|
|
|
| |
| | | |
De nieuwe fragmenten van Hendrik van Veldekes Sente Servas door
J. Goossens Lid van de Academie
Nadat Gysseling (1980) alle tot dan toe bekende
fragmenten van het oude handschrift van Veldekes
Sente Servas opnieuw had uitgegeven, bleek dat er in de
Bayerische Staatsbibliothek te München nieuwe perkamentstrookjes ontdekt waren,
die uit hetzelfde handschrift stammen als de andere fragmenten. In het eerste
nummer van jaargang 102 (1991) van Zeitschrift für deutsches Altertum und
deutsche Literatur heb ik die uitgegeven en onder verschillende aspecten
uitvoerig onderzocht. Om de tekst van de nieuwe fragmenten ook voor neerlandici
gemakkelijk toegankelijk te maken, wordt hij hier nog eens opnieuw afgedrukt, en
wel synoptisch met het corresponderende gedeelte van de tekst in het
vijftiende-eeuwse Leidse handschrift naar de uitgave van Van
Es (1950 en 1977). Enkele onnauwkeurigheden in die uitgave zijn
daarbij aan de hand van een vergelijking met een film van het handschrift
stilzwijgend verbeterd. Ik voeg aan de afdruk ook het corresponderende deel uit
de kritische uitgave van Frings-Schieb (1956) toe, zodat het mogelijk is, de
grenzen van de tekstkritiek zoals die door die twee geleerden is beoefend, na te
gaan.
De stand van zaken zoals die in de uitgave van Gysseling (1980), 287-288 is
meegedeeld, is in één opzicht te corrigeren. De fragmenten die zich in het bezit
van Thoma te Londen bevonden en door hem in 1935 zijn uitgegeven, zijn in 1976
door de Bayerische Staatsbibliothek aangekocht. Zij bevinden zich daar in
dezelfde map als de nieuwe fragmenten. Deze laatste zijn gecatalogiseerd onder
het nummer Cgm 5249/18, 1b, de fragmenten van Thoma onder Cgm 5249/18, 1c.
Bij de uitgave van de fragmenten kan ik met de volgende toelichtingen volstaan.
De verzen, die in het origineel telkens slechts door een punt zijn gescheiden,
zijn hier onder elkaar afgedrukt. De grenzen tussen regels zijn door een enkele,
die tussen bladzijden door een dubbele verticale streep vervangen. Afkortingen
zijn opgelost en door cursieve letters vervangen. Onvolledig bewaarde letters
die nog leesbaar zijn, zijn niet speciaal gekenmerkt, maar resten van letters
die zonder de context | | | | of de tekst van het Leidse handschrift niet,
met behulp daarvan wel geïdentificeerd kunnen worden, staan tussen ronde
haakjes. Tussen beide types zijn er grensgevallen, die niet apart besproken
worden. Niet idenficeerbare letterresten zijn door dubbele punten vervangen.
De rubricering van de fragmenten vertoont drie aspecten. Ten eerste beginnen de
verzen 2233, 2245, 2269 en 2329 met een rode hoofdletter; deze is in de uitgave
telkens door een hoofdletter in vetjes vervangen. Ten tweede zijn de zwarte
hoofdletters in de regel met twee rode stippen versierd of rood aangestreept; in
de uitgave verschijnt daarvoor steeds een gewone hoofdletter. Ten derde is de
naam Servatius steeds en de naam Severin
driemaal (in de verzen 2243, 2245 en 2266) rood omlijnd (in vers 2257 staan
slechts twee horizontale strepen); met deze omlijningen is in de uitgave geen
rekening gehouden. Dit geldt ook voor de verlengingen van letterschachten in de
bovenste regels van de bladzijden van het handschrift. Wanneer vers- en
regelbegin samenvallen staat de eerste letter, wanneer hij een hoofdletter is,
vaak vóór de bladspiegel (in de verzen 2169, 2235, 2239, 2249, 2315, 2389, 2495
en 2501); dit is ook in de uitgave het geval.
2160
Maer hij seide dat hij teerst wolde, *
Talre eerst, te Colen varen:
Daer voer en woude hij nyet sparen
Weder ommoede noch onghemack
Ende als hi dese woerde ghesprack
2165
Sinte Seruaes die gheheer
Hij en bleyff daer nyet langher meer.
Die voele gheistelike bode
Hi beualse den ghewarighen gode.
Doer sijne gheystelike seden
2170
Vut der stat volchden sij hem mede;
Dat daden sij hem ter eeren
Tot hij hon bat weder te keren.
Die hem gheuolcht waren vut der stat
Tot dat hij hon weder te keren bat,
2175
Sy scheyden van hoem mit rouwen,
Mit onsten ende mit trouwen,
| | | | | |
Ende hij voer sijnre straten *
Die doen busscop was te Colene.
Daer quam hij alsoe verholen
Dat hij des waert te rade -
2185
Want hij mitten auont daer quam -
Dat hij die herberghe doe nam
Eyn man dien hijs doe bat
Hij wijsden in sijne schuere
2190
Buten der burgher muere -
Want hi der houerde nyet en plach -
Daer hij verduldichliken lach
Ende daer toe herde oetmoedelike,
Daer hij gode van hiemelrijck
Des waert gheheylicht die stat.
Ghinck ligghen op die eerde,
Daer te voren menghen dach.
Hi diende gode all daer hi lach
Daer God eyn scoen teyken dede
Die liet god daer ghewerden
| | | | | |
Daer god sijn ghebet ontfinck.
Dat waert daer ane wale schijn.
Der busscop sinte Seuerijn
2215
Hi was des werdich dat hij dat sach.
Nv suldi hoeren wes hij plach.
Hij was gheistelijck bedacht:
Hi ghinck wel gherne mitter nacht
Heymelijck ende verholene
2220
Doer doecht achter colene
Ten monsteren ouer alle die stat.
Den goeden heilighen hij bat
Eynen yeghelyken sonderlinghen
Dat sij hem hulpen dinghen
Die troeste hi ende beriet.
Der armen en vergat hi nyet:
Hi gaf hon spijse ende ghewant.
2230
Hi ghinck gherne daer hijse vant
Alsoe dede hi tien stonden
Daer die goede sinte Seruaes
Doe daer bi gheherbercht was
2235
Ende in sijnen ghebede lach.
Den suyll hij ouer hem sach
Nochtan en saecht honre gheyn
| |
[Fragment]
2235
|Ende ane sinen gebede la
| | | |
Eert hon god woude openbaren *
Doer sinte Seuerijns bede
Dien hij decke ghenade dede.
2245
Die heilighe sinte Seuerijn
Hij sprack totten ghesellen sijn
Ende begonste hon te vraghen
Off sij des nyet en saghen.
Sij seiden, sij en saghens nyet.
2250
Der heer bat hon ende ryet
Dat sij neder wolden vallen
Dat god haers woude roeken
2255
Ende dat sij mochten syen
Die teyken die god liet gheschien
Doer sinte seruaes ter seluer stede.
Sij laghen neder in haren gebede,
Haer sonden sij belyeden.
Ende vander eerden lichden
Daer sij in haren ghebede laghen,
Die calomme dat sij saghen
Die sinte Seuerijn alleyne
Van gods ghenaden eer sach
Ouer sinte Seruaes daer hij lach.
Des liechtes woerden daer ghewaer,
Sij ijlden voele balde daer
Sij waenden dat daer weer
2275
Vander werelt yemant geuaren,
Somige die van heiligen leuen waren
Oft somighe van ons heren boden:
| |
[Fragment]
|Si segeden sine segens (n)
di teiken
di| (g)eschien.
Dur sente Serua| (r)re
stede
si lagen n(e)der
in| (b)ede.
Somech unses heren bode.|
| | | |
Dat die zielen op voeren te gode. *
Doen sij tot der stede quamen
Ende sij den heiligen man vernamen,
Den heiligen busscop sinte Seruaes,
Die al dae gheherbercht was,
Die daer lach in sijnen gebede
Ende dat god doer sijnen wille dede
Doen waten sij des alle vroe.
Gheystelic dat sijne groeten,
Sij hietenen willecomen sijn.
2290
Doen vraechde hem sinte Seuerijn,
Doer welker hande scholde
2295
Dat hij te heme nyet en was comen
Ende sijne herberghe dae hadde genomen.
Doen sprack die goede sinte Seruaes:
‘Daeromme dat ich moede was
Ende was ouch eyn deyll spade
2300
Daeromme was ich des te rade.’
Die heilighe sinte Seuerijn,
Dat die stat gheeert soude sijn
Daer die goede sinte Seruaes
Van gods haluen gheeert was,
2305
Hij dede maken daer ter stede
Eyn gods huys, dat is waerheide.
In goids eeren dat hijse wiede
Dien hij mynde ende voerte.
| |
[Fragment]
2290
du uragede heme sen|te Seuerin.
dat di| stat geeret solde sin.
Da der gude| se(nte) S(er) (s)
| | | |
2310
Hij hietse die hiemelsche porte *
Dat hij dat teyken daer ghesach
Doen sinte Seruaes daer lach
Hij hadde ouch in die selue stat
2315
Die inghelen hoeren synghen
Doen ghestoruen was sinte mertijn
Doen hoerde sinte Seuerijn
Die ziele, op gheuoert waert
Ten hiemele die saleghe vaert
Daer sij voele gherne voer;
2325
Sinte mertijn was verscheyden.
Vanden twee openbaringhen beyde
Mach die stat wale geeert sijn;
Dat bedacht sinte Seuerijn.
2335
Die hem vrolijck ontfinck
Ende hij die gods huyse beghinck,
Sent voer hij voele schiere
2340
Totten lieuen vriende sijne
Die doen busscop was daer.
Sinte seruaes seide, dat is waer,
Dat hij van romen waer comen
Ende wat hi daer hadde vernomen;
| |
[Fragment]
Du geendet was sente Mar|
| | | |
2345
Der waerheit en versweych hij nyet. *
Allen den volke hij doen riet
Mit sconen woerden ende mit soeten
Dat sij gode wolden boeten
Haer sonden ende haer misdaet.
2350
Mit trouwen gaff hij hon der raet
Te metse voer hij van danne.
Doen hij te metse quam altehant
Hi teghen hem dae ghesament vant
2355
Die voersten van vrancrike
Mit eeren sij hem ontfinghen
2360
Gods dienste hi daer dede:
Denen dede hij alre eerste.
Ende als hij daer toe vinck
2365
Ende hij die misse began,
God heeften daer verlicht.
Vervult mitten heiligen gheist.
Aen hoem woerden ghewaer.
Onder die oughen waert hij soe claer
2375
Was die heilighe predicare,
Dat onmogelike te seggen waer,
| |
[Fragment]
den luden allen her| du gerit.
Bit schonen worden ende bit|
2357
(Int)g(e)g(e)n heme gingen.| **
Te mezsde| in derre stede.
| | | |
Tot allen goeden dinghen *
2380
Ende halpse hem volbringhen.
Ane god stont alle sijn ghedanck.
Doen hij die misse volsanck
Die heilighe sinte Seruaes
Dat volck dat daer versament was
Die heeren van vranckrike
Die vraechden om nuwe meer:
Dat hij hon seide den troost
Off sij yet solden sijn verloest,
Dat hijt hon liet verstaen;
Want hij doch hadde ghedaen
2395
Daer om harde groten arbeit.
Doen seide hij hon die waerheit:
Wie hij van romen waer comen
Ende wat hij daer hadde vernomen.
2400
Hij vermaendese alle gemeyne
Ende doer haers self salicheit
Dat ionge ende alde sich maecten gereyt
2405
Ende haers selues gheroechten
Ende ane gode genade soechten
Ende verdienden sijne hulde
Dat hij hon sachten wolde
Den slach die hon nekende was;
2410
Dat riet hon sinte seruaes.
| |
[Fragment]
: (s) (de al
den) trost.|
| | | |
Voele hij hon toe sprack: *
Dat wedermoet ende dat onghemack
Dat men doer god ontfinghe
Want dat is ouch mit rechte:
Doechden mennich onghemach
Dat men hon dede ende sprach;
Sij lietens gode ghewalden.
2425
Ende sijn te hiemelrijch geuaren.
Sij vleden gode sonder sparen
Ende baden hem mit oetmoedichede
Dat hi getruwelijck voer hon bede.
Sinte Seruaes dat scone liecht
2430
Hi sprack: ‘eyn yegelijck doen sijn biecht
Dat uch god verloessen moete
Van dien dat ghij beganghen haet
2435
Op dat ghij gods hulde erwerft
Ende vwe ziele mit gode erft,
Off ghij verliest vwe lijff;
2440
Dat hijse ewelijck behalde
Ende hijse ghenadelijck versye
Wat soe den lyue gheschie.
Die sinte Seruaes nu al hier
Soe scheiden sich die heren saen
Mit herde rouwighen moede.
Beualse gode den hoechsten
2450
Dat hijse wolde ghetroosten
Die heilighe gods ergheuen
| | | |
Hi hadde die waerheit vernomen *
Dat die hunen solden comen,
2455
Der heyden coninck van ongheren.
Daer waren ouch derre van tongheren
Die alre best waren gheboren
Ende alre werdichste vutuercoren;
Der was dae comen eyn groet deyl
2460
Want sij verwracht hadden haer heyll
Ende daer toe die gods hulde.
Doen berouwede hoem die sculde
Dat sij sinte seruaes verstieten
Want sij moestens mesnyeten
2465
Dat sij hem woerden onghehoersam.
Des waren sij hon allen gram.
2470
Sij begonden seer te weynen,
Dat hijse ontfinghe te boeten.
Weynende sprakense ouerluyt:
‘Ghenade heer, gods druyt
2475
Gheff ons troost ende raet.
De heiligher keerstenheit bode,
Wes onse verdyngher tot gode
Dat wij dich ouel hieten.
Nu laet ons dijns ghenyeten,
Dijnre gheysteliker kinde.
| |
[Fragment]
2456
||och derre uan tungren. *
Di alre betst | waren geboren.
ende aller werdest| ut erkoren.
Der was da comen ein| gel deil.
2460
wente se uerwargt
had| (n) : : heil.
2483
(n)er geistliker || kinde ***
| | | |
2485
Doen du ruymdes onse lant. *
Nu dich god weder heuet gesant,
Ende troest haren droeuen sen,
2490
Die seer nae dich weynen,
Die heilighe cloester vrouwen
Die soe yamerliken schrouwen.
Die sijn in groter vreysen
Sent dat sij dijns ontboren
Ende des onschuldich woren.
Lait dich ontfermen hare claghen
2500
Die mit nachte ende mit daghe
Nae dich groten rouwe dolen
Want si dich alle sijn beuolen.
Des dich, heer ghedencken sall
Wie dich der enghel ons beuall
2505
Te tongheren: doen hij dich den staff
Mit sijnre heiligher hant gaff
Doen gaff hij dich ons in hoeden
Dat lieff was alle den goeden
2510
Al bedroech ons der viant alsoe
Dat wij dijn gebodt braken
Ende wij dich ouel spraken.
Doen wij dich leide daden
Doen woerden wij verraden.
2515
Dat rouwet ons noch hude.
| |
[Fragment]
2485
Dů| du rumedes unse lant.
nu dig got| wider heuet gesant.
Vare dare wi|der nog te hen.
ende troste h(eren)|druuen sen.
| | | |
In mijn Duitse studie ben ik op de volgende punten ingegaan: 1. Welke plaats
bekleden de fragmenten van het oude handschrift (van omstreeks 1200) in de
discussie van het Veldekeprobleem en welke rol hebben zij tot nog toe bij de
Veldekeuitgaven gespeeld? 2. Wat is over de herkomst van de fragmenten
bekend en kan die kennis ons helpen bij het zoeken naar verdere fragmenten?
3. Wat levert een codicologisch onderzoek van de nieuwe fragmenten op en
heeft het resultaat consequenties voor onze kennis van de versnipperde
codex? 4. Hoe ziet er de taal van de fragmenten uit en in hoeverre vult de
analyse ervan onze kennis van de taal der al langer bekende fragmenten aan?
5. Tot welke consequenties leidt het onderzoek van de nieuwe fragmenten bij
de beoordeling van de kritische uitgave van Frings-Schieb? Het vierde punt
is praktisch niet samen te vatten zonder triviaal te worden. Van de andere
geef ik in het volgende een summier resumé.
In de discussie van het Veldekeprobleem bestaan er al sinds het midden van de
vorige eeuw twee standpunten: 1. Veldeke moet al zijn werk, zoals de
Servaas, tenminste in een eerste fase in het ‘Limburgs’ hebben geschreven en
bijgevolg zijn kritische uitgaven, waarin gepoogd wordt die taalvorm te
reconstrueren, filologisch en literairhistorisch zinvolle ondernemingen, ook
voor de liederen en de Eneide, die slechts in Hoogduitse handschriften zijn
bewaard. 2. Van de liederen en de Eneide - die in deze opvatting als
Veldekes belangrijkste werken worden beschouwd - is via de taal van de
handschriften slechts een Hoogduitse receptie aantoonbaar en bijgevolg zijn
Limburgse reconstructies niet te rechtvaardigen. Als editiemogelijkheden
blijven dan over genormaliseerde Middelhoogduitse uitgaven, min of meer
diplomatische uitgaven van de teksten van de handschriften, voor de Eneide
eventueel een Thüringse reconstructie. Aanhangers van de eerste opvatting
zijn als tekstbezorgers veel actiever geweest dan voorstanders van de
tweede. Zij hebben - aanvankelijk op een zeer wankele taalhistorische basis
- reconstructies in het Oudnederrijns of het Oudlimburgs gepubliceerd.
Uitgevers van de liederen in zo een versie zijn Ettmüller (1852), Behaghel
(1878, gedeeltelijk), Piper (1892), Vogt (1911), Rogier (1931,
gedeeltelijk), Frings (1940), Frings-Schieb (1947) en Brinkmann (1952), van
de Eneide Behaghel (1882), Rogier (1931, uittreksels) en Schieb-Frings
(1964), van de Servaas Piper (1892) en Frings-Schieb (1956). Hoewel er al
fragmenten van het oude Servaashandschrift door Meyer in 1883, door Schulze
in 1890 en door Scharpé in 1899 waren uitgegeven, zijn zij pas in 1911 als
basis voor een reconstructie gebruikt, en wel voor de liederen in een nieuwe
uitgave van de veelgebruikte verzameling vroege | | | | Hoogduitse
minnelyriek Minnesangs Frühling door Vogt. In eerdere
edities daarvan had Vogt de genormaliseerde Middelhoogduitse tekst van
Veldekes liederen door Lachmann-Haupt (1857) overgenomen. In alle latere
uitgaven van Veldekes werken door aanhangers van het eerste standpunt is van
de basis der Servaasfragmenten uitgegaan. Deze basis werd overigens verbreed
door de publikatie van nieuwe fragmenten door Thoma (1935) en
Lehmann-Glauning (1940). In de laatste twee decennia is er een tendens waar
te nemen om meer geloof te hechten aan de tweede opvatting. In de eerste is
de keuze van de fragmenten, die in onvervalst Limburgs van rond 1200
geschreven zijn, als reconstructiebasis vanzelfsprekend, tenzij men het
bestaansrecht van kritische tekstuitgaven zou loochenen. In de tweede blijft
die rechtvaardiging voor de Servaas bestaan en moeten de fragmenten bij de
andere werken een rol blijven spelen als representant van de achtergrondtaal
waarin Veldeke heeft leren dichten.
De nieuwe fragmenten werden in de band van twee ten laatste in 1491
samengebonden incunabels aangetroffen, die uit het Beierse klooster
Tegernsee stamt. Ook de vroeger aan het licht gekomen fragmenten zijn voor
zover geweten in incunabels uit Beierse bibliotheken gevonden. De concrete
details over de vroegere bezitters en de inhoud van die vroege drukken maken
het echter niet mogelijk, een doelgerichte hypothese te formuleren die als
hulp bij het zoeken naar eventuele verdere fragmenten zou kunnen fungeren.
De nieuwe fragmenten bestaan uit zeven strookjes perkament, die 145 geheel of
gedeeltelijk bewaarde verzen uit het eerste deel van de Servaas bevatten,
tussen de verzen 2169 en 2509. Zij stammen uit drie elkaar omsluitende
folio's, dus uit één enkele katern die ten minste de omvang van een ternio
had. Die constatering noopt tot een herziening van de reconstructie van een
gedeelte van de codex door Marguč-Peters (1970), die aangenomen hadden dat
deze uit binio's opgebouwd is geweest. Een herschikking van hun gegevens en
het daarin inpassen van de nieuwe feiten leidt tot de conclusie dat, voor
zover het controleerbaar is, het handschrift uit quaternio's heeft bestaan.
De Servaasuitgave van Frings-Schieb (1956) vertoont volgende soorten
afwijkingen van de tekst van het jonge handschrift en de uitgave van Van Es
(1950 en 1977): 1. Spelling en klankleer van de tekst zijn aangepast aan die
van het oude handschrift, maar tegelijk genormaliseerd, m.a.w. er is geen
rekening gehouden met variatie in dit laatste (wat overigens in de praktijk
niet doenbaar is). Bij de bewerking van de tekst in dit opzicht doen
Frings-Schieb ook een beroep op hun verdere taal- | | | | historische en
taalgeografische kennis. Waar de fragmenten grammatische lacunes vertonen
was er ook geen andere weg. 2. De morfologie (flexie en woordvorming) is
eveneens en op dezelfde wijze aangepast. 3. Er zijn wijzigingen in de
woordenschat aangebracht, gedeeltelijk naar het model van het oude
handschrift, gedeeltelijk op grond van opvattingen van de uitgevers over de
Limburgse taalgeschiedenis en over de dichterpersoonlijkheid van Veldeke. 4.
Een vrij klein aantal zinsconstructies is veranderd, ook wel op grond van
(esthetiserende) opvattingen over de dichter. 5. Niet minder dan 534 verzen
op de 6229 zijn uit de tekst verwijderd en in een appendix opgenomen; 204
andere zijn, in het Oudlimburgs getransponeerd, tussen haakjes in de tekst
opgenomen; nog eens 108 andere verschijnen, eveneens tussen haakjes, maar in
de spelling van het jonge handschrift, in de tekst. In al die gevallen zou
het om interpolaties gaan, d.w.z. toevoegingen van afschrijvers, die in de
loop van een driehonderdjarige overlevering bestanddeel van de tekst zijn
geworden, in het tweede om oude invoegingen, uit Veldekes tijd of kort
daarna, in het derde om jongere, in het eerste ook wel om jongere, waarbij
Frings-Schieb zekerder van hun stuk zijn dan in het derde. De argumentatie
berust hier weer op esthetiserende opvattingen over Veldekes
dichterpersoonlijkheid en ook op meningen over zijn taalgebruik, die
gedeeltelijk uit de studie van de fragmenten, gedeeltelijk uit die van de
Limburgse taalgeschiedenis (in een ruimer verband) zijn afgeleid.
Het oordeel dat aan de hand van een vergelijking van de nieuwe fragmenten met
de uitgave van Frings-Schieb over deze laatste kan worden gevormd, luidt als
volgt: Onder het eerste aspect benadert zij de perfectie. Onder het tweede
is zij ook nog zeer geslaagd, beter dan in voorlopige reconstructie van
delen uit de tekst die zij in 1948 en 1949 gepubliceerd hadden. Daartoe
heeft kennelijk de kennismaking met de morfologisch gedifferentieerde
fragmenten van Lehmann-Glauning (1940), die zij pas daarna leerden kennen,
bijgedragen. Wat het derde aspect betreft zijn er heel wat misgrepen, maar
omgekeerd garandeerde het lexicaal onveranderd laten van tekstgedeelten nog
geen identiteit met het woordgebruik van het oude handschrift. Toch is de
uitgave onder dit aspect blijkbaar beter geslaagd dan de reconstructies van
tekstgedeelten in 1948 en 1949. Hier blijkt de kennismaking met de
fragmenten van Lehmann-Glauning tot grotere voorzichtigheid, d.w.z. tot een
sterkere onderdrukking van de neiging om lexicaal in te grijpen te hebben
geleid. Ten vierde zijn de syntactische ingrepen mislukt, zoals men aan de
verzen 2360 en 2465-2466 kan zien. Maar ook hier garandeert een
conservatieve houding nog geen identiteit met de zinswendin- | | | | gen
van het oude handschrift, zoals de constructies van de verzen 2279-2288 en
2489 v.v. bewijzen. Tenslotte zijn in het tekstgedeelte uit het jonge
handschrift dat hierboven naast de nieuwe fragmenten is afgedrukt, zeven
plaatsen aan te wijzen die Frings-Schieb als interpolaties van de eerste
soort behandeld hebben: de verzen 2169-2172, 2257-2262, 2273-2278,
2318-2327, 2367-2370, 2403-2404, 2411-2444, samen 66 verzen op 356. Van deze
zeven ‘interpolaties’ hebben de eerste vier met zekerheid in de oude tekst
gestaan, zoals de resten ervan in de fragmenten bewijzen (in het tweede
geval hebben Frings-Schieb wel juist gezien dat er met deze passage iets
niet klopte). Dat de vijfde en de zevende er ook toe behoorden, kan op grond
van codicologisch onderzoek waterdicht worden bewezen. Ik moet daarvoor naar
mijn Duitse studie verwijzen. Alleen wat de zesde, tegelijk de kortste (twee
verzen) betreft, is geen bewijsvoering voor of tegen op basis van
tekstvergelijking of codicologische analyse mogelijk. De feiten in verband
met de zes andere gevallen maken echter hier de interpolatiehypothese
onwaarschijnlijk. We mogen dus besluiten dat de reconstructie van
Frings-Schieb wat de interpolaties betreft een mislukking is. Bekijken we
hun kritische uitgave in haar geheel, dan kunnen we zeggen dat een van haar
twee pijlers, namelijk de taalanalyse, op een stevig fundament staat,
tenminste wanneer het om taalstructuurelementen gaat met een frequentie die
voldoende hoog is om herhaalbaarheid te voorspellen. De tweede pijler, de
literaire interpretatie van een dichterpersoonlijkheid, is op drijfzand
gebouwd.
| |
Literatuur
| Behaghel, O., 1878, Liederdichter des zwölften bis vierzehnten
Jahrhunderts herausgegeben von K. Bartsch. 2. Aufl., Berlin. Hierin een
aantal liederen van Veldeke getranscribeerd door Behaghel. |
| Behaghel, O., 1882, Heinrichs von Veldeke Eneide. Mit Einleitung und
Anmerkungen herausgegeben von -. Heilbronn (Nadruk Hildesheim-New York
1970). |
| Brinkmann, H., 1952, Liebeslyrik der deutschen Frühe in zeitlicher
Folge, herausgegeben von -. Düsseldorf. |
| Es, G.A. van, 1950, Sint-Servaes Legende. In Dutschen dichtede dit
Heynrijck die van Veldeke was geboren. Naar het Leidse handschrift
uitgegeven door - m.m.v.G.I. Lieftinck & A.F. Mirande. Antwerpen
enz. |
| Es, G.A. van, 1977, Sint-Servaeslegende. In Dutschen dichtede dit
Heynrijck die van Veldeken was geboren. Naar het Leidse handschrift
uitgegeven door -, Met een beschrijving van het handschrift van G.I.
Lieftinck. 2de druk. Culemborg. |
| | | |
| Ettmüller, L., 1852, Heinrich von Veldeke, herausgegeben von -.
(Dichtungen des deutschen Mittelalters 8). Leipzig. |
| Frings, Th., 1940, Des Minnesangs Frühling. Nach K. Lachmann, M. Haupt
und F. Vogt neu bearbeitet von C. von Kraus. Leipzig. Hierin de liederen
van Veldeke getranscribeerd door Frings. |
| Frings Th.-Schieb G., 1947, Heinrich von Veldeke. Die Lieder. In:
Beiträge zur Geschichte der deutschen Sprache und Literatuur (= PBB) 69,
1-284. |
| Frings Th.-Schieb G., 1948a, Heinrich von Veldeke. X. Der Eingang des
Servatius 1-198. In: PBB 70, 1-139. |
| Frings Th.-Schieb G., 1948b, Heinrich von Veldeke. XI. Die Ausgänge
von Servatius I und II. In: PBB 70, 138-272. |
| Frings Th.-Schieb G., 1949, Drie Veldekestudien. Das Veldekeproblem.
Der Eneideepilog. Die beiden Stauferpartien. (Abhandlungen der deutschen
Akademie der Wissenschaften, Philos.-hist. Klasse 1947 Nr. 6). Berlin. |
| Frings Th.-Schieb G., 1956, Die epischen Werke des Henric van
Veldeken. I. Sente Servas - Sanctus Servatius. Kritisch herausgegeben
von -. Halle (Saale). |
| Gysseling, M., 1980, Corpus van Middelnederlandse teksten (tot en met
het jaar 1300) uitgegeven door -, m.m.v. en van woordindices voorzien
door W. Pijnenburg. Reeks II: Literaire handschriften, deel 1,
Fragmenten. 's-Gravenhage, Nr. 18, blz. 287-298. |
| Lachmann K.-Haupt M., 1857, Des Minnesangs Frühling, herausgegeben von
-. Leipzig. |
| Lehmann, P.-Glauning O., 1940, Mittelalterliche
Handschriftenbruchstücke der Universitätsbibliothek und des Georgianum
zu München. In: 72. Beiheft zum Zentralblatt für Bibliothekswesen,
119-124. |
| Marguč W.-Peters R., 1970, Zur Kodikologie der Servatiusfragmente. In:
Niederdeutsches Jahrbuch 93, 7-15. |
| Meyer, W., 1883, Veldekes Servatius. Münchner Fragment. In:
Zeitschrift für deutsches Altertum und deutsche Literatur (= ZfdA) 27,
146-157. |
| Piper, P., [1892], Höfische Epik. Erster Teil. Die ältesten Vertreter
ritterlicher Epik in Deutschland. Bearbeitet von -. (Deutsche
National-Litteratur. Historischkritische Ausgabe, 4. Band, Erste Abt.
I). Stuttgart z.j. |
| Rogier, L.J., 1931, Henric van Veldeken. Inleiding tot de dichter en
zijn werk met bloemlezing. Maastricht. |
| Schieb G.-Frings Th., 1964, Henric van Veldeken, Eneide. I.
Einleitung, Text herausgegeben von -. (Deutsche Texte des Mittelalters
LVIII, Eneide I). Berlin. |
| Scharpé, L., 1899, De Hss. van Veldeke's Servatius. In: Leuvensche
Bijdragen 3, 5-22 plus facsimiles en afdruk. |
| Schulze, B., 1890, Neue Bruchstücke aus Veldekes Servatius. In: ZfdA
34, 218-223. |
| Thoma, H., 1935, Altdeutsche Fündlein. I. Aus Veldekes Servatius. In:
ZfdA 72, 193-196. |
| Vogt, F., 1911, Des Minnesangs Frühling. Mit Bezeichnung der
Abweichungen von Lachmann und Haupt und unter Beifügung ihrer
Anmerkungen neu bearbeitet von -. Leipzig. |
|
*
2160
mare he segede dat'er wolde
aller erest te Colne varen,
da vore ne wolde he nit sparen
ende alse'r dese wort gesprac,
he ne bleif nit langer mere.
2168
he beval se den gewaren gode
2173
di heme volgeden uter stat.
went he se weder keten bat.
2175
si schiden van heme bit rouwen,
bit unsten ende bit trouwen,
*
ende he vur siner straten
de du biscop was te Colene.
2185
want he des avundes dare quam,
he wisede'n in sine scure
want he der hovart nine plach,
des wart geheileget di stat.
he dinde gode al da'er lach
da got ein scone teiken dede
*
da got sin gebet entfinc.
dat wart dar ane wale schin.
2215
he was des wert dat he dat sach.
nu sult ir horen wes he plach.
he was geistlike bedacht.
he ginc vele gerne bi der nacht
geswaslike ende verholene
ten munsteren over al di stat.
den guden heilegen he bat
dat si heme hulpen dingen.
2225
in rouwen ende in vreisen
di getroste'r ende berit.
der armen ne vergat he nit,
he gaf hen spise ende gewant.
2230
he ginc gerne da he se vant
so dede'r tut den stunden
dat der gude sente Servas
2235
ende in sinen gebede lach.
di sule he over heme sach
noch dan ne sach et negein
*
ere't got wolde openbaren
dore sente Severines bede,
deme he dicke genade dede.
2245
Der heilege sente Severin
he sprac ten gesellen sin
si segeden si ne sagen's nit.
2250
der here bat hen ende rit
dat si neder wolden vallen
2256
di teiken di got lit geschin.
2263
da si in heren gebede lagen,
van godes genaden ere sach
over sente Servase da'er lach.
des lichtes wurden da geware,
2272
si ileden harde schire dare.
*
2280
ende si den heilegen man vernamen,
ende da lach in sinen gebede,
ende dat got dore heme dede
du waren si des alle vro,
si hiten'ne willekome sin.
2290
du vragede heme sente Severin,
2295
dat he te heme nine was komen
ende sine herberge da hadde genomen.
Du sprac der gude sente Servas
‘dar umbe dat ich mude was
ende was ouch ein deil spade,
2300
drumbe was ich des te rade.’
der heilege sente Severin,
dat di stat geeret solde sin
van gode also gehoget was,
den he minnede ende vorte.
*
2310
he hit si di hemeles porte,
dat he dat teiken da gesach,
he hadde ouch in der selver stat
2317
du gestorven was sente Martin.
2328
dat bedachte sente Severin.
Sint dat der gude sente Servas
ende he di godes hus beginc,
dat he van Rome ware komen
ende wat he da hadde vernomen.
*
2345
der warheit ne versweich'er nit.
bit sconen worden ende suten
here sunden ende here misdat.
2350
bit trouwen gaf'er hen den rat,
he integen heme da gesamenet vant
2355
di vursten van Vrancrike,
te Metze in der selver stat.
2360
godes dinstes men heme bat,
2365
ende he der missen began,
under den ougen wart he so clare
2375
was der heilege predekare,
dat't nit te seggene ware,
*
2380
ende halp se heme volbrengen.
ane gode stunt al sin gedanc.
der heilege sente Servas,
dat volc dat da versamenet was,
di vrageden heme nouwe mare
dat he hen segede den trost
of si it solden sin erlost,
dat he't si dade verstan.
want he drumbe hadde gedan
du segede'r hen di warheit
wi he van Rome ware komen
ende wat'er da hadde vernomen.
dat si godes genade suchten
ende verdinden sine hulde,
den slach de hen nakende was.
2410
dat rit hen sente Servas.
*
beval se gode den hosten,
2450
dat he si wolde getrosten
der heilege godes ergevene
*
he hadde te ware vernomen
dat di Hunen solden komen,
2455
der heiden koninc van Ungeren.
du was ouch der van Tungeren,
ende aller werdest ut erkoren,
dare komen ein michel deil,
2460
want si verworcht hadden here heil
dat si sente Servase verstiten,
want si musten's misniten
dat he se entfinge te buten.
weinende spraken si overlut
‘genade, here, godes drut,
der heileger kirstenheide bode,
wis unse dingare te gode,
2480
wir hebben's groten rouwe
dat wir dich ovele hiten.
*
nu dich got weder hevet gesant,
ende troste heren druven sin
den godes megeden reinen,
di heilege clostervrouwen
di so jamerlike schrouwen,
ende des unsculdech waren.
lat dich erbarmen here clage,
2500
di bit nachte ende bit dage
na dich groten rouwe dolen,
want si dich alle sin bevolen.
des dich, here, gedenken sal.
wi dich der engel uns beval
2505
te Tungeren du'er dich den staf
bit siner heileger hant gaf,
du gaf'er dich uns in huden,
2510
al bedrouch uns der viant so
dat wir din gebot tebraken
ende wir dich ovele spraken.
2515
dat rouwet uns noch hude.
|
|