|
|
|
| |
| | | |
De woordenschat van een Belgisch-Limburgse varkenskermis
| |
1. Inleiding
Met varkenskermis bedoel ik een feestje dat bij gelegenheid
van het slachten van een varken werd gehouden. Daarop konden buren en
kennissen worden uitgenodigd. Er werden dan vooral bewerkte vleeswaren, maar
ook vers vlees gegeten.
VARKENSKERMIS
is geen AN, het staat ten minste niet in Van Dale. In het
Duits-Nederlandse Van Dale-vertaalwoordenboek staat slachtfeest als vertaling van het Duitse Schlachtfest, maar dat ruikt mij nogal Duits. Ik heb slachtfeest in Van Dale wel als interpretament gevonden bij ‘zult (...) (gew.) slachtfeest: oom G. slacht
een varken en men moet er op de zult komen (Kortooms)’. In dat
woordenboek staat verder pens(en)feest, -kermis, maar dit wordt (in de voorlaatste druk) als
Zuidnederlands gekarakteriseerd, en dat zal wel juist zijn: het lijkt mij AB
Vlaams, vooral de vorm pensenkermis. Dit woord staat ook
in twee Limburgse dialectwoordenboeken, het Hasseltse van Staelens en het Tongerse van Stevens, maar die twee plaatsen liggen in het West-Limburgse
gebied, waar pens het gewone woord is voor weke worst (zie
beneden).
Pens(en)kermis staat ook in de woordenboeken van de
aangrenzende Belgisch-Brabantse dialecten (Cornelissen-Vervliet, Tuerlinckx, ook Schuermans). We hebben in Limburg wel met Brabantse expansie te
maken. Varkenskermis staat in geen enkel Limburgs
woordenboek. Wel geeft Kooijman voor Tungelroy
verrekesfieëst op. Het Rheinisches Wörterbuch kent echter
voor enkele Zuidnederrijnse dialecten Ferkeskirmes, zodat
we kunnen aannemen dat er een in de kern Limburgs gebied bestaat, dat zich
uitstrekt van ongeveer mijn geboorteplaats Genk,
waar ik het woord heb leren kennen, tot Mönchengladbach, waarin de
smulpartij naar aanleiding van een huisslacht varkenskermis heet.
Ik zal verder in deze voordracht de Belgisch-Limburgse benamingen bespreken
van een aantal delen van het varken en van gerechten die uit elementen van
een geslacht varken worden vervaardigd(1). Vooraf echter de benamingen van de twee
antagonisten in het drama dat aan de varkenskermis voorafgaat en van het
drama zelf.
| |
| | | |
2. Het drama
De twee antagonisten zijn het varken en de slachter.
VARKEN
. Dit woord is algemeen Limburgs, maar het wordt er overal met een e, kort of lang, uitgesproken. De vorm met a is Hollands. Het hele Nederlandse taalgebied kent dit woord, behalve
twee relatief kleine gebieden: 1) West-Vlaanderen en een deel van het
noorden van Oost-Vlaanderen, 2) Friesland, Groningen en Drente. Deze twee
gebieden hebben zwien (= zwijn). Het
type varken is ook in het Duitse Rijnland bekend: in het
Ripuarisch en het Nederfrankisch. Rondom het Nederlands-Rijnlandse gebied
hebben de germ. dialecten overal het type zwijn (eng. swine, dt. Schwein). Wel is in Duitsland
de afleiding Ferkel met verkleiningssuffix -el ruim verspreid in de betekenis ‘jong varken, big’. Maar ook een
varken, op -en is oorspronkelijk een
jong varken. Men gaat uit van germ. *farh- met een
diminutiefsuffix -îna, dat overigens ook in zwijn steekt. Beide woorden schijnen al idg. te zijn: *porko- ‘tam varken’ (vgl. lat porcus) en
*sû- ‘wild zwijn’ (vgl. lat sûs). De
oorspronkelijke betekenis van varken is dus waarschijnlijk
‘big van een tam zwijn’.
SLACHTER
: De persoon die het varken doodt, heet in Limburg meestal slachter, in het noordoosten slechter. Het
gebied met umlaut is opvallend klein. Dit is ook zo in Noord-Duitsland, waar
de streek van Oldenburg, Bremen, Hamburg, Lübeck het type slachter heeft en slechts verder oostelijk in een deel van het
noorden der DDR het type slächter voorkomt. In een woord
als bekker voor bakker is de umlaut veel
verder verspreid. In de beperking van de verspreiding in slechter heeft wel een rol gespeeld dat twee restricties die
secundaire i.p.v. primaire umlaut veroorzaken, hier tegelijk werken
(umlautfaktor in de derde lettergreep, cluster -cht- na de
a). Het zuidwesten van Belgisch-Limburg kent een ander
woord: beenhouwer. Hier treedt echter meestal
betekenissplitsing op: een slachter is een huisslachter,
een beenhouwer een winkelier die vlees verkoopt. Deze
functieverdeling in de naamgeving bestaat ook in de provincie Antwerpen, het
oosten van Vlaams-Brabant en het Land van Waas. Het grootste deel van
Vlaams-Brabant heeft voor de huisslachter sleger, voor de
winkelier beenhouwer. In Oost- en West-Vlaanderen bestaat
meestal slechts één woord voor de twee functies, en wel beenhouwer, in het Meetjesland en in de omgeving | | | | van
Gent echter slachter. Slachter, slechter is ook nog Nederlands-Limburgs, maar het gaat
slechts een eindje het Rijnland in (Ripuarisch, Nederfrankisch) en
concurreert daar eveneens met een ander woord, eveneens met
betekenissplitsing: de huisslachter heet er schlächter, de
winkelier metzger. De daad van het
SLACHTEN
wordt in Belgisch-Limburg meestal slachten genoemd.
Dit woord is zeer ver verspreid. In het Westlimburgse beenhouwer-gebied zegt men echter meestal dooddoen, wat vermoedelijk een jongere aanpassing van dy̅ə ‘doden’ is. Dit laatste woord heb ik als oudere term nog
opgetekend in het taalgrensdorp Vorsen.
| |
3. De poten
De vier poten van het varken worden onderdeeld in twee of drie stukken,
waarvan de culinaire kwaliteit van onder naar boven toeneemt. Met
VARKENSPOOT
wordt normaal alleen maar het onderste stuk bedoeld, waarvan soep
gekookt wordt. Differentiatie in de naamgeving is mij niet bekend: men zegt
overal (varkens)poot(je). Bij het bovenste gewricht
daarvan begint bij de voorpoten het
HIELTJE, waar meer vlees, maar ook veel vet aan zit. In
Duitse restaurants kan men zulke hieltjes in gekookte vorm degusteren, dan
heten ze Eisbein, of in gebraden vorm, dan heten ze Haxe. In Belgisch-Limburg bestaan er verschillende
benamingen, waarvan sommige duidelijke gebieden vormen: schenkel, schinkel in Haspengouw en het
zuidwesten van de Kempen, met een nevenvorm zonder umlaut, sch(r)ankel, van Bilzen naar As, hees in het
Maaslands en Maaskempens, hak in het Dommellands, ham, hemke in de omgeving van
Maastricht. Op schenkel en ham kom ik
terug bij de bespreking van de benamingen van de ham. Hak
is een woord dat in de betekenis ‘hiel’ (van een schoen) ruim verspreid is,
hees is in Limburg ook ruimer bekend in de betekenis
‘knieholte’ (van een mens). Het woord is verwant met haas
‘ossehaas’ (ohd. hahsa).
HAM
: bij de vier hammen kan men nog een onderscheid maken tussen de twee
voorste (de schouders) en de twee achterste (de hammen in engere zin,
waarvan de culinaire kwaliteit beter is). | | | | Dan noemt men de
voorste schouder en heeft voor de achterste een aparte
naam. Dit verschil bestaat niet te Tongeren en omgeving, waar een varken
vier šǫu.ə rə heeft. Het zuidoosten van de provincie zegt
sjink, sjenk, waarvan we de
afleiding schenkel met -el-verkleiningssuffix al hebben leren kennen in de betekenis
‘hieltje’. Het schink-gebied zet zich via het zuiden van
Nederlands-Limburg voort in het Rijnland. Het noordoosten van de provincie
zegt sjonk. Het is een vorm die zich tot schink verhoudt zoals dronk tot drink, bond tot bind enz.
(ablaut). Hij reikt niet ver over de Nederlandse grens, maar is b.v. toch
bekend in de streek tussen Roermond en Weert. Schenk, schonk betekenen oorspronkelijk ‘bot’, ‘(dij)been’. De
westelijke helft van de provincie zegt hesp, in een
gebiedje bij Borgloon heips. Men neemt aan dat hesp uit heps ontstaan is, maar de ei-klank in heips (en overigens ook in
het naburige heisp) wijst op een rekking van de klinker
voor een s. Dat wil dus zeggen dat in de vorm heips de s en de p twee keer
van plaats zijn verwisseld. Hesp is een woord dat door
Brabantse expansie de andere benamingen van de ham in Vlaams-België
verdringt. Het wordt door veel Vlamingen als AN beschouwd. Dit verklaart dan
ook dat zelfs het eigenlijke AN-woord ham in Hamont,
Achel, St.-Huibrechts-Lille ervoor moet wijken. Hetzelfde kan men in
West-Vlaanderen constateren, waar hamme door hesp wordt verdrongen. Interessant is dat ook in de streek van
St.-Vith, in het zuidwesten van de Eifel en in het Saarland hamme verdrongen wordt, maar dan door het algemeen Duitse woord
schinken. Ham schijnt dus in de
betekenis ‘achterbout van een varken’ vroeger een veel ruimere verspreiding
te hebben gehad. Zijn oorspronkelijke betekenis is dezelfde als die van hesp: ‘buiging’, ‘kromming’, vandaar ‘kniebocht’ (vlg. hees) en zo ‘achterbout’.
| |
4. Kop en staart
Het voorste einde van het varken is de
KOP
. Het heet in heel Belgisch-Limburg zo, ter verduidelijking ook in de
samenstelling varkenskop. Het oude woord voor een kop is
echter hoofd, in Limburg heud, huid. Dat dit ook bij het varken zo geweest is, blijkt uit
de benamingen voor de
HOOFDKAAS
, fijn gemalen of gehakt hoofdvlees, dat gekookt | | | | en licht
gekruid in vormen gegoten is; deze worden in schijven gesneden en met
toevoeging van mosterd of azijn bij brood gegeten. Het grootste deel van de
provincie (bijna heel Haspengouw met het zuiden en het oosten van de Kempen)
heeft het type heudkees ‘hoofdkaas’, een woord dat verder
westelijk ten minste tot Tienen reikt
(woordenboekje van Kempeneers), de Maaskant heeft huidvleis(j). Het westen van de Kempen heeft een woord met
klanksymbolische reduplicatie, dat ouder moet zijn dan de vleesmolen: kipkap.
Met hoofdkaas mag niet verward worden de
ZULT
, die sterker gekruid, gezult en in vormen geperst is, zodat zich aan
de randen laagjes gelatine vormen. Doordat zult veel harder is dan
hoofdkaas, kan hij ook in veel fijnere schijven gesneden worden. Boeren
maken normaal geen zult, dit is een produkt van de slagerswinkels. Boeren
maken wel hoofdkaas. Het verschil tussen die twee gerechten is overal in
Belgisch-Limburg bekend, behalve in een aantal dorpen tegen de grens met de
provincie Antwerpen en het noorden van Belgisch-Brabant, waar men het
produkt dat uit het vlees van de kop van het varken wordt gemaakt, steeds
kop, varkenskop of geperste kop noemt, steeds met het bestanddeel kop in plaats van hoofd, wat dus jonger is. Kop vinden we in de betekenis ‘zult’ ook overal elders in
de provincie, meestal in een nominale woordgroep gepersde
kop, in het Dommellands en het oosten van de Kempen met een stukje
Maasland in de samenstelling preskop, waarin het eerste
lid met zijn r voor de e erg jong moet
zijn. De omgeving van Tongeren heeft een andere woordgroep: gerolde kop. Het persen van de zult werd hier wel met een rol tot
stand gebracht. Verspreid werd enkele keren huur
opgegeven, een woord dat uit het Frans is ontleend (hure)
en zo op zijn manier illustreert dat we met een slagerswinkelsprodukt en
niet met een van de huisslacht te maken hebben.
Boven het achtereind van het varken staat de
STAART
. Die heeft geen speciale culinaire functie; hij kan de soep ingaan of
in de hoofdkaas verwerkt worden. Hij heet meestal (varkens)staart, maar in het oosten van de Kempen draagt hij een
speciale naam: bis. Van dit woord ken ik geen bevredigende
etymologie. Vermoedelijk hangt het samen met een werkwoord bizzen, gezegd van koeien die in de zomer op de weide op de vlucht
slaan voor insekten, met de staart in de lucht. | | | | In dit werkwoord
heeft waarschijnlijk voor de z een r
gestaan (birzen), zoals nu nog in sommige delen van
Westfalen en Nedersaksen het geval is. Er bestaat een mhd. werkwoord birschen ‘jagen’, ‘op jacht gaan’ (nhd. pirschen), dat uit ofr. berser schijnt te zijn
overgenomen, maar dat helpt ons wel niet verder.
| |
5. De romp met het spek
Wat er van het varken overblijft als we kop, staart en poten hebben
afgetrokken, is de romp. Die wordt overlangs in twee helften verdeeld. We
laten daarbij een ogenblik de ruggegraat en het vlees dat er tegen aanzit,
buiten beschouwing. Elke helft bestaat uit een voorste deel met de ribben en
een achterste met het spek. Een zijde spek vormt dus een vierde ven de romp.
ZIJDE SPEK
. Het is dus een kwestie van standpunt of men het spek van een helft
van het varken als een zij of als een vier(en)deel beschouwt. Beide benamingen komen in Belgisch-Limburg
voor, zij in het grootste deel van de provincie, vierdeel (vjoddel) in oostelijk
Haspengouw en ook in enkele dorpen tegen de grens van de provincie
Antwerpen. In Haspengouw verliest het woord duidelijk terrein ten opzichte
van zij. De meeste boeren uit het vjoddel-gebied kennen de twee uitdrukkingen. Zij zijn ook dikwijls
onzeker geworden wat de betekenis betreft: verscheidene van mijn informanten
meenden dat een vjoddel een halve zij
is. Men kan zo een zij overigens indelen in een vette helft, in de richting
van de rug, en een magere of doorregen helft, aan de buikkant. In enkele
Dommellandse dorpen heet een zijde spek leed, wat met
Limburgse klinkerrekking hetzelfde woord is als nl. lid,
een enigszins eigenaardige naam dus, daar hier geen sprake is van een
lichaamsdeel tussen twee gewrichten. Het
SPEK
als vleessoort heet bijna overal spek, maar in een
achttal plaatsen, vooral ten oosten van St.-Truiden, tekende ik vlees op. Dit woord wekt
sterk de indruk, in de betekenis ‘spek’ een relict te zijn. Als dat juist
is, is het woord spek ten minste in een deel van Limburg
import. Een
SNEDE SPEK
die in de pan gebraden wordt, heet in het grootste deel van
Belgisch-Limburg braai, maar in de Noorderkempen harst. Wij zijn spontaan geneigd, het zelfstandig
naamwoord braai met het werkwoord braaien ‘braden’ te verbinden en het te interpreteren als ‘iets wat
gebraden wordt’, maar dat is niet juist.
| | | |
Het gaat om een ander woord, dat in alle oudere westgerm. talen en ook in het
Oudnoors voorkomt in toepassing op vlezige delen van het lichaam. Het is
overigens ook nu nog in het Limburgs bekend in de betekenis ‘kuit’. De
betekenis ‘braden’ steekt wel in het woord harst, mnl. harst(e), herst(e) ‘gebraden stuk
vlees’, bij een werkwoorden harsten, hersten ‘braden’ en een substantief harst
‘droogoven’. In oudere germ. talen is het werkwoord overgeleverd als ohd.
hersten, harsten, mnd. harsten, oe. hierstan, allemaal in de betekenis
‘roosteren’ of ‘braden’. Men vermoedt hogerop ook verwantschap met het woord
haard.
De reep huid die aan een snede spek vastzit, is een
ZWOERD
. De Belgisch-Limburgse benamingen daarvoor hebben in tegenstelling tot
nl. zwoerd, zwoord in hun vocalisme en
in hun geslacht, dat vrouwelijk is, de normale voortzetting van mnl. swaerde. Eigenaardig en interessant zijn bij de Limburgse
vormen echter de klanken op het einde. We vinden de types zwaai (tegen de Antwerpse grens aan), zwaar
(verspreid in de Kempen), zwaars (meestal in de Kempen en
in het Maasdal), zwaats (in Oost-Haspengouw en
Loksbergen), zwaart (te Lommel),
zwaat (in het Bilzerlands en ten oosten en ten zuiden
van Tongeren), zwaas (in
West-Haspengouw), zwaach (in een gebied aan de taalgrens
tussen St.-Truiden en Borgloon en ook ten westen
van St.-Truiden), zwaasj (te Halen). Die bontheid illustreert heel mooi wat er bij een spontane
klankontwikkeling zonder veel druk van buiten allemaal mogelijk is. Ik kan
daar echter in dit verband niet verder op ingaan.
De benamingen van de gedeelten van de romp vóór de spekzijden heb ik niet
speciaal gevraagd. Ik heb de indruk dat hier geen andere woorden voor
bestaan dan ribkes, ribbekes, wat ook in
de woordenboeken van het Tongers en het Maastrichts wordt opgegeven. Waar
wel een geografisch verschillende specifieke benaming voor wordt gebruikt,
is de ruggegraat met het vlees dat eraan vastzit, waaruit de koteletten, in
Limburg meestal korteletten, kunnen worden gesneden. Dit
LANGE RUGSTUK
heet in het grootste (oostelijke) deel van de Kempen en het noorden
van de Maaskant hoogrug, in een gebied rondom Tongeren en
Borgloon rugstuk en in een aantal aangrenzende plaatsen
bij de taalgrens, in Oost-Haspengouw, de Zuiderkempen en het zuiden van het
Maasland rugstrank. Dit zijn allemaal doorzichtige
samenstellingen, behalve misschien rugstrank wat | | | | het tweede lid betreft. Strank is te vernederlandsen
tot strang (vgl. Limburgs rink en jonk met nl. ring en jong). Het gaat om een vorm zonder umlaut naast nl. streng ‘touw’ of ‘garen’, die ook uit het ohd. en het mnd. bekend
is, o.a. in de betekenis ‘rivierarm’. West-Haspengouw, de Demervallei en
Tessenderlo en Kwaadmechelen zeggen harst, een woord dat we al
hebben leren kennen als de Noordkempense benaming voor een snede spek. Het
is dus mogelijk een betekeniskaart van het woord harst te
maken. Hierop zouden dan een Westlimburgs gebied met de betekenis ‘rugstuk’
en een Noordlimburgs met de betekenis ‘snede spek’ verschijnen. Te Beringen en enkele plaatsen in de omgeving heb ik
geen benaming voor het rugstuk kunnen optekenen.
| |
6. Enkele vleeswaren
De benamingen van de organen van het varken die in vleeswaren worden verwerkt
of apart worden bereid, zoals hart, lever, longen, nieren, hersenen, heb ik
niet afgevraagd. Ik denk ook dat ze nauwelijks speciale woorden hadden
opgeleverd, behalve long, waarvoor het Hasselts en het Tongers woordenboek
het woord licht kennen. Voor enkele vleeswaren heb ik wel
materiaal, om te beginnen voor twee weke worstsoorten, de bloedworst en de
leverworst.
BLOEDWORST
heet bloedworst ongeveer in de oostelijke helft van
de provincie. In het Bilzerlands en de omgeving van Bree heeft deze worst als kennelijk de meest gewone worstsoort vaak
geen specificering nodig en spreekt men kortweg van worst.
Te Bilzen en in de onmiddellijke omgeving zegt men
ook rooi worst. Dat contrasteert dan met witte worst, een benaming voor de leverworst. Tegenover het
oostelijke worst-gebied ligt een westelijk pens-gebied, met dezelfde variatiemogelijkheden als bij worst, d.w.z. pens komt voor als simplex
(gesloten in de Westerkempen en de Demervallei, sporadischer in Haspengouw),
als tweede lid van een samenstelling bloedpens (vooral in
Haspengouw, gesloten rondom St.-Truiden) en van een nominale groep rooi pens (verspreid in de omgeving van Borgloon). Pens is een ontlening uit het fr. panse,
oorspronkelijk wel in de betekenis ‘dierenmaag’. Het blijkt in de besproken
toepassing in West-Limburg door Brabantse expansie vorderingen te maken.
Voorposten van de vernieuwing zijn Tongeren in het zuiden en Peer in het
noorden. In Hasselt concurreert bloedworst nog | | | |
met (bloed)pens, zoals ook uit het Hasselts woordenboek
blijkt. Toch is het woord dat door pens verdrongen wordt,
niet altijd worst. Aan de taalgrens ten zuiden van
Tongeren is het trip, een ontlening uit het naburige
Waals, en in het Dommellands, tegen de Nederlandse grens aan, beuling, wat aan de overkant van die grens het gewone
volkstaalwoord blijkt te zijn. Ook dit woord is van Romaanse oorsprong (met
een -ing-suffix uit een ontlening van lat. botellus ‘worstje’).
De gegevens die op de kaart
LEVERWORST
staan, betekenen niet allemaal juist hetzelfde. Het Duitse spreekwoord
zegt: ‘Was in der Wurst ist, weiss nur der Metzger’, en in de
Belgisch-Limburgse praktijk blijkt het ook nogal te verschillen. Er is niet
eens altijd lever in. Het gaat om een weke worst van een bleke kleur, die in
tegenstelling tot bloedworst in de regel niet gebraden wordt en bij brood
wordt gegeten. Drie van de vier termen op de bloedworst-kaart komen ook hier voor: worst, pens en trip, maar de verdeling van de
eerste twee is opvallend anders: het pens-gebied is nu
merkelijk kleiner, het omvat nog slechts West-Haspengouw; het westen van de
Kempen zegt nu worst. Ook als benaming voor de leverworst
worden de drie genoemde termen meestal in een samenstelling of een nominale
woordgroep gebruikt: leverworst, leverpens, levertrip en witte
worst, witte pens, witte trip.
Met ongeveer dezelfde ingrediënten als de twee besproken worstsoorten kan men
ook pastei maken. Een pastei met bloed als hoofdbestanddeel,
BALKENBRIJ
, werd dan in schijven gesneden, die in de pan werden gebraden. Als
bindmiddel werd traditioneel boekweitmeel gebruikt. Het is belangrijk dit te
weten om het kaartbeeld te begrijpen. Boekweit werd vooral aangebouwd in de
Kempen, in veel mindere mate in de Maasvallei en vrijwel niet in Haspengouw.
Daarmee correspondeert, dat Haspengouwse boeren in de regel dit gerecht niet
kennen. Sommige slagers in de stad verkochten ook balkenbrij. Dit
weerspiegelt zich op de kaart in het feit dat het woord balkenbrij in enkele dorpen in de buurt van Maastricht en ook in Tongeren
verschijnt. Het woord blijkt AN te zijn, hoewel het oorspronkelijk Gelders
was. De naam wordt verklaard door aan te nemen dat deze pastei aan een balk
werd opgehangen. Het Nederlandse karakter van balkenbrij
blijkt ook uit zijn voorkomen in drie plaatsen in het noorden tegen | | | | de Nederlandse grens (Hamont, Achel, St.-Huibrechts-Lille), zijn hogere sociale waardering in
vergelijking met de oude dialecttermen uit zijn gebruik in het stadje Peer,
midden in het Kempense gebied met het woord dat de grootste verspreiding
heeft: kruipuit. Dit is een z.g. imperatieve
samenstelling: het ziet er uit als een bevelende zin. Samenstellingen van
dit type zijn b.v. nog deugniet, waaghals. In enkele gevallen wordt de imperatiefvorm van het werkwoord
gecombineerd met een voorzetsel: klimop, flapuit. De betekenis van klimop is natuurlijk
niet ‘plant waaraan het bevel gegeven wordt ergens op te klimmen’ en die van
flapuit niet ‘persoon die de opdracht krijgt er iets
uit te flappen’. Wel betekenen ze ‘plant die ergens op klimt’ en ‘persoon
die er iets uitflapt’. Zo is kruipuit ook ‘voorwerp dat
ergens uit kruipt’. Het gaat oorspronkelijk wel om de substantie die bij het
braden uit de bloedworst kruipt: een darm met goede traditionele bloedworst
wordt voor het braden in stukken gesneden; tijdens het braden kruipt er dan
inderdaad brij uit die stolt en bewerkt dat de worst na het braden twee
dikke uiteinden heeft waar geen darm rond zit. Vandaar moet de naam zijn
overgedragen op de bloedpastei. Een eigenaardige bijvorm tekende ik op te
Grote Brogel en Opglabbeek: kroebes. Hij ziet er uit als een geval
met tweede klankverschuiving. Het Rheinisches Wörterbuch kent echter wel krūpūt, -būt in de besproken betekenis
voor de Kreis Heinsberg en voor de plaatsen Erkelenz en Doveren, maar niet
krūbəs; het kent wel naast krufes
een vorm krupes voor Eupen in de
betekenis ‘ein Raum zum Hereinkriechen’. Hierin zou het tweede lid huis zijn.
Op de kaart verschijnen ook twee samenstellingen met pens
als eerste lid: pensdink in een Demerlands en Demerkempens
gebied rondom Beringen, en pensmortel te Helchteren, Houthalen en Zonhoven. Daar dit laatste
gebiedje grotendeels buiten de arealen met pens in de
betekenis ‘weke worst’ valt, ben ik geneigd, hierin een oudere betekenis van
pens te zien, nl. ‘maag’. Het is bekend dat de taaie
huid van een maag gebruikt kan worden om b.v. gehakt vlees in te rollen. Uit
het tweede lid van pensdink blijkt een lage waardering
voor dit gerecht. Die is ook wel te vinden in twee woorden van
klanksymbolische oorsprong: kwet in drie plaatsen aan de
grens van de provincie Antwerpen, waar het blijkens Schuermans eveneens verspreid is, | | | | en tuut in het noorden van het Maasdal, dat blijkens het Rheinisches
Wörterbuch, ook in de samenstelling klappertüt, eveneens
in een vrij groot deel van het noordelijke Rijnland voorkomt. Over het
centraal Maaslandse bloed (blood) valt
niets te zeggen; wel kan men speculeren over de vraag waar het tweemaal
genoteerde pannas (te Bilzen en Ketsingen) vandaan komt.
Dit woord, waarvan het tweede lid het al een paar maal besproken harst is, is vooral in Westfalen en het Ruhrgebied
verspreid. Gaat het om een bezinksel van twee militaire bezettingen in de
eerste helft van deze eeuw?
LEVERPASTEI
. Hierover valt minder te vertellen dan over balkenbrij. Ik heb mijn
gegevens in twee groepen verdeeld, hoewel deze schematisering wegens
vermoede contaminaties wel iets te eenvoudig is: vormen met een -s-, te identificeren met het nl. pastei, en
vormen zonder -s-, te interpreteren als ontlening aan het
fr. pâté. In de grond gaat het om hetzelfde woord: de ofr.
vorm is pastée. Pastei en pastée gaan terug op mlat. +pastâta, een afleidng van pasta ‘deeg’. Uit de
kaart blijkt dat de meer Nederlands aandoende vormen vooral in het noorden
van de provincie en bij de Nederlandse grens zijn aan te treffen, de meer
Frans aandoende overwegen in de richting van de taalgrens en ook naar het
Brabantse dialectgebied toe.
| |
7. Het vet
Tenslotte enkele beschouwingen over het vet, dat nadat het gesmolten was als
braadmiddel, als broodsmeersel en buiten de keuken ook als smeer voor
gereedschap gebruikt kon worden. Voor het
VET
bestaat in Belgisch-Limburg maar één woord, vet, ter
onderscheidng van het vet van andere diersoorten ook in de samenstelling varkensvet gebruikt. Er zijn twee soorten vet. De betere
soort is het bladvet of de reuzel, dat in lagen tegen de achtervlakte van de
buik voorkomt. Ik heb er twee namen voor opgetekend, veer
en lies, die echter geen duidelijke geografische verdeling
opleveren. Lies schijnt bovendien nogal eens ‘gesmolten
vet’ te betekenen. Gesmolten reuzel heet ook verevet. De
tweede soort is het vet dat van de ingewanden wordt afgestroopt. Het heeft
algemeen darmvet. Wanneer men vet wil smelten, moet men
het vetweefsel vooraf in stukjes snijden. Door verhitting wordt het vet
vloeibaar en kan het van het weefsel gescheiden worden.
| | | |
KAANTJES
, de uitgebraden stukjes vetweefsel, werden vooral gebruikt om er saus
van te maken. Ze konden ook op brood gegeten of in andere gerechten gemengd
worden. De Belgisch Limburgse benamingen voor de kaantjes vormen een bont
geheel. Men kan echter alle vormen tot twee grondtypes herleiden. Het eerste
heeft een zeer gevarieerd vocalisme, dat echter overal herleid kan worden
tot een westgerm. â of de morfologische umlaut daarvan.
Men kan zijn representanten vernederlandsen tot kaaien,
kanen (uitzonderlijk kamen) en de
verkleinings-vormen die daarbij behoren. Dit type treffen we aan in twee
gebieden, het zuidwesten van de provincie en de Noorderkempen. Het gaat
terug op mnl. câde, mnd. kâde, die al
dezelfde betekenis hadden. In kade moest -d- tussen twee klinkers uitvallen, wat meervoudsvormen van het type
kaaien, kaën, kaan
opleverde. Kaën, kaan kon opnieuw als
enkelvoud worden opgevat, zoals schoen uit schoe, teen uit tee, zodat een
nieuw meervoud kanen ontstond, vergelijkbaar met schoenen en tenen. In de verkleinvorm
moest in het Limburgs umlaut optreden (keukes, keunkes), die dan op het grondwoord werd overgedragen,
vandaar het type kuuën tussen St.-Truiden en Borgloon. Het tweede
type, krappen, krabben met de
verkleinvormen krepkes, krebbekes, ook
krappelen, komt voor in de Maaskant, Oost-Haspengouw
en de Zuiderkempen. Het gebied met dit type is in het oosten breed; naar het
westen toe wordt het steeds smaller en meer ingesloten door de twee kaaien-gebieden. Blijkens een kaart van Grootaers en Pauwels uit
1930 komen de twee grenslijnen tussen kaaien en krappen in de buurt van Diest samen. Het kaaien-gebied, dat zich verder uitstrekt over het hele Brabants en
in het Oostvlaams door kaantjes en het Westvlaams door krakelingen wordt afgelost, omsluit dus het Limburgse krappen-gebied. Het is bijgevolg te begrijpen dat
Grootaers en Pauwels in krappen ‘voorzeker een indringer
uit het Oosten’ zagen. We weten echter intussen beter dank zij een kaart in
het Rheinisches Wörterbuch en de gegevens van de Nederlands-Limburgse
dialectwoordenboeken. Het type krappen is zuidelijk, kaaien noordelijk Nederlands-Limburgs. De grens loopt
tussen enerzijds Herten en Roermond, anderzijds Weert en Tegelen. In het
Rijnland neemt het type kaaien de noordelijke linker
Nederrijn in vanaf een lijn Dülken-Düsseldorf. Ten zuiden daarvan heerst het
type griebe, behalve in de Zelfkant en onmiddellijke
omgeving.
| | | |
Linnich en Erkelenz liggen nog in het krappen-gebied, maar
Mönchengladbach, Jülich en Aken zeggen al jreve of jrevele. Anders uitgedrukt, ons krappen-gebied kan niets anders dan een relictgebied zijn. We hoeven
echter daarom de mening van Grootaers en Pauwels nog niet te verwerpen, dat
krap hetzelfde woord is als Duits krapfen, dat vooral in het zuiden van het Duitse taalgebied voorkomt
in de betekenis ‘soort gebak’. Immers, bij krakeling
vinden we dezelfde twee betekenissen; bekend is de krakelingenworp in de folklore van Geraardsbergen, daarin gaat het
om een soort gebak. Grootaers en Pauwels refereren de mening van het Grimmse
woordenboek, dat krapfen via mhd. krapfe
en ohd. grapho op een mlat. craphus, crafus terug zou gaan. In de jongere Duitse etymologische
woordenboeken wordt daarentegen Germaanse oorsprong aangenomen: De naam van
het gebak zou een metafoor zijn ‘von der hakenförmigen Gestalt’ (Kluge) van
krapfen, ohd. krapfo, mhd. krap(f)e ‘Haken, gebogene Klaue, Kralle’.’
De laatste kaart is een unicum in die zin dat alle termen die erop voorkomen,
doorzichtige metaforen zijn:
NET
. In de buik van het varken bevinden zich darmscheilen, d.w.z. vetrijke
vliezen, die de verschillende delen van de ingewanden scheiden en op hun
plaats houden. Van Dale onderscheidt het net, ‘dat voor de
dunne darm hangt, een voortzetting van het bekleedsel van de maag’ en het
‘kleine net, een voortzetting van het buitenste
overtreksel van maag en lever’. Vele van mijn zegslieden meenden dat het net
waar het nu om gaat, het middenrif zou zijn, mijn informanten van Membruggen en Vlijtingen
gaven naast de voor die plaatsen in kaart gebrachte termen ook nog nierbed op, wat duidelijk nog iets anders is. Wat er ook
van zij, voor de varkenskermis speelt niet het anatomische, maar wel het
culinaire (of moeten we zeggen: het estetische?) aspect een rol:
vleespasteien worden met zo een vetachtig weefsel bedekt, wat ze nadat ze
uit de oven komen een fraai uitzicht bezorgt en ook uitdrogen voorkomt. De
metaforen waarmee zo een vlies wordt benoemd, zijn allemaal oorspronkelijk
namen van textielweefsels. Verreweg het meest verspreid is net, een woord dat meestal onzijdig, maar ten minste in een deel van
West-Limburg mannelijk is. De juiste grens kan ik niet trekken; ik weet wel
dat Helchteren, Genk,
Zutendaal en Munsterbilzen aan de kant met het onzijdige, en Koersel, Houthalen, Zonhoven
| | | | en Diepenbeek aan die met het
mannelijk geslacht liggen. In de buurt van de taalgrens komen vier andere
termen voor, van links naar rechts neusdoek, snoefloek, plag en schortel
(sjottel). Dit laatste woord betekent volgens een
kaart van Daan en Winnen uit 1954 precies in het kleine zuidoostelijke gebiedje van
onze kaart ‘schort’, waar het overigens een diminutief van is. Elders in de
provincie heet een schort scholk (in het noorden), veurik (in het zuiden) of voorschoot (in
enkele Brabants sprekende westelijke grensdorpen). Neusdoek, snoefloek (uit snoefeldoek) en plag zijn oorspronkelijk benamingen
voor de naar achter in een punt uitlopende hoofddoek, die de boerinnen
droegen, of ook voor de zakdoek. Ter verduidelijking kan men voor de
hoofddoek ook heudneusdoek, heudsnoefloek en heudplag, voor de zakdoek maalneusdoek en maalplag gebruiken (of
maalsnoefloek bestaat, weet ik niet). In neusdoek is duidelijk Brabantse invloed aan het werk, aangezien
het Limburgse woord voor ‘neus naas en niet neus is.
| |
8. Slotbeschouwingen
Bekijken we de besproken woordenschat in zijn geheel, dan constateren we dat
een Belgisch-Limburgse varkenskermis allesbehalve een eentonige bedoening
is. Bij achttien verschillende begrippen hebben we woordgeografische
differentiatie aangetroffen, waarbij de gebiedjes soms zeer klein en talrijk
zijn. Afgezien daarvan zijn de woordgeografische patronen echter niet
verrassend. Als er beweging in de kaartbeelden zit, dan is dat in de regel
onder westelijke, Brabantse invloed. Maar in het zuidoosten is ook een
beperkte uitstraling van Maastricht merkbaar. Ook in het noordelijke
Dommelland zijn er verbindingen met de Nederlandse overkant van de grens,
maar hier schijnen ze losser te worden. Voor een goede beoordeling van de
zaakgeografie zijn mijn gegevens, afgezien van die over de balkenbrij met
zijn noorzuidtegenstelling, eigenlijk niet fijn genoeg. Er zijn wel enkele
aanduidingen dat in de buurt van de provinciegrens met Antwerpen een gebied
begint, waar bij de verwerking van een geslacht varken gedeeltelijk anders
te werk wordt gegaan dan in Limburg.
| |
9. Literatuur
Het onderstaande lijstje bevat geen titels van de gebruikte algemene,
etymologische en dialectologische woordenboeken, wel | | | | die van de
geraadpleegde woordgeografische studies.
| SLAGER: Martine Panneels, De dialectische benamingen van enkele
beroepen. Licentiaatsverhandeling Leuven 1987, derde hoofdstuk en kaart
3. |
| KAANTJE: L. Grootaers en J.L. Pauwels, De ‘kaan’ in de
Zuidnederlandsche dialecten. Leuvensche bijdragen 21 (1930), 73-91 en
Mededeelingen van de Zuidnederlandsche Dialectcentrale 8. |
| SCHORT: Jo Daan en G. Winnen, Schort in de
Nederlandse dialecten Taal en Tongval 6 (1954), 87-98 en Mededelingen
van de Zuidnederlandse Dialectcentrale 50. |
| NEUSDOEK, SNOEFLOEK, PLAG: A. Stevens, De evolutie van de Haspengouwse
streektalen. Limburgs Haspengouw, Hasselt 1951, 223-264 (zie p.
258). |
J. Goossens.
| |
| | | |
[Kaarten]
| | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | |
(1)Mijn
gegevens heb ik door middel van een hoofdzakelijk mondelinge enquête
tussen 1953 en 1959 bij Limburgse boeren verzameld. Zie mijn Semantische
vraagstukken uit de taal van het landbouwbedrijf in Belgisch-Limburg,
deel I, Antwerpen 1963, blz. 16-22. Zij zijn dus gemiddeld ongeveer
dertig jaar oud.
|
|