Kijkt men naar de lijst met de namen van de plaatsen waar Arthur van Schendel heeft gewoond, dan lijkt hij een permanente verhuizer. Geboren in de tropen, verblijft hij gedurende twee wat langere perioden in Nederland: als jongen en als man van middelbare leeftijd. Daartussen vallen voor zijn vorming beslissende jaren in Engeland en daarna langduriger verblijven in Italië en Frankrijk, telkens weer met gependel naar huis.
Niemand in onze literatuur is tegelijkertijd Nederlandser en kosmopolitischer. Wie hem het ene ogenblik meende te kunnen vastpinnen als een ongeneselijke dromer onder de Zuideuropese zon, vindt hem even later terug als een waardig ingezetene van een aantal Hollandse steden die de indruk maakt nooit te zijn weggeweest.
Die dubbelheid valt ongeveer samen met een tweeledigheid in zijn werk: hij schreef romantisch-kosmopolitische boeken zoals Een zwerver verliefd en een aantal klassiek aandoende Hollandse romans.
In de romantische boeken vindt men gevoelens die iets betekenen voor de jeugd van meer dan één generatie. Het zwerven, het nergens thuishoren, het buiten de maatschappij staan - dit sentiment spreekt op het ogenblik misschien wel meer lezers aan dan het geval was in 1904, toen dat boekje verscheen. Ook de dubbelzinnigheid erin, de combinatie van liefde en kuisheid, is, lijkt mij, opnieuw aan de orde. Het zwerven met een erg mooi, maar ook erg onpersoonlijk, meisje dat men niet mag aanraken omdat zij van iemand anders is. Het is een situatie die zowel verlangens als angsten idealiseert en rechtvaardigt. En hoewel Tamalone, de zwerver, genoeg man van de daad is om haar tekortschietende minnaar te doden, ook deze activiteit behoudt het karakter van een dagdroom. Het meisje blijft onbereikbaar, doordat ze zelf ook doodgaat en Tamalone loopt tenslotte geen erotische risico's. Geen verantwoordelijkheid, geen gezin, geen maatschappij. Ook in het vervolg Een zwerver verdwaald ontsnapt hij eraan. De liefde blijft een droombeeld, een heimwee, waar men wel achter aan zit, maar dat toch ook zo genadig is om onbereikbaar te blijven.
Typerend voor deze romantische dubbelzinnigheid die begeert en terugdeinst tegelijkertijd, is bijvoorbeeld deze beschrijving van Tamalone's gemoedstoestand ‘zijn hart bleef koel in de onwrikbare zekerheid, dat slechts het onverwachte schoon is en het ontvangen waard.’ De koelheid (Tamalone als koele beatnik) en het toeval zijn herkenbaar als idealen van recentere generaties en zeker ook deze formule: ‘hij had haar lief zo zéér, dat haar wederliefde hem niet gelukkig zou maken.’
Wat Van Schendel van de romantische verheerlijking van de zwerver, de outcast, overhoudt, ook als de bedoelde dubbelzinnigheid voor meer realiteitszin moet wijken, is het contrast tussen de dichter en de burger, dat als een rode draad door het werk loopt. Letterlijk als een rode draad, want ‘de domme jongen’, wiens verhalen hij zal vertellen, draagt het rode strikje dat het symbool is van de fantasie.
De domme jongen behoort tot het soort mensen dat buiten de maatschappij en haar nuttigheidsidealen staat, de zwervers, de dromers, de geïnspireerden. En bij deze romantische visie behoort ook het verlangen naar een onbereikbaar geluk, een zoeken ook naar een levensmysterie, dat niet ontcijferd kan worden.
In overeenstemming met deze opvatting is Van Schendels stijl, die juist in zijn soberheid, in zijn weglatingen dat mysterie suggereert. Het is duidelijk dat deze schrijftrant is voortgekomen uit een afwijzing van de manier waarop de impressionisten en de naturalisten vóór hem schreven. De overdaad aan beschrijving die niets meer te raden liet, voortkomend uit de behoefte om een picturale totaliteit tot stand te brengen of van een positivistisch wereldbeeld te getuigen, was ongeschikt om het mysterie te suggereren, dat voor Van Schendel het wezen der dingen was. Men zou kunnen zeggen, dat hij het symbolisme introduceerde in het Nederlandse proza: de muzikale suggestie na de picturale uitvoerigheid.
Wat zijn werk vaak, m.i. niet altijd, redde van de wazigheid die een suggererende, naar vage mysteries verwijzende kunst bedreigt, was een sterke behoefte aan helderheid en nuchterheid. Hij wilde wat de stem in zijn binnenste hem vóórzei, zo nauwkeurig mogelijk noteren, erop vertrouwende dat de bezieling de suggestie van het mysterie in toon en ritme als het ware vanzelf zou overbrengen. Vandaar dat dit in wezen romantische procédé een stijl opleverde die in zijn soberheid ook geschikt werd voor romans en verhalen van een ten dele ander karakter.
Het fregatschip Johanna Maria, De waterman, Een Hollandsch drama, De rijke man en De grauwe vogels, met deze vijf Hollandse romans bereiken we, meen ik, het sterkste deel van het oeuvre van Van Schendel; men zou ze zijn klassieke romans kunnen noemen. Er is niet een werkelijke breuk met de romantische verhalen van daarvóór. Wat we daar hebben aangetroffen, heimwee naar een oorspronkelijke zuiverheid, de suggestie van een levensmysterie, is ook hier aanwezig. Maar er zijn een paar verschuivingen. De verheerlijking van het toeval, de estetische benadering van het onverwachte, het ongewilde, heeft plaats gemaakt voor een noodlotsbesef dat men eerder grimmig zou kunnen noemen of, als men wil, tragisch. In Een Hollandsch drama wordt her Hollandse calvinisme zowel als subjectieve beleving als in zijn objectieve consequenties in het verlengde van de Griekse tragedie gelegd. De macht van het noodlot wordt gekoppeld aan opvattingen betreffende de praedestinatie, begeleid door onbarmhartig giechelende Haarlemse vrouwtjes als pendanten van de Griekse wraakgodinnen.
Van Schendel behoort niet tot het soort schrijvers dat zijn persoonlijk leven in zijn werk etaleert. Wie, gedreven door een nieuwsgierigheid, die door ernstige lieden zeker ongepast wordt genoemd, iets wil weten over het karakter van de auteur, zijn lotgevallen, zijn problemen, zijn obsessies, kan dat alleen maar sterk getransformeerd en gecamoufleerd in zijn werk vinden. Dit schrijversprentenboek geeft een paar aanknopingspunten voor zo'n subversief onderzoek.
H.A. Gomperts