|
|
|
| |
| | | |
De geografie van de Limburgse successieoorlog bij Jan van Heelu
J. Goossens
Op het ogenblik dat ik deze bijdrage schrijf is het nog 1988, d.w.z.
herdenkingsjaar van de slag bij Woeringen, de centrale gebeurtenis in de
Limburgse successieoorlog. Hierin ging het om het bezit van een hertogdom,
waaraan J. Moors een belangrijk stuk van zijn
wetenschappelijke bedrijvigheid heeft gewijd. In 1961 gaf hij immers samen met
J. Thisquen en met de medewerking van R. Massart L'ancienne coutume
du duché de Limbourg en versions romane et thioises du
début du XVIIIe siècle1 uit. Het is zonder
meer duidelijk dat ten minste versie Q van die costumen of nooit tot stand zou
zijn gekomen of in een heel andere taalvorm zou zijn geschreven als de genoemde
oorlog niet had plaatsgehad. Uit de inleiding, het apparaat en een lijst van
plaatsnamen bij de uitgave blijkt de belangstelling van de jubilaris voor
geografische details in verband met het hertogdom, zodat ik mij vlei dat de
volgende bladzijden zijn belangstelling kunnen wegdragen.
Het door J.F. Willems onder de titel
Rymkronyk van Jan van Heelu betreffende den Slag van
Woeringen
uitgegeven gedicht is eigenlijk een op historische gebeurtenissen
berustend heldenepos met de Brabantse hertog Jan I als centrale figuur. Het
bevat veel meer dan een beschrijving van de slag bij het Rijnlandse dorp tussen
Keulen en Neuss: het hele eerste en ook het begin van het tweede deel is een
relaas van andere gebeurtenissen, overwegend uit de periode van de Limburgse
successieoorlog die aan de slag bij Woeringen voorafgaat. Deze gebeurtenissen
zijn met zoveel localiseerbare details verteld dat er een hoge historische
betrouwbaarheid aan moet worden toegekend. Als zodanig zijn ze enigszins anders
te beoordelen dan het relaas van de gebeurtenissen bij Woeringen zelf, waarvan
de gedetailleerde juistheid onlangs door P. Avonds2 in
twijfel is getrokken.
| | | |
De geografie van de Limburgse successieoorlog zoals die bij Jan van Heelu te
vinden is, kan onder twee aspecten onderzocht worden. Er is ten eerste de
herkomst van de betrokken partijen en personen. Zij is voor zover het om de slag
bij Woeringen gaat onlangs bestudeerd door Ulrich Lehnhard in een artikel
‘Teilnehmer der Schlacht bei Worringen’3. Lehnhard geeft lijsten, maar
geen kaart met de herkomst van de deelnemers, die een ruime spreiding vertoont.
In mijn bijdrage gaat het echter om de plaatsen waar de gebeurtenissen zich
afspelen. Deze zijn veel sterker geconcentreerd, en wel hoofdzakelijk in het
Land van Overmaas met het hertogdom Limburg. Pas in de laatste fase van de
oorlog verplaatst het strijdtoneel zich naar de Rijn. De definitieve veldslag
wordt hier, op een voor Brabant zeer perifere plaats uitgevochten. Voordien zijn
er een paar fasen in de oorlog geweest waarbij de vijandelijkheden zich in het
Rivierengebied, aan Maas en Waal concentreerden. Hierin was de Hollandse graaf
bondgenoot van de Brabantse hertog tegen de graaf van Gelre.
Onderstaande beschrijving heeft het gedicht van Jan van Heelu als basis. Niet
alle plaatsen waar zich volgens dat werk gebeurtenissen afspeelden, zijn in
kaart gebracht. Er is met name geen rekening gehouden met de feiten die aan de
conflictsituatie in Overmaas voorafgaan, d.w.z. met ongeveer de eerste 1050
verzen, en met een paar intermezzi die ver weg plaatshebben. Er is verder
systematisch gebruik gemaakt van Lodewijk van Velthems Vijfde Partie van de
Spiegel Historiael, die bij de identificatie van een aantal namen een belangrijk
hulpmiddel is. In enkele gevallen wordt door Heelu een streek genoemd van
waaruit strijders vertrekken (dat geldt o.a. voor Zeeland, het land van Breda,
dat van Stavelot); hiermee is geen rekening gehouden aangezien het om een
topografie van de eerste soort gaat. Wanneer Heelu zegt dat zich iets afspeelt
tussen twee plaatsen die dicht bij elkaar liggen (b.v. Halen en Herk-de-Stad), dan zijn deze door een
pijl met twee punten verbonden. Als zo een pijl storend zou werken (b.v. tussen
Maastricht en Aken, waar de kaart al vol is) of als
de plaatsen te ver uit elkaar liggen (b.v. Venlo en de
Bommelerwaard) is er geen pijl ingetekend. De kaart omvat voor zover zij door
Heelu genoemd worden ook de namen van territoria en streken waarin en van
rivieren waarbij de gebeurtenissen worden gesitueerd.
Alle door Heelu genoemde plaatsen konden worden geïdentificeerd, op
één na, Ten Nuwen Grave (3435). In enkele gevallen is de
identificatie niet volstrekt zeker; dit wordt in de tekst aangegeven. In
één geval (Ten Wouden, 3303) komen twee plaatsjes met
ongeveer gelijke kansen in aanmerking: Wau bij Lontzen en Wooz bij Bilstain,
allebei in de buurt van de Limburgse burcht. Ze staan beide voorzien van een
vraagteken op de kaart.
| | | |
Er is bij de identificatie gebruik gemaakt van de volgende hulpmiddelen:
| Boileau 1 = A. Boileau, Over een paar levende
plaatsnamen uit Overmaas: In: Mededelingen van de Vereniging
voor Naamkunde 27 (1951), blz. 67-78. |
| Boileau 2 = A. Boileau, Enquête
dialectale sur la toponymie germanique du nord-est de la province de
Liège. Tome 1: Introduction. Glossaires
toponymiques. Liège 1954. |
| Boileau 3 = A. Boileau, Toponymie
dialectale germano-romane du nord-est de la province de
Liège. Analyse lexicologique et grammaire comparative.
Paris 1971. |
| Corsten = S. Corsten, Der limburgische Erbfolgekrieg an
Maas und Rur. In: Der Tag bei Worringen (zie hierboven),
blz. 211-266. |
| Vander Linden-De Keyser-Van Loey = Lodewijk van Velthem's
Voortzetting van den Spiegel Historiael (derde deel) uitgegeven
door H. Vander Linden; P. De Keyser en A. Van Loey. Brussel 1938. |
| Vander Linden-de Vreese = Lodewijk van Velthem's Voortzetting
van den Spiegel Historiael (1248-1316) opnieuw uitgegeven door H.
Vander Linden en W. de Vreese. Eerste deel. Bruxelles 1906. |
| Venner 1 = G. Venner, Een vermelding van het kasteel
Libeek in 1286. In: Uit Eijsdens Verleden nr. 40, december
1987, blz. 12-15. |
| Venner 2 = G. Venner, Die Grafschaft Geldern vor und
nach Worringen, in: Der Name der Freiheit 1288-1988. Aspekte
Kölner Geschichte von Worringen bis heute. Handbuch zur
Ausstellung des Kölnischen Stadtmuseums in der
Josef-Haubrich-Kunsthalle Köln 29.1.1988-1.5.1988, hrsg. von W.
Schäfke. Köln 1988, blz. 251-265. |
| Willems = Rymkroniek van Jan van Heelu betreffende den Slag
van Woeringen, van het jaar 1288. Uitgegeven met ophelderingen en
aentekeningen, van J.F. Willems. Brussel 1836. |
Een kaart van de geografie van de Limburgse successieoorlog verscheen zonder
topografische commentaar bij mijn artikel ‘De Limburgse
successieoorlog in de middeleeuwse Nederlandse en Duitse
letterkunde’4. Naar aanleiding hiervan
bezorgde drs. L. Augustus uit Heerlen mij een aantal correcties en
preciseringen, die ik in de hier gepubliceerde kaart en in mijn tekst nog heb
kunnen verwerken. Ik dank hem daarvoor hartelijk.
***
In het eerste boek trekt Jan I bij de aanloop van het conflict met een leger van
Heusden ten westen van 's-Hertogenbosch, waar hij een intern Brabants conflict te
beslechten had (niet aangegeven op de kaart), ‘die Mase op’ (1059), ‘Tote Kessele’ (1060),
d.w.z.
Kessel
tussen Roermond en Venlo; vandaar trekt | | | | | | | | ‘sijn conroot / Te Tricht over die Mase’
(1064-65), te Maastricht dus. Hij trek dan ‘int lant / Van Limborch’ (1075-76, 1084-85) en doet daar
de burcht ‘Rincberge neder breken’ (1086). Willems
identificeert dit met ‘Rinberg, Renborch tusschen Aken en
Geilenkerke’, d.w.z. Rimburg, een kasteel aan de
Worm in de Duitse grensgemeente Uebach-Palenberg. De identificatie van het
hiermee corresponderende Reinsberge bij Velthem 1, 3412 met Rheinberg aan de
linker Rijnoever tussen Duisburg en Wesel door Vander Linden-de Vreese is
kennelijk verkeerd. Er heeft dan ‘op die Rore’ (1107), aan
de Roer, een ‘parlement’ met de Keulse
aartsbisschop Siegfried van Westerburg plaats, waar Jan en de aartsbisschop op
reliquieën zweren ‘Datsi vrede ende vast gheleide / Voort
ane met crachte souden / Tusschen Mase enten Rijn’
(1136-38) houden. (Feitelijk werd het verdrag tussen beiden gesloten in het
noordelijker, aan de Niers gelegen Wankum, op 28.8.1279). De hertog verstevigt
zijn voogdijschap in ‘der stat van Aken’
(1179). Dit alles wekt de nijd op van heren uit de streek nijd die tot
uitdrukking komt in een toernooi ‘tusschen Halen
ende Herke’ (1218), d.w.z. Herk-de-Stad en in een
ander ‘te Siberge’ (1264), d.i. Siegburg.
Het successieconflict ging om ‘Limborch ende daer toe dlant’
(1460), Limburg/Limbourg en het daarbij horende territorium.
In een eerste uitval ten oosten van de Maas (in de nazomer van 1283) sticht Jan
brand in het Land van Limburg; er ontstaat een coalitie tegen hem. Reinald van
Gelre slaagt erin, de aartsbisschop daarbij te betrekken door hem Wassenberge
(1582), Wassenberg als pand te geven. In een nieuwe tocht, die
door Heelu als de ‘eerste reese’ (1783) wordt beschouwd,
valt Jan binnen ‘int lant / Van Valkenborch’ (1642-43), het
Land van Valkenburg en doet daar een ‘casteel
hiet Limale’ (1657) afbreken, wat door Corsten wel terecht met
Limmel
bij Maastricht wordt geïdentificeerd. De coalitie
concentreert zich daarop ‘Tusschen Tricht ende Aken’ (1666).
Jan trekt ze tegemoet ‘tote
Gulpen
’ (1687), waar zij van ‘over die Gule’
(1712), de Geul komen. Het komt echter niet tot een veldslag
omdat enkele minderbroeders tussen beide partijen bemiddelen. Daarop keert de
hertog weer ‘Te Brabant wert’ (1761).
De drost van Limburg, Coene Snabbe, die tot de coalitie behoort, rijdt
‘int lant / Van Dalheem’ (1823-24), het Land
van Dalhem, dat al door Jans grootvader Hendrik II met Brabant was
verbonden, maar Reinier van Wegeseten (Visé), de kasteelheer
‘Vander Borch te Dalheem’ (1830), het stadje Dalhem, kan hem gevangennemen. Hij wordt diep in Brabant,
‘Te Genapie’ (1846) te Genappe, veilig
opgesloten. Hij bezat vier burchten, die inzet van zijn gevangenneming worden:
‘Longi, Herle ende Spremont, / Ende Lybois huus’ (1840-41).
Het eerste heet verderop (b.v. 2761) meestal Lonsies, een middeleeuwse Romaanse
spelling5
voor
Lontzen
ten noorden van Eupen. De identificatie met
Loncin ten noordwesten van Luik door Vander Linden-de Vreese bij
Velthem 2, | | | | 3360 is onjuist. Met de tweede burcht is er een
moeilijkheid. Hetzelfde kasteel heet in vers 2787 Herne. Willems is hier
inconsequent en identificeert het in de eerste spelling met Heerlen, in de
tweede met Herve. Velthem 2, 3360 heeft Herne, maar een
handschrift van de Brabantsche Yeesten waar Vander Linden-de Vreese naar
verwijzen, Herve (Zij verwijzen ook nog naar Herne bij Tongeren, d.i.
Sint-Huibrechts-Hern, maar dit komt niet in aanmerking). We moeten wel besluiten
dat Herve bedoeld is. Met het derde kasteel, Spremont, d.i.
Sprimont in de Limburgse enclave bij de Ourthe, is er geen
moeilijkheid. Lybois huus tenslotte schijnt op het eerste gezicht wat ver uit de
buurt te liggen. Het zou om ‘Libois, thans een gehucht behoorende tot
de gemeente Evelette, 12 kilometer ten Zuid-Zuid-Oosten van Andenne’
(Vander Linden-de Vreese), nu onder Ohey, provincie Namen gaan. In de
‘Aanvullingen en Verbeteringen’ op blz. ix in Vander Linden-De Keyser-Van Loey staat echter: ‘In plaats van Libois,
gehucht van Evelette, wordt waarschijnlijk het gebied bedoeld welk aan de
overzijde der bosschen (Fr. bois) gelegen was en tot het hertogdom Limburg
behoorde. Dit gebied bevatte zeven heerlijkheden: Sprimont, Esneux, Tavier,
Villers-aux-Tours, la Chapelle, la Rimière en Baugnée. Zie
hierover C. Simonis6, waar de zeven heerlijkheden van au-delà des bois genoemd worden’. In deze tweede
opvalling gaat het dus om de Limburgse enclave aan de Ourthe. Maar ook deze
blijkt niet juist te zijn. Venner heeft onlangs de aandacht gevestigd op twee
stukken in het archief van de graven van Vlaanderen te Gent, beide vermoedelijk
uit 1286, het ene een klacht van Reinold van Gelre over het bestuur van Limburg,
waardoor o.a. vier kastelen verloren gingen: ‘Sprimont, Gulpen et le
chastel de Lyboi et Lonchit’ (zo Venner 1, 14; Venner 2, 259 voegt
daar nog ‘de stad (bone vile) Herve’ aan toe. De opsomming
stemt dus op Gulpen na met Heelu overeen, die zijn lijstje in 2786-88 met de
variant Herne voor Herle herhaalt; op die plaats gaat het wel om de gebeurtenis
waarover Reinald zich beklaagt). In het antwoord van Walram van Luxemburg is
sprake van ‘Sprimont et Galloppe (= Gulpen, J.G.) et la maison
Liebece’. Van dit laatste is Lyboi kennelijk de Romaanse vorm. Venner
identificeert het met het kasteel Libeek bij Noorbeek. We zitten dus midden in het Overmaasgebied.
Walram van Monschau en Valkenburg brandt voor Maastricht
een kasteel af. Een uitval vanuit de stad mislukt, en aanhangers van de hertog
worden gevangen genomen. Deze stuurt (we zijn dan in december 1283) een nieuw
legertje; met de hulp van aanhangers uit Maastricht en Aken plundert en brandt
dit opnieuw in het land van Valkenburg. Het belegert Rode
(1937) d.w.z. Herzogenrath, maar het beleg mislukt. De
aartsbisschop houdt hof ‘te Nuse’ (1961), d.w.z. Neuss. Daar beslist de coalitie, opnieuw samen te komen
‘Te Valkenborch’ (1982), Valkenburg.
Vandaaruit wil ze Maastricht aanvallen, | | | | maar ze geraakt niet
verder dan ‘tot vore Wijc’ (1995), Wijk op
de rechter Maasoever. Hoewel ‘die brugge / Tusschen Tricht ende Wijc
doe’ defect was (2010-11), slagen Jans aanhangers erin, de aanval af
te slaan. Walram zoekt dan een gemakkelijker prooi en verwoest het land van
Dalhem ‘al toter Borch’, het stadje Dalhem toe (2058).
Daarop wordt Jan zo boos ‘Dat hi selve voor Herve quam’
(2076), het stadje bestormt en het verwoest. Het handschrift heeft eigenlijk
Herne, maar Velthem 2, 3448 en 3451 heeft deze keer Herve. De
weerwraak is laf: een geniepige uitval over de Maas naar een Brabantse uithoek:
‘Lomelle op die Campine’ (2094),
Lommel
in de Kempen dus, dat afgebrand wordt. De Brabanders
bevoorraden het afgesneden Aken van Maastricht uit. Een opstand te Aken wordt
onderdrukt.
De aartsbisschop neemt het meest oostelijke Brabantse steunpunt, de burcht Kerpen (2323) in en wil in de zomer van 1284 met zijn
bondgenoten Aken belegeren. Buiten de stad verwoesten ze ‘enen
kerctoren, / Te Berge ende oec te Horen’ (2373-74). Het gaat hier om
de dorpen
Laurensberg
en
Haaren
(Corsten 241). Jan kan echter een internationaal leger op de been
brengen en ontzet Aken. Bij Gulpen dreigt een nieuwe confrontatie, maar beide
partijen scheiden weer van elkaar zonder dat het tot een veldslag komt. Een
verzoeningspoging van de Franse en de Engelse koning levert geen resultaten op.
Als de vijandelijkheden opnieuw opgenomen worden, spelen zij zich in een grotere
ruimte af en verplaatst het strijdtoneel zich voortdurend. Eerst naar het
grensgebied van Brabant en Gelre aan Maas en Waal, ‘van Veemle tot
Bomelwerde’ (2524). Dit wordt verklaard als ‘van Venlo tot de Bommelerwaard’
(Willems; vgl. ook Vander Linden-de Vreese bij Velthem 2, 3698 en Corsten 246).
Het eerste is ongetwijfeld juist. Wat het tweede betreft, valt op dat de naam
Bommelwerde door Heelu steeds (zesmaal) zonder lidwoord wordt gebruikt, een
gebruik waar Velthem zich bij aansluit, zodat men zich kan afvragen of niet een
bepaalde plaats bedoeld is. Dat zou dan
Zaltbommel
moeten zijn. Daar staat tegenover dat ‘die hertoge te Drielle
/ In Bomelwerde een borch stichten’ deed (3074-75), wat moeilijk iets
anders betekenen kan dan ‘te Driel in de
Bommelerwaard’. Wellicht is zowel het eiland als de plaats bedoeld. In
de genoemde grensstrook van het ‘lant / Van Gelre’ (2525-26)
worden alle burchten verwoest door de Brabanders. De Gelderlanders trekken bij
Venlo (2529 Weenle) de Maas over, maar kunnen de
Brabanders niet verslaan.
Jan wil het verlies van Kerpen wreken en trekt tot ‘voor
Loggelinc’ (2552), d.i. Lechenich aan de Erft, waar
hij het territorium van de aartsbisschop ‘Van Vrisheem tot
Blaetseem’ (2554) verwoest, d.i. van Friesheim tot
Blatzheim. Dan onderneemt hij in de zomer van 1285 met de
koning van Frankrijk een tocht naar Arragon. Tijdens zijn afwezigheid neemt
graaf Hendrik van Luxemburg Freppont (2608) in, d.i. Fraipont
aan de Vesder. De strijd blijft ‘In beiden siden even heet, / Al die
Mase op ende neder, / Van Oesselinc (de Ardennen) | | | | tot Hollant
weder’ (2628), maar vooral toch bij de grens van Gelre, waar Jan van
Kuik, bondgenoot van de hertog, ‘Eene stat, die hiet Ten Grave’ (2637) sticht. Nadat Jan naar Brabant is teruggekeerd
komt een verzoening met Coene Snabbe tot stand, nadat tengevolge van een
conflict tussen diens zoon Heinric en Walram deze laatste met zijn bondgenoten
de burcht Lontzen was gaan belegeren. Dank zij die verzoening wordt Coene op
vrije voeten gesteld. Wel heeft hij nu zijn vier genoemde kastelen aan Jan
overgedragen. Andere steunpunten van Jan in Overmaas zijn o.a. Heinenberge
(2798) en Witham (2799). Met het laatste is
Wittem
bedoeld. Het eerste wordt door Willems met Heinsberg
geïdentificeerd, maar dit is uitgesloten, aangezien deze plaats, in
verzen 4061 en 4067 Heimsberge gespeld, in handen van de aartsbisschop blijkt te
zijn. Heinenberge is daarentegen het oude kasteel ‘op
[en̨brǝχ], off. Eynenburg ou
Emmaburg’7
bij Hergenrath (gem. Kelmis) boven de zuidelijke oever van de Geul, volgens J.
Langohr en H.J. van de Wijer8 al in 1280 in de vorm Eyneburg geattesteerd.
Er komt een verdrag tussen Jan en de graaf van Holland tot stand. Jan, die zich
in de zomer van 1286 o.a. te Gulpen en Maastricht ophoudt, krijgt daar echter
geen of weinig hulp. Wel sturen de Hollanders ‘coggen alle van
Zeelant’ (2845). ‘Alle die Mase op ende neder, / Ende al
dien Wale’ (2848-49), de Waal dus, om Gelre te
brandschatten. Zij verwoesten o.a. een ‘blochuys’ te Mere
(2855). Willems identificeert dit met ‘Mere, by Maestricht’,
d.w.z. Mheer-Banholt, maar dat komt niet uit: we moeten een heel eind
noordelijker aan de Maas of de Waal zitten. Het gaat wel om
Boxmeer
ten zuiden van Nijmegen aan de linker Maasoever
(of eventueel Meerlo, nog wat meer stroomopwaarts). Dan doet Jan Tielle (2864),
Tiel
aan de Waal, tot vesting uitbouwen, maar de plaats wordt aangevallen
door de Gelderse graaf; Jan van Kuik, die ze verdedigt, waagt het niet zich te
verschansen en laat het tot een gevecht in het open veld komen ‘Te
Senne’ (2880), d.i.
Zennewijnen
, waar hij met uit het Land van Breda toegesnelde hulp overwint. Jan zelf
wil Reinald van Gelre een niet teruggegeven leen opnieuw afhandig maken en wacht
met dat doel voor Hoesterwijc (2949),
Oosterwijk
in Zuid-Holland op de hulp van de Hollandse graaf, maar deze komt niet
opdagen, zodat Jan naar de Bommelerwaard resp. Zaltbommel vaart, dat hij
niettegenstaande het verzet van een groep boeren onder leiding van Gheraert van
Rothem kan innemen. Dan trekt hij weer weg, waarop de Gelderlanders Tiel
veroveren en verwoesten. De tegenzet van de hertog is de stichting van een
burcht ‘te Drielle / In Bomelwerde’ (3074-75). Er liggen in
de Bommelerwaard twee dorpen die Driel heten: Velddriel
en
Kerkdriel
. Ongetwijfeld is het laatste bedoeld, dat een strategische positie aan
de Maas innam. De identificatie met | | | | een plaats ‘ten
Zuid-Westen van Arnhem, aan den Betuwschen Rijndijk’ door Vander
Linden-de Vreese (Velthem 2, 3788) wordt door de beschrijving hier en ook in
3438-46 tegengesproken. Jan vaart dan verder de Maas op. De coalitie, waar de
graaf van Vlaanderen zich bij heeft gevoegd, concentreet een leger voor
Maastricht, maar de stad is goed beschermd. Jan houdt krijgsraad in de Kempen,
‘op die Campine’ (3127), ‘Tusschen Molle ende
Merhout’ (3129),
Mol
en
Meerhout
.
Zijn tegenstrevers belegeren Wittem, maar breken op zonder het ingenomen te
hebben. Dan beginnen ze aan een veertigdaagse belegering van Lontzen; ze stuiven
echter uit elkaar als Jan met zijn Franse en Hoogduitse bondgenoten de
belegerden ter hulp komt. De aartsbisschop verschanst zich te Wassenberg,
‘Die grave van Vlaendren te
Namen
’ (3269), die van Luxemburg te Limburg zelf en die van Gelre
‘te Nuwer Stad’ (3272), te
Nieuwstad
. Daarop slaat Jan zijn kamp op ‘te Rimersdale, / Int lant van
Limborch’ (3296-97) en van daar uit verwoest hij vier
‘werhuse’ (3298) die een bedreiging vormden voor het Land
van Dalhem: ‘Te Sineke, ende te Rimersdale, / Ten Woude, ende te
Wilgenru’ (3302-03). Rimersdale,
Remersdaal
, het meest oostelijke dorp van de gemeente Voeren, lag inderdaad in het
Land van Limburg, en de drie andere kastelen lagen in de onmiddellijke buurt.
Sineke is zelfs nu nog een kasteel, Obsinnich onder Teuven, eveneens gemeente Voeren. Wat nu ‘kasteel Sinnich’ wordt genoemd, zijn
de resten van een klooster van kanunnikessen van Sint Augustinus, dat onder het
gezag van de Augustijner abdij Kloosterrade stond. Wilgenru is een middeleeuwse
Romaanse vorm voor Veljaren, thans twee hoeven onder Homburg (gemeente Plombières), halfweg tussen
Homburg-dorp en De Kluis onder Aubel, in 1273
geattesteerd als Wilhonrim, in 1276 als Wilhonriw, huidige Germaanse
dialectische uitspraak Veljaore, huidige Romaanse Viwri9. Met Woude ligt het iets
moeilijker. Boileau10 identificeert het met Wau, een hoeve
onder Lontzen, een tweetal kilometer ten westen van het dorp. Er is echter nog
een tweede Woude, dat vanuit Remersdaal even vlug te bereiken was:
Wooz
, een gehucht op de grens van Bilstain en Hendrikkapelle, iets ten zuiden
van de taalgrens11. De
identificatie door Vander Linden-de Vreese met ‘Wodemont, een buurt
van de gemeente Neufchâteau, in de provincie Luik, ten Oosten van
Daalhem’ is onjuist. Dan trekt Jan naar de vesting Limburg, waar hij
‘Al dat hij buten mure vant, / Op dede gaen metten viere. / Tusschen
die borch ende die riviere / Stonden huse, ende hameiden’ (3114-17).
De ‘riviere’ is de Vesder, de
‘huse ende hameiden’ vormen het plaatsje
Dolhain
. Een uitval vanuit de burcht wordt afgeslagen en alles wordt
‘ontsteken / Vander borch, | | | | tot buten verre, / Moelne
ende huus’ (3330-32). Daar de winter van 1286-87 voor de deur staat,
keert Jan met zijn bondgenoten terug ‘te lande’ (3552), naar
Brabant, waar hij mild geschenken uitdeelt.
De Gelderse graaf had een nieuwe versterking laten bouwen ‘Ten Nuwen
Grave’ (3435), dat ik evenmin als Vander
Linden-de Vreese (Velthem 2, 3785) heb
kunnen identificeren. Die wordt door de Hollanders (Zeelanders) verwoest. Jan
van Kuik kan het intussen verloren Driel heroveren en het bezit van de
Bommelerwaard veiligstellen. Na dit intemezzo verplaatst de strijd zich opnieuw
naar het Land van Overmaas. De graaf van Luxemburg trekt naar Sprimont en laat
daar de kerk tot een burcht uitbouwen; van hier uit begint hij dan het
eigenlijke kasteel van Sprimont te belegeren. Vanuit Dalhem trekt Jan er midden
in de winter naar toe en komt zo terecht ‘in Oesseninc, / Int wilste
lant van Almaengen’ (3502-03). Met Oesseninc zijn de Ardennen gemeend; het woord heeft zich tot vandaag in de vorm Oesling
als benaming voor het noorden van het Groothertogdom Luxemburg kunnen handhaven.
Opvallend is het gebruik van de term Almaengen waarmee dus kennelijk geen taal
wordt geassocieerd. De belegeraars van het slot te Sprimont vluchten, maar de
bastaard van Luxemburg organiseert het verzet ‘Vore Hawelge, op enen
pas’ (3525). Hawelge is Aywaille, de pas is de
overtocht van een rivier ‘Daer was die brugge af te broken’
(3535). Die rivier wordt tweemaal (3533 en 3543) ‘die Orte’
genoemd. Aywaille ligt echter niet aan de Ourthe, wel aan de
Amblève, die enkele kilometers verder
westelijk, te Comblain-au-Pont, in de Ourthe uitmondt. Betrappen we Heelu hier
op een onnauwkeurigheid of heeft de benedenloop van de Amblève, die
niet veel kleiner is dan de Ourthe, vroeger ook zo geheten? Jan verovert de
overtocht, verwoest Aywaille en ontmantelt de kerk van Sprimont.
Na een tussenkomst in een geschil tussen de bisschop van Metz en de graaf van
Bar-le-Duc de volgende zomer (1287) komt in de winter daarop de coalitie van de
aartsbisschop bij Neuss samen. Zij willen het graafschap Berg aanvallen, maar
Jan komt zijn bondgenoot ter hulp. Hij rukt op ‘Te Gulke
binnen’ (3737), d.i. Jülich. Daarop trekt
de aartsbisschop uit ‘des graven lant / Vanden Berge’
(3742-43), het graafschap Berg, waar hij zich al op bevond,
terug en gaat de overtocht ‘Vander Arfenen’ (3745)
controleren, d.w.z. van de rivier de Erft, die verderop (4262)
ook Erfene heet. Jan poogt hem langs de zuidkant te omgaan en rukt via Düren (Duren, 3751) zijn territorium binnen, waar
hij brand sticht. De aartsbisschop en de graaf van Gelre, die zich bij hem heeft
gevoegd, varen de Erft op tot Lechenich. De graven van Luxemburg en van
Monschau/Valkenburg houden zich ‘Die een te Berge, dander te
Rode’ (3769) op om bij te springen. Met te Berge kan niet het
graafschap Berg bedoeld zijn en ook wel niet ‘het kasteel Berg, dat
stond in het huidige dorp Berg (gemeente
Berg-en-Terblijt), in Nederlandsch-Limburg, ten Noord-Oosten van
Maastricht’, wat door Vander Linden-de Vreese (Velthem 2, 3911) wordt
| | | | aangenomen. Meer kans heeft het al genoemde Laurensberg bij
Aken, maar nog meer ‘het kasteel en dorp Nothberg,
vlak bij Eschweiler. Het was een van de twaalf lenen die afhingen van het
hertogdom Limburg en in leen opgedragen waren aan Walram, heer van Monschau en
Valkenburg. Zie: W. Kaemmerer12’, aldus
L. Augustus. Als Jan met de hulp van Walram van Gulik, proost van Aken
‘Te Negfele over, ints bisscops lant’ (3805) - de Neffelbach is een bijriviertje van de Erft, dat tussen
Düren en Lechenich door stroomt - wil trekken, vindt weer een
terugtocht der coalitie van de aartsbisschop plaats; wel houdt zij zich nog een
tijd ‘boven Hoekerken’ (3820) vechtensklaar. De twee
mogelijkheden die Willems hier noemt, ‘Euskirchen tusschen Dueren en
Bonn, of wel Odekirchen, tusschen Wasseberg en Nuys’, zijn wel allebei
verkeerd. Veeleer is Hochkirchen bedoeld, dat aan de
Neffelbach zelf ligt. Jan trekt zich terug in Düren en reist vandaar
weer naar Brabant. Het winterweer (we zijn in de winter van 1287-88) maakte het
bivakkeren te moeilijk.
In een conflict tussen de bisschop van Luik en Walram van Valkenburg/Monschau
trekken de bondgenoten van deze laatste naar het Lant van Valkenburg, maar
vanuit Maastricht komt Herman van Witham ‘op ene
aventstonde’ en sticht brand ‘Bi Mersene’ (3871),
Meerssen
, zodat men de rook kan zien ‘tote voren Dale’
(3874), tot
Voerendaal
, waar Walram en zijn coalitie zich ophouden. Zij denken dat de hertog
zelf gekomen is en trekken zich terug.
Het tweede boek van Heelu's gedicht is veel minder rijk aan geografische
gegevens. Het begint met een ‘parlement’ op Pinksterdag 1288
te Valkenburg, waar de tegenstrevers van de hertog
bijeenkomen, de graaf van Gelre zijn rechten op Limburg aan de graaf van
Luxemburg verkoopt en de anderen zweren deze laatste bij te staan. Jan, die zich
intussen te Maastricht heeft opgehouden, rukt op naar
Valkenburg, maar de aartsbisschop en de anderen trekken zich terug te Heimsberge
(4061, 4067), d.w.z.
Heinsberg
en daarna te Wassenberg. De hertog zet ze na,
sticht brand in het land van Wassenberg en stoot dan door tot de Rijn, waar hij
tussen Keulen en Bonn (4080) zijn paard in
de Rijn laat drinken, een wijngaard van de bisschop bij Bonn laat verwoesten en
‘Ten Brule, inden dire gaert’ (4099) van de aartsbisschop,
dus te Brühl, een jachtpartij wil organiseren.
Terwijl hij op zijn honden wacht komen burgers van Keulen en enkele heren uit
het Rijnland hem om hulp tegen rovers op de wegen tussen Maas en Rijn vragen,
vooral tegen Woeronc (4136), Woeringen, ‘Want dat es
dire rovere nest’ (4137). Zij gaan dan de burcht te Woeringen
belegeren en Jan komt ze spoedig ter hulp. In die situatie mobiliseert de
aartsbisschop alle strijdkrachten die hij kan verzamelen ‘Al den Rijn
op ende neder’ (4222), tot Straatsburg toe. Zij komen samen bij Neuss
aan de Erft. Voor de grote slag begint gaan ze te ‘Bruenwilre te
kerken’ (4270), d.w.z. te Brauweiler. Na een | | | | mis en een preek van de aartsbisschop trekken zij ‘tote
vore Woeronc’ (4340), waar dan de zeer breed geschilderde veldslag
plaatsheeft.
|
1Luik, Librairie P. Gothier.
2Van
Keulen naar Straatsburg. Jan van Heelu's rijmkroniek over de slag bij
Woeringen (1288), in Literatuur 5, 1988, nr. 4.
3Ulrich Lehnhard, Teilnehmer der Schlacht bei
Worringen, in Der Tag bei Worringen 5. Juni 1288,
herausgegeben von W. Janssen und H. Stehkämper,
Köln-Wien 1988, blz. 135-185
4In: J. Goossens
(ed.), Woeringen en de oriëntatie van het
Maasland, Hasselt 1988, blz. 15.
5Zie voor varianten Boileau 2, 266.
6C. Simonis, La
seigneurie et comté d'Esneux, in Bulletin de
l'Institut Archéologique Liégeois, t. XXIV,
blz. 163.
8J.
Langohr en H.J. van de Wijer, Plaatsnamen te
Hergenraat, in Med. Vl. Top. Ver. 15, 1939, blz.
42.
9Vgl. Boileau 1, 75-77; 2, 198; 3, 160, 218, 405 en de
‘Index’; de identificatie is al doorgevoerd door Vander
Linden-de Vreese bij Velthem 2, 3761.
10Boileau 2, 276; zie ook Boileau 3,
180 en 277.
11Boileau 2, 466 en 3, 180.
12W.
Kaemmerer, Ascuilare-Eschweiler in seiner Geschichte
II (= Veröffentlichungen des
bischöflichen Diözesanarchivs Aachen Nr. 27),
Mönchengladbach 1968, blz. 122, 158-171.
|
|