Nadat Gysseling (1980) alle tot dan toe bekende fragmenten van het oude handschrift van Veldekes Sente Servas opnieuw had uitgegeven, bleek dat er in de Bayerische Staatsbibliothek te München nieuwe perkamentstrookjes ontdekt waren, die uit hetzelfde handschrift stammen als de andere fragmenten. In het eerste nummer van jaargang 102 (1991) van Zeitschrift für deutsches Altertum und deutsche Literatur heb ik die uitgegeven en onder verschillende aspecten uitvoerig onderzocht. Om de tekst van de nieuwe fragmenten ook voor neerlandici gemakkelijk toegankelijk te maken, wordt hij hier nog eens opnieuw afgedrukt, en wel synoptisch met het corresponderende gedeelte van de tekst in het vijftiende-eeuwse Leidse handschrift naar de uitgave van Van Es (1950 en 1977). Enkele onnauwkeurigheden in die uitgave zijn daarbij aan de hand van een vergelijking met een film van het handschrift stilzwijgend verbeterd. Ik voeg aan de afdruk ook het corresponderende deel uit de kritische uitgave van Frings-Schieb (1956) toe, zodat het mogelijk is, de grenzen van de tekstkritiek zoals die door die twee geleerden is beoefend, na te gaan.
De stand van zaken zoals die in de uitgave van Gysseling (1980), 287-288 is meegedeeld, is in één opzicht te corrigeren. De fragmenten die zich in het bezit van Thoma te Londen bevonden en door hem in 1935 zijn uitgegeven, zijn in 1976 door de Bayerische Staatsbibliothek aangekocht. Zij bevinden zich daar in dezelfde map als de nieuwe fragmenten. Deze laatste zijn gecatalogiseerd onder het nummer Cgm 5249/18, 1b, de fragmenten van Thoma onder Cgm 5249/18, 1c.
Bij de uitgave van de fragmenten kan ik met de volgende toelichtingen volstaan. De verzen, die in het origineel telkens slechts door een punt zijn gescheiden, zijn hier onder elkaar afgedrukt. De grenzen tussen regels zijn door een enkele, die tussen bladzijden door een dubbele verticale streep vervangen. Afkortingen zijn opgelost en door cursieve letters vervangen. Onvolledig bewaarde letters die nog leesbaar zijn, zijn niet speciaal gekenmerkt, maar resten van letters die zonder de context
of de tekst van het Leidse handschrift niet, met behulp daarvan wel geïdentificeerd kunnen worden, staan tussen ronde haakjes. Tussen beide types zijn er grensgevallen, die niet apart besproken worden. Niet idenficeerbare letterresten zijn door dubbele punten vervangen.
De rubricering van de fragmenten vertoont drie aspecten. Ten eerste beginnen de verzen 2233, 2245, 2269 en 2329 met een rode hoofdletter; deze is in de uitgave telkens door een hoofdletter in vetjes vervangen. Ten tweede zijn de zwarte hoofdletters in de regel met twee rode stippen versierd of rood aangestreept; in de uitgave verschijnt daarvoor steeds een gewone hoofdletter. Ten derde is de naam Servatius steeds en de naam Severin driemaal (in de verzen 2243, 2245 en 2266) rood omlijnd (in vers 2257 staan slechts twee horizontale strepen); met deze omlijningen is in de uitgave geen rekening gehouden. Dit geldt ook voor de verlengingen van letterschachten in de bovenste regels van de bladzijden van het handschrift. Wanneer vers- en regelbegin samenvallen staat de eerste letter, wanneer hij een hoofdletter is, vaak vóór de bladspiegel (in de verzen 2169, 2235, 2239, 2249, 2315, 2389, 2495 en 2501); dit is ook in de uitgave het geval.
In mijn Duitse studie ben ik op de volgende punten ingegaan: 1. Welke plaats bekleden de fragmenten van het oude handschrift (van omstreeks 1200) in de discussie van het Veldekeprobleem en welke rol hebben zij tot nog toe bij de Veldekeuitgaven gespeeld? 2. Wat is over de herkomst van de fragmenten bekend en kan die kennis ons helpen bij het zoeken naar verdere fragmenten? 3. Wat levert een codicologisch onderzoek van de nieuwe fragmenten op en heeft het resultaat consequenties voor onze kennis van de versnipperde codex? 4. Hoe ziet er de taal van de fragmenten uit en in hoeverre vult de analyse ervan onze kennis van de taal der al langer bekende fragmenten aan? 5. Tot welke consequenties leidt het onderzoek van de nieuwe fragmenten bij de beoordeling van de kritische uitgave van Frings-Schieb? Het vierde punt is praktisch niet samen te vatten zonder triviaal te worden. Van de andere geef ik in het volgende een summier resumé.
In de discussie van het Veldekeprobleem bestaan er al sinds het midden van de vorige eeuw twee standpunten: 1. Veldeke moet al zijn werk, zoals de Servaas, tenminste in een eerste fase in het ‘Limburgs’ hebben geschreven en bijgevolg zijn kritische uitgaven, waarin gepoogd wordt die taalvorm te reconstrueren, filologisch en literairhistorisch zinvolle ondernemingen, ook voor de liederen en de Eneide, die slechts in Hoogduitse handschriften zijn bewaard. 2. Van de liederen en de Eneide - die in deze opvatting als Veldekes belangrijkste werken worden beschouwd - is via de taal van de handschriften slechts een Hoogduitse receptie aantoonbaar en bijgevolg zijn Limburgse reconstructies niet te rechtvaardigen. Als editiemogelijkheden blijven dan over genormaliseerde Middelhoogduitse uitgaven, min of meer diplomatische uitgaven van de teksten van de handschriften, voor de Eneide eventueel een Thüringse reconstructie. Aanhangers van de eerste opvatting zijn als tekstbezorgers veel actiever geweest dan voorstanders van de tweede. Zij hebben - aanvankelijk op een zeer wankele taalhistorische basis - reconstructies in het Oudnederrijns of het Oudlimburgs gepubliceerd. Uitgevers van de liederen in zo een versie zijn Ettmüller (1852), Behaghel (1878, gedeeltelijk), Piper (1892), Vogt (1911), Rogier (1931, gedeeltelijk), Frings (1940), Frings-Schieb (1947) en Brinkmann (1952), van de Eneide Behaghel (1882), Rogier (1931, uittreksels) en Schieb-Frings (1964), van de Servaas Piper (1892) en Frings-Schieb (1956). Hoewel er al fragmenten van het oude Servaashandschrift door Meyer in 1883, door Schulze in 1890 en door Scharpé in 1899 waren uitgegeven, zijn zij pas in 1911 als basis voor een reconstructie gebruikt, en wel voor de liederen in een nieuwe uitgave van de veelgebruikte verzameling vroege
Hoogduitse minnelyriek Minnesangs Frühling door Vogt. In eerdere edities daarvan had Vogt de genormaliseerde Middelhoogduitse tekst van Veldekes liederen door Lachmann-Haupt (1857) overgenomen. In alle latere uitgaven van Veldekes werken door aanhangers van het eerste standpunt is van de basis der Servaasfragmenten uitgegaan. Deze basis werd overigens verbreed door de publikatie van nieuwe fragmenten door Thoma (1935) en Lehmann-Glauning (1940). In de laatste twee decennia is er een tendens waar te nemen om meer geloof te hechten aan de tweede opvatting. In de eerste is de keuze van de fragmenten, die in onvervalst Limburgs van rond 1200 geschreven zijn, als reconstructiebasis vanzelfsprekend, tenzij men het bestaansrecht van kritische tekstuitgaven zou loochenen. In de tweede blijft die rechtvaardiging voor de Servaas bestaan en moeten de fragmenten bij de andere werken een rol blijven spelen als representant van de achtergrondtaal waarin Veldeke heeft leren dichten.
De nieuwe fragmenten werden in de band van twee ten laatste in 1491 samengebonden incunabels aangetroffen, die uit het Beierse klooster Tegernsee stamt. Ook de vroeger aan het licht gekomen fragmenten zijn voor zover geweten in incunabels uit Beierse bibliotheken gevonden. De concrete details over de vroegere bezitters en de inhoud van die vroege drukken maken het echter niet mogelijk, een doelgerichte hypothese te formuleren die als hulp bij het zoeken naar eventuele verdere fragmenten zou kunnen fungeren.
De nieuwe fragmenten bestaan uit zeven strookjes perkament, die 145 geheel of gedeeltelijk bewaarde verzen uit het eerste deel van de Servaas bevatten, tussen de verzen 2169 en 2509. Zij stammen uit drie elkaar omsluitende folio's, dus uit één enkele katern die ten minste de omvang van een ternio had. Die constatering noopt tot een herziening van de reconstructie van een gedeelte van de codex door Marguč-Peters (1970), die aangenomen hadden dat deze uit binio's opgebouwd is geweest. Een herschikking van hun gegevens en het daarin inpassen van de nieuwe feiten leidt tot de conclusie dat, voor zover het controleerbaar is, het handschrift uit quaternio's heeft bestaan.
De Servaasuitgave van Frings-Schieb (1956) vertoont volgende soorten afwijkingen van de tekst van het jonge handschrift en de uitgave van Van Es (1950 en 1977): 1. Spelling en klankleer van de tekst zijn aangepast aan die van het oude handschrift, maar tegelijk genormaliseerd, m.a.w. er is geen rekening gehouden met variatie in dit laatste (wat overigens in de praktijk niet doenbaar is). Bij de bewerking van de tekst in dit opzicht doen Frings-Schieb ook een beroep op hun verdere taal-
historische en taalgeografische kennis. Waar de fragmenten grammatische lacunes vertonen was er ook geen andere weg. 2. De morfologie (flexie en woordvorming) is eveneens en op dezelfde wijze aangepast. 3. Er zijn wijzigingen in de woordenschat aangebracht, gedeeltelijk naar het model van het oude handschrift, gedeeltelijk op grond van opvattingen van de uitgevers over de Limburgse taalgeschiedenis en over de dichterpersoonlijkheid van Veldeke. 4. Een vrij klein aantal zinsconstructies is veranderd, ook wel op grond van (esthetiserende) opvattingen over de dichter. 5. Niet minder dan 534 verzen op de 6229 zijn uit de tekst verwijderd en in een appendix opgenomen; 204 andere zijn, in het Oudlimburgs getransponeerd, tussen haakjes in de tekst opgenomen; nog eens 108 andere verschijnen, eveneens tussen haakjes, maar in de spelling van het jonge handschrift, in de tekst. In al die gevallen zou het om interpolaties gaan, d.w.z. toevoegingen van afschrijvers, die in de loop van een driehonderdjarige overlevering bestanddeel van de tekst zijn geworden, in het tweede om oude invoegingen, uit Veldekes tijd of kort daarna, in het derde om jongere, in het eerste ook wel om jongere, waarbij Frings-Schieb zekerder van hun stuk zijn dan in het derde. De argumentatie berust hier weer op esthetiserende opvattingen over Veldekes dichterpersoonlijkheid en ook op meningen over zijn taalgebruik, die gedeeltelijk uit de studie van de fragmenten, gedeeltelijk uit die van de Limburgse taalgeschiedenis (in een ruimer verband) zijn afgeleid.
Het oordeel dat aan de hand van een vergelijking van de nieuwe fragmenten met de uitgave van Frings-Schieb over deze laatste kan worden gevormd, luidt als volgt: Onder het eerste aspect benadert zij de perfectie. Onder het tweede is zij ook nog zeer geslaagd, beter dan in voorlopige reconstructie van delen uit de tekst die zij in 1948 en 1949 gepubliceerd hadden. Daartoe heeft kennelijk de kennismaking met de morfologisch gedifferentieerde fragmenten van Lehmann-Glauning (1940), die zij pas daarna leerden kennen, bijgedragen. Wat het derde aspect betreft zijn er heel wat misgrepen, maar omgekeerd garandeerde het lexicaal onveranderd laten van tekstgedeelten nog geen identiteit met het woordgebruik van het oude handschrift. Toch is de uitgave onder dit aspect blijkbaar beter geslaagd dan de reconstructies van tekstgedeelten in 1948 en 1949. Hier blijkt de kennismaking met de fragmenten van Lehmann-Glauning tot grotere voorzichtigheid, d.w.z. tot een sterkere onderdrukking van de neiging om lexicaal in te grijpen te hebben geleid. Ten vierde zijn de syntactische ingrepen mislukt, zoals men aan de verzen 2360 en 2465-2466 kan zien. Maar ook hier garandeert een conservatieve houding nog geen identiteit met de zinswendin-
gen van het oude handschrift, zoals de constructies van de verzen 2279-2288 en 2489 v.v. bewijzen. Tenslotte zijn in het tekstgedeelte uit het jonge handschrift dat hierboven naast de nieuwe fragmenten is afgedrukt, zeven plaatsen aan te wijzen die Frings-Schieb als interpolaties van de eerste soort behandeld hebben: de verzen 2169-2172, 2257-2262, 2273-2278, 2318-2327, 2367-2370, 2403-2404, 2411-2444, samen 66 verzen op 356. Van deze zeven ‘interpolaties’ hebben de eerste vier met zekerheid in de oude tekst gestaan, zoals de resten ervan in de fragmenten bewijzen (in het tweede geval hebben Frings-Schieb wel juist gezien dat er met deze passage iets niet klopte). Dat de vijfde en de zevende er ook toe behoorden, kan op grond van codicologisch onderzoek waterdicht worden bewezen. Ik moet daarvoor naar mijn Duitse studie verwijzen. Alleen wat de zesde, tegelijk de kortste (twee verzen) betreft, is geen bewijsvoering voor of tegen op basis van tekstvergelijking of codicologische analyse mogelijk. De feiten in verband met de zes andere gevallen maken echter hier de interpolatiehypothese onwaarschijnlijk. We mogen dus besluiten dat de reconstructie van Frings-Schieb wat de interpolaties betreft een mislukking is. Bekijken we hun kritische uitgave in haar geheel, dan kunnen we zeggen dat een van haar twee pijlers, namelijk de taalanalyse, op een stevig fundament staat, tenminste wanneer het om taalstructuurelementen gaat met een frequentie die voldoende hoog is om herhaalbaarheid te voorspellen. De tweede pijler, de literaire interpretatie van een dichterpersoonlijkheid, is op drijfzand gebouwd.
| Behaghel, O., 1878, Liederdichter des zwölften bis vierzehnten Jahrhunderts herausgegeben von K. Bartsch. 2. Aufl., Berlin. Hierin een aantal liederen van Veldeke getranscribeerd door Behaghel. |
| Behaghel, O., 1882, Heinrichs von Veldeke Eneide. Mit Einleitung und Anmerkungen herausgegeben von -. Heilbronn (Nadruk Hildesheim-New York 1970). |
| Brinkmann, H., 1952, Liebeslyrik der deutschen Frühe in zeitlicher Folge, herausgegeben von -. Düsseldorf. |
| Es, G.A. van, 1950, Sint-Servaes Legende. In Dutschen dichtede dit Heynrijck die van Veldeke was geboren. Naar het Leidse handschrift uitgegeven door - m.m.v.G.I. Lieftinck & A.F. Mirande. Antwerpen enz. |
| Es, G.A. van, 1977, Sint-Servaeslegende. In Dutschen dichtede dit Heynrijck die van Veldeken was geboren. Naar het Leidse handschrift uitgegeven door -, Met een beschrijving van het handschrift van G.I. Lieftinck. 2de druk. Culemborg. |
| Ettmüller, L., 1852, Heinrich von Veldeke, herausgegeben von -. (Dichtungen des deutschen Mittelalters 8). Leipzig. |
| Frings, Th., 1940, Des Minnesangs Frühling. Nach K. Lachmann, M. Haupt und F. Vogt neu bearbeitet von C. von Kraus. Leipzig. Hierin de liederen van Veldeke getranscribeerd door Frings. |
| Frings Th.-Schieb G., 1947, Heinrich von Veldeke. Die Lieder. In: Beiträge zur Geschichte der deutschen Sprache und Literatuur (= PBB) 69, 1-284. |
| Frings Th.-Schieb G., 1948a, Heinrich von Veldeke. X. Der Eingang des Servatius 1-198. In: PBB 70, 1-139. |
| Frings Th.-Schieb G., 1948b, Heinrich von Veldeke. XI. Die Ausgänge von Servatius I und II. In: PBB 70, 138-272. |
| Frings Th.-Schieb G., 1949, Drie Veldeke |