|
|
|
| |
| | | |
Naar een Nederlandse familienaamgeografie
Tot enkele jaren terug was de FN-geografie een onderontwikkelde tak van de
Nederlandse naamkunde. De stand van de kennis op dit gebied een kwart eeuw
geleden is beschreven door A. Bach, die in zijn Deutsche Namenkunde ook het Nederlandse taalgebied behandelt(1). Hij was toen niet veel groter geworden dan in
1885, toen
J. Winkler
De Nederlandsche geslachtsnamen
publiceerde(2). Bach bespreekt eerst in onderdelen van een dialectgeografische
indeling van het Continentaalwestgermaanse gebied enkele kenmerken van FN in het
‘Saksische oosten van Nederland’, in het
‘overwegend Frankische zuiden (en zuidwesten) van het
‘grossndl.’ gebied en in de ‘kuststreek aan de
Noordzee’(3) en tracht daarna de verspreiding van enkele
FN-types in het Continentaalwestgermaans, waaronder het Nederlandse taalgebied,
samen te vatten en te interpreteren(4). Op twee zeer grove schetskaartjes (1.
Vormen van FN uit herkomstnamen, 2. de types Friedrichsen en
Friedrichs) is ook rekening gehouden met het Nederlands.
Het zijn bij mijn weten de eerste FN-kaarten die informatie over ons taalgebied
bevatten(5). Samenvattend kan geconstateerd worden, dat men in de jaren
vijftig over de verspreiding van enkele nl. FN-types wel een zekere voorstelling
had, maar dat er zich nog geen echte FN-geografie ontwikkeld had.
| | | |
Een grondige verandering viel in de jaren zestig vast te stellen, toen op
initiatief van
P.J. Meertens
de Amsterdamse Commissie voor Naamkunde en Nederzettingsgeschiedenis het
Nederlands Repertorium van Familienamen
begon te publiceren dat nu reeds zijn voltooiing tegemoet gaat. Van de
veertien voorziene delen zijn er elf verschenen(6); op
het ogenblik ontbreken alleen nog de provincies Limburg en Noord- en
Zuid-Holland (wel zijn er al repertoria van de drie grote steden Amsterdam, Den Haag en Rotterdam verschenen). Grondslag is de volkstelling van
31.5.1947. Daar er in hetzelfde jaar ook in België een volkstelling
plaats had, is het des te meer te betreuren dat de publikatie van een Belgisch
FN-repertorium werd stopgezet na het verschijnen van twee delen over twee Waalse
arrondissementen in 1956 en 1964(7).
De gevolgen van de publikatie van het nl. Repertorium voor de studie van de
verspreiding van de FN zijn niet onbelangrijk geweest. Over twee duidelijk
omgrensde thema's zijn er met behulp van dit materiaal studies geschreven: over
de zgn. kernnamen en over de herkomstnamen. Onder kernnamen(8) verstond
K. Heeroma
FN die in een provincie ten minste 100 naamdragers hebben, van wie er
ten minste 50% in één gemeente woont. Kernnaamkaarten
geven de verspreiding van de frequentie van kernnamen in verhouding tot het
bevolkingsaantal van de afzonderlijke gemeenten van een provincie(9). Zij leveren een bijdrage tot het inzicht in het verband van
FN en migratie; dit kan echter nauwelijks een linguistische probleemstelling
worden genoemd. Hetzelfde geldt voor de ndl. geografische studies | | | |
van herkomstnamen(10); deze hebben zich tot nog toe
niet met de ruimtelijke verhouding van morfosyntactische types (zoals b.v. Van Holland, Holland, Hollander, Den Hollander) beziggehouden,
maar wel met de geografische relatie van zulke namen tot het toponiem dat zij
bevatten.
Een derde thema van de nl. FN-geografie is de vraag naar de representativiteit
van telefoonboeken geweest(11).
Ook deze probleemstelling kan men niet direkt linguistisch noemen. Tenslotte
zijn er met behulp van repertoriummateriaal over enkele morfologische elementen
van nl. FN studies met taalgeografische beschouwingen geschreven, die ten dele
ook taalkaarten bevatten. In de meeste gevallen gaat het om de ruimtelijke
frequentieverdeling van zo een element in het noorden van Nederland, d.w.z. dat
Heeroma's methode bij het onderzoek van kernnamen als model gefungeerd
heeft(12).
| | | |
De ontwikkeling van de studie der nl. FN samenvattend kunnen we zeggen dat er in
de laatste vijftien jaar een FN-geografie tot stand is gekomen. De dominerende
figuur is Heeroma geweest. Zijn karteer-methode en ook de hem
typerende manier van taalgeografisch denken hebben in weerwil van alle polemiek
model gestaan. Het komt hierbij vooral op de verklaring van de verspreiding van
een taalelement of taalstructuur in de geografische ruimte aan; het diatopische
contrast tussen equivalente elementen of structuren treedt daarbij naar de
achtergrond of wordt niet behandeld. Een voorbeeld kan dit verduidelijken. In
zijn artikel over de Friese FN op -a stelt Heeroma vast dat
als deze namen in Friesland en Groningen ‘samen met alle andere
woorden op -a de reductievocaal hadden aangenomen, de huidige
Friese en Groningse FN weinig van die in Drente en Overijsel zouden verschillen.
De Groningse familie Huizinga zou dan Huizinge of Huizing hebben geheten...’(13). Verderop in
zijn artikel interesseert Heeroma zich echter alleen nog maar voor de
verspreiding van de -a en niet voor de tegenstelling tussen
het behoud en het verlies van dat element.
Deze eenzijdige behandeling heeft een verwaarlozing van het taalgeografisch
contrast tot gevolg, hoewel men dit in de areaallinguistiek niet kan missen. Zij
staat ook het inzicht in de weg dat geografisch contrasterende elementen in de
FN-geografie door de mobiliteit der bevolking als realisatietypes van
linguistische variabelen behandeld dienen te worden. Het ruimtelijke contrast en
de variabiliteit zijn daarentegen samen met de verspreiding als de hoekstenen
van de FN-geografie te beschouwen. Bovendien moet de nl. FN-geografie
‘linguistischer’ worden door zich niet langer vooral op
taalkundig marginale problemen als de verspreiding van kern- en herkomstnamen te
concentreren, maar zich integendeel bezig te houden met vormstructurele aspecten
van verspreiding en contrast van de variabele namen en naamtypes. Deze zijn:
spelling, klankleer, morfosyntaxis, lexicologie. Hoe hierbij te werk kan worden
gegaan zal ik nu met een aantal voorbeelden verduidelijken.
| | | |
De materiaalbasis van de kaarten(14) wordt
gevormd door: 1) de elf tot nog toe verschenen delen van het
Nederlands Repertorium van Familienamen
, 2) voor de Nederlandse provincies Limburg en Noorden Zuid-Holland
behalve de steden Amsterdam, Den
Haag en Rotterdam telefoonboeken van het jaar
1975/76(15), 3) voor
Vlaams-België telefoonboeken van het jaar 1970(16). In het gebied van de repertoria is voorzover niet anders vermeld
op de kaarten de verhouding tussen de variabelentypes procentueel met behulp van
vertikale kolommen voorgesteld. Het symbool kan dan eenvoudig (wanneer een
variabelentype op een plaats 100% van de variabele inneemt) of complex (als
meerdere variabelentypes naast elkaar voorkomen) zijn, maar het heeft steeds
dezelfde totale omvang. In de gebieden van de telefoongidsen is van absolute
getallen uitgegaan en bijgevolg wisselt de grootte van het eenvoudige of
complexe symbool. Op de originele kaarten (schaal 1:500.000) komt 1 naamdrager
met 1 mm2 overeen. Als een plaats uit een telefoongids meer
dan 30 naamdragers oplevert, is er echter met kolommen en met percenten gewerkt.
Dit principe is bovendien om praktische redenen (gebrek aan plaats op de kaart)
nog in enkele andere gevallen toegepast, die steeds in voetnoot zijn vermeld.
| |
1. De spelling van FN.
De kaart met de verspreiding van de spellingen van de intervocalische
stemloze velare occlusief in de nl. FN die uit de beroepsnaam bakker zijn ontstaan (kaart 1)(17), laat zien dat er een geografie | | | | van de spellingen van nl. FN bestaat(18). Meestal is er een scherpe tegenstelling tussen de
gebieden met -kk- en -ck-. Zij valt min
of meer met de Nederlands-Belgische rijksgrens samen. Een vermenging op
ruime schaal van de twee types komt alleen in het zuidoosten van Nederland
voor, d.w.z. in Limburg en in het oosten van Noord-Brabant. Verder treden
zij naast elkaar op in een smalle strook in Zeeuws-Vlaanderen langs de
Belgische grens. Over het algemeen is het Nederlandse deel van de kaart met
zijn overwegen van -kk- minder homogeen dan het Belgische,
dat bijna uitsluitend -ck- heeft. Hier wijkt alleen de
Antwerpse agglomeratie wat van de rest af omdat -kk- er
als minderheid overal vertegenwoordigd is. Dit hangt vermoedelijk met een
relatief hoog aandeel inwoners met Nederlandse nationaliteit in Antwerpen en omgeving samen.
Een verklaring van het kaartbeeld is niet moeilijk. De spelling -ck- is in het Nederlands ouder dan -kk-. Sinds
de scheiding van Noord en Zuid in de 16e en 17e eeuw werd in het Zuiden de Nederlandse schrijftaal hoe
langer hoe meer een taalvorm voor uitingen van tweederangscultuur; eerste
schrijf- en cultuurtaal werd het Frans. Het geschreven Nederlands bewaarde
talrijke regionalismen en ouderwetsigheden die in het Noorden, waar zich in
die tijd een standaardtalige norm ontwikkelde, verloren gingen. Het streven
naar een norm leidde in het Noorden in 1804 tot een eerste spellingregeling
(de spelling Siegenbeek). Ten tweede is vast te stellen dat de FN in het
Zuiden meestal veel ouder zijn dan in het Noorden, waar er blijkbaar kort na
1800, vooral op het platteland, nog personen zonder FN waren. De zuidelijke
traditie weerspiegelt zich in de spelling van de namen. Na de verovering van
de Oostenrijkse Nederlanden en het prinsbisdom Luik door Frankrijk in 1794
en nadat de Bataafse Republiek de Staatse Landen aan de Maas in 1975 aan
Frankrijk had afgestaan, werd in hetzelfde jaar in deze streken de
burgelijke stand ingericht. Daardoor werd de spelling van de FN in het deel
van de kaart dat door Vlaams-België en Nederlands-Limburg wordt
ingenomen, gefixeerd. Vijftien jaar later kwamen ook de noordelijke
Nederlanden onder Frans bewind. Hier werden in 1811 onder de | | | |
hierboven geschetste andere voorwaarden met betrekking tot de FN dezelfde
maatregelen getroffen als in 1795 in het Zuiden. Door keizerlijk besluit van
18.8.1811 moesten de inwoners die nog geen FN hadden er binnen het jaar een
kiezen. In een koninklijk besluit van 8.11.1825 moest nog eens aan deze
verplichting worden herinnerd(19).
Deze feiten verklaren de Belgisch-Nederlandse tegenstelling evenals het
overwegen van de ouderwetse spellingen in het zuidoosten van Nederland. De
vraag in hoeverre de vermenging van vormen met -ck- en
-kk- in laatsgenoemd gebied aan de factoren
orthografische aanpassing, migratie of Duitse invloed moet worden
toegeschreven, kan alleen na detailonderzoek worden beantwoord(20). Voor andere delen van de kaart waar vermenging van
de types voorkomt, kan men in de regel wel migratie aannemen.
Vermoedelijk zullen andere FN-kaarten met spellingcontrasten verdelingen
opleveren die met het besproken geval grote overeenkomst vertonen, met
archaïsche spellingen in het Zuiden (Cuypers,
Snouck, Laenen, Delanghe enz.) en aangepaste in het Noorden (Kuiper, Snoek, Lanen, Lange enz.), verder met frequent aan
elkaar schrijven van het lidwoord of voorzetsel met het hoofdelement van de
naam in het Zuiden (Degroote, Vanacker) en consequente
scheiding in het Noorden (de Groote, van Akker), spelling
van lidwoord of voorzetsel met een hoofdletter in het Zuiden (De Groote, Van Acker), met een kleine letter in het Noorden (de Groote, van Akker). Achter het zuidelijke aan elkaar
schrijven en het gebruik van de hoofdletter wordt meestal invloed van de
Franse administratie en een onderontwikkeld taalgevoel in de tijd van de
fixering van de spelling der namen gezocht; de verfranste Belgische
administratie na 1830 heeft dan deze tendens voortgezet(21).
| |
| | | |
2. De klankleer van FN.
De kaart met de verspreiding van de spellingen van de hoofdtonige klinker in
de nl. FN die op de beroepsnaam bakker teruggaan (kaart
2)(22), maakt
duidelijk dat er een klankgeografie van de nl. FN bestaat. De
karteringstechniek is dezelfde als bij de vorige kaart, met dit verschil dat
bij opgaven uit repertoria waarbij een variabelentype het percentage 100
bereikt(23), in plaats van een kolom een cirkeltje werd
getekend, zwart voor het a-, wit voor het e- vocalisme.
Uit de kaart blijkt de verspreiding van de secundaire umlaut in bakker bij de corresponderende FN en de ruimtelijke en variabele
verhouding tussen umlaut en niet-umlaut. De umlaut is een zuidoostelijk
verschijnsel. In het Belgische deel van de kaart is zijn begrenzing vrij
scherp: ten oosten van een lijn Brussel-Turnhout komt bijna uitsluitend e
voor, ten westen vrijwel alleen a. Ten noorden van de
rijksgrens zijn de overgangen geleidelijker, maar toch heeft ten oosten van
een lijn Turnhout-'s-Hertogenbosch het type bekker zeer duidelijk de bovenhand. Beide types houden
elkaar in de streek van Nijmegen en Arnhem evenals in de Achterhoek en Twente ongeveer in
evenwicht, met toch iets meer e-spellingen. Het westen en
het noorden van Nederland heeft relatief tot zeer zelden bekker, wel tengevolg van migratie, vooral naar het gebied
Holland-Utrecht toe. Een sterkere vermenging van de types in het Nederlandse
dan in het Belgische deel van het onderzoeksgebied hadden we ook al bij de
bespreking van de spellingkaart kunnen constateren. We kunnen uit dit
verschijnsel wel concluderen dat de Nederlandse bevolking mobieler is dan de
Vlaamse.
Het relatief sterke voorkomen van a-vormen in het bekker-areaal van Noord-Brabant tot Twente is echter
waarschijnlijk niet uitsluitend het gevolg van bevolkingsvermenging.
Vermoedelijk heeft ook een factor een rol gespeeld die hierboven al bij de
bespreking van de spelling werd vermeld; de normerende kracht van de
orthografie in de tijd van de fixering van de vorm der FN in Nederland. Heel
wat | | | | personen die Bekker, de Bekker of Bekkers geheten hebben, zullen hun naam in de vorm Bakker, de Bakker of Bakkers hebben
laten optekenen.
Voorts is de vraag te stellen naar de verhouding van de klinker in de FN en
in het appellatief. In 1971 heb ik in een artikel(24) de
verspreiding van bakker en bekker in de
Brabantse oorkondentaal en in de moderne Brabantse en Westlimburgse
dialecten onderzocht en geïnterpreteerd. Het moderne kaartbeeld
(kaart 3) heeft een zeer specifieke structuur met uitgesproken
relictkenmerken van de bekker-gebieden. Essentieel is dat
er zich tussen een Noordoostbrabantse bekker-relicttrechter in de driehoek
's-Hertogenbosch-Turnhout-Eindhoven en een gesloten zuidoostelijk bekker-gebied in Vlaams-Brabant en Limburg een lintvorming
vernieuwingsgebied met a-vocalisme heeft geschoven. Uit
het historisch materiaal kan afgeleid worden dat de vernieuwing pas in de
laatste eeuwen tot stand is gekomen; de FN-kaart maakt niettegenstaande de
vermenging van beide vocalen in Noord-Brabant duidelijk dat dit na de
mondelinge fixering van de vormen der FN moet zijn gebeurd. De uitspraak van
FN in ons taalgebied kan dus oudere taalgeografische verhoudingen
weerspiegelen dan die welke in de dialecten worden aangetroffen. De
FN-geografie wordt op die manier een hulpmiddel van een taalgeschiedenis die
oog heeft voor geografische aspecten van de taalontwikkeling; eveneens is
zij een geschikt instrument ter interpretatie van moderne
dialectgeografische verhoudingen.
Nochtans mag uit deze constateringen niet besloten worden dat het klankaspect
van de spelling van FN in elk geval bij het onderzoek van klankgeografische
problemen in de dialectologie van belang is. Er bestaan blijkbaar
klankverschijnselen die gemakkelijker in de spelling van FN gefixeerd worden
dan andere. In verband met het besproken geval kan b.v. worden gezegd dat de
umlaut steeds (in België) of in de duidelijke meerderheid van de
gevallen (in Nederland) op papier verschijnt. Daarentegen wordt de eind-e in het zuidwestelijke gebied zonder apocope (type (De) Bakkere tegen (De)
Bakker) slechts in een minderheid van de gevallen en
dan nog slechts in een deel van zijn areaal geschreven (kaart 4). De kaart
bevat kolommen met percentages voor alle Belgische en Nederlandse plaatsen
waar vormen met en zonder apocope naast elkaar of slechts niet-geapocopeerde
| | | | vormen voorkomen, zwart voor de geapocopeerde, wit voor
de niet-geapocopeerde. De absolute getallen, die vaak zeer laag zijn, staan
onder de symbolen. Plaatsen met uitsluitend geapocopeerde vormen zijn met
een punt gemerkt(25).
Het dialectgebied met e-uitgang in het appellatief bevat
naast de gehele provincie West-Vlaanderen ook de westelijke twee derde tot
drie vierde van Oost-Vlaanderen. Het lijkt echter uitgesloten dat er ook een
min of meer aanzienlijk deel van Zeeland toe zou behoren(26). Van de 53 bakkere-gegevens uit het Belgische deel van de kaart komen er 30 uit
West-Vlaanderen, waar zij overigens duidelijk in de minderheid zijn, en
slechts 3 uit Oost-Vlaanderen, wat een te verwaarlozen minderheid in
vergelijking mer bakker betekent. Uit de provincie
Antwerpen komen 6 gegevens, waarvan 5 uit de stedelijke agglomeratie
Antwerpen, uit Brabant 13, waarvan 10 uit de Brusselse agglomeratie, uit
Limburg tenslotte 1 gegeven. In al deze gevallen gaat het blijkbaar om
migratie. Wat de drie zuidelijke Nederlandse provincies betreft, het Zeeuwse
repertorium bevat 26 gegevens met e-uitgang, waarvan 24
uit de westelijke punt van Zeeuws-Vlaanderen, tegen de Westvlaamse grens
aan, het Noordbrabantse bevat er 11, die wel door migratie te verklaren
zijn, het Limburgse telefoonboek geen enkel. Het kaartbeeld verduidelijkt
dat de vorm (De) Bakkere in de
oostelijke helft van West-Vlaanderen en in de aangrenzende
punt van Zeeland thuis is, d.w.z. slechts in een eiland midden in het gebied
waarin als appellatief de vorm bakkere wordt gebruikt. De
verhouding tussen de geschreven vorm van de FN en de gesproken van het
appellatief | | | | verschilt dus wat de auslaut betreft grondig van
die bij het hoofdtonige vocalisme.
| |
3. De morfosyntaxis van FN.
FN zijn morfosyntactische eenheden met specifieke verspreidingspatronen, die
eveneens onderwerp van de FN-geografie kunnen zijn. Hun onderzoek heeft een
meer uitgesproken naamkundig karakter dan dat van spelling, klankleer en het
onder 4 te bespreken lexicaal aspect. De studie van de spelling der namen
heeft slechts in zoverre iets specifiek onomastisch als deze van de
gebruikelijke spelling van de taal waartoe de namen behoren afwijkt, zoals
dat b.v. met FN in Vlaams-België het geval is. Dat dit echter
geen inherent kenmerk van namen is, blijkt al uit de overweldigende
meerderheid van de Noord-nederlandse spellingen van het woord bakker als bestanddeel van FN. Het diatopisch onderzoek van de
uitspraak van namen is in de eerste plaats een klankgeografische bezigheid;
het krijgt bovendien onomastische trekken voor zover er verschillen tussen
de uitspraak van de naam en de daarmee corresponderende dialectische
realisatie van het appellatief te interpreteren zijn, zoals b.v. in de buurt
van de bakker-bekker-grens en in het bakkere-gebied. Iets gelijkaardigs geldt voor de woordgeografie van de
namen. Het onderzoek van de verspreiding der Zuidoostnl. FN die op de
appellatieven schreuder en snijder,
beide in de betekenis ‘kleermaker’, teruggaan, is een
woordgeografische aangelegenheid; het krijgt naamkundige trekken door de
constatering dat deze twee appellatieven in veel kleinere gebieden dan de FN
als relicten voortleven(27),
terwijl omgekeerd het wijd verspreide appellatief kleermaker als bestanddeel van FN nauwelijks voorkomt(28).
In al deze gevallen, spelling-, klank-, en woordgeografie, kunnen
onomastische eigenaardigheden eerst door een vergelijking met de | | | | appellatieve tegenhangers geïsoleerd worden. Zij
zijn meestal als relicten te karakteriseren en moeten, wanneer men een paar
spellingkenmerken (aan en van elkaar schrijven, hoofd- en kleine letters),
buiten beschouwing laat, voor de afzonderlijke variabele FN
geïsoleerd bestudeerd worden.
De geografische studie van de morfosyntaxis van FN verschilt daarvan
principieel. Zij houdt zich met de structuur van de namen zelf bezig. Deze
is het gemakkelijkst te herkennen op kaarten waarvan het materiaal niet door
splitsingen van de drie genoemde types wordt doorkruist. Wanneer zulke
overlappingen optreden, kunnen die bij het onderzoek naar de vormstructuren
geëlimineerd worden. Zo bestaat de FN die op de diernaam wolf teruggaat, uit drie geografisch onderscheiden
variabelentypen: Wolf (zonder lidwoord of uitgang), De Wolf (met lidwoord), Wolfs (met
genitiefuitgang). Dat het zuidwestelijke De Wolf-gebied
door een Wolf-Wulf-grens in tweeën gedeeld
wordt, hoeft geen bezwaar te zijn om de namen De Wolf en
De Wulf op een morfosyntactische kaart als een enkel
variabelentype te behandelen.
Op die manier is dan ook bij het vervaardigen van de morfosyntactische kaart
met de FN die op de beroepsnaam bakker teruggaan, te werk
gegaan (kaart 5). Verschillen in de spelling van de stemloze velare
occlusief en van het lidwoord evenals de tegenstelling tussen aan- en van
elkaar-schrijfwijze van lidwoord en hoofdwoord zijn dus verwaarloosd
(spelling). Evenmin werd rekening gehouden met de a-e-tegenstelling(29) en met het
voorkomen van vormen met finale -e (klankleer). Tenslotte
is ook het feit buiten beschouwing gelaten dat de humanistisch-Latijnse FN
Pistorius (Pistor, Pistoor)(30) en
daarnaast ook mischien oudere vormen als Pester, Pesser,
Pister op een bescheiden verspreiding, vooral in het Brabantse
dialectgebied, mogen bogen (lexicologie)(31). De kaart is volgens de in de
inleiding beschreven principes getekend(32), met een
verschillende behandeling van repertoria en telefoongidsen(33).
| | | |
Er zijn drie hoofdtypes te onderscheiden: 1) De beroepsnaam zonder lidwoord
of uitgang. Dit is de meest verspreide vorm in Nederland. Buiten de
provincies Noord-Brabant en Limburg evenals delen van Zeeland en Twente,
waar andere types domineren, heeft hij in dat land het absolute overwicht.
2) De beroepsnaam, voorafgegaan door het lidwoord. Dit is de vorm van het
zuidwesten, die nauwelijks concurrenten heeft in de provincies West- en
Oost-Vlaanderen evenals in het Belgische deel van het Brabantse gebied; in
de aangrenzende gebieden Zeeuws-Vlaanderen en West-Noord-Brabant verschijnt
hij weliswaar sterker met andere types vermengd, maar ook hier is hij
duidelijk de dominerende vorm. 3) De beroepsnaam met de genitiefuitgang -s. Dit is de zuidoostelijke vorm; hij heeft in
Belgisch-Limburg en het Zuidoostbrabantse gebied het volstrekte overwicht;
in de aangrenzende provincies Noord-Brabant en Nederlands-Limburg is hij
sterker vermengd. Geïsoleerd van het grote zuidoostelijke gebied
verschijnt Bekkers, Bakkers ook in Twente en de
Achterhoek. Met zekerheid vormt het Duitse Nederrijngebied de brug tussen de
twee Nederlandse arealen.
Het noordoosten van Nederland heeft nog een vierde type met een zeer lage
frequentie(34): een vorm op
-ing, die we wel het best samen met Bach bij een groep met patronymische afleidingen van beroepsnamen
onderbrengen, die als Noordwestduits te karakteriseren zijn(35).
Een uitvoerige historische interpretatie van de in kaart gebrachte
taalgeografische verhoudingen is hier niet mogelijk(36).
Meestal wordt de vorm met lidwoord voor de oudste gehouden(37);
hij zou zich dan | | | | (met Noordfranse rugdekking, vgl. namen als
Leclercq, Lefèvre, Lesueur?) in de
westelijke uithoek van de continentale Germania als relict hebben kunnen
handhaven. Daar moet echter aan toegevoegd worden dat het gebruik van het
lidwoord in het Vlaams al sinds eeuwen facultatief schijnt te zijn en dat
zijn optreden van stilistische factoren afhangt, zoals in een paar recente
publikaties is betoogd(38). Het wegvallen van het lidwoord heeft het meest verspreide
type Bakker opgeleverd. De verhouding Bakker-Bakkers is zonder een grondige studie van historische
gegevens moeilijk te beoordelen; wel lijkt mij zeker dat men bij het
onderzoek van de vormen op -s de ruimere (Rijnlandse)
samenhang niet uit het oog mag verliezen. De verspreide Bekkering-gegevens in het noordoosten moeten eveneens in hun
verbinding met het aangrenzende Duitse gebied worden beoordeeld; hier gaat
het om een analogische nieuwvorming (naar de patronymica) die zich in een
dunne laag over het oude inheemse type heeft gelegd.
Het specifieke naamkundig karakter van de morfosyntactische kaart blijkt
voorts uit de vaststelling dat het motief dat aan de besproken naamvarianten
ten grondslag ligt, het beroep, bij een hele reeks nl. FN geografische
verdelingen naar dezelfde formele principes heeft opgeleverd: Vgl. FN als
Koster, de Koster en Kosters (Kusters); Smit, de Smit (de
Smet) en Smits (Smets, Smeets);
Klerk, de Klerk en Klerks; Vissers, de Visser en Vissers enz. In
hoeverre de verdelingen congruent zijn, moet echter in de afzonderlijke
gevallen gecontroleerd worden. Het zou ook voorbarig zijn, aan te nemen dat
een vergelijkbaar naamgevingsmotief automatisch vergelijkbare ruimtelijke
verdelingen tot gevolg heeft. Zo blijkt b.v. dat bij beroepsnamen die met
een m- beginnen er tussen het type zonder lidwoord of
uitgang enerzijds en dat met genitiefsuffix anderzijds vooral in
Noord-Brabant | | | | een nieuw type verschijnt, met een voor- en een
achtergevoegde s (Smulders, Smeyers,
Smetsers), dat o.a. bij bakker (*Sbakkers) niet voorkomt. Anderzijds verschijnen soms bij heel
andere motiefgroepen dezelfde naamvormingstypes, hoewel de geografische
verdeling slechts gedeeltelijk congrueert; dat is bij een aantal diernamen
het geval: vgl. Wolf, de Wolf en Wolfs;
Mol, de Mol en Mols; Kat, de Kat en Kats; Roek, de
Roek en Roeks enz.
We zijn hier bij een oude moeilijkheid van de naamkunde aangeland: volgens
welke criteria moeten de FN ingedeeld worden? Doordat betekenishistorische
en formele categorieën elkaar slechts gedeeltelijk dekken, komen
er bij elke poging tot een enigermate volledige indeling voortdurend
doorkruisingen tot stand. Misschien kan een verder ontwikkelde FN-geografie
hier tot nieuwe inzichten leiden, wanneer men identieke ruimtelijke
verdelingen van groepen van FN die met dezelfde middelen gevormd zijn, tot
criterium voor het bij elkaar horen kiest. Bij de huidige stand van de
FN-geografie heeft deze gedachte echter slechts speculatieve waarde.
| |
4. De lexicologie van FN.
FN zijn woorden (in enkele gevallen woordgroepen) die zich door een aantal
kenmerken van de appellatieve woordenschat onderscheiden(39). Zoals de appellatieven hebben zij
verspreidingsgebieden. Het verschijnsel heteronymie, d.w.z. dat er
verscheidene ‘woorden’ voor hetzelfde begrip bestaan die
zich geografisch tegen elkaar afzetten, heeft zijn tegenhanger bij de FN in
de volgende zin: groepen van FN die historisch op appellatieven teruggaan
die als heteroniemen in de dialecten verdeeld zijn, kunnen eveneens een
geografische verdeling opleveren. Deze is dan met de diatopie van de
corresponderende appellatieven te vergelijken.
Het tot nog toe besproken materiaal is niet zeer geschikt om dit verschijnsel
te illustreren. Weliswaar bestaan er zoals gezegd naast de FN die op het
appellatief bakker teruggaan, enkele namen die van lat.
pistor afstammen, maar daarvan heeft alleen Pistorius een noemenswaardige frequentie. Pistorius is echter geen dialectisch | | | | heteroniem van
bakker met een eigen verspreidingsgebied (geweest),
maar wel een geleerde vertaling juist van de FN-variant Bakkers/Bekkers. Ook is het niet zo dat de FN Pistorius een gebied zou bezetten dat met de verspreiding van de
types Bakker/De Bakker/Bakkers contrasteert(40). Het lijkt dus geen verstandige
bezigheid, een nl. heteroniemenkaart ‘bakker’ en evenmin
een daarmee corresponderende lexicologische FN-kaart te tekenen.
In plaats daarvan heb ik een groep FN onderzocht die op benamingen voor een
ander beroep teruggaan: de wagenmaker. Een schetskaart
‘wagenmaker’ is in 1967 door
E. Eylenbosch
en
E. Goossens
gepubliceerd(41). In 1972 verscheen
er dan in de nl. Taalatlas een gedetailleerde woordkaart van de hand van Eylenbosch(42). De grenzen tussen de appellatieve woordgebieden op kaarten 6
en 7 bij dit opstel zijn overgenomen uit de schets van 1967; enkele kleine
correcties werden op grond van een vergelijking met de originele
manuscriptkaart aangebracht(43).
Ook de arcering op kaart 6 gaat op de schets van Eylenbosch-Goossens terug:
zij geeft het verspreide voorkomen van wagenmaker- opgaven
in het rademaker (ramaker, raaimaker,
raaiermaker, radmaker)-gebied aan. De kaart laat de verspreiding
van vier heteroniemen ter aanduiding van de wagenmaker
zien: wagenmaker (met zijn Friese variant weinmakker), rademaker (met de genoemde
varianten), stelmaker en koeper. Dit
laatste kan tot kuiper vernederlandst worden.
Eylenbosch-Goossens stellen vast dat ‘in grote delen van Groningen
het wagenmakers- en het kuipersbedrijf niet gescheiden zijn, maar door een
en dezelfde ambachtsman worden beoefend. De naamgeving voor deze vakman
weerspiegelt getrouw de feitelijke toestand’(44).
Anderzijds mogen we aannemen dat het appellatief kuiper in
de betekenis ‘kuipenmaker’ in de nl. dialecten zeer
verspreid is; we kunnen ten minste gemakkelijk vaststellen dat de FN Kuiper/De Kuiper(e)/Kuipers overal voorkomt. Aangezien het | | | | niet mogelijk is
de dragers van de FN Kuiper die hun naam aan een voorvader
te danken hebben die alleen maar kuipen maakte, te scheiden van hen wier
stamvader ook wagens bouwde, is het principieel verkeerd op een
FN-woordkaart de namen Wagenmaker, Rademaker en Stelmaker en hun varianten met Kuiper te
combineren(45). Kaart 6 bevat bijgevolg als FN-types
uitsluitend Wagenmaker (er zijn geen typisch Friese
spellingen), Rademaker en Stelmaker, en
wel uitsluitend op grond van de repertoria, dus zonder de provincies Limburg
en Zuid- en Noord-Holland behalve de drie grote steden. Voor variabelentypes
met het percentage 100 staan cirkeltjes, wit voor Wagenmaker, zwart voor Rademaker, gestippeld voor
Stelmaker; anders is de verhouding met witte, zwarte
en gestippelde kolommen weergegeven.
De kaart bevat een paar verassingen. Ten eerste ontbreekt de FN Stelmaker totaal in zijn appellatief-gebied en is hij daarbuiten
alleen in Friesland - en wel zeer zwak - vertegenwoordigd (in totaal 11
naamdragers)(46). Ten tweede wijkt de geografische
verhouding van Wagenmaker en Rademaker
bij de FN sterk van die bij de appellatieven af. In het appellatieve wagenmaker-gebied ten oosten en ten noorden van de
Zuiderzee is Rademaker verreweg het frequentste van de
twee FN-types. Verder naar het zuiden en het westen bestaat er weliswaar een
zekere overeenkomst in de verdeling bij de FN en de appellatieven in deze
zin, dat Wagenmaker als FN meer in het westen, Rademaker meer in het oosten verspreid is, maar toch is
het overduidelijk dat Wagenmaker als FN veel zwakker
vertegenwoordigd is dan als appellatief. Dat geldt ook voor het grote
westelijke appellatieve wagenmaker-gebied, waar in de
meeste plaatsen meer personen Rademaker heten dan Wagenmaker. Het geldt eveneens voor het deel van dit
areaal dat nog niet in repertoria verwerkt is, zoals uit de verhoudingen in
de drie grote steden blijkt, die alle drie een sterk | | | |
overwicht van Rademaker hebben (in Amsterdam 461 tegen 126, in Den Haag
283 tegen 87, in Rotterdam 367 tegen 161). Wanneer
men er voorts rekening mee houdt dat een groot deel van de Wagenmaker-namen zonder -n- wordt geschreven en
zich achter hen naast een ambachtsman die wagens vervaardigde ook een
producent van wagen, weegschalen kan verbergen, zouden de verhoudingen op de
kaart wel nog eens te gunstig kunnen zijn voor Wagenmaker.
Maar dan wordt het nog problematischer of er wel überhaupt een
apart Wagenmaker-FN-gebied bestaat dat zich tegen andere
arealen afzet. Mocht dat niet het geval zijn, dan is verder de vraag te
stellen of er in het westen geen andere FN voorkomt, en wel als voortzetting
van een appellatief dat achteraf door wagenmaker werd
verdrongen.
Deze vraag heb ik voor het Vlaams-Belgische deel van het westen met behulp
van telefoongidsmateriaal onderzocht (kaart 7). Het gebied op de kaart heeft
drie heteroniemen: in het westen wagenmaker (dit gebied is
de zuidelijke voortzetting van het grote westelijke wagenmaker-areaal van kaart 6, in het oosten rademaker (voortzetting van het oostelijke rademaker-gebied van kaart 6), tenslotte carlier,
een ontlening uit het Picardisch, in een klein areaal bij de taalgrens ten
westen van Brussel, tussen de wagenmaker- en rademaker-gebieden. Er is naar gestreefd om de verspreiding van
alle FN die op een beroepsnaam teruggaan, die
‘wagenmaker’ heeft kunnen betekenen, op kaart te
brengen. Daartoe behoren de types esser, dat ten
zuidwesten van Aken als appellatief voor ‘wagenmaker’
voorkomt, karman, wielman, wagenaar en wageman. De laatste vier zijn ten minste gedeeltelijk ook
benamingen voor de voerman geweest; het Mnl. woordenboek kent carman, wagenaer en wagenman slechts in deze
betekenis(47). Voor de types Wagenaar en Wageman is op de kaart hetzelfde teken gebruikt als voor
Wagenmaker, omdat het denkbaar is, dat dit laatste als
appellatief een jongere aanpassing van de vormen wagenaar
resp. wageman is(48). Een apart teken voor Wagenmaker zou op
de kaart nauwelijks zijn opgevallen: in de telefoonboeken van de provincies
West- en Oost-Vlaanderen komt dit type in totaal slechts 5 ×
voor, tegen 54 × Wagenaar en 35 ×
Wageman. Niettegenstaande het toegepaste
procédé maakt het westelijke deel van kaart in | | | | vergelijking met het oostelijke een opvallend
‘lege’ indruk; bovendien zijn de Wagenaar-, Wageman- en Wagenmaker-namen in het westen samen nauwelijks talrijker dan de Carlier-gegevens; deze laatste zullen wel gedeeltelijk op
eerste naamdragers in het Picardisch, gedeeltelijk uit het Oostvlaamse
gebiedje teruggaan. In ieder geval zijn de vormen met Wagen- in de provincies Oost- en West-Vlaanderen alles samen genomen
duidelijk in de minderheid. Ik zie mij op het ogenblik niet in staat om het
vraagstuk van de uiterst lage frequentie van deze namen in het grote
appellativistische Wagenmaker-gebied op te lossen en kan
slechts vermoeden dat een verklaring in de zaakgeschiedenis te vinden
is(49).
Daarentegen is duidelijk dat het appellatief wagenmaker in
de tijd van de materiaalverzameling (1940 en 1955)(50) in oostelijke richting expansief was, resp. dat
het in deze jaren, d.w.z. de tijd waarin het wagenmakersbedrijf overal
uitstierf, als cultuurtaalwoord zijn heteroniem rademaker
ging vervangen, dat in vergetelheid begon te geraken(51). Dat
verklaart het gesloten voorkomen van Rademaker als FN niet
alleen in een strook ten westen van de rad-isolex in het
wiel-gebied(52), maar ook in een strook, die grotendeels met de vorige
samenvalt, ten westen van de grens van het appellatief rademaker. De westgrens van deze strook is op de kaart 6 niet
duidelijk, maar op kaart 7 is zij scherp, wat weer eens door de geringere
mobiliteit van de Vlaamse dan van de Nederlandse bevolking te verklaren is.
Nog duidelijker valt zij op kaart 8 in het oog. Deze geeft de verspreiding
van de types De Rademaker en Rademakers
in Vlaams-België aan. De grens van het geheel van deze types valt
met de scheiding tussen de Brabantse en de Oostvlaamse dialecten samen. Deze
zal dan wel de oorspronkelijke westgrens van het appellatief rademaker en ook van het woord rad zijn.
***
| | | |
Wat de geografische verhouding van de types Rademakers en
De Rademaker betreft(53), valt op dat het type met
lidwoord slechts in een smalle westelijke grensstrook van het totale
verspreidingsgebied voorkomt. Het areaal met het genitieftype is dus aan de
westkant duidelijk groter dan bij Bakkers/Bekkers. Dat
wordt bevestigd door de vaststelling dat in het Noordbrabantse repertorium
het type Rademakers 2406 ×, het type Rademaker 84 ×, maar het type De
Rademaker geen enkele keer voorkomt. We kunnen dus vermoeden dat er
een terrasvormige begrenzing van het genitieftype bij de afzonderlijke FN
bestaat die op beroepsnamen teruggaan. De constituerende factoren van deze
overgang zijn echter nog niet bekend.
Het bestanddeel Rademaker in al deze FN-varianten zou ook
nog spellinggeografisch en klankgeografisch onderzocht kunnen worden. Dat
lijkt mij binnen het kader van dit artikel niet meer nodig. Om tenminste een
idee te geven van de complexiteit van deze problematiek stip ik aan dat de
FN waarin het element Rademaker voorkomt, in de repertoria
op 32 verschillende manieren(54)
worden geschreven, die tot vijf klanktypes herleid kunnen worden: Rademaker, Ramaker, Raai(e)maker, Radermek(k)er,
Ramekker. Het eerste lid verschijnt als. Rade-, Raede-;
Ra-, Rae-; Raai-, Raaij-, Raay-, Raei-, Raeije-, Raey-, Raie-;
Rader-; het tweede als -maaker, -macker, -maecker,
-maeker, -maker, -mecker of meker. Aan de
samenstelling kan zoals gezegd een genitiefuitgang -s
toegevoegd worden; wanneer deze ontbreekt kan in België aan de
samenstelling een lidwoord voorafgaan.
Door al deze constateringen wordt nog eens geïllustreerd dat de
FN-geografie een complex onderdeel van de areaallinguistiek is: spelling-,
klank-, morfosyntaxis- en woordgeografische problemen zijn vast met elkaar
vervlochten. De resultaten van hun onderzoek moeten bovendien met de
topolinguistiek van de corresponderende appellatieve woordenschat vergeleken
worden, waardoor van twee kanten licht op | | | | taalgeografische
vraagstukken kan vallen. Toch moet vastgesteld worden dat een onderdeel van
de FN-geografie een uitzondering vormt, doordat het geen direkte tegenhanger
bij de appellatieven heeft: de morfosyntaxis.
Deze vormt de eigenlijke kern van de FN-geografie.
Leuven.
J. Goossens
| |
[Kaarten]
[Kaart 1]
[Kaart 2]
[Kaart 3]
[Kaart 4]
[Kaart 5]
[Kaart 6]
[Kaart 7]
[Kaart 8]
|
(1)A. Bach, Deutsche Namenkunde 2, Band I, 2 ( Heidelberg, 1953),
137-190: ‘Die FN in ihrer landschaftl.
Staffelung’.
(2)J. Winkler, De
Nederlandse geslachtsnamen in oorsprong, geschiedenis en betekenis. Haarlem, 1885 - Herdruk Zaltbommel,
1971.
(3)Bach I, 2,
p. 156, 158-160, 160-162.
(4)Bach I, 2, p. 166-190.
(5)Bach I, 2, p. 173 en
178.
(6)Nederlands Repertorium van Familienamen, uitgegeven door de
Naamkundecommissie van de Kon. Nederlandse Akademie van Wetenschappen onder
redactie van Dr. P.J. Meertens en (van deel X af) H. Buitenhuis. Assen, 1963.
(7)Répertoire
belge des noms de familie. I. Arrondissement de Nivelles ( Louvain, 1956), II. Arrondissement de Liège ( Bruxelles, 1964), publ. par O.
Jodogne.
(8)K. Heeroma, De familienamen in Drenthe. D( riemaandelijkse) B( laden) 16 (1964), 44-57. - H.
Buitenhuis, Kernnamen. Enkele kanttekeningen bij ‘De
familienamen in Drenthe’. DB 16(1964), 120-124. - K.
Heeroma, Kanttekeningen bij kanttekeningen. DB 16 (1964), 124-128.
- H. Buitenhuis, Kernnamen en immigratie in Drente. DB
17(1965), 87-104.- K. Heeroma, Inleiding. Nederlands
Repertorium van Familienamen. VI. Overijsel ( Assen, 1968),
5-58. - K. Heeroma en R.A. Ebeling,
Inleiding. Nederlands Repertorium van Familienamen. VIII. Gelderland ( Assen, 1971), 5-64.
(9)Het element ‘ten minste 100 naamdragers’
werd al gauw niet meer voor essentieel gehouden. Nochtans blijft de
definitie arbitrair, want de begrenzingen van provincies en gemeenten
evenals het percentage 50 zijn in dit verband willekeurige
grootheden.
(10)K. Heeroma,
Drent(h), Groninger, De Vries (en De Jong). DB 17 (1965), 22-42. - H. Buitenhuis, Familienamen en migratie in Nederland. M( ededelingen van de) V( ereniging voor) N( aamkunde) 42 (1966), 104-117. - K.
Heeroma, Oostnederlandse herkomstnamen in Utrecht. DB 22 (1970), 14-24.
- K. Heeroma, Die Drenter Herkunftnamen. B( eiträge)( zur) N( amen) F( orschung), N( eue) F( olge) 5 (1970), 1-13. - R.A.
Ebeling, Gelderse herkomstnamen in Gelderland. DB 22 (1970),
109-125. - F. Debrabandere. Persoonsnamenstudies en
migratie. De herkomstnamen in de kasselrij Kortrijk 1350-1400. Naamkunde 4 (1972), 134-149. - H. Buitenhuis en
K. Heeroma, Noordbrabantse herkomstnamen. Amsterdam 1972. - H. Buitenhuis,
Inleiding. Nederlands Repertorium van Familienamen. X. Rotterdam ( Assen, 1976), 5-29.
(11)G.
Dujardin, Martens, Mertens, Maartens, Maerten, Maartense en varianten.
Verspreiding en frequentie. MVN 43 (1967), 27-41. - J.
Goossens, Enkele taalgeografische beschouwingen bij de verspreiding
van de familienamen Maartens, Martens, Mertens en Meertens in het
Nederlandse taalgebied. MVN 43 (1967), 42-45. - H.
Buitenhuis, De representativiteit en interpretatie van naamkundige
gegevens voor het onderzoek van de spreiding der familienamen. MVN 43
(1967), 145-165. - G. Dujardin, Nog eens: Martens en de
waarde van telefoongidsen voor het geografisch onderzoek van familienamen.
MVN 43 (1967), 166-171. - J. Goossens, Over de
representativiteit van telefoongidsen en karteringstechnieken bij het
geografisch onderzoek van familienamen. MVN 43 (1967), 172-181. In de
studies van Dujardin en Goossens is
een variabelen-karteertechniek toegepast, die tot dusver alleen door M. Quaghebeur (vgl. noot 12) werd overgenomen.
(12)K. Heeroma, Die
friesischen Familiennamen auf - a. Namenforschung,
Festschrift für A. Bach ( Heidelberg, 1965),
168-177. - H.T.J. Miedema, Veenkers en Sandkers tegenover
Veentjers en Sandjers in het oosten van Groningen en Drente. DB 17 (1965),
43-52. - K. Heeroma, Drentse familienamen op - a. DB 21 (1969), 164-168. - R.A.
Ebeling, De familienamen op - huis in de drie
noordelijke provincies. DB 23 (1971), 198-205 en 24 (1972), 39-53, 148-164.
- K. Heeroma, Familienamen in Overijsel. 1. Namen met reef e.d. DB 24 (1972), 91-105; 2. Namen met klein, groot, olde, nije, enz. DB 25 (1973), 12-27; 3. Namen met
kate e.d. DB 25 (1973), 28-47; 4. Namen met tij e.d. DB 25 (1973), 48-58. - De studies van M. Quaghebeur en O. Leys over de FN
Quaghebeur en Goeghebeur in West- en
Frans-Vlaanderen in Naamkunde 6 (1974), 185-191 en 192-197
staan buiten deze jonge traditie.
(13)K. Heeroma, Die friesischen
Familiennamen auf - a (noot 12), 168.
(14)Deze zijn getekend
door Herwig Laenen, die ook het materiaal uit de
repertoria en telefoongidsen geëxcerpeerd heeft.
(15)Het gaat om de delen 3, 4, 5, 9 en 12 van
de Nederlandse Telefoongids 1975/76.
(16)Het gaat om de delen 1-5 van de Belgische Telefoongids
1970.
(17)De
volgende vormen zijn (zonder rekening te houden met het verschil tussen
hoofdletter en kleine letter in de spelling van het lidwoord) op de
kaart verwerkt: Met - kk-; Bakker, De Bakker, Den
Bakker, Bakker Arkema, Bakker Bikker, Bakkere, De Bakkere, Bakkeren,
Bakker Hendriks, Bakker Marinuszoon, Bakkernes, Bakker Nouwen,
Bakker-Ohm, Bakker Pronk, Bakkers, Bakkersbij, Bakker Schut, Bakkert,
Bakkerus, Bakkerweerd, Bekker, De Bekker, Den Bekker, Bekkeren,
Bekkerhof, Bekkerin, Bekkering, Bekkeringh, Bekkernens, Bekkernes,
Bekkerneus, Bekkers. Met - ck-: Backer, De Backer,
Debacker, De Backere, Backer Dirks, Backer van Leuven, Backer van
Ommeren, Backer Overbeek, Backerra, Backers, Backerus, Becker, De
Becker, Debecker, Beckeret, Becker Hof, Becker Hoff, Beckering,
Beckeringh, Beckeringh van Loenen, Beckering Vinckers, Beckerman,
Beckers, De Beckers, Beckert.
(18)In het gebied van de repertoria is bij de berekening van de
verhoudingen met intervallen van 10% gewerkt. Percenten boven vijf
werden naar boven, andere naar beneden afgerond. Voor de plaatsen
Borgerhout K 246 en Merksem K 243 zijn om technische redenen kolommen
getekend.
(19)Vgl. A. Vrieze, De strijd om de geslachtsnamen. Alphen
aan den Rijn, 1940. - P.J. Meertens, De
betekenis van de Nederlandse familienamen ( Naarden,
1941), 12. - J. Van der Schaar, Uit de
wordingsgeschiedenis der Hollandse doop- en familienamen ( Assen, 1963), 162-163.
(20)Met de spellingen Bäcker,
Beckermann en Beckerschmidt, die duidelijk
van Duitse oorsprong zijn, werd bij het tellen en het tekenen van de
kaarten geen rekening gehouden. Het is echter zeer goed mogelijk dat het
voorkomen van een naam als Beckers, die zowel in het
zuidoosten van het Nederlandse taalgebied als in het Duitse Rijnland
thuishoort, in een deel van de gevallen hel gevolg van immigratie vanuit
Duitsland is.
(21)Vgl. J. Leenen, De schrijfwijze van de
aanlopen de en van in
geslachtsnamen. H( andelingen v.d.
Kon.) C( ommissie voor) T( oponymie en) D( ialectologie) 31 (1957),
227-326.
(22)De in kaart gebrachte vormen zijn dezelfde
als die in noot 17 genoemd zijn en bovendien De Backker,
Beckker en De Beckker.
(23)Bij de berekening van de verhoudingen
is er zoals op kaart 1 met intervallen van 10% gewerkt. Het percentage
100 is in een aantal gevallen eerst na afronding ontstaan. Voor de
plaatsen Berchem K 248 en Borgerhout K 246 zijn om technische redenen
kolommen getekend.
(24)J. Goossens, Bakker in het
Brabants. T( aal en) T( ongval) 23 (1971), 94-97.
(25)Bij de kolommen is met
intervallen van 5% gewerkt. Vormen van een lager percentage dan 5 zijn
echter deze keer bij het tekenen van de symbolen niet
geëlimineerd. Die niet-geapocopeerde vormen zijn De Backere, Bakkere, De Bakkere.
(26)De bakkere-bakker-grens begint volgens
het materiaal van lijst 32, vraag 49 van de Zuidnederlandse
Dialectcentrale te Leuven in Oost-Vlaanderen aan de taalgrens tussen
Opbrakel O 210 en Parike O 211, loopt dan aan de oostkant langs Zottegem
O 117 en aan de westkant langs Wetteren I 255 en bereikt de
Belgisch-Nederlandse grens tussen Stekene I 171 en De Klinge I 145. Zij
valt ten zuiden van de Schelde samen met de tegenstelling tussen
westelijke - ələ, - ərə en oostelijke - əl, - ər in een reeks
woorden (vgl. D. Lernout, Apocope van de auslautende
e in de Oostvlaamse en Brabantse dialecten.
Licentiaatsverhandeling Leuven 1969), ten noorden daarvan heeft zij
vrijwel hetzelfde verloop als de - ərə/- ər-
grens in vinger (zie Reeks Nederlandse
Dialectatlassen, zin 6). Deze laatste buigt op het punt waar zij de
staatsgrens bereikt, naar het westen af en valt dan tot aan de kust
ongeveer hiermee samen. Daar het Woordenboek der Zeeuwse dialecten ( Den Haag, 1974 4), slechts bakker, niet bakkere kent, kunnen we
vermoeden dat de bakkere-bakker lijn ongeveer
hetzelfde verloop heeft.
(27)Vgl. P.V.
Verstegen, Dialectisch kleingoed. Leuvensche
Bijdragen 30 (1938). Bijblad 53-61.
(28)In het Noordbrabantse repertorium staan er 7 kleermaker-namen (5 de Kleermaeker, 2 Kleermaker) tegen 671
Schreuder-namen (Schreuder, Schreuders, Schreur,
Schreurs, Schroër, Schroeder, Schroeders, Schroeyers,
Schroyer, Schrurs, bovendien nog 109 gegevens met Duitse
spellinginvloed: Schröder, Schröeder,
Schröeders, Schrörs, Schrürs) en 1336
snijder-namen (Sneiders, Sneijder, Sneyders,
Sneyders de Vogel, Sneyers, Snieder, Snieders, Sniers, Snijder,
Snijders, Snijders Vroegop, Snijers; bovendien 82 gegevens met Duitse
spellinginvloed: Schneider, Schneiders, Schneyder, Schnieder).
(29)Dat het type
Bekkering in de legende niet Bakkering is geschreven, is het gevolg van het feit dat het
geen enkele maal met a voorkomt.
(30)Het Noordbrabantse repertorium heeft 155
× Pistorius, 4 × Pistoor; 1 × Pistor.
(31)Het
Noordbrabantse repertorium heeft 125 × Pessers, 4 × Pisters. De vormen pester en pister zijn uit het Mnl.
bekend (Mnl. Wb. VI, 310 en 385).
(32)De
volgende vormen zijn op de kaart verwerkt: - Type Bakker: Backer, Backker, Bakker, Bakkere, Becker, Beckker,
Bekker. - Type De Bakker: De Backer, Debacker, De
Backere, De Backker, De Bakker, Den Bakker, De Bakkere, De Becker,
Debecker, De Beckker, De Bekker, Den Bekker. - Type Bakkers: Backers, Bakkers, Beckers, Bekkers. - Type Bekkering: Beckering, Beckeringh, Beckering Vinckers,
Beckeringh van Loenen, Bekkering, Bekkeringh.
(33)In het gebied van de repertoria is er bij de berekening van
de verhoudingen met intervallen van 5% gewerkt. Vormen met een lager
percentage dan 5 zijn echter bij het tekenen van de symbolen niet
geëlimineerd. Voor de plaatsen Burgerhout K 246 en Limmen E
63 zijn om technische redenen kolommen getekend.
(34)Bekkering met
zijn schrijfvarianten (vgl. noot 32) komt in Friesland 17 ×,
in Groningen 150 ×, in Drente 73 ×, in Overijsel
13 ×, in Gelderland 23 × voor.
(35)Bach I. 1 ( Heidelberg,
1952), p. 283.
(36)J. Van Loon heeft aan de interpretatie
van morfosyntactische patronen van FN een uitvoerige
historisch-geografische studie gewijd (dissertatie Leuven 1979).
(37)Bach I. 1, p. 272. De jongere nl.
literatuur over dit onderwerp (vgl. noot 38) is minder zeker of denkt
aan Franse invloed op het ontstaan van nl. namen met artikel.
(38)Het laatst F. Debrabandere, Het lidwoord in Kortrijkse 14de-eeuwse en
moderne familienamen. HCTD 47 (1973), 65-80. - F. de
Tollenaere, Matthijs Castelein of Matthijs de Castelein? Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 91
(1975), 134-138. Andere literatuur van Nederlandse zijde over dit
onderwerp: J. Lindemans, Het inleidend lidwoord bij
familienamen. MVN 23 (1947), 12-20. - J. van Gorp,
Het inleidend lidwoord bij Kempische familienamen. MVN 25 (1949), 11-23.
- O. Leys, Debruin, Dewit contra
Debruine, Dewitte. Een kwestie van
dialectgeografie en taalstructuur. MVN 38 (1962), 20-29. Van Franse
zijde: A. Dauzat, Les noms de familie de France ( Paris, 1945), 320-322 (kaart p. 321) en 329-330. - Id., Les particules de présentation dans
les noms de familie de France. Onomastica 1 (1947),
82-88.
(39)Vgl. o.a. O. Leys, De eigennaam als
linguistisch teken. MVN 41 (1965), 1-81. - Id., Der
Eigenname in seinem formalen Verhältnis zum Appellativ. BNF,
NF 1 (1966), 113-123. - Id., Zur Funktion des
Artikels bei Eigennamen. Onomastica Slavogermanica 3
(1967), 21-26.
(40)Dit betekent natuurlijk niet dat Pistorius geen eigen verspreidingsgebied zou hebben. Van de 198
naamdragers in de 11 tot dusver verschenen delen van het Repertorium
komen er 155 uit Noord-Brabant.
(41)E.
Eylenbosch en E. Goossens, De wagenmaker in het
Nederlandse taalgebied. TT 19 (1967), 95-120.
(42)Taalatlas van
Noord- en Zuid-Nederland. Afl. 9 ( Leiden, 1972), kaart
5.
(43)In de ongepubliceerde
Leuvense licentiaatsverhandeling van E. Goossens, De
benamingen van de wagenmaker in Noord- en Zuid-Nederland (1964).
(44)Eylenbosch-Goossens, 117.
(45)Daarentegen lijkt het wel
gerechtvaardigd, de eerste drie met elkaar te combineren. Dat een wagenmaker aanvankelijk een ambachtsman was die
volledige wagens, een rademaker een die alleen maar
wielen en een stelmaker een die slechts het raamwerk
(gestel) vervaardigde, kan na de argumentatie van M.
Äsdahl-Holmberg (Studien zu den niederdeutschen
Handwerkerbezeichnungen des Mittelalters. Lund, 1950,
143-162) en Eylenbosch-Goossens wel als achterhaald
beschouwd worden.
(46)Allemaal Stelmaker geschreven. In Amsterdam woonde er in 1947
één enkele Stellemaker. Met de
naamvorm van Duitse oorsprong Stellmacher is geen
rekening gehouden. Hetzelfde geldt voor de vormen Rademacher, Radermacher, Rademacher Schorer, Ramacher en Ramachers.
(47)Mnl. Wb. III, 1205; IX, 1601: IX,
1604. Wielman, Wieleman ontbreekt in dit
woordenboek.
(48)Met de Duitse
naamvorm Wagner is op de kaart geen rekening
gehouden.
(49)Het Mnl. Wb. geeft 7 bewijsplaatsen van
rademaker (VI, 943-944) en 2 van wagenmaker (IX, 1604).
(50)De kaart van de Taalatlas is getekend met het materiaal van
de lijsten 34 van de Zuidnederlandse Dialectcentrale te Leuven (1940) en
27 van de Dialectencommissie te Amsterdam (= 5 van het Seminarie voor
Vlaamse Dialectologie te Luik) (1955) en van enkele kleine
verzamelingen.
(51)Ook Eylenbosch-Goossens nemen aan dat
wagenmaker rademaker verdringt.
(52)Taalatlas van
Noord- en Zuid-Nederland. Afl. 3 ( Leiden, 1943), kaart
7.
(53)Het
telefoongids-materiaal is op kaart 8 systematisch naar het
percentprincipe verwerkt, met cirkeltjes wanneer een variabelentype 100%
bereikt. Wit staat voor Rademakers, zwart voor De Rademaker.
(54)Raaijmaakers,
Raaijmaker, Raaijmakers, Raaimakers, Raaymaakers, Raaymaekers,
Raaymaker, Raaymakers, Rademaeker, Rademaekers, Rademaker, van
Rademaker, Radermecker, Rademeker, Raedemakers, Raeijemaeckers,
Raeimakers, Raemaekers, Raemakers, Raeymaeckers, Raeymaekers,
Raeymakers, Raiemakers, Ramaaker, Ramaakers, Ramackers, Ramaeker,
Ramaekers, Ramaker, Ramakers, Ramakers van Praag, Rameckers.
|
|