auteur: Leo Goemans
bron:
Leo Goemans, ‘Voortleven van verdwenen klanken in den Sandhi (Dialecten van Aalst en Leuven).’ In: Album-Kern. Opstellen geschreven ter eere van Dr. H. Kern, hem aangeboden door vrienden en leerlingen op zijn zeventigsten verjaardag, den VI. April MDCCCCIII. E.J. Brill, Leiden 1903, p. 317-320.
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2002 dbnl / Leo Goemans

|
|
| | | | | |
Voortleven van verdwenen klanken in den Sandhi.
| |
(Dialecten van Aalst en Leuven)
1).
Het is een gewoon verschijnsel in onze dialecten, dat zekere
auslaut-consonanten dan eens uitgesproken worden, dan weer niet, en dat daar,
waar ze wegvallen, hun invloed in den sandhi van den volgenden anlaut
desniettemin werkzaam blijft
2). Doch veel opmerkelijker is het feit, dat
zekere klanken niet alleen voor de uitspraak, maar ook voor het
spraak-bewustzijn in an- of auslaut verloren gingen, en, dat de zinphonetiek
nochtans dezelfde is gebleven, m. a. w. dat de sandhi-wetten, niettegenstaande
het te loor gaan in an- of auslaut van zekere klanken, ofwel niet toegepast
worden, waar men hunne werking zou verwachten, ofwel blijven gelden, alsof de
klanken nog werkelijk uitgesproken werden.
Vóor consonant luidt b. v. ons vrouwel. onbep. lidwoord
en, het onz. e: Leuv. en vrā eene vrouw,
e kind een kind; e kind komt van en kind
(vóór vocaal-anlaut wordt en behou den: en ues
een huis), en de nis hier verdwenen krachtens den algemeenen
sandhi-regel der onbetoonde lettergrepen, alwaar auslaut- en vóor
anlaut-consonant de n verliest
3). Waarom werd dezelfde regel niet op het vrouw. en toegepast
en zegt men niet e vrā zooals e kind?
Het antwoord ligt in den vroeger bestaanden vorm van 't vrouw.
en d. i. ene waar de eind-e de toepassing van den sandhi-regel
verhinderd en de n voor apocope gevrijwaard heeft. Later is die e
zelf weggevallen, doch hare phonetische invloed leeft voort in en
4).
Zoo verraadt soms de sandhi van eene anlaut-consonant een
verdwenen auslaut-consonant van het voorafgaande woord. | | | |
In de Aalstersche woordjes mé en ni met,
niet, wordt de eind-dentaal van den oorspronkelijken vorm nergens meer
gehoord. Nochtans, wanneer de anlaut van het daarop volgend woord eene voor
sandhi vatbare consonant is, zoo wordt die in de uitspraak gewijzigd alsof de
dentaal van mé en ni nog ten volle gearticuleerd werd:
mé hād met goud in plaats van mé
gād, ni hūd niet goed in pl. v. ni
gūd
1).
Het Leuv. mann. onbep. lidw. levert ons voor het besproken
taalverschijnsel een merkwaardig voorbeeld op. De uitspraak er van weifelt
tusschen enen (enem, ene), met zwakke anlaut e, en
nen (nem, ne). Vóor enen, enz. neemt de
voorafgaande auslaut den vorm aan, dien hij voor iederen vocaal-anlaut
aanneemt; vóor nen, enz. kan hij blijven zooals vóor
enen, ofwel uitgesproken worden als vóor een gewoon
n-anlaut, b. v.: Leuv. dū waz ene kie, dū waz ne
kie of dū was ne kie daar was een(en) keer (eens),
ik vrūg ene fran ik vraag eenen frank, ik
vrūg ne… of ik vrūh ne…, ik shr'ēv enem
brīf ik schreef eenen brief, ik shr'ēv nem… of
ik shr'ēf nem…, g éd enen ond gij hebt eenen hond,
g éd nen… of g ét nen…; naast ik
was nogal…, jū oh nie ja of neen, ik shr'ēf ner
ues… naar huis, g ét niks… niets.
De gang van het verschijnsel ligt duidelijk in de drie naast elkander levende
uitspraken besloten
2).
In verband met deze sandhi-werking staat die van de reeds lang
verdwenen articulatie der anlaut-h in zekere Leuv. en Aalst.
samengestelde woorden of uitdrukkingen, die als samenstellingen mogen aangezien
worden.
In den sandhi wordt h anlaut algemeen als vocaal-anlaut
behandeld: Ndl. de eer en de heeren luiden b.v. in Leuv. d
ier en d iere. Nu, vóor vocaal-anlaut veranderen de
auslaut-stemlooze spiranten in stemhebbende: f < v, h < g, s <
z, en de stemhebbende blijven staan: Ndl. ons hart luidt b.v. in
Leuven onz èt, enz. Toch zien wij dien sandhi-regel niet
toegepast in de volgende gevallen: Leuv. dahīr daghuur naast
v'ē nen dag īre voor eenen dag huren, ons ier ons
Heer naast onz iershap ons heerschap, uesāve
huis-houden naast en uez āve een huis houden,
uesīr huishuur naast en uez īre, vliesues
vleeschhuis, Vliesāvers Vleeschhouwers
(familienaam) naast vliez 'ēte vleesch eten; de woorden die in
't Ndl. op -heid uitgaan: woesoed wijsheid, enz. Waarvan
komt die schijnbare uitzondering op de gewone regels van den sandhi zooniet van
den oorspronkelijken spiritus asper, welke in zekere gevallen zijn
invloed op den voorafgaanden auslaut behouden heeft?
3)
De sandhi, door het Leuv. en Aalst. adv. en pronomen er
vóor zich bewerkt, verraadt daar ook eenen vroeger bestaanden
consonant-anlaut. Men zegt b.v. te Leuven és er is er,
was er, as er als er, dater dat er, water
wat er, gūter gaat er, géfter
geeft er, enz.; ik los er, éf er hef er, lah
er lach er, enz. die nooit vóor er een stemhebbenden
auslaut gedoogen; ik g'ēf er geef er, blūs er
blaas er, zūh er zaag er (naast g'ēv er,
blūz er, zūg er); ik w'ēs er wees er,
bl'ēf er bleef er, zah er zag er, gaf er
(naast w'ēz er, bl'ēv er, zag er, gav er). | | | | In al die
gevallen zouden wij vóor er uitsluitend eenen stemhebbenden
auslaut moeten verwachten. Men spreekt inderdaad uit: éz oe?
is hij? waz oe? was hij? dad és dat
is, wad és? wat is? gūd on gaat
aan (weg); ik loz af ik los af, év
up hef op, lag uet lach uit.
Luidde die er wellicht der - een vorm van 't adv. en
't pron. welke in vele gevallen voor er gebruikt wordt
1) - en is de sandhi-werking door de weggevallen
d van er veroorzaakt? Indien wij alleen te doen hadden met de
verbindingen water (= wat der wat er), enz., d. i. met de
gevallen van auslaut-t of -d + d, dan konden wij die oplossing
als gewettigd aanzien. Inderdaad d, t + d wordt in den sandhi t + t
< tt < t: dued dūn < dūe
tūn dood doen, enz.
2).
In andere gevallen nochtans, indien men aanneemt dat onze
Sandhi-wetten sedert de middeleeuwen niet van aard veranderd zijn
3), kan d-anlaut niet in 't spel zijn, dewijl zulke anlaut den
voorafgaanden stemloozen spirant-auslaut overal in eenen stemhebbenden wijzigt
en den stemhebbenden bewaart; ik bl'ēv der ik bleef er, ik
g'ēv der twie ik geef er twee, enz.
Het schijnt dus, dat men deze sandhi-effecten niet anders kan
verklaren dan met te veronderstellen, dat het adv. of het pron. of beide - want
tusschen twee door vorm en beteekenis zoo nauw verwante woordjes kan de
verwarring van ouds dagteekenen
4) -
toen ze de phonetische wijziging van den voorafgaanden auslaut deden ontstaan,
met stemloozen dentaal-anlaut uitgesproken werden. Dergelijk anlaut vinden wij
terug voor de partikel in het oude thar, voor het pronomen in den gen.
pl. van het oude demonstrativum ther.
Dezelfde Sandhi-verschijnselen veroorzaakt het enclitisch subject-
en object-pron. Aalst. en, Leuv. em (ook en alhoewel
minder en platter, en dan uitsluitend als subj.-pron. gebezigd). Het eenige
verschil in den sandhi tusschen dit voorbeeld en het voorgaand is dat de
dentaal van het pron. en, em nooit in eigen vorm in onze dialecten
verschijnt.
Ziehier de feiten voor 't dialect van Leuven: 't emphatisch
obj.-pron. ém wordt in den sandhi behandeld als een vocaal-anlaut
(ge gūd ém ūle) ge gaat hém halen
enz.), 't enclitisch obj.-pron. zelden als een vocaal-, bijna altijd als een
stemlooze consonant-anlaut (ge gūt em ūle). 't
Enclitisch subj.-pron. em, en (de m is oogenschijnlijk aan 't
obj.-pron. ontleend, en is de oude vorm) wordt altijd als een
stemlooze consonant-anlaut behandeld. Afgezien van 't obj.-pron. waarvan de
bespreking ons te verre zou leiden, zoo komen wij tot de slotsom in de Leuv.
Bijdr. omstandig door Prof. C. voor 't dialect van Aalst, door mij voor dat
van Leuven gemotiveerd, dat hier ook een stemlooze dentaal-anlaut in 't spel is
en dat wij den oorspronkelijken vorm van en in het oude demonstrativum
te zoeken hebben
5).
Wat er ook van zij, het schijnt mij genoegzaam bewezen, dat er in
beide dialecten | | | | zekere klanken in an- of auslaut uit de uitspraak
en zelfs uit het spraakbewustzijn verloren gingen, welke wij aan hunnen
voortlevenden phonetischen invloed kunnen erkennen
1).
Vanzelf dringt zich nu de vergelijking op tusschen deze feiten en
den voortlevenden invloed der F, b.v. in Homeros' taal. En 't is ons
toegelaten, bij het licht dat ze op een soortgelijk verschijnsel werpen, de
hypothese ten minste omzichtig te vinden, welke Monro in zijne Grammar of
the Homeric Dialect formuleert als volgt: ‘Another
supposition…. is that the words which originally had initial F
the ordinary effects of an initial consonant remained after the sound itself
was no longer heard’
2). Hij haalt de
Fr. voorbeelden le héros, la hauteur aan en zegt:
‘Similarly, then, it may be held that the facts of Homeric metre only
prove the habit or rule of treating certain words as if they began with
F’.
Niemand zal 't ontkennen, een groot gewicht hebben voor deze
hypothese de gevallen, die hooger besproken werden. Ze laten ons toe, de
bezwaren, die Monro zelf er tegen inbrengt, uit den weg te ruimen. Wanneer hij
b.v. aan de wettigheid van de vergelijking tusschen het geval van F en
dit van de Fr. h twijfelt en zegt: ‘Moreover the retention of a
traditional usage of this kind is very much easier in an age of
education’, dan mogen wij hem gerust stellen; immers onze tongvallen
worden noch geschreven, noch tot eenig letterkundig doeleinde gebruikt en zijn
er verre van af, een ‘age of education’ voor te stellen. Zoo is het
ook met een tweede bezwaar: ‘It seems difficult to believe that the
F would have kept its present place in the memory of the poets unless it
were familiar, either to the ear as a present sound, or to the eye as a letter
in the written text’. De feiten zelf weerleggen die meening. Het weifelen
van den invloed der F wordt zeer verklaarbaar, wanneer men nagaat, dat
b.v. de drie uitspraken dū waz ene kie,… waz
ne… en was ne…. naast elkander in dezelfde stad, ja,
door denzelfden persoon gebezigd worden.
Wat nu eindelijk de verlenging betreft door F in zekere
gevallen vóor zich bewerkt, niets m i. belet ons aan te nemen dat, bij
het verdwijnen der eigenlijke F-articulatie
3) deze zou overgegaan zijn in een van den voorafgaanden klank
moeilijk te onderscheiden geluid, dat alsdan verlengend zou gewerkt hebben, en
wiens invloed, na het totaal wegvallen van F, zou hebben voortgeleefd.
De verlenging vóor andere verdwenen klanken zou op dezelfde wijze kunnen
uitgelegd worden, met inbegrip van de 3 p. pl. der 2e tijden op
-ν (voor - ντ): εφχν
απιοντες, enz.
4).
Leuven.
Dr. LEO GOEMANS.
|
1)Taalverschijnselen als die welke hier ter
sprake komen zijn zeker aan vele, zoo niet aan alle Nederlandsche dialecten
eigen; doch ik heb mij bepaald bij de dialecten van Aalst en Leuven, waar de
feiten resp. door den H. Prof. Colinet en door mij waargenomen werden. In de
Leuvensche Bijdragen (1 ste jg. 1896: Het Dialect van
Aalst; 2 de jg. 1897: Het Dialect van Leuven) zijn ze
reeds, alhoewel niet in hunnen samenhang, behandeld geworden. - De spelling in
de dial. voorbeelden gevolgd is, zooveel mogelijk, die der Leuv. Bgdr.:
e is de onduidelijke vocaal, ook in de diphthongen (ie =
ië), u = nagenoeg korte oe, u = korte
ongeronde u, h = ch, n = ng.
2)Ndl. ze gaat uit luidt te Leuv.
ze gūd uet; ze gaat vallen ze gū falen
voor valen, zooals d uet falen dood vallen voor
d ued valen.
3)Cfr Leuv Bijdr. II, blz.
122
4)Daarom schreef Prof. Colinet
en(e), en nam ik voor mijn dialect die spelling over. - In
hetzelfde geval als het vrouw. en(e) verkeeren het negatieve
en(e) en het voegwoord én(e). Cfr. Leuv. Bijdr. I,
blz. 202; II, blz. 227.
1)Cfr. Leuv. Bijdr. I, blz. 198 en
volg. Te Leuven wordt de dentaal van die twee woorden behandeld als de
suffix-dentaal van het wkw. Ze blijft in pausa staan, onder den vorm t,
vóor vocalen wordt ze behouden en valt weg vóor consonanten,
zonder haar sandhi-effect te verliezen. Cfr. Leuv. Bijdr. II, blz 116,
226.
2)Cfr. Leuv. Bijdr. III, blz. 117 en
volg. De vorm ene is zeldzamer dan en. Het schijnt me, dat ik bij
voorkeur waz ne, enz. uitspreek; in alle geval het is zeker, dat ik, in
de verbindingen met oh of, uitsluitend og n…
articuleer: en vrā og ne man eene vrouw of
een( en) man; de veelgebruikte uitdrukking ne fran
ene kuepman een( en) frank een( en)
koopman Fr. un franc marchand, wordt nooit anders uitgesproken.
- Deze feiten doen zich in het Aalstersch taaleigen nagenoeg
op dezelfde wijze voor.
3)Cfr. Leuv. Bijdr. I, blz. 59, 192.
De spelling is aldaar dah(c)īr, ons(c)ier, enz. -
Wanneer de auslaut vóor h onbetoond is komt het verschijnsel niet
voor: Leuv. Brāverzues Brouwershuis, Aalst.
āmānekezo´s Oude-mannekenshuis, voor
Brāversues en
āmānekesoés.
1)Naast ik g'ēf er (g'ēv er) en al
de volgende, hoort men ook dikwijls g'ēv der enz. Na l, m, n
bezigt men insgelijks er of der: ik zal er of der,
ém er of der heb er, gon er of der
ga er, enz.
2)De vormen dater, water,
gūter, géfter behooren m. i. ontleed te worden als
da-ter; wa-ter gū ter, géf ter; cfr. da
me… dat wij…, wa blīft? wat belieft u?
enz.
3)‘Men moet in acht nemen, dat de
Mnl. spelling den sandhi, alhoewel gedeeltelijk en dikwijls inconsequent, toch
genoegzaam voorstelt om het toenmalig bestaan der tegenwoordige regels
waarschijnlijk te maken.’ Prof. Colinet, Leuv. Bijdr. I, blz.
185.
4)Te Aalst en te Leuven, zooals trouwens in
't Ndl., hebben adv. en pron. dezelfde vormen. - Wat al deze punten betreft,
alsook de vraag hoe de sandhi soms werkeloos is gebleven, zie de uitvoerige
bespreking van Prof. C. in de Leuv. Bijdr. I, blz. 184-190.
5)Leuv. Bijdr. I, blz. 190-193; II,
147-149.
1)Onder den titel Note sur les sons
disparaissants levert ons de H. Rousselot in de Rev. des Patois
Gallo-Romains. Patois de Cellefrouin, blz. 207 en volg., den werkwaardigen
uitslag eener mechanische proefneming op het woord 'āp = arbre
(in een Lorreinschen tongval, en het normale 'āp. Met het oor had hij
een zeker verschil tusschen beide uitspraken vernomen; met zijn phonetisch
toestel vond hij de reden van 't verschil. In 't normaal āp
gaan de trillingen der ā tot het aanvangen der p, in
'āp = arbre integendeel blijft er, tusschen de trillingen der
ā en de explosie der p, eene lijn zonder trillingen, die
de vroegere plaats der r aanwijst en in de uitspraak, volgens den H. R.,
waarschijnlijk een geluid verraadt. En de uitmuntende phonetist besluit met de
woorden: ‘Ainsi les lettres vivent encore lorsque nous les croyons mortes
et leurs derniers moments nous échappent comme leurs
premiers.’
3)‘La chute des consonnes n'est pas
un phénomène aussi simple que le mot semble le dire. Ce n'est pas
une chute à proprement parler, c'est un amuissement progressif dont on
ne peut suivre sûrement les étapes que là où il est
en train de se produire.’ Cfr. l'Abbé Rousselot, op. cit.
blz. 281.
4)Monro, op. cit. blz. 345 en
volg.
|
|