|
|
|
| | | | | |
Polysemievrees
De woordgeograaf die systematisch ganse betekenisvelden afvraagt,
heeft wanneer hij de ingezamelde termen in semantisch opzicht wil onderzoeken,
een aanzienlijke voorsprong op zijn collega die de benamingen van een reeks los
of helemaal niet samenhangende begrippen bestudeert. Hij stelt nl.
herhaaldelijk vast dat dezelfde term in verschillende betekenissen terugkeert
in al of niet onderscheiden gebieden. Dit geografisch aspect van de polysemie
helpt hem dan om de verspreiding van de afzonderlijke termen in hun diverse
betekenissen te verklaren. Een bekend voorbeeld van deze werkwijze zijn de
kaartjes met de benamingen van de melk en de karnemelk in
Noord-Brabant van
Weijnen
1).
Wie deze methode consequent wil toepassen, moet uit de afzonderlijke
woordkaarten een nieuwe soort kaarten opbouwen, nl. betekenis-kaarten,
waarop de verspreidingsgebieden van de verschillende betekenissen van hetzelfde
woord worden afgebakend
2). De systematische | | | | studie van een reeks betekeniskaarten heeft mij tot de ontdekking van
een verschijnsel geleid dat ik in dit opstel zou willen bespreken en dat ik
polysemievrees zou willen noemen.
Met polysemievrees bedoel ik het volgende. Op een betekeniskaart
wordt uiteraard de verspreiding van de verschillende betekenissen van hetzelfde
woord aangegeven. De lijn die het verspreidingsgebied van één
betekenis van dat woord afbakent, kan men isosemant noemen. De linker
isosemant van een betekenisgebied kan samenvallen met de rechter isosemant van
een ander betekenisgebied. Er is dan een betekenisgrens, evenals men bij het
samenvallen van twee isoglossen met een woordgrens, van twee isofonen met een
klankgrens, van twee isotagmen met een syntactische grens te doen heeft. In de
buurt van een betekenisgrens kan nu twijfel ontstaan omtrent de precieze
betekenis van het woord: men heeft het aan de linkerzijde van de barricade in
een bepaalde betekenis horen gebruiken, aan de rechterzijde in een andere
betekenis
3). Wie het woord in de betekenis van het
gebied links van de grens wil gebruiken in het gebied rechts van de grens,
wordt verkeerd begrepen; wie omgekeerd het woord in zijn betekenis van het
gebied rechts gaat bezigen in het gebied links, wordt eveneens verkeerd
begrepen. Dat in dergelijke gevallen tegen de hinderlijke polysemie kan
gereageerd worden, werd reeds door
Jaberg aangenomen: ‘Le manque de stabilité
de significations que nous venons de constater à la
périphérie des aires devient particulièrement frappant
quand deux aires sémantiques se touchent et se superposent sur les
bords. Il naît alors des zones intermédiaires plus ou moins larges
où se déroulent de véritables luttes
sémantiques’
4). De reactie die op de
volgende bladzijden wordt besproken, is de volgende: in de grensstreek tussen
twee betekenisgebieden kan men het woord dat aanleiding gaf tot misverstand, in
zijn beide betekenissen opgeven en vervangen door ersatzbenamingen, Het
taalgeografisch bewijs voor deze polysemievrees vindt men in het feit dat een
woord niet bestaat in een niet al te brede strook tussen twee | | | | betekenisgebieden van dat woord in, terwijl er buiten de buurt van de
isosemanten nergens gapingen in de onderscheiden betekenisgebieden te vinden
zijn.
Uit de betekeniskaart van het woord opper in
Belgisch-Limburg (kaart 1) kan dit verschijnsel duidelijk
afgelezen worden
5). Dit woord heeft in deze provincie vijf verschillende
betekenissen: ongebonden halve graanschoof, boekweithokje dat uit
één schoof bestaat, haver-hokje van een speciaal type (in dit
gebied ook bos klaverhooi die aan de kop is samengebonden), hooiopper en
hooirook
6). Het valt onmiddellijk op dat opper
nergens in meer dan één betekenis gebruikt wordt, behalve in het
uiterste Z.W., waar men blijkbaar geen hinder ondervindt van de dubbele
betekenis ‘haverhokje en hooiopper’, of ‘hooiopper en
hooirook’, of zelfs van de driedubbele betekenis ‘haverhokje,
hooiopper en hooirook’. De polysemie hindert hier blijkbaar niet omdat in
deze hoek zeer weinig gehooid wordt. Afgezien van deze uithoek treft men in
elke plaats afzonderlijk slechts één betekenis aan. Daarenboven
worden de meeste betekenisgebieden van elkaar gescheiden door langwerpige
stroken waar het woord opper niet bekend is. Men kan bezwaarlijk
aannemen dat opper precies in die smalle stroken tussen de verschillende
betekenisgebieden in nooit bekend is geweest. Men kan ook geen buitengewoon
grillig spel van het toeval voor het ontbreken van opper in deze
grensstroken aansprakelijk stellen. De enige aannemelijke verklaring is
polysemievrees.
Voor één zwart gekleurde strook is het aannemen van
die oorzaak de evidentie zelf, nl. voor de strook die de Limburgse
Kempen van N naar Z in twee helften verdeelt, van L 286 tot en met L
364. Hier | | | |

KAART 1. - Alle in kaart gebrachte gegevens berusten op
mondeling ingezameld materiaal, behalve die voor L 360a, 362, P 181, 184, Q
158, 160, 173 en 181, evenals de opgaven ‘hooiopper’ voor P 180 en
182 en ‘haverhok’ voor P 214 en Q 188 (schriftelijke
gegevens).
| | | |
stond men voor een onmogelijk toestand. Zoals uit de kaart blijkt,
heet ten W van deze strook de hooirook opper; een hooiopper daarentegen
heet er heukel. Ten O van deze strook is de toestand precies omgekeerd:
daar heet de hooiopper opper, maar de hooirook heukel. Zo een
toestand was onhoudbaar in het grensgebied. Een van de twee termen moest
verdwijnen en in de praktijk is dat meestal opper geweest. In het zo
ontstane woordgebrek werd op de meeste plaatsen voorzien door het woord
heukel zowel in de betekenis ‘hooiopper’ als in de betekenis
‘hooirook’ te gebruiken. In de eerste betekenis bezigt men het in
de diminutiefvorm of laat het voorafgaan door het adj. klein; in de
tweede plaatst men er het adj. groot voor
7).
In de buurt van andere betekenisgrenzen van het woord opper
kan de polysemie niet even hinderlijk geweest zijn als in de centrale
Limburgse Kempen, omdat gelijksoortige tegenstellingen als in dat
gebied er niet voorkomen
8), maar het kaartbeeld wijst toch uit dat de onderscheiden
betekenisgebieden meestal door stroken niemandsland van elkaar gescheiden zijn.
Blijkbaar heeft ook hier de polysemievrees tot het opgeven van het woord
opper geleid. Heeft zij dat op haar eentje gekund? Ik geloof dat men nog
met een tweede factor rekening moet houden, die de polysemievrees gesteund
heeft. Die tweede factor zou men vormverwarringsvrees kunnen noemen.
Er komen nl. in Belgisch-Limburg niet minder dan zes
vorm-varianten van het woord opper voor. Er zijn streken waar dit woord
met een h begint en andere waar dit niet het geval is. Daarenboven
vertoont de hoofdtonige vocaal in bepaalde gebieden umlaut, in andere niet.
Tenslotte bestaat er in dit woord een r/l-wisseling in de
auslaut. | | | | Wie die drie verschijnselen combineert, kan in totaal acht
realisatie-types bedenken: 1. *opper; 2. *hopper; 3.
*öpper; 4. *höpper; 5. *oppel; 6.
*hoppel; 7. *öppel; 8. * höppel. Behalve de
vijfde en de zevende zijn al die mogelijkheden op de kaart van de vormvarianten
van het woord opper (kaart 2) vertegenwoordigd
9). Uit die kaart blijkt duidelijk dat
men de gebieden van de onderscheiden vormvarianten wel gemakkelijk kan
afbakenen, maar dat men meestal geen gemeenschappelijke grens voor twee
vormvarianten kan trekken, waarbij de ene variant links, de andere rechts van
die grens ligt. Inderdaad, die grenzen lopen gewoonlijk door de stroken
niemandsland en volgen ze soms over hun volle lengte. Het gebied met bewaarde
h in het Maaskempens wordt voor de drie vierden omringd door
niemandsland. Hetzelfde is het geval voor het gebied met h tussen
St.-Truiden en Tongeren. Het grote gebied waar umlaut
optreedt wordt bijna totaal omringd door niemandsland. Het Lonerlands gebiedje
met auslautende l grenst voor twee derden aan niemandsland, de taalgrens
niet meegerekend. De vormverwarringsvrees heeft dus de polysemievrees gesteund
in de aarzeling die tot woordverlies leidde. Zij is echter niet de voornaamste
factor geweest: men ziet b.v. dat in het betrekkelijk kleine zuidwestelijke
gebied met opper ‘haverhokje’ niet minder dan vier
vormvarianten voorkomen, die elk afgebakende, aan elkaar grenzende gebiedjes
bezetten: opper, hopper, hoppel, höppel. In de
Maasvallei ligt de vorm-grens ‘opper/öpper een
beetje meer naar het Z dan de betekenisgrens
‘hooiopper’/‘halve schoof’.
Men kan dit alles als volgt samenvatten: in de buurt van de grens
tussen twee betekenisgebieden van eenzelfde woord kan begripsverwarring
ontstaan die tot de ondergang van het woord leidt. Die ondergang kan in de hand
gewerkt worden door vormverwarring. | | | |

KAART 2. - Deze kaart is getekend met hetzelfde materiaal
als kaart 1.
| | | |
Het hand in hand gaan van deze twee factoren kan men ook uit een
volgende betekeniskaart aflezen, die van het ww. blekken ‘ondiep
ploegen’, een woord dat in het mnl. ‘ontvellen, de schors afnemen,
uit-plunderen’ betekent
10).
Men ziet op kaart 3 een noordwestelijk gebied met blekken
‘een weide of grasland ondiep omploegen’ en een zuidoostelijk met
bel(le)ken ‘een akker, meer bepaald een stoppelveld oppervlakkig
omploegen’. Belken is ongetwijfeld in oorsprong hetzelfde woord
als blekken. Voor de metathesis van de l kan men het geval
kolvenier: klovenier vergelijken
11). Dat beide vormen
oorspronkelijk identiek zijn wordt bewezen door kaart 4, waaruit blijkt dat het
ww. blekken in de betekenis ‘een boomstam van de schors
ontdoen’ in de Limburgse Kempen niet zo ver naar het O reikt
als in de betekenis ‘de zode van een weide ploegen’, maar meer naar
het Z toe het gebied van deze laatste betekenis een flink eind overschrijdt,
tot Q 74 en 75 toe, waar blekken ‘een boomstam ontschorsen’
staat naast belken ‘een stoppelland oppervlakkig ploegen’.
Diepenbeek Q 71 gaf echter bøləkə en
bløkə in de betekenis ‘ontschorsen’ naast elkaar
op en Haselt Q 2 gaf in deze betekenis slechts be̥ləkə. Wanneer men de gegevens voor deze laatste twee
plaatsen in het geografisch verband van alle blekken/belken- opgaven van
kaarten 3 en 4 beziet, blijkt de oorspronkelijke formele identiteit van
blekken en belken duidelijk
12). | | | |

KAART 3. - Correctienoot: Het werkw. stroppen komt
blijkens mondelinge gegevens ook te P 48 en 49 voor. In het O van de provincie Antwerpen is er met behulp
van het (schriftelijk) materiaal geen precieze grens te trekken tussen het
gebied waar blekken ‘de zode van een weide ploegen’ bestaat
en dat waar dit woord in deze betekenis niet voorkomt. Vgl. blz. 46. Daarom is
het gebied rondom de plaatsen K 240, 307, 311, 312 en 352 niet zwart gekleurd.
Waarschijnlijk is blekken ‘de zode ploegen’ in deze streek
een uitstervend woord. Het gebied rond de Nederlands-Limburgse plaatsen L 318,
320 en 321 is evenmin zwart gekleurd. Wegens het ontbreken van gegevens voor de
aangrenzende Nederlandse gemeenten kan hier geen grens van het niemandsland
getrokken worden. De Belgisch-Limburgse gegevens berusten op mondeling ingezameld
materiaal, alle andere op schriftelijk materiaal (een vragenlijst die op
gestencilde bladen werd verspreid en die ook werd afgedrukt in Brabants Heem 13
(1961), 42).
| | | |

KAART 4. - Alle gegevens, behalve de blekken-opgave
voor K 353, werden schriftelijk ingezameld, die buiten de provincie
Belgisch-Limburg door middel van de bovenvermelde
vragenlijst.
| | | |
De betekenissen ‘de zode van een weide omploegen’ en
‘een stoppel-veld lichtjes omploegen’ van blekken, belken
zijn technische toepassingen van de betekenis ‘ontvellen, de bovenste
laag van iets wegnemen (door middel van de ploeg)’. In de eerste
toepassing is blekken buiten de Limburgse Kempen ook bekend
in het Kempenlands
13) en blijkens de kaart ook in het O van de
Antwerpse Kempen. Veel verder naar het W toe komt het echter in de
Antwerpse Kempen niet voor: ofschoon bijna alle gemeenten van het
arrondissement Turnhout werden afgevraagd, werd het voor het gebied ten W van
het stuk van de provincie Antwerpen dat op ons kaartje voorkomt,
slechts gesignaleerd voor Morkhoven K 303 en Olen K
305. Ook in Noord-Brabant zal blekken ‘de zode van
een weide omploegen’ waarschijnlijk niet veel verder dan het Kempenlands
reiken
14), maar het komt
opnieuw te voorschijn op de Veluwe
15).
Belken ‘een stoppelveld lichtjes omploegen’ komt
buiten de Belgisch-Limburgse Maasvallei en Haspengouw
ook voor in Nederlands-Limburg
16); over de verspreiding meer naar
het O toe zijn we niet ingelicht (in het Rheinisches Wörterbuch
ontbreekt het woord).
Dat de betekenis ‘de zode van een weide ploegen’ zich in
de Kempen | | | | ontwikkelde en de betekenis ‘stoppelland ondiep
ploegen’ in Haspengouw en de Maasvallei, is te
verklaren door het feit dat het percentage weiland en beemden veel groter is in
de Kempen. Een paar decennia geleden werden daar nog regelmatig
weiden gescheurd
17). In het Z en O van Haspengouw
en in de Maasvallei bestond dit bijna niet. Wel werden in heel de provincie de
stoppelvelden lichtjes omgeploegd om de navruchten te kunnen zaaien. In de
betekenis ‘een stoppelveld omploegen’ behelpt de Limburgse Kempen
zich met omschrijvingen als stoppel(en) omdoen, stoppelen akkeren, ploegen,
varen, afrijden. In West-Haspengouw heeft men voor het omploegen van een
stoppelveld echter een aparte technische term: stroppen.
Ten N.O. van het stroppen-gebied worden westelijk
blekken ‘de graszode ploegen’ en oostelijk belken
‘stoppelland ploegen’ van elkaar gescheiden door een smalle strook
niemandsland waar blekken en belken niet bestaan, noch in de
betekenis ‘graszode ploegen’, noch in de betekenis
‘stoppelland ploegen’. Nochtans zijn in deze strook de beide
manieren van ploegen bekend. Men gebruikt er echter in beide betekenissen
omschrijvingen: in de eerste wei omdoen, (om)ploegen, groes ploegen, ris
omdoen, in de tweede stoppel(en) omdoen, akkeren, ploegen, varen. L
362, 366 en 367 gaven in deze laatste betekenis storten. In beide
gevallen kan men ook spreken van schaa of dreig akkeren of
ploegen (schaa, dreig = ondiep).
Het kaartbeeld maakt het dan zeer waarschijnlijk dat in de zwart
gekleurde strook van Q 1 tot L 319, waar zowel stoppelvelden als weiden ondiep
omgeploegd worden, het ww. blekken werd opgegeven uit vrees voor
misverstand
18). De verwarring werd nog in de hand gewerkt doordat men
niet meer precies wist hoe men het ww. moet uitspreken: blekken of
bel(le)ken. | | | |
Hoe is dan de toestand in het W van Haspengouw, waar de
afstand tussen de belken-gebieden enerzijds en het blekken-gebied
anderzijds toch wel wat al te groot is om zonder meer aan polysemievrees te
geloven, te verklaren?
Het is niet vermetel te veronderstellen dat het belken
‘stoppelland ploegen’-gebiedje op de grens van de provincie
Limburg en het Luiks kanton Landen, dat er als een
typisch taalgrensrelict uitziet, vroeger aan het grote oostelijk
belken-gebied heeft vastgezeten
19). Als men dan de gegevens van kaart 4
naast die van kaart 3 legt, kan men zien waar de blekken/belken-grens in
West-Haspengouw ongeveer gelopen heeft: in west-oostelijke richting, juist
onder St.-Truiden P 176 door. Dit is meteen de zuidergrens van het
gebied waar er enkele decennia geleden nog regelmatig weiden gescheurd werden.
Ten Z van deze lijn zijn er bijna geen weiden; ten N is de gewone term voor
‘de zode van een weide omploegen’ opbreken
20). Ten Z van deze lijn bestond er geen gevaar voor
misverstand, omdat er maar één manier van ondiep ploegen bekend
was, maar onmiddellijk ten N van deze lijn konden polysemievrees en
vormverwarringsvrees hand in hand gaan. Het wezenlijke verschil tussen het
centrale W van Haspengouw en het O van de Kempen is dat deze laatste streek in
geen enkele van de twee bewuste opvattingen van het begrip ‘ondiep
ploegen’ een technische term bij de hand had die als ersatz kon dienen,
maar de eerste wel. Die term was stroppen ‘stoppels ploegen’
21). Toen stroppen in West-Haspengouw | | | | eenmaal aan
de winnende hand was, kon het ook binnendringen in plaatsen waar het niet aan
een noodzakelijkheid beantwoordde, m.a.w. waar het gebruik van blekken
of belken geen aanleiding gaf tot misverstand
22), met als resultaat dat het tenslotte de taalgrens bereikte,
waardoor het belken-gebied in tweeën werd gesplitst.
Een derde voorbeeld van polysemievrees vindt men op de kaart van de
adjectieven, afgeleid van het ww. lopen, met de betekenis
‘bronstig’. Deze adjectieven zijn: lopig (in het O van
Vlaams-Brabant en Antwerpen en in het grootste
(westelijk) deel van Belgisch-Limburg), lopetig (in een
zuidoostelijk Belgisch-Limburgs gebied dat een soort kroon vormt rond
Maastricht, en daarenboven in de omgeving van Aken,
Heinsberg en Geilenkirchen
23)) en loops (in
Nederlands-Limburg en Noord-Brabant, de
Belgisch-Limburgse Maasvallei en het N van de Antwerpse
Kempen). De hoofdtonige vocaal van lopig, lopetig, loops vertoont
in het grootste deel van het in kaart gebrachte gebied (kaart 5) umlaut. In het
W (het ‘Brabants’ gedeelte) komen vormen zonder umlaut voor. Het is
mij echter niet mogelijk een grens te trekken tussen de vormen met en die
zonder umlaut, omwille van de herkomst van de Vlaams-Brabantse, Antwerpse en
Noord-Brabantse gegevens (schriftelijk materiaal). De afleidingen van
lopen in de betekenis ‘bronstig’ strekken zich nog verder
naar het O toe uit dan op de kaart is aangegeven
24). In Noord-Brabant is, voor zover ik het zien | | | | kan, loops zeer ruim verspreid
25). In de provincies Antwerpen en
(Vlaams) Brabant echter zal lopig/loops niet veel verder
naar het W toe reiken dan op de kaart is aangegeven. Het uiterste W van de
kaart is inderdaad het grensgebied tusen lopig/loops en stierig
‘bronstig bij koeien’. In de plaatsen in de Antwerpse
Kempen waarvoor is aangegeven dat lopig/loops niet bestaat,
werd overal stierig opgegeven in de betekenis ‘bronstig bij
koeien’. Dat is ook het geval voor Kessel-Lo P 86
26). Stierig is in deze streek blijkbaar in het
offensief, ten nadele van lopig.
Het lopig/lopetig/loops-gebied valt in semantisch opzicht in
twee delen uiteen: het W (oostelijk Vlaams-Brabant, het grootste
deel van de oostelijke Antwerpse Kempen, een paar stukken uit het
W van Belgisch-Limburg en een deel van het Kempenlands) gebruikt
lopig/loops in toepassing op koeien; het O en het N
(Nederlands-Limburg, het grootste deel van
Belgisch-Limburg en van Noord-Brabant) gebruiken
lopig/lopetig/loops in toepassing op teven (honden). Tussen de twee
betekenisgebieden in ontdekken we weer eens een strook niemandsland, van
Heppen K 316 tot Overwinden P 170, waar lopig
in geen enkele van de twee betekenissen gebruikt wordt.
De term ‘polysemievrees’ mag in dit geval nochtans niet
precies op dezelfde manier opgevat worden als bij de bespreking van de termen
opper en blekken. Daar was de factor die tot woordverlies leidde,
het gevaar verkeerd verstaan te worden. Wie echter in het gebied waar
lopig ‘bronstig bij koeien’ betekent, dit woord gebruikt in
toepassing | | | |

KAART 5. - Een deel van de Antwerpse Kempen
is menggebied van lopig/loops en stierig in de betekenis
‘bronstig bij koeien’. Het lopig/loops-gebied kan daardoor
in deze streek met behulp van het schriftelijk materiaal niet nauwkeurig
afgebakend worden. Daarom is er het gebied rondom de nummers die niet van een
teken voorzien zijn, niet zwart gekleurd. De Belgisch-Limburgse gegevens berusten op mondeling ingezameld
materiaal, behalve die voor Q 85, 86, 92, 155a en 158 (schriftelijke gegevens);
de andere werden verzameld door middel van bovenvermelde vragenlijst, behalve
die voor K 215, 220 en L 224 (deze komen uit
De Bont, Dialekt van Kempenland, 378) Q 95 (uit
Endepols, Diksjenaer van 't Mestreechs, 241) en Q
101 (uit
Dorren, Woordenlijst uit het Valkenburgsch
Plat2, 117). Het lopig-gegeven voor Leuven P 88 uit
Goemans, Leuvensch Taaleigen is niet in kaart
gebracht.
| | | |
op teven, of omgekeerd, wie in een streek met lopig
‘bronstig bij teven’ het woord in toepassing op koeien gebruikt,
wordt niet verkeerd begrepen. Hij wordt - en dat is minstens even dodelijk -
uitgelachen! Polysemievrees kan men in dit geval dus herleiden tot de vrees een
mal figuur te slaan.
Men zal opmerken dat de veiligheidsmarge in de zuidelijke helft van
het niemandsland erg krap is: de strook waar lopig niet gebruikt wordt,
is daar maar één of twee (dicht bij elkaar liggende) gemeenten
breed. Feitelijk is de marge er toch wel ruim genoeg: bijna alle gemeenten die
langs de westzijde aan de zuidelijke helft van het niemandsland grenzen, hebben
in de betekenis ‘bronstig bij koeien’ naast lopig een tweede
term: willig. Willig en lopig werden naast elkaar gesignaleerd
voor P 49, 107a, 108, 109, 112, 158, 162 en 167
27). Meer naar het W toe vindt men uitsluitend lopig.
Willig is ook de (enige) term van het niemandsland en van het grootste deel
van Belgisch-Limburg.
Er is overigens een speciale factor geweest die de verbreding van
het niemandsland in de weg heeft gestaan. Als ‘emplâtre
thérapeutique’ in de grensstreek tussen de twee betekenisgebieden
van het woord lopig heeft een adjectief gediend dat door zijn algemene
bekendheid in de betekenis ‘brandend van zinnelijke hartstocht’
uiteraard als ver-vangprodukt dienst kan doen. Dat adjectief is heet
(zie kaart 6). Het wordt gebruikt in toepassing op het minst belangrijke dier,
de hond, Nadat heet in de grensstreek tussen de twee betekenisgebieden
van lopig dit laatste woord in toepassing op honden verdrongen had,
heeft het niet halt gehouden, maar is het aan een veroveringstocht begonnen in
westelijke richting. Die veroveringstocht duurt nu nog voort, en wel ten nadele
van het adj. vuil, dat in alle Vlaams-Brabantse en Antwerpse gemeenten
ten W en ten N van het heet-gebied waarvoor ik over materiaal beschikt
28), evenals in de Limburgse plaatsen K 278, 314, 315, 316, 317a en 353 in de betekenis ‘bronstig bij teven’ werd opge-
| | | |

KAART 6. - De Belgisch-Limburgse gegevens berusten op
mondeling materiaal, behalve die voor P 114, 116, 185 en 221 (schriftelijke
gegevens). De andere werden ingezameld door middel van bovenvermelde
vragenlijst. De nummers L 224, Q 95 en 101 zijn in kaart gebracht, omdat ik uit
de vermelde werken van
De Bont,
Endepols en
Dorren met een vrij grote kans op zekerheid meen te
mogen afleiden dat heet te Oerle, Maastricht
en Valkenburg niet gebruikt wordt in de betekenis ‘bronstig,
gezegd van een of ander vrouwelijk dier in de paartijd’.
| | | | geven
29).
De grootste weerstand ondervindt de indringer heet in de
Hagelandse stadjes. Hij blijft staan voor Aarschot P 25, maar hij
is een omsingelingsbeweging aan het uitvoeren rond Diest P 41. In
Tienen P 145 is hij al binnengedrongen, maar moet hij voorlopig
nog de concurrentie dulden van het oude vuil. Ook de streek ten W van
deze laatste stad is al menggebied van heet en vuil. Zodra, de
vesting Tienen gevallen is, zal heet zijn veroveringstocht in de
richting van Leuven ongestoord kunnen verder zetten.
We zien dus weer eens dat een vernieuwing die door therapie tot
stand kwam, zich verder kan verspreiden dan noodzakelijk is. De uitbreiding van
het gebied met heet ‘bronstig bij teven’ gebeurt echter in
westelijke richting, waar een veroveringstocht in oostelijke richting op het
eerste gezicht een sterkere therapeutische kracht zou hebben. Immers, alleen
door een veroveringstocht van heet ‘bronstig bij teven’ in
oostelijke richting kan het niemandsland tussen de twee betekenisgebieden van
het woord lopig breder worden! Nu is er van een veroveringstocht van
heet in oostelijke richting geen sprake, tenzij in de kop van het
niemandsland, de omgeving van Beringen K 358. Het waarom blijkt
uit kaart 6. Het grootste deel van Limburgs Haspengouw gebruikt
het adj. heet in toepassing op bronstige merries. Het gevolg was dat er
door het ontstaan van het gebied met heet ‘bronstig bij
teven’ een nieuwe strook niemandsland tot stand kwam tussen twee
betekenisgebieden van het woord heet in, van de taalgrens, op de
scheiding van de Belgische provincie Limburg en het Luiks kanton
Landen, tot Hasselt Q 2. De omgeving van
St.-Truiden P 176 bevindt zich dus in een toestand van labiel
evenwicht, met twee stroken niemandsland naast elkaar.
Het is intussen lastig de toestand meer naar het N toe, in de buurt
van de grens tusen de provincies Belgisch-Limburg en
Antwerpen
| | | | enerzijds, en Noord-Brabant
anderzijds te beoordelen, wegens gebrek aan gegevens. Het kan niet ontkend
worden dat er zich in het N van Belgisch-Limburg tussen de
gebieden met lopig ‘bronstig bij koeien’ en lopig
‘bronstig bij teven’ geen niemandsland ontwikkelde. Met er op te
wijzen dat Kerkhoven K 317a en Neerpelt L 312 ook
willig kennen in de betekenis ‘bronstig bij koeien’ is de
moeilijkheid zeker niet afdoende opgelost. Men stelt anderzijds vast dat juist
hier tegen de betekenisgrens aan toch een heet-gebiedje ontstond, maar
eigenaardig genoeg precies aan de ‘verkeerde’ kant van de
betekenisgrens! De Noordbrabantse plaatsen Oirschot K 187 en
Meerveldhoven L 225a, die voor ‘bronstig bij honden’
heet naast loops opgaven, liggen echter langs de
‘goede’ kant. Ook ten N van Turnhout K 327 is er in de
buurt van de rijksgrens, waar de twee betekenisgebieden van loops elkaar
eventjes raken, iets aan het gebeuren. Men vindt er acht plaatsen met
heet ‘bronstig bij teven’
30). Een stelselmatig mondeling
onderzoek van de bronstig-synonymiek in Kempenland en het N van de Antwerpse
Kempen zal ons wellicht klaarder doen zien in de verschuivingen die in het
gebied rond het raakpunt van de Noordbrabantse, Antwerpse en Belgisch-Limburgse
grenzen hebben plaatsgehad. Intussen blijven we te uitsluitend op gissingen
aangewezen om over de toestand in dit gebied een bevredigend betoog te kunnen
opbouwen.
J. Goossens
|
1)Het laatst afgedrukt in zijn Nederlandse
dialectkunde, 97. Weijnen heeft bij zijn vondst (in de oostelijke helft van
Noord-Brabant is tengevolge van een versobering in de levenswijze,
waarbij men alleen karnemelk dronk, het woord melk
‘karnemelk’ gaan betekenen, zodanig dat men voor ‘zoete
melk’ een ver-vangwoord nodig had; dit vervangwoord was room)
echter niet consequent doorgeredeneerd. Zijn semantisch verschuivingsschema
ziet er immers als volgt uit: ‘karnemelk’ ‘zoete
melk’ ← melk ← room
terwijl het
blijkbaar zo moet zijn: ‘karnemelk’ ‘zoetemelk’
‘vet van de melk’ x
← melk ←
room ← zaan
Hierbij stelt x ofwel een dialect
voor waaruit het O van Noord-Brabant het woord zaan ‘vet van de
melk’ ontleende, ofwel een nog te achterhalen zuivelprodukt. In het
tweede geval moet de ketting misschien nog verlengd worden. Wie deze
semantische kettingreactie wil bestuderen, moet op zijn minst drie
woord-kaarten tekenen (‘karnemelk’, ‘zoete melk’,
‘vet van de melk’) en daar op zijn minst twee betekeniskaarten (van
de woorden melk en room) uit opbouwen.
2)Dat wordt systematisch gedaan in mijn
proefschrift Semantische vraagstukken uit de taal van het landbouwbedrijf in
Belgisch-Limburg (ter perse).
3)K. Jaberg, Aspects géographiques
du langage (Paris 1936), 50 neemt zelfs aan dat ‘la question de la
superposition ou de la non superposition des aires sémantiques est celle
de la polysémie’.
5)Men vindt deze kaart ook in mijn
proefschrift, samen met de woordkaarten waar zij uit is opgebouwd, evenals de
betekeniskaart van het woord heukel, die er het natuurlijke complement
van is.
6)Wat ik onder ‘ongebonden halve
graanschoof’ en ‘haverhokje van een speciaal type’ versta,
heb ik voorlopig beknopt uiteengezet in Leuv. Bijdr. 49 (1960), blz. 81-82. Met
‘hooiopper’ bedoel ik een kleinere hoop half droog hooi die 's
avonds wordt bijeengeharkt en 's anderendaags 's morgens weer uiteengeworpen
wordt, met ‘hooirook’ een grotere hoop droog hooi die klaar is om
opgeladen en geborgen te worden. Gedetailleerde beschrijvingen van alle
voorwerpen die in Belgisch-Limburg opper kunnen genoemd worden, vindt
men in mijn proefschrift.
7)Op een paar plaatsen heeft men zich op
andere manieren uit de dubbelzinnigheid gered. Dat wordt in mijn proefschrift
besproken; hier kan ik er niet op ingaan.
8)Ze is alleszins hinderlijk geweest, omdat
de verschillende betekenissen in eenzelfde sfeer van menselijke activiteit (de
oogst) thuishoren: ‘des idées coordonnées dans le
même domaine de l'activité humaine se gênent’
(Jaberg, o.c., 64). De betekenisgrens tussen opper
‘boekweithok’ en opper ‘ongebonden halve
graanschoof’ kon ongehinderd blijven bestaan: in het opper
‘boekweithok’-gebied bestaan er geen ongebonden halve graanschoven;
in het opper ‘halve schoof’-gebied wordt geen boekweit
geteeld!
9)Uit dit alles blijkt wel de
noodzakelijkheid om de etymologie van het woord opper te herzien. Dat
wordt gedaan in mijn proefschrift.
10)Zie voor dit woord het Mnl. Wb. I,
1292, W.N.T. II, 2823-24 en Franck-Van Wijk, 69, s. v.
blaken.
11)Zie Van Loey, Schönfeld's Historische
Grammatica van het Nederlands 6, 74.
12)Van de gegevens van kaart 4 wordt in het
betoog geen gebruik gemaakt in semantisch opzicht. Het is onwaarschijnlijk dat
de betekenissen ‘ontschorsen’ en ‘oppervlakkig ploegen’
van hetzelfde ww. elkaar in de weg hebben gestaan: de semantische afstand
tussen de betekenissfeer van het ploegen en die van de houtbewerking is
daarvoor te groot. Die twee betekenissen hebben overigens, zoals uit een
vergelijking van kaart 3 cn 4 blijkt, geen last van elkaar in het W van de
Limburgse en het O van de Antwerpse Kempen.
13)A.P. de Bont, Dialekt van
Kempenland. Assen 1958, 86.
14)Blijkens de antwoorden op de vraag naar de
benamingen van dit begrip in Brabants Heem 13 (1961), 42, die voor vijftien
over Noord-Brabant verspreide plaatsen werd beantwoord.
16)Zie
Th. Dorren, Woordenlijst uit het Valkenbursch
plat2, 24. Deze lijst geeft ook de betekenis ‘braakland
ploegen’. Enkele schriftelijke gegevens voor Nederlands-Limburg en de
Zelfkant ( belken ‘stoppels ploegen’ voor Q 15 en 25,
belken ‘een weide ondiep ploegen’ voor L 430, 434 en 435 en
belken ‘een stoppelveld en een weide ondiep ploegen’ voor L
425, 427, 427a (Berg), Q 14 en 24) breng ik voorlopig liever niet in kaart,
omdat mondelinge controle en aanvulling nodig zijn voor een juiste
interpretatie van deze gegevens. Voor de drie Nederlands-Limburgse plaatsen L
318, 320 en 321 onmiddellijk ten N van de zwarte strook die de Kempen van de
Maasvallei scheidt, waarvoor de vragenlijst eveneens werd ingevuld, werd
blekken/belken noch in de betekenis ‘weiland ondiep
ploegen’, noch in de betekenis ‘stoppelland ondiep ploegen’
opgegeven. Het niemandsland strekt zich dus waarschijnlijk nog verder naar het
N toe uit dan op de kaart is aangegeven.
17)Het afploegen van de graszode was de
eerste fase bij het scheuren van weiland. Nadat het losgeploegde gras verdord
was, werd de weide zeer diep omgeploegd.
18)Er zijn nog een paar plaatsen in het
blekken-gebied, tegen het niemandsland aan, met betekenis-onvastheid: te
Bree L 360 sprak men ook van hẹi omblẹkə
‘heide omploegen’ en te Stokrooie P 56 van
blẹkə in de betekenis ‘een akker ondiep
omploegen’.
19)Die veronderstelling wordt een zekerheid
als men weet dat de twee belken-gebieden verbonden zijn door een ketting
van dorpen waar nog een meervoudig gebruikt subst. belken (P 182, 219,
220, 224), belkers (P 197) bestaat, met de betekenis ‘ondiep
geploegd stoppelveld’ (= ondiep geploegde voren). P. 182: də
bẹləkən ātsxø̨ləpə ‘de belken uitschulpen’ = een ondiep geploegd stoppelveld met de extirpator
bewerken. P. 197: də bẹ.ləkərzǫ̅.vẹiγə
‘de belkers afeggen’ = een ondiep geploegd stoppelveld met de eg
bewerken. P. 219: də bẹləkən αfslẹipə of
αvẹiγə - id. P 220: de bẹləkən
ǫ̅̄gvẹiγə - id. P 224: də bẹləkə
akərə ‘de belken akkeren’ = het ondiep geploegd
stoppelveld nadien diep omploegen.
20)In de buurt van Borgloon Q
156 moet de blekken/belken-lijn in noordoostelijke richting afgebogen
zijn en ongeveer samengevallen met de westgrens van het huidig
belken-gebied, blijkens de doubletten blekken
‘ontschorsen’ en belken ‘stoppels ploegen’ voor
Q 74 en Q 75.
21)Waar ze die term vandaan gehaald heeft,
blijft een open vraag. Misschien was stroppen er vroeger reeds bekend in
een andere toepassing van het begrip ‘de bovenste laag van iets
verwijderen’. Mogelijk ook werd het woord ontleend aan het Z.O. van
Vlaams-Brabant, waar voor zover mijn gegevens reiken, stroppen
‘stoppels ploegen’ bekend is in trook van een tiental kilometer
breed langs de taalgrens af, vanaf Helen-Bos P 158 tot in de buurt van
Leuven.
22)Dat vernieuwingen die door therapie zijn
tot stand gekomen, een neiging vertonen om zich verder te verspreiden dan
noodzakelijk is, is reeds langer bekend. Vgl. Weijnen, o.c., 100 en Jaberg,
o.c., 93-96.
23)Rheinisches Wörterbuch V, 203,
i.v. lauf-achtig.
24)Vgl. voetn. 23 en zie ook nog
Rheinisches Wörterbuch V, 207, i.v. läufig en 208, i.v.
läufisch.
25)Loops ‘bronstig bij
teven’ werd voor de volgende Noordbrabantse plaatsen die buiten de
vierhoek van kaart 5 vallen, gesignaleerd: K 146, 161, 164, 169, 179a, L 99,
144, 152 en 183.
J.H.A. Elemans, Woord en wereld van de boer
(Utrecht/ Antwerpen 1958), 214 geeft voor Huisseling L 103
eveneens löps op. Nadat de kaart reeds geclicheerd was, kwam er
voor Budel L 285 nog een inzending binnen met loops en
heet naast elkaar.
26)Het wekt dan ook verwondering bij
L. Goemans, Leuvensch Taaleigen. Woordenboek I
(Gent 1936), 307 te lezen: ‘ loopig - luəpəx
bn. Fr. en chaleur, van merries’. Ofwel hebben we hier te doen met eein
voorbeeld van terminologische verwarring in een stadsdialect, waar men de
betekenisfinesses van een min of meer agrarische term niet meer uit elkaar
houdt, ofwel bestaat er in Vlaams-Brabant ten W van het door kaart 5
afgebakende gebied nog een streek met lopig ‘bronstig bij
merries’.
27)Ook willig naast lopig te K
317a en L 312.
28)Er zijn zes uitzonderingen: vijf gemeenten in het uiterste N van de Antwerpse Kempen (K 196, 207 en 210 met, zoals uit
kaart 6 blijkt, heet; K 211 en 212 met, zoals uit kaart 5 blijkt, loops) en P 31 met rits (waarschijnlijk een foutieve opgave).
29)De veroveringstocht van heet in
westelijke richting is van vrij recente datum. In de tweede helft van de vorige
eeuw gebruikte de streek ten N en ten O van Tienen nog vuil in de
betekenis ‘bronstig bij teven’. De idiotica van
Tuerlinckx en Rutten geven nl. vuil in deze
betekenis op. Neerlinter P 110 kende echter rond de laatste
eeuwwisseling reeds heet in deze opvatting: zie
D. Claes, Lijst van bij Kiliaan geboekte en in
Zuid-Nederland voortlevende woorden … (Gent 1902), i.v.
loopig.
30)In vijf van de acht echter naast
vuil i.p.v. naast loops.
|
|