|
|
|
| |
| | | |
De tweede Nederlandse auslautverscherping
Das beste linguistische Dogma ist die Dogmenlosigkeit (Ferdinand
Wrede)
In mijn
Historische Phonologie des Niederländischen
heb ik het ontstaan van een alternantie tussen inlautende stemhebbende
en auslautende stemloze medeklinkers in morfologische paren van het Nederlands
als volgt beschreven: 1. In de oudnl. periode werden de westgerm. stemhebbende
occlusieven en fricatieven in eindpositie stemloos. Op die manier ontstonden de
tegenstellingen p - b, t - d, k - g, f - v en h (χ) - g (γ) van
het type oudnl. fant ‘vond’ - findan
‘vinden’, gaf ‘id.’ - gevan ‘geven’
enz.1). 2. In de middelnl. periode
werden de oudnl. korte stemloze fricatieven intervocalisch en inlautend na
sonore medeklinker voor vocaal stemhebbend. Op die manier ontstonden de
tegenstellingen f - v, s - z, t - d van het type hof - hoven, wolf - wolven enz.2). 3. Middelnl. auslautende doffe -e
wordt in het nieuwnl. geapocopeerd, vgl. mnl. ic scrive, oghe, ic
vinde met nnl. schrijf, oog, vind3). 4. Mnl.
stemhebbende occlusieven en fricatieven die tengevolge van de onder nummer 3
beschreven apocope in de auslaut kwamen te staan, werden in die positie
stemloos. Op die manier ontstonden de nnl. tegenstellingen p - b, t
- d, f - v, s - z, x - γ van het type web - webben, vind -
vinden, leef - leven enz.4).
Deze vier klankwetten kunnen als volgt worden geformaliseerd5):
| | | |
| 1. | Eerste (oudnl.) auslautverscherping: [ + obstr ] → [ - stem ] / - # |
| 2. | Middelnl. lenisering:
| [ + obstr ] |
|
| [ + cont ] |
→ [ + stem ] / [ - obstr ] - [ + voc ] |
| [ - lang ] |
|
|
| 3. | Nieuwnl. apocope: ə → ø - # |
| 4. | Tweede (nieuwnl.) auslautverscherping: [ + obstr] → [ - stem ] /-
# |
Regels 1, 3 en 4 zijn auslautregels, waarvan wordt aangenomen dat zij in de
aangegeven volgorde hebben gewerkt, en wel zo dat regel 3 na het totstandkomen
van regel 1 mogelijkheden heeft geschapen voor de werking van regel 4, die er
formeel uitziet als een herhaling van regel 1. Regel 2 is weliswaar in de
geschiedenis van het Nederlands duidelijk tussen de regels 1 en 3 te situeren,
maar hij staat als inlautregel buiten de intern-dwingende volgorde van 1, 3 en
4. Men kan ten hoogste zeggen dat hij een tendens tot uitbouw van een
stemalternantie die door regel 1 was ontstaan, heeft versterkt.
Tegen deze voorstelling van zaken is vanuit generatieve hoek kritiek geformuleerd
door Van Bakel, Van den
Berg en Van Marle6). Een
gemeenschappelijk punt van de kritiek, het explicietst uitgesproken door Van
Bakel, betreft het aannemen van twee verscherpingswetten als weergaven van twee
historisch te scheiden processen met een tussenfase van enkele eeuwen. Men zou
integendeel van het ogenblik van | | | | de oudnl. verscherping af te doen
hebben met een synchrone verscherpingsregel, die tot vandaag werkzaam is: ‘Het
stemloos worden van de b van rib is niet het
resultaat van een middelnederlandse7) fonologische innovatie maar
vloeit voort uit het feit dat de -b door het verloren gaan van
de -e automatisch onder het bereik kwam van de sinds de
periode van het oud nederlands werkzame regel van de verstemlozing van de
obstruenten die aan het woordeinde staan. Het tekort zit hem in het onvermeld
laten van die regel. Met het signaleren van het stemloos worden in het
oudnederlands is de kous niet af; wezenlijk is dat het gaat om een innovatie die
vanaf dat moment deel uitmaakt van alle synchrone grammatica's. De bedoelde
paragraaf over de tweede Auslautverhärtung is in dat licht overbodig’8).
Ik zelf ben, hoewel ik bij mijn weten als eerste de door regels 1-4
geformaliseerde verschijnselen met elkaar in verband heb gebracht, in de
formulering van de samenhang veel terughoudender geweest. Ik heb van een
uitbouwen van de stemalternanties in latere fasen gesproken9) en daarbij een psychisch mechanisme, of voor
mijn part een dieptestructuur, buiten beschouwing gelaten waarin de
vertegenwoordigers van de generatieve opvatting pretenderen inzicht te hebben
wanneer zij een van het oudnl. tot nu werkende synchronische verscherpings-regel
in finale positie aannemen.
| | | |
Zijn er argumenten om de constante werking van die regel aan te nemen? De
observatie van de spelling van het oudnl. tot heden leert dat nu eens het teken
voor de consonant van de structuur vóór de toepassing van de gepostuleerde
synchronische verscherpingsregel, dan weer dat voor de consonant sedert de
werking ervan wordt gebruikt, met een voorkeur voor het oppervlakteverschijnsel,
dus de stemloze10). Daaruit kan tot het bestaan
van stemalternanties worden besloten; voor de beantwoording van de vraag naar de
werking van een synchronische verscherpingsregel levert het materiaal geen
gegevens. Dat doet ook de introspectie niet, die mij weer het bestaan van de
alternantie bevestigt, maar geen gegevens oplevert voor de opvatting dat ik op
de z van de uit een verbogen vorm huizen
afgeleide diepe grondvorm *huiz een verscherpingsregel zou
moeten toepassen om een oppervlaktegrondvorm huis te
verkrijgen.
Maar misschien is het ten aanzien van een deductieve werkwijze als de generatieve
niet gerechtvaardigd op deze manier naar de resultaten van observatie en
introspectie te vragen en moeten we op zoek gaan naar theorie-immanente
argumenten. Als ik het einde van het hierboven afgedrukte citaat uit Van Bakel
en de in noot 8 opgenomen citaten uit Van den Berg en Van Marle goed
interpreteer, wordt hier telkens aangenomen dat door regel 1 als synchrone regel
van de oudnl. periode tot nu te laten gelden, de beschrijving eenvoudiger wordt:
regel 4 kan dan immers vervallen, wat impliceert dat er maar van één
auslautverscherping sprake kan zijn, waaraan in de loop van de tijd telkens
opnieuw alle consonanten worden onderworpen die ervoor in aanmerking komen. De
voorgestelde vereenvoudiging van de beschrijving pretendeert er tegelijk een
dynamisering van te zijn: zij wil zich | | | | niet alleen met de resultaten
van taalveranderingen, maar met de veranderingen zelf bezighouden11) en uitdrukken hoe die zich voltrekken. In de volgende
beschouwingen zal ik de immanente criteria eenvoud en dynamisme aan de
dialectologische feiten toetsen.
Weijnen heeft in zijn handboek bibliografische
gegevens voor de studie van stemhebbende obstruenten in de auslaut in
Nederlandse dialecten bij elkaar gebracht12). Het materiaal van de door
hem genoemde bronnen valt in twee groepen uit elkaar. De eerste is
taalhistorisch moeilijk te interpreteren (ten dele vermoedelijk tengevolge van
de summiere aard der mededelingen in de bronnen), maar heeft waarschijnlijk met
het ontbreken van een (eerste, tweede) auslautverscherping niets te maken, wel
met assimilatie- en leniseringstendensen. Daartoe reken ik vormen als doe gaiz ‘je gaat’ en doez ‘doet’ op het
Groninger Hogeland13), oed ‘hoed’ en g'ood ‘gehad’ in
Domburg op Walcheren14), bεd ‘bed’ en họvd ‘hoofd’ in
Den Oever en Oosterland op
Wieringen15).
De tweede groep is in het hier behandelde verband direkt bruikbaar. Zij laat zien
dat in tegenstelling tot de eerste auslautverscherping, waarvan niet bekend is
dat ze in enig Nederlands dialect niet zou hebben gewerkt, de tweede
verscherping in een aantal dialecten niet voorkomt.
Uiteraard bedoel ik met deze laatste streektalen niet die waar door het ontbreken
van de nieuwnl. apocope van -ə (regel 3) de voorwaarden voor
de werking van de tweede verscherping (regel 4) niet zijn | | | | vervuld.
Die dialecten zijn bekend: hun gebieden zijn afgebakend op de kaart ‘e - apocope ontbreekt’ achteraan in Weijnens handboek16). Het zijn er drie: 1. Een
zuidwestelijk gebied, dat West- en Frans-Vlaanderen, het grootste (westelijk)
deel van Oost-Vlaanderen met een stukje uit het zuidwesten van Vlaams-Brabant
(Payottenland), Zeeland en Goeree-Overflakkee omvat. 2. Een oostelijk gebied,
omvattend geheel Overijssel, de Achterhoek, de Oost-Veluwe, Zuidoost-Friesland
en het zuidwesten van Drente. 3. Het zuidoosten van Groningen met een
aangrenzende smalle strook in het noordoosten van Drente (de Veenkoloniën). Het
tweede en het derde gebied hangen ongetwijfeld bij een aantal afzonderlijke
woorden aan elkaar. Voor strate ‘straat’ en keze ‘kaas’ blijkt dat uit kaartjes van Kocks17). Deze gebieden
zijn uitlopers van een groot zuidelijk Nederduits en noordelijk Middelduits
areaal18).
Buiten de drie beschreven gebieden zou een ook na de werking van regel 3 nog
functionerende synchronische verscherpingsregel uiteraard overal in de auslaut
stemloze obstruenten moeten opleveren. Uit Weijnens tweede groep bronnen blijkt
dat dit niet juist is: in randstroken van het tweede en het derde gebied zonder
apocope komen stemhebbende auslautende obstruenten voor in woorden waarop regel
3 gewerkt heeft. Kloeke vermeldt dit verschijnsel
voor Gieten C 185, Gasselte G
9 en Borger G 11 aan de zuidwestrand van het derde
gebied en geeft als voorbeelden voor Borger: teev' ‘teef’, bed', rug', brug', keez' ‘kaas’, dreug'
‘droog’, neuz' ‘neus’, pad'stoel
‘paddestoel’, zeev' ‘zeef’, 14 doag' ‘14
dagen’, rog' ‘rogge’, moag' ‘maag’19).
Hetzelfde geldt voor randstroken van het tweede gebied, vooral voor | | | |
Oost-Twente, dat in weerwil van Weijnens kaartje meestal blijkt te apocoperen.
Ook hier komt de ontdekking van het verschijnsel aan Kloeke toe20), die het constateerde voor de woorden
mug (waarin ‘de g bijna wordt
uitgesproken als in het Engelse woord “bag”’), neus en teef. De vorm nözz' ‘neus’ komt volgens hem
in Denekamp G 182, Oldenzaal G
207, Berghuizen G 208 en Enschede G 234 voor, teww(e) ‘teef’
o.a. in Denekamp, Oldenzaal en Enschede. Zijn constateringen worden voor het
eveneens Oosttwentse Tilligte G 177b bevestigd door
Ribbert21), die op blz. 65 v.v. van zijn dissertatie een systematische
beschrijving van de ‘Silbenauslaut’ geeft. Op zes auslautende consonanten blijkt
hier de verscherping niet van toepassing te zijn: b (b.v.
[kryb] ‘krib’), d ([wəd] ‘werd’), w ([li:w],
pl. van ‘lijf’), i ̯ ([lai ̯] ‘lei’), z ([hy:z] ‘huizen’), γ ([dα:γ] ‘dagen’). Voor
de occlusief g, die volgens Kloeke in mug
voorkomt, geldt volgens Ribbert te Tilligte het
ontbreken van de verscherping niet22). Van Ginneken heeft in zijn commentaar bij
de taalkaart ‘neus’ op de neuz-vormen tussen het tweede en het
derde gebied met bewaarde -ə gewezen, waar in de ‘stemhebbende
z nog duidelijk de pas afgevallen tweede silbe
naklinkt’23). Ook aan de zuidwestrand van
het tweede gebied blijkt het verschijnsel voor te komen, tenminste wanneer de
gegevens van de in Vorden bij Zutphen geboren Gallée voor de het dichtst
bij die plaats gelegen apocoperende streek geldig zijn24). Deze zijn zeer
summier en worden met één voorbeeld geïllustreerd. Volgens Gallée worden d en b op het einde niet verscherpt, in
tegenstelling tot w, v en g, die in die
positie overgaan in f (vb. varf ‘verf’), f en ch. De occlusieven blijken hier dus in
tegenstelling met de fricatieven resistent te zijn | | | | tegen de
verscherping, een verschijnsel dat wij straks nog eens zullen ontmoeten25). Een b kan slechts door
regel 3 in de auslaut voorkomen, zodat het in dit geval om het ontbreken van de
tweede, niet de eerste auslautverscherping moet gaan; bij de auslautende d ontbreekt deze controlemogelijkheid.
De beschrijvingen van de noordoostelijke dialecten wekken de indruk dat de
apocope-grenzen daar betrekkelijk labiel zijn, zodat de stemhebbende auslautende
medeklinkers er een nogal vluchtige (intussen verdwenen?) overgangsfase tussen
apocope en verscherping zouden kunnen representeren, die echter reëel genoeg is
om tot het optreden van twee chronologisch gescheiden verscherpingen te
besluiten: daar waar een eind-e na stemhebbende obstruent
wordt geapocopeerd, blijkt die obstruent aanvankelijk zijn stemhebbendheid te
behouden. In het zuidwesten, bij het eerste gebied, moet de apocope-grens tussen
het Brabants en het Vlaams de eeuwen door veel stabieler geweest zijn, aangezien
het Brabants reeds in de 14e eeuw apocope kende. Het is bijgevolg minder
waarschijnlijk dat zich hier aan de westrand van het apocope-gebied stemhebbende
obstruenten hebben kunnen handhaven. Weijnen
verstrekt overigens over het ontbreken van de auslautverscherping in de
Oostvlaams-Brabantse grenszone geen gegevens.
In het materiaal Willems heb ik de auslaut van de woorden kaas,
baas, blaas, haas, reis, neus, gaaf (don), graaf, raaf,
slaaf, neef en schijf onderzocht (kaart 1). Baas en kaas komen tot aan de kust zonder
eind-e voor; voor de rest is er een duidelijke verdeling
tussen een Vlaams-Zeeuws gebied zonder en een Brabants-Limburgs met apocope. In
de enkele Oost-, West- en Zeeuws-Vlaamse plaatsen met het teken voor de stemloze
slotmedeklinker op de kaart hebben we wel met echo-antwoorden te doen. Bij de
grens tussen de gebieden met en zonder apocope zijn er twee plaatsen die
stemhebbende auslautende z of v blijken te
kennen: Hamme I 213, dat apocopeert, maar waarvan een
| | | |

KAART 1
| | | | informant de woorden baas, blaas, haas en neus als volgt schrijft: boiz, bloiz, oiz,
neuz (daarnaast echter kois ‘kaas’, reis, en -f) en Geraardsbergen
O 228, nog juist binnen het gebied zonder apocope, waar naast de normale vormen
op -ze voor de woorden graaf, slaaf en neef: groov, slaav, neev werden opgegeven.
Ook tussen het Vlaams en het Brabants is de verscherping van de obstruent bij
het wegvallen van de eind-e dus geen automatisch proces
geweest.
Dat het dat ook elders niet is geweest, blijkt uit andere gegevens van het
materiaal Willems. In de tweede helft van de vorige eeuw waren blijkens dit
materiaal de resten van stemhebbendheid na de toepassing van regel 3 in een
conservatief gebied midden in het areaal met apocope nog vrij talrijk: in het
Limburgs en een deel van het daarbij aansluitende Rijnlandse grensgebied. Zulke
resten zijn in het materiaal te vinden voor Grathem L
326 (normaal -s en -f, maar gaav, wat des te opmerkelijker is daar om een overzetting niet van gave, maar van gaaf (don)
werd verzocht; overigens staat vast dat de gehele streek tussen Roermond en Weert in de
tachtiger jaren van de vorige eeuw nog auslautende stemhebbende occlusieve g kende26)), Bree L 360
(systematisch -s en -v naast elkaar), Genk Q 3 (overal -zz en-vv)27), Borgloon Q 156 (-s en -f, maar hoaz ‘haas’ en boaz ‘baas’), Aubel Q 249 (-s en -f, maar graav
‘graaf’), Eupen Q 284 (-s; daarnaast
vijf -v/-f woorden: gav ‘gaaf’, groof ‘graaf’, raav ‘raaf’, neef
en schiev ‘schijf’. Ook hier blijkt het voorkomen van
stemhebbende eindmedeklinkers op het einde van de vorige eeuw nog uit een andere
bron28). | | | | De Rijnlandse
gegevens die hierbij aansluiten, betreffen een viertal plaatsen in de Selfkant:
Heinsberg I'3, 18 (overal -z en -v),
Erkelenz I'4, 5 (-z, maar -f in. rāf en shīf; de andere woorden met -v/-f ontbreken), Gangelt K'2, 3 (-s, en grov, rav, näv, schif; de andere -v/-f-
woorden ontbreken) en Linnich K'4, 2 (-s en -f, maar voor ‘schijf’ s¯hīf en s¯heiv
naast elkaar). In het noordelijke Nederrijn-gebied heeft Uedem A'4, 7 geïsoleerd
-s met -v in grāv, rāv,
slāv, nä¯v en shīv. Het naast elkaar voorkomen van
-z en -f in Würm-bei-Lindern K'4, 1 is
niet ondubbelzinnig te interpreteren, omdat de scribent ook in woorden met oude
auslautende -s de letter z gebruikt. Ik heb
deze plaats met een speciaal teken gemerkt, evenals een aantal andere
Rijnlandse29),
waar in gaaf, raaf, slaaf en schijf of een
of meer van die vier woorden auslautend -v werd opgegeven.
Deze schrijfwijze kan immers door de spelling van de Duitse standaardtaal
beïnvloed zijn, die in die woorden b of v
heeft, in tegenstelling met Graf en Neffe.
Het in die plaatsen voorkomend teken heeft de functie weer te geven dat ik niet
weet hoe het materiaal Willems er moet worden geïnterpreteerd.
Het kaartbeeld maakt duidelijk dat er in de jaren 1880 ver van de apocopegrenzen
nog een vrij groot Zuidnederfrankisch relictgebied bestond waar stemhebbende
obstruenten werden gesproken in de auslaut van woorden die door regel 3 een
doffe -e aan het eind hadden verloren. De stemhebbende
uitspraak moet zich er eeuwen lang hebben gehandhaafd, daar in de late
middeleeuwen de apocope er reeds gewerkt had30). Het verschijnsel was in de tijd van de enquête Willems al sterk
regressief, zoals blijkt uit het feit dat de duidelijke meerderheid der
correspondenten uit dit gebied de besproken woorden met -s en
-f schreef.
Omstreeks 1910 zijn verscheidene dialecten uit het geschetste relictareaal het
onderwerp geweest van nieuw onderzoek. In de in 1913 gepubliceerde dissertatie
van Th. Frings, Studien zur Dialektgeographie des Niederrheins
zwischen Düsseldorf und Aachen, die ook de dialecten van de Selfkant
behandelt, is er geen spoor van het verschijn- | | | | sel te vinden, wat
niet noodzakelijk moet zeggen dat het toen was uitgestorven; toch is het
veelbetekenend dat het aan deze dialectoloog van eerste rang niet meer opviel.
In Nederlands-Limburgse bronnen uit dezelfde tijd is evenmin iets te vinden, wel
in Belgisch-Limburgse. Leenen beschouwt in zijn overzicht van de
Belgisch-Limburgse dialect-geografie uit 1915 (een samenvatting van zijn
dissertatie uit 1913) de zachte medeklinker als karakteristiek voor ‘sommige
Noordoostelijke (Belgisch-) Limburgsche dialecten (o.a. Bree)’ en geeft als voorbeelden ââv ‘af’, ix èb ‘ik heb’ en dââg ‘dagen’ (mv. van dag)31). Dupont had het in zijn
proefschrift van 1909 voor een zeer opvallend kenmerk van het Breese dialect (L
360) gehouden; in de in 1910-11 gepubliceerde inleiding van zes bladzijden gaat
hij er niet minder dan driemaal op in en brengt hij ook een aantal voorbeelden:
met occlusieve b (ich heb), d (bed), g (reg
‘rug’), met fricatieve z (glaaz ‘glazen’,
mv. van glas; haaz ‘haas’), γ (daag ‘dagen’)32). Uit de gegevens van Dupont en Leenen blijkt dus dat het ontbreken van de tweede auslaut-verscherping
omstreeks 1910 als een kenmerk van noordoostelijke Belgisch-Limburgse dialecten
werd beschouwd en dat er in de auslaut daardoor zowel stemhebbende fricatieven
als occlusieven voorkwamen.
Zelf heb ik tussen 1954 en 1958 in het noordoosten van Belgisch-Limburg mondeling
woordgeografische opvragingen doorgevoerd in verband met de taal van het
landbouwbedrijf. Mijn materiaal levert een aantal bruikbare gegevens op ter
beoordeling van de toestand een halve eeuw na de onderzoekingen van Dupont en
Leenen. Een belangrijk verschil betreft de auslautende fricatieven. Deze zijn
vrijwel zonder uitzondering stemloos geworden, zoals blijkt uit mijn gegevens
voor de woorden duif, kaf33), tarwe; kaas, vaars; droog, oog en spurg (= spurrie). In het gebied van kaart 2 heb ik op slechts één
plaats, Tongerlo L 361, in twee van deze woorden, duif en kaas, een stem- | | | |

KAART 2
hebbende finale medeklinker genoteerd. Het gaat hier blijkbaar om
laatste resten. Opvallend is de constatering dat mijn zegslieden uit dit gebied
meestal leeftijdsgenoten van Dupont ( o1885) en Leenen ( o1891) of zelfs ouder dan die twee dialectologen waren. Het
ziet er dus naar uit dat zij als volwassenen de auslautverscherping bij de
fricatieven | | | | hebben overgenomen uit de omgeving en de standaardtaal
evenals wellicht uit het taalgebruik van de jongere generatie.
Bij de occlusieven had zich daarentegen in de jaren van mijn enquête de
verscherping nog niet doorgezet; wel was zij duidelijk terrein aan het winnen.
Ik heb in mijn materiaal elf woorden gevonden die in het gehele gebied van kaart
2 of een groot deel ervan worden gebruikt en hier tengevolge van regel 3 bij het
ontbreken van regel 4 een auslautende stemhebbende occlusief b,
d of g zouden moeten hebben34). Deze woorden zijn:
Met b:
| 1. | ruub ‘raap’, oostmnl. ruebe
met een merkwaardige b in plaats van v na oude diftong35). Bruikbare
gegevens voor 29 plaatsen in het gebied afgebakend op kaart 20 in
deel II van mijn
Semantische vraagstukken uit de taal van het
landbouwbedrijf in Belgisch-Limburg
, Antwerpen 1963 (verder afgekort als Sem.
Vr.). Het enkelvoud eindigt 10 × op -b, 19 ×
op -p, het meervoud heeft steeds -b-. |
| 2. | schob ‘graanschoof’ of ‘strobos’, uit het mnl.
niet bekend, mnd. schobbe. Etymologie behandeld in
Sem. Vr. I, 123-124. Gegevens voor 22 plaatsen
in de gebieden, afgebakend in Sem. Vr. II, kaart
57: 17 × -b, 5 × -p. |
|
Met d:
| 3. | bed, mnd. bedde. Gegevens voor
alle 47 plaatsen: 16 × -d, 31 × -t. |
| 4. | eegd ‘eg’, mnl. egede, eegde.
Gegevens voor alle 47 plaatsen. Het materiaal voor 6 plaatsen in het
noordoosten (zie de kaart) is niet bruikbaar, omdat het woord er op
-ə eindigt (ēγdə (2 ×) of
|
|
| | | |
| ēγd'ə (4 ×)). Bij dit in het mnl.
nog drielettergrepig woord is er dus wel de middelste, maar niet de
eind-e weggevallen. De 41 overige gegevens
verdelen zich als volgt: 6 × -γd, 1 × -γd of -γ (de vorm zonder -d is jonger), 1 × -g (analogie
naar het ww. eggen, met occlusief); 12 × -xt, 4 × -xt of -x (de vorm zonder -t is jonger), 17 × -x. |
| 5. | paard. Het is nodig uit te gaan van een bijvorm
van mnl. pert eindigend op -de.
Bewijs daarvoor is niet het stoottonige vocalisme, want dit zou door
syncope van de interconsonantische tweede -e- in
een vorm als oostmnl. perert verklaard kunnen
worden, wel het feit zelf dat het woord paard in
een deel van het onderzochte gebied op -d eindigt
(6 plaatsen in het kerngebied van het behoud der stemhebbendheid - L
361-363, 365-367 - tegen alle andere 41 met -t).
Vermoedelijk zijn er voor het Limburgs twee geografisch te scheiden
grondvormen voor paard aan te zetten, aangezien
het enkelvoud van dit woord in een deel van het Zuidlimburgs de
auslautende -t met sleeptoon van het vocalisme
verbindt. |
|
Met g:
| 6. | bag ‘big’, mnl. bagge.
Gegevens voor alle 47 plaatsen: 15 × -g, 1 × -γ; 13 × -k, 18 × -x. |
| 7. | geleg ‘halve of hele graanschoof’, mnl. gelegge. Materiaal voor 36 plaatsen in de gebieden
afgebakend in Sem. Vr. II, kaart 55: 19 × -g, 1 × -γ; 3 × -k 13 × -x. |
| 8. | kwag of kag ‘kaal en nog niet
stevig’, van een vogeljong. Uit het mnl. niet overgeleverd. Het
woord is in het WNT behandeld onder kwak (X) en in verbinding gebracht met
een werkwoord kwakken ‘zwak zijn’. Het blijkt
beperkt te zijn tot ‘sommige streken van Z.-Nederl.’ In
tegenstelling met de opvatting van het WNT ziet
het er naar uit dat dit woord bij het doorvoeren van de
auslaut-verscherping elders in Zuid-Nederland lexicaal geïsoleerd
stond zodat er geen overschakeling van occlusief naar fricatief
plaats had, wat in een vorm kwak, verborgen kwakke resulteerde (vgl. de citaten van het WNT). Het woord ontbreekt in vier plaatsen in het
noorden (zie de kaart) en te Stokkem L 423.
De in noot 34 |
|
| | | |
| vermelde vorm stamt uit Maaseik L 372. Bruikbare gegevens uit 41 plaatsen: 25 ×
-g, 3 × -γ; 8 × -x. |
| 9. | plag ‘hoofddoek’, mnl. plagge.
Het woord ontbreekt in het westen (zie de kaart). Gegevens voor 32
plaatsen: 19 × -g; 12 × -k, 1 ×
-x. |
| 10. | rug, mnl. rucge, rugge.
Materiaal voor alle 47 plaatsen: 16 × -g; 16 ×
-k, 15 × -x. |
| 11. | stug ‘in staat om te vliegen’, van een
vogeljong, in een op de kaart afgebakend gebied rond Bree. Vermoedelijk is dit hetzelfde woord als
stug, mnl. stugge, ‘nors,
stuur, stijf, hard’ met betekenisverschuiving tot ‘hard’ in
tegenstelling met k(w)ag. Rondom het stug-gebied wordt
meestal vlug gezegd, waarvan de g in identieke positie staat en stond (mnl. vlugge). Ik heb daarom de stug- en vlug-gegevens samengenomen36). Materiaal
voor 41 plaatsen: 18 × -g, 1 × -γ; 7 × - k, 15 × -x. |
|
De volgende tabel rangschikt de besproken woorden volgens de frequentie van de
stemhebbende auslautende obstruent in mijn optekeningen. Hierin zijn telkens de
totalen van de verschillende stemhebbende (b.v. bij eegd ‘eg’
-γd + -γ(d) + -g = 6 + 1 + 1 = 8) en stemloze noteringen (bij eegd ‘eg’ -xt + -x(t) + -x = 12 + 4 + 17 = 33) van het consonantisme opgenomen.
| |
stemhebbend |
stemloos |
| 1. schob |
17 |
5 |
| 2. k(w)ag |
28 |
13 |
| 3. plag |
19 |
13 |
| 4. geleg |
20 |
16 |
| 5. stug/vlug |
19 |
22 |
| 6. bag |
16 |
31 |
| bed |
16 |
31 |
| rug |
16 |
31 |
| 9. ruub |
10 |
19 |
| 10. eeg(d) |
8 |
33 |
| 11. paard |
6 |
41 |
| | | |
Tabel en kaart 2 maken duidelijk dat in tegenstelling met de fricatieven, waar de
tweede auslautverscherping in de loop van deze eeuw tot een categorische
alternantie stemhebbend-stemloos heeft geleid, de verscherping bij de
occlusieven in het noordoosten van Belgisch-Limburg twintig jaar geleden als een
nog niet werkende tot een variabele regel te beschouwen was. Het materiaal staat
niet toe alle parameters van de variabiliteit te controleren. Dat is vooral te
betreuren bij de leeftijdsparameter. De dynamiek van de ruimtelijke blijkt
echter duidelijk uit de kaart. Het gebied waar de verscherping nog geen
categorische regel was, is op kaart 2 ineengeschrompeld tot een Kempens eiland
rondom het stadje Bree L 360, met een duidelijke uitloper naar de dorpen in het
Maasdal ten zuiden van Maaseik L 37237). De positie van
dit eiland wordt van buiten en van binnen uit verzwakt. Het eerste blijkt uit
het toenemen van de frequentie der verscherping overal naar de buitenkant van de
kaart toe. Daarbij is het min of meer mogelijk een grens tussen het gebied met
categorische en dat met niet bestaande tot variabele verscherping te trekken: in
de plaatsen met een o of een 1 in de linker helft van de variërende figuur heeft
de verscherping zich volledig doorgezet. In de plaatsen met het getal 1 is het
voorbeeld bijna telkens het woord kwag, dat nooit geïsoleerd,
maar telkens als attributief adjectief vóór het substantief jonk werd opgetekend (te Niel L 418 en Zonhoven Q 1 gaat het om het adjectief stug resp. vlug in dezelfde positie). Weliswaar is een
eindconsonant voor anlautende j van het volgende morfeem in Limburg normaal
stemloos (Genk Q 3 kotjoŋk ‘kwaad
jonk’ = kwajongen), maar in de vaste verbinding kwag jonk
heeft de stemhebbende obstruent zich blijkbaar geïsoleerd kunnen handhaven. Te
Bocholt L 317 is het enige voorbeeld met
stemhebbende geleg. Ietwat afgezonderd van het samenhangende
relictgebied ligt Eksel L 353, waar ik naast kwag jonk eveneens geleg met stemhebbende
occlusief optekende.
De stemhebbendheid werd in het eiland ook van binnen uitgehold. In het ten
noorden van Bree L 360 gelegen grote dorp Bocholt L 317, dat | | | | graag
vooropgaat met vernieuwingen38), stond zij op het punt te verdwijnen; in Bree
zelf kwamen in tegenstelling met alle kleine aangrenzende dorpen langs de west-,
zuid- en oostkant al verscherpingen voor (3, tegen 8 stemhebbende obstruenten),
terwijl Beek L 359, een klein dorp tussen Bocholt en
Bree, ook reeds was aangetast (4, tegen 7 stemhebbende). Een nieuwe enquête zou
moeten duidelijk maken hoe ver zich de verscherping een paar decennia na mijn
opvraging als categorische en variabele regel van buiten en secundair van binnen
uit in het Breeërlands-Maaslands gebied heeft doorgezet.
De tabel bevat aanduidingen over de invloed van een andere parameter: de graad
van algemeenheid van een woord. Komt een dialectwoord ook in de standaardtaal
voor en is het ook buiten het gebied waar de verscherping zich nog niet heeft
doorgezet, ruim verspreid, dan heeft het meer kans om met verscherpte auslaut
gerealiseerd te worden dan wanneer het slechts een beperkte verspreiding heeft
en niet door zijn standaardtalige realisatie kan worden beïnvloed. In de tabel
staan de woorden van de tweede soort allemaal bovenaan, die van de eerste
onderaan. Dat de substantieven bag en ruub,
die in het standaard-Nederlands niet voorkomen, tot het onderste deel van de
tabel behoren, is hiermee niet in tegenspraak: de gelijkenis in het
consonantisme blijkt voldoende te zijn om een soort identificatie met de
Nederlands woorden big en raap te
voltrekken, waardoor in het laatste geval de neiging tot verscherping nog
versterkt wordt39). Hoewel de
realisaties van de tegenhanger van het woord eg in hun
fonologische structuur van dit woord sterk afwijken (door de gerekte vocaal en
door wat er na de g of x komt), worden zij
er - deze keer wel terecht - mee geïdentificeerd, zoals ook uit de tendens tot
wegval van de auslautende dentaal blijkt. Het verschil in vocalisme is daarbij
geen hinderpaal, want dit past in een systematische correspondentie tussen
Limburgse lange en Neder- | | | | landse korte klinker in gevallen als vaat ‘vat’, weeg ‘weg’, smeed ‘smid’ enz., met Limburgse analogische rekking vanuit de casus
obliqui. De lage plaats van eeg(d) in de
tabel past dus eveneens in het geheel van onze voorstellingen.
De derde parameter waarover iets - zij het ook te weinig - gezegd kan worden, is
de aard van de auslautende occlusief. De verdeling (twee gevallen met labiaal,
drie met dentaal40), zes met velaar) van het materiaal is zeker niet gelukkig; de
gegevens volstaan ook niet om uit te maken of de ene stemhebbende occlusief
gemakkelijker in het aantrekkingsveld van de auslautverscherping zou komen dan
de andere, hoewel toch opvalt dat alle gevallen met dentaal een hoog percentage
stemloze realisaties hebben. Een van de drie occlusieven, de g, heeft eigenlijk geen tegenhanger in het Nederlands en de omringende
dialecten; hij blijkt ook niet alleen in de auslaut regressief te zijn. Uit de
getallen, meegedeeld bij de bespreking van de afzonderlijke woorden, blijkt dat
er nogal eens een stemhebbende fricatief γ de occlusieve g in de auslaut kan vervangen41). Een ander aspect van de geleidelijke verdringing van de g uit de besproken dialecten is het veelvuldige voorkomen van
x (67 ×) in plaats van k (59 ×) in geval
van verscherping. Hierdoor wordt de tendens versterkt, in alternerende vormen
uitsluitend de fricatief te gebruiken in plaats van de occlusief (ruggen met -γ- i.p.v. -g-).
Ik besluit. De bewering dat in het Nederlands de stemhebbende obstruenten bij de
apocope van erop volgende mnl. -ə automatisch stemloos werden
tengevolge van de werking van een eeuwenoude synchronische verscherpingsregel,
is geen constatering, maar een gevolgtrekking uit als feitelijkheden
voorgestelde hypothesen uit de generatieve historische grammatica. Deze
hypothesen zijn: 1) dat de eenvoud van een beschrijving in de rangorde der
criteria voor de adequaatheid ervan helemaal bovenaan dient te staan, 2) dat men
met behulp van generatieve methoden voor het eerst de dynamiek van de
taalveranderingen zelf kan onderzoeken en dus verder komt dan de structurele
be- | | | | schouwing, die er slechts in slaagt, resultaten van zulke
veranderingen met elkaar te vergelijken. De eerste hypothese wordt in het
concrete geval dat hier is onderzocht, tegengesproken door de dialectologische
feiten. Ik wil daarmee niet zeggen dat eenvoud geen criterium zou kunnen zijn
wanneer men moet kiezen tussen mogelijkheden waaronder op geen andere manier een
waardehiërarchie kan worden aangelegd; wel wil ik uitdrukkelijk vaststellen dat
conformiteit met de feiten de volstrekte voorrang verdient boven de eenvoud. En
voor zover de feiten controleerbaar zijn, stemt de ingewikkelder stelling van
twee auslautverscherpingen er stukken beter mee overeen dan de eenvoudige van de
ene verscherping. Generatief gesproken: we hebben een geval van external
evidence dat heeft te primeren over de simplicity. Daarmee is natuurlijk niet
gezegd dat de verscherping op het ogenblik niet als een synchronische regel zou
werken. Op grond van het geconstateerde kan dit echter veel beter verklaard
worden door een in de loop van de tijd ten gevolge van de vier besproken regels
trapsgewijze toegenomen neiging tot realisatie van uitsluitend stemloze
obstruenten in finale positie dan door de speculatie van een sinds de
oudnederlandse periode dwingend werkende auslautverscherping. De huidige
stemloze uitspraak van de eindmedeklinker in ontleningen die in de
oorspronkelijke taal een stemhebbende hebben, is hiermee natuurlijk niet in
tegenspraak.
Wat de tweede stelling betreft, ik heb het door Van
Marle gepostuleerde dynamisme in het Nederlands en de Nederlandse
dialecten nergens aan de gang kunnen zien (wat hij vanzelfsprekend ook niet
heeft gekund). Daar waar er slechts stemloze obstruenten in de auslaut worden
aangetroffen kan ik slechts resultaten zien; of die door de dynamiek van één of
als resultaat van twee verscherpingsregels uit stemhebbende obstruenten zijn
ontstaan, daarover kan ik op grond van die gegevens alleen slechts speculeren,
wat Van Marle feitelijk ook doet, terwijl hij zijn speculaties als
feitelijkheden voorstelt. Dynamiek heb ik wel gevonden in het inkrimpende
Limburgse relictgebied met stemhebbende auslautende obstruenten. Het gaat om een
soort dynamiek die aan de voorstructuralistische en de structuralistische
dialectologie al lang bekend was en die te maken heeft met invloed van het ene
dialect | | | | op het andere en uitstraling van de standaardtaal door z.g.
extralinguistische factoren. Ik geef graag toe dat de betrekkelijke exactheid
waarmee ik die heb kunnen beschrijven, tot op zekere hoogte schatplichtig is aan
in jongere tijd tot ontwikkeling gekomen sociolinguistische werkwijzen. Met
inzichten of speculaties van generatieve aard heeft dit echter niets te maken.
In dit verband moet mij de wens van het hart dat aan twee linguistische modes
spoedig een einde mogen komen: 1) aan de afkeer - onder de dekmantel van
theoriebewustzijn - van moeizame speurtochten naar feiten, 2) aan het
oncreatieve doorlichten van het werk van anderen door middel van metafysische
lampen waarvan het licht door dogma's wordt geleverd.
J. Goossens
|
1)J. Goossens, Historische
Phonologie des Niederländischen. Tübingen 1974, 65-66. Daar ook
voorbeelden van elke oudnl. alternantie.
2)Historische Phonologie, 75-76. Daar ook voorbeelden van elke mnl.
alternantie.
3)Historische Phonologie, 55. Daar wordt niet
expliciet gezegd dat stemhebbende medeklinkers die door de apocope van de
- e in finale positie kwamen te staan, daar
aanvankelijk nog stemhebbend gerealiseerd kunnen zijn.
4)Historische Phonologie, 82-83. Daar ook voorbeelden van elke nnl.
alternantie.
5)De eerste en de tweede regel zijn bij J. van Marle, Historische taalkunde als de studie van taalverandering
(Spektator 5 (1975-76), 23-51 op blz. 31 en 32) anders geformuleerd. Mijn
formuleringen zijn in de door Van Marle als complex beschreven delen van die
regels eenvoudiger, behalve in de input van regel 2, waar Van Marle het
element [- lang] heeft vergeten.
6)J.
v(an) B(akel), Een strukturalistische geschiedenis van het
Nederlandse foneemsysteem. Wetenschappelijke Tijdingen 34 (1975),
126-128. - B. van den Berg, recensie in NTg 68 (1975),
238-341. - J. van Marle, artikel vermeld onder (5).
7)In de sterk
geschematiseerde voorstelling van mijn Historische
Phonologie wordt die innovatie nieuwnl. genoemd; de
apocope, die er een noodzakelijke voorwaarde van is, kwam echter in de 14e
eeuw al voor in het Brabants, Hollands en Limburgs: vgl. A. van Loey, Middelnederlandse spraakkunst, II. Klankleer. Groningen
1971 6, § 99.
8)Van Bakel, 128. Van den Berg, 240, zegt in verband met
voorbeelden van de eerste auslautverscherping: ‘Wanneer de slotconsonanten
van deze morfemen aan het eind komen te staan, zoals in de nominatief
enkelvoud, worden ze (....) stemloos door een synchrone verscherpingsregel
en niet door een vroegere verscherpingswet’. Van Marle, 33, neemt het
volgende aan: ‘Was er op het moment dat’ regel 3 ‘in de synchronische
grammatica optrad als toegevoegde regel sprake van lexicale representaties
als /mandə/, /r ibə/, etc., na de herstructurering worden
deze vormen opgenomen als /mand/, /r ib/, etc. en vormen
zij automatisch de input voor’ regel i.
9)‘Durch die zweite Auslautverhärtung werden die durch die erste
Auslautverhärtung (....) und die mnl. Lenisierung (....) entstandenen
Stimmalternanzen weiter ausgebaut’ ( Historische
Phonologie, 82).
10)De huidige spelling heeft weliswaar
uniform b, d, g in gevallen als web - webben,
hond - honden, dag - dagen, maar maakt anderzijds het verschil
tussen de aus- en inlautende medeklinkers f - v en s - z duidelijk in gevallen als staf -
staven, haas - hazen (vgl. ook nog noot 25). In het oud- en mnl.
verschijnt in eindpositie meestal het teken voor de stemloze medeklinker
( hont, dach), soms ook dat voor de stemhebbende ( hond, dag). Dit laatste vat ik op als spelling-analogie,
die slechts aan het woordeinde en niet in het woordmidden kon werken,
aangezien er in laatstgenoemde positie in andere woorden ook stemloze
medeklinkers konden staan: vgl. mnl. sg. hont, occasioneel
hond, pl. honde met vat, pl. vate.
11)Dit dynamische aspect wordt door Van Marle buiten het citaat
van noot 8 beklemtoond in zijn bespreking van de regels 1 en 2 op blz.
31-32.
12)A. Weijnen,
Nederlandse dialektkunde. Assen 1966 2, 241 (de eerste alinea van § 74).
13)J. Klatter, Dialectstudie en syntaxis. OTt 2 (1933-34), 73-84, i.h.b.
79.
14)H a. C.M. Ghysen, De neutralisatie der medeklinkers in het
Zeeuwsche taalgebied. OTt 10 (1941), 13-20, i.h.b.
15.
15)In dit laatste geval ben ik minder
zeker. Jo Daan geeft de mening van haar
zegslieden als volgt weer: ‘Volgens hen zelf wordt altijd, waar in het Alg.
Nederlands d geschreven wordt (ook waar hierin t geschreven wordt voor etymologisch oorspronkelijke d) een stemhebbende dentaal uitgesproken, maar volgens
mijn waarneming is dat niet geheel juist’. Als voorbeeld van een met t geschreven woord met een etymologische d geeft zij rid ‘riet’ (Jo Daan, Wieringer land en leven in de taal. Amsterdam 1950, 184).
16)Vanzelfsprekend zijn de isoglossen op die kaart als
‘Normallinien’ te beschouwen en kunnen de grenzen bij afzonderlijke woorden
daarvan afwijken. Voor de begrenzing van het zuidwestelijke, Vlaams-Zeeuwse
gebied is er materiaal bij elkaar gebracht in de licentiaatsverhandeling van
D. Lernout, Apocope van de auslautende e in de Oostvlaamse en
Brabantse dialecten (Leuven 1969).
17)G.H. Kocks, Die Dialekte von Südostdrente und anliegenden
Gebieten. Groningen 1970, kaarten 8 en 9.
18)Vgl. V.M. Schirmunski, Deutsche Mundartkunde. Berlin 1962, 159-161.
19)G.G. Kloeke, De apokopeeringslijn in
Groningen en Drente. Driemaandelijkse Bladen 19 (1919), 1-40,
i.h.b. 17. Het is niet helemaal duidelijk of het verschijnsel ook voor
Odoorn G 34 en Noord-Barge G 59 geldt.
20)G.G. Kloeke, De taal van Overijsel
(overgedrukt uit het verzamelwerk Overijsel, Deventer
1931, 820-851). In: Verzamelde opstellen. Assen 1952,
97-120; zie blz. 114 en 117.
21)P. Petrus Thomas o.carm. (Bernardus
Ribbert), Phonologie des Dialektes von Tilligte in Twente. I.
Die Wortformvorstellungen. Nijmegen 1933. P.C. Paardekooper, Syntaxis, spraakkunst en taalkunde, Den Bosch 1955, 200,
waar Weijnen eveneens naar verwijst, vat slechts samen wat bij Ribbert
staat.
23)J. van Ginneken, Taalkaart
Neus. OTt 2 (1933-34), 88-89.
24)J.H. Gallée, Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch
dialect. 's-Gravenhage 1895, XVII-XVIII.
25)A. Weijnen wijst er mij op dat dit bevestigd wordt door
de auslautende spellingen s en f ( huis, neef) naast inlautende z en v ( huizen, neven), in tegenstelling met
zowel aus- als inlautende b en d ( web, webben; hand, handen). De in- en
auslautende spelling g kan zowel voor historische
fricatief ( dag, dagen) als occlusief ( brug,
bruggen) staan.
26)Dat blijkt uit de
beschrijvingen van A.M. Mertens en J. Cuijpers in Onze Volkstaal 2 (1885),
209 en 3 (1890), 145 (dit laatste zo te interpreteren blijkens plagk op blz. 149).
27)Daar het hier om een ouder stadium van
mijn moedertaal gaat, heb ik de gegevens voor deze plaats systematisch
onderzocht. De uitstekende correspondent J. Schreurs (vgl. mijn
karakteristiek in Heidebloemke 25 (1966), 183-184, 233-236 en 26 (1967),
29-31, 188-190, 207-209) gebruikt ook het teken voor een stemhebbende
obstruent in stoov ‘kachel’, hoev
‘hoeve’, beiz ‘bui’ (mnl. bise), padd ‘pad’, bedd ‘bed’, vodd ‘vod’, joedd ‘jood’, paerdd ‘paarden’ (het sg. schrijft hij paerd!), ploogg ‘plaag’, woogg ‘waag’, moagg ‘maag’, zaegg ‘zaag’, waegg ‘wegen’ (het sg. schrijft hij waech!).
28)Een paar voorbeelden uit A. Thonnar - W.
Evers. Wörterbuch der Eupener Sprache. 1899
(fotomechanische herdruk Wiesbaden 1970): Duvv ‘Taube’,
Röbb ‘Rippe’.
29)Dit geldt ook voor Vaals Q 222.
31)J. Leenen, Dialecten in
Belgisch Limburg. Limburgsche Bijdragen 13 (1915), 147-164. Zie
blz. 154.
32)J. Dupont,
Het dialect van Bree. Eerste deel in LeuvB 9 (1910-11), 193-212. De drie bedoelde plaatsen op blz. 197,
201 en 202.
33)Blijkens
de stoottoon in dit woord is uit te gaan van een tweelettergrepige vorm kave, die in het mnl. als cave naast caf voorkomt.
34)Dat
er niet voor alle elf woorden 47 bruikbare gegevens ter beschikking staan,
heeft vier oorzaken: 1) kleine lacunes in het materiaal, 2) de
woordgeografie, waardoor voor sommige begrippen ook andere dan de besproken
elf termen verschijnen, 3) het ontbreken van de apocope in een gebiedje in
één woord ( eegde ‘eg’), 4) het feit dat soms slechts
vormen genoteerd werden waar de gezochte medeklinker niet in een geschikte
positie stond, zoals in een meervoudsvorm (b.v. ruuben,
mv. van ruub ‘raap’) of een sandhiverbinding (b.v. kag duifke ‘kaal duivejong’).
35)Vgl. hiervoor
Sem. Vr. I, 91-92.
36)Vlug of stug
ontbreekt te L 282, 354, 355, 356, 421, 423.
37)Het reikt wel
niet meer over de Maas: in Sittard Q 20 had zich blijkens L. van der
Heijden, Zittesjen A.B.C. (Sittard 1927) in de jaren
twintig de auslautverscherping al volledig doorgezet.
38)Bocholt is de enige
Breeërlandse plaats die de ontronding heeft opgegeven. Vgl. V. Verstegen,
De ontrondingsgebieden in Zuid-Nederland. H. TopDial
15 (1941), 299-304.
39)Deze vaststelling moet ietwat
gecorrigeerd worden door de constatering dat de delen van het onderzochte
gebied waar de woorden schob en plag
niet gebruikt worden, grotendeels in het areaal met verscherping vallen.
Maar dit geldt ook voor ruub.
40)Eeg( d) kan gedeeltelijk ook als een geval met velaar beschouwd
worden.
41)Op die
manier verschijnt er uitzonderlijk toch nog een stemhebbende fricatief in de
auslaut.
|
|