich? Begin van een bekende Isr.
Paasch-avond-liturgie. ‘Hoe komt Haman in de Mah-nisjtanna?
Spreekwoord van verwondering, wanneer een ander in een redeneering iets ter
sprake brengt, dat er volstrekt niet bij thuishoort. Wat wil Haman uit de
Esther-geschiedenis in de Paaschliturgie? Vgl. 't Christelijke: Hoe komt
Pilatus, in 't Credo? |
|
| | | |
| Mais casos que leyes (Ptg.
Isr.): spreekwoord ‘meer gevallen dan wetten.’ |
|
Mai-sjana (Talmud. Chald.): welk onderscheid is er? Beteekent: geen
verschil. |
| Majim (Hebr.): water. |
| Makka (Hebr.): makkoh
(Nhebr.) makke: slag, plaag, ziekte, ongeluk. |
| Mal'ach (Hebr.) mrvd.
mal'achim (malochim, maloochem): engel, malach ha-maweth (mallech
ha-mòwes): doodsengel; mal'ach tob: goede engel. |
|
Malane(s) (Ptg. Isr.): ongeluk(ken), narigheden. Hij zal de malane met
belletjes krijgen: verwensching. Wat heeft-ie weer een malanes verteld!
waarschijnlijk van Romaansch malos annos. |
| Malboesj, mrvd.
malboesjim (Nhebr): kleed, gewaad. Ook: bekleeding der gewijde
voorwerpen in de Synagoge. |
| malchoeth, malchoes (Hebr.): regeering,
heerschappij, grootheid; een malchoes van iemand houden: iemand aanzienlijk,
koninklijk, oprecht beminnen; een malchoes van een jongen: een innig
goede jongen. |
| Malka (Hebr.) malko (Nhebr,): koningin. |
|
Mal'och zie mal'ach. |
| Mal'och touw: goede engel. |
|
Mal'och rang: booze engel. |
| Mamzer (Hebr.): bastaard, mamzer
bennenidde: schurk. |
| Manhig (Nhebr. mrvd. manhigîm): leider;
als titel: bestuurder, beheerder. |
| Mantel, thoramantel: kostbaar
foedraal waarin de wetsrollen worden bewaard. |
| Mappalah, Mappoloh
(Nhebr.): nederlaag, val. Hebr: ruïne, puinhoop. |
| Mappe (Jdd.
van het Nhebr. Mappah: laken, doek, van 't Latijn: mappa): doek of
windsel, waarmee de wetsrol omkleed wordt. |
| Mappil (Nhebr.) ontijdig
barende; Mappil zijn (Jdd.): ontijdig bevallen. |
| Masjal,
Mosjol (Hebr.) gelijkenis, vergelijking. Le-moschol: bij voorbeeld. |
|
Masjken (Nhebr.): pand. |
| Masjkenen: verpanden. |
|
Masjliem zijn (Nhebr.): voltooien, voleindigen; vooral een vastendag tot
't einde houden. |
| Masjmedim, Masjmeidim (Nhebr.): vernietigers,
geweldmakers. Van den Hebr. wortel sjamad. Hisjmied: hij heeft vernield. |
|
Masjgiach mrvd. Masjgiechim, (Nhebr.): opzichter, opziener. |
|
Maskiem-zijn (Nhebr.): eene meening bevestigen, er mede instemmen. |
|
Masora: overlevering (van masar, Chald. en Nhebr.: overgeven,
overleveren) d.i. de collectie van critische en taalkundige opmerkingen
betreffend den woordtekst en de klankpunten van de boeken des Ouden
Testaments. |
| Maspied-zijn (Nhebr.): lijkrede houden. |
|
Massa-oematan (Nhebr.) (letterl.: het dragen en het geven): handel; het
handeldrijven; ook de waren, waarin handel gedreven wordt. |
| Massel:
geluk, |
| Masseltje, buitenkansje. |
| Massematte (Jdd.) zie
massa-oematan, waaruit het samengetrokken is. Het beteekent ook het Fr. affaire
b.v. een leelijke massematte: een leelijke affaire. |
| Massieg-gewoel
(Hebr.) (letterl.: de grens verwijderend; Hebr. geboel: grens): treden in eens
anders rechten, hem wegstooten uit een door hem verworven gebied. |
|
Massig-gewoel-zijn: door onedele concurrentie iemand eruit stooten. |
|
Matanses (Pth. Isr.): hevige ruzie, moord en doodslag, van Ptg.
matança: bloedbad. |
| Matsah (Hebr.) (matsoh) mrvd. matsoth
(Hgd. matsous Nl. matses): ongezuurd brood, zooals volgens Israël. ritueel
op 't Joodsche Paaschfeest moet genuttigd worden, |
| Matsekleis:
hetzelfde als matsah. |
| Matséba, (Hebr.) matseiwo Nhebr.:
grafsteen, gedenksteen. |
| Matsiel-zijn (Nhebr.): iemand redden, voor
schade behoeden. |
| Mattier (Nhebr.): veroorlovend; verklarend, dat
iets geoorloofd is. |
| Maude'-zijn (Nhebr.): bekennen, erkennen. Van
Hebr. jada': hij heeft geweten. |
| Maveth, (Hebr.) mowes, (Nhebr.):
dood; malak-hammaveth: engel des doods. |
| Mazik (Nhebr.): letterl.
beschadiger; iemand die boosaardig is. |
|
| | | |
| Mazkier,
(Hebr.): herdenkend. |
| Mazkier-zijn (Nhebr.): iets of iemand
gedenken. |
| Mazzol, (Nhebr.) (eigenl. gelukster): geluk. |
|
mazzol-touw (masel-tof): goed geluk! gefeliciteerd! |
|
Mazóletjes: meevallertjes. |
| Meäbbed (Hebr.):
vernielend, doende verloren gaan. Deelw. piël van abad: (hij is verloren
of omgekomen). |
| Meäbbed-atsmo (Nhebr.): zelfmoordenaar.
Letterl. verdervend zich zelf. |
| Meäbbed-mammom (Hebr.)
(meäbbed momoun): geldverkwister. |
| Mebajesj-zijn
(mewajesj-zijn) (Nhebr.): iemand beschaamd maken, beleedigen. Hebr. boosj: hij
schaamt zich. |
| Mec hoeton (Nhebr): verzwagerd; vooral gebruikelijk
tusschen de wederzijdsche ouders van een bruidspaar. |
|
Mechallel-sabbath (Hebr.): sabbath-ontwijdend, sabbath-schender. Vaak
schertsend omtrent iemand, die zoolang praat, dat hij vergeet, dat de sabbath
invalt. |
| Mechasjefa (mechasjeifo) (Nhebr.): toovenares, tooverkol;
oude vrouw, die er als een heks uitziet. |
| Mechilah (mechiloh)
(Nhebr.): vergiffenis. |
| Mechiloh-praaien (Jdd.): bidden om
vergeving, vooral bij 't afscheid nemen van een stervende. Praaien van 't Fra.
prier. |
| Mechilta (Talmud.): naam van een Israël. theologisch
boek; een standaard-werk over traditioneele Halachische exegese bij het
Bijbelboek Exodus. Het wordt toegeschreven aan Rabbi Ismaël (midden der
2e eeuw). De naam is Chaldeeuwsch en beteekent letterl.: juiste
maat, vorm van uitlegging. |
| Mechoelo (Nhebr.): vernietigd. Vaak
gebruikt in den zin van gebroken, kapot, ook van bankroet. |
| Mechse
zie michsé. |
| Medakdoek (Nhebr.): zeer nauwkeurig, erg
nauwlettend. |
| Medinah (medinoh) (Hebr.) mrvd. medinoth (medinous):
gewest, landstreek. |
| Megajeh, Medras (Hebr.): doende leven, doende
herleven; verkwikken. Iemand megajeh zijn: levensonderhoud geven. |
|
Megajer-zijn (van 't Nhebr.): tot het Jodendom overhalen. Zich megajer
zijn: tot het Jodendom overgaan. |
| Megalle-zijn (van 't Nhebr.):
openbaren, onthullen. |
| Megillath Esther, megille: de Esther-rol die
op Poeriem voorgelezen wordt. |
| Meies, Mije zie meoth:
honderden. |
| Meile of Maile (Jdd.) Zie ma'alah. |
|
Meilech (Jdd.) zie melek. |
| Meinse (Jdd.) zie maäseh:
gebeurtenis. |
| Meinser (Jdd.) algemeen gangbare uitspraak van 't
Hebr. maäser: tiende deel; meinser geven: een behoorlijk deel van
zijn winst aan goede werken besteden. |
| Meis (Hebr.) zie meth:
doode. |
| Mejoechas (Nhebr.): uit een edel, rein geslacht, van
aanzienlijke afkomst. De uitdrukking: van mejoeches: van hooge, goede
kwaliteit. |
| Mejoesjab (mejoesjof) (Nhebr.): bedaard, van verstandig
overleg, kalm uitrustend. |
| Mekajiem: 'n mekajiem: ergens eene heele
boel aan verdienen. |
| Mekor Chajîm (Hebr.): bron van leven.
Vereeniging in Juli 1896 te Amsterdam gesticht, ter verspreiding van 't
traditioneele Jodendom en ter bevordering der verwezenlijking daarvan onder en
door hare leden. |
| Melachah (melochoh) (Hebr.): arbeid, ambacht.
A'damsch spreekwoord: Grous gesjrei en matte melooche: veel geschreeuw en
weinig wol. Baäl-melochoh: werkman. |
| Melamed (Nhebr.):
onderwijzer. Hebr. melammeed. |
| Mèlek, Melech (Hebr):
koning. |
| Mem: dertiende letter van 't Hebreeuwsch, overeenkomend met
M. Hebr. meeîm: water. De getalwaarde is 40. |
| Memme (Jdd.):
moeder. |
| Memmele: moedertje. |
| Memorboek: waarin de namen
der weldoeners der Joodsche gemeente worden opgeteekend, vaak met vermelding
van enkele hunner weldaden. Voor hun zieleheil wordt op de Hooge feestdagen een
bijzonder gebed uitgesproken. |
| Memsjalah (memsoloh) (Hebr.):
heer- |
| | | |
| schappij. |
| Menoebel (Hebr.) zie menoewal. |
|
Menoechah, Menoege (Hebr.): rust. |
| Menoewal (verbasterd tot
menoebel) (Nhebr.): leelijk, mismaakt; vr. menoeweleth, menoebelte: een
leelijke vrouw, een mismaakte. |
| Menóra (Hebr.): luchter,
lamp. Vooral gebruikelijk van het acht-armige stallicht, op 't Israël.
Inwijdingsfeest (Chanoeka). |
| Meoth (Hgd. uitspraak meious) (Hebr.):
honderden. In 't Jdd. meies: honderden, groote sommen; meie sjone: nog vele
jaren. Spreekwoord: met de meies komen de deies: met de rijkdommen komen de
nieuwe inzichten. (Deah, Hebr.: kennis, inzicht). |
| Meramme, zie
rammoï. |
| Merchel: ongeluk. |
| Mes: zie meth:
doode. |
| Mesjiach (Hebr.): gezalfde, aanduiding van den door
Israël verwachten Messias. |
| Meesjeere (Ptg. Isr.): knutselen.
Wat mesjeer je nou weer? van Ptg. mexer: mengen. |
| Meesjedoor (Ptg.
Isr.): knutselaar; van Ptg. mexedor. |
| Mesjiebath nèfesj
(Hebr.): laafnis der ziel. Israël. genootschap te 's-Gravenhage. Uit Ruth.
IV: 15: mésjieb nèfesj: herstellend de ziel. Mésjieb.
tegenw. deelwoord hiph. van sjoeb (wederkeeren), |
| Mesjoegaas,
mesjoggaas (verbasterd Hebr.): dwaasheid, krankzinnigheid. |
|
Mesjoegah, mesjogge, mesjokken (mesjoegoh) (Hebr.): dwaas, gek,
krankzinnig. |
| Mesjoemad (Nhebr.): afvallige. |
| Mesjores
(Hebr.): dienaar. |
| Mesogge, Mesoege: volkstaal voor mesjogge. |
|
Meth (Meis) (Hebr.) mrvd. methim (meisim): dood, een doode. |
|
Metsaik (Hebr.): een vondst, een koopje. |
|
Mewakker-choule-zijn (Nhebr.): een zieke bezoeken; van mewakker: naar
iets omzien en choulee: zieke. |
| Mewoelbol-maken (Jdd.): van 't
Nhebr. meboelbal: in verwarring, van de wijs brengen. |
| Mezoemon
(Nhebr. letterl.: gereed gemaakt) vaak gebruikt in den zin van baar geld. |
|
Mezoemon-bensjen: in gezelschap - dat zich volgens liturgisch formulier
daartoe gereed maakt - 't dankgebed na den maaltijd uitspreken. |
|
Mezoeza, Mezoezo (Hebr. letterl.: deurpost): busje, in Joodsche huizen
aan de deurposten gehecht. In die busjes ligt een stukje perkament, met hebr.
bijbelverzen beschreven. In 't Amsterdamsch heeten ze fluitjes. |
|
Michsé, Mechse, (Hebr.): het kostbaar kleed, dat over den
Sjoelchan ligt. |
| Midrasj (Hebr.): Schriftverklaring, commentaar, van
het ww. darasj: hij heeft onderzocht. |
| Medras: (Ptg. Isr.) Joodsche
school in de H. Schrift. |
| Medrassanten: (Ptg. Isr.):
studenten der Joodsche school. |
| Mi-sjebeirach (Hebr.): zegenwensch
uit de Joodsche liturgie, dien men ter kerke over een ander kan doen
uitspreken, beginnende met die beide Hebr. woorden. Iemand een mi-sjebeirach
maken: een lofprijzing een zegenwensch over iemand uitspreken. |
| Mien
(Nhebr.): oorspronkelijk iemand van de sekse der Mineërs, die het Jodendom
belasterden. Later in de algemeene beteekenis van afvallige; tegenwoordig:
valschaard, gluipert. |
| Mienisj (Jdd.): valsch. |
| Miës
(van Nhebr. mioes): leelijk. |
| Mieso (Hebr.): dood. Miese-mesjinne
(verbasterd Hebr.): ontijdige, onnatuurlijke dood. |
| Mikraa (Hebr.):
voorlezing. Benaming, welke de latere Joden aan hun Bijbelgaven. Evenals Koran
bij de Arabieren. Van den wortel kara: roepen, uitroepen, lezen met luider
stem. |
| Mikwah (Hebr.): waterbassin, bad; in 't bijzonder 't
Israël. kerkelijk reinigings-bad. |
| Mikwe-Israël
(Jisrôeil) (Hebr.): de verwachting Israëls. Benaming der Nederl.
Portug. Israël. gemeente op Curaçao. |
| Milchamah
(Milchomoh) (Hebr.): oorlog, strijd. Baal-milchomoh: krijgsman,
militair, |
| Mildadoere (Ptg. Isr.) van Ptg. meldadura, van Lat.
meditàri: herdenking van een doode voor wiens zielerust men bidt, soms
tehuis, soms in de Medras; gewoonlijk door Medrassanten. Daaraan correspondeert
bij de Hoogd. Joden: minjan. |
|
| | | |
| Milo (Hebr.):
besnijdenis. Zie beris milo (berît mila). |
| Mimmele (Jdd. met
lippenontronding van Mühmele): tante, tantetje, tantelief. Ook vaak in
plaats van memmele: moedertje. |
| Mimo-nafsjach zie mo-nafsjach. |
|
Minhag (Nhebr.): godsdienstig gebruik. |
| Minhag asjkenas:
godsdienstig gebruik der Hoogduitsche Israëlieten. |
| Minhag
sefardi: godsdienstig gebruik der Portugeesche Israëlieten. |
|
Minjan (Nhebr.): aantal. In 't bijzonder: aantal van tien Israël.
mannen, noodig voor een Israël. kerkdienst. |
| Minjan maken:
kerkdiensthouden. b.v. tehuis bij een deftigen Israëliet, minjan maken,
ter zielerust van een doode. |
| Minnisj (Jdd.): iets wat noch tot de
vleeschspijzen, noch tot de melkspijzen behoort; (met 't oog op de
Joodsch-ritueele spijswetten. |
| Misjebeirach: lett. hij die zegende,
een door den Rabbi uitgesproken zegening. |
| Misj'
èneth-zekénîm (Hebr.) steun (staf, stok) der oudsten.
Israël. genootschap 1896 te 's-Gravenhage opgericht. Ook opschrift op
gestichten voor oude lieden. |
| Misjna (Nhebr.): leering, uitspraak.
Het is de grondslag van den Talmud, systematische verzameling van ritueele
wetten en voorschriften des Jodendoms. De misjna vormt in zekeren zin den
tekst, waarom heen de Talmud als scholia en aanteekeningen is gegroepeerd. |
|
Misjpacha, Misjpocho, Misjpooge (Hebr.): familie, geslacht. |
|
Misjpat, (Hebr): gerecht, rechtbank; ook proces. |
| Mitzwa, Mitzwe,
Mitzwo (Hebr.): goddelijk gebod, godegevallige daad. Duidt zoowel de
vervulling van een godsdienstplicht en de kerkelijke ceremoniën, als een
daad van menschlievendheid aan. Ook daad van piëteit tegenover dooden.
Vandaar bij de Portug. Israëlieten: laatste eerbewijzing, begrafenis. |
|
Mizmor (Hebr.): psalm. |
| Mizrach (Hebr.): oosten, oostzijde.
Daarheen wenden zich de Israëlieten bij het bidden. In Joodsche vertrekken
hangt daarom aan den muur ter oostzijde vaak een schilderij of blad met 't
opscbrift mizrach en verdere emblemen; dit blad zelf wordt ook mizrach
genoemd. |
| Moeftach (Nhebr.): verzekerd, belofte bezittend, vast
hopend. |
| Moektze (Nhebr.): aan 't gebruik onttrokken zaken, welke
men als Israëliet op Sabbath en feestdagen niet mag aanraken. |
|
Moendo moendo, quem nâo sabe nadar vae no foendo (Ptg. Isr.)
spreekw.: de wereld is de wereld, wie niet zwemmen kan, gaat naar den
bodem. |
| Moesar (Hebr.); ernstige vermaning, boetpredikatie. |
|
Mofetîm (Moufsîm) (Hebr.): wonderen. Otôth
oe-mofetîm! (ousous oe-moufsîm): teekenen en wonderen! Zeldzame
verschijningen! |
| Mofiene (Ptg. Isr.): stakker! ongelukkig! van Ptg.
mofina: ongeluk, (ki)ay mefine!: o wee, van Spa. qué hay: wat is
er? |
| Mofienoere in de vestides. (Ptg. Isr.) armoedigheid in de
plunje. Suffix is Ptg. -uru. |
| Moftech, zie moeftach. |
|
Mofsim, zie mofetîm. |
| Mohel (Hebr.): besnijder. |
|
Mohelboek: waarin de noodige Hebreeuwsche aanwijzingen en gebeden voor
den Besnijdenisritus zijn afgedrukt. |
| Mokem, verbasterd van Hebr.
makoom: plaats. Groot Mokem: Amsterdam. Mokem Ollef: Amsterdam,
de plaats wier naam met een Alef (de eerste letter van 't alphabet) begint; of
wellicht ook: Stad no. 1. |
| Mokum (Jdd.) Groot-mokum:
Amsterdam, als stad der Joden bij uitnemendheid. |
| Mo-nafsjoch of
Mimo-nafsjoch (Nhebr.): hoe ook uw wensch is, in ieder geval. Hebr.
nèfesj; ziel (als zetel der aandoeningen) begeerte, wensch. |
|
Monefsjoch, zie mo-nafsjoch. |
| Mooi gemalboesjt (Jdd.): fraai
gekleed. Zie malboesje. |
| Moos, verkorting van moaus (ma-oth)
(Nhebr,): geld. Maäh (mrvd maoth): een |
| | | |
| kleine pasmunt uit den
tijd des 2n tempels. Dus: moos hebben is zooveel als ons:
centen hebben. |
| Mooser (Hebr.) mrvd. moosrîm: spion,
verrader. |
| Morah (Mouro) (Hebr.): vrees, ontzag, eerbied. |
|
Moré (Hebr.): leeraar, onderwijzer. De beteekenis is doctor. Het
is de graad, door een Rabbijn te verwerven; dus doctor in de Israëlitische
theologie. |
| Morenoe: onze leeraar. Moré morenoe: titel des
opperrabbijns. |
| Morour, Morer: bitter kruid op den Sederavond. |
|
Mossar (met samengetrokken o-uitspraak) eigenlijk Moesar
(Nhebr.): berisping, vermaning. |
| Mossar zeggen: een boetpredikatie
houden. |
| Mottar (met samengetrokken o- uitspraak) eigenlijk
Moetar, (Nhebr.): geoorloofd. |
| Moetar loch: het zij u
geoorloofd. |
| Mouchel (Nhebr.): vergevend, verschoonend,
kwijtscheldend: iemand iets mouchel zijn: iemand een beleediging oftekortkoming
vergeven. |
| Mouchiach (Hebr.): een vermanende, een onder-het-oog
brengende. Iemand mouchiach zijn: iemand iets onder 't oog brengen. |
|
Mouser-nefesj (Hebr.): leven-opofferend zijn, zijn leven desnoods voor
iets geven; met zijn geheele ziel iets bewerken. |
| Mouts'ei (Hebr.):
uitgang van iets; b.v. in: mouts'ei sabbath: sabbath-uitgang, Zaterdagavond.
Mouts'ei jomtof: feestdags-uitgang. |
| Moutse, ha-moutsie: Hebr. woord
uit de Israël. lofzegging over het brood. Ook die lofzegging zelve. Vaak
de snede brood, waarover de lofzegging (brooche) wordt uitgesproken. |
|
Moutsie-zijn (Hebr.): letterl. uitbrengen. Iemand eene godsdienstige
verplichting doen vervullen, die te zijnen behoeve vervullen. |
|
Nabbelen: gevormd van 't Nhebr. nabbeil (zie neweilo-nebéla). Het
beteekent: een dier dooden zonder de Joodsch-ritueele slachtmethode aan te
wenden. |
| Nachas (Nachath) (Nhebr.): genoegen, genot. A'damsch
nauches, naoches: verrukking. |
| Nadiem: letterl. schenk troost.
Beginwoord van een Hebr. gebed op den verjaardag van Jeruzalems verwoesting,
naar welk woord 't geheele gebed zoo heet. |
| Nah! (Jdd.): uitroep;
weleens in den zin van bah! of foei! Meestal echter in dien van nu! welnu! |
|
Narr, Narrisj, Narresj, Narrent (Jdd): gek, krankzinnig. |
|
Nàscher: (spoedig?) |
| Nasi (Nosi) (Hebr.): letterl. de
verhevene, de vorst. In den Bijbelschen tijd was het de titel van Israël.
stamhoofden, vorsten, leger hoofden. Later was 't de titel van den voorzitter
van 't Sanhedrin, van de hoofden des Jodendoms, van den Patriarch. Vandaar
noemde ook de Joodsche sekte der Karaieten hun opperhoofd wel eens nasi. |
|
Nebbich, Nebbisj (Jdd.): oorspronkelijk uitroep van medelijden.
‘(Es sei) nie bei euch!’: och arme! Ook wel och-nebbisj,
ogghenebbisj. |
| Nebiîm acharonîm (Hebr.): de
latere profeten. De bijbelboeken bij ons bekend als de drie groote (Isaias,
Jeremias en Ezechiël) en de twaalf kleine profeten. Daniël en de
Klaagliederen behooren tot de Ketoebîm of de Hagiographa. |
|
Nechomoh (Nechamah) (Hebr.): troost, vertroosting. |
| Nedan
(Nhebr. of Talmud. Chald. nedinja): bruidschat, huwelijksgift. |
|
Neder (Hebr.): gelofte. |
| Belî-neder: zonder gelofte.
Vaak bij een uitgedrukt voornemen, om zich mogelijke verhindering voor te
behouden. |
| Nedowoh, Nedabah (Hebr.): vrijwillige gift,
liefdegave. |
| Baäl-nedowoh (Nhebr.): een man van liefdegaven,
een weldadig mensch. |
| Neëmon, Neëman (Nhebr.): vertrouwd,
vertrouwbaar, geloofwaardig. Vandaar ook, titel van een Joodsch ambtenaar, die
bij plechtige zaken, b.v. bij huwelijken, als officiëel getuige fungeert.
De twee vereischte kerkelijke getuigen heeten als zoodanig de
neëmonîm. |
|
| | | |
| Neëmonoes,
Neëmanoeth (Nhebr.): vertrouwbaarheid, geloofwaardigheid. |
|
Neginoh mrvd. neginous (neginoth) (Hebr.): muziek, spel, zang, melodie,
toon. Vandaar ook later als naam der toonteekens, die de melodie aangeven,
waarop in de Synagoge de Bijbelstukken gereciteerd worden. |
| Nehustan
(Hebr.) nechusjtan, van nechosjet (koper): de koperen slang van Mozes. |
|
Neifel (Hebr.): misgeboorte; lijfsvrucht, die geen levensvatbaarheid
heeft. |
| Neïla (Hebr.) (vaak verkort tot niele): letterl.
sluiting. Slotgebed op den Grooten Verzoendag. |
| Neir, Ner (Hebr.):
licht. |
| Neir sjabbas (Ner sjabbath); 't licht van den Sabbath. |
|
Neir Joum-touw (ner Jomtob): 't licht van den feestdag. |
| Neir
Chanoeko (ner Chanoeka): 't licht van het inwijdings-feest. |
| Neir
Tamied: het bestendige licht, een soort Godslamp, rechts van de Hechal in
de Synagoog. |
| Neisech zie nesech. |
| Nekeiwoh (Nhebr.):
vrouwspersoon. |
| Nekoedo (Hebr.): stip, puntteeken, klankteeken. |
|
Nekef: gevangenis; van 't Hebr. nekew: gat. |
| Nekomoh,
nekòme, nekamoh (Nhebr.): wraak, wraakgevoel. Een nekomoh aan iemand
hebben: leedvermaak gevoelen. |
| Nés (Hebr.): wonder,
wonderdadig teeken. Nés min hasjamaï(m): een wonder van hoogerhand
beschikt. |
| Nesech, Neisech (Hebr.): plengoffer, bijz.
wijn-plengoffer. Later gezegd van wijn op een heidensch altaar geplengd, en
vandaar algemeen gebruikt voor wijn, die den Israëliet ritueel
ongeoorloofd is. |
| Nesjomoh (nesjamah) (Hebr.) A'damsch nesj'omme:
ziel, levensgeest. Op mijn nesjomo! uitroep van overtuiging, zooveel als: op
mijn eerewoord! Bij mijn nesjomo! uitroep van eeds-verzekering, zooveel als bij
de zaligheid mijner ziel! |
| Nethinîm (Hebr.): gegevenen,
bestemden nl. tot behulp der Levieten in den tabernakel en in den lateren
tempeldienst. Onder dezen naam komen de Gibeonieten in de boeken der
Chronieken, alsmede in de schriften van latere Rabbijnen voor. |
| Netilas
jodojim (netilath jadaïm) (Nhebr.): het opheffen der handen om ze te
wasschen. Vandaar: het wasschen der handen des ochtends na 't opstaan en voor
den maaltijd. Ook de naam van de lofzegging die de Joden daarbij
uitspreken. |
| Neweilo (nebéla) (Hebr.) letterl.: aas, dood
dier, een gestorven dier, dat niet volgens Joodsch-ritueele slachtmethode
gedood en dus voor Israëlieten niet te gebruiken is. Vandaar in 't
algemeen gezegd van personen en zaken, waaraan men weinig of niets heeft. |
|
Newère: zonde. Zie aweire. |
| Newi-im (Hebr.) (nebi-im)
mrvd, van nowi (nabi): profeten. |
| Newioes (ne-bioeth) (Nhebr.):
newoeoh (neboeah) zie aldaar. |
| Newioes-zeggen: profetieën
spreken, voorspellingen doen. |
| Newoeoh (neboeah) (Hebr): profetie,
hoogere geest; voorzeggings-gave. |
| Bi-nowoeoh: door profetischen
geest. |
| Nichoesj (Nhebr.): bijgeloof, tooverij. De oorsprong van 't
woord ligt in 't Hebr. nachasj: slang. Slangenbezweerders-kunsten vormden een
der oudste vormen van bijgeloof en tooverij. |
| Niddo (nidde) (Nhebr.)
lett.: de afgezonderde. Eene vrouw in den tijd der menstruatie en eenige dagen
daarna, aan zekere afzonderingswetten onderworpen; nidde heeten ook die
voorschriften zelf. |
| Nifloh (niflah) (Hebr.): vreemdsoortig,
zonderling, buitengewoon. |
| Dowor nifloh: een buitengewone
ofvreemdsoortige zaak. Mrvd. niflo-ous (nifla-oth): wonderdadige vreemdsoortige
zaken. |
| Nissim we-niflo-ous: wonderen vreemde dingen! meestal als
ironische uitroep tegen een verteller van gasconades. |
| Niglo
(Hebr.): 't bekende, 't geopenbaarde. Mrvd.: niglous (nigloth): de bekende,
geopenbaarde dingen, in tegenstelling van nistorous. Zie aldaar. |
|
|
| | | |
| Nigoen mrvd. nigoenim, (Nhebr.): melodie. |
| Nieresj,
Nierich: mal; van narrisch? |
| Nîsan, Nissan (Hebr.): de
eerste maand des jaars (na de Babyl. ballingschap) die in den Pentateuch
Abîb wordt geheeten. Komt overeen met einde Maart of begin April. Daarin
wordt steeds het Israël. Paaschfeest gevierd. Nîsan: nîtsan:
bloesem. |
| Nissim mrvd. van neis: wonderen. |
| Nissim
weniflo-ous!: wonderdadige en vreemdsoortige dingen! (Zie niflo). |
|
Nissojaun (nissajon) (Hebr.): beproeving, op-de-proef-stelling. |
|
Nistor (Hebr.): het verborgene; mrvd. nistorous (nistaroth): de
verborgene, metaphysische zaken. |
| Nittel (Jdd.): de Kerstnacht.
Sommigen achten 't door klankverenging uit Lat. (dies) natalis: geboortedag
ontstaan. |
| Niwel-peh (nibboel-peh) (Nhebr.): (lett. verontreiniging
des monds) onzedelijke woorden, gesprekken, bedekte wulpsche taal. |
|
Nochri (Hebr.): vreemdeling, iemand van een ander volk, van een andere
gezindte. |
| Nodiw (nadib) (Hebr.): een weldadige, een gever van
liefdegaven. Zie nedowoh. |
| Noesgo (Nhebr.): formulier, vorm van
uitdrukking, lezing van een tekstplaats. |
| Noki (Hebr.): onschuldig,
rein van misdaad. |
| Noos (Jdd.) verbasterd van Nase: neus. |
|
Nosi (nasi) (Hebr.): vorst. Hij kan nosi in Eretz Jisroeil zijn: hij kan
een vorst in het land van Israël zijn d.i. hij is een zeer geleerd en
waardig man. |
| Nosjim (nasjim) (Hebr.) onregelm. meervoudsvorm van
isjo (eigenl. insjo): vrouwen. |
| Nosjim dangton kallous (nasjim
daäton kalloth) (Nhebr.): der vrouwen gedachten zijn licht: wegen niet
zwaar. Spreekwoord uit den Talmud. |
| Notsri (Nhebr.) letterl.
Nazarener. Vandaar Christenen. |
| Nougeia(ng) (nogeia') (Hebr.):
aanrakend, rakend. |
| Nougeia bedowor (nogea-bedabar): in aanraking
met de zaak, in betrekking tot de zaak staande; gezegd van iemand, die niet
onpartijdig over iets oordeelt, omdat hij er zeker belang bij heeft. |
|
Nouheig (nohèg) (Hebr.): voeren, leiden. In 't Nhebr.: een
gebruik, een gewoonte aannemen. (Zie minhag). Zich nouheig zijn: zich aan zeker
gebruik houden. |
| Noukem (nokèm) (Hebr.): een wrekende.
Vandaar: zich noukem zijn: zich wreken. (Zie nekomoh). |
| Noukeim
we-nouteir (nokèm we-notèr) (Hebr.): iemand, die zich wreekt
en een ontvangen smaad niet vergeet. |
| Nowi (nabi) (Hebr.):
profeet. |
| Nun: 14e letter van 't Hebreeuwsch. Syr. Chald.
Arab. noen: visch, naar den vorm dezer letter in 't Phoenicisch letterschrift.
De getalwaarde is 50. |
| Obber (Jdd.) in plaats van ober: opper. Zie
aldaar. |
| Ober-chazan: opper-voorzanger ter Synagoge. |
|
Ober-sjammes: opper-koster (van 't Hebr. sjammasj: bedienaar,
koster). |
| Obligade (Ptg. Isr.) Dank u wel. Ptg. obrigado. |
|
Ochenebbisj, ogghenebbisj, in de Joodsche volkstaal samengetrokken uit:
och un' nebbesj of uit och-nebbisj, uitdrukking van medelijden. Zie
nebbisj. |
| Odom (Adam) (Hebr.): mensch. Odom-ho-risjoun (Adam
ha-risjon): de eerste mensch. Ben-Odom: menschenkind. |
| Oets (Jdd.):
beetnemerij; uit (Poolsch?) uciecha: vreugde, pret, grap. Iemand oetsen:
beetnemen. |
| Og melech ha-bosjon,(Hebr.): Og, de koning van Basan.
Naam voor iemand, die buitengewoon groot en sterk van lichaam is. |
|
Oljes, Oeljes (Ptg. Isr.): oogen. Wat een oeljes zet ie op! Ptg.
olhos. |
| Ollef (aleph) (Hebr.): de eerste letter van 't Hebr.
alphabeth. ollef-beis (Aleph-Beth) (Hebr.): 't alphabeth. Dit is
ollef-beis: dit is zoo eenvoudig als het a b c. Mokum ollef: stad no. 1 of A:
Amsterdam. |
| Olow-ha-sjolaum (alaw-ha-sjalom) (Hebr.) olewesjolem: op
hem zij de vrede! of: hij ruste in vrede! Dit wordt evenals ons: |
| | | |
|
zaliger gedachtenis, door de Israëlieten bij het noemen van een doode,
achter diens naam gevoegd. Is de doode eene vrouw, dan luidt het:
Olého-ha-sjolaum (aléha-ha-sjalom) op haar zij de vrede! |
|
Omein (amen) (Hebr.): amen. In de volkstaal bij de Israëlieten vaak
gebruikt als bevestiging bij een wensch, bij een plechtige verzekering,
eedsuitdrukking etc. |
| Omein selo! (Amen sela!): altijd; aan de
Psalmen ontleende Hebr. uitroep; weleens gebruikt als bevestiging van een gebed
of een heilbede. |
| Omer, homer: een maat graan; zie oumeren. |
|
Omertijd of Oumertijd: de zeven weken tusschen het Israël.
Paaschfeest en het Wekenfeest; zoo genoemd naar de omertelling. Zie
oumeren. |
| Oni ('ani) (Hebr.): behoeftig man, mrvd.
anîjîm: armen. |
| Onow (anaw) (Hebr.): nederig,
bescheiden. |
| On-sjolem: onvrede, ruzie. Zie sjolem. |
|
Orel: onbesnedene, niet-Jood. |
| Oren, Joodsch volkswoord: het
gebed uitspreken, (van 't Lat. orare: bidden). |
| Orew (areeb)
(Hebr.): borg, aansprakelijk. |
| Orifous (Nhebr.) (Hebr. ofoth):
vogels, (van 't enkelvoud ouf (of): vogel. |
| Orinès (Nhebr.):
gevaarvolle dwang, nooddwang; vandaar soms: in orinès zijn: in een
gevaarvolle positie verkeeren. |
| Ormoh (armah) (Hebr.): slimheid,
geslepenheid, handige streek (afgeleid van oroem, z.a.). |
| Oroem
('aroem) (Hebr.): 1) slim, geslepen, 2) naakt. |
| Oroun (aroon)
(Hebr.): kist, arke; in 't bijzonder doodskist. |
| Oroun Ha-koudesj
(Hebr.): de heilige Arke, waarin ter Synagoge de wetsrollen bewaard
worden. |
| Oser, zie osoer. |
| Osjer, eig. osjier, (asjier)
(Hebr.): een welgesteld, rijk man. |
| Osoer (asoer) (Rabb-Hebr.):
ongeoorloofd. In de volkstaal oser. Vandaar: oser als uitroep: Het zij mij
ongeoorloofd! Ik wil er niets van weten of hebben. |
| Ouheiw (oheb)
(Hebr.): vriend. |
| Ouheiw neëmon (oheb neëman): een
oprechte, vertrouwbare vriend. |
| Ouheiw momaun (Hebr. mamon'): een
vriend van 't geld; afkeurend gezegd van iemand, die tuk is op geldelijk
voordeel. |
| Ouhel (ohel) (Hebr.): tent, ook overkapping, overdekkende
kroonlijst. |
| Oulom (olam) (Hebr.): wereld. |
| Oulom hazee,
(Hebr.): deze wereld, het ondermaansche, het aardsche. |
|
Oulom-hazee-mensch: iemand, die aan niets dan aan wereldsche vermaken
denkt. |
| Oulom habo: de toekomstige wereld; de wereld der
onsterfelijke zielen. |
| Oumeren, (Israël. volkstaal), afgeleid
van omer, Hebr. inhoudsmaat, aanduidend het eerstelingen-offer van den nieuwen
oogst, dat op den tweeden Paaschdag in den tempel te Jerusalem werd gebracht.
Van dien tweeden Paaschdag tot aan het wekenfeest (Israël. Pinksterfeest)
worden zeven weken geteld. Die telling, eene godsdienstige
herinneringsplechtigheid, heet oumeren. |
| Ouneg (oneg) (Hebr.):
genoegen, welbehagen. |
| Ouneg sjabbos (Hebr.): het welbehagen in de
Sabbath-viering. |
| Ounein, (Hebr.): letterl. een klagende. Men duidt
daarmede den allernaasten bloedverwant van een overledene aan, zoolang het lijk
nog niet begraven is. |
| Ounesj, (onesj), (Hebr.): straf. |
|
Ourech, (Nhebr.) gast, vreemde bezoeker, mrv. ourchim. Vandaar
ourchimbank,: de plaatsrij in de Synagoge, bestemd voor vreemde menschen, die
geene bijzonder aangewezene plaats ontvangen. |
| Ous (oth), os
(Hebr.): letter, teeken. |
| Ousjer (osjer) (Hebr.): rijkdom, rijke
verzameling. Vandaar Nhebr.: osjroes, groote verzameling, een aanzienlijke
rijkdom. |
| Outsèr (ootsèr) (Hebr.): schat, rijke
voorraad. mrv. outserous (ootseroth): schatten. |
| Owel, Oweil
(abél) (Hebr.), mrv, aweilim (abélim), een treurende rouw
bedrijvende; gezegd van iemand die zich in de zeven Joodsche treurdagen bevindt
of in het rouwjaar nl. twaalf maanden na het overlijden van |
| | | |
| een
der ouders. Deze treurtijd wordt dan ook het owel-jaar genoemd. |
| Ozer
dollim (Hebr.): helper der zwakken of kranken. Israëlitische
weldadigheids-vereeniging te Amsterdam. |
| Pachad (Hebr.): vrees,
angst. Lou mi-pachad, lou be-pachad, niet in angst! niet uit angst!
Spreekwijzen in den zin: wees maar niet bang. |
| Palabres (Ptg. Isr.):
woorden, holle woorden. Spa. palabras. |
| Paniem (Hebr.) zie
Ponem. |
| Padrinje (Ptg. Isr.): Gevatter of peter bij de besnijdenis.
Padrinjes heeten ook de twee jongelieden beneden de 13 jaar, die den 13-jarige
bij de Barmitswa naar de Sefer Thora vergezellen. |
| Parintes (Ptg.
-Isr.): familieleden, vooral van zeer verren graad. Ptg. parentes. |
|
Parg, Parrech, Pargkop (Jd.), van Hebr. parach: uitslag hebben; dus
iemand, die om zijn huid-uitslag of hoofd-uitslag gemeden wordt. Vandaar in het
algemeen: een akelig, onaangenaam mensch. Ook wel gebruikt van iemand, die zich
welgesteld voordoet, doch arm is; door de Amsterdammers gerepliceerd als
scheldnaam voor: Jood! |
| Parnas (van Hebr. parnes: onderhouden, in
stand houden). Titel van een Israël. kerkvoogd of kerkbestuurder. In het
mrv. parnassim: bestuurders. Het woord werd verhollandscht tot parnassijn.
Schertsend van iemand, die er welgedaan uitziet: ‘Hij ziet er uit als een
parnes.’ ‘Hij heeft een buik als een parnes,’ omdat de meest
welgestelden vaak bestuurders waren. Verg. in het Ned.: een
burgemeesters-buik. |
| Parnasah (parnosoh, pernooze) (Hebr.):
onderhoud, dagelijksch brood. Hij heeft goed zijn parnosoh: hij heeft goed zijn
brood. |
| Parocheth: voorhang van den Hechal. |
| Parsjo,
(parsja) (Nhebr.): afdeeling. In het bijz. voor een gedeelte van de afdeeling
uit den Pentateuch, op een bepaalden Sabbath ter Synagoge gelezen: de eerste
parsje, de tweede parsje, enz. Vaak ook van de geheele afdeeling. En veelal ook
wordt de een of andere bepaalde sabbathdag aangeduid met den naam der
afdeeling, die op dien dag ter Synagoge gelezen wordt. Hebr. parasja. |
|
Paskenen, verl. deelw. gepaskend, (Jdd. Nederl. woord, afgeleid van
Chald. pesak z.a.), een oordeel, een uitspraak geven in ritueele kwesties. |
|
Pasloes (pasloeth) (Hebr.), kenmerk van onwaardigheid; eigenschap of
daad, die iets of iemand voor godsdienstzaken ongeschikt of onwaardig maakt.
Zie posoel. |
| Pasmade Poniems (Ptg. Isr.): gedrukte, verblufte
gezichten, zie ponim. |
| Pasmade goi: stomme Christen, iemand die men
alles kan wijsmaken; Ptg. pasmado: versuft. |
| Pasoel, zie
posoel. |
| Patja (Ptg. Isr.): hand, voet. Hou je patjaa's voor je! Wat
'n patjaas heeft-ie! Wat heeft-ie 'n groote pooten! Ptg. pata. |
|
Patjoore (Ptg. Isr.): langzaam, peuterig (mensch); van Ptg. pachorra:
geduld. |
| Patjoorente (Ptg. Isr.): langzaam, teutend vrouwspersoon.
Voor den vrouwelijken uitgang cf. Rebbetseente, Sjochente, Sjwiegerte,
Polékente, Hourekte, Menoebelte. |
| Patienjes (Ptg. Isr.):
eenden. We hebben vanmiddag patienjes met rijst. Ptg. pato: eend en het suffix
-inho. |
| Patoes, zie potoes en patteren. |
| Patteren, verl.
deelw. gepatterd, (Nederl. werkw. van het Nhebr. potoer, patoer, z, a.): iemand
kwijt willen zijn, maken dat men van iemands verdere aanwezigheid verschoond
blijft. |
| Patter-methode (zie patteren): spottend gezegd, wanneer bij
de hulp aan behoeftigen, het hoofddoel der armenzorg is, van hen af te komen,
hen naar elders te zenden. |
| Pauel, meerv. paualim (Hebr.): werkman,
arbeider; pauel (poël) is ook de taalk. term voor werkwoord. |
|
Pauel (poël) (Hebr.): arbeidend, werkend. Iets pauel zijn: iets
bewerken, iets ten uitvoer brengen. |
| Pé (Jdd. pei): de
17e letter van het Hebr. alphabet. De getalwaarde is tachtig. Hebr.
peh: mond. |
| Pectorale, pl. pectoralia (Latijn); Hebr. cho- |
| | | |
| schen
hamischpât, d.i. sieraad der gerechtigheid, het borststuk,
de borstlap der Isr. hoogepriesters. Ook een borstmiddel, een
borst-artsenij, |
| Peesel, Peisel (Hebr.): gehouwen beeld,
afgodsbeeld; vandaar ook van andere figuren, die men godsdienstig vereert, Ook
in het algemeen: beeld. |
| Peeselponim: een beeldschoon gezicht. |
|
Pega' (pegang) (Hebr.): plaag, ongeval, ontmoeting. Pega'ra' (pegang
rang) (Hebr.): een booze plaag, wordt vaak gezegd van iemand, die gaarne
boosaardig, hatelijk schertst of dergelijke opmerkingen maakt, |
|
Pegimo (Hebr.): onvolkomenheid, onzuiverheid, een storend gebrek.
Gewoonlijk: schaarde in een slachtmes, waardoor het voor de Joodsch-ritueele
slachting onbruikbaar is. Vandaar in het algemeen: er is een pegimo aan die
zaak: er iets onzuivers, iets storends in. |
| Peh (Hebr.): mond; houd
je peh: houd je mond. |
| Pei (Hebr.), zie Pé. |
|
Peious, peies (peoth) (Hebr.): hoeken. In het bijzonder de beide
hoofdhaarhoeken van de slapen tot voor de ooren. Vandaar, dat de lange, meest
krullende lokken, die vele vooral Russische en Poolsche Joden daar laten
groeien peies heeten. |
| Peire, zie peri. |
| Peiroesj,
(Nhebr.): verklaring, uiteenzetting, duidelijkheid, (van parasj)
oorspronkelijk: afdeelen, zie Parsja. Be-feiroesj, met duidelijkheid, voluit
gezegd, onomwonden verklaard. |
| Peisel zie peesel. |
| Peleh
(Hebr.): wonderbaar. Hafleh wopeleh, verbazingwekkend en wonderbaar. |
|
Peoelo (Nhebr.): daadwerkelijkheid, (zie pauel); met de peoelo er uit:
met volle daadwerkelijkheid uitgesproken. Van iets, wat slechts aangeduid, niet
duidelijk gezegd had mogen worden. |
| Peri (Hebr.): vrucht,
voortbrengsel, product. In het Jodenduitsch gediphtongeerd tot peire. Wat 'n
peire! een fijne peire! - vaak gezegd van een onwaardig mensch. Door de
Amsterdammers meest als peer verstaan, en dan verder gevarieerd tot: een fijne
druif! |
| Pernooze: onderhoud, brood, zie parnasah. |
| Pesach
(Hebr.), (van het ww. pasach, overschrijden): voorbijgaan. Ons woord Paschen,
Paasch (Gr. Pascha) komt van het Hebr. woord. Voorbijgaan, als 't een ramp
betreft, heeft den zin van gespaard, behouden worden. |
| Pesak (Nhebr.
en Chald.): letterl. doorsnijden, vandaar overdrachtelijk: een oordeel
uitspreken; subst. oordeel, uitspraak over ritueele vraagpunten. Pesak-din
(Nhebr.): uitspraak en beslissing, meer bijzonder tusschen twee procedeerende
partijen. - Pesak, ook veelal in den zin van afkeurend oordeel. Vandaar een
pesak krijgen: een scherpe berisping ontvangen. |
| Pesjat (Nhebr.):
natuurlijke, ongekunstelde verklaring van een tekst of van een zaak (zie
posjet). Pesjat leeren: de natuurlijke verklaring van iets trachten te
geven. |
| Posjet pesjat: doodeenvoudige, volkomen natuurlijke
verklaring, gewoon natuurlijke zaak. Ook als ironische uitroep: Ja! posjet
pesjat! Alsof dit zoo natuurlijk ware! |
| Pesjoro (Nhebr.):
bemiddeling; pesjoro maken: een minnelijke schikking tot stand brengen. |
|
Pesiecho, (petiecha) (Hebr.): (van patach: openen) opening; openzetting
der deuren. Zoo heet dan ook de synagogale ceremonie, bij een bijzonder
gedeelte der liturgie, de deuren der H. Arke wijd te openen. Van hem, die deze
eeretaak vervult, wordt gezegd, hij heeft de pesiecho. |
| Petiecha,
zie pesiecho. |
| Pettig: dwaas. |
| Pikade (Ptg. Isr.):
gepiqueerd, beleedigd. Port. picado. |
| Pidjou (Hebr.): lossing,
inlossing, bevrijding; van padah: inlossen, bevrijden. |
| Pidjou
ha-been (ha-bein): vrijkooping van den zoon, naam van een
Joodsch-godsdienstige plechtigheid ter inlossing van den eerstgeboren zoon van
zekere priesterlijke verbintenis. |
| Pidjou nefesj: lossing der
ziel,naam van een |
| | | |
| Joodsch-godsdienstige handeling of gebed ten
behoeve van iemand die gevaarlijk ziek is. |
| Pidjou sjeboejim
(sjewoejim): bevrijding der gevangenen, naam van den Joodschen plicht om bij te
dragen tot redding van geloofsgenooten, die in verdrukking zijn om hun
geloof. |
| Piechem of pichem (Jdd.): een komieke, zonderlinge
vent. |
| Piento pintados (Ptg. Israël.): sprekend gelijkend (ook
in karakter). |
| Pirema gochem: In Polen, Moravië en Bohemen
hebben de Joden een spreekwoord: Er ist Pürim-a-gochem: hij is op het
Poerim-feest een verstandig mensch. Immers op het Poerim-feest hebben
maskerades plaats; het is een Joodsch carneval. Dan maakt iedereen gekheid, ook
de verstandigste. Pürim-een-gochem-zijn is dus een spottend gezegde: hij
is alleen dan verstandig, als ieder ander gekheid maakt en hij mee doen moest;
overigens is hij een dwaas. |
| Pjirkie sjiera (Hebr.): afdeeling van
het lied, waarmede al wat bestaat, elk op zijn wijze, God dagelijks
huldigt. |
| Pleite, verkorting van Hebr. peleito: vlucht,
redding-zoeking, op-den-loop-gaan. Daar dit vaak gebeurt bij personen, die
hunne geldelijke verplichtingen niet kunnen nakomen heeft de uitdrukking pleite
zijn, (Hgd. pleite gegangen) in het Jodenduitsch de beteekenis gekregen van
failliet zijn. |
| Plekto, Ploegto, Ploekto of Plokto, (Chald.):
verschil van inzicht, verschil in uitspraak, verdeeldheid in gevoelen (afgeleid
van paleg, polag, Chald. Hebr.: verschillen, verdeelen). |
|
Pniël: plaats, waar men in hoogen nood verkeerd, met God geworsteld
heeft, maar eindelijk toch licht en redding vond. Pniël, uit penie eel:
aangezicht Gods, aan het plaatsje gegeven, omdat Jacob zeide: God aldaar gezien
te hebben. Ook Penoe-eel. |
| Poël zie pauel. |
|
Poenteiro (Ptg. Israël.): zilveren hand waarmee wordt aangewezen
bij 't lezen in de wetsrol; v. Ptg. ponteiro. |
| Poerim (Hebr.)
letterl.: loten. Naam van het Isr. Lotenfeest, ter herinnering aan de redding
van de Joden in de dagen van Haman (den minister van Xerxes, koning der Perzen
485-465 v. Chr.), die door wichelaarsloting den 14 en 15 Adar (omstr. Maart)
tot dagen van ondergang voor hen had bestemd. De luídruchtige viering
van die dagen gaf aanleiding tot de uitdrukking ‘poerim
maken’. |
| Poesjáre(n) (Ptg. Isr.): de kaarten schudden,
't woord heeft ook een obscene beteekenis (coïtus). Ptg. puxar:
schuiven. |
| Pokid, mrv. pekidiem (Nhebr.): overheidspersoon,
bestuurder, beheerder, (van Hebr. pakad) in de beteekenis van: iemand over iets
aanstellen. |
| Polékente zie polk. |
| Polk, in het
Jodenduitsch verkort van het Mhd. Polack, een Pool. Vaak noemt de volkstaal
iederen Joodschen vreemdeling uit het Oosten aldus. Vrouwelijk
Polékente: een Poolsche vrouw (van het Mhd. Poläckin met den Chald.
vrouwelijken uitgang -te). |
| Polleken: augurken; waarschijnlijk van
't voorgaande woord afgeleid. |
| Ponem, Porem (uit Hebr. poniem,
paniem): aangezicht. Meervoudsvorm van ponem in het Jodenduitsch penemer:
aangezichten door lippenontronding uit pönemer. |
| Azzes Ponem
(letterl. onbeschaamdheid van aangezicht): een onbeschaamde. |
|
Gotspe-Ponem zie Goetspo. |
| Chein of Gein-Ponem:
geestigheids-gezicht, iemand die gaarne geestigheden ten beste geeft. |
|
Mies-ponem: leelijk aangezicht, leelijkert (zie Mies). |
|
Sjein-ponem,: mooi aangezicht (van Hgd. schön), vaak ironisch. |
|
Pasmade ponem (Ptg. Isr.): bedrukt gezicht. |
| Pontieljade
(Ptg. Isr.): erg nauwkeurig, in de puntjes. |
| Pontieljes maken (Ptg.
Isr.): complimenten maken. Ptg. pontilha: scherpe punt. |
| Porauches,
(parocheth), (Hebr.): voorhangsel. In het bijzonder: het gordijn, dat in de
Synagoge de H. Ark bedekt; meestal met borduurwerk versierd. |
|
| | | |
|
Porets, eig. Poriets, (Hebr.): geweldenaar. In Polen en Rusland
vaak gebruikelijk voor: landjonker, edelman, zonder bepaald een ongunstige
beteekenis daaraan te verbinden; in den zin van: heer, die recht van geweld
heeft op zijn grondgebied. |
| Portas de hegál (Ptg.
Israël.) de deuren van de arke voor de wetsrollen. |
| Posjet eig.
Posjoet, (pasjoet) (Nhebr.): eenvoudig, gewoon, natuurlijk, geenerlei
moeite veroorzakend, bescheiden. |
| Posjiet (Chald. en Nhebr.): de
meest bescheiden muntspecie, een duit, een penning. |
| Posoek
(Nhebr.): letterl. afgedeelde schriftuurplaats, een Bijbelvers, vandaar ook
vaak algemeen: Bijbeltekst. |
| Posoel (pasoel)(Nhebr.): ritueel
onbruikbaar, onwaardig, ongeschikt. |
| Possje jisroeil: een overtreder
van zijne plichten als Israëliet. Verkort: possje, (van het Hebr. posjea:
opzettelijk zondigen. |
| Potoer (Nhebr.) (van Hebr. patar: afsluiting
openen, loslaten), vrijgesteld van schuld, verplichting, boete, straf. Ook den
zin van: losgelaten, niet meer gebonden. |
| Potoer oe-mockoel:
losgelaten en kwijtgescholden. De uitdrukking: ik ben hem potoer oe-mockoel in
den zin: ik laat hem vrij en kwijtgescholden, beteekent schertsend of spottend:
ik wensch thans van zijn verdere aanwezigheid of bezoek verschoond te blijven.
Ik ben het potoer: ik ben het kwijt. Het is verloren. Zie Patteren. |
|
Potsneus: kwajongen, zie rotser. |
| Purim zie poerim. |
|
Que me importa a mi (Ptg. Isr.): Wat kan mij dat schelen! |
|
Ra', (rah, rang) (Hebr.): boos, slecht. Lasjoon ra' of hora': booze
tong, laster, kwaadsprekerij. Ajin hora': het booze oog; geest van nijd. Rieach
ra': leelijke reuk. - In deze uitdrukkingen heeft de volkstaal het woord ho-ra'
verbastert tot horre: loosjen horre spreken: lasteren, kwaadspreken, ajin horre
hebben: nijdig op iets of iemand zijn. |
| Raaf of Raaw (raab)
(Hebr.): letterl. leeraar, titel van een opperrabbijn, zie Rabbi. - De
echtgenoote des opperrabbijns wordt genoemd Rebbe-tsin, zie Rabbi. - Het Hebr.
woord raaw (raab) beteekent ook: veel, genoeg, en wordt ook soms in dien zin in
de volkstaal gebruikt. |
| Rabbi (Hebr.): letterl. mijn meerdere, mijn
heer, mijn meester. Titel van een Joodsch geleerde. In het Nederl, taaleigen
Rabbijn. In de volkstaal der Nederl. Hoogd. Joden; Rebbe; in die der Portug.
Israël. Nederl. Joden Ribi en Ribbi; in die der Duitschsprekende Joden
vaak het korte Reb. Het gebruikelijk meerv. is Rabboniem (Rabbanim; eigenlijk
meerv. van Rabban: onze leeraar: leeraren. Met aanroep: Rabbousai (rabbotai)
mijne leeraren, ook gewoon in den zin van mijne heeren. Het gebruikelijk
vrouwelijk woord is (met den Poolsch-Litauschen vrouwel. uitgang: -tzin)
Rebbetzin (Rebbetseen): vrouw van den leeraar, vrouw van den opperrabbijn.
Verg. het Nederl. pastoorsche, domineesche. |
| Rabbiem (Hebr.): velen,
zie Raaw, Raab; vandaar term voor: meervoud; ook term voor: het publiek.
Tsorchei rabbiem: openbare aangelegenheden, gemeentezaken. Bifné
rabbiem: voor het publiek, in het openbaar. |
| Rabboniem, zie
rabbi. |
| Rabbousai (rabbosai) zie rabbi. |
| Rachem (Hebr.):
zich ontfermen; zich merachem zijn over iemand: zich over iemand ontfermen, met
iemand medelijden hebben en hem helpen. |
| Rachmon (Hebr.), (van
rachem: zich ontfermen): iemand die medelijdend is. |
| Rachmonoes,
ragmones, (rachmanoeth) (Hebr.): medelijden, medegevoel. Joodsch rachmonoes:
zulk medegevoel voor armen en ongelukkigen, dat niet al te deftig en te
voorzichtig redeneert, maar broederlijk onder den arm grijpt en helpt. |
|
Rachmonoh litzlon (rachmanah litzlan), Chaldeeuwsche uitroep van schrik
of angst: De Albarmhartige moge redden! Zie rachmon. |
| Ragzon
(rogzen) (Nhebr.), van Hebr. rouges, (rogès: toorn): een toornig mensch,
een driftkop; zich meragges zijn: zich over iets boos maken. |
|
| | | |
|
Raka of eigenl. Rèka: leeghoofd, onbeduidend mensch,
domoor! In den Talmud komt het woord vaak voor in den aangegeven zin. Het is
Chaldeeuwsch. |
| Rammoï (Hebr.): bedrieger, in de volkstaal
ramme. Van het Hebr. ww. rimma: bedriegen. Iemand meramme zijn: iemand
bedriegen. |
| Reb, Rebbe, zie rabbi. |
| Rebbes, ribbis
(Nhebr.) van rovav: winst, woeker. |
| Rebbetseen of Rebbetsin,
zie rabbi. |
| Rebbetseente: rebbetseen, met nog een nieuwen
vrouwelijken uitgang. |
| Refoeo (Hebr.): genezing; van rofo (rafa):
genezen. |
| Rehobôth (Hebr.): ruimte, verruiming; naam van een
gebouw te Amsterdam (Plantage, Rapenburgergracht), door ruimte van liefdegaven
gesticht. |
| Reiach (reach) (Hebr.): geur, reuk. |
| Reiwech,
van Hebr. rewach: winst, voordeel. Reiwech bij iets hebben of maken: winst
maken, voordeel van iets hebben. |
| Rèka, zie raka. |
|
Resj: 20e letter van het Hebr. alphabet; de getalwaarde is
200. Resj afgeleid van Chald. reesj, Hebr. roosj, d.i. hoofd, waaraan de
gedaante dezer letter in het Phoenicisch alphabet denken doet. |
|
Resjaffen (Jdd.): rechtschapen. |
| Resj-barjoune, (Chald.):
hoofd van den troep, belhamel. Zie resj en rosj. |
|
Resjòëm: booswichten. Zie roosje. |
| Resjoes
(resjoeth) (Nhebr.): gebied, terrein, gezags-grens, gezag; (van Hebr. jarasj:
in bezit nemen); vandaar ook verlof, toestemming. |
|
Resjoes-horabbiem: publiek terrein. Zie Rabbiem. |
| Resjoes
ha-joochied: privaatterrein; biresjoes: met verlof, in eens anderen resjoes
komen, eens anderen gebied betreden. |
| Retsiecho (Hebr.): moord (van
ratsach: moorden). Retseiach (Hebr.), (eig. rotseach: moordenaar), vaak in den
zin van woest mensch, baldadige kwant. |
| Retsoea (Hebr.): riem, band,
in 't bijzonder een lederen band van de Tefillin (gebedriemen) z.a. |
|
Ribi of Ribbi (Hebr.) zie rabbi. |
| Rikza (Nhebr. rigza
van roges): toorn, drift. |
| Rimoniem (Hebr.) (granaatappelen later
ontwikkeld tot): siertorens op de Ets chajjiem die boven den Thoramantel
uitsteken. |
| Risjes (riches) van Hebr. risjoes, risjoet:
goddeloosheid, slechtheid), (zie Roosje) gebruikelijk in den zin van:
plaagzucht, kwelzucht, boosaardigheid. In het bijzonder voor geloofshaat,
verdrukking, kwelling, tegenstand, die de Israëlieten van Christenen te
lijden hebben. |
| Risjon-le-Zionwijn: wijn uit de wijngaarden van een
der tegenwoordige voornaamste Joodsche koloniën in Palestina. Deze kolonie
heet Risjon-le-Zion, d.i. de eerste voor Zion, en was in Oct. '98 te midden der
ongeveer 25 Joodsche koloniën in Palestina, ééne der
voornaamste. |
| Roddelen (Jdd.) in de volkstaal der Nederlandsche
Joden: kwaadspreken, babbelen, iemand over den hekel halen. |
| Roeach
(Hebr.): letterl. adem, wind, lucht, geest, ziel, levensgeest enz. In de
volkstaal duidt het aan: een beweeglijk persoon, een onrustige geest. Ook
beweging: onrust. Hij is een echte Roeach: hij is iemand, die nergens rust
heeft. Zelfs een Nederl. Israël, w.w. is daarvan gevormd: roegen, d.w.z.
zwalken in allerlei levensomstandigheden en woonplaatsen, een ongeregeld leven
leiden. |
| Roeach Hakoudesj (Hebr.): Heilige Geest. Letterl. geest der
heiligheid. |
| Roegen, zie Roeach. |
| Rogativas (Ptg. Isr.):
smeekgebeden voor iemand die zeer ernstig ziek is, bijna zonder hoop op
herstel. Soms gaat dit gepaard met naamsverandering (van den voornaam wel te
verstaan). Het geschiedt meest in de Snoge met geopend Hechal, maar ook in de
Medras, en overal waar een Sefer Thora aanwezig is. |
| Roosje (van
Hebr. rasja, rasjang), (Hebr.): goddeloos mensch, boosaard, slechtaard; ook
term voor iemand, die Antisemiet is. Het mrv. is resjo-iem (resja'ïm):
goddeloozen, booze menschen. Het vrouwelijke is resja'a (resjanga): booze
vrouw. |
|
| | | |
| Rootsoun, (Hebr.: ratsoon): behagen,
welgevallen. Iets berootsoen doen: met toewijding, met goeden wil doen. |
|
Rosenthaliana: de Joodsche Bibliotheca Rosenthaliana verbonden aan de
Universiteitsbibliotheek te Amsterdam. |
| Rosj (Hebr.) (Nhebr. rousj):
hoofd, begin. Rosj-Hasjono, begin des jaars, Nieuwjaarsfeest. Rosj-Choudesj:
begin der maand, Nieuwemaansfeest. Hij is de rosj hier: hij is hier de baas.
Pijn in zijn rosj hebben: aan hoofdpijn lijden. |
| Rotser, Rotsneus en
Rotslepel, in de Joodsche volkstaal: kwajongen. Rots (Mhd.): snot. Verg.
het Nederl. snotneus in den zin van kwajongen en ook de beteekenis van
snotterig. |
| Roufei (rofé) (Hebr.): geneesheer, arts. Zie
Refoeo. |
| Rouges (rogès), (Hebr.): toorn, boosheid. Zie
Ragren. |
| Rousj: hoofd. Zie rosj. |
| Saadath jeledôth
(Hebr.): Hulp voor kraamvrouwen. |
| Sabbath-lampen, die worden
opgestoken bij het begin van den Sabbath, en vaak zeven pitten tellen. |
|
Sahioe de Egypte e entrou en Mizrajiem (Ptg. Isr.) spreekw.: Hij toog
uit Egypte en kwam in Misrajiem (Hebr. naam voor Egypte) versta: hij kwam van
den regen in den drop. |
| Sandek (Talmudisch Hebr.) (Gr.-Lat.
syndicos, It. sindaco): gevader of Peter bij de besnijdenis. |
|
Sappel(en): zorg(en), tobben, getob. |
| Sar, Chaldeeuwsch
gewicht: 3600 Talenten. |
| Saudes (Ptg. Isr.): heilwenschen na de
lezing van ieder kapittel, altijd nog in de Portugeesche taal, zoo b.v. als een
knaap aangenomen wordt: pela mercer que Deos lhe fez chegar (a) esta idade e o
fasso seu servo: voor de genade dat God hem dezen leeftijd liet bereiken en
(nu) van hem zijn dienaar maakt. Een heel afzonderlijke plaats heeft het gebed
voor het Koninklijk Huis en de overheid, dat sinds 30 April 1909 na het Hebr.
hanotén (God geve) luidt als volgt: ‘A sua Majestade a Rainha dos
Paises Baixos, a sua Alteza a princeza sua filha & su Real consorte; a
rainha Viuva Madama sua mai; aos descendentes da Caza Real de
Orange-Nassâo; aos Illustres Membros que concorrem no Governo destas
Terras e aos nobres e veneraveis Senhores Burgamestre e Magistrados desta
cidade de Amsterdam.’ Er zijn in den laatsten tijd stemmen opgegaan, om
dit gebed voortaan in het Nederlandsch of in het Hebreeuwsch te doen
geschieden, maar dit voorstel vond heftigen tegenstand. |
| Seckar (ook
sékar), (Hebr.): loon, belooning, in het bijzonder belooning
hiernamaals. |
| Seder, zie seider. |
| Seder gazanoet (Hebr.
Ptg. Isr.): formulierboek van den voorlezer. |
| Seder-avond: de twee
eerste avonden van het Joodsche Paaschfeest, wanneer de Israëlitische
huisvader, door een zijner kinderen ondervraagd, de beteekenis verklaart van
het ongezuurde brood en het bitterkruid (de bittere saus, waarmee het Paaschlam
wordt gegeten), die daar op tafel liggen, en daarbij uit de Hagada de
geschiedenis van den wonderbaren uittocht uit Egypte verhaalt. |
|
Sedre zie sidra. |
| Sefardim (Nhebr.): de Sefardische of
Spaansch-Portugeesche Israëlieten. Naar Sefarad (Obadja vs. 20): eene
stad, waar door Nebukadnezar weggevoerde Jeruzalemmers in ballingschap leefden.
Volgens Syrische, Hebreeuwsche en Chaldeeuwsche uitleggers was dat Spanje. |
|
Sefiras ko-Oumer (sefirath ka-Omes), (Hebr): overtelling. |
|
Sefiroh (sefirah) (Hebr.): telling. |
| Sefiroth (Hebr.):
tellingen, naam voor een eigenschappenreeks in kabbalistische
beschouwingen. |
| Segack (samengetrokken schah), (Nhebr.): bedekking;
in het bijzonder bedekking der Soeko. |
| Seichel (sechel) (Hebr.):
verstand, oordeel. |
| Seider (sèder) (Hebr.): orde, vandaar ook
liturgie, in het bijzonder: de orde der huiselijke godsdienstoefening, op de
eerste twee avonden van het Israël. Paaschfeest. Daarom |
| | | |
| noemt
men die avonden gewoonlijk ook seider of seder-avonden. |
|
Seiderschotel: feestschotel op de twee eerste Paaschavonden. |
|
Seifer (séfer) (Hebr.): boek, in het bijzonder wordt daarmee
aangeduid het boek der H. Leer, een heilige wetsrol. Seifer Touro, Seifer
Thora: het boek der Leer. |
| Seimose (Ptg. Isr.): kletser. |
|
Sekone (Nhebr.): gevaar. |
| Sekones nefosjes (Hebr.): gevaar
voor menschenlevens. |
| Selah! (in de psalmen): stil! (van
sèlèh): rust, d.i. pauze, omdat, waar selah staat, een
tusschenspel (septuag., diapsalma), plaats had, niet van de snaarinstrumenten
der Levitische zangers, doch van de trompetten der priesters. Alzoo, pauze,
(van het lied) door middel van een diapsalma. Volgens Zenner teeken voor het
begin van het tegenkoor. |
| Seraph (Hebr.), meerv. Seraphîm,
d.i. de verheven, volgens Jes. IV: 2, engelen in menschelijke gedaante, die
Gods troon omringen, gelijk rijksgrooten in het Oosten den zetel van hun
monarch. |
| Sereifo (seréfa) (Hebr.): brand, verbranding. Ook
overdrachtelijk: in de sereife zitten: in de benauwdheid, en Amsterdamsch: in
de S(l)arijbel zitten, |
| Sgoure (Nhebr.): koopwaar. Vaak ook in den
zin van ons soort. B.v. het is goede sgoure: het is van 't goede soort. |
|
Siddoer (Nhebr.): gebedenboek voor Sabbath en werkdagen. |
|
Sidra (Nhebr.): afdeeling. In het bijzonder: de afdeelingen uit den
Pentateuch, die naar volgorde in de synagoge wekelijks worden voorgelezen. In
de Volkstaal wordt het dan geconstrueerd met gaan. B.v. ‘den volgenden
Zaterdag of volgende week gaat deze Sidra,’ d.w.z. wordt volgenden
Zaterdag gelezen, hetwelk in de laatste jaren door de tooneel-recensenten
(eerst natuurlijk door de Joodsche) is overgenomen. Morgen wordt dit of dat
stuk opgevoerd, moet nu wijken voor: Morgen gaat dit of dat stuk. |
|
Si-joem (Nhebr.): beëindiging, voltooiïng. In het bijzonder
beëindiging van de studie van een Bijbelboek of Talmud-tractaat of
dergelijk godsdienstig werk. Een si-joem maken: de plechtige beëindiging
van een boek doen geschieden. |
| Simchas-touro, (simchath-tora),
(Hebr.): vreugde der wet. Naam van het jaarlijksch feest bij het
beëindigen der Thora-lezing, omstreeks September-October, onmiddellijk na
het Loofhuttenfeest. |
| Simcho (simcha, simge) (Hebr.): vreugde, mrv.
simchoes (simchot). In het bijzonder: eene familie-feestvreugde. Een simcho
maken: een familiefeest aanrichten bij een heuglijke gebeurtenis. |
|
Simmon (Nhebr.): teeken, kenmerk. Een goed simmon: een goed
voorteeken. |
| Sinne verkort van sin-oh (sin-ah) (Hebr.): haat.
Kinne-sinne ontstaan uit kin-oh sin-oh, beduidt nijd en haat. Zie Kin-oh.
Verder Sinne gemoere; onverbiddelijke haat. |
| Sjaäloh
(sjaälah) (Hebr.): vraag. Verkort sjale of sjeile. In het bijzonder eene
vraag aan een Israëlitisch geestelijke om advies in godsdienstig ritueele
zaken. Het richten der vraag noemt men dan: een sjaäle of sjeile
maken. |
| Sja'atnes, eig. Sjaätnez, (Hebr.) waarschijnlijk
oorspronkelijk Koptisch: stof uit tweeërlei draad, wol en linnen,
saamgeweven of saamgewerkt. |
| Sjaaw, Sjow: (Hebr.): ijdel, nietig,
valsch; sjaaw we-sjèker: valsch en logenachtig. Zie sjeker. |
|
Sjabbes (sjabbos) (Hebr.): sabbath, de gewijde wekelijksche rustdag; de
Zaterdag. |
| Sjadchen, Sjadjen, Sjaden (Hebr.): koppelaar,
huwelijks-onderhandelaar, iemand, die zich bezig houdt met het inleiden en
voeren van huwelijks-onderhandelingen. Zie Sjiddoeck. |
| Sjadsjenen:
koppelen. |
| Sjakeekes (Ptg. Isr.): schele hoofdpijn. Arab. Ptg.
(en)xaqueca. |
| Sjalet of Sjaleud (Jdd.): gerecht (soort van
pudding), meestal op sabbath-namiddag genuttigd. Matse-sjalet, als de pudding
met |
| | | |
| gebakken paaschbrood (zie Matsah) wordt toebereid. |
|
Sjalksje nar (Jdd.): schalksche gek, hansworst. |
| Sjammes
(sjammasj) mv. sjamoziem b.v. in assistent-sjamoziem (Nhebr.): bode, bediende,
koster. Titel van den koster ter synagoge. Letterl. dienaar. |
| Sjas
de Talmud. Sjas-chewro: vereeniging tot bestudeering van den Talmud. Het woord
is een verkorting van twee Hebr. woorden, die beteekenen: de zes orden, nl. de
zes boeken der Misjna, waarnaar de Talmud-tractaten zijn gerangschikt. Hebr.
sjeesj: zes. |
| Sjaufor (Hebr.): bazuin; een ramshoren, waarop op den
Israëlitischen Nieuwjaarsdag geblazen wordt. |
| Sje-chejonoe
(sje-hechijonoe): naam van een Hebr. gebed of lofzegging bij het gebruiken van
iets nieuws. Vandaar, sjechejonoe maken: iets nieuws doen, iets nieuws
beginnen, zich iets nieuws verwerven of bezitten. |
| Sjechito (Hebr.):
slachting (van sjachat: slachten). Zie sjouchet en sjechten. Iemand de sjechita
leeren: iemand onderricht geven in de theorie en praktijk van het
Joodsch-ritueele slachtstelsel. Overdrachtelijk soms in den zin van:
financieele slachting, vernietiging. |
| Sjechten of Sjesjten,
(van Hebr. sjachat: slachten): een stuk vee dooden in den Joodsch-ritueelen
slachttrant. Zie sjouchet, sjechito. In overdrachtelijken zin: iemand sjechten:
iemand den hals afsnijden, iemand ruïneeren. Het verl. deelwoord is
gesjochten: geslacht. In overdrachtelijken zin vaak: kapot, vernietigd,
bedorven. Een gesjochten man: een bedorven man; een gesjochte boel: een
bedorven zaak. Ook afgekort tot Gesjocht. |
| Sjed mrv. sjeidim
(sjedim) (Hebr.) (oorspronkelijk: afgod, geheimzinnige macht): duivel,
demon. |
| Sjeetnes zie sjaatnes. |
| Sjeiker zie sjeker. |
|
Sjeile zie sjaäloh. |
| Sjeim (sjem) (Hebr.): naam. Een
goeden sjem, een boozen sjem hebben. |
| Sjeimous, Sjeimes (sjemoth),
meerv. van sjeim: naam. In 't bijzonder als term voor Hebr. namen Gods; vandaar
ook, Hebr. gebeden of Hebr. verzen, waarin namen Gods voorkomen, en die bij
ieder sterfbed zoo mogelijk door drie volwassen personen moeten worden
uitgesproken. |
| Sjein (Jdd.): schön, mooi. |
| Sjeker
(Hebr.): logen, leugentaal. |
| Sjem (Hebr.): naam. Zie Sjeim. |
|
Sjem-jisjmereinoe, Sjimjis mareine (Amsterdamsch): (ha-sjem-sisjmerenoe)
(Hebr.): de Hemel beware ons. Van ha-sjem: de naam d.i. God en sjamar: bewaren,
behoeden. Door volksetymologie zijn de Christenen naderhand aan de namen van
Jezus en Maria gaan denken. Verg. het Noordbrabantsche Jezzes-marante,
Antwerpsch: siemenies, Aalstersch: ziemeniese, Leuvensch: sjiëmenee. |
|
Sjema'-jisroeil (Hebr.): Hoor Israël! begin van de dagelijks
uitgesproken Joodsche belijdenis; vaak gebruikt als uitroep van verbazing, van
schrik, van smart, van verrassing. |
| Sjeol (sjeool) (Hebr.): afgrond,
de onderwereld, de hel. |
| Sjeol tachtijo (Hebr.): de onderste hel, de
diepste afgrond. Iemand in de sjeol tachtijo helpen: iemand geheel ten
ondergang brengen; iemand totaal ruïneeren. Vgl. de spreekwijs den afgrond
uit de hel vloeken, d.i. allerverschrikkelijkst vloeken. |
| Sjewoeous
(Hebr.): weken. Naam van het Israël. wekenfeest (omstreeks Mei-Juni) d.i.
Pinksteren, dat zeven weken na Paschen inviel. |
| Sjiddoeck, Sjiddesj
sjiddisj (Nhebr.): huwelijk, uithuwelijking. |
| Sjiffoes (Hebr.):
laagheid, gemeenheid. Zie Sjofel. |
| Sjikkor (Hebr.): beschonken,
dronken. Mrv. sjikkoerim: dronken lieden. |
| Sjikkoerej (sjikroet)
(Hebr.): dronkenschap. |
| Sjikse: Christen meid. |
| Sjiwe,
Sjiwwe (sjiw'a) (Hebr.) letterl.: zeven. Vandaar term voor de zeven rouw-
of treurdagen na de begrafenis. |
| Sjkouch: dank-je. |
|
Sjkorum: leugens, van 't Hebr. onwaar, zie sjeker. A'damsch
sjkoremzager: leugenzak. |
| Sjlachmones (Hebr.): term voor de
spijs- |
| | | |
| geschenken, onder de Israëlieten vooral op het
Poerim-feest gebruikelijk. Het woord is een verkorting van het Hebr.
sjiloaachmonous (sjiloach monoth): zending van gaven. |
| Sjlemazel,
verbasterd van het Nhebr. sjelomazzal: hetgeen niet-geluk is, ongeluk,
tegenspoed. Sjelo: asjer-lo d.i. wat niet. Als verwonderende uitroep:
sjle-mazel!: is dit een ongeluk? Wat hindert dat? |
| Sjlemiel, Sjemiel
(Hebr. Jodenduitsch): arme jongen, ongeluksvogel (waarschijnlijk substantieve
verkorting van sjlemazel. Sommigen leiden het af van den naam Sjeloemiel. Maar
deze naam beduidt: vriend Gods. |
| Sjliach (Hebr.): bode,
boodschapper, afgevaardigde. Spreekwoord: een luie sjliach is een halve Nowi:
een luie boodschapper is een halve profeet, d.i. iemand, die te lui is, om een
boodschap te doen, weet allerlei vermoedens in te brengen, om zich van de
opdracht af te maken. |
| Sj'mad (Hebr.) van Hebr. sjamad:
vernietigen): vernietiging uit den kring des Jodendoms, afval van het Jodendom,
overgang tot een ander geloof. Zich sjmadden: overgaan tot een ander geloof,
vooral tot het Christendom; in den sjmad komen, tot een afvallig ongodsdienstig
leven vervallen. Zie Mesjoemad. |
| Sjmoeisjeitel (Hebr.): praatzak,
babbelkous. Het woord Jeitel waarschijnlijk een spottende eigennaam, vgl. in
het Nederl. Hans in lulhans, lulhannes. |
| Sjmoeo (sjemoeah,
sjmoeës) (Nhebr.) lett.: het gehoorde, tijding, bericht. Meest
gebruikelijk in den zin van een praatje, gewauwel, zonderling vertelsel. Meerv.
sjmoeous (schmoeoth) samengetr. sjmoes praatjes waardelooze vertelsels. Sjmoes,
sjmoes-jes maken: praatjes maken. Sjmoes barjentes, (uitdrukking van de
Italiaansche Joden in de Joodsche volkstaal overgenomen) eigenlijk: Sjmoes por
rientes: praatjes over niets, praatjes voor de vaak. |
| Sjmoesen
(Hebr.): babbelen, praten; (werkwoord in de Joodsche volkstaal, gevormd van het
woord sjmoes. Zie sjmoeo. |
| Sjochen (sjacheen) (Hebr.): nabuur,
buurman. |
| Sjochente (in de volkstaal, met - waarschijnlijk
Chaldeeuwschen - vrouw. uitgang): buurvrouw. Zie Patjoorente. |
|
Sjoel, van Hgd. Schule, oorspronkelijk: de plaats, waar godsdienst
geleerd wordt, later in het bijzonder de synagoge. |
| Sjoelchan
(Hebr.): tafel. In het bijzonder: naam van den breeden lessenaar waarop ter
synagoge de wetsrol ligt, bij het lezen daaruit. |
| Sjoelchan oroech
(aroech) (lett. aangerechte tafel): naam van den autoritatieven codex voor het
Israël. godsdienstig leven. Spreekwoord: ieder heeft een schoelchan-oroech
voor zich zelf, d.i. velen maken zich hun godsdienstcodexje naar eigen
smaak. |
| Sjoele gaan: ter synagoge gaan. |
| Sjofar, Sjofor:
bazuin, meest een ramshoorn, wordt geblazen op het Joodsche Nieuwjaarsfeest.
Zie sjaufar, |
| Sjofel (sjafeel) (adjectief) (Hebr.): laag, gering,
armoedig. Sjofel als substantief, meer in geestelijken of zedelijken zin: een
laag mensch, een ongodsdienstige, een redelooze, een verdorveling. Meerv.
sjefeilim (saamgetr. in sjweiliem): verdorvelingen, gemeene menschen. Ook wel
schertsend in den zin van ons rakker, schelmsche kerel. |
| Sjofele
bajis of groot bajis, (Joodsch), gevangenis. Letterl.: gemeen huis. |
|
Sjoflade (Ptg. Isr.): teleurgesteld. Ptg. chofrado: bedrogen. |
|
Sjokkant, choquant (Ptg. Isr.): toevallig. |
| Sjolem, Zie
sjoloum. |
| Sjoloum (sjalom) (Hebr.): vrede. |
| Sjoloum
aleichem (sjalom ale'hem) (Hebr.): vrede zij u! Meest gebruikelijk als
welkomstgroet. Salaam alaika van assalam aleika of aleikoem: Arabische
begroetingsformulier: het heil of de vrede zij over u. Besjolem: in vrede, in
welstand; gewoonlijk in den zin van: goed en wel. |
| Sjono, Sjone
(Hebr.): jaar. Meie sjone: gelukwensch: nog vele (honderd) jaren. |
|
Sjotter: rechercheur van de politie. |
| Sjouchad (sjochad)
(Hebr.): geschenk, dat |
| | | |
| tot omkooping dient, in het bijzonder van
een rechter. |
| Sjouchet (sjochet): lett. slachter; term voor dengene,
die de ritueel-Joodsche slachtwijze volbrengt, en daarvoor door bevoegdheid en
goed gedrag het brevet heeft verkregen. Zie sjechten. |
| Sjoumes
(Hebr. van sjamar: bewaren): een bewaarder, oppasser. In het bijzonder iemand
die aangesteld is, om te waken over ritueele inachtneming bij het bereiden van
spijzen voor Israëlitisch gebruik. |
| Sjoute (Nhebr.), (sjoteh):
dwaas, gek, nietwijs. |
| Sjow, zie sjaaw. |
| Sj'toes, sjtos
(Nhebr.): dwaasheid, pret. Zie sjoute. |
| Sjtop: dat gaat zoo niet in
de hop en de sjtop, in der haast, in de gauwigheid. |
| Sjweer: in de
Joodsche volkstaal (Mhd. swëher (Schwiegervater)): schoonvader.
Schwieger. |
| Sjwiegerte (met den vrouw. uitgang -te): schoonmoeder
cf. rebbetseente, sjochente, patjoorente. |
| Sjweien, in de Joodsche
volkstaal (Mhd. swëhen): verzwageren, aanhuwelijken. Vandaar gesjwei: door
aanhuwelijking verwant, in 't bijzonder schoonzuster of schoonbroeder. |
|
Sjweilim, zie sjofel. |
| Sjwoeës. Zie sjewoeous. |
|
Sjwoeo (sjeboea) (Hebr.): eed. |
| Skorem: schooier, uitvaagsel.
A'damsch schoorm, schorriemorrie. |
| Smoesjes, zie sjmoeo. |
|
Snoge (Ptg. Isr.): synagoge. Ptg.: esnoga. |
| Sod (soud)
(Hebr.): geheim, geheimzinnige zaak. |
| Soebieren (Ptg. Isr.):
aangenomen worden. Zie mitswo. Van Ptg. subir: bestijgen (nl. de tebah). |
|
Soede, verkort van se-oedo (seoedoe) (Hebr.): maaltijd, in 't bijzonder
feestmaal. |
| Soeko (Hebr.): loofhut. Meerv. soekous, soekes:
loofhutten. Vandaar naam van het Loofhuttenfeest (omstr. Sept.-Oct.).
Spreekwoordelijk: na soekous komen de esrougim: na het loofhuttenfeest komen de
cederappelen (zie Ethrog). D.w.z. mosterd na den maaltijd. |
|
Sôf (Hebr.): einde. En-sof: de Eindelooze, in de Theosophie vaak
gebruikt als naam van God. (En of Ein, Hebr.: geen). Een sof innemen, uitdr.
meestal in ongunstigen zin, van iemand wiens loopbaan slecht eindigt. |
|
Soton, soten (satan) (Hebr.): lett. de hinderaar, tegenstander, de booze
geest. Ons satan. |
| Soucher, souger (Hebr.): koopman. Meerv. sochrim.
Ook in den zin van ons kwant, klant, b.v. een aardige soucher. |
|
Soufer (sofer) (Hebr.): schrijver. In 't bijzonder Wetschrijver, iemand,
die zich met het schrijven van Hebr. wetsrollen (Thorarollen) bezig houdt. |
|
Soumeck (Hebr.): steunend, vertrouwend. Zich op iemand soumeck zijn: op
iemand vertrouwen, op iemand steunen, |
| Soune, Sounei (soneh) (Hebr.
tegenw. deelw. van saneh: haten): vijand. |
| Stokhade (Ptg. Isr.):
steek onder water. Ptg. estocada. |
| Stripade (Ptg. Isr.): doodelijk
vermoeid, uitgeput. Ptg. estripado: wiens ingewanden er uit gehaald zijn. |
|
Swore, verkort van seworo (sebarah), (Nhebr.): logische redeneering,
syllogisme. |
| Taäm, tangam (Hebr.): smaak, gevoel.
gewaarwording; vandaar ook verstand, geest. Spreekwoorden: het geeft geen ta'am
en geen reinach: het heeft geen smaak en geen geur, niets aantrekkelijks; het
is noch geestvol, noch boeiend. Hij heeft geen taam en geen gein: van iemand,
die niet aardig, niet geestig, die vervelend is. Vandaar ook: een ontaäm:
een vervelend en niet aantrekkelijk persoon. Ook reden, motief; zonder eenige
ta'am: zonder eenig motief. |
| Taare, zie Taharoh. |
|
Tabbaäs (tabba'-ath) (Hebr.): ring. |
| Tachanoen (Hebr.):
smeekgebed. Be-tachanoenim tot iemand komen: smeekend zich tot iemand wenden.
Als term duidt het aan het dagelijksche smeekgebed der Israëlieten in de
ochtend- en middag-liturgie der gewone werkdagen. |
| Tachlies
(tachlieth) (Hebr.): lett. volein- |
| | | |
| ding, voltooiïng,
vervolkomening. In het Nhebr.: einddoel, bestemming, vaste toekomst. |
|
Tachrichin (Chald): kleederen, omhullingen. In Talmudisch taalgebruik,
en vandaar ook in de Joodsche volkstaal bepaaldelijk doodskleederen; de
gewoonlijk van wit linnen of katoen vervaardigde kleederen, waarin het lijk na
de ritueele reiniging (zie Taharoh) wordt gehuld. |
| Taharoh, taare,
taire (taharah) (Hebr.): reiniging, reinheid. Als term duidt het aan: de
ritueele reiniging, wassching van een lijk volgens Israël. godsdienstige
voorschriften en gebruiken. |
| Takkief (Chald. en Hebr.): machtig,
invloedrijk. Vandaar spreekw.: takkief bij iemand zijn: invloed hebben, gaarne
gezien zijn, intiem zijn. |
| Tal (Hebr.): dauw. Tefillas-tal, het
gebed om verfrisschenden dauw, dat op het Paaschfeest wordt uitgesproken.
Tal-bensjen: de zegenbede uitspreken (zie Bensjen). |
| Talles, van
Hebr. Tallies (tallith): kleed. Als term duidt het aan: het vierhoekig
godsdienst-kleed met de ‘franjen’ of
‘aanschouwingsdraden’ (zie Tritsies), waarmee de Israëlieten
bij hun ochtendgebed en andere plechtigheden ter Synagoge zich omhullen. |
|
Tallith, Tallies zie Talles en Thalet. |
| Talmied (Hebr.):
leerling. Talmied-chochom (Talmied-chacham): lett. wijze leerling, duidt als
term aan: een geleerde op het gebied van Joodsche, Rabbijnsche, Talmudische
wetenschap. |
| Talmud tora (Hebr.): leer van den Talmud. |
|
Tarfoes zie Tereifo. |
| Targoem (Chald.): vertaling of Targum,
de Arameesche of Chaldeeuwsche vertaling van den Pentateuch door den Rabbijn
Onkelos, bijgenaamd Hagher (2e eeuw n. Chr.). De Targumin (mrv.)
zijn de verschillende Chald. vertalingen en paraphrasen van de Bijbelboeken,
ten deele reeds vóór Chr. aanwezig. |
| Tarjag, woord, in
de Rabbijnsche literatuur gevormd, voor de getallenwaarde: Taw, Resj, Jod,
Gimel: 613. Dit woord wijst op de 613 geboden en verboden, in den Pentateuch
vervat: Tarjag Mitswous (Mitswoth: geboden). |
| Tébah zie
Teiwoh. |
| Techi-jo (techija) (Hebr.): herleving. Techijas hameisim
(Techyath haméthim): opstanding der dooden. |
| Techinno
(Tecchinna) (Hebr.): smeekgebed. |
| Techoem (Chald.): grens,
begrenzing. Als term duidt het buiten het bebouwde stadsgedeelte de grens aan,
die de Israëlieten op hun Sabbath niet mogen overschrijden. |
|
Tefillin (Nhebr.)(afgeleid van Hebr. tefillah: gebed): de gebedsriemen,
of eigenlijk de in capsulen gelegde perkamentstrooken, die de Israëlieten
bij het ochtendgebed aan hoofd en linker-bovenarm leggen, als sacramenten en
symbolen, dat de inhoud der op die perkamentbladen geschreven geloofsbelijdenis
hoofd en hart moge doordringen. |
| Tefillo (tefilla) (Hebr.): gebed.
Vandaar ook het gebedenboek. Het woord wordt in de volkstaal verkort tot
tfille. (Niet te verwarren met tefillin, z.a.). |
| Tefiso (tefisa)
(Hebr.), (van tafoos: grijpen, vangen): gevangenis. |
| Tehillîm
(Hebr.) (lett. psalmen, lofliederen): naam voor het boek der psalmen. In de
volkstaal vaak verkort tot tillem. Tillem zeggen: psalmen reciteeren. Dit
geschiedt vaak bij wijze van gebed of voorspraak. Vandaar: tillem voor iets
zeggen: gebeden opzenden voor het welslagen van iets. |
| Teiere zie
Taharoh. |
| Teikef (van Chald. tekef: plotseling): Rabbijnsch woord,
dadelijk, onmiddellijk. Teikef oe-mijad: dadelijk en terstond. |
|
Teiwoh (Téba) (Hebr.): kist, ark, kast. Als term duidt het aan:
de H. Ark des Verbonds of de gewijde kast, waarin in de Synagoge de Wetsrollen
staan. |
| Teki'o (Teki'a) (Hebr.): een der toonvormen van het
bazuingeschal op den Israël. Nieuwjaarsdag; van Taka: trompet- of
bazuingalm geven. De beide andere toonvormen heeten Teroe'a (: alarmtoon) van
roe-a: jubelen, alarm maken, en Sjebarim: gebroken toon (van sjabar: breken).
De persoon, die het bazuinblazen verricht, heet dan ook: Tokea': |
| | | |
|
de bazuinblazer of Baäl tokea' (Baäl: de heer, de man, bij wien het
behoort). |
| Tekoefo (Tekoefa) (Hebr.): lett. tijdsomloop; loop van
een jaarkring. Vandaar, als term, voor de zonnewendingspunten (quatember of
quatertemper), die het zonnejaar in 4 deelen verdeelen, tijdpunt waarop de zon
treedt in het sterreteeken van den Ram (Lente), de Kreeft (Zomer), de
Weegschalen (Herfst) en den Steenbok (Winter). |
| Tenai (Nhebr.):
voorwaarde. 'Al tenai: onder voorwaarde. Meerv. Tenoïm (Tenaïm)
voorwaarden. Tenoïm schrijven: een akte van overeengekomen voorwaarden
schrijven. In 't bijzonder komt dit bij de verlovingen voor. |
|
Tenoe'o (Tenoe'a), mrv. tenoe'ous (tenoe'oth) (Hebr.): vocaalteekens
onder of boven de letters geplaatst. |
| Teraphîm (Hebr.):
huisgoden, Lat. penates, welker dienst onder oud-Israël van de Arameesche
stamvaderen afkomstig, bij de Israëlieten hier en daar in zwang
bleef. |
| Tereifo (Hebr.): lett. verscheurd. Vandaar als term bij
slachtvee: wegens ongesteldheid voor Israël. gebruik ongeoorloofd. Vandaar
in de Joodsche volkstaal bij iedere spijze van welken aard ook, die niet
beantwoordt aan de Joodsch ritueele eischen: ongeoorloofd voor Israël.
gebruik. Het daarvan gevormd substantief tarfoes, duidt aan ongeoorloofde
spijzen. |
| Terra santa (Ptg. Israël.): heilige aarde voor
ritueele begrafenis. |
| Tes (teth): negende letter van het Hebr.
alphabeth, overeenkomend met t; getalwaarde 9. |
| Tesjnath
Israël: hulp van (of voor) Israël. Van deze vereeniging waren in
1886 in de prov. Groningen, 101 leden uit de Israël. gemeente lid.
Tesjoegna (Hebr,): hulp. |
| Tewang (Téba), vaak in de volkstaal
verkort tot tewe, (Nhebr.): natuur, geaardheid, karakter. |
| Tewielo
(tebiela) (Hebr.) (van tabol: indoopen, baden): indompeling, bading, het nemen
van een ritueel voorgeschreven bad. |
| Tfille zie tefilloh. |
|
Thalet: bij de Israëlieten een bidkleed, soms van witte zijde met
geborduurde hoeken en Spaansche kant. |
| Thora, Tauro, Toure: De wet
van Mozes. Bij taures Mausje: bij de wet van Mozes. |
| Thora-rollen:
wetsrollen, bewaard in de Hechal. |
| Tinnef (van Hebr. en Chald.
tannef: bezoedelen): iets wat bezoedeld is; vandaar in het algemeen: rommel,
waardeloos geworden zaken, vuil geworden goed. |
| Tippelen (Joodsche
volkst.): struikelen, over iets vallen, vallen. (Waarschijnlijk van Hebr.
tippal: gij valt, van naphal: vallen). |
| Tisjo-beaw, Tisje-bëof,
Tisjebof (tisja-beab) (Hebr.): de negende (dag) in (de maand) Ab (omstr. 15
Juli-15 Aug,); vastendag wegens de verwoesting van den Tempel te Jeruzalem op
dien datum. |
| Tisri, Tisjri: een maand der Joden; op den
3den dag er van (in Sept. of Oct.) valt de Joodsche vastendag; zie
Gedalja. In den lateren Joodschen kalender komt Tisri, evenals bij de
Syriërs, als de eerste maand des jaars voor. |
| Todiske, Tedeske,
Tudeske (Ptg. Isr.): scheldwoord voor de Hgd. Joden. |
| Toem'oh
(toem'ah) (Hebr.): onreinheid, verontreiniging. Zie Tomei. De volkstaal past
dit woord ook in geestelijken zin toe op slechtheid, verkeerde wegen, zaken die
tot afval verleiden. Van een verworpeling of een diep afvallige wordt gezegd:
hij is een awi-awous-ha-toem'oh: vader der vaderen van onreinheid: zelf
verdorven en anderen verdervend. Deze term is ontleend aan de Rabbijnsche
terminologie. |
| Toew (Hebr.): goeds; kol toew: alle goeds, al wat
wenschelijk is. Zie tof en touw. |
| Tof, towwe zie touw: goed. |
|
Tofeil (tafeel) (Nhebr. vaak verkort tot tofel): het bijgevoegde.
Vandaar in het algemeen: bijzaak (in tegenoverstelling van 'ikkor:
hoofdzaak). |
| Tofoes (Hebr.): gevangen (van tafoos: grijpen, vangen).
Tofes zitten: gevangen zitten. |
| Tohoe-wabohoe (Touhoe wowouhoe)
(Hebr.): woest en ledig. Een aan Gen. I.: 2 |
| | | |
| ontleende uitdrukking
om een chaotischen toestand, een toestand van verwarring aan te duiden. |
|
Tom (Hebr.) (tam): letterl. volmaakt, schuldeloos. In de Joodsche
volkstaal meer in den zin van: eenvoudig, geduldig, goedig; hij is een iesj
tom: hij is een goede sul, letterl. een braaf man. Hebr. tôm beduidt
rechtschapenheid, enz. |
| Tomei (tomee), vaak verkort tot tome,
(Hebr.): onrein; vooral omtrent ritueele onreinheid (b.v. van iemand, die zich
des ochtends na het opstaan nog niet gewasschen heeft). De vrouwelijke vorm
temeioh (Bargoensch temeie): een onreine, duidt in de volkstaal aan: eene
ontuchtige en publieke vrouw. |
| Tomerniks: in de Joodsche volkstaal
zooveel als òns kruidje-roer-me-niet; gezegd van iemand, die zeer
gevoelig, al te fijn voelend, spoedig geraakt is. De uitdrukking berust op het
Duitsche thu-mir-nichts. |
| Tommer eigenlijk toumer (Hebr.) (letterl.:
gij zoudt kunnen zeggen): misschien. Van Hebr. amar (zeggen), 2 pers. fut. |
|
Tooches (afgeleid van Hebr. tachas, tachat: onder): eig. het onderste.
De volkstaal duidt met dit woord aan: het achterste, het achterdeel. Hieruit
Bargoensch: tokus. |
| To-oes (ta-oeth) (Nhebr.): fout, dwaling,
vergissing; zie Tou-eh. Meerv. To-i-jous, Ta-i-jotte: fouten, dwalingen,
vergissingen. |
| Toow: laatste letter van het Hebr. alphabet,
overeenkomend met th. (of, zonder Dages lene, in de uitspraak der Duitsche
Israëlieten, met s). De getalwaarde is 400. |
| Toroed (Nhebr.,
van Hebr. tarod en Chald. terad): steeds voortbewogen, voortgedreven, vandaar
in de volkstaal: sterk bezig gehouden, geheel in beslag genomen. |
|
Touchocho (tochacha) (Hebr.): bestraffing, berisping. Iemand touchocho
zeggen: tot iemand bestraffende, vermanende woorden spreken. Zie Mouchiah. Als
term duidt touchocho, toucheche een der beide boetredenen aan Lev. XXXIII.: 14
v.v. en Deut. XXVIII.: 15 v.v. |
| Tou-eh (to-ek) (Hebr.): dwalend,
vergissend. Zich toue zijn: zich vergissen, in dwaling verkeeren. |
|
Touhoe zie tohu. |
| Toumer zie tommer. |
| Toure zie
thora. |
| Touw (tof) (Hebr.): goed. Mazzel touv (Mazol tóf):
goed gelukt! gewone gelukwensch bij heugelijke omstandigheden. |
|
Touwelen, verhollandscht van het Hebr. werkw. towoul (tabol): indoopen,
indompelen, baden. Het wordt gezegd van den Joodschen ritueelen plicht om
nieuwe aarden, glazen, metalen vaatwerken, voor spijs of drank te gebruiken, in
water te dompelen, voordat men ze in gebruik neemt. |
| Tsa'ar (Hebr.)
(in de volkstaal verkort tot tsaar): smart, droefenis. |
| Tsaddik
(Hebr.): rechtvaardige, vrome, echt godsdienstige man. Meerv.
Tsaddikîm. |
| Tsedoko (tsedaka) (Hebr.): lett. deugd,
rechtvaardigheid. In de Rabbijnsche literatuur en in de volkst. kreeg dit woord
de bepaalde beteekenis van: weldadigheid, gaven aan armen. Een
baäl-tsedoko: een man die zeer weldadig is, vele behoeftigen steunt. |
|
Tseilem (tselem) (Hebr.): beeld, afbeelding. In de volkst. ook als
aanduiding van kruisbeeld, kruis. In het kaartspel: klaveren (verg. het
Duitsche: Kreuz.). |
| Tsnioes (tsenioeth) (Hebr.): ingetogenheid,
kuischheid. In het bijzonder devrouwendeugd van kuischheid en ingetogenheid.
Het ritueel symbool daarvan is de haar-toer of andere bedekking, waarmede een
Joodsche gehuwde vrouw haar hoofdhaar omhult. Vandaar: zij gaat bi-tsenioes:
zij gaat met het zinnebeeld der kuischheid; gezegd van een Joodsche vrouw, die
dezen plicht naar behooren in acht neemt. |
| Tsewo-oh (tsewa-ah Nhbr.)
(van het Hebr. tsiwa: gebieden): gebiedenis. In het bijzonder: de door een
overledene nagelaten beschikking. |
| Tsibboer (afgeleid van het Hebr.
werkw. tsabar: ophoopen, in het Ohebr.: hoop, ophoopíng. In het Nhebr.
en vandaar in de volkstaal: de gemeenschap, de gemeente, de verzameling van
gemeenteleden. |
|
| | | |
| Tsitsies (Hebr.): letterlijk het helder
zichtbare; het duidelijk aanschouwde. Als term duidt het aan de
aanschouwingsdraden aan het vierkant kleed, dat de Israëlieten vooral ook
ter Synagoge dragen. Zie Talles. |
| Tsoro (tsara) (Hebr.): onheil,
ongeluk, vandaar ook smart. Zie tsa'är. |
| Uriël, uit Hebr.
oor (licht) en eel (God); dus vlam of licht Gods. Volgens de Joodsche
engelenleer een der zeven hoofd-engelen. |
| Vapores (Ptg. Isr.):
dampen. De vapores stijgen me naar 't hoofd. Ptg. vapores. |
| Vater
Jisrôeil (Jdd.): uitroep van verwondering; vgl. ons: God in den
hemel! |
| Vau of Waw: 6e letter van het Joodsche
alphabet, overeenkomend met ónze V en W. Hebr. vav: spijker, haak, naar
de gedaante dezer letter in het oude alphabet. De getalwaarde is 6. |
|
Verchasmenen (verhollandscht uit Hebr. chousom, chotam: zegel):
verzegelen. |
| Vermasseren: verhollandscht uít Hebr. masar:
overleveren, vooral in den lateren ongunstigen zin van verraden, iemand
aangeven. |
| Vermeinseren (verhollandscht uit Hebr. maäser, ook
uitgesproken meinser in de Joodsche volkstaal: vertienen, een tiende deel van
iets (winst, erfenis, inkomsten) voor liefdadige doeleinden bestemmen. |
|
Versjwartsen (Jdd. en Mhd.): vervloeken, verwenschen; versjwartster
narr: verwenschte dwaas. |
| Versjteeren (Jdd.): voor storen, van
(zer)-stören. |
| Vietse fonne: duidt in de Joodsche volkstaal
iemand aan, die belachelijk fijngevoelig en kleinzeerig is. Vietse is
Bargoensch. |
| Voorbrooche: de zegen voor de lezing uit den
bijbel. |
| Votse kapore!: In de Joodsche volkstaal z.v.a.: hoe akelig!
hoe afschuwelijk! hoe weerzinwekkend! Of het samenhangt met kaporo, kappara, is
onzeker. |
| Vreugde der wet: Israëlietische feestdag in October,
jaarlijks gedurende één dag gevierd ter herinnering aan de
herstelling van den Levitischen eeredienst onder hun voorgeslacht, na de
Babylonische ballingschap, volgens Nehem. XII. 44. |
| Waddai (Hebr.):
zekerheid; in de volkstaal verkort tot wadde. Vandaar bewadde: met zekerheid.
Awadde,: voorzeker, zonder eenigen twijfel. Beide woorden worden ook wel
ironisch gebezigd, zooals vaak óns welzeker! |
| Wajeilech
(Hebr.): en hij ging. Van iemand, die zich uit de voeten maakte, wordt soms
gezegd: hij is wajeilech. |
| Wajikro (Hebr.): en Hij riep, naam van
het derde boek van Mozes, naar het beginwoord. Dus ook de naam der eerste
afdeeling uit dit boek, naar hetzelfde beginwoord. |
| Waw zie
woow. |
| Widdoei (Hebr.): belijdenis. Den widdoei zeggen: het
formulier der zonden-belijdenis uitspreken, hetzij in stervensnood of op den
grooten Verzoendag. |
| Woow, Waw: zesde letter van het Hebr. alphabet,
overeenkomend met w; getalwaarde 6. |
| Zaïn: zevende letter van
het Hebr. alphabet. Hebr. zajin. |
| Zechoes (zekoeth) (Nhebr.):
verdienste. In het bijzonder: de edele vrome daden van afgestorvenen, waarvan
de verdienste geacht wordt, zegen te brengen aan hun nakomelingen. |
|
Zehoew (Nhebr.) (van het Hebr. zahab: goud): een gulden muntstuk. Meerv.
zehoewîm. Een Nederl. gulden wordt daarmee aangeduid, zie zoef, daarvan
bargoensch soof (vgl. blz. 141). |
| Zeiwel (van het Chald.
zébel: mest, drek), in de volkstaal gebruikt in den zin van drek,
voddegoed. Vandaar een werkwoord: ìemand bezeiwelen: iemand tot het
inkoopen van voddegoed overhalen, iemand voddegoed aansmeren. |
|
Zemirous (zemiroth) (Hebr.): gezangen. In het bijzonder de Hebr.
godsdienstige tafelzangen bij de Sabbathmaaltijden. |
| Zenoes
(zenoeth) (Hebr.): ontucht, zedeloosheid. |
| Zickrounou liwrocho
(Hebr.): zikrono |
| | | |
| libracha,: zijne nagedachtenis zij ten zegen.
Uitroep vaak gevoegd bij den naam eens overledenen van vromen levenswandel.
Vgl. Zikkoroun. |
| Zikkoroun (zikkaroon) (Hebr.): herinnering,
gedachtenis, memorie, geheugen. |
| Zoken (zakeen) (Hebr.): een oud
man, een grijsaard. |
| Zoef (Hebr.) (sohow: goud): gulden, mrv.
zoeven. Vgl. Zehoew. |
| Zouleil we-souwei (vgl. Zehoew) (Hebr.)
(zoleel wesobee): een vraat en een zuiper. Deze uitdrukking dient vaak tot
kenschetsing van een zinnelijken verkwister, slemper en brasser. |
|
Zouno (zona) (Hebr.): ontuchtige vrouw, lichtekooi. |
Na deze niet onbelangrijke lijst van woorden en uitdrukkingen der
Joodsche taal, geef ik nog eenige citaten uit:
A.B. Kleerekoper:
Zionistisch Schetsboek, Bussum 1907, niet omdat wij
daarin karakteristiek Joodsche woorden tegenkomen, maar om den ietwat zwoelen
Israëlitischen, geest, die ons er uit opwaait.
| |
Koningin sabbath.
Toen Vrijdagmorgen de ochtendzitting was afgeloopen, was het voor
dien dag gedaan. Zelfs om te vergaderen en te beraadslagen over de heilige zaak
des volks, ontbrak de tijd. Er moesten toebereidselen gemaakt worden voor den
gróóten dag der week: De zegewagen van koningin Sabbath was in
aantocht, en voor háre wijdingsvolle ontvangst moest alles gereed
zijn.... - Koningin Sabbath.... gij liefelijke bruid van Juda, zonnestraal in
de duisternis der ballingschap, wier intrede blijdschap brengt, en gouden glans
toovert in de vunze woninkjes der armen van 't Oosten.... hoe zal ik u
beschrijven voor den westerschen lezer, opdat hij wete, hoe lieflijk uw
aanschijn is, en welk 'n zoete troosteres gij door de eeuwen heen voor uwen
somberen bruidegom Israël zijt geweest? - Zijt gij het niet, die aan het
einde der lijdensweek binnenkwaamt in het Ghetto, om het te maken tot 'n burcht
van geluk en vrede? Zijt gij het niet, die opgejaagden zielen rust gaaft en
lafenis, en den bedelaar tot 'n koning maakte, tot in den avond uw rijk weer
uit was? Zijt gij niet het licht der ballingen geweest en was niet uw lied zoet
als het manna, dat uwen bruidegom tot voedsel strekte in de woestijn? - En
zingt niet gansch het volk u tegen: ‘Kom dan in vrede, gij, die de kroon
zijt van uwen echtvriend, kom in vreugde, kom in wonne; te midden der getrouwen
van 't uitverkoren volk, kom dan bruid! ja kòm dan, Bruid!’
Om 't hemelsch medelijden, dat in uwe oogen is; om de vreugde van
uw stille oppermacht; om het geluk en de weelde die gij met u voert en om u
strooit, heb ik u lief. Geen ziel is zóó bedroefd, of uwe komst
brengt vertroosting. Geen huisje zoo nederig, of uwe tooverhand herschept het
tot 'n paleisje van huiselijken vrede. Geen Jodenwijk zoo nauw, of uwe stralen
dringen er door, en waar gij zijt daar is uw luister alom.........
Denk ik aan u, zoo herrijst het beeld der kinderjaren voor mijne
oogen. We zijn allen klein weer, de kinderen van ons gezin. En we zitten om den
blank-gedekten Vrijdagavonddisch. En we zingen het liedje van den rustdag. -
Het is 'n beurtzang. Nu klinkt de diepe stem van den vader, en de heldere
kinderstemmen antwoorden in de litanie. En steeds weer verheugt ons het verhaal
van den armen Jozef, die háást geen geld had, maar toch uitging
om een visch te koopen ter eere van de Sabbath, wier intrede hij feestelijk
vieren wilde. Want hij was 'n godvruchtig man, maar zijne zorgen waren vele. En
hij kwam thuis met zijn visch, en sneed dien open, en in de ingewanden school
een diamant, zóó kostbaar, dat het uit was met zijne zorgen. Dat
was de belooning van de goede koningin Sabbath... En iedere week opnieuw roerde
dat vriendelijk verhaal mijn kinderhart, en ik was u zóó
dankbaar, omdat gij den armen Jozef uit zijnen nood hadt verlost. Want ik had,
zoo oud als ik was, zoovele zwervende Jozefs gezien, die hulp en steun kwamen
vragen aan de deur | | | | mijns vaders, Ach, koningin Sabbath, waarom
verbergt gij geene edelsteenen meer in de spijzen der Joden van het Russische
rayon................
En vertelde het lied niet van den bruisenden bergstroom Sambatjon,
die ergens in de wereld is, héél ver, verder nog dan het dal van
Jehosapath; eene rivier, die àltijd golft en kookt, en met geweldige
kracht schuurt langs de bedding. Maar als op Vrijdag de zon ter kimme neigt,
komt koningin Sabbath aangevaren in haar blanke gondel, en de golven leggen
zich, en het water stroomt niet meer tot de volgende avond valt....
En gaan niet de twee engelen des Heeren, de engel van het goede,
en de engel van het kwade, langs de huizen, en beluisteren de Sabbathbede, die
overal weerklinkt. En de goede engel lacht stil van tevredenheid, en zegt
fluisterend; ‘Amen. “Amen.” Maar de engel van het kwade kijkt
somber als immer, en slaat zwijgend het schouwspel gade. De vader heft den
beker wijn op, en dankt den Schepper der wereld, die rustte op den zevenden
dag, en dien heiligde, tot gave van liefde en genade voor Zijnen uitverkoren
Zoon. De booze engel zwijgt.... De vader breekt de brooden, en wijdt ze, als
hemelsche spijze voor den rustdag. De booze engel zwijgt, maar er is aarzeling
in zijn starren blik. Het licht van de Sabbathlamp blinkt fel in zijne
demonische oogen, maar toch, hij zwijgt.... Dan vangt het gezang aan, het lied
van de Sabbath, het zonnelied der ballingschap, en het vraagt om verlossing,
eindelijk, uit den langen druk.... De booze engel geeft zich gewonnen, hij
weent in stilte, en stamelt: ‘Amen, Amen....’ ..............
En vanmorgen zijn vele van de congressisten naar de synagoge
geweest, en het was een luisterrijke dienst. De Joodsche godsdienstoefening is
voor den buitenstaander onbegrijpelijk en verward. Nog heugt mij mijne
verbazing, toen ik als kleine jongen eens op bezoek was bij 'n vrindje, en in
de huiskamer met z'n broertjes en zusjes aan 't spelen was. Wij overlegden een
nieuw spelletje, en we spraken natuurlijk allen tegelijk. Toen zei vermanend de
vader: ‘Stil jongens! Je bent hier niet in 'n Jodenkerk’. Het was
m'n eerste ontmoeting met deze uitdrukking, en het sloeg mij met pijnlijke
verwondering. Deed dan lawaai aan ònze kerk denken, waar alles zoo mooi
en heilig en vreedzaam was? En toch, de vader was 'n geléérd man,
en hij kon zoo iets zeggen?.... 's Middags ben ik bij mijn vader om uitlegging
gegaan. Hij zeide het groote woord van uitstel, dat zoo dikwijls de beproeving
is der kinderen: hij zeide ènkel: ‘Later, later....’ - Hij
had gelijk: later heb ik veel begrepen, en veel geleerd omtrent de beteekenis
van expressies als deze. En hoe méér ik leerde, hoe meer pijn het
deed. Dit woord van den Koning-wijsgeer blijft het eeuwige adagium van den
Jood, die levenservaring opdoet.............
Wij waren dan vanmorgen in de groote synagoge te 's-Gravenhage, 'n
gebouw, dat bijna tweehonderd jaren oud is. Vooral de Heilige Arke is bijzonder
fraai van lijnen en kleur. De congrespresident, en de president der orthodoxe
groep ‘Misrachi’, en vele Zionisten uit verschillende landen waren
aanwezig. Men had plaatsen voor ons gereserveerd. Toen zag men den leider der
beweging Wolffsohn de trappen der Heilige Arke bestijgen. Hij kuste de deuren
van het heiligdom en opende ze. De slanke figuur, gehuld in witzijden bidkleed,
met zilver geborduurd, stond in het heiligdom, en de gemeente zong hem toe:
‘Want uit Zion komt de Waarheid, en het woord des Heeren uit
Jeruzalem....’ En het was mij, alsof dit nieuwe streven der Joodsche
natie en het aloude Heiligdom elkander nabijkwamen, en of uit die ontmoeting 'n
dankzegging geboren werd van 'n volk, dat eindelijk, eindelijk, zijne
verlossing tegemoet gaat. En vele Joden uit het Oosten traden aldus voor het
heiligdom, en zij offerden hunne gaven, elk naar de mate van zijn bezit, voor
de gemeente, en voor het Nationale Fonds, waarvoor eens Palestina's grond
teruggekocht zal worden! - En daarna las dr. Mirihower uit Rumenië het
wondermooie hoofdstuk van Jesajas, waarin voorzegd is, dat het volk des Heeren
zijn Verlosser zal zien | | | | van aangezicht tot aangezicht, als het
teruggaat naar het Land. En krachtig klonk de stem van den prediker, toen hij
in het zoetvloeiend Hebreeuwsch van Oud-Juda's grootsten dichter de belofte
las: ‘Hoe schoon zijn op de bergen de voeten des boodschappers, den vrede
verkondend, het goede voorzeggend, en plantend de hulpe, en zeggend tot Zion:
Uw heer is Koning.’ - Ik weet het wel, dat men sceptisch behoort te zijn
in onze dagen, en dat idealen uit den tijd zijn. Ik zie ze wel, die lachjes van
goedig medelijden om het naieve verlangen, dat uit deze woorden spreekt. Maar
ik voel tegelijk, dat 'n groote Idee hoogonaantastbaar staat boven de spotzucht
der kleine zielen, en dat de wedergeboorte van ons tranen-volk na twintig
eeuwen 'n eere is voor het Volk der Religie; dat deze herboren hope voor den
gevoeligen mensch is a thing of beauty and a joy for ever.... En aan het einde
van den dienst klonk de roepstem des voorgangers door het gebouw:
‘Priesters!’ Want de priesters, de Kohanim, de adellijke
afstammelingen van Aron, den Hoogepriester, moeten den zegen uitspreken over
het Volk. En daar naderden zij, de leden van het Priesterhuis, uit alle landen
tezaamgekomen, en zij spreidden de handen over de gemeente, en zegenden haar
als volgt: ‘De Heere zegene en behoede u! De Heere lichte Zijn aanschijn
u tegen, en zij u genadig! De Heere heffe Zijn aangezicht tot u op, en legge op
u Zijnen vrede’. - Zoo zijn de oude wetten gebleven, en haar poëzie
is ongerept tot op dezen dag. En waarom zou dan het Jodendom, óók
het geëmancipeerde van 't Westen, het doen zonder ethiek, zonder zijn oude
poëzie? Heeft niet elke Christen zijnen Kerstboom, zijn Oudejaarsavond, en
al dat schoone van het vriendelijke Christendom? - En zou dan de vrijdom der
Joden van het Westen beduiden, dat zij àl wat er mooi was en verheven in
het leven hunner vaderen, hebben te verwerpen als nutteloos? Zijn vrijheid en
proza identiek? Indien de Joden, die het Ghetto verlaten hebben, de schoonste
levensdingen daar achterlieten, dan wijst onze hand gebiedend naar de verlaten
huizen der vaderen, en onze mond zegt: ‘My heart is in the coffin
there....’ - Onze taak is hooger, heiliger. Het Westen heeft ons
ontvangen in liefde, welnu, laten wij dan de samenleving betreden, niet met
leege handen, maar met ons voerend de ethiek, de levensschoonheid, het
zielsbegeeren onzer vaderen. Wij treden niet in de samenleving, àlles
vragend en niets gevend van het hoogere. Wij komen, en brengen ons kostbaarste
goed mede, tot zegen van alle menschheid. Wij zijn niet het volk van het
kasboek, maar van het Boek der Boeken, Biblia....
| |
Jaam un' cheires
Maar na 'n poosje bemerkte ik alras, dat er iets geheimzinnigs in
de sfeer was, en dat er 'n beweging ontstond in de richting van de hooge stoep
der veranda, hetgeen duidde op 'n verrassing, die aan mij (het zij hier
vertrouwelijk meegedeeld) niet volkomen onbekend was. En alras zag men mevrouw
Wolffsohn, naast haren echtgenoot, den leider der beweging, naar voren treden.
Zij hield 'n hartelijke rede, waarin zij namens ons allen aan den gastheer dank
zeide voor de gulle wijze, waarop deze huis en hof voor de leden van het
congres gedurende deze dagen had opengesteld. En zij eindigde met de
overhandiging van een schilderij van Jozef Israëls, namens eenige
afgevaardigden. - De heer Kann sprak 'n woord van hartelijken dank voor dit
blijk van genegenheid, en met den levensernst, die hem eigen is, kwam hij
aanstonds op de volkszaak, en zegde zijnen onvermoeiden arbeid toe aan de
beweging, welke hem tot haren voorman heeft gekozen. En dit woord lokte een
weerwoord uit van den president-zelf, een man, wiens speelsch vernuft en
dartele geest hem het spreken steeds gemakkelijk maken. Deze begon te
vertellen, hoe diep het hem getroffen had, toen hij voor de eerste maal dit
huis betrad, aan den ingang het Joodsche wapen te vinden, in welks midden een
steen uit Jeruzalem was gemetseld. Een zoo kostbaren edelsteen had hij hier
niet gezocht. Maar hij wist, gelijk Herzl het geweten had, hoe | | | | de
bewoner van dit huis zonder persoonlijke ijdelheid arbeidde voor de volkszaak,
met onbegrensde toewijding, gelijk ieder doet, die haar begrijpt, en haar naar
waarheid wenscht te dienen. Zulke mannen behoefde de leider, om den zegewagen
te voeren voor de poorte Zions.... - En na deze geestdriftige woorden, begon
het natuurlijk te regenen, gelijk het op 'n gardenparty in ons goede Nederland
betaamt, en vluchtte ieder naar binnen, waar het toen even druk als gezellig
werd. - Eenmaal binnen was men in de gelegenheid de vele schilderijen van
Joodsche meesters te bewonderen, welke in de vertrekken prijkten. En daar trok
het meest de aandacht het bekende schilderij ‘Saul en David’, van
Jozef Israëls, gelijk het ook in het Suasso-museum, te Amsterdam, is te
vinden. De meester heeft deze reproductie van zijn eigen stuk voor de bewoners
van dit huis geschilderd.... En toen ik heenging, zag ik met vreugde, hoe in de
vestibule een forsche Makkabaeënlamp prijkte, teeken van het strijdende
Jodendom, dat de zege bevecht, en het volk bevrijdt.... Tegen middernacht
keerde ik huiswaarts; althans ik had het voornemen, dat te doen. Maar onderweg
ontmoette ik den dichter Brainin en den schilder Pilichowski, twee kunstenaars
van het Oosten. Brainin, een groote, forsche man, met edel gemeten voorhoofd en
donkerbruine oogen, het gelaat omgeven door 'n wuivenden, zwarten baard. Hij
ziet eruit, precies als men zich het type van den Joodschen zanger der
ballingschap denken zou. De incorporatie van oosterschen weemoed, de schepper
van een lijderszang. Daarnaast de schilder van ‘De tocht door de
ballingschap’, kleine, bewegelijke figuur, met blinkende, zwarte oogen,
en een guitigen lach om den mond. Zij riepen mij in het voorbijgaan, en ik
vroeg hun, waar ze heen gingen in den laten, stormachtigen avond. - De dichter
zag mij lang aan, alsof hij doorgronden wilde, of ik hem, den Oosterling,
begrijpen zou.... - ‘Hören das Jam’ (luisteren naar de Zee)
zei hij enkel, den schilder onder den arm nemende.... - Wij liepen in stilte
verder, tot wij aan het strand kwamen. De maan brak even door de zwarte wolken,
en deed 'n schemerig schijnsel beven over de kokende golven. De windvlaag
gierde. De zee zong een geweldig lied, dat bruiste, en donderde. En met ons
drieën stonden wij te staren naar het machtige schouwspel. Geen van ons
zei wat. - Dat duurde een langen tijd. De schilder had zich op het duin gezet,
en tuurde, en tuurde. De dichter stond onbewegelijk, onbewegelijk starend naar
de zee. Ik-zelf was verloren in vreemde gedachten, staande tusschen twee
kunstenaars, die beiden hun werken scheppen voor een volksgemeenschap, die nog
niet is.... - ‘Brainin,’ zei de schilder ten slotte, en trok den
droomer bij den arm. - Maar deze stond onbewegelijk.... -
‘Brainin,’ zei de schilder nog eens, ‘was suchst du da hinter
das Jam?’ - ‘Cheires’, zei de dichter. -
‘Cheires’, lezer! beteekent vrijheid....
Inderdaad dat zoekt AHASVERUS: bevrijding van den ban, die hem
drukt, van den vloek dien hij zelf op zijne schouderen heeft geladen, toen hij
het uitriep voor Pilatus: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen, toen
hij den Christus wegstiet van Sions erf. Maar ook mèt dien zwaren
schandelast beladen, wat een glorie nog in dien nooit stervenden, al maar
zwervenden heros, οἵτινές εἰσιν
᾽Іσραηλεῖται,
ὧν ἡ υἱοθεσία
καὶ ἡ δόξα και
αἱ διαθῆκαι
καὶ ἡ
νομοεσία
καὶ ἡ λατρεία
καὶ αἱ
ἐπαγγελίαι,
ὧν οἱ πατέρες,
καὶ ἐξ ὧν ῾Ο
ΧΡІΣΤΟΣ ΤΟ
ΚΑΤΑ ΣΑΡΚΑ, ῾Ο
῍ΩΝ ᾽ΕΠІ ΠΛΝΤΩΝ
ΘΕΟΣ
᾽ΕΥΛΟΓΗΤΟΣ
᾿ΕІΣ ΤΟΥΣ
᾽ΑІΩΝΑΣ, ᾽ΑΜΗΝ.
|
5)Es sei vermieden - fern von dir.
1)gim = mhd. gimme, nhd. Gemme.
4)haar vee geslacht van hebr.
sjâchat.
6)echt nl. rumoerachtig, elders bij Blitz
komen nog zwartachtig, steenachtig, aardachtig, sponsachtig voor.
8)Stechpfennig, tf voor pf ook
elders.
3)contaminatie uit nl. siersel en hgd.
Zierde.
7)algem. jdd. uit italiaansch latijn:
benedicere.
1)tot de vrees en liefde Gods.
2)de Heilige, hij zij geprezen.
8)hebben onze wijzen verklaard.
1)de Thora of wet van Mozes.
4)de heilige, hij zij geprezen.
6)van Genesis 1 tot Exodus Kap. 12.
10)het reeds genoemde werk van
Josippon.
13)De schrijver meende dat Josippon en
Flavius Josephus een en dezelfde persoon waren.
16)de wijzen der volken, dus de
niet-Joodsche geleerden.
18)uit niet-Joodsche geschriften.
20)het overblijfsel van Israël.
22)de verwoesting van het eerste huis (=
eersten tempel).
24)de stam Juda en Benjamin.
26)de schrijver van dit boek.
28)praatjes, geschiedenissen.
29)leugenachtige voorwendsels.
30)vele heilige gemeenten.
31)tot heiliging van den Goddelijken
Naam.
10)die hem profetieën
influistert.
12)Nazarener(s), Christen(en).
14)doodelijk kruid = vergif.
8)en zij verzwageren zich slechts.
15)zich niet verontreinigen.
20)de 24 (boeken van den bijbel).
23)Planeten of Dierenriembeelden.
7)Boek: Plichten der harten.
9)De heilige taal: Hebreeuwsch.
12)neiert, neiart = mhd. niewaere, nhd.
nur.
3)mhd. hînaht, hînet: dezen
nacht voor: heden.
4)hebr. genade en
goedwilligheid.
10hebr. böse Träume noch
Krankheiten.
3)hebr. de herbouw van den Tempel.
14)Onreine pannen worden
‘gekaschert’.
18)Trek 'n zwijn 'n haar uit.
20)Gebruik bij sterfgeval om de kleeren
stuk te snijden.
21)Zaliger nagedachtenis.
2)Christenen onder de Joden.
1)Op den grond zitten bij
sterfgeval.
1)Geloofd zij de rechtvaardige
Rechter.
1)Lijdend voorwerp met an gelijk in de
Jodenduitsche teksten.
1)Lijdend voorwerp met an. Men lette hier
tevens op het echte oude-vrouwachtige, te vergelijken met Deel I, blz. 542
vlgd.
1)Ressjaffen = rechtschapen.
1)Vrouwelijk van hourek; cf. Rebbetzeente
enz. Zie patjoorente in de woordenlijst hierachter.
1)Lijdend voorwerp met an.
3)Let op de vele Joodsche
vraagzinnen.
|
|