Uitgangspunt is het in 1.1 beschreven deelsysteem van het referentiesysteem dat de lange klinkers en de diftongen bevat. De afwijkingen daarvan kunnen tot vier types worden herleid: 1) afwijkingen in de inventaris, 2) afwijkingen in de bezetting van de elementen daarvan, 3) gevallen met een korte klinker in plaats van een te verwachten lange klinker of diftong uit het referentiesysteem, 4) gevallen met een lange klinker of diftong in plaats van een te verwachten korte klinker uit het referentiesysteem. Het derde type is in 3.4 en het vierde in 3.3 besproken. Daarop hoeft in dit hoofdstuk niet meer te worden ingegaan.
Er doen zich zeven gevallen voor, waarvan de eerste twee en de volgende drie
telkens enger samenhoren: 1) Sommige dialecten kennen umlaut bij â, ô, oe (en û), wat een vergroting van
de inventaris met de elementen
,
, üe tot gevolg heeft. 2) In sommige dialecten
omvat de
niet de woorden en woordvormen met wg. û zonder
umlautfactor, aangezien deze laatste er niet gepalataliseerd is; deze
dialecten hebben dus een û, die de lacune in
het velare deel vanhet systeem vult. 3) In sommige dialecten bestaat er niet
één zachtlange ē, maar hebben we twee of drie zachtlange klinkers in het
ongeronde palatale deel van het langeklinkersysteem als resultaat van
rekking van verschillende wg. korte klinkers. 4) In sommige dialecten
bestaat er geen
, maar is ā van â te scheiden.
5) In sommige dialecten bestaat er niet één zachtlange ō,
maar hebben we twee zachtlange klinkers in het velare deel van het
langeklinkersysteem als resultaat van rekking van verschillende wg. korte
klinkers. De afwijkingen 3, 4 en 5 impliceren telkens uitbreidingen van de
inventaris op basis van rekkingen. 6) In sommige dialecten ontbreken geronde
palatale lange klinkers en diftongen, waardoor de inventaris verkleind
wordt. 7) In het latere mnl. hebben sommige dialecten diftongering van î en
(en eventueel van de onder afwijking 2 genoemde û). Het resultaat daarvan kan, maar moet niet noodzakelijk met ei, öü (en ou)
samenvallen. Is dit laatste het geval, dan wordt de inventaris verkleind.
De umlauten van â, ô en oe zijn volgens 2.1 en 2.2 in de oostelijke helft van het
taalgebied te verwachten. Dat is blijkens Van Loeys Klankleer inderdaad het geval: voor
, de umlaut van â wordt volgens § 51d in dat
gebied vaak e geschreven (type herinc,
kese), voor
, de umlaut van ô volgens §§ 62 en 84 vaak
ue (type ghelueven, tuegen),
voor üe, de umlaut van oe volgens §
87 eveneens vaak ue (type gruene,
prueven). Van Loey rekent hierbij
telkens het Brabants expliciet tot het gebied met umlaut. Dat de
grafieën voor de umlauten van ô en oe dezelfde zijn, betekent geenszins dat het vocalisme van geloven in de oostelijke helft van ons taalgebied met
dat van proeven zou zijn samengevallen. Op grond van
de toestand in de moderne dialecten(1) mogen we integendeel aannemen,
dat dat in de regel niet het geval zal zijn geweest. Eveneens kan worden
aangenomen dat
vaak niet is samengevallen met ē of ê en
niet met
, hoewel Van Loey in de opmerking bij § 48 aanneemt: ‘De ē als umlaut van ā en â rijmt overal op ē..., nooit op ê’. M.i. is voor de rijmmogelijkheden van
verder onderzoek noodzakelijk, hoewel door de invloed van de
westelijke literatuurtaal het aantal rijmparen dat hiervoor in
aanmerking komt, vrij gering zal zijn. In het moderne Westbrabants
blijkt de
met de open rekkings-ē (zie 2.2.6 en vgl.
ook 4.1.3) te zijn samengevallen(2).
Wat üe als umlaut van oe betreft, zijn er interessante fonologische consequenties. In het referentiesysteem (zie 1.1 en 1.3) hadden we een
complementaire verdeling van [
] (niet voor r) en [üe] (voor r) aangenomen. Doordat de umlaut üe
(prüeven) van de oe, die ook in
andere posities voorkwam dan voor r, met de [üe] van
suur (= [süer]) samenviel, werd deze
complementaire verdeling doorbroken, zodat minimale paren van het type
h
den ‘huiden’ ≠ hüeden
‘hoeden, bewaken’ konden ontstaan. Voor het oosten van het taalgebied is
er dus een oppositie
≠ üe aan te nemen, die ten westen van de
umlautgrens ontbreekt. Toch kan ook voor een deel van het westen een
fonemisering van deze oppositie aangenomen worden, maar dan op grond van
heel andere factoren: zie hiervoor 4.2.11.
Verder moet worden geconstateerd dat in sommige woorden in het oosten bij de oe het teken ue van zijn palatale tegenhanger wordt gebezigd zonder dat het zeker is of er ooit een umlautfactor heeft gestaan. Op grond van het vocalisme van die woorden in de moderne dialecten is dit zelfs voor de meerderheid van de in de opmerking bij § 87 in Van Loey genoemde gevallen (b.v. gued, puel) onwaarschijnlijk.
Wat tenslotte de umlaut van wg. û betreft, die moet tegen de achtergrond van 4.1.2 beoordeeld worden.
De
en zijn allofoon üe uit het
referentiesysteem zijn het resultaat van een samenval door
monoftongering van de wg. diftong iu en door spontane
palatalisatie van de wg. lange klinker û. De
palatalisatie van û beslaat blijkens 2.2.4 thans een
westelijk gebied dat het areaal omvat waar de secundaire umlauten niet
gefonemiseerd zijn plus ongeveer de westelijke helft van het gebied met
die umlauten, m.a.w. ook het Brabants en het Utrechts. Of de westelijke
palatalisatie in de mnl. periode al zo ver over de oostelijke umlaut
heen was geschoven als in de moderne dialecten, is moeilijk te
controleren, omdat zowel de op iu en op umlaut van wg.
û teruggaande palatale
van b.v. lude ‘lieden’ en cruce ‘kruis’ als de op niet-umgelautete wg. û
teruggaande velare û van b.v. buten
‘buiten’ in het oosten u, uu worden
geschreven, net zoals de uniforme palatale
van het westen. Voor r echter, de positie
waarin het moderne Oostbrabants de oorspronkelijke toestand het best
heeft bewaard, zijn er vrij talrijke (ook Oostbrabantse) spellingen die
op velaar vocalisme wijzen. Van Loey § 88, aant. b geeft b.v. voor Zouwleeuw 1421 moyer ‘muur’,
voor Tienen 1400 zoerbeempde,
voor Diest 1448 moer en de
oirclocke. Bij dit soort spellingen, dat ook in
het Limburgs voorkomt, is wel samenval met de oe van
het referentiesysteem aan te nemen. Toch zijn er ook pogingen tot
weergave van de velare uitspraak in andere posities dan voor r, zoals (eveneens § 88, aant. b) St.-Truiden 1394 bouten ‘buiten’, Tongeren 1396 ploemen
‘pluimen’, die eveneens in het Oostbrabants optreden:
Zoutleeuw 1472 bouten, Diest 1448 doumen, Herentals 1448 tgetoent ‘tuin, heg’.
Voor het oostelijke vierde van het taalgebied is dus het bestaan van een
û als zelfstandig foneem naast een
aan te nemen. Deze heeft echter wel in de regel geen
diftongisch allofoon voor r, omdat de diftong van moer ‘muur’ en zoer ‘zuur’ met die
van boec en voet is samengevallen.
De uitwerking van de in 4.1.1 en 4.1.2 behandelde verschijnselen is een driedeling van het taalgebied in westen, midden en oosten, met volgende langeklinker- en diftongsystemen:

Wat de rekking van de wg. korte klinkers in open lettergreep (en ook voor r + dentaal) betreft, hier zijn met betrekking tot de inventaris drie types afwijkingen van het referentiesysteem te onderscheiden:
Voor rekking in het ongeronde palatale deel van het systeem kwamen in aanmerking wg. i, de ẹ en de ë. Men zou hier nog de secundaire umlaut van a (type meegde ‘meisjes’) aan toe kunnen voegen, maar die is in open lettergreep zeldzaam en in zijn geografisch beperkt gebied valt hij steeds met de gerekte ë samen, waardoor wij hem niet als een aparte grootheid hoeven te beschouwen.
In de nnl. standaardtaal zijn de rekkingsprodukten van i, ẹ en ë samengevallen (hemel met i, lepel met ẹ en geven met ë hebben hetzelfde vocalisme); bovendien is hiermee de ê van been samengevallen. In het mnl. zijn in de regel de rekkings-ē's van de ê te onderscheiden; wel kan voor het gebied ten westen van de umlautbundel niet alleen samenval van gerekte ẹ en ë, maar bovendien ook van gerekte i worden aangenomen.
Ten oosten van de bundel is parallel met de ontwikkeling in gesloten lettergreep een tegenstelling tussen het gesloten rekkingsprodukt van ẹ en het open van ë te verwachten. Uit 2.2.6 is gebleken dat dit met een aantal complicaties in de moderne dialecten inderdaad het geval is, zodat we het ook veilig voor het oostelijke mnl. kunnen aannemen, ook al blijkt dit niet uit de teksten. Wat in 3.1.2 over ẹ en ë in gesloten lettergreep is geconstateerd, geldt mutatis mutandis ook voor deze klinkers in open lettergreep. Ook hier blijkt een systematisch onderzoek van rijmen in oostelijke dichtwerken noodzakelijk.
Het rekkingsprodukt van de i valt in oostelijke dialecten meestal met dat van de ẹ samen; in een aantal woorden echter, vooral zulke waarin de tweede lettergreep op -el eindigt, levert de rekking van de i ten oosten van het Brabants en het Utrechts een nog meer gesloten klinker op (type hiemel ‘hemel’, ziegel ‘zegel’). Dan hebben we dus in het Limburgs drie ongeronde palatale rekkingsklinkers (ī, ẹ̄ en ë̄) en in het Nederrijnse en noordoostelijke gebied (waar ẹ en ë zoals in 2.2.6 werd vastgesteld, zijn samengevallen) twee (ī en ē). Het hier besproken rekkingsprodukt van i wordt in het oostelijke mnl. ook vaak met een apart teken weergegeven, zoals Van Loey in § 50, opm. 2 (gescrieven, gesie gel enz.)constateert(3).
Over de gescheiden ontwikkeling resp. de samenval van de â van slapen en laten en de ā van maken en vader in de dialecten is op het ogenblik wel zoveel bekend, dat we aan kunnen nemen dat het oosten van het taalgebied (ongeveer van de IJsselmonding tot de grens van het Brabants en het Limburgs), op Groningen en Noord-Drente na, die twee klanken nog onderscheidt - waarbij de â meer gesloten-velaar wordt gerealiseerd dan de ā -, het westen (wellicht op een deel van Noord-Holland na) niet(4). Wel heeft er in het westen vaak na de samenval een secundaire splitsing onder de invloed van het volgende consonantisme (dentaal tegen labiaal/velaar) plaats gehad; dit is vooral voor West-Vlaanderen goed onderzocht(5).
In het mnl. kan het oostelijke gebied met gescheiden ontwikkeling niet kleiner geweest zijn dan nu. Van Loey suggereert in § 40 dat er toen aan de
Westvlaamse kust nog een tweede relictgebied heeft gelegen; in hoeverre dit op interpretatie van de hierboven medegedeelde gegevens en in hoeverre op beoordelingen van mnl. spellingen (zie nog § 41b) berust, is niet volkomen duidelijk. Wenselijk is een systematisch onderzoek van de â/ā-rijmen, die bij Maerlant blijken voor te komen (Klankleer, § 41b), maar bij Veldeke vrijwel ontbreken(6). Het voorkomen van zulke rijmen hoeft niet noodzakelijk tot foneemsamenval te doen besluiten (het kan ook door een vergroting van de rijmmogelijkheden en invloed van dialecten met samenval worden verklaard); wel is hun ontbreken een sterke indicatie voor gescheiden ontwikkeling.
Dit laatste blijkt voor het oosten niet alleen uit Veldekes rijmen, maar ook uit spellingen in allerhande teksten: de â wordt in Limburg en (vooral oostelijk) Brabant herhaaldelijk met o of oe weergegeven (type swoger ‘zwager’, moend ‘maand’): zie Klankleer, aant. b bij § 41. Van Loey neemt op deze plaats ook aan dat dit ‘niet in het Gelders-Kleefs’ voorkomt, en inderdaad ontbreken in de lange lijst van â-woorden in § 40 bij Tille zulke spellingen. De scheiding van â en ā wordt er echter op een averechtse manier zichtbaar, namelijk door spellingen van het type baven voor ‘boven’ en apen voor ‘open’, die in Klankleer, § 76, opm. 1 vermeld worden: niet de gerekte a, maar de gerekte o blijkt hier met de â te zijn samengevallen. Zie hiervoor verder 4.2.7,2).
Evenmin als in gesloten lettergreep is de ontwikkeling van wg. u en o in open lettergreep in de nl. dialecten systematisch vergelijkend onderzocht. Het oostelijke gebied waar ze in open lettergreep niet zijn samengevallen, vertoont wel overeenkomst met dat van een gescheiden ontwikkeling in gesloten syllabe(7), maar met name het Noordhollands staat
ditmaal door samenval op westelijk standpunt(8). In een schematiserende voorstelling van de verdeling in het mnl. nemen we best - op Noord-Holland na - parallellisme met de ontwikkeling in gesloten lettergreep aan.
Hoewel Van Loey op dit punt niet ingaat, wat blijkbaar te verklaren is door het feit dat oostelijke teksten het verschil tussen gerekte u en o in de regel niet weergeven, is er tenminste één duidelijke indicatie voor het voorkomen van het verschil in dat gebied: in Nederrijnse teksten is er weliswaar grotendeels parallellisme in de schrijfwijze van o en u in open lettergreep, maar de zeer karakteristieke spelling a (baven ‘boven’) in woorden met wg. o ontbreekt in woorden met wg. u volkomen(9).
De in 4.1.3, 4.1.4 en 4.1.5 behandelde geografische verschillen in de
rekking van wg. korte klinkers kunnen nu op de systeemverdeling worden
geënt, die als resultaat van de werking van umlaut en palatalisatie op
het einde van 4.1.2 was aangenomen. Uit de driedeling van het taalgebied
wordt nu een vierdeling, doordat het oostelijke gebied in een zuidelijk
en een noordelijk deel uiteenvalt. In het schema is bij de gerekte
klinkers steeds door exponering de oorsprong aangegeven, behalve bij de
, die overal op ü teruggaat.

De twee volgende punten leveren alleen nog maar retouches bij dit beeld op.
Evenals bij de korte geronde voorklinkers (3.1.3) bestaat er bij hun
lange en diftongische tegenhangers in sommige streken een
ontrondingstendens. Bekend is ook hier een z.g. Ingweoonse ontronding,
en wel bij de
(type evel ‘euvel’, hepe
‘heup’: zie Klankleer, § 54), maar die komt slechts in
een welomschreven groep woorden voor en heeft niet tot gevolg dat er een
ontbreekt. In het woord selen ‘zullen’ is
deze ontronding hoofdzakelijk Zuidbrabants: zie ook Vangassen 1962.
Daarnaast kan echter parallel met de korte klinkers systematische
ontronding worden aangenomen in sociaal lager gewaardeerde taalvormen
van de huidige ontrondingsgebieden en hun omgeving in Zuid-Brabant en
Limburg. Deze komt echter slechts uitzonderlijk in het schrift tot
uiting. In de aantekeningen bij § 54 zijn in Van
Loey voorbeelden te vinden van ontronde
(doget, due get in rijm op seget en meget, melen voor ‘molen’, gevlegelt voor ‘gevleugeld’), in de aantekeningen bij
§ 10 van ontronde
(gheleft voor ‘gelooft’, imperatief en heyesten voor ‘hoogste’). Een overtuigend voorbeeld
van systematisch ontronde üe ontbreekt; bij wenesdages voor ‘woensdag’ geeft Van Loey zelf te
verstaan (aant. bij §§ 54 en 63, met bibliografie) dat dit een speciaal
geval is; we zien hierin wel best een Ingweoonse ontronding van een
eveneens Ingweoons gepalataliseerde oe (het oosten van
het taalgebied heeft in dit woord geen umlaut).
Verder ontbreken er voorbeelden van ontronde
. Ook de moderne ontrondende Zuidbrabantse dialecten
delabialiseren de
in de regel niet. Dit zou dan een kwestie van relatieve
chronologie kunnen zijn; wanneer namelijk de palatalisatie jonger is dan
de ontronding, kwam deze laatste te vroeg om de
te ontronden. Toch heeft het moderne Leuvens mīr en zīr voor ‘muur’ en ‘zuur’(10). Heeft de palatalisatie zich voor
r (dus bij [üe]) vlugger voltrokken dan in andere
posities (dus bij [
])? Andere hypothesen over het ontbreken van de ontronding bij
deze klinker worden door Taeldeman besproken(11).
In zekere zin kan ook als Ingweoons beschouwd worden de ontronding van de öü, die in een deel van het Vlaams voorkomt. In het RNDA-materiaal voor spuit, werkwoord, 3e pers. sg. (zin 127) heeft de oostelijke twee derde van West-Vlaanderen samen met heel Oost-Vlaanderen ontrond vocalisme, maar bij andere woorden zou het grensverloop anders kunnen
zijn. Van Loey geeft mnl. voorbeelden van deze ontronding in §§ 91 (gley ‘dakriet’) en 93 (pey ‘pui’, heyke ‘huik, kapmantel’, wellicht ook vernei ‘verdriet’) en karakteriseert het verschijnsel als Westvlaams. De Brugse monografieën van v. Haverbeke en Willemyns leveren geen gegevens op. Hoebeke geeft voor Oudenaarde een aantal spellingen van het type ghelie voor ‘glui, dekstro’, de variant Seys voor de familienaam Suys, spei voor ‘spui, sluis’, Rye voor de plaatsnaam Ruien en ook het minder overtuigende forneys/fornays voor ‘fornuis’(12), maar de geronde vormen overheersen duidelijk.
In een deel van de nl. dialecten evenals in de standaardtaal is
diftongering opgetreden van de gesloten lange klinkers, dus î en
, in de gebieden 3 en 4, voor zover die erdoor werden
aangetast, ook van de û. De diftongeringsprodukten
zijn in de standaardtaal ei en öü;
zij zijn er samengevallen met mnl. ei en öü, maar worden nog steeds ij en ui geschreven. Het gebied van de diftongering omvat
thans het middenstuk van het taalgebied (Holland, Utrecht, Brabant,
Oost-Vlaanderen, West-Limburg)(13), waarbij de concrete realisaties van het
diftongeringsprodukt, dat vaak secundair opnieuw gemonoftongeerd werd,
van streek tot streek sterk kunnen verschillen. Het westen
(West-Vlaanderen en Zeeland) en het oosten (Oost-Limburg, de gebieden
ten noorden en ten oosten van de IJssel) hebben nog de oude monoftong,
die in het westelijke relictgebied tot i resp. ü is verkort.
In mnl. documenten kan de diftongering op twee manieren zichtbaar worden:
1) door weergave van oude î en
met de tekens voor mnl. ei en öü, 2) door inverse spelling, d.w.z. i of
ij voor mnl. ei en u, uu, ui voor mnl. öü. De eerste sporen van
diftongering zijn volgens Van Loey § 66, aant. ben § 68 in de 14e eeuw
in het Zuidbrabants aan te treffen; uit de 15e eeuw zijn ook Hollandse
voorbeelden bekend(14). De centraalzuidelijke diftongering moet vlug om zich heen
gegrepen hebben: voor Oudenaarde, toch vrij dicht bij de huidige grens
van het westelijke gebied met bewaarde monoftong, neemt Hoebeke aan, dat
de oude î - tenminste in een variant van het dialect
van die plaats - al kort na 1400 als ei klonk(15).
Nagenoeg alle verzamelde bewijsplaatsen hebben betrekking op de
diftongering van î. Dat zulke gegevens voor
vrijwel ontbreken, is wegens de zwakke bezetting van mnl. öü zeer begrijpelijk; toch kan hier
zonder bezwaar parallellisme in de ontwikkeling worden aangenomen, wat
Van Loey in § 88 ook doet. Alleen Hoebeke heeft bij mijn weten materiaal
ter adstructie van de diftongering van
aangedragen: als zodanig beschouwt hij de Oudenaardse
spellingen duyeuwe huus ‘duivenhuis’, Veude/Veuwe (familienaam), theun/thewn
‘tuin’ en lochteuin/lochtwijn ‘lochting, looktuin’ uit
de tweede helft van de 15e eeuw(16).

De zeven besproken verschijnselen leveren samen met de ermee verbonden
taalgeografische contrasten de ruimtelijke verdelingen van langeklinker-
en diftongin ventarissen op die door kaart 6 worden samengevat. Voor de
van 1 tot 4 genummerde gebieden worden de inventarissen aangenomen die
op het einde van 4.1.5 zijn opgesteld, met de volgende modificaties: 1)
In het omlijnde Vlaamse gebied ontbrak de öü; 2) In de
gearceerde Zuidbrabantse en Limburgse gebieden ontbrak vermoedelijk in
de volkstaal de reeks geronde voorklinkers (in het Brabants dient er
voorbehoud gemaakt te worden voor de
zonder umlautfactor); 3) Een stippellijn geeft voor het latere
mnl. een Zuidbrabantse diftongeringshaard
met zijn eerste expansie aan; de jongere Hollandse haard is niet in kaart gebracht. Een precieze afbakening van de diftongering is overigens uitgesloten, ten eerste omdat het materiaal geen uitspraken toelaat die geografisch nauwkeurig zijn, ten tweede omdat het om een verschijnsel in beweging gaat. Overigens maakt de kaart ook in andere opzichten in verband met de getrokken grenzen geen aanspraak op nauwkeurigheid. Daar is aan toe te voegen dat er in de grensstroken tussen de vier grote gebieden overgangssystemen met een hoge complexiteitsgraad kunnen hebben bestaan, maar dat het weinig zin heeft, daarover te speculeren.
Het referentiesysteem was een taalwerkelijkheid in het westen (gebied 1),
van Vlaanderen tot Holland, met - wegens de ontronding van de öü - een restrictie voor een deel van Vlaanderen. In
het midden (gebied 2) was het systeem wegens de fonemisering van de
secundaire umlauten vier elementen rijker (een tweede zachtlange ē, een
, een
en tenslotte een üe als zelfstandig foneem,
hoewel wat deze klank betreft voor het westen onder 4.2.11 nog een
correctie wordt aangebracht). Het spreekt vanzelf dat de andere
zachtlange ē, de â en de ô dan in gebied 2 een zwakkere lexicale bezetting
hebben dan hun tegenhangers in gebied 1. In het zuidoosten (gebied 3) is
het systeem nog eens drie elementen rijker: zachtlange ī en ū evenals de niet gepalataliseerde û. Daardoor heeft het zuidoosten het onwaarschijnlijk
hoge getal van zes openingsgraden in het langeklinkersysteem. Dit is in
het noordoosten (gebied 4) door de samenval van de twee zachtlange ē's en die van zachtlange ō met â tot vijf gereduceerd.
Maar ook vijf, het aantal dat met een andere verdeling ook in gebied 2 is aan te treffen, is nog erg hoog. Het lijkt daarom ten eerste waarschijnlijk dat in de gebieden 2 en 4 en zeker in gebied 3 een deel van de klinkers van de aangenomen systemen diftongisch zal zijn gerealiseerd. Ten tweede is secundaire samenval van elementen van die systemen op geografisch zeer uiteenlopende manieren te verwachten. In de moderne dialecten van die gebieden zijn zulke gediversifieerde hergroeperingen veelvuldig vast te stellen; zij behoren echter niet tot de thematiek van deze studie, evenmin als de nog jongere splitsingen en hergroeperingen die regionaal als een soort ‘oppervlakte verschijnselen’ op de besproken systemen zijn geënt. Voor het Oostvlaams en het Westbrabants kan men b.v. daarvoor terecht bij Taeldeman(17). Wat wel nog te behandelen is, zijn de afwijkingen in de lexicale bezetting van de aangenomen mnl. inventarissen, waarvan sommige een ingrijpend karakter vertonen.
Het gaat in gebied 1 om afwijkingen in de bezetting van de elementen van het referentiesysteem, in de gebieden 2, 3 en 4 om afwijkingen van de eventueel daaruit verder afgesplitste elementen die in 4.1 voor de systemen van die gebieden zijn aangenomen.
Een belangrijk punt dat van de afwijkingen in de lexicale bezetting van de
systeemelementen gescheiden moet worden, is de normerende kracht van de
spelling van de elementen van het referentiesysteem (concreet: van de
westelijke spelling) in de gebieden 2, 3 en 4, waardoor daar vaak spellingen
voorkomen die van de op grond van een uitsplitsende klankwet te verwachten
spelling van een uitgesplitst element afwijken, en wel zo dat ze met die van
het element uit het referentiesysteem waaruit dat element in gebied 2, 3, 4
is afgesplitst, overeenkomen. Een voorbeeld: Het werkwoord geloven heeft in gebied 2, 3, 4 een
, door umlaut afgesplitst uit de ô van het
referentiesysteem. De karakteristieke weergave van deze
is het teken ue, waarmee er dit woord dan ook
geschreven kan worden (g(h)elueven). Daarnaast komen
echter ook spellingen met o, oe voor (g(h)elo(e)ven), met de gebruikelijke tekens voor de ô in het westen(18). Zulke terugkoppelingen naar het referentiesysteem, die in
sommige gevallen categorisch (b.v. wat het niet weergeven van het verschil
tussen de twee zachtlange ē's in gebieden 2 en 3 betreft),
in andere variabel blijken te zijn (b.v. bij het gebruik van de tekens voor
en ô bij
en
in gebieden 2, 3 en 4), zijn principieel niet in de lijst van de
afwijkingen in de lexicale bezetting verwerkt. Zie voor deze problematiek
ook de Inleiding.
Een afwijking in de lexicale bezetting van een element a van een systeem betekent, dat dit element a in een aantal woorden en woordvormen waarin het op grond van de beschrijving van 4.1 te verwachten was, niet voorkomt (vermindering van de bezetting van a), wat automatisch tot gevolg heeft, dat een element b, dat eveneens op grond van die beschrijving niet te verwachten was, in die woorden en woordvormen wel voorkomt (vermeerdering van de bezetting van b). Om de overzichtelijkheid van deze paragraaf te verhogen worden de verminderingen in de bezetting van mnl. lange vocalen en diftongen telkens expliciet beschreven en de vermeerderingen telkens door een verwijzing aangegeven.
Afwijkingen van â
| 1) | De ê in de 2e en 3e persoon ind. presens sg. van gaen en staen: ghees, gheet; stees, steet: zie Klankleer § 59, opm. 2 en vgl. Gysseling 1977. |
| 2) | In verba pura (maaien, naaien, zaaien...) en
daarmee samenhangende substantieven (draai, kraai,
zwaai...) treedt er in het nnl. een combinatie aa + i op, die ook in het mnl. voorkomt
blijkens spellingen van het type maeien, draien,
wayen. Het eerste element is een â, die in
een umlautpositie staat met blijkbaar geografisch andere
consequenties dan in woorden van het type kaas en
haring. Vermoedelijk ligt dit aan het
hiaatvullend karakter van de i, die in sommige
streken ontbroken schijnt te hebben. Het type dreyen,
meyen, neyen (wel met + i en niet met de ei
van het referentiesysteem) komt volgens Van Loey, § 92, opm. 1 in
Hollandse, Limburgse en Oostbrabantse teksten voor. Het huidige
Hollands heeft echter aai, oai, zelfs in gebieden
met spontane palatalisatie van â(19), terwijl in het zuiden de umlautgrens in
deze woorden met de Getebundel samenvalt en het Oostbrabants dus op
westelijk, umlautloos standpunt staat(20). |
OPM.: Vermeerdering van de bezetting: zie 4.2.7, 2) en 4.2.16.
Afwijkingen van ā
| 1) | De door rekking uit ẹ ontstane ē is in vormen die morfologisch met umlautloze vormen alterneerden, in de nnl. standaardtaal en ook in de regel al in het westelijke mnl. (referentiesysteem) door ā vervangen. In het oostelijke mnl. hebben de vormen met ē zich beter kunnen handhaven: daar vindt men dus nog geregeld glesijn in plaats van glasijn naast glas, negelen in plaats van nagelen naast nagel enz.: zie Klankleer § 51b. In de huidige centrale dialecten (gebied 2) heeft zich meestal de ā doorgezet, terwijl in de oostelijke dialecten (gebieden 3, 4) de umlaut zich in de regel heeft kunnen handhaven. Over het verdringingsproces in het Zuidwestbrabants heeft Van Loey vroeger uitvoerig materiaal gepubliceerd(21). |
| 2) | In principe alleen mogelijk ten oosten van de umlautbundel is in tegenstelling met de vorige de ē uit secundaire umlaut van a in open lettergreep, die we in 4.1.3 bij de gerekte ë hebben gevoegd: type ghederen ‘gaderen’, jeghere ‘jager’. Verdere voorbeelden in Klankleer § 51c. |
| 3) | In enkele werkwoorden van de 6e klasse der sterke werkwoorden (varen, voer, voeren, gevaren) verschijnt door analogie met de 5e (geven, gaf, gaven, gegeven) in het voltooid deelwoord ē in plaats van ā (gedregen, geslegen). Deze ē komt ook in de infinitief voor, en wel vooral in Holland: zie Van Loey § 51, opm. 2, die dan aan invloed van het participium denkt of een ingweonisme vermoedt. Een ander denkbaar uitgangspunt is de klankwettige umlaut in de 2e en 3e persoon sg. ind. presens (veers, veert), die blijkbaar in sommige streken (provincie Antwerpen) analoge infinitieven van het type veren, greven heeft opgeleverd: vgl. het in 2.2.6 gezegde over het vocalisme van werkwoorden als breken en vechten in dat gebied. |
OPM.: Vermeerdering van de bezetting: zie 4.2.4,2).
Afwijkingen van 
OPM.: Vermeerdering van de bezetting: zie 4.2.1,2).
Afwijkingen van ē
| 1) | In sommige woorden is ronding tot vast te stellen, meestal in de buurt van labialen (type
weuke ‘week’, voel ‘veel’):
Klankleer § 57. |
| 2) | In westelijke dialecten (Vlaams, Hollands, ook Brabants) verschijnt soms een ā in plaats van ē voor r in (oorspronkelijk) open syllabe (type bare ‘beer’, warelt ‘wereld’): Klankleer § 44. |
OPM.: Vermeerdering van de bezetting: zie 4.2.2, 1), 2) en 3); 4.2.12 (?).
Afwijkingen van ê
Deze zijn grotendeels te verklaren door de verhouding van ê tot ei, die beide op og. ai teruggaan (zie 1.3). De verdeling van ê en ei is in de standaardtaal en in de noordelijke plus de Brabantse en Westlimburgse dialecten op weinige uitzonderingen na geregeld volgens sequentie 1, in het Oostlimburgs en het zuidelijke Nederrijns echter volgens sequentie 2, waarbij de openende factor evenals in het Hoogduits een oorspronkelijke h, r, w die erop volgde of de positie in de auslaut is geweest. In deze positie vindt men er dus ê, in alle andere ei. Er zijn twee gebieden met gelijkschakeling: een klein in het centrale zuiden van Belgisch-Limburg(22) en een groter in West- en Frans-Vlaanderen. De veralgemeende vocaal is er de ê. Het Oostvlaams is een overgangsgebied met een opvallende lexicale diffusie: naarmate men van het Brabants dichter naar het Westvlaams
toegaat, neemt het aantal gevallen met ei af en in plaats daarvan dat met ê toe en omgekeerd(23). Kaart 7 is een schets van de verhoudingen in het Nederlandse taalgebied. De Vlaamse afwijkingen (vermeerdering van de bezetting van ê) worden in 4.2.14 expliciet behandeld.
| 1) | Regionale afwijkingen van de standaard-verdeling met ei in plaats van ê zijn vooral in het zuidoosten te verwachten. Een opsomming staat in Van Loey § 59. Voorbeelden: teiken ‘teken’, weit ‘weet’. Toch komen er in teksten uit het centrale gebied nogal eens ei-spellingen voor waar het nnl. ê heeft. Gedeeltelijk is die verhouding aan jonge analogie toe te schrijven. Zo is mnl. steinen (adj.) een klankwettige vorm; het nnl. heeft stenen naar analogie van steen. |

| 2) | Vooral in Holland en Zuid-Brabant, sporadisch ook in Zuidwest-Vlaanderen kan ie in plaats van ê verschijnen (stien, briet): zie Klankleer § 48c, 3 en § 59. Dit hoeft niet op samenval met mnl. ie te wijzen, want die komt in de moderne dialecten van die streken niet voor. In het Zuidbrabants gaat het wel om een poging tot weergave van een openende diftong met i als eerste lid, iets als iə, te onderscheiden van de monoftongisch gerealiseerde ie van dief en sliep. In het Hollands komt i- of iə-uitspraak niet in alle ê-woorden voor: die blijkt zich tot de |
| positie voor nasaal en de woorden twie ‘twee’ (of de auslaut?) en hieten ‘heten’ te beperken; in de andere gevallen verschijnt een ee-achtige klank(24). De door Heeroma gepubliceerde middelhollandse gegevens(25) zijn met deze constatering niet in tegenspraak. |
OPM.: Vermeerdering van de bezetting: zie 4.2.1,1); 4.2.12(?); 4.2.14.
Afwijkingen van î
In enkele gevallen verschijnt een spelling ie, die blijkens de nnl. uitspraak wel degelijk de weergave van een al mnl. ontsporing is (type prieme ‘eerste gebed’, gherief ‘gemak’): zie Klankleer § 68, opm. 2.
Afwijkingen van ō
| 1) | In het kustmnl.komt soms palatalisatie tot voor in woorden zonder umlautfactor en/of met ō in de standaardtaal (type bueter
‘boter’, beuven ‘boven’): zie Klankleer § 61, opm. 1. Daar de ook vaak met de tekens o, oe wordt
weergegeven, wat de normale schrijfwijze voor ō
is, blijkt de palatalisatie lang niet altijd uit de spelling. |
| 2) | In 4.1.4 is al de aandacht gevestigd op de eigenaardige spelling
a in woorden als apen
‘open’, baven ‘boven’, die in het Nederrijngebied
en ook wel verder noordelijk sedert de 14e eeuw voorkomt: zie Klankleer § 76, opm. 1. Gysseling(26) wijst erop dat er al een voorbeeld (sade ‘kooksel’) van 1253 is. De inventaris van gebied 4 gaat
ervan uit, dat hier wg. o in open lettergreep met
â (niet met ā) is
samengevallen. Daar de spelling a (naast zeldzamer
ae, ai) in het middeleeuwse Nederrijns de
gewone spelling van â in open lettergreep is(27), ligt het voor de
hand dat de o in open lettergreep op dezelfde
wijze wordt gespeld, hoewel in dit laatste geval ook o-spellingen voorkomen. Er blijkt hier een tendentiële
tegenstelling tussen de stedelijke en de adellijke kanselarijen te
bestaan; ook neemt het gebruik van de spelling a
in de loop van de tijd toe(28). Het is dus niet nodig, een samenhang te zoeken tussen dit verschijnsel en de opkomst van een spelling a voor gerekte ō, die zich van de eerste helft van de 15e eeuw af (dus meer dan een eeuw later) in het Noordnedersaksisch doorzet en zich van daar uit in het gebied van de mid- |
| delnederduitse schrijftaal verspreidt(29): in het Noordnedersaksisch heeft er een samenval
van gerekte o met gerekte a én
met â plaatsgehad. Het vocalisme waarin de â en de o in open lettergreep zijn samengevallen, is in de dialecten van het Nederrijngebied een open monoftong ō̜(30) of een diftong ōə(31). De samenval is soms niet volkomen: in het zuidelijke Nederrijngebied (Dülken) heeft de â spontane stoottoon, de gerekte o heeft in een aantal gevallen sleeptoon, in andere stoottoon(32). Echte samenval is er dus slechts in geval van stoottoon bij de gerekte o. Verder noordelijk (Aldenrade) heeft de â ‘kleverländischen Akzent’, d.w.z. een met de Limburgs-Zuidnederrijns-Ripuarische sleeptoon vergelijkbare betoning, die bij de gerekte o slechts in een deel der gevallen voorkomt(33). Hier is er dus slechts volkomen samenval in geval van Kleverlands accent bij gerekte o. In het Oostnederlands ten oosten van de IJssel blijken zulke accentverhoudingen geen rol meer te spelen, maar hebben combinatorische splitsingen bij de o in open lettergreep tot gevolg dat er slechts gedeeltelijke samenval ontstaat: dat is het geval te Enschede en Zelhem (slechts samenval wanneer de o gevolgd wordt door v, z, g of gesyncopeerde d)(34). In Ruinen is er dan weer volledige samenval(35), in Genemuiden en Vriezenveen echter helemaal geen(36). Er is blijkbaar verder dialectologisch onderzoek nodig om in verband met het velare deel van het langeklinkersysteem in gebied 4 volledige klaarheid te krijgen. |
OPM.: Vermeerdering van de bezetting: zie 4.2.9.
Afwijkingen van ô
In 1.3 werd aangenomen dat het niet nodig is, een oppositie au ≠ ao in het protosysteem van het referentiesysteem in te voeren, maar dat we uitsluitend van ao = mnl. ô kunnen uitgaan(37). Voor het Oostlimburgs en
het Zuidnederrijns gaat dit echter niet op: hier is wel degelijk een oppositie wg. au, mnl. ou ≠ wg. ao, mnl. ô aan te nemen, en wel volgens sequentie 2; het open vocalisme (wg. ao, mnl. ô) verschijnt hier slechts voor oorspronkelijke h en voor dentalen, zoals in het Hoogduits. In de andere gevallen (dus voor labiaal/velaar) verschijnt ou (type ouge ‘oog’, coupen ‘kopen’): zie Klankleer § 76, opm. 2 en § 83, opm. 1. Deze ou valt er samen met die van hout en goud, echter niet met die van koud en zout: vgl. 3.4.5.
Afwijkingen van 
In westelijke dialecten (Vlaanderen, Zeeland, Holland) komt soms velaar
vocalisme ō voor in woorden met umlautfactor en/of met
eu in de standaardtaal (type doget ‘deugd’, slotel ‘sleutel’): zie Klankleer § 61, opm. 2. Daar de tekens o,
oe echter ook voor mnl.
worden gebruikt, is de spelling hier nooit een bewijs van
velaar vocalisme. Van Loey wijst daarom
terecht op het belang van het rijm in deze gevallen. Heeft men deze
steun niet, dan is de toestand op zichzelf ondoorzichtig en kan alleen
een vergelijking met moderne dialecten aanwijzingen voor de mnl.
uitspraak verschaffen.
OPM.: Vermeerdering van de bezetting: zie 4.2.4, 1); 4.2.7, 1); 4.2.11, 1); 4.2.13, 2) (?).
Afwijkingen van 
Scherplange ô (dood, oog, horen, geloven) ondergaat
volgens 4.1.1 voor umlautfactor in de oostelijke helft van het
taalgebied umlaut (dood, oog ≠ h
ren, gel
ven). In dat oostelijke areaal valt het
Oostlimburgs-Zuidnederrijnse gebied, waar volgens 4.2.8 voor
labiaal/velaar niet ô, maar ou
verschijnt (dood ≠ oug). Staat deze
ou er voor umlautfactor, dan verschijnt de
umgelautete diftong öü (oug ≠ gelöüven), die met mnl. öü samenvalt en volgens
Van Loey § 84, opm. 1 eu geschreven kan worden (vleisheuwer, opleuper). Uit § 76, opm. 2 blijkt
echter, dat ook het teken van zijn niet-umgelautete tegenhanger voor
deze öü gebruikt kan worden: de voorbeelden doupe en gelouffven hebben immers
umlaut.
Kaart 8 geeft aan hoe zich de overgang voltrekt van het westen, met één representant van ô, naar het oosten, met vier representanten.
Afwijkingen van
/üe
| 1) | Het allofoon [üe] van deze klinker, dat voor r
voorkwam, is in het zuidwesten samengevallen met de . Het produkt van deze samenval is niet meer complementair
verdeeld met de , aangezien de als palatale |

tegenhanger van ō ook in andere posities
dan voor r voorkwam (b.v. in sluetele). Deze ontwikkeling blijkt uit twee feiten: 1. de
spelling met ue, eu, oe van woorden als scuere ‘schuur’, heure ‘huur’,
verhoeren ‘verhuren’, die dezelfde is als die
van ; 2. üe: -rijmen ‘als ter curen
“keur”: naturen, mure:
senature “senateur”, ure:
labure “labeur”’: zie Klankleer § 88, over de uitspraak van deze klank ook nog
Franck § 45, Op het ogenblik is deze
samenval in de dialecten tot het Westvlaams en het Frans-Vlaams
beperkt(38). In de middeleeuwen kan het gebied
groter geweest zijn: Hoebeke(39) neemt aan dat ook Oudenaarde
ertoe behoord heeft ‘wegens de grote voorkeur voor de spelling ue in de bewuste periode’. |
|
| 2) | Voor zover mnl. /üe op wg. iu en mnl.
ie op wg. eo teruggaat,
staan deze elementen van het vocaalsysteem oorspronkelijk tot elkaar
in een verhouding die door sequentie 1 wordt bepaald (zie 1.3).
Nochtans is deze verhouding al in het mnl. door analogie (1.4) en
geografische nivellering gestoord. In de flexie is er geen verschil
meer te zien (in plaats van bieden, ic b de vinden we bieden, ic
biede). In de woordvorming zijn nog duidelijke resten van
de vroegere verdeling |
| aan te treffen (diet/duutsc, dierbaer/dure). Daarnaast komen verscheidene doubletten voor, waarvan het gebruik geografisch bepaald is, als rieken/ruken, kieken/kuken, lieden/lude, diere/dure, gehiere/gehure, stieren/sturen (ook vier/vuur). Het Vlaams, Brabants (op het noordoosten na) en het Westlimburgs hebben uitsluitend de vormen met ie, ook waar het nnl. ui (type kuiken) of uu (type duur) heeft. Zie Klankleer § 71(40). |
Afwijkingen van ie
In de westelijke (West-Vlaanderen, Zeeland, Holland) en oostelijke (Limburg en noordelijk daarvan) randgebieden wordt soms e geschreven in plaats van ie, zowel in woorden die wg. ê (speghel ‘spiegel’) als in woorden die wg. eo (vreent ‘vriend’) bevatten. De westelijke schrijfwijze levert moeilijkheden op: in het moderne Westvlaams is er geen samenval met de ê en ook niet met de ē van het referentiesysteem, en evenmin een ee-achtige uitspraak in woorden van het type ziek(41). Wanneer men parallellisme met de uitspraak van de oe aanneemt, die in het kustmnl. nog in de mnl. periode gedeeltelijk als oo gerealiseerd schijnt te zijn(42), dan kan hier voor de ie ook een ee-achtige uitspraak worden verondersteld. In de oostelijke randgebieden is er weliswaar ook geen samenval met ê of een van de ē's, maar valt er wel een ee-achtige uitspraak van de ie te constateren(43). Het hoofdtonige vocalisme in de telwoorden veertien en veertig en het substantief deerne zal dan wel op deze Hollandse dialectafwijking teruggaan. Van Loey behandelt dit verschijnsel in § 53.
OPM.: Vermeerdering van de bezetting: zie 4.2.5, 2) (?); 4.2.6; 4.2.11, 2).
Afwijkingen van oe.
| 1) | In § 85 voert Van Loey een aantal argumenten aan voor de stelling dat de oe in Vlaanderen en Holland nog als een lange (gesloten) monoftong ō geklonken heeft. Hij wijst ook op een bekende splitsing in de spelling, die hoofdzakelijk in Vlaanderen voorkomt: ou voor labialen en velaren, oe in de andere gevallen, d.w.z. voor dentalen en in de |
| auslaut. Deze splitsing is al herhaaldelijk uitvoerig besproken, het laatst door Hoebeke en Willemyns(44). Zeer opvallend is dat de meeste aandacht naar de fonetische realisatie van oe en ou is gegaan en dat men zich maar weinig voor de vraag hoe hun complementaire verdeling gefonemiseerd is, heeft geïnteresseerd. Hiervoor leveren twee kaarten van Taeldeman(45) geschikte gegevens. De kaart met het vocalisme in voet en doek laat zien dat we met twee verschillende vocalische realiseringen te doen hebben in het West- en Frans-Vlaams evenals in het zuidwesten van Oost-Vlaanderen. Verder oostelijk, dus in het grootste deel van Oost-Vlaanderen, is er geen verschil. In het westelijke gebied wordt de tegenstelling op drie verschillende manieren gerealiseerd: 1. In Frans-Vlaanderen en het grootste deel van West-Vlaanderen heeft voet een diftong met naslag oeë, doek een korte oe. 2. In een oostelijke randstrook van West-Vlaanderen heeft voet een lange, doek een korte oe. 3. In het zuidwesten van Oost-Vlaanderen heeft voet een oe, doek een diftong ou (of iets dergelijks). De andere kaart biedt o.a. het vocalisme van hout en koud; in de beide eerste gebieden van de vorige kaart hebben deze woorden een korte oe, in het derde een ou. Daaruit kan worden afgeleid dat de oppositie tussen de vocalische elementen van voet en doek in de drie gebieden van de eerste kaart relevant is, omdat het vocalisme van hout en koud (voor dentalen), dat hetzelfde is als dat van doek, moet opponeren met dat van voet (ook voor dentalen). Dat levert minimale paren op van het type ut/out ‘oud’ ≠ uət/ūt ‘hoed’, zut/zout ‘zout’ ≠ zuət/zūt ‘zoet’. Voor de mnl. ou van oud en zout werd in Vlaanderen hetzelfde teken gebruikt als voor het vocalisme van douc. Er zal dus in de middeleeuwen al samenval geweest zijn van de ou uit a/o voor l + d/t met de oe voor labiaal en velaar. Veel groter dan nu is het gebied echter wel niet geweest: de opheffing van het contrast tussen oe en ou voor mnl. oe blijkt zo verlopen te zijn, dat een van de twee oorspronkelijk verschillende klanken die in ou waren samengevallen, zich opnieuw van de andere heeft losgemaakt, wat als het ware een tegennatuurlijk proces is geweest, dat wel door de oostelijke expansie is te verklaren. Oudenaarde, dat thans juist buiten het zuidwestelijke gebied met twee representanten van de oe ligt, zal er in de middeleeuwen nog |
| wel toe
behoord hebben(46), maar veel verder oostelijk zullen we niet mogen
gaan. De Zeeuws-Brabants-Hollandse ou-spellingen
van de oe voor labiaal of velaar zijn wel aan
Vlaamse schrijftaalinvloed toe te schrijven. Kaart 9 vat op basis van het bovenstaande en van 4.1.1 de dialectgeografische situatie bij mnl. oe samen. Gebied 1 (Vlaanderen) had twee velare fonemen, waarvan de verdeling door de volgende medeklinker bepaald werd; in gebied 2 (Holland met West-Utrecht en eventueel Noordwest-Brabant en een stuk van Oost-Vlaanderen) was de oe niet gesplitst; in gebied 3 (het oosten) was er een splitsing in een palataal en een velaar foneem al naargelang er een umlautfactor gevolgd had of niet. |
|
| 2) | ‘In enkele Holl. en Wvl. geschriften komen een paar woorden voor met ue voor oe waarin, blijkens het rijm, wel de eu-klank mag gesproken worden (voor zover het geen rijmen voor het oog zijn!): ghevuecht: duecht, ghevuert: ghebuert, onghenuecht: duecht’ (Klankleer § 63). |
Afwijkingen van ei
Hier horen de Vlaamse afwijkingen van de standaard-verdeling van ei en ê thuis (zie 4.2.5): type eke ‘eik’, clene ‘klein’. Zie Klankleer § 58.
OPM.: Vermeerdering van de bezetting: zie 4.2.5.
Afwijkingen van öü
OPM.: Vermeerdering van de bezetting: zie 4.2.10.
Afwijkingen van ou
Dit geval hoeft hier op grond van de toevoeging aan de klankwetten in 1.2 strikt genomen niet meer behandeld te worden. In het nnl. komt de diftong ou, in de spelling au, ook voor in woorden met oorspronkelijk â + w (type klauw, mnl. clauwe): zie Klankleer §§ 47 en 95. Het eerste element van au zal in het mnl. nog lang zijn geweest. In de auslaut verscheen (na vocalisering van de semivocaal) in het mnl. â (gra ‘grauw’, bla ‘blauw’), dat meestal wel met inlautend âw (grauwe, blauwe) alterneerde. Het nnl. heeft de semivocaal in de auslaut hersteld onder invloed van de verbogen vormen.
OPM.: Vermeerdering van de bezetting: zie 4.2.8 en 4.2.13.
