Eerst die reis. Er komt geen einde aan. Met Aeroflot naar Moskou, via Caïro naar Aden. Landerig rondhangen op vliegvelden en pas na dagen de eindbestemming, Dar-es-Salaam. Vier dagen later naar Mwanza in een spookvogel, een vrijwel léég vliegtuig, waarvan me herhaaldelijk gezegd was dat het boordevol zou zitten; alle plaatsen waren gereserveerd. Pas na dagenlang aandringen heb ik een stoel kunnen bemachtigen. Waar zijn al die mensen die een kaartje hebben? Vliegen we eigenlijk wel? Ik hoor niets en voel steeds minder. Mijn benen zijn in een diepe slaap verzonken en de gevoelloosheid breidt zich langzaam maar zeker uit naar mijn middel. Waarom heb ik voor deze verbanning gekozen? Ben ik ertegen opgewassen ergens aan te komen, een plek te veroveren, een eigen nis te scheppen?
Het toestel gaat lager vliegen en even later nog lager, alsof het traag een trap afschrijdt over een loper van mist. Voor ons het blauwe meer, papyrusmoerassen langs de oevers, drassige velden. Palmen als inktspetters langs rode wegen en paadjes. Lemen hutten en kleine stenen huizen met daken van golfplaat. Afrikanen die snel groter worden, gewicht krijgen. Zilverreigers, zo onbeweeglijk, zo wit alsof ze uit het groen zijn geponst. Word ik verleid door een landschap?
Het vliegtuig raakt herhaaldelijk de landingsbaan en beëindigt stuiterend de droom. Maar zodra het toestel stilstaat, begint het weer: een strelende wind bij het betreden van de vliegtuigtrap. Zware, vette geuren en een aangename warmte. Kon ik hier maar
even gaan zitten om Mwanza te aanschouwen alvorens me erin te begeven. Er wordt in mijn rug geduwd.
Ik daal de trap af en slenter in de richting van de wachthal. Daar volgt een ontluisterende ontmoeting. Want wie staan me op te wachten? De mensen die ik ontvlucht dacht te zijn door Nederland te verlaten. Ze grijnzen naar me en hoe langer ze daarmee doorgaan, des te zekerder weet ik dat dit op een dag voorgoed ophoudt. De Europeanen, voornamelijk roodverbrande landgenoten, komen dicht om me heen staan. Een van hen raakt me al aan.
‘Daar hebben we het nog wel over.’
‘Ze zullen het nooit leren.’
Rondom mij gonzen stemmen: ‘Jawel, langzaam...’
‘De Tanzanianen...?’
‘Nooit. Dat hebben we nu vijftig jaar lang geprobeerd...’
Wij, ze, het? Waar ben ik beland? Zijn hier Tanzanianen? Ik zie alleen de ontgoochelde Europeanen die me omsingeld hebben. Jawel, gelukkig; met een wijde boog zeilt een enkel zwart hoofd als een elektron heen om deze witte kern van kankeraars. Heb ik achtduizend kilometer gereisd om in een fuik van Europeanen terecht te komen? Ik vlucht naar de wc. Ach, wat is vijf jaar op een mensenleven, houd ik mezelf voor, doe toch niet altijd alsof je in Bergen-Belsen aankomt. Er zijn vast aardige mensen bij. Direct zeggen dat je niet van spelletjes houdt.
Terwijl ik heftig overgeef boven een wc vol uitwerpselen maar zonder water, zoek ik steun bij dat zwijgende hoofd dat ik tussen de Europeanen ontdekte: wilde, donkerbruine krulletjes, een enigszins rond gezicht met wakkere ogen. Een driftig temperament. Net Rembrandt. De jonge Rembrandt verzeild geraakt in de gezondheidszorg of kunstmestbranche?
Binnen een halfuur heb ik begrepen dat ik een ‘alleenstaande’ ben en vooral dat je dat beter niet kunt zijn. Naar aanleiding van mijn vraag naar huisvestingsmogelijkheden werd me te verstaan gegeven dat ik geen kans maak. Recht op een huis uit het huizenbestand van de ‘Nederlandse gemeenschap’ hebben alleenstaanden pas als alle gezinnen voorzien zijn van een riante woning. Tot die tijd zijn ze ertoe veroordeeld op een hotelkamer te verblijven op eigen kosten, of zelf voor een huis te zorgen. Voor mij is dat niet zo erg. Ik voel er toch niet veel voor in een villawijk tussen
Europeanen te gaan wonen.
Bij toeval hoorde ik dat er een retraitecentrum van de witte paters leegstaat. Weliswaar met lekkend dak, maar daar is iets aan te doen. Het ligt op het hoogste punt in de wijde omtrek, boven op de Luguruberg, twaalf kilometer buiten Mwanza. Geen enkele expatriate wil er wonen, omdat een geestelijke er ooit, jaren geleden alweer, door inbrekers om het leven werd gebracht. De top van deze berg staat bekend als een geïsoleerde, gevaarlijke plek. Ik zou graag de beheerderswoning huren, maar een missionaris op het kantoor van het diocees vertelde me dat de missie het huis wil reserveren voor een gezin. Nadat ik dit te horen had gekregen, liep ik de stad in. Ik vreesde dat ik terecht zou komen op een deprimerende hotelkamer in het stoffige centrum van Mwanza. Maar slenterend langs de straten kreeg ik een plan en voerde het enkele dagen later uit. Ik leende van een mannelijke expatriate een zorgelijk kijkende vrouw met een klein kind. Met haar aan mijn zijde en het kind aan de hand heb ik nogmaals gevraagd ‘of het niet mogelijk zou zijn...’ Een vriendelijke missionaris uit Boxtel, een ander dan ik bij mijn eerste bezoek getroffen had, en een struise non hadden mededogen en het verdoolde jonge gezin had eindelijk een onderkomen.
Inmiddels was het 1982 en woonde ik al maanden op de Luguruberg. Echt alleen was ik daar niet. Levocatus Enoka, de bewaker, hield voor de missie toezicht op de gebouwen van het retraitecentrum. Hij was bovendien mganga, traditioneel genezer, en hield praktijk in een gebouw vlak bij de beheerderswoning. Ook Mhoja en Elimo woonden op de berg, in een klein huis, op een steenworp afstand van het mijne. En er kwamen af en toe gasten. Onder hen waren wetenschappers van Europese en Amerikaanse universiteiten: biologen, paleontologen en antropologen. Deze gasten voelden zich vaak ontheemd - vooral als ze voor het eerst in Afrika waren - en klampten zich direct na aankomst als drenkelingen aan me vast. Dat kwam goed uit want ik hunkerde naar contact met geestverwanten en die bleven zo ten minste in de buurt. Omdat ze beter op de hoogte waren van de laatste ontwikkelingen op het vakgebied dan ik, vormden ze een belangrijke bron van
inspiratie. Bovendien hadden ze kaas, drank en batterijen.
Het is in de namiddag. Na het werk loop ik met Izaac, een antropoloog uit Leiden, vanaf het instituut naar huis. We passeren de akkers van kleine boeren. Er is de afgelopen maand nauwelijks regen gevallen. De maïs staat er beroerd bij.
‘Waarom bevloeien de boeren hun akkers niet?’ vraagt Izaac. ‘Het is nog geen honderd meter naar het meer.’
‘Boeren hebben geen geld voor een pompsysteem. Of de pomp wordt gestolen. Of hij gaat stuk en er zijn geen onderdelen. Of dieven snijden armbanden uit de plastic buizen waar het water door loopt. Het is riskant iets te ondernemen,’ zeg ik.
‘Maar waarom vormen ze niet af en toe met een stel mensen een rij om emmers water door te geven vanaf het meer? Elke dag een uurtje en ze zouden zich geen zorgen hoeven maken over het mislukken van de oogst.’
We treffen een boerin op haar akker, een vrolijke vrouw. We maken een praatje en dan vraag ik ernaar:
‘Het kán nog gaan regenen,’ zegt de vrouw opgewekt. ‘Misschien vanavond al.’
We schieten in de lach: ‘Ja, wie weet.’
Het antwoord van deze boerin trof ons als fatalistisch. Bestaat er zoiets als een islamitische attitude?
Allah bezit alle eigenschappen van mensen in absolute zin: Hij weet meer dan de grootste geleerde, Hij is de Rechter van alle rechters, Hij is de beste Beschermer, de zekere Redder; als de boeren om regen bidden, dan smeken zij de Edelmoedige, de Gever, de Begunstiger, Hem die het graan doet groeien, Hem die alle dingen maakt en weer afbreekt. En hier komen wij aan een fundamenteel geloofspunt in de islam, dat dikwijls fatalisme genoemd wordt: Mambo Mungu atendaye, aldus is dat samengevat in een Swahili-spreekwoord: ‘Van alle zaken is God de Maker.’ Dit moet men letterlijk opvatten: er is niets dat de mens zelf doet, zonder dat de Heer het eerst gewild heeft. Wat Hij wil, gebeurt; wat Hij niet wil, gebeurt niet. Aan de mens komt geen initiatief toe, wij handelen slechts, bestuurd door Zijn wil... Zo is ieder mens Abd-Allah,
slaaf van God, zo wordt de voornaamste bezigheid van de mens, veel belangrijker dan ploegen en zaaien, het prijzen van de Heer door het eindeloos herhalen van deze lofnamen, deze beschrijvingen van Gods onmetelijke grootheid.10
We nemen afscheid van de vrouw en lopen bergopwaarts.
‘Veel draait om regen. De mensen spreken erover alsof het om een personage gaat: hoe de Regen komt aanzeilen, verlossend valt of zich gedeisd houdt achter een heuvelrug. Vertelde ik van de regenmeter?’ vraag ik aan Izaac. ‘Al maanden lees ik elke morgen vroeg af hoeveel millimeter regen er gevallen is. Daarna gooi ik het glas van de meter leeg, zet het terug in zijn houder en maak een aantekening. Op een morgen, na een geweldige stortbui, ging ik nieuwsgierig kijken hoeveel er gevallen was. Tot mijn verbazing was het glas leeg.’
Izaac kijkt me vragend aan.
‘Mama Theresa, die af en toe in huis helpt, had begrepen dat het water uit dat glas moest en wilde me werk uit handen nemen. Direct als ze 's morgens aankwam, nog voordat ik wakker was, goot ze het glas leeg. Het vervelende is dat ik niet meer kan achterhalen wanneer ze daarmee begonnen is. Zo schrijdt de wetenschap voort. Langzaam, maar waardig.’
‘Wat wil je eigenlijk weten?’ vraagt Izaac.
Ik vat samen: hoeveel millimeter regen er valt, hoe hard het waait, hoe diep het licht doordringt in het water en van welke golflengte het is. Zo hoop ik erachter te komen hoe het komt dat de meeste furu broeden in bepaalde seizoenen en niet het hele jaar door. In de droge tijd, als er harde winden waaien, wordt het water in het meer volledig gemengd. De gelaagdheid verdwijnt. Watertemperatuur en zuurstofgehalte zijn van oppervlak tot bodem vrijwel gelijk. Door de werking van de wind wordt de modderbodem opgewarreld, zodat bezonken voedingszouten weer terugkomen in het water en door algen kunnen worden opgenomen. Dat leidt tot algenbloei: van de ene week op de andere kan het water ineens groen zijn. Bloei van algen betekent een overvloed aan voedsel voor het dierlijke plankton dat van deze algen leeft: er volgt snel een bloei van dierlijk plankton. Vlak voor deze planktonbloei broeden de meeste furu. De vrouwtjes die de eieren in de
bek uitbroeden, laten hun jongen precies op tijd los, zodat ze zeker te eten hebben als ze de bek van de moeder definitief verlaten. Er is een plan de Tanzanianen voor te stellen niet met commerciële treilers te vissen in die broedperiode, zodat de nieuwe generatie vis een kans krijgt.11 Maar dan moet eerst preciezer bekend zijn hoe het ecosysteem in elkaar zit. Een vaste datum aanwijzen waarop het seizoen gesloten wordt, is gevaarlijk, want het ene jaar is het andere niet en het gemiddelde jaar bestaat niet. Ik spreek vaak met de lokale biologen over mijn streven: aan het aantal omwentelingen per uur van een windmolentje te kunnen zien binnen hoeveel dagen de vrouwelijke furu een muil vol jongen zullen hebben. Dat vinden ze wel mooi, geloof ik. Daar zit een zekere magie in.
‘Hebben de Tanzanianen enige affiniteit met jullie bezigheden?’
‘Weinig,’ antwoord ik. ‘De meeste mensen, zelfs als ze hoog zijn opgeleid, hebben de grootste moeite te overleven. Zolang iemand niet zeker kan zijn van twee maaltijden per dag, is er geen tijd om te piekeren over de evolutietheorie. Vis is natuurlijk een essentiële eiwitbron. Er is belangstelling voor de toepassingsmogelijkheden van ons werk, maar niemand hier komt toe aan evolutietheorie, of natuurbescherming. Wie weet houdt dit de mensen bezig?’
Ik raap een verfomfaaid papiertje van het zandpad en lees voor: ‘How sugar is produced from sugar cane. Sucrose or sugar is manufactured in the leaves of the plant by photosynthesis...’
Even later buigt Izaac voorover, pakt een krantesnipper op en leest: ‘Our objective was to cultivate a further and deeper understanding of Socialism and Selfreliance. The Party ideology and its implications...’
Het zandpad is schoon. Maar in de berm liggen papiersnippers, vruchteschillen en een enkel stuk plastic. Ik val in zodra Izaac is uitgesproken, voorlezend van een juist opgegraven vodje: ‘...durch der Engel Halleluja, tont es laut von fern und nah: Christ der Retter ist da.’
Plotseling zijn we omringd door kleine kinderen die enthousiast meehelpen zoeken naar papiersnippers.
‘Kijk Mzungu, zwerver, voor jou,’ zegt een verlegen lachend jongetje met een hemd vol gaten als enig kledingstuk. Hij overhandigt me een stuk karton.
Ik bedank hem en lees voor, terwijl het jongetje op en neer springt
van plezier: ‘It is fantastic what money can buy; “tropicana”.’
De letters staan boven een foto van twee Afrikanen in zwart pak die sigaretten roken. Ze dragen witleren schoenen en zitten op een bank in een poenig interieur. Zoekend, rapend en beurtelings voorlezend lopen we bergopwaarts over het zandpad. We vinden geen énkel fragment van een in het Swahili of Sukuma gestelde tekst. De stoet kinderen die met ons meeloopt groeit gestaag.
‘Dit is het enige echte probleem,’ zeg ik tegen Izaac. ‘Als er acht miljoen Tanzanianen waren en bleven, in plaats van de ruim twintig miljoen die er nu zijn, was hier niets aan de hand. De bevolking groeit jaarlijks met ruim vier procent. Malthus12 zou een hartverlamming krijgen als hij deze zwerm peuters uit de bosjes zag komen. De hel die hij voorspelde kan niet ver weg zijn.’
De kinderen krijgen er niet genoeg van ons te groeten: ‘Good morning father’ en ‘good morning teacher’ klinkt het om ons heen.
Boven op de berg aangekomen passeren we de ingestorte kapel, waarvan nog een enkele muur half overeind staat. Kiokikote, een lief zwerfhondje dat op een dag kwam aanlopen en nooit meer is weggegaan, rent ons uitgelaten tegemoet. Ik schop tegen een afgezaagde gascilinder die ooit dienst deed als kerkklok en zeg: ‘Op deze plaats had ik een kippenhok willen bouwen, maar dat idee stuitte op hevig verzet van de Tanzanianen. Geen kippen op gewijde grond. Ik heb ervan afgezien.’
Op de roodbruine tegelvloer van het voormalige godshuis staat een verroeste balans, omringd door stukken ijzeren pijp en halfvergaan riet. Naast de balans steekt een schuingezakt ijzeren kruis uit het puin. Met witte kalk is een brede lijn op de tegelvloer geschilderd die een flinke rechthoek afbakent maar vlak voor hij stuit op zijn eigen begin, deinst hij terug en duikt naar binnen, de beslotenheid van de rechthoek in. De lijn loopt na een zoekend zigzaggen dood in de holte van een V en wordt door vijf cirkels, drie grote en twee kleinere, omsingeld. Over het teken rennen hagedissen met paarse koppen en donkerblauwe lijven heen en weer. Ze maken schokkende verticale bewegingen met hun kop en schieten weg, zodra het spookbeeld ‘mens’ verschijnt op hun voorwereldlijk netvlies.
Op deze plek, waar weinig mensen komen, zit het vol dieren.
Klipdassen, die verwant zijn met olifanten, maar ogen als forse marmotten, slaan alarm zodra we te dicht in de buurt komen. Ze rennen recht omhoog tegen de steile rotsen en blijven op veilige hoogte doodstil zitten als een verzameling grijze theemutsen. Izaac ziet ze niet. Ik wijs ze aan. Hij ziet ze nog altijd niet. Dan ziet hij ze plotseling wel. Drie, zeven, tientallen. Het zal hem niet meer lukken de klipdassen níet te zien. Hij is voorzien van een ‘zoekbeeld’. Grote afwezige is de luipaard. Toen de luipaarden nog veel voorkwamen hielden ze het aantal klipdassen in toom, maar sinds zij verdwenen zijn, is het aantal klipdassen razendsnel toegenomen. We gaan zitten op de rotsen en zwijgen. Ik stel homerische vergelijkingen samen met de volgende ingrediënten: overbevolking, luipaard, mens, klipdas en katholieke kerk.
De strakblauwe hemel wordt bespetterd met vlekken. Zwarte wouwen die hoog in de lucht zeilen. Ze trekken een wervelend spoor van lange doorlopende lijnen binnen de begrenzing van de warme luchtstroom waarop ze zweven. Lyrisch en klaar.
Vanaf dit hoogste punt is er uitzicht rondom. Driehonderdzestig graden. Naar het oosten het woeste, rotsachtige Sukumaland; naar het zuiden de Mwanzagolf, die zich na lang aarzelen eindelijk vertakt. Achteraf beschouwd een aarzeling die terecht was. Want welk Afrikaans water zou ‘arm van Smith’ of ‘arm van Stuhlmann’ willen heten? Welk water zou vernoemd willen worden naar een organisator van strafexpedities, al maakte die zich misschien verdienstelijk voor de zoölogie door in het voorbijgaan een schepnet door het water te halen en enkele exotische watervlooien naar Bismarcks biologische staf te sturen? Naar het noorden en westen vista's op de golf en het meer in de verte, een zee. Bij helder weer is het eiland Ukerewe te zien als een vage streep.
We staan op en lopen voor mijn huis langs.
‘Het doet me denken aan een kleine villa van Palladio,’ zegt Izaac.
‘Maar minder comfortabel,’ antwoord ik.
Het dak lekt nog altijd op enkele plaatsen. Ik heb er weinig last van gehad, want sinds die stortbui in april is er nauwelijks regen gevallen. Af en toe een buitje. Dan is het zaak dat er geen lampen branden. Wanneer de stroom is uitgevallen, staat de cassetterecorder altijd op play om het direct te merken als de elektriciteit terug
is. ‘Nur weiter denn, nur weiter’ komt dan langzaam op gang, maar soms kan het voltage flink doorschieten tot boven de 300 volt. Ik weet niet van wie deze bariton is die bij 220 volt zo warm en wendbaar klinkt. Stijgt het voltage boven de 250, dan gilt de stem snerpend en raakt iets in Kiokikote. Hij begint vreselijk te huilen alsof beelden uit zijn helse jeugd hem plotseling komen lastig vallen. Even later huilen er tientallen honden op andere erven tot in de wijde omtrek. Als wolven janken ze met Schubert mee.
Uit het retraitecentrum klinkt een enkele maal gezang van geestelijken, maar dat komt zelden voor. Het grootste deel van de tijd is het doodstil. De meeste gebouwen staan leeg en worden langzaam maar zeker onttakeld. Allereerst de ruitjes, vervolgens de dakbedekking van golfplaat en zo verder. Ik voel me omringd door skeletten. Het verst is het ontbindingsproces voortgeschreden in het gebouw waarin zich de slaapcellen van de geestelijken bevinden. Het is overwoekerd door planten en schimmels. De vochtige muren zijn druk bevolkt met hagedissen. Er nestelen vogels op de kleerkasten. Door de gangen rennen bavianen. Ze gebruiken wrakkige beddespiralen als trampoline. In de holle oranjerode bakstenen waaruit het gebouw is opgetrokken, huizen smaragdgroene slangen met zwarte stippen. De stenen zijn van Europese makelij. Ze zijn per schip aangevoerd en werden van Dar-es-Salaam naar Mwanza getransporteerd. Wat een waanzinnige reis... Honderdduizend bakstenen op weg naar een land vol rivierklei. Honderdduizend bakstenen op zee, dobberend in het Suezkanaal, de Indische Oceaan op, richting Comoren... Enkele bakstenen houden het voor gezien, slaan over boord. Zinkende tekens die de coelacanten wekken uit hun droom, die honderden miljoenen jaren duurde.
Ik wijs Izaac, die de berg heeft verkend, een zilvergrijs water in de verte. Het vrouwenmeertje, dat van de Mwanzagolf gescheiden is door een papyrusmoeras en een smalle strook land.
‘Zie je die spiegelende vlek? De Sukuma waarschuwen ertegen daar 's nachts te gaan varen. Wie het toch waagt wordt geënterd door drommen zwaarlijvige vrouwen. Ze klimmen de boot in. Méér vrouwen dan een man in een heel leven bij elkaar droomt. De bemanning wordt met boot en al verpletterd door vrouwenvlees.’
‘Hé, een raaf,’ zegt Izaac.
Het is Cas, de zwarte raaf met witte nek, die me elke morgen om klokslag zeven uur wekt. Cas krast en vliegt met gespreide vingers de berg af in de richting van de golf.
Het werk aan de soorten in de Mwanzagolf begon letterlijk bij het begin, want behalve het werk dat Greenwood in de jaren vijftig aan de Oegandese kant van het Victoriameer had gedaan, was er geen veldwerk om op voort te bouwen.13
De namen van de meeste soorten in de Mwanzagolf zijn niet te vinden in wetenschappelijke tijdschriften of encyclopedieën, laat staan dat er iets bekend zou zijn over hun plaats in het ecosysteem, hun onderlinge relaties of hun ontstaan. Wij, de biologen van hest, hoefden niet te beginnen met het doorlezen van een bibliotheek vol droge artikelen - die zouden we later zelf wel schrijven - maar voeren met ons houten bootje de Nyegezibaai uit en ritsten links en rechts het boordevolle meer open. 's Nachts lukte het een enkele keer zelfs om met de hand vissen van het wateroppervlak te scheppen. De dichter Valéry schreef:
Niets zit beter in elkaar en niets appelleert met meer charme aan ons gevoel voor ruimtelijke vormen en ons instinct om eigenhandig vorm te geven aan wat we verrukt zouden betasten, dan dit (...) juweel dat ik streel en waarvan ik de oorsprong en de bestemming een poosje niet wil kennen.14
Tussen ons en de visjes liep het anders. Wij kwamen er niet aan toe dieren te ondergaan zoals ze waren. Integendeel, bij het zien van een nieuw dier werden onmiddellijk allerlei hypothesen geformuleerd om erachter te komen wie we voor ons hadden. Hoe zou ik ooit kunnen leren al die visjes uit elkaar te houden? Honderden nauw verwante soorten. Waren het eigenlijk wel biologische species? Zou het niet een nieuw verschijnsel kunnen zijn, een reusachtige soort met honderden maskers, waarachter een en hetzelfde genoom schuilging? Ik was er steeds minder zeker van wat een soort is. Het begrip loste op naarmate ik er langer over nadacht.
Elke greep op het systeem verdween. Schreef ik in het begin nog opgewekt ‘luctor et emergo’ boven mijn brieven, na een half jaar was dat veranderd in ‘luctor’ en ten slotte schreef ik niets meer, maandenlang.
Om niet te verdrinken in de complexiteit van het ecosysteem besloot ik na te gaan wat er gebeurde vanaf het ogenblik dat een visje verstrikt raakte in een van onze netten. Enige uren later dreef in de formaline naast zijn lijk een etiket met kort commentaar: een voorlopige naam, een datum, een tijdstip en een aanduiding van plaats. Wat was er gebeurd?
Zodra de vangst aan boord was, werd ze omgekeerd in een ruime vierkante bak met ijs. Ik sorteerde de vangst, die meestal bestond uit enkele honderden visjes, op lange houten tafels in de gang van het laboratorium. Daarbij kostte het grote moeite om de dieren niet in een bepaald kleur- of vormritme te rangschikken, maar ze op soort te leggen in de eeuwige rijen van twee: mannetjes, vrouwtjes. Allereerst werden mannetjes in groepen verdeeld op grond van kleur- en vormovereenkomsten en vervolgens werden bij elke groep mannetjes de grauwgrijze vrouwtjes gezocht, die soms een zelfde kleur- en vlekkenpatroon hadden, maar fluisterend, ingehouden.
De determinatie van de dieren had onmiskenbaar een arty aspect, waarbij expertise en intuïtie van de taxonoom een rol speelden. Een taxonoom pretendeert het relatieve belang te kunnen afwegen van een groot aantal kenmerken die zich niet gemakkelijk in getallen laten vangen. Zo komt hij tot de soortbepaling van een dier. Jammer genoeg verloochenen veel taxonomen deze intuïtieve kant van hun vak. Dolend in de marge van de wetenschap, vaak geminacht door experimenteel werkende onderzoekers, hunkeren ze naar erkenning door de ‘harde’ natuurwetenschappers. De experimenteel werkende biologen vergeten vaak dat ze nergens zouden zijn zonder de expertise van ervaren taxonomen. Desondanks wordt er hard gewerkt aan het uitroeien van de taxonoom, de enige die namen van bedreigde diersoorten kent. Straks zitten we met al die rekenaars en genenfrikken en zijn er geen biologen meer te vinden die soorten kunnen determineren en die naar dieren en planten kijken.
Wetenschap of geen wetenschap, voor het slachtoffer maakte
het weinig uit. Hij belandde onherroepelijk in een pot met sterk water, vergezeld van veronderstelde soortgenoten. Zo ontstonden dus soorten op sterk water, taxonomische soorten. De taxonomische soort komt voort uit de praktische noodzaak om een dier te classificeren. Een onderzoeker kan nu eenmaal niets beginnen met een ongeordende berg visjes. Maar het is niet gezegd dat de ordening die een bioloog aanbrengt in zijn materiaal een natuurlijke ordening weerspiegelt, ook al is dat het streven. In het ideale geval zal de taxonomische soort, de kunstmatige die gehuld gaat in een walm van formaline, alcohol of kamfer, naadloos samenvallen met de populatiegenetische soort: de concrete species die bestaat uit zwemmende, zwevende, vliegende, lopende of juist doodstil zittende dieren. Kruisen individuen die ondergebracht worden bij verschillende taxonomische soorten, niet met elkaar in de natuur, met andere woorden, bestaat er een voortplantingsbarrière tussen deze dieren, dan vallen taxonomische en populatiegenetische soort samen. Maar juist in dynamische ecosystemen, waarin nog altijd nieuwe soorten ontstaan, is het lang niet altijd mogelijk te zeggen tot welke van twee soorten in statu nascendi een dier behoort. Juist datgene wat deze visjes intrigerend maakt, het ontstaan van nieuwe soorten voor de neus van de beschouwer, werd voor mij tegelijkertijd een bron van frustratie.
Specialisten die zich bezighouden met het soortbegrip, verzuchten van tijd tot tijd dat ze niet meer weten wat een soort is, terwijl de biologische species toch dikwijls wordt beschouwd als de enige echt bestaande taxonomische categorie. Verdwijnt de mens van de aardbodem, dan zal hij menselijke abstracties als rijk, klasse, orde, familie, en geslacht meesleuren in zijn graf, maar de biologische soort maakt kans de mens te overleven. Soorten definiëren immers zichzelf en zijn, uitgezonderd enkele parasieten en een aantal alleen nog in gevangenschap voorkomende species, niet op de mens aangewezen. Sterker, ze zullen veel beter af zijn zodra de mens is opgekrast.
Het geven van een dwingende definitie van biologische soorten is lastig, misschien zelfs onmogelijk. De omschrijving van de sociobioloog en natuurbeschermer Edward Wilson voldoet redelijk voor dieren met een seksueel voortplantingssysteem:
(...) species are regarded conceptually as a population or series of populations within which free gene flow occurs under natural conditions.
This means that all the normal, physiologically competent individuals at a given time are capable of breeding with all the other individuals of the opposite sex belonging to the same species or at least that they are capable of being linked genetically to them through chains of other breeding individuals. By definition they do not breed freely with members of other species.15
Leverde het determineren van furu problemen op, dan werden ze onderworpen aan een bombardement van metingen dat vergelijking mogelijk maakte. In de eerste plaats was dat vergelijking met een tot op het kleinste bot geanalyseerde furu uit het Oegandese Georgemeer. De Leidse anatomen hadden uitputtende beschrijvingen gegeven van de anatomie van een soort die beschouwd werd als een Jack-of-all-trades, het t-Fordje onder de cichliden.16 Met opzet was voor die beschrijvingen een dier gekozen met een algemeen voorkomen. Deze Haplochromis elegans benaderde naar het idee van de anatomen in bouw en gedrag zo dicht mogelijk de hypothetische rivierbewonende vooroudersoort van de meerbewoners. Pas nadat gedetailleerde basiskennis over de bouw van het skelet, de sculptuur van de individuele botten, de spieren en het bindweefsel was verkregen, werd het mogelijk soorten te vergelijken en de vaak subtiele verschillen ondubbelzinnig vast te leggen.
Een organisme kan worden opgevat als een driedimensionale legpuzzel. Pas als alle stukjes van de puzzel op elkaar zijn afgestemd en tezamen een geïntegreerd geheel vormen, kan het organisme optimaal functioneren. Een van de kenmerken van organismen is dat ze boordevol zitten; van geboorte tot dood wordt gewoekerd met ruimte. Nergens is loze ruimte en dat betekent dat elke verandering van de vorm, de afmetingen of de positie van een anatomische structuur gevolgen heeft voor andere structuren.17
De cichliden uit de Oostafrikaanse meren vertonen grote overeenkomst in opbouw. De elementen - dat wil zeggen botten, spieren, bindweefsel, enzovoort - waaruit de dieren zijn samengesteld,
kunnen in elk van de meer dan duizend soorten worden aangewezen. Ook de ruimtelijke ordening van de constructie-elementen is in essentie steeds dezelfde. Deze overeenkomst in bouwplan vraagt om een verklaring, maar dat geldt net zo goed voor de verschillen. Organismen zijn niet onbeperkt kneedbaar, het vermogen te veranderen is beperkt. Maar ondanks de onvermijdelijke historische en mechanische beperkingen, is er een onwaarschijnlijk groot aantal furuvariaties ontstaan op het basisthema.
De kop van een furu is een rammelkast van meer dan honderd botjes die door spieren bij elkaar wordt gehouden. Tijdens de radiatie is juist aan deze kop met veel verve gesleuteld. De vorm van schedel, tanden en bek verschilt van soort tot soort en is soms zo bizar, dat het nauwelijks voorstelbaar is dat zoiets bestaat. Soms probeerde ik soorten te determineren zonder ze in hun geheel te bekijken. Door dieren gedeeltelijk af te dekken was het mogelijk

Röntgenfoto's van de koppen van cichlidesoorten uit verschillende Oostafrikaanse meren.
Juist aan de bouw van deze koppen is in de loop van de evolutie veel gesleuteld.
erachter te komen aan welke uiterlijke kenmerken een soort zijn identiteit dankte. Meestal waren dat kleur- en vlekkenpatroon, maar vooral ook de vorm van de kop en de tanden. Determineren zonder de kop van buiten én van binnen te hebben gezien, lukt meestal niet. De kop van een furu zit vol architectonische hoogstandjes. De kop - daarop concentreren de Leidse anatomen zich. Ze hebben er nog voor decennia werk aan. Het is zelfs taboe in de luwte achter de kop te komen.
Een volwassen furu is, afhankelijk van de soort, vijf tot vijfentwintig centimeter lang. De dieren bezitten aan elke zijde van de kop maar één neusgat in plaats van twee, zoals vele andere vissen. Het zijlijnkanaal, waarmee waterverplaatsingen waargenomen kunnen worden, is onderbroken. Deze kenmerken vallen pas op wanneer de dieren onder een microscoop worden bekeken. Direct in het oog springend zijn de gele vlekken op de aarsvin van de mannetjes, die in kleur en vorm sterk lijken op de eieren van deze vissen: een bijzondere vorm van nabootsing, automimicry. Met behulp van de bovengenoemde en nog enkele andere kenmerken is het geslacht Haplochromis ondergebracht in het Linneaanse classificatiesysteem.
In 1981 publiceerde Greenwood een grootscheepse revisie van het geslacht Haplochromis, dat tot dan toe ongeveer 120 beschreven soorten had omvat.1 Greenwood verdeelde deze soorten over het oude geslacht Haplochromis en een aantal nieuwe geslachten. In totaal onderscheidde Greenwood in het Victoriameer negentien geslachten. Verschillende van deze geslachten zouden ook vertegenwoordigers hebben in andere Afrikaanse meren dan het Victoriameer. Greenwood zag de soortenzwermen uit de grote Afrikaanse meren als een superzwerm. Zijn revisie werd door de taxonomen van hest niet geaccepteerd, zodat we nog altijd vasthouden aan de oude indeling: het geslacht Haplochromis, waaronder enkele honderden soorten vallen.*
Het taxonomische spel is echter om op goede gronden te komen tot een natuurlijker indeling dan de laatst gepubliceerde. Het niet-accepteren van een revisie dient te worden beargumenteerd, en
wel in een nieuwe revisie, in de hoop dat de taxonomische classificatie gaandeweg een steeds betere afspiegeling wordt van de evolutiegeschiedenis, de fylogenie. Dat is dan ook wat we proberen te doen. Stuk voor stuk wordt het bestaansrecht van de door Greenwood geconcipieerde geslachten onderzocht.1819 Tot dusver is steeds gevonden dat er geen enkele morfologische grond is voor het trekken van scheidslijnen tussen Greenwoods geslachten. Het is een heidens karwei, maar uitzonderlijk is het niet. De meeste taxonomen wijden het grootste deel van hun leven aan andermans ballonnen. Ze leven ervan, prikken ze door, laten nieuwe op.
Hoe maak ik een Sukuma die nog nooit een stilleven van Morandi heeft gezien, zonder gebruik van afbeeldingen duidelijk dat de schilderijen van deze schilder stuk voor stuk de moeite van het ondergaan waard zijn? Kunnen die stillevens beschreven worden zonder de indruk te wekken dat de schilderijen als twee druppels water op elkaar lijken? Zou het lukken om duidelijk te maken dat de potten en flessen op deze doeken bezield lijken te zijn? Gelukkig voor de Sukuma heb ik deze exercitie nooit uitgevoerd, maar ik zit met een soortgelijk probleem. Hoe kan ik ruim driehonderd soorten nauw verwante furu voorstellen, die op het eerste gezicht sterk op elkaar lijken, maar bij nadere beschouwing consistente vorm- en kleurverschillen vertonen?
Voor wie jarenlang intensiever omgaat met vissen dan met mensen, worden de soorten personages. De algenetende filosoof, de slakkenverslindende pooier, de muggelarvenzevende huisvrouw... met hen bracht ik mijn dagen door. Ik projecteerde menselijke eigenschappen in vissen, een gruwel in de ogen van elke rechtgeaarde wetenschapper, en zag omgekeerd vissen in de mensen. Het onderscheid viel weg. Wanneer ik boodschappen deed op de markt van Mwanza herkende ik voortdurend trekken van vispersonages in de gezichten van de Afrikanen, Indiërs en Europeanen. Ik fluisterde in het voorbijgaan hun Latijnse namen, stuitte zo nu en dan op een mens zonder dubbelganger, een van die zeldzame gezichten zonder tegenhanger onder water. Brede muilen, een onderkaak als een centenbak, of juist een onderontwikkeld kort onderkaakje.
Pruimemondjes en papegaaiebekjes, uitstekende lange tanden, of een getormenteerd gebit; lippen in alle dikten, van strakke dunne tot verende dikke. Ronde, rechte en terugwijkende voorhoofden. Een glazige blik in grote bolle ogen, zware kaakspieren in een plompe kop. Ik besteedde het grootste deel van de tijd aan het observeren van de vormkenmerken van de vissen, zodat vergelijkend kijken, hoe dodelijk soms ook voor het zien, niet meer te stuiten was. Ontdekte ik overeenkomsten tussen verschillende vissoorten, dan gaf dat een plezierig gevoel. Ontdekte ik verschillen, dan gaf dat alweer een plezierig gevoel. Ik werd wanhopig van al dat plezier.
Een dier moet zichzelf actief handhaven in zijn omgeving en aan dat gegeven klampen onderzoekers zich vast bij het forceren van een indeling. Daarom worden cichliden geclassificeerd op grond van het voedsel dat ze eten of de techniek die ze gebruiken bij het verwerken van dit voedsel.20 Deze op zich tamelijk willekeurige indeling werd door ons gebruikt.
Wat we uit het water haalden:
- Modderhappers. Zij voeden zich met organisch afval, detritus, op de bodem van het meer. Overal in het meer, op dieptes variërend van twee tot meer dan dertig meter, komen vlak boven de bodem massaal detrituseters voor. Er zijn zeker dertien soorten. Bij kalm weer zwemmen deze dieren door een regen van in slow motion uitzakkende kiezel- en blauwalgen, die voor een afwisseling in het voedingspatroon zorgen.
- Algeneters. Ten minste drie soorten zijn gespecialiseerd in het schrapen van algen van de rotsen. Langs stukken rotskust en bij de talloze rotseilandjes in het meer zijn ze altijd te vinden. Wie deze algenschrapers in de bek kijkt, ziet in boven- en onderkaak een rasp, die is opgebouwd uit een flink aantal rijen tandjes van gelijke hoogte. Andere soorten scheuren met een kleiner aantal, maar langere en scherpere tanden draadalgen van de rotsen. Weer andere zuigen aangroeisel, kreeftjes en insekten naar binnen, die op en tussen de algen leven. De rotsvissen van het Victoriameer zijn minder ver gedifferentieerd dan de rotsvissen in de oudere gemeenschappen van het Tanganyika- en Malawimeer. Ook daar komen soorten voor die algen vijlen, grof raspen of afbijten. Bovendien zijn er soorten die met lange tanden traag draadalgen kammen of juist snel maar ruw borstelen. De verschillen in anatomische graasuitrusting en techniek leiden ertoe dat elke soort een ander dieet naar binnen krijgt.
Algeneter
Een aantal soorten algeneters wordt altijd gevonden in de buurt van vegetatie. Deze soorten voeden zich met algen die op de stengels en bladeren van waterplanten groeien. Zelden of nooit worden ze aangetroffen tussen grazers op de rotsen, net zomin als deze laatste soorten gezien worden tussen vegetatie. Dit zijn niet de enige soorten die weinig mobiel zijn. De meeste soorten zijn extreem honkvast.
- Bladhakkers. Het foerageergedrag van deze soorten is nooit geobserveerd, maar hun maag- en darminhoud suggereert dat deze soorten delen van hogere planten in mootjes hakken of afscheuren.
- Slakkenkrakers. Van negen soorten is bekend dat ze zijn gespecialiseerd in het kraken van slakken. Twee extra ‘kaken’ in de keel van deze soorten zijn sterk verzwaard, bezet met tanden als molenstenen en worden door zware spieren bediend. Dit keelkaakapparaat fungeert als een soort notekraker. Behalve Haplochromissoorten komt in deze groep een ander geslacht voor: Astatoreochromis, een slakkenkraker die wijdverspreid is in Oost-Afrika.
Astatoreochromis is op verschillende plaatsen in Afrika - onder andere in Kameroen en op Zanzibar - uitgezet in irrigatiekanalen en rijstvelden, in de hoop dat hij slakken die bilharzia overbrengen, zou decimeren. Bovendien zouden de mensen de vis kunnen eten. Helaas werkt deze biologische bilharziabestrijding niet, want de vissen eten pas slakken als het echt niet anders kan. Zolang er zachte, energierijke prooien zoals muggelarven in voldoende aantallen aanwezig zijn - en dat is voor zover bekend altijd het geval - worden deze gemakkelijk te verwerken prooien geprefereerd.
- Slakkenwrikkers. Een slak kraken tussen verzwaarde kaken in de keel is niet de enige manier om deze voedselbron te verwerken. Ten minste twaalf soorten benaderen en
Slakkenwrikker
verwerken slakken op een alternatieve manier. Het keelkaakapparaat van deze dieren is niet berekend op het leveren van de kraakkracht die vereist is voor het kleinkrijgen van dikke schelpen. Deze soorten schieten op rondkruipende slakken af en proberen met lange gekromde tanden, weke delen van de slak te grijpen voor het slachtoffer kans krijgt zich terug te trekken in zijn schelp. Ze schudden de slak wild heen en weer en maken gebruik van de ondergrond door de slak daar tegenaan te drukken om vervolgens het vlees uit de schelp te wrikken. Opvallend is dat in deze groep van slakkenwrikkers vier geslachten voorkomen: het geslacht Haplochromis en daarnaast twee geslachten die alleen voorkomen in het Victoriameer en bovendien elk maar één soort herbergen.
- Zoöplanktoneters. Eenentwintig kleine, slanke soorten furu exploiteren het dierlijk plankton. Zoöplanktoneters komen voor in alle habitats van het meer, van ondiep tot diep. De mondholte van deze soorten is rotatiesymmetrisch en benadert de vorm van een langgerekte cilinder. Door razendsnel hun mond uit te stulpen kunnen deze die-
Zoöplanktoneter
Insekteneter
ren hun mondholte sterk vergroten, zodat kleine kreeftjes naar binnen worden gepipetteerd. In het open water van het Victoriameer wordt massaal gezogen. Zo efficiënt als deze zoöplanktoneters zouden de bodemgebonden slakkenkrakers en algenschrapers nooit kunnen zuigen. Bij op bijten ingestelde vissen is de rotatiesymmetrie van de mondholte opgeofferd ten gunste van structuren die de bijtkracht ten goede komen (zware bijtspieren en brede, korte kaken).
- Insekteneters. Lang is de lijst insekteneters, met 29 of meer soorten, maar over het uiterlijk van de meeste valt niet veel bijzonders te zeggen. Ze zijn betrekkelijk groot (7,5-13 cm), maar in veel anatomische kenmerken vertegenwoordigen deze dieren het grauwe gemiddelde. Ze happen modder en zeven daar insektelarven uit. De modder wordt via de kieuwdeksels weer naar buiten gewerkt. Afwijkend is een rotsbewonen-
Garnaleneter
de insekteneter, H. chilotes, die direct de aandacht trekt door zijn uitzonderlijk dikke lippen. De dieren drukken deze stootkussens ritmisch tegen het substraat en zuigen dan insekten naar binnen. De functie van de dikke lippen zou dus kunnen zijn, dat er een zuigpompje ontstaat: de gootsteenontstopper avant-la-lettre.
- Garnaleneters. Een groep van dertien soorten eet bijna uitsluitend garnaal. Deze vissen zijn tamelijk slank en hebben grote ogen, die in de smalle kop haast tegen elkaar ketsen. Hun voornaamste prooi, de kleine garnaal, Caridina nilotica, komt vanaf de oeverzone tot in diep water vlak boven de modderbodem voor. Garnaleneters komen vooral in dieper water voor.
- Viseters. Het aantal viseters is onwaarschijnlijk groot: meer dan 130 soorten. Daarbij zijn inbegrepen de soorten die zich voeden met delen van andere vissen of met hun embryo's. In heel Europa komen in het zoete water slechts 197 soorten vis voor, die behoren tot 26 verschillende families. Dat illustreert hoe verbijsterend de radiatie van de cichliden in het Victoriameer is. Alleen het aantal viseters al benadert het totaal aantal soorten zoetwatervis in Europa. De viseters die andere vissen in hun geheel eten, zijn grofweg te verdelen in twee groepen: dieren die in hinderlaag liggen, of veinzen dood te zijn en te voorschijn schieten zodra een prooi in hun buurt komt, en een tweede groep van, dikwijls gestroomlijnde, snellere dieren die achter hun prooien aan zitten, de achtervolgers. Deze viseters sensu stricto hebben lange scherpe tanden. Ook de tandjes op de keelkaken zijn scherp, zodat prooien gefileerd worden afgeleverd bij de slokdarm.
- Pedofagen. Onder de viseters vallen ook 24 soorten pedofagen, of kindereters, die zich voeden met embryo's en pas uit het ei gekomen jonge visjes. Alle soorten furu in het Victoriameer zijn muilbroeders. Het vrouwtje zwemt wekenlang rond met een bek
Viseter
Pedofaag
vol eieren, die zich ontwikkelen tot jonge visjes. Er is een dispuut over de manier waarop de pedofagen embryo's en jongen te pakken krijgen. In het Malawimeer komen drie soorten pedofagen voor van het geslacht Cyrtocara. Dit zijn stuk voor stuk rammers, maar elk soort ramt op zijn eigen wijze. Een soort benadert vrouwtjes uit een positie beneden en achter het vrouwtje en schiet, op een tot twee vislengtes van het broedende vrouwtje gekomen, onder een hoek van vijfenveertig graden op haar af en ramt haar keel in de tongbeenstreek. Een andere soort zwemt een halve tot twee meter onder het vrouwtje, schiet dan omhoog en ramt haar mondbodem onder een hoek van zeventig tot negentig graden. De derde soort nadert vrouwtjes van bovenaf en stort zich als een kamikazepiloot op de snuit van het slachtoffer.21
Greenwood beschreef een aantal pedofagen uit het Victoriameer en wees op de reductie van het aantal tanden en hun merkwaardige implantatie. Een blik in de bek van deze dieren suggereert dat ze hun tanden eigenlijk liever kwijt zouden zijn. Een aantal rijen tanden is verdwenen, maar voor in de kaak is een gedoogzone voor tanden. Ze staan er vreemd bij, dikwijls naar buiten gekromd, in plaats van naar binnen zoals op functionele gronden van een tand kan worden verwacht. Ingebed in een slijmlaag hangen ze gebogen voorover, zodat ze zo min mogelijk last veroorzaken. Bij een soort van deze pedofagen, de lippenbijter H. maxillaris, zijn de resterende tanden verder onschadelijk gemaakt doordat ze permanent bedekt worden door binnenwaarts gekrulde lippen.
Waarom is het belangrijk voor deze dieren dat ze niet bijten? Greenwood meende dat deze soorten het broedsel van een vrouwtje te pakken krijgen door haar snuit te omstulpen en haar bek vervolgens met volle kracht leeg te zuigen. Scherpe, naar binnen gekromde tanden, zouden voor dieren die op deze bizarre manier aan voedsel komen, levensgevaarlijk kunnen zijn. Een snuitomstulper met scherpe tanden zou gevaar lo-
Schubbeneter
pen te blijven haken aan zijn slachtoffer en niet snel genoeg, of helemaal niet meer los te komen. Onwaarschijnlijk, was de reactie van Fryer op de hypothese van Greenwood. H. barbarae wordt immers ook met embryo's in zijn maag aangetroffen, maar deze soort heeft vrijliggende, scherpe tanden en mist dus de anatomische vervormingen die bij de overige pedofagen waren aangetroffen.8
De zoöloog Wilhelm observeerde pedofagen in aquaria en zag hoe een pedofaag, H. ‘rostrodon’*, de snuit van een broedend vrouwtje omstulpte en leegzoog.22 Greenwood zou dus gelijk kunnen hebben. Snuitomstulpen komt voor, althans in een kunstmatige omgeving. Alleen was nog niet opgelost hoe H. barbarae aan embryo's komt totdat werd gezien dat H. barbarae tijdens een balts van een paartje cichliden van een andere soort voortdurend op de loer lag. Cichliden leggen hun eieren niet allemaal tegelijk, maar in kleine porties. Werden er enkele eieren gelegd, dan schoot H. barbarae daar als een bliksemschicht op af en slaagde erin eieren te pakken te krijgen voordat het vrouwtje de kans had gekregen ze op te happen. In dit geval bleek een op anatomisch onderzoek gebaseerde voorspelling over voedselzoekgedrag, namelijk dat deze soort geen snuitomstulper kon zijn, te kloppen.23
- Schubbeneters. In de Mwanzagolf opereert een soort met het uiterlijk van een viseter, maar met de tanden van een algenschraper. Een lange rasp, opgebouwd uit elf rijen tanden in slagorde achter elkaar en beweeglijk ingeplant, bevindt zich zowel in de boven- als de onderkaak. Deze soort, H. welcommei, voert charges uit op andere vissen en raspt schubben van zijn slachtoffers. Vermoedelijk nadert de schubbenschraper met geopende bek zijn slachtoffer en stort zich op de staartstreek, die bezet is met vrij
Snuitomstulpende pedofaag zuigt broedend vrouwtje leeg
kleine schubben. De schubben worden niet stuk voor stuk uit het lichaam getrokken, maar grof geraspt.
Schubben zijn een eiwitrijk voedsel; de energetische opbrengst van een schub ligt in dezelfde orde van grootte als die van een planktonisch kreeftje. Gunstig voor alle partijen is dat schubben weer aangroeien. In maag en darmen van de schubbeneter liggen de schubben als munten in geldrolletjes dicht op elkaar gestapeld. Aangenomen wordt dat de voorouders van sommige schubbeneters algenschrapers op de rotsen waren, die hun werkterrein hebben verlegd. Door overbevolking op de rotsen zouden ze noodgedwongen een nieuwe voedselbron hebben aangeboord. Dergelijke gedragsveranderingen leiden vaak het ontstaan in van anatomische aanpassingen. In dit geval zou dat een ontwikkeling geweest kunnen zijn van een tamelijk plompe rotsvis naar een beter gestroomlijnde, snelle jager.
- Schoonmakers. Twee soorten in de Mwanzagolf eten prooien van onduidelijke herkomst. In maag en darmen lagen her en der verspreid geplooide, doorzichtige regenjasjes. Op elk jasje zijn naast elkaar twee wieltjes gemonteerd. Deze jassen zijn de pantsers van karperluizen. De mysterieuze wieltjes zijn zuignappen, waarmee deze
Schoonmaker
visparasieten zich hechten aan hun gastheer.24 De analogie met levensgemeenschappen op koraalriffen drong zich steeds sterker op. Ook daar komen sterk gedifferentieerde visgemeenschappen voor, met dit verschil dat de bewoners tot uiteenlopende families behoren. Ook daar zijn schoonmakers, vissen die parasieten van andere vissen verwijderen, beschreven.
Bij het op naam brengen van de soorten uit een vangst keek ik eens in de oogkas van een vis, een gapend gat, de oogbol was verdwenen. Had hier de legendarische ooghapper zijn sporen nagelaten? Vissers van het Malawimeer vertellen verhalen over een vis, H. compressiceps, die gespecialiseerd zou zijn in het uitrukken van ogen. Waarom zou in een meer waarin snuitomstulpers, schubbenschrapers, schoonmakers, slakkenwrikkers en bladhakkers voorkomen geen plaats zijn voor een ooghapper? Waarschijnlijk is het verhaal van de ooghapper een mythe. In geen van de Oostafrikaanse meren zijn ooit cichliden gevonden die opvallend veel ogen in hun maag hadden. Maar de overige voedselspecialisten komen stuk voor stuk voor in het Victoriameer. Het systeem doet in ingewikkeldheid niet onder voor de spectaculaire terrestrische ecosystemen in Afrika, zoals dat van de Serengeti of de Ngorongorokrater. Het zou des te intrigerender zijn wanneer deze honderden voedselspecialisten alle afstamden van een enkele rivierbewonende vooroudersoort, die op een dag zijn weg vond naar het meer. Alleen als dat het geval is voldoen de furu aan de definitie van een soortenzwerm. Maar is daar nog achter te komen? Sinds kort wel. Door het dna van furusoorten uit het Victoriameer onderling te vergelijken en bovendien met dna van cichliden uit andere meren, kan worden vastgesteld hoe sterk de overeenkomsten

Viseters, slakkeneters, insekteneters, algeneters, zoöplanktoneters, modderhappers en andere trofische groepen in de soortenzwerm van het Victoriameer.
zijn. Hebben we te doen met een soortenzwerm? Pas als dat bekend is, heeft het zin een stamboom op te stellen, kapstok voor het schrijven van de afstammingsgeschiedenis van de zwerm. Hoe die waaier van vormen is ontstaan, welke evolutionaire principes erachter zitten, ook dat is van later zorg.