[p. 21]
De hond en de kat
[p. 22]
De hond en de kat.
Wel hoe blaft gij zoo, Kardoes?
Ha, 't is tegen onze poes.
Ze is u zeker weer ontloopen
En daar in den boom gekropen.
Nu, 't is goed, dat zij maar vlucht;
Want gij bijt haar soms geducht.
Poes bleef zitten op den tak,
Net als sliep ze op haar gemak;
Maar, toen vriend Kardoes ging loopen,
Deed zij gauw haar oogen open,
Sprong er af en liep naar huis,
Maar ving eerst op weg een muis.
[p. 23]
De Hond en de Kat
.