|
|
|
| |
| | | |
[Jozef Leenen]
Op 29.7.1976 overleed te St.-Truiden Dr. Jozef Leenen. Hij was te Opgrimbie geboren op 18 mei 1891.
Van het beginjaar 1949 tot en met 1975 is Leenen redactielid van
Taal en Tongval
geweest. Twee dubbele nummers van dit tijdschrift zijn hem als
huldeblijk aangeboden: een in 1961 bij zijn zeventigste en een in 1971 bij zijn
tachtigste verjaardag. Beide werden ingeleid door zijn vriend Willem
Pée, die bij die gelegenheden een aantal biografische bijzonderheden
over hem publiceerde. Bij het afscheid als redactielid van Caron, Leenen, Pauwels en Pée hebben V.F.
Vanacker en Jo Daan nog eens speciaal de
verdiensten van Leenen voor dit tijdschrift toegelicht1. Ik kan
er mij dan ook van ontslagen achten in te gaan op levensomstandigheden en
redactionele verdiensten van deze voortreffelijke vertegenwoordiger van een type
intellectueel dat jammer genoeg verdwijnt: de wetenschappelijke creatieve
leraar. Evenmin zal ik ingaan op Leenens verdiensten op het gebied van
spraakkunst en spelling van het Nederlands en dat van de taalzorg in Vlaanderen.
In tegenstelling met zijn iets oudere streekgenoten Grootaers, Dupont en Grauls debuteerde de jonge dialectoloog Leenen niet met een studie
over een plaatselijk dialect, maar wel als taalgeograaf. Zijn artikel
Dialecten in Belgisch Limburg
van 19152 is overigens de eerste door een Vlaming gepubliceerde
dialectgeografische studie met wetenschappelijk niveau. Het gaat hier om een
samenvatting van zijn proefschrift uit 1913 dat in manuscript bewaard is. Leenen
werkt er de tegenstelling tussen het West- en het Oostlimburgs in uit en levert
belangrijke gegevens voor de indeling van de Limburgse dialecten. Hieraan zal
hij meer dan dertig jaar later een grondig en gedetailleerd artikel wijden:
Limburgse klankgrenzen
, in 19473. De afstand
tussen beide opstellen wordt overbrugd door de groei van Leenens inzichten in de
Limburgse taalgeografie en taalhistorie in het ruimere verband van de
Nederlandse en Rijnlandse, gekoppeld aan een kritische assimilatie van de
expansio- | | | | logische ideeën in de dialectologie tussen
beide wereldoorlogen en een solide beheersing van de historische grammatica. De
eerste fase van die groei wordt in 1928 gemarkeerd door een volkomen juiste
kritiek op de fouten die Kloeke in verband met het
Limburgs in zijn boek
De Hollandsche expansie
had gemaakt1. Leenens bespreking toont als misschien geen tweede
studie in ons taalgebied de voordelen van een taalgeografie van een beperkt
areaal en haar functie als correctief op groots opgezette synthesen aan.
Twee uitvoerige artikelen uit de tijd tussen de twee indelingen van het Limburgs
behoren tot de klassieke stukken van de Nederlandse dialectologie:
Van ‘Muis’ naar
‘Maus’
, van 1930, en
Tussen ‘Oud’, ‘Old’ en
‘Alt’
, van 19412. Zij tonen beide de Limburgse dialecten in een
ruimere westelijke en oostelijke samenhang, leggen stratificaties van het
taallandschap bloot, laten zien hoe taalgolven afebben in terrasvormige
verspreidingen van combinatorische aspecten van klankwetten, belichten het
typisch Limburgse daarvan in relict en vernieuwing. Bij dat alles is een hoge
mate van exactheid in de beschrijving vast te stellen. Beide stukken zijn
weliswaar stroef geschreven, maar zij munten uit door scherpzinnige observatie
en vermogen tot synthese.
Leenen heeft het geografische beeld dat hij van de Limburgse dialecten ontwierp,
vervolledigd door ook zuidelijke, Romaanse invloeden bij zijn onderzoek te
betrekken. Van belang is hier vooral een onderhoudende bijdrage uit 1938,
Franse taaluitzetting over Limburg
3.
Het artikel Limburgse klankgrenzen van 1947 sluit in hoofdzaak
Leenens activiteit als dialectgeograaf van het Limburgs af. Twee kort daarop
volgende studies kunnen als afrondingen van deze thematiek worden beschouwd:
De Limburgse taalgouw in het Nederlandse taalland
, van 19504 en
Die ‘Rheinische Akzentuierung’ in
Limburg
, van 19525. De eerste is een
historisch overzicht van de Limburgse dialectologie onder geografisch aspect.
Ook in de tweede staat de wetenschapsgeschiedenis centraal; bovendien wordt hier
een poging tot Limburgse accentgeografie ondernomen, waarbij kaf en koren uit
vroegere studies over dit onderwerp gescheiden worden. Toch mag men zeggen dat
deze poging intussen door de aangroei van de feitenkennis over de geografische
| | | | verdeling van sleep- en stoottoon is achterhaald. Overigens had
Leenen zich blijkens nr. 1 uit onderstaande bibliografie reeds zeer vroeg voor
de Limburgse accentuering geïnteresseerd en geprobeerd die
klankwettig te beregelen.
In de taalkundige activiteit van Leenen na 1950 is enerzijds een verruiming,
anderzijds een verenging te constateren. De verruiming gaat van het Limburgs
naar het Nederlands, de verenging van het Limburgs naar het dialect van zijn
geboorteplaats Opgrimbie. Soms vinden verenging en
verruiming elkaar, namelijk wanneer Leenen overeenkomsten tussen zijn dialect en
de Nederlandse standaardtaal in afwijking van dialecten ten westen van Limburg
bespreekt en daarvoor ten dele ook verklaringen geeft. Dat is het geval in zijn
bijdragen tot de discussie over sandhi in het Nederlands1 en in zijn
twee korte artikelen over Ver(zuid)brabantsing van (Belgisch) Limburgs Nederlands2.
Leenens toewending tot het Nederlands betreft o.a. de woordgeografie van de
Nederlandse dialecten zoals die tot uiting komt in de
Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland
. Hieraan heeft hij een artikel gewijd dat als proeve van het lezen van
taalkaarten aankomende dialectologen ter lectuur kan worden aanbevolen3 en verder een
achttal recensies4.
Belangrijk is ook zijn polemisch artikel naar aanleiding van de vierde druk van
A. Bachs Geschichte der deutschen Sprache over de plaats van
het Nederlands in het Germaans en zijn verhouding tot het Duits5. Op een ander vlak
liggend, maar van zeer goede kwaliteit is zijn studie over volksetymologie6.
Zijn toewending tot het dialect van Opgrimbie is afgezien van het hierboven
genoemde en een artikel over de intervocalische d, van
19537, hoofdzakelijk in de laatste vijftien jaar van zijn
leven te situeren. Veel hierin getuigt nog van scherpe waarneming, maar het is
ook niet vrij | | | | van herhaling en van een zekere breedsprakerigheid. De
zeventig- en tachtigjarige Leenen is over zijn hoogtepunt heen.
Voor mijn gevoel heeft Leenen in internationale dialectologische kringen niet de
bekendheid genoten waar hij op grond van zijn scherp intellect, zijn gave tot
synthese, de belangrijkheid van een aantal door hem behandelde onderwerpen en de
kwaliteit van die behandeling recht op had. Dit lag wel gedeeltelijk aan de
rustige en weinig ambitieuze natuur van deze geleerde, die nochtans wist wat hij
kon en ook het debat niet schuwde. Vermoedelijk speelt ook de taal een rol
waarin hij al zijn studies op één na heeft gepubliceerd.
Zijn artikelen over muis/maus en oud/old/alt
zouden, wanneer zij in een Duits tijdschrift in het Duits waren verschenen, ook
bij Duitse dialectologen ruime weerklank hebben gevonden en zijn polemiek met
Bach zou heel wat meer sporen hebben nagelaten dan een voetnoot in de volgende
uitgaven van diens taalgeschiedenis1. Ook zou
zijn belangrijk artikel over volksetymologie in de internationale discussie over
dat onderwerp een rol hebben gespeeld als het in een wereldtaal was geschreven.
De Nederlandse dialectologie verliest in Jozef Leenen
een der belangrijkste pioniers van de taalgeografische methode, de Limburgse een
voortreffelijk kenner van haar taallandschap en zijn geschiedenis.
In
Taal en Tongval
13 (1961), 53-55 en 23 (1971), 63 zijn lijsten van de publikaties van
J. Leenen verschenen, die samen tot 1970 reiken. In de hier volgende lijst zijn
evenmin als in de twee vorige recensies opgenomen2.
| |
Aanvulling en vervolg van de bibliografie van Jozef Leenen
| 1. | Onderzoek naar den oorsprong en de ontwikkeling van het
Limburgsche tweegestaltige accent. Handelingen van het Vierde
Vlaamsch Philologencongres. Brugge 1921, 91-94. |
| 2. | Eenige algemeene eischen te stellen aan een Nederlandsche
spraakkunst voor Belgische scholen. Handelingen van het Zesde
Vlaamsch Philologencongres. Antwerpen 1923, 70-77. |
| | | |
| 3. | De dialektgeografie van oud en goud in het
Limburgs-Rijnlandse gebied. Handelingen van het Elfde Vlaamsch
Filologencongres. Gent 1932, 94-96. |
| 4. | Toelichting van het algemeen onderwijs: taalwetenschap en taalpraktijk. Handelingen van het 23ste
Vlaams Filologencongres. Brussel 1959, 169-170. |
| 5. | Aaneenschrijven van Straatnamen. W(etenschappelijke)
T(ijdingen) 22 (1962), 261-269. |
| 6. | Waarom ‘Kempens’? WT 22 (1962),
301-304. |
| 7. | Aaneenschrijven van Straatnamen. WT 23 (1963),
235-238. |
| 8. | Driekantig verweer. WT 24 (1964-65), 318-322. |
| 9. | De ware betekenis van de Uerdinger lijn.
Niederrheinisches Jahrbuch 8 (1965), 124-128. |
| 10. | Het hijkoespook verschenen. Nu Nog 19 (1971), 4. |
| 11. | Verloren gemopper. Nu Nog 19 (1971), 5. |
| 12. | De ware Machiavelli. Nu Nog 19 (1971), 124-126. |
| 13. | Het ontstaan en de groei van de V.B.O. Nu Nog 20
(1972), 4-5. |
| 14. | De ware Machiavelli. Nu Nog 20 (1972), 14-15. |
| 15. | Noten bij noten: proeven van
voortgezette uitlegkunde. Album Willem Pée. Tongeren
1973, 249-254. |
| 16. | Vreemde woorden op zijn Nederlands uitgesproken. V.
Medeklinkers op zichzelf. Nu Nog 22 (1974), 1-4 en 59-61. |
| 17. | Hulde aan een voortrekker: Eugène de Bock. Nu Nog 22 (1974), 39-40. |
| 18. | Klankverdringing en stembegunstiging in de Limburgse
tongval. Spel van zinnen, Album A. van Loey. Brussel 1975,
189-193. |
| 19. | Panorama van de Limburgse tongval. TT 27 (1975),
57-62. |
| 20. | ‘Handelend voorwerp’, verkeerde
benaming. WT 35 (1976), 125-128. |
J. Goossens.
|
1V.F. Vanacker en Jo Daan, Afscheid van de redactieleden W.J.H. Caron, J. Leenen, J.L.
Pauwels en Willem Pée. TT 28 (1976), 2-5.
2In: Limburgsche Bijdragen 13 (1915),
147-164.
3In: J. Leenen, S. van
der Meer en W. Roukens, Limburgse
dialectgrenzen. Amsterdam 1947 (BMDC IX), 1-13.
1J. Leenen, De Hollandsche expansie van uit Limburg gezien. HCTD 2
(1928), 159-170.
2In: HCTD 4 (1930), 165-215 en 15
(1941), 305-355.
3In: HCTD 52 (1938), 149-167.
4In: Album Grootaers. Leuven 1950,
53-61.
5In: Rheinische
Vierteljahrsblätter 17 (1952), 390-398.
1J. Leenen, Een Limburgse en Nederlandse
uitspraakregel. TT 6 (1954), 1-24. Id., De oorsprong van de ‘Limburgse en Nederlandse
uitspraakregel’, TT 7 (1955), 58-66.
2In: TT 61 (1969), 186-189
en 26 (1970), 118-123.
3J. Leenen, De Taalatlas
van het blad gelezen. TT 4 (1952), 32-39.
4In: Leuv. Bijdr., Bijblad 32 (1940),
77-80; 33 (1941), 25-27; 36 (1944-46), 90-93; 39 (1949), 42-44; 43 (1953),
1-2; 47 (1958), 116-118; 49 (1960), 6-8; 55 (1966), 12-13.
5J. Leenen, Taal of
tongval? TT 3 (1951), 49-66. Vgl. ook Leenens recensie in TT 3 (1951),
44-45 en zijn repliek in TT 4 (1952), 185-186.
6J. Leenen, Is
volksetymologie volkswetenschap? TT 1 (1949), 49-58.
7J. Leenen, De
intervokalische d in een Oostlimburgs dialekt. TT
5 (1953), 58-70.
1In de achtste druk
(Heidelberg 1965) van A. Bach, Geschichte
der deutschen Sprache staat die noot op blz. 272.
2Vgl.
hiervoor vooral: Bibliografie van de Vlaamse tijdschriften door
R. Roemans en H. van Assche, Reeks II,
Afl. 2, Leuvense Bijdragen en Bijblad (Hasselt 1964), 134-138 en Taal en
Tongval, Vijfentwintigjarig register 1949-1973, door A. de Meersman, H. Dewulf, W. Vandeweghe, 56-57.
|
|