‘Dergelijke oogenblikken, mijne Heeren!, zijn gelukkige. De borst verruimt zich dan, het hart gloeit, het hoofd verheft zich en de pols slaat sneller en het is alsof de blik helderder wordt en het geheele lichaam plotseling in grootte toeneemt. De mensch loopt dan op de teenen, of wil men 't fraaier, schiet vleugelen aan’.
1885:6
Aanwezig de heeren: Verdam, Naber, Spruyt, Matthes, Pierson, Karsten, Kan. [...] Punt 2. Ingekomen een schrijven van B. en W. in zake de studie beurzen. Daarnaar wenschten te dingen de H.H.: A. Poutsma, J. Vredenburg, P. Leendertz en H. Gorter. [...] Wordt besloten de termijn van aangifte als niet gesloten te beschouwen. Wordt inmiddels ter sprake gebracht de wijze waarop het onderzoek naar den aanleg, meer dan naar de bekwaamheden van candidaten, zal worden ingesteld. [...] H.H. Matthes en Valeton zullen deze taak op zich nemen.
De Faculteit kreeg van gemeentewege eén beurs, ten bedrage van ƒ 800, - 's jaars, die net zolang verstrekt bleef als de studie van de student duurde. - In de vergadering van 8 oktober werd besloten, dat het onderzoek na de groentijd zou plaatsvinden. In de vergadering van 9 november, dat A. Poutsma zou worden voorgesteld aan B. en W. als de meest in aanmerking komende gegadigde.
Daar de ontwikkeling en wording van een kind ten nauwste samenhangt met het leven des vaders, zoo is men gewoon eene levensbeschrijving, wil men die geregeld geven, te beginnen met den oorsprong van dat leven, den vader. Ja men klimt daarbij wel, maar dan slechts om uiterlijke omstandigheden, om titels enz:, eenige dozijnen geslachten op. Hiermee zal ik evenwel den lezer dezer beschrijving niet behoeven te vervelen en wel om de eenvoudige reden, dat het mij onmogelijk is. Het eenige wat mij van overgrootvader en betovergrootvader bekend is, is het feit, dat ze beide, juist als mijn grootvader en vader predikanten bij de doopsgezinde gemeente waren, of liever liefdepreêkers zooals ze toen nog werden genoemd, wat ze ook werkelijk waren, want ze preekten toen nog alleen uit liefde voor het ambt, en zonder vaste bezoldiging. Eindelijk twijfel ik er niet aan of hij, die voor het eerst den naam Gorter aannam, zal wel een grutter zijn geweest; evenals zoovele Backers, Bakkers en Bikkers hunnen naam afleiden van een stamvader, die dat bedrijf uitoefende. -
Mijn vader dan, om met hem te beginnen werd geboren te Warns, een klein dorpje in den Zuid-Westhoek van Friesland, waar mijn grootvader doopsgezind dominé was. Zoo zeer zijn de herinneringen uit zijne jeugd in mijne gedachten met die uit mijn' eigene verward, dat ik mij in Wormerveer, mijn' eigen geboorteplaats, dikwijls verwonder, sommige plaatsen, die ik er mij gedacht had, niet aan te treffen. Al zeer vroeg vertrok hij echter vandaar naar Balk eveneens in Friesland gelegen maar meer oostelijk. Het is een lief dorpje, aan een riviertje de Luts geheeten, gelegen en uit twee rijen huizen bestaande.
De huizen zijn grootendeels uit de 17de en 18de eeuw met luifels en trapgevels en aan beide zijden is de gracht met glad geschoren linden beplant en met groote zoogenaamde balsteenen bestraat, waarover op marktdagen de zware boerenkarren hotsen en de lichte oliewagentjes dansen. Aan de stille zijde stond de pastorie
een aardig, oud en somber huis, met koelen marmeren gang, witte en zwarte steenen, een nieuwerwetsche zijkamer, zoogenaamde pronkkamer, en donkere binnen en achterkamers, met oude meubelen. Verder een kleine tuin met een bleekveld om op te spelen en een wereld van appel, peere en kerseboomen. Hoe dikwijls lag ik daar in het gras kijkende naar de blauwe lucht, naar de witte wolken, die er in dreven en de menigte spreeuwen, die op de kersen kwamen aanvliegen en op de groene takken er in zaten te pikken, dat het een lust was om te zien. In dat dorpje ging hij op de Lagere school, in de bosschen daaromheen weerklonk zijn stem, over dat riviertje zwierde 's winters zijn voet. Op zijn tiende jaar verwisselde hij de lagere school voor de ‘Fransche’ in Sloten, een kleine oude vesting, met een paar oude grachten, groote boomen en bolwerken ongeveer 1 uur loopens van Balk verwijderd. Zelf verhaalde hij later in een der Studenten-Almanakken uit zijn studietijd, hoe hij aan het hoofd stond van het troepje jongens dat twee maal daags dien weg aflegde, hoe zij slootje sprongen, in alle boomen klauterden, hoe geheel Gaasterland weerklonk van hun lachen en gejoel. Van Sloten ging hij op zijn twaalfde jaar naar het gymnasium te Sneek, waar hij niet zonder lof en met eenige prijzen zijne vijfjaren doorbracht. Ik geloof echter niet, dat hij nu of later in eenig studievak heeft uitgemunt; zonder het zelf te weten zal hij, terwijl de leeraar de moeielijkste plaatsen uit een Grieksch of Latijnsch schrijver verhelderde, meer op den man zelf hebben acht gegeven, of op de groene takken en bladeren daarbuiten of op de zonnestralen, die er doorheen schoten. Hij was een echte zoon van Moeder Natuur. Zelf kunt ge dat zien, o lezer! in zijn Arcachon, zonder twijfel zijn meesterstuk, waar hij verhaalt van het bloeiende bosch op de duinen of van de schuimende zee die daartegen breekt en de dennen ontwortelt. - Van het gymnasium begaf hij zich naar het seminarium der Doopsgezinden te Amsterdam. Slechts iemand als hij, zoo rijk aan gevoel, met een hart zoo open voor de schoonheden der natuur, zou, voor het eerst in een groote stad, te midden van makkers, die zijne minderen waren, zoo integer zoo intactus hebben kunnen blijven. Als student maakte hij den zoo bekenden strijd tusschen de twee gedeelten van het Corps mede en trad daarin zelfs als rector van de eene partij op. Dit is reeds een gering bewijs voor de algemeene toegenegenheid, die hij zich zoowel door persoonlijke hoedanigheden als door zijne geestesgaven had verworven. In de laatste twee jaar van zijn studietijd, maakte hij kennis met haar, die later mijne moeder werd. Zooals de meeste theologische studenten, promoveerde hij niet, maar werd onmiddelijk na zijn proponents-examen beroepen naar eene gemeente: Aalsmeer. Na 2 jaar daar met groote toewijding aan en liefde voor het vak te hebben gewerkt, verwisselde hij deze standplaats voor eene van grooteren omvang: Wormerveer. Hier was het dat ik geboren werd. Het is eigenlijk geen afzonderlijk dorp, maar het maakt deel uit van de eindelooze rei dorpen die in onafgebroken
reeks van Zaandam tot na Wormerveer langs de Zaan is gebouwd en wel slechts aan de ééne, n.l. de rechter zijde dier rivier. Het is in eene vochtige koude streek gebouwd, en de wind heeft er vrij spel over weilanden en slooten; het onophoudelijk geklapper der molens aan alle kanten en de koude wind die er altijd blaast vervelen mij nog als ik er aan denk. Het grootste deel der huizen is er groen; zeker door een natuurlijk instinct der bewoners, die de totale afwezigheid der boomen hebben willen vergoeden. Zeker is het evenwel niet, want de Zaankanters zijn zoo weinig gevoelig voor natuurschoon, dat ze, zelfs onbewust dit gemis niet kunnen gevoeld hebben. Voor mijn vader moet het geweest zijn alsof hij met den rug naar het vuur van eigen haard, met de borst naar de ijzige koude van buiten gekeerd zat. Ja, met de borst naar buiten, want hier was het, dat zijne reeds zoo zwakke longen, nog meer verzwakt werden, zoodat hij eindelijk, kort na mijn geboorte genoodzaakt was, een verblijf in warmer luchtstreken te zoeken. Wij vertrokken dan met onze geheele familie derwaarts, en bleven er 1½ jaar, waarvan ik mij evenwel niets herinner. Mijn vroegste herinneringen zijn van ongeveer 2 à 3 jarigen leeftijd; maar dikwijls weet ik niet of die in mijn eigen hoofd zijn blijven voortbestaan, dan wel of ze er door verhalen van anderen in zijn gebracht. Reeds zeer vroeg bezoek ik de bewaarschool en nog herinner ik me het lokaal, met het rekenbord, het raam met houten balletjes, zooals men ze bij biljarten ziet en het meisje dat naast mij zat. Vijfjaar bleven wij er, totdat mijn vader wegens herhaalde bloedspuwingen zich genoodzaakt zag zijn ambt neer te leggen en naar Amsterdam te vertrekken, om daar de hoofdredactie van een, expres om hem, opgericht blad op zich te nemen. Onze eerste woonplaats was daar aan de Slijpsteenen aan het IJ, dat toen het IJ nog was, onmiddelijk aan het water. Schuimend spatte het daar dikwijls omhoog tegen den steilen kaaimuur gezweept door den wind of in deining door de gaande en komende schepen en booten. Rustig en vast lag het daar eenmaal, in den winter, niet gestoord door de stoombooten, die het anders doorploegden en nu tevergeefs hunne krachten in telkens snelleren aanloop inspanden om het te breken. Helaas! nu is daar weinig meer van over. Waar vroeger het water woelde en golfde staan nu eenige schrale boompjes, rollen de tramwagens en ligt eene modderige kolk. Nog niet lang woonden wij daar of ik werd naar school gezonden, bij den Heer Greve, onderwijzer alhier, op het Singel bij de Bergstraat. Hier leerde ik alles nog eens over, wat ik in Wormerveer al geleerd had, maar natuurlijk volgens een andere methode. Ik geloof dat ik in den beginne daar een zwak en vreesachtig jongetje was, maar al spoedig verbeterde dat door den gestadigen omgang met de andere jongens en door de afwezigheid van de eeuwig durende koude en vochtigheid in Wormerveer. Voor de meesters bleef ik evenwel nog eene groote angst behouden, en die is mij nog lang daarna bijgebleven. - In dien tijd maakte ik kennis met mijn' eersten vriend, een dwazen ondeugenden jongen
Wij hielden er eene eigen taal op na, door ons zelve uitgevonden en, ik geloof ook, onzichtbare landen, kasteelen en paarden. Van hem leerde ik ook den weg door onze stad kennen, zoodat ik reeds op zes of zevenjarigen leeftijd met groote zekerheid dien hier te vinden wist. - Intusschen bleef mijn vader ook hier steeds lijdend aan zijn borstkwaal, die steeds erger en erger werd. In den aanvang ging hij nog steeds ijverig naar het bureel van het door hem opgerichte Nieuws v.d. Dag, maar dat werd al minder en minder, hoewel hij er nog altijd voor werkte en de hoofdartikelen schreef. Eindelijk stierf hij in den zomer van 1871 aan de Grebbe bij Wageningen, waar hij zich met mijne moeder bevond. Mijn broer, mijne zuster en ik waren op dat oogenblik bij onze grootouders in Balk. Nog herinner ik mij, hoe de oude dienstbode van mijn' grootvader ons uit de stille school kwam halen, waar de vliegen gonsden in den zonneschijn. Het goede mensch had tranen in hare oogen en ook in het dorp bleven verscheidene mensen, die hem persoonlijk of uit zijne werken kenden, staan met tranen in de oogen. Thuis werd het ons verteld. Mijne moeder kwam ons daarna halen en wij keerden naar Amsterdam terug. Daar woonden wij eerst op de Prinsengracht met een' broer mijner moeder bij ons, later verhuisden wij naar de Binnen-Amstel, terwijl ik op het zelfde school bleef. tot op mijn twaalfde jaar, toen ik examen voor het Gymn: deed en daar den zesjarigen cursus, grootendeels nog onder het rectoraat van den Heer Kappeyne ging meemaken. In den zomer van dit jaar 1883 liep die cursus voor mij ten einde.
H. Gorter, novitius
Na het gymnasium ging Gorter klassieke talen studeren. Hij werd lid van het Amsterdams Studenten Corps. Tijdens de groentijd kreeg hij de gebruikelijke taak, een autobiografie van vier geheel volgeschreven foliokantjes te maken. Voor een achttienjarige is zoiets een moeilijke opdracht: hij wordt met zijn neus op de eigen onbelangrijkheid gedrukt. Want voor opschepperij of openhartigheid zal hij zich wel wachten: de werkstukken zullen, waar mogelijk, belachelijk worden gemaakt tijdens een soort rechtszitting van de Senaat en de complete groenentroep. ‘Mijn vader dan, om met hem te beginnen’..., maar halverwege is Gorter nog steeds over hèm aan het schrijven. Dat is zijn manier om zich uit de moeilijkheid te redden. - Balk, in de aanvang van alinea 3 beschreven, wordt door de meeste literatuurbeschouwers aangewezen als het vermoedelijke model voor het ‘oud stadje langs de watergracht’, dat in de vierde regel van de Mei voor ogen wordt gebracht. - (T: onmiddelijk na zijn proponentsexamen; eindelooze rei dorpen; de Slijpsteenen, onmiddelijk aan het water).
Jij was toen ik aankwam onder dat heele rotte zoodje studenten de eenige met een hart en een ziel en dat je mij die niet onthouden hebt van 't begin af, daar ben ik je altijd dankbaar voor geweest. [...] Jij was voor mij de vriend van Kloos, de eerste die hem begreep en verdedigde onder de bête studententroep. En toen later Perk zijn boek uitkwam, wat heb ik daar een mooie herinnering van op je kamer in de Frans Hals waar je me de sonetten voorlas en me de eerste aandoening van kunst, van iets moois zooals ik alleen nog
maar van Goethe en de muziek kende, in Homerische woorden hebt gegeven. Toen ik in 83 Gorter leerde kennen en ik hetzelfde voor hem deed wat jij voor mij gedaan hebt, dacht ik altijd aan je en heb 't hem dikwijls verteld.
Alphons Diepenbrock (1862-1921), later vooral bekend als componist, studeerde klassieke letteren in Amsterdam sinds 1880. Van de grote vriendschap tussen hem en Gorter geven latere documenten in dit boek uitvoerig blijk. - Voor Timmerman zie men het commentaar bij 1884:10a. Hij kende Willem Kloos van de schoolbanken. Gedichten, door Jacques Perk (1859-1881), was postuum in 1882, te Sneek, verschenen met een inleiding van Kloos, die zoveel als het manifest van de generatie der Tachtigers zou worden. - (T: zoodje; sonetten).
Buitengewone vergadering, 15 October 1883. [...] Na eenige oogenblikken verpoozing verzoekt de praeses den vicepraeses magister officiorum den heer J.L. Gunning, de candidaat-leden de Heeren ter Braak, Fledderus, Jonker, van Leyden, Gorter, Heerma Voss en Molster een voor een binnen te leiden. Tot elk hunner sprak de praeses eenige plechtige woorden, doch geen hunner begreep het gewicht van het oogenblik. [...] Wederom binnengekomen, is de ernst hen eindelijk ten deel gevallen, en thans kan de praeses er toe overgaan hen [...] als lid van Unica te inaugureren.
Het Westersch-Litterarisch Gezelschap onder de zinspreuk: Uno Nomine Juncti Colimus Amicitiam was opgericht op 29 november 1850. Zoals blijkt uit de typering die een der oudste leden, H.P.G. Quack, geeft in zijn Herinneringen (2de druk, A'dam 1915, blz. 25 en volgende) was het vanouds een dispuut met een hoge en bewust gehandhaafde zedelijke standaard. Er werd ernstig 19de-eeuws gestreefd naar veredeling en verrijking van de geest, o.a. door veelvuldige en degelijke lezingen en voordrachten door de leden onderling. Tot de werkende leden behoorden tussen 1883 en 1885: H. van Gelder, M.J. Claassen, F.W. Fledderus, F.A. Molster, U.J. Heerma van Voss, J. Lod. Gunning, G.P. ter Braak, Ad F. van Leyden, F.A. Mathon, W. Jonker, S.J. Hogerzeil, J. van Schevichaven, E.W. Insinger, F.E. Posthumus Meyjes, A.K. Kuiper, Y.H. Rogge en A.L.S. Mellink. Zeven van hen waren oudleerlingen van het Amsterdams Stedelijk Gymnasium. - Alphons Diepenbrock was van 1880 tot 1883 werkend lid geweest.
Wel Edele Heer! Zooals ik U gisteren reeds mondeling meedeelde, neem ik met genoegen het vereerend aanbod van het Dispuut-Gezelschap onder de zinspreuk: Uno Nomine Juncti Colimus Amicitiam, aan.
H. Gorter. Litt. stud.
Werkvergadering, 29 November 1883. [...] De laatste werkzaamheid werd vervuld door den heer Gorter. Als onderwerpen voor de improvisatie werden opgegeven, Over de oorsprong van het Kriketspel, Oost-Indië Nut van leege waterglazen, Winterkermis,
Max Conrat, Nut van een lamp boven glas, Nut van de demping van de Kotzebue haar [?], [...]. De heer Gorter koos hieruit over het nut van lamp boven gas in verband met Verlichting.
Het betrof hier stellig een zogenaamde ongemediteerde improvisatie, hetgeen inhield dat de ongelukkige spreker (die bijv. op een stoel stond) voor de vuist weg gedurende vijf minuten iets samenhangends te berde moest brengen, liefst op geestige wijze, terwijl het gehoor zich te zijnen opzichte zoveel mogelijk misdroeg. De onderwerpen werden door de medeleden ter vergadering ad hoc verzonnen, waren soms enigszins toegesneden op wat men wist of meende te weten van de spreker (hier bijv. het eerstgenoemde), maar waren ook vaak geheel uit de lucht gegrepen. Op vodjes papier ingeleverd, waren zij voor de notulant bij voorbaat niet het zorgvuldig aanzien waard, zodat de verschrijving glas voor gas niets ongewoons heeft. - Weinige jaren tevoren was de gloeilamp door Edison uitgevonden.
In de laatste jaren zijn de Grieken en al wat Grieksch is weder meer ter sprake gekomen, dan in langen tijd het geval was geweest.
Dit feit op zich zelf is niet verwonderlijk. Alle dingen hebben hun tijd, ooievaars en vinken verdwijnen in den herfst en komen in de lente weer terug, heden ziet men dames loopen in japonnen harer grootmoeders, waarom zouden de Grieken, na lang op den achtergrond van het wereldtooneel te hebben vertoefd, niet weer eens op den voorgrond treden. Er zijn genoeg knappe regisseurs, die hen des noods naar voren zouden weten te brengen en er dan nog een aardig duitje uit kloppen ook. Maar toch deze wederverschijning heeft ditmaal iets byzonders, iets eigenaardigs, dat haar van andere onderscheidt. Zij boezemt namelijk niet alleen der geleerde wereld, den mannen van het vak belang in, neen, het geheele beschaafde publiek toont zijn deelneming, en belangstelling.
En bovendien, afgezien van de vraag of zulk een komen en gaan van dezelfde omstandigheden en toestanden geheel natuurlijk is en uit elkander volgt, of het soms geschiedt volgens de strenge wet der ijzeren noodzakelijkheid, zoo meen ik toch, dat dit verschijnsel eene onmiddellijk uitwerksel is van eene bekende oorzaak: den toestand, den geest des tijds, En hoewel er nu juist door hen, die de Ouden voor ons doen optreden, hetzij in novelle of roman, in schilderij of teekening, zoo weinig mogelijk onmiddellijk aan den Godsdienst wordt geraakt, zoo is het toch, naar ik meen, de Grieksche opvatting van den Godsdienst voornamelijk, die de aandacht van het nu levende geslacht op hen vestigen deed. Voor hen, die dit doen, moet het, dunkt mij, eene vreemde en droevige gewaarwording zijn, wanneer zij de groote menigte zien, die zich met begeerte werpt op den nieuw voorgezetten schotel, en zelve niet begrijpen, hoe het komt, dat juist deze haren eetlust voldoet. Laten wij M.H! hun dit verdriet niet aandoen en eens tezamen nagaan, welke wel de oorzaken kunnen geweest zijn, die dit verschijnsel in het leven hebben geroepen. Het spreekt van zelf, dat wij, van Grieken sprekende hen zóó bedoelen, als zij waren in hunne ontwikkeling en
voornamelijk in hunnen bloeitijd, en dan nog de beschaafden en ontwikkelden onder hen.
Beginnen wij nu met het begin!
Als alle volkeren, die nog niet of slechts ter nauwernood, als in kinderschoenen waggelend, den eersten tred op den weg ter beschaving hebben gedaan, zoo aanbaden ook de Grieken in hun oudsten, zoogenaamd pelasgischen tijd, de krachten in de natuur rondom hen zichtbaar. Het spreekt uit den aard der zaak, dat zij, die slechts menschelijke krachten begrepen, dèze wel voor bovennatuurlijk moesten houden, maar hen, van wie ze uitgingen in menschelijke gedaanten voorstelden: Geen wonder nu, dat de Grieken, met hun van nature helder verstand en met den scherpen blik op wat rondom hen voorviel gericht deze goden in menschen-gedaanten, met elkaar in het verband brachten dat ook de menschen vereenigt, in hen alle menschelijke hartstochten en eigenschappen dachten.
Dwaasheid is het nu om aan te nemen, dat de Grieksche godenraad van lateren tijd eene vereeniging vormen zou van allerlei godheden, die ieder in de eene of andere landstreek alléén vereerd werden: dat dus het latere polytheïsme uit een vroeger monotheïsme ontstaan zou zijn. De herders op den Olymp zullen wel meer den woesten windgod, die hunne schapen verstrooide hebben aangeroepen, dan hunne broeders het deden beneden in de zonnige dalen van Thessalië, maar daaruit kan men nog niet besluiten, dat daar boven ook niet werd gebeden tot de verkwikkende zon of dat de dalbewoners den verkoelenden Boreas niet dankten. Zulk een idée ontspruit dan ook slechts uit het brein van een' of anderen ijverig-nasporenden, gebrild-philosofeerenden, Duitsch-pedanten geleerde, die van te voren eene theorie gereed maakt en daarin nu met de grootste hardhandigheid alle verschijnselen en toestanden wringt, zooals de Duitsche regeering, over welke Heine spreekt, alle hare soldaten, groot en klein, dik en dun in de zelfde uniformen paste.
Neen, zoo kunstmatig ontstonden zoo natuurlijke mythen niet. Een dichterlijk volk, vol fantazie, dacht en geloofde ze verzon ze niet. Het kende geen onderscheid tusschen geestelijk en stoffelijk, tusschen reëel en ideaal. Alles, zelfs wat voor ons het meest abstracte begrip is, hielden zij voor reëel, voor stoffelijk. Niet alleen de fantazie, ook het verstand deed hun de mythen vormen en er aan gelooven: Een persoonlijke Zeus verslond eene vleeschelijke Mètis, opdat zij, in zijn binnenste verborgen, hem tusschen goed en kwaad het onderscheid zou leeren.
Wij zien dus hoe groote eenvoudigheid wij tot de verklaring dier mythen noodig hebben, hoe veilig wij het vernuft van den Duitschen geleerde, hoe schrander overigens ook, kunnen missen. Eeuwen lang, zonder twijfel is deze toestand nagenoeg onveranderd gebleven, en eerst langzaam is de vooruitgang der menschelijke begrippen en gedachten begonnen. Maar eenmaal begonnen is hij
spoedig gevorderd: Met veerkracht verhieven de Grieken zich boven de omringende, stoffelijke natuur en zij werden daarbij gesteund door vele en sterke krachten van buiten. Vreemdelingen, gekomen uit Azië en Aegypte deden het hunne om het geloof aan natuurkrachten te verzwakken; De groote volksverhuizingen destijds, vooral door de Doriërs begonnen, leerden hun nieuwe toestanden, nieuwe menschen kennen, schonken hun nieuwe denkbeelden. Zij wendden zich van de zichtbare lichamelijke natuur, tot de onzichtbare, geestelijke; de ongetemde, bandelooze machten maakten plaats voor geordende. Laten wij dit niet verkeerd begrijpen: Het geloof aan goden in menschengedaanten bleef wel, maar hun invloed werd niet meer alleen in de natuur gezien. Men ziet het: zij schiepen zich weer goden naar eigen beeld; naar mate hun eigen zedelijkheid grooter werd, naar die mate steeg ook hun idée omtrent de Goden. De mensch kan zich zijn God niet hooger denken, dan als volmaakt beeld van zich zelven; hoe beter de mensch, te beter zijn God. De afstand tusschen hem en zijn ideaal blijft even groot.
Nu, de Grieken hadden het dan ook nog bij lange na niet bereikt. Wel hadden Zeus en de zijnen na langen strijd het gezag van Kronos en zijne Titanen omver geworpen, en hadden zich als geestelijk vrije machten van de natuur losgemaakt, maar onberispelijk waren ook zij nog niet. - Eigenlijk is deze voorstelling; die de Ouden zelve van deze verandering geven, niet geheel juist, want werkelijk nieuwe goden kwamen er niet; Zeer langzaam vervingen nieuwe denkbeelden omtrent den zelfden god de oude: Zoo werd Demeter van beschermster van landbouw en veeteelt, de stichteres van vaste woonplaatsen, de schutsgodin van het huwelijk. Zoo werd Athene in den aanvang van haar bestaan, hier eene zee, ginds eene veldgodin de beschermster van kunsten en wetenschappen, zowel van vrede als oorlog. Zoo werd Hermes van eenvoudig herdersgod, de alom geprezene patroon van den koophandel, de god der uitvindingen. - Zooals wij boven gezien hebben, waren het vóór allen de Doriërs, die tot deze verbetering hebben meegewerkt: zij, die door het voeren van zoo vele oorlogen en het doorstaan van zoo groote gevaren eigen kracht hadden leeren kennen, geloofden niet meer aan den overmacht der natuur. In hen het eerst verhief zich het vrije trotsche, Grieksche karakter. - De Dorische volksverhuizing trekt daardoor de grenslijn tusschen Pelasgischen en Helleenschen tijd.
Homerus en Hesiodus zijn zeker de mannen, die er het meest toe hebben bijgebracht om de Grieken hunne goden onder dezelfde namen te doen aanbidden. Herodotus heeft gelijk als hij in zijn tweede boek, cap 53, zegt dat zij beide den Grieken hunne goden hebben gegèven; aan de voorstellingen toch, door hen van de Olympbewoners gemaakt, heeft men nog eeuwen lang een onvoorwaardelijk geloof gehecht. En niet alleen op den godsdienst, ook op de staatkunde heeft Homerus grooten invloed gehad; na hem kan
men spreken van de Grieken in het algemeen, als volk, waar men vroeger tusschen kleine stammen, zonder tal, onderscheid maken moest. De schildering die hij geeft van het Godenleven is bij hem eene afbeelding van het aardsche leven in zijn eigen tijd, maar toch, lang nadat de toestanden in Griekenland veranderd waren scheen zij allen Hellenen de ware. Nog lang nadat de Atheners hunne democratische republiek hadden gegrondvest, geloofde het grootste deel des volks aan de hemelsche monarchie van Zeus. Hij toch is oppermachtig koning in den hemel, en beschermt daarom de aardsche koningen; hem staat een raad ter zijde, maar daarom ook neemt hij dien op aarde in zijne hoede. Zooals bekend is bestond deze raad uit alle eigenlijk Olympische goden, met Poseidon: Apollo, Ares, Hephaestus, Hermes, Hera, Artemis, en Aphrodite. Alle deze goden zijn in der daad zelfstandig en vrij; maar juist daardoor moeten zij elkander's macht beperken en de wereld blijven ordenen. Homerus zelf schijnt evenwel de tegenstrijdigheid in deze zijne gedachten wel gevoeld te hebben, en heeft daarom nog eene andere en hoogste macht ingevoerd: de Μοιρα die evenwel slechts zelden persoonlijk optreedt en een enkele maal in het meervoud gevonden wordt. Bij de groote menigte is het geloof aan deze macht spoedig verdwenen; de philosofen van lateren tijd vatten haar nu eens op als afhankelijk van de goden, dan weer als heerschende over deze. Bij de tragoediedichters valt zij samen met eene hoogere zedelijke wereldorde.
Hoewel wij nu de onwaarheid van Homerus' voorstellingen inzien, zoo blijven wij hem toch ten zeerste dankbaar. Hij heeft de fondamenten gelegd, waarop de Hellenen hun werken van kunst en wetenschap hebben gebouwd; hij heeft zijn volk uit een nachtelijk duister in 't licht gebracht, den weg naar waarheid en schoonheid gewezen. Daardoor ontsluit hij voor ons den werkelijk Helleenschen tijd.
De aard van het Grieksche volk is oorzaak dat deze door Homerus verzamelde en in vasten vorm gegoten mythen met verloop van tijd nog rijkelijk zijn vermeerderd en opgesierd. Hun dichterlijke geest en hun scherp verstand hebben er nieuwe schoonheid aan toegevoegd en er nieuwe beteekenis ingelegd, die er vroeger geheel vreemd aan was. Dit bewijst wederom hoe ver de Grieken boven de Oostersche volken en vooral boven de Romeinen uitsteken. Terwijl de eerstgenoemde volken van hunne priesterkasten wel eene soort van mythologie ontvingen, hebben zij haar nooit door eigen ontwikkeling gekregen, het werd dus nimmer verder gebracht. - Hoewel de Italiaansche volken zonder twijfel eene eigen mythologie hebben gehad, zoo heeft toch hun praktische geest meer acht geslagen op de ceremonieën van den godsdienst dan op de schoonheid en beteekenis daarvan. Bovendien werd door den invloed van vreemde volkeren, de eigen oorspronkelijk zuivere stroom troebel gemaakt. De Griek alleen was in staat om zelfs wat van buiten kwam zich eigen te maken, tot iets werkelijk inheemsch te vervormen.
Wij hebben gezien, hoe Homerus de mythen verzamelde en met elkaar in verband bracht, hoe hij daarin vooral door Hesiodus werd bijgestaan; welnu, de latere dichters hebben van het door hen geleverde materieel een ruim gebruik gemaakt. De lyrische dichters behandelen de mythen evenwel op eene veel vrijere manier: daar hunne bedoeling is hoorders en lezers wijze lessen van zedelijkheid te geven, veranderen zij des noods de verhalen geheel, wanneer zij hun met de waardigheid der goden of heroen in strijd schijnen. Hetzelfde doen de tragici: met het oog op het publiek of op de eischen van het treurspel, nemen zij episoden uit de mythen weg of voegen er nieuwe aan toe al naar het hun passend voorkomt. Aeschylus, die eene voorliefde heeft voor beschouwende theologie en Sophokles, die ongaarne der geschiedenis onrecht aandoet, vervallen hiertoe veel minder dan Euripides, die, met de philosofen van zijn tijd bekend, reeds wankelt in 't geloof. Wat de prozaschrijvers betreft: de logographen zetten het door de epische dichters begonnen werk met ijver voort en beschreven het ontstaan en de afkomst der Goden. De historiographen vertellen de mythen dan, wanneer zij bij persoons- of plaatsbeschrijving van zelf zich voordoen. Bij nog latere geschiedschrijvers ziet men het streven om de mythe tot geschiedenis te maken, een verschijnsel, dat men gewoonlijk pragmatismus noemt.
Ook de Grieksche kunst ontleende haar stof bijna geheel en al aan de mythologie. Evenals de bouwkunst zich in de tempels tot hare grootste hoogte verhief, zoo toonden zich ook de beeldende kunsten, tot godsdienstige doeleinden aangewend, in al hare volmaaktheid. De ideale opvatting der Godenwereld, door Homerus het eerst voor den geest zijns volks zichtbaar gemaakt, werd door schilders en beeldhouwers nu ook zinnelijk voorgesteld. Maar juist deze zinnelijke voorstelling in beeld en op het tooneel was oorzaak, dat de val van het geloof aan de mythen, ja aan de goden bespoedigd werd. Want dat het vallen moest was zeker. De gebreken en tegenstrijdigheden in de voorstellingen der goden, kwamen telkens aan het licht, hoezeer ook door conservatieve dichters verborgen of vergoelijkt. Slechts noode gaven deze den strijd op: zij wilden zoo gaarne de voorvaderlijke goden bewaren in al hunne natuurlijke schoonheid; op nieuw en in steeds schooner vormen stelden zij ze voor de oogen des volks. Maar juist hierdoor toonden zij de zwakke zijde hunner zaak: de goden waren tè zeer menschen geworden, traden te dikwijls als menschen op en gaven daardoor aan de eene zijde aanstoot aan het gezond verstand, dat de onwaarheid der voorstelling inzag, aan de andere aan een dieper religieus gevoel, dat eene hoogere zedelijkheid, dan die der Olympiërs wilde.
Het was reeds lang te voorzien geweest, dat het geloof aan mythen en goden door de philosophie zou worden te gronde gericht, die ± 600 voor Christus in de kolonieën ontwaakte. Daar zij zich echter òf met natuurwetenschap bezighield òf hare theorieën niet in wijden kring verkondigde, bracht zij voorlopig in het volks-
geloof weinig of geen verandering, zoodat wij dan ook reeds gezien hebben, hoe men ten tijde van en na de Perzische oorlogen nog evenzeer ja meer dan vroeger met onwrikbaar geloof de goden aanbad. Maar langzamerhand werd dit anders.
Zuiver materialistisch als de philosofie was, richtte zij zich natuurlijk, zoowel in der daad als in de leer, lijnrecht tegen alle mythen: zij begon ze of als allegorie te verklaren, of eenvoudig onwaar te noemen. En het was gelukkig dat ze dit deed. Want zonder de tusschenkomst der filosofen zou het geheele volk, wat een groot gedeelte toch later gedaan heeft, vervallen zijn tot ongeloof, of wat nog erger werd, het bijgeloof, dat door zijne duistere mysterieen zooveel ongeluk over Griekenland heeft gebracht.
Laten wij er ons evenwel voor wachten te spoedig een afkeurend oordeel over den ouderen godsdienst uit te spreken; want ook de filosofie heeft later, vooral door hare vermenging met buitenlandsche, d.i. oostersche begrippen, tot een verward syncretisme geleid, dat het Christendom genoeg strijd heeft gekost. Bovendien, wèl mag hij ons tot nadenken stemmen, de aanblik van een in ons oog zoo gebrekkigen en dwalenden godsdienst, die reeds tot zulke uitingen van kunst en wetenschap bracht. Wèl mogen wij, voordat wij oordeelen bedenken, dat mannen als Aeschylus en Sophokles die goden aanbaden, en dat aan zulk een godsdienst werken als hunne drama's hun bestaan te danken hebben.
Maar eerst uit de samenbotsing dier beide krachten, mythologie en filosofie, kon dàt ontstaan, wat door de eeuwen heen, ten voorbeeld is geweest: het echt klassieke in de kunst. Mannen als Phidias, Perikles, Sokrates en Plato zijn daar om dit te bewijzen. Inderdaad het schijnt, dat in dezen tijd het juiste midden werd getroffen, terwijl èn filosofie èn mythologie in uitersten vervielen. Zij vereenigden in zuivere verhouding wat de Grieken reeds lang in ééne gedachte, in één woord vereenigd hadden: τὸ ϰαλόν ϰαὶ τὸ ἀγαϑόν [het schone en het goede]: zij schonken geen geloof meer aan de mythen, zooals ze daar voor hen lagen, maar behielden hen, omdat ze schoon waren; ze geloofden niet aan het bestaan van stof alleen, maar filosofeerden over deugd, onsterfelijkheid, liefde; maakten scheiding tussen reëel en ideaal, tussen geest en zin. De oude volksgoden beeldden zij af, wel is waar, maar maakten in hunne beelden de hoogste deugden duidelijk, die zij in de menschen vonden: de studie van den mensch toch was hun geliefkoosd werk. Zij stelden geen leer in vaste dogmen vast, verdiepten zich niet alléén in bespiegelingen, maar bespotten vooral niet met onnut scepticisme, alle menschelijke gedachten en theorieën.
Dit heeft evenwel slechts korten tijd, een oogenblik misschien, kunnen duren. De groote menigte toch kon deze hoogte niet bereiken, kon niet zien en begrijpen, dat anderen zóó hoog stonden, en in haar nijd en domheid ondermijnde zij haar. Daarbij oefenden de ongelukkige gang en afloop van den Peloponnesischen oorlog op kunst en wetenschap een verderfelijken invloed. Sneller dan zij
waren opgekomen tot grootheid en bloei, geraakten deze in verval. Nooit hebben zij zich weer opgericht: Gelijk wij boven reeds uit een enkel woord hebben gezien, vervielen zoowel godsdienst als filosofie tot een akelig bijgeloof, dat zich uitte in een verward synkretisme en in duistere mysterieën en natuurlijk geene aanleiding meer gaf tot het scheppen van zulke werken van kunst en wetenschap. Met Athene's verminderende beteekenis als staat verdwijnt ook de grootheid harer schrijvers en kunstenaars. Slechts een enkele maal hebben mannen als Demosthenes aan middelen tot haar herstel gedacht.
Met deze woorden, M.H! zou ik mijne taak als geëindigd kunnen beschouwen.
Mijne bedoeling is geweest U in korte trekken den loop en de verwisselingen van den geheelen Griekschen Godsdienst te laten zien. Mogelijk is het verkeerd geweest, niet een klein onderdeel hiervan te hebben genomen om U daarvan dan veel nieuws te vertellen. Maar afgezien van het bezwaar, dat, wat nieuw voor U was dit ook voor mij zou zijn geweest, geloof ik toch, dat ik, dit niet doende, beter heb gedaan. Ik meende, M.H! dat de détails van mijn onderwerp reeds genoeg worden behandeld. Daarvoor zorgen onze professoren en geleerden wel. Als spinnen zitten zij te loeren, midden in hun net, om elkaar het een of ander arm, schitterend, Attisch vliegje af te vangen, en als zij het hebben, zuigen zij het alle schoonheid uit, om ons het doode en drooge omhulsel te eten te geven. Daarom heb ik getracht nog eens eene korte schildering van het geheel te geven, opdat wij dit gemakkelijk zouden kunnen overzien. Ik zal nu maar niet den criticus de wapens in de hand geven, door de fouten en gebreken op te noemen, die ik zelf er in heb bespeurd. Ook zonder dat zullen ze hem gemakkelijk genoeg in 't oog vallen.
Ik zou evenwel nog in eenige woorden de oorzaken trachten aan te geven, die de Grieken en het Grieksche weer meer ter sprake hebben gebracht. De meesten Uwer zullen haar wel kennen. - Er heerscht in de tegenwoordige wereld weer eene macht, die langen tijd dood werd gewaand. Het is de verkeerd begrepen ernst. De ernst, die zuur kijkt, die met saamgetrokken wenkbrauwen smaalt op alle stof, op alle zinnelijkheid, op schoonheid van vorm en kleur, voor wien het leven een dorre, kale woestijn gelijkt. Aan den anderen kant, lijnrecht daartegenover, staat de aanbidding van de stof alleen, met hare kleurlooze levensopvatting, met hare versmading van geestelijk schoon. En daartusschen, maar niet op het juiste midden, lauwheid slaafsche volgzaamheid, oude sleur, Jan-Saliegeest, ja wat niet al. Wat is het wonder dat men, gelijk reeds zoo dikwijls geschiedde, zich weer om uitkomst tot de Grieken heeft gewend, dat men daar de levensopvatting zoekt, den ernst, die ‘lachen kan, wiens bloed krachtig stroomt door de gezonde aderen, wiens oog blinkt helder als een lichtende vonk van het vuur, door Prometheus geroofd’. Men zoekt het weer bij de Grieken: zij
smaalden niet op de wereld van natuur en zinnen, zij zagen en begrepen al het schoone en goede daarin verlichaamd, hoe de geest daarin werkt en zich uitdrukt.
Doen zij nu goed, die dezen toestand terug trachten te brengen? Verwaarloozen zij misschien te veel hoogere lessen, na die van de Grieken gegeven? - Aan mij staat het niet dit te beslissen.
Maar zullen zij slagen? Zullen zij nu voor eeuwig de waarheid gevonden hebben? - Waarschijnlijk is het niet. De menschheid gelijkt de πολύφλοισβος ϑαλάσση [veelstromige zee] waarvan Homerus spreekt. Eeuwigdurend in botsing volgt de eene golvenrij de andere; soms door orkanen gezweept, bestormen zij hemel en aarde. Maar ook altijd leven er machten, ja sommigen zijn onsterfelijk, die het onbandige trachten te binden, die golven en kolken beproeven te effenen tot een spiegelglad meer, waarin hemel en aarde helder weerkaatsen. En onder al die machten, steeds talrijker worden zij, neemt de Grieksche Muze de eerste plaats.
Laat mij ten slotte het woord geven aan een, die als hij haar prijst, eene eigen zaak bepleit: aan Vosmaer, als hij zegt:
Godengeslachten verwisselen; de ouden verdrijvend in 't duister,
Rijzen de jongeren, zelf voor nieuwe geweldigen zwichtend;
Ouranos wijkt voor Kronos en dezen verjagende, troont Zeus;
Hem zelfs treft van het Lot de beschikking: - Muze van Hellas,
Gij leeft! blijf dan ook óns de bezielende bronne der schoonheid!
H. van Gelder h.t. praeses
Gorters onderteking ontbreekt. - De aanhaling uit Vosmaers gedicht De Grieksche Muse zal Gorter hebben gelezen in de bundel Vogels van diverse pluimage (Leiden 1872, of een latere druk). In haar doctoraalscriptie Lucifer. Een jeugdgedicht van Herman Gorter (1977, Universiteit van Amsterdam, Inst. voor Neerl., DNL nr 2746) toonde Lieneke Frerichs aan, dat aan dit boek van Vosmaer ook Gorters zinsneden over de blijde ernst ontleend zijn (die in de wereld van natuur en zinnen geen laagheid of verderf, maar juist de veruitwendiging van veel geestelijk schoons en goeds ziet). Gorter gebruikt ze voor het schetsen van de cultuur van zijn eigen tijd, in de op vier na laatste alinea. Bij Vosmaer blijft het een losse mijmering, met de herfst als aanleiding. - Mr Carel Vosmaer (1822-1886), literator en kunsthistoricus, onderscheidde zich van zijn tijdgenoten-schrijvers door een meer humanistische dan christelijke moraal en een estetische idealisering van het oude Hellas. Zie voor zijn veelzijdige interesse en werkzaamheden de aan hem gewijde monografie (Den Haag 1967), door F.L. Bastet. Enkele Tachtigers van het eerste uur (Perk, Kloos, Paap en Van Eeden) bood hij, mondjesmaat, de gelegenheid tot publiceren in het weekblad waarvan hij jarenlang de redactie voerde, De Nederlandsche Spectator. Dat Gorter ook Vosmaers veelgelezen roman Amazone (1880) kende, blijkt uit een latere orätie (1885:6). - Over deze eerste lezing van Gorter schreef P.N. van Eyck een beschouwing, die als onderdeel van uitvoerige Gorterstudies postuum gepubliceerd is in zijn Verz. Werk deel 7 (A'dam 1964), p. 95-106. Voor het volle begrip van Gorters denkbeelden in ontwikkeling is Van Eycks analyse onmisbaar te noemen. - (T: 2e al. byzonders; 3e al. eene onmiddellijk uitwerksel; 6e al. fantazie; 9e al. zij beide; elkander's. Voorts op zes plaatsen een hoofdletter na dubbele punt of puntkomma; ceremonieën, kolonieën, mysterieën (3 ×), heroen; en kennelijke onzekerheid over f/ph in filosofie, filosofen).
Men begrijpe mij wel: de mythologie der Grieken kennen wij allen op ons duimpje, en wordt voor de ‘comparatieve wetenschap’ hoe langer hoe duidelijker, maar dat is nog de godsdienst der Hellenen niet; mij dunkt, dit onderscheid heeft den heer Gorter niet altijd even duidelijk voor oogen gestaan bij het schrijven zijner oratie. Waarin die godsdienst dan, wat den vorm betreft, bij de Grieken bestond? Níet voornamelijk in optochten en feesten, kortom slechts voor een zeer klein gedeelte in den ritus, die alleen uitwendig eerbetoon betrof; hij bestond juist bijvoorbeeld in de mysterieën en andere geheimzinnige plechtigheden, waarvan we ongelukkig zoo bitter weinig afweten; dáárin was het dat die Grieken, die in het ondermaansche geen bevrediging vonden, eene hoogere uiting voor hun verheven gemoed zochten. En juist op die mysterieën geeft de orator af; het is wel waar dat de mysterieën allengs verbasterd zijn (de Orphische zelfs zeer vroeg, zooals in den aard der Orpheus-dienst lag), maar de voornaamste, de Eleusinische, zijn, ben ik goed ingelicht, niet, zooals de orator beweert, tegelijk met het staatkundig verval achteruit gegaan, maar nog tot ongeveer 200 v.C. onverbasterd in stand gebleven [...].
Doch, ik wil nog even juist formuleeren waarom ik de keus van het onderwerp niet goed vind; ik vind de stof nl. te hoog en te moeilijk voor eene oratie op Unica. Quaesties, waar de grootste geleerden tegenover elkaar staan, passen m.i. niet in het kader der onderwerpen, die een jong student, nog geen geleerde met zelfstandige opinie, voor eene werkzaamheid moet kiezen.
[...]
Dit over het onderwerp; ik zou nog wel meer kunnen zeggen doch laat dit aan andere critici over. Stijl en woordenkeus zijn zeer goed, hoewel hier en daar eenige excentriciteiten, wel eens wat plat, voorkomen. Overigens volg ik de gewoonte van Unica en zwaai, en zwaai nog eens, en zeg den heer Gorter dank voor de werkelijk zeer groote moeite, die hij over heeft gehad om ons eene in ieder geval degelijke werkzaamheid te leveren.
H. van Gelder h.t. praeses
Dixi Lod. J. Gunning
(T: mysterieën [3 ×]).
Werkvergadering, 19 Januari 1884. [...] De heer Gorter draagt vervolgens zijn reciet ‘Napoleon’ voor, [...].
Dit zal de voor voordracht zeer gewilde ode van Bilderdijk zijn geweest. Enige jaren later zal Kloos in De Nieuwe Gids schrijven: ‘Men moet zelf, als knaap, onder de bedwelming zijn geweest van de rollende woordenrommeling, den ratelenden rijmenvloed der ‘Ode aan Napoleon’, om later met volle bewustheid te kunnen gevoelen, hoe ontzettend grof en allerjammerlijkst onontwikkeld de Bilderdijksche rhythmiek is’ (Lit. Kroniek, april 1886).
Werkvergadering, 1 Februari 1884. [...] De heer Gorter promulgeert nu als onderwerpen voor gemediteerde improvisatie: De oorlog met Atjeh, Landsverdediging, Regeering van Lodewijk Napoleon. [...] Vervolgens las de heer ter Braak zijn scriptie: De gedichten van A.C.W. Staring voor, waarop de heer Gorter critiek uitbracht.
Mijne Heeren! Toen ik na de lezing van des Heeren ter Braak opstel mij ter beoordeeling nederzette, drong er zich met nieuwen aandrang eene vraag aan mij op, die ik tot recht verstand van het volgende gaarne even wil beantwoorden. Het was deze: Waartoe dienen toch wel onze verhandelingen op u.n.i.c.a.? tot eigen oefening, of tot leering der hoorders? Dat wil zeggen: mag de scriptor of orator elk onderwerp onverschillig welk aanvatten en zich in eene studie daarover oefenen in den stijl, of moet hij, vóór alles lettende op zijn onderwerp, uit talrijke bronnen puttende en zijne eigen wijze van beschouwing daarbij gevende, zijnen hoorders veel nieuws of belangrijks trachten te leeren?
Het antwoord hierop moet, dunkt mij, zijn: Wanneer hij beide weet te vereenigen, zal het zonder twijfel, zoowel voor hem, als voor zijne hoorders het beste zijn.
Hij moet er dus naar streven om een belangrijk onderwerp ook zijnen hoorders als belangrijk voor te stellen en er door een goeden stijl voor zorgen, dat zijne eigen en anderer meening daarover indruk maken op den hoorder.
Laat ons nu zien, hoe de geachte scriptor zich van deze verplichtingen heeft gekweten.
Zonder twijfel is de keuze van dit onderwerp eene gelukkige. Eerst kortgeleden heeft de onverdroten werkzaamheid van Busken Huet het lezend publiek ook met den schier vergeten Staring kennis doen maken, en het kan zeker geen kwaad dat de Heer ter Braak ook bij ons de aandacht nog eens op hem vestigt. Bovendien heeft de laatste dit op den bekenden kritikus voor, dat hijzelf Gelderschman is en dus een' landgenoot nog beter dan deze begrijpen en waardeeren kan. Wij kunnen ons voorstellen, hoe hij verlangd heeft naar het oogenblik, waarop hij ons deze scriptie zou mogen voordragen om ook ons deelgenoten te maken in de vreugde en bewondering, die zijn hart deden opspringen.
In hoeverre hem dat nu gelukt is, dat is de vraag, die zich in de tweede plaats aan ons voordoet.
Zijne bedoeling was zonder twijfel goed en eenvoudig Hij wilde hen, die onder ons den dichter nog niet kenden tot kennismaking aansporen, hun, die deze reeds hadden gemaakt nog eens zijne schoonheden aanwijzen. En alleen reeds door de inlassching van zoovele producten des dichters is hem dat eerste reeds gelukt, naar ik meen, terwijl hij ook in het tweede door bijgevoegde beschouwingen wèl is geslaagd. En toch geloof ik niet zijne behandeling
van het onderwerp goed te kunnen noemen: Het blijkt niet genoeg, dat de schrijver ook vóórdat hij zich neerzette om zijne liefde en bewondering voor Staring in woorden en op papier te brengen, die liefde en bewondering reeds gevoelde of ze ten minste eenigszins overdacht en gemotiveerd had. Om het ronduit te zeggen, het schijnt mij toe, dat de heer ter Braak, terwijl hij voorzeker Staring wel kende, het grootste deel zijner geestdrift toch aan anderen (aan Busken-Huet vooral) heeft ontleend, ten minste dat hij door een ander op zijne geestdrift is opmerkzaam gemaakt. Zij komt mij te weinig oorspronkelijk, te algemeen voor om geheel en al waar te kunnen wezen. - Hiermee wil ik allerminst de beschuldiging van onoprechtheid inbrengen tegen den geachten scriptor; ieder lijdt, de een meer, de ander minder aan het zelfde kwaad.
Maar dat ik gelijk heb bewijzen niet alleen de algemeene en conventioneele bewoordingen, waarin hij zijner bewondering lucht geeft, maar ook het feit, dat hij het 5 regelig gedichtje: Een vrijer staat en kijkt of 't spookte: o Beeld van was enz als een van Staring aanhaalt. Het is uit de Oogentroost van Huygens, en door Huet in zijn kritiek over Staring overgenomen om de verwantschap van diens poëzie met die des Gelderschen dichter aan te toonen.
Voor verscheidene plaatsen uit deze scriptie evenwel hebben wij allen lof en dank. Dat de scriptor met de korte schildering van des dichters tijd begint is dunkt mij juist, evenals dat hij daarna de levensschets geeft, al is deze dan ook wel wat kort en op eene plaats, als hij over de Goudsche glazen spreekt wat duister voor iemand, die Huet's kritiek niet kent. In hoeverre deze laatste meer of minder gelijk heeft dan de heer ter Braak, durf ik niet beslissen. Eindelijk over de verschillende soorten der gedichten van zijn landgenoot sprekende toont hij de juiste schoonheden daarvan aan, hoewel hij in nadere byzonderheden had moeten treden en ze duidelijker met regels dan met geheele gedichten ieder afzonderlijk had kunnen aanwijzen. De beschrijving, die de scriptor zelf geeft van Staring's Jaromir geeft komt mij als het best geslaagde deel zijner scriptie voor. Om het dus nog eens te zeggen: de wijze van behandeling is naar mijne meening, goed.
Laten wij nu zien hoe het gesteld is met de tweede zaak, waarop het in eene scriptie aankomt: met den stijl. Van zelf is hij te zeer éën met de gedachten, dan dat wij de gebreken die daarbij in het oog vallen ook niet in hem zouden opmerken. Zoo is dat ook hier. De algemeenheid van, de armoede soms aan gedachten heeft de scriptor soms, onbewust waarschijnlijk, trachten weg te nemen door het gebruiken van groote, wijdloopige woorden en volzinnen, die niet alleen den stijl bederven, maar ook den gang der verhandeling te schade komen, een enkele maal zelfs der waarheid afbreuk doen. Zoo heeft b.v. de fraaie bijbelsche uitdrukking de lier aan de wilgen hangen den scriptor verleid om haar op Vondel toe te passen, wat bepaald eene onwaarheid is, daar, zooals algemeen bekend is, Vondel tot aan zijn dood haar heeft doen weerklinken. Zoo is de
geachte scriptor soms tot de grootste ongerijmdheden gekomen door de aanhechting en opstapeling van de tegenstrijdigste beelden. Met een pennestreek past hij daardoor op ééne zaak vergelijkingen toe, uit zoo verschillend gebied, dat de vlugste verbeelding ze niet in eene gedachte vereenigen kan. De hoorder heeft geen tijd zich rekenschap te vragen, den lezer treffen gezegden als de volgende terstond: ‘de achttiende eeuw, zoo lezen wij in den aanvang, had met zijn wekelijken verwijfden geest den nekslag toegebracht aan...’ nu brengt een geest geen nekslag toe, tenzij in een spookhistorie, ten minste niet een weekelijke. Iets verder lezen wij: ‘Elk uitvloeisel van dweepzucht en van een ziekelijke levensopvatting werd verheerlijkt’ (hoewel het vreemd klinkt, kan het er misschien nog door)... ‘verheerlijkt, als er maar een' godzaligen toon in heerschte’, waarin ook weer? in een uitvloeisel! Opdat de geachte scriptor mij niet van ellendige of kleingeestige vitzucht beschuldige, zal ik hiermee niet voortgaan. De goede zijden van zijn werk zijn daarvoor ook te talrijk. Hij zal het mij zonder twijfel ten goede duiden, dat ik hem met deze voorbeelden de fouten, die mij in het oog zijn gevallen, aanwijs. Bovendien zijn zijne fouten zeer algemeen. Te recht is ergens gezegd: ‘Alleen de veldwinnende gewoonte om bij het vluchtig doorvliegen van boek en nieuwsblad niet meer na te denken heeft de schrijvers zoo slordig, den lezer zoo geduldig en lijdzaam gemaakt. Door verregaande onkunde van eigen taal maakt men, vooral in de spreektaal, het zotste en meest ondoordachte gebruik van groote woorden. Gebrek aan goeden smaak, aan eenvoudigheid, en juistheid van gedachten berokkent der taal de grootste schade. De schilderachtigste beelden en treffendste uitdrukkingen beginnen met ons niet meer te treffen, en eindigen met ons te vervelen. Het muziekstuk van den meester wordt tot kermisdreun verlaagd.’
En laat nu niemand zeggen dat dit er, misschien in 't geheel, zeker op ons dispuut, niet op aankomt. Want al is dit een storm in een glas water (want de zoo even genoemde fouten waren de grootste en er waren niet zeer vele meer van dien aard), waar zal het dan heen met onze schoone taal?
Er liggen schatten in hare kelders en ieder Nederlander heeft er recht op en kan er winst mee doen.
Daarbij, het is zoo gemakkelijk althans die grove fouten te vermijden. Wij behoeven volstrekt niet naar nieuwe beelden of vormen te zoeken, slechts enkelen is het gegeven om dan iets goeds te leveren.
Laten wij de oude maar gebruiken (de schrijver heeft op verscheidene plaatsen getoond dat hij het kon), als wij het maar spaarzaam doen.
Laten wij eenvoudig trachten te zijn in gedachten en vorm; geen lieren, die er niet zijn aan wilgen hangen, geen tonen laten heerschen in uitvloeisels enz, enz: Om nog eens de woorden van een ander te leenen: ‘Ik wil besluiten met een gedicht van Vondel, dien
ik voor mijn doel wel in zijn geheel zou kunnen aanhalen. Vossius 's dichters vriend, heeft in den dood van zijn veelbelovenden zoon, een ontzettend zwaar verlies geleden. Vondel spreekt hem toe’:
‘Deze eenvoudige regels bergen, evenals de bloemkelk de honing, het geneesmiddel voor vele kwalen.
Dat geneesmiddel heet: waarheid’.
F. Mathon h.t. praeses
H. Gorter.
De citaten waar Gorter de bron van verzwijgt, zijn uit het essay Over beeldspraak, te vinden in de postuum verschenen Letterkundige studiën van zijn vader (in de uitgave van 1877: blz. 285-6 en 290-1). Ook de zinsneden ‘vergelijkingen uit zoo verschillend gebied, dat... kan’ en ‘er liggen schatten in de kelders der Nederlandsche taal’ zijn aan deze bron ontleend. - (T: 7e al. noemen: Het; 9e al. byzonderheden; geeft van Staring's Jaromir geeft).
Werkvergadering, 26 Februari 1884. [...] De heer Gorter houdt vervolgens eene gemediteerde improvisatie over den oorlog met Atjeh.
Mijne Heeren! Het gezegde van Cromwell: ‘Vertrouwt op God en houdt Uw kruid droog’ is bekend genoeg en door talrijke schrijvers wordt het besproken. De een' lacht er om, de ander schrijft zijn voorspoed alleen aan het laatste gedeelte zijner vermaning toe, een derde (Carlisle) heeft de kracht van beide vermaningen bewezen. Maar van hoe grooten invloed het toepassen van dat zelfde voorschrift ook op onze geschiedenis is geweest, dat is nog slechts door een' enkelen schrijver aangetoond. En in onze historie is die regel toch nog opmerkelijker dan in die van andere volken. Want terwijl Olivier Cromwell en Gustaaf Adolf door de macht hunner persoonlijkheden hunne onderdanen tot die toepassing hebben gebracht, hebben onze voorvaderen zonder invloed van buiten dat
zèlve gedaan, met eene samenwerking van meerderen en minderen, en met een succes waarvan de Geschiedenis geen tweede voorbeeld kan aanwijzen.
Sneller toch dan de tegenwoordige Amerikaansche steden opkomen heeft Nederland zich na de vestiging van het Calvinisme in alle richtingen ontwikkeld. En, toen met het aanbreken der 18de eeuw de remonstranten revanche hebben genomen voor hunne verdrukking van een 60 jaar vroeger, heeft Nederland plotseling opgehouden mannen van den eersten rang voort te brengen: ‘Geen zeehelden meer, geen stededwingers, geen groote ministers, geen groote letterkundigen, geen enkel groot schilder, geen kolonieveroveraars’. - Nu zijn zonder twijfel talrijke andere redenen voor dit verschijnsel te vinden, maar even zeker is het breken van dien band, dien éénen godsdienst, een der voornaamste inwendige oorzaken van het verval der Republiek. Wat daar echter van zij, de zegeningen en de invloed van haren, ook in letterlijken zin gulden tijd, duren tot op den huidigen dag. En niet alleen op geestelijk gebied, in het karakter, in de taal, in den godsdienst van ons volk, maar ook en vooral op stoffelijk: in onzen handel, onze zeevaart, in het bezit onzer koloniën. Die laatste hebben der Republiek zelve niet alleen de grootste voordeelen aangebracht, zij zijn ook het nieuwe geweest, waardoor zij zich van hare voorgangsters onderscheidde. Want noch italiaansche, noch vlaamsche steden hadden zelfs tijdens haar hoogsten bloei kolonieën in andere werelddeelen bezeten: Amsterdam heeft Venetië, Brugge, Genua, Gent en Antwerpen verre overtroffen.
Het is nu mijn plan om U in korte trekken te schetsen hoe de jonge republiek het in zoo korten tijd in dat opzicht zoo ver heeft weten te brengen.
In de 15de en in het grootste gedeelte der 16de eeuw, strekken zich de handelswegen der Nederlanders niet verder uit dan tot de havens der Oostzee, die van Engeland, en de meest Noordelijke van Frankrijk. Eerst in 1612 heeft de Sultan van Turkije ons de vaart op zijne landen toegestaan; voor dien tijd ontvingen Holland en Zeeland zoowel de waren van den Levant als die van de kusten der Middellandsche zee over land, dat is over Tirol, Frankfort en Keulen. Eerst de val van Antwerpen in 1585 en de daarop gevolgde komst van vele Vlaamsche kooplieden naar de Noordelijke provinciën hebben deze laatsten in staat gesteld hunnen handel meer naar het Zuiden uit te breiden en gedurende twaalf jaren heeft die dan ook tusschen de Spaansche en Portugeesche havens en die van Holland en Zeeland gebloeid: Waarschijnlijk overdreef Walter Raleigh niet, toen hij zijne koningin aanried om krachtige maatregelen tot bescherming van den Engelschen handel te nemen en in eene memorie, die hij daarbij aanbood, het getal der Nederlandsche schepen, die jaarlijks naar Spanje en Portugal voeren op 2000 stelde. Toen dus in 1599 Spanje al die havens deed sluiten voor alle schepen onder Hollandsche vlag, waren de staten Generaal wel
genoodzaakt eene vloot uit te rusten, uit vrees dat de talrijke nu ledige handen door Engeland of Denemarken zouden worden gebruikt. Onmiddellijk voordeel heeft de uitrusting van die zeventig schepen niet gehad. Admiraal van der Does heeft zijnen last om alle Spaansche oorlogs- of koopvaardijschepen, waar hij maar kon op te zoeken, te bespringen en te veroveren slechts voor een klein gedeelte kunnen uitvoeren, maar toch is die expeditie om hare gevolgen de eerste belangrijke dagteekening in de geschiedenis van de Nederlanden als zeemogendheid.
Want niet alleen is dat de eerste oorlogsvloot geweest, waarmeê de Republiek zich op den Grooten Oceaan heeft vertoond, maar zij is gevolgd door die talrijke grootere of kleinere eskaders door enkele steden of door particulieren uitgerust, met die geimproviseerde admiralen aan het hoofd, welke de wereld hebben veroverd. Door Hollandsche en Zeeuwsche reeders en zeelieden werd zoo de oorlog die tot dusverre meest verdedigender wijs was gevoerd, nu ook op 's vijands eigen terrein gebracht. Gloeiende haat tegen de onderdrukkers van het nieuwe geloof, bewustzijn van eigen kracht, en begeerte naar winst of roem waren daarbij de voornaamste drijfveeren en zoo deze ons minder christelijk voorkomen, dan moeten wij bedenken, dat het calvinisme meer was een oud- dan een nieuw-testamentisch geloof, en dat wij een ander begrip van deugden hebben dan onze voorvaderen der zestiende en zeventiende eeuw.
De Staten Generaal beschouwden het als eene natuurlijke, geoorloofde, zelfs plichtmatige zaak, toen zij in 1599 den admiraal van der Hagen in zijn' kaapbrief de instructie gaven: ‘aan de Portugezen en Spanjaarden en aan de vazallen van den koning van Spanje te doen en te bewijzen alle hostiliteit door hunne schepen en middelen ter zee tee vernielen, te verdelgen en in den grond te schieten’. Als bevelhebber van drie schepen: de Zon, de Maan en de Ster ondernam deze van der Hagen de reis om de Zuid naar Java en was dus als zoodanig de derde die dat deed: In 1595 hadden Cornelis en Frederik de Houtman van Gouda eenige Amsterdamsche reeders bewogen tot het uitrusten van vier schepen, waarmee Cornelis in April van dat jaar het Marsdiep uitstevende. Hij bereikte Indië, maar werd door den tegenstand, dien hij daar ondervond genoodzaakt terug te keeren. In 1598 hadden dezelfde Amsterdammers weer eene vloot uitgezonden, die na even ongelukkigen afloop, nog voor zij het doel had bereikt, huiswaarts moest keeren.
Van der Hagen is beter geslaagd. Na eene voorspoedige reis landde hij op een der Molukken, op Ambon, maar zag zich daar onmiddellijk in een' hevigen strijd gewikkeld. Bijgestaan door een deel der inlandsche bevolking van het eiland, belegerde hij twee maanden lang de Portugeezen, die daar een sterk kasteel hadden, maar was dan genoodzaakt het beleg op te breken. Aan eene andere plaats der kust bouwde hij toen zelf een fort, versterkte het met
eenige zijner eigen kanonnen en en liet er een dertigtal zijner matrozen als bezetting achter. Met eene rijke lading specerijen keerde hij terug in het moederland. Daar volgden, toen eenmaal het eene schaap behouden over de brug was de andere snel: Reeds in 1601 vertrok Jacob van Heemskerk met eene vloot van 13 schepen, door Amsterdammers uitgerust. Op de hoogte van de Azorische eilanden stuit hij op een Spaansch smaldeel van 23 schepen, dat hem den weg verspert. Hij slaat er zich door heen en heeft nog juist den tijd een Hollandsch schip dat hem tegen komt te waarschuwen voor de achtergebleven Spanjaarden. Bevelhebber van dat schip was Olivier van Noort: met 4 vaartuigen had hij twee jaar geleden eene reis om de wereld ondernomen en keerde nu door de straat van Magelaan dwars door den Atlantischen Oceaan naar huis terug. Zijne drie reismakkers, van wie hij was afgedwaald brachten eene even rijke lading meê als hij: ongemunt goud uit Chili. -
Wij doen verkeerd indien wij ons deze mannen voorstellen als ruwe vermetele zeelieden, die tuk op winst hun leven wagen. Voor het grootste deel zijn ze jongelieden van goeden huize, onderwezen in goede scholen en daar dikwijls uitmuntend: zoo was Barentsz een wiskunstenaar van beteekenis, van der Haghen een goed astronoom, Gerrit de Veer, die de overwintering op Nova Zembla beschreef, een letterkundige. Maar al waren ze als Olivier van Noort, als Linschoten, als van den Kerkhove en zoo vele anderen werkelijk slechts pikbroeken, ruwe zeelui door geboorte en opvoeding, toch hebben ze zich in hun volgend leven tot in zekeren zin beschaafde mannen verheven. Zij hebben kennis gemaakt met tot dusverre onbekende volkeren, met vreemde zeden en gewoonten, zij hebben daden bedreven tot dusver nog niet gedaan, zij hebben aandoeningen en gewaarwordingen gekend, die geen van hun volk nog had ondervonden. Vandaar dat men in hunne logboeken en journalen beschrijvingen vindt, waarvoor de groote letterkundigen van hùnnen tijd zich niet zouden hebben behoeven te schamen en die in elke bloemlezing onzer letterkunde eene waardige plaats zouden innemen. Maar vandaar ook in hunne daden dikwijls nog eene ruwheid, waarover wij ons bij vergelijking met hunne woorden zouden moeten verbazen. -
Hoewel nu zulke ontzettende winsten als de reeders ook weer met Heemskerck's rijke lading hebben gemaakt, hen tot telkens grootere ondernemingen aandreven, begon men toch weldra te bespeuren, dat de afzonderlijke handel dien men op de Oost dreef, aanleiding gaf tot veel ongerief. Sommige schepen toch konden, wanneer zij aan eene handelplaats in Indië kwamen, geen vracht bekomen, omdat andere hun vooruit waren geweest, en de waren vóór hunne komst hadden opgekocht. In Indië joegen de verschillende koopers de prijzen tegen elkaar op: hier daarentegen waren die laag gedrukt, wanneer verscheidene Maatschappijen tegelijk verkochten. Bovendien begreep men dat er eene macht werd vereischt om den handel in O. Indië te vestigen en tegen den Portugees te bescher-
men. Daarom besloten de Staten in 1602 al de afzonderlijke Maatschappijen tot ééne algemeene te vereenigen, en aan die eene het voorrecht te geven, om gedurende 21 jaren alleen en uitsluitend handel te drijven op de Oost. Aan deze Compagnie, die door 60 Bewindhebberen, over 6 Kamers in de grootste handelssteden van Holland verdeeld, zou worden bestuurd, werd tevens het recht gegeven om met Indische volkeren verbonden te sluiten, om sterkten te bouwen en krijgsvolk te werven, alles op naam der Staten-Generaal. Want, al is de Oost-Indische Compagnie later vooral den particulieren en eerst daardoor den Staat voordeelig geworden, zoo moeten wij niet vergeten, dat deze laatste haar had opgericht. De staat had haar noodig om aan geld te komen, en daarom is zij ontstaan. Indië wordt nu nog wel eens de kurk genoemd, waarop het moederland drijft; als dat redmiddel toen niet bij de hand was geweest, de jonge Republiek ware zeker verloren geweest. Met de schatten van den Indischen handel hebben onze vaderen den oorlog hier te lande volgehouden, in de Indische zeeën hebben zij de Spaansche macht geknakt, die wateren zijn de school geweest waarin de zeelieden van de Engelsche oorlogen zijn gevormd.
Dat Spanjaarden en Portugeezen der O.I. Compagnie waren vóór geweest, dat is haar in veel opzichten tot groot voordeel geweest. Want ten eerste kon zij hun hier groote schade toebrengen en ten tweede kon zij zich door het zien der misslagen door hèn begaan, hiervan onthouden. Zìj heeft dus nooit getracht om Nederlandsche instellingen aan Javanen of Molukkers op te dringen. Proselieten der hervormde kerk heeft zij met al het calvinisme harer bestuurders nooit ernstig zoeken te maken. Haar eenig doel was handel te drijven en wel voordeeligen handel en daarvoor was niet noodig eene Indische Republiek in den trant der Nederlandsche, daartoe was veeleer het tegenovergestelde gewenscht. De compagnie wilde geene veroveringen maken, zij wilde invloed hebben op alle voornaamste plaatsen van den Archipel en van Voor-Indië met uitsluiting van alle andere Europeesche natiën. ‘Om de specerij-eilanden 't eenenmale vast te maken aan de Vereenigde Compagnie, zulks dat geen' andere natie van de wereld daarvan iets in handen valle dan ons’, zoo luidde de geheime lastbrief, aan Pieter Both, haren eersten Gouverneur-Generaal door de Compagnie gegeven.
De gevolgen hebben de deugdelijkheid van dit stelsel bewezen en met de acte van navigatie van Cromwell en het beschermingssysteem van Colbert is dit het derde bewijs geworden dat de protectionisten ter hunner verdediging aanvoeren. De toepassing heeft der Compagnie evenwel moeite en bloed genoeg gekost. Reeds meer dan 100 jaren waren de Portugeezen genesteld op bijna alle eilanden en hunne verdrijving heeft meer dan 50 jaren aan houdende inspanning vereischt. Hoe daarbij matrozen en soldaten zich van hun plicht hebben gekweten blijkt uit de volgende feiten: Toen de reeds bovengenoemde van der Hagen in 1605 voor
de tweede maal in Indië kwam, zette hij wederom koers naar het eiland Ambon. Daar hadden tijdens zijne afwezigheid de Portugeezen de Hollandsche bezetting verdreven en waren onder leiding van hunne onverschrokken Christuspredikers (Franciscus Xavier heeft op Ambon gepredikt) met het bekeeringswerk der inlanders voortgegaan. Krachtig verdedigden zij zich in hun van 80 kanonnen voorzien kasteel, maar vergeefs, met bebloede koppen moesten ze hun heil op de schepen zoeken. In strijd met de bevelen van hun' bevelhebber konden de Hollandsche matrozen zich niet weerhouden om aan de vier Roomsche kerken hun haat tegen het Katholicisme te koelen. Tot den grond haalden zij ze omver, en gebruikten beelden en altaren tot het dichten van de bresgeschoten muren.
Toen in 1601 de Portugeezen, de aanstaande komst van Hollandsche schepen vernomen hebbende, om hun landing te beletten, Bantam blokkeerden, verscheen er een smaldeel van Jacob v. Heemskerck's vloot onder Wolfert Hermansz in straat Soenda. Daar de Portugeesche admiraal Don Andrea Fortado Abendosa 22 kleinere vaartuigen en acht kapitale galjoenen van gemiddeld 500 last onder zijne bevelen had, zou niets natuurlijker zijn geweest dan de terugtocht der vijf vaartuigen van Hermansz (waarvan het grootste 250 lasten mat). Maar deze zag den toestand anders in. Hij begreep dat indien de Hollanders nu afdropen de Javanen zouden weten aan welken kant zich nu te houden, dat indien zij werden verslagen, dit hen toch zeer in de achting der eilanders zou doen rijzen, maar dat, indien zij overwonnen, de kans der Portugeezen op Java voor goed verkeken zou zijn. Hij belegt derhalve scheepsraad en dringt bij alle bevelhebbers en officieren aan hun plicht te doen en den last van de Compagnie tot het einde toe te volvoeren of daarbij te sterven. In alle geschiedboeken vindt men opgeteekend hoe deze hem hebben gehoorzaamd, hoe de geuzenliederen op psalmwijzen gezongen weerklonken van de 5 schepen die op den vijand inzeilden, hoe zeven dagen achtereen de kanonnen niet zwegen in Straat Soenda, hoe eindelijk de blokkade werd opgeheven, en hoe de Hollanders den eersten Januari 1602 ‘vriendelijk’ door de Bantammers werden ontvangen. -
Toen in 1625 zes groote Portugeesche schepen ter reede van Makassar lagen, nadert er van Batavia eene veel sterkere Hollandsche vloot. Om al hunne schepen voor zulk eene geringe taak in het vuur te brengen, dat achten de Hollandsche bevelhebbers echter beneden zich. Zij laten dus hun vloot op een afstand voor de ankers bijdraaien en vergenoegen zich met twee mindere vaartuigen: den Mars en de Breukelen af te zenden. Onder het oog en de stem der overigen laten deze met hun beide het portugeesche admiraalschip in de lucht springen, steken twee galjoenen in brand, dwingen er twee op strand te loopen en nemen het zesde als goede buit op sleeptouw meê.
Nu waren de moed en de zeemanschap der Portugeezen in die dagen spreekwoordelijk en heeft dus bij zulke feiten, zonder twijfel eenige omstandigheid den Hollanders voordeel gedaan. Misschien hadden zij verder dragende kanonnen, misschien waren hunne schepen vlugger te hanteeren, maar er blijft dan toch nog altijd iets over dat aan hen zelve moet worden toegeschreven. ‘Hun moed’, zoo oordeelt de Jonge hierover, ‘sproot voort uit een onbepaald zelfvertrouwen, en ging gepaard met een onvoorwaardelijk opkomen van den persoon voor zijne eigen zaak’. En werkelijk: admiraal van Dam, de Holl: opperbevelhebber kommandeerde hier zelf het jacht Mars, vice-admiraal Fruitman zelf de fluit Breukelen; en het was de laatste, die met de prijsgemaakte galjoen Nostra Señora di Remedio op sleeptouw, naar het gros der vloot terugkeerde.
Wat daar ook van zij, zulke daden hebben der Compagnie ook indirect groot voordeel gedaan: De inboorlingen begonnen haar te vreezen, verjoegen hare vijanden soms op eigen hand en onderwierpen zich aan de Hollanders. Dat was ten minste op Java en sommige Molukken het geval. Niet op Malakka, niet op Ceylon, niet op de kusten van Malabar en Koromandel. De inneming van Malakka door Willemsz Caartekoe in 1641 heeft voet voor voet moeten plaats hebben. Portugeezen en inboorlingen met elkander verbonden verdedigden zich met ongeloofelijke hardnekkigdheid. In den Portugees bevocht de Hollander den vereenigden vijand zijner negotie en zijner religie, de Portugees streed tegen den Hollander, als tegen den ketter en den indringer. Op de kust van Ceylon hebben zich bloediger tooneelen voorgedaan, dan in den tachtigjarigen oorlog hier te lande. ‘De strijd om Colombo en Koetsjin is eene epische worsteling geweest’.* - Op andere plaatsen verdreven de inlanders eerst de Portugeezen en verdedigden zich vervolgens tegen hun plaatsvervangers. Uitgeweken Bandaneezen hebben in bondgenootschap met andere stammen van de Molukken en van Celebes jaren lang een wanhopigen strijd volgehouden en aan beide zijden is eene somtijds bovenmenschelijke dapperheid ten toon gespreid: ‘De tochten van den gouverneur der Molukken Arnold de Vlaming tegen de Ambonezen, de zeeslagen van den toekomstigen gouverneur-generaal Speelman behooren tot de roemrijkste der Nederlandsch-Indische krijgsgeschiedenis’. De naam van den laatste wordt onder de hedendaagsche Makassaren nog met eerbied genoemd. De eerste heeft na zijne inneming van eene vesting op Ternate met eigen hand den inlandschen bevelhebber gedood, die kort te voren tot den moord op 180 Hollanders last had gegeven.
Hoofd- en mindere officieren en gemeenen hebben zich laten begraven onder het puin hunner wallen, zijn met verlies van meer dan de helft hunner krijgsmakkers langs naakte rotswanden ontoegankelijke kasteelen binnengedrongen; hebben de lont in het kruid
gestoken en hebben zich met hunne gewapende sloepen in de lucht doen vliegen.
En toch niettegenstaande al dat bloedvergieten is de eenige vrucht van blijvende waarde, die de Compagnie aan het moederland in den schoot heeft geworpen slechts één eiland, Java, geweest. Wel heeft zij zelve ook voordeel getrokken van de andere eilanden, maar nergens dan op Java heeft zij zich stelselmatig gevestigd of uitgebreid. Niet in Voor-Indië, niet op Malakka, niet op Sumatra, niet op Borneo of Celebes. Vandaar dan ook dat wij in deze eeuw van die bezittingen tot nog toe meer schade dan baten hebben gehad. - In het algemeen heeft de Compagnie nooit plannen tot kolonisatie gehad. Landverhuizing was nog niet noodig en dezelfde Nederlanders kwamen en gingen dikwijls eenige malen in hun leven van of naar Indië. Maar Java maakt hierop eenigermate eene uitzondering, en daarom wil ik hierop uwe aandacht nog even vestigen. Stelselmatig hebben de Hollanders zich daar uitgebreid, voet voor voet van het Westen naar het Oosten. Hier onttroonde de Compagnie een vorst, om zijn zoon of neef aan te stellen en dezen zoo voor goed aan zich te verplichten of onderhoorig te maken; Ginds plaatste zij den vorst van Mataran aan het hoofd der Bantammers, dien van Bantam over de bewoners van Mataran en uit het door die beroeringen troebele water haalde zij voor zich zelve de schoonste visschen op. Waar zij door verdeelen en heerschen haar doel niet kon bereiken, maakte zij van moord, list en verraad gebruik en zoo bemerkten de Javanen al spoedig dat de nieuwe meesters al bijna even erg waren als de oude en verkeerde de vreugde waarmee zij de bevrijding van de Javanen hadden begroet in rouw.
Toen de Hollanders zich voor het eerst op Java gingen vestigen, waren zij bijna slachtoffers geworden van een misverstand. Uit de reisbeschrijving van Jan Linschoten (hij was een der opvarenden van de eerste Hollandsche schepen, die in deze wateren verschenen), hadden zij gezien, dat Java nog geene Portugeesche nederzettingen telde en dat het tevens rijk was aan producten voor de Europeesche markten geschikt. Nu was het waar dat de Portugeezen daar geen kasteelen of faktorijen hadden, slechts een enkel kantoor, maar bij het vernemen van de aanstaande komst der Nederlanders, stuurden ze van Malakka eene vloot van 30 schepen ter blokkade van Bantam, waarvan, zooals wij gezien hebben, de vermetele daad van Wolfert Hermansz het gevolg was. Daarna zijn de Portugeezen zoo goed als verdwenen van Java en is dit binnen een tijdperk van een' kleine eeuw (van 1619-1710) langzamerhand Nederlandsch geworden: in dien zin ten minste Nederlandsch, dien de O.I. Compagnie aan dat woord hechtte. Drie verschillende worstelingen met de Inlandsche bevolking zijn het, die dat hebben bewerkt en wel ten eerste: de verdediging van Jakatra tegen den Mataramschen Sultan Ageng door Jan Pietersz. Coen in 1628 en 1629; ten tweede de oorlog van 1676 tegen Troe-
no Djojo, geëindigd met het hernemen van Mataran en het veroveren van geheel Midden-Java; ten derde de oorlog van 1705-1712 tegen Soerapati, die Midden-Java in opstand bracht maar met het verlies zoowel hiervan als van den geheelen Oosthoek zijn misslag moest boeten. Het zou voor dit bestek een te lang werk zijn om deze drie oorlogen afzonderlijk te bespreken. Het verhaal van de vestiging te Jakatra, vanwaar dan toch ook de geheele onderwerping is begonnen zal voldoende wezen. Voordat ik echter daartoe overga, moet ik eerst het een en ander zeggen ter verdediging en verontschuldiging van het schijnbaar zoo wreede en afschuwelijke gedrag onzer vlootvoogden, dat u ook reeds in de vorige episodes zoo zal zijn voorgekomen en dat zich hier op Java telkens heeft herhaald. - Er worden door de verschillende geschiedschrijvers, die de middeleeuwen behandelen nog al eens staaltjes bijgebracht van de wreedheden en gruwelen door vorsten edelen en minderen bedreven: de moordaanslagen van Hoeken en Kabeljauwen en andere partijen onderling, de onderdrukkingen der lijfeigenen door de edelen zijn in onze geschiedenis bekend genoeg, maar geen dezer kan nog halen bij sommige voorbeelden van wreedheid, die wij van Javaansche hoofden in de oud-Hollandsche reisjournalen of Regeeringsverslagen vinden. Indien zij eene overwinning behalen op de troepen der Compagnie richten zij eene hekatombe van gevangen gemaakte vijanden, indien zij eene nederlaag ondergaan, eene van eigen onderdanen op. Eigen kinderen en vrouwen werden bij de kleinste overtreding gedood, onderdanen in dat geval omgebracht na martelingen, die de Hollandsche kapiteinen anders voor geen kleintje vervaard niet durfden opteekenen. In het eind der zeventiende eeuw verbande de Compagnie een' ouden sultan van Mataran naar Ceylon en aandoenlijk is de smart van den grijsaard nu hij zijn dierbaar Java verlaten moet. Ik schrijf het verhaal van een der Hollandsche bevelhebbers over om haar naar behooren uit te drukken: hij verzocht de gunst van de regeering, ten einde weder naar Java's oostkust te mogen keeren, en zich daar of elders, naar het Haar Edele zou behagen onder Compagnie's bescherming neder te zetten en stil te houden, zonder ooit tot de Mataramsche kroon weer te aspireeren en dat hij zulks met allen ernst verzocht, doch dat bijaldien Haar Edele daarin niet geliefde te treden hem dan mocht worden toegestaan zich met zijne familie en stiefmoeder naar de Preangersche landen te begeven om aldaar in Compagnie's land zijnde, in alle stilte zijn verblijf te nemen en te houden met zaaien en planten'. Maar alle aandoening waarmee wij dit lezen houdt op en wij geven der Compagnie gelijk, nu wij ook weten dat de oude huichelaar door bedrog Engelschen en Franschen, Balineezen en Makassaren tegen ons had opgezet, dat hij om aan het bestuur te geraken zijn' vader en broeder had vermoord, en zijne dochter om haren ontdekten minnehandel met een slaaf door hare eigen broeders had laten worgen. Van den vader van dezen Anom zal ik niets meer vermelden dan dat hij bij
dezen zoon vergeleken een monster was en dat aan hem zeer vele Javaansche vorsten gelijk waren, zoodat Veth volkomen gelijk heeft als hij dùs over hen oordeelt: Er is niet veel te betreuren aan den val der heerschappij van willekeurige tirannen, die het bloed hunner onderdanen als water deden stroomen en voor wier vuige begeerten de vrouwen en dochters van edelen noch geringeren veilig waren.
Doch om tot Coen terug te keeren: hij is de echte type van den Nederlandschen veroveraar uit de xvii eeuw. Dapper tot vermetelheid, godsdienstig tot fanatisme is zijn wil bij al zijne daden onweerstaanbaar geweest en ging hij daarin volgens een vasten stelregel te werk, dien hij aldus aan de Bewindhebbers der Compagnie heeft blootgelegd: ‘De handel moet in Indië gedreven en gemainteneerd worden onder beschutting en faveur van Uw' eigen wapenen; en de wapenen moeten gevoerd worden van de profijten die met den handel zijn verkregen. In dier voege dat de handel zonder den oorlog, noch de oorlog zonder den handel niet gemainteneerd kan worden’. Evenmin als een andere Hollander had hij het overigens ook hersenschimmige plan om Java te koloniseeren. Hij wenschte een goed leger, doch zoo weinig mogelijk oorlog, een' groote vloot en winstgevenden handel. Om het leger in orde te houden en den Javaan geen aanstoot te doen geven, wilde hij hier en daar op de eilanden eenige voorbeeldige Nederlandsche gezinnen vestigen om ‘tot pilaren en voorgangers’ te dienen zooals hij zelf het uitdrukt. Zooveel mogelijk moesten soldaten en matrozen om diezelfde reden vrouwen en dochters medebrengen. - Maar eerst in Balavia heeft hij zijn ideaal om op Java ten minste een geregelden toestand te brengen eeniger mate kunnen verwezenlijken. Jakatra heeft hem nog last genoeg gegeven. Reeds hadden de Hollanders daar een stuk lands in eigendom gehad, van den Sultan eerlijk gekocht. Toen zij er zich bevestigden, werden zij evenwel door de Javanen belegerd, die tevens door de Bantammers werden ondersteund. Maar in 1619 kwam er hulp. Den 10den Mei van dat jaar roeide een sloep met twee raden van Indië aan boord de Tji Liwong (de rivier van Jakatra) op om de komst van Koen te verkondigen en weinige dagen daarna verscheen hij zelf met 16 schepen op de kust. Den dertigsten stelde zich de dappere bevelhebber met het rapier in de vuist aan het hoofd van een 1000tal strijdbare mannen brak met vliegende vaandels en schallende trom door al de verdedigingswerken des vijands heen, dreef de Javanen als kaf voor den wind op de vlucht en legde de geheele stad in de asch. Toen de avond viel had Jakatra opgehouden te bestaan. Maar als Batavia rees het uit zijn asch en daaraan heeft Coen zijne beste krachten besteed: In 1628 reeds was het aantal burgers voldoende om eene schutterij van 2800 man onder de wapenen te brengen. Er was een kasteel negen maal grooter dan het jakatraansch fort was geweest. Er was een notaris, een stadhuis met burgerlijken stand, er waren kerken en predikanten, doktoren en
hospitalen, er was politie en een schout, er werd een rechtbank van schepenen gevonden. Op zedelijkheid werd een uiterst gestreng toezicht gehouden. ‘Op de viezevaze der minnerschap’, zooals Koen zelf het uitdrukt, stond de dood. Zóó richtte hij zijn' stad in en door die inrichting is het hem gelukt vasten voet op Java te houden, ook toen in 1628 en 1629 de groote legers van den Sultan van Mantaran naderden om de Hollanders van Java af te dringen. Daardoor is het zijnen opvolgers mogelijk geworden het Hollandsche gezag over geheel Java uit te breiden en is de stichting van Batavia eene dagteekening geworden in onze geschiedenis. Hoe die uitbreiding verder is toegegaan kan ik hier niet meer beschrijven, het meeste daarover kan men vinden opgeteekend in Veth's Java en de Jonge's opkomst van het Nederlandsche Zeewezen, die ik voor deze scriptie ook telkens heb geraadpleegd. Mijn doel is geweest u die mannen te laten zien aan wie wij het meest te danken hebben, dìe watergeuzen, die de vrijheid van den Nederlandschen staat hebben duurzaam gemaakt tot op dezen dag. Achter zich hadden zij hollandsche en Zeeuwsche kapitalisten en kooplieden, vol baatzucht en tuk op winst. Maar aan hùn moed, aan hùn ondernemingsgeest en aan hùn plichtbetrachting hebben wij het bestaan van ons volk nòg te danken.
F. Mathon h.t. praeses
Dixi H Gorter
De bronnen, door Gorter genoemd, zijn: P.J. Veth, Java, geografisch, ethnologisch, historisch, drie deelen met register, Haarlem, 1875-1884; en J.C. de Jonge, Geschiedenis van het Nederlandsche zeewezen, zes deelen (10 banden), 's-Gravenhage-A'dam, 1833-1848. Van dit laatste verscheen een tweede druk te Haarlem, in vijf delen. Het werk van Veth bevond zich in de schoolbibliotheek van het Amsterdams gymnasium, als geschenk van de leerlingenvereniging dvs (bron: q, pa 260, 198). De stijl van Gorters oratie komt opvallend overeen met het werk van de Jonge. Bij een terloops onderzoek vond ik echter geen citaten. Daarentegen wordt er herhaaldelijk geciteerd uit Het land van Rembrand, van Conrad Busken Huet, die echter niet als bron genoemd wordt. Er zijn passages gelicht uit hoofdstuk 17 van deel i en uit de hoofdstukken 3, 5, 10, 12, 16 en 17 van deel ii. Zo o.a. de zinsnede: ‘Hun moed’, zoo oordeelt de Jonge hierover, ‘sproot voort uit...’ etc. De vele, voor de betrokkenen zelf vaak te vele dispuutsscripties en -oraties waren niet zelden samengeflanst uit overgeschreven passages, waarbij de scriptor kritiekloos de opvattingen van de zegsman tot de zijne maakte; zoals hier de jongetjesmentaliteit die uit de nationalistische cowboyverhalen spreekt. In de 19de eeuw voelden ook weldenkende volwassenen hun eigen stoerheid vaak wat duidelijker, als het ‘roemrijk verleden’ hun in herinnering werd gebracht. - (T: al. 1 kruid; Carliste; 4 staten Generaal; 5 geimproviseerde; 't eenenmale; 16 kruid; 19 Koen; 20 Koen; de Jonge's opkomst. - Voorts bij adjectieven van geografische namen vaak geen hoofdletter, bijv. italiaansche; en vijf maal een hoofdletter na dubbele punt).
Mijne Heeren, Het noodlot, of, juister gezegd, de slechte inrichting van den Rooster van Unica, geeft mij thans weder eene scriptie te critiseeren van denzelfden schrijver, wiens oratie ik reeds het genoegen had schriftelijk in Uw midden te beoordeelen. Nu daarlatende dat het vervelend is tweemaal eene pennevrucht van denzelfde onder de oogen te krijgen, moet ik toch opmerken dat het m.i. beter en nuttiger zoude zijn geweest, wanneer men mij eene scriptie van een der andere leden hadde toevertrouwd. Dat de heer Gorter mij deze uitdrukking niet ten kwade duide, want zijn werk is der bespreking alleszins waard; maar ook hij-zelf critiseert gewis liever twee werkzaamheden van verschillende schrijvers dan tweemaal den arbeid van denzelfde.
Dan, laat ons ter zake komen. Deze scriptie van de heer Gorter bevestigt mij, evenals zijne oratie, wederom in mijne meening omtrent zijne persoon: dat nl. de geachte scripticus van hedenavond wel is iemand van groote kennis en geleerdheid, maar dat hij eenigermate de gave mist om, wat hij weet, in eenen, vooral voor schriftelijke werkzaamheden zoozeer gewenschten, onderhoudenden vorm mede te deelen. Den heer Gorter ontbreekt die zekere zoetvloeiendheid, die aangename zwier, die wij zoo gaarne in oraties en scripties zien tentoongespreid. Wel verre echter van den heer Gorter van dit gemis een verwijt te maken - immers ik geloof dat zulke zaken meer aangeboren eigenschappen zijn - meen ik toch dat het voor een groot gedeelte ook voortspruit uit eenen grooten afkeer van gezwollenheid, die echter weleens - ik heb hier meer het oog op de oratie - tot platheid van voorstelling en beelden aanleiding geeft. De heer Gorter toont eene groote mate van onafhankelijkheid te bezitten, of althans te willen bezitten, niet aan den leidband van vormen en tradities te willen loopen, kortom, een oorspronkelijk man te willen zijn: - zeker een edel streven in onze verwarde maatschappij, en zeker het beste standpunt voor den geleerde, vooral voor den aanstaanden philoloog; de heer Gorter bedenke echter dat ook dit stelsel, evenals alle andere, zijne keerzijde heeft, en dat afkeer van vormen - hier heb ik de voor mij liggende scriptie op het oog - weleens in totale afwezigheid van vormen, en dus in verwarring overgaat. Mocht ook deze uitdrukking weder te sterk zijn, in mindere mate is dan toch wat ik ermede bedoel het hoofdbezwaar, dat ik tegen deze scriptie heb. Doch laat ik haar geregeld en in de traditioneele opvolging van punten beschouwen.
Vooreerst dan is is de keuze van het onderwerp allezins te prijzen en zeer gelukkig. Wij hebben alle op school geleerd de aardrijkskunde van Nederland zoowel als van zijne ‘Overzeesche Bezittingen’; maar, hoe wij aan die kolonieën komen, wordt, voor zoover ik weet, in geen schoolboek eenigszins uitvoerig en omstandig verhaald, en toch is het zoo interessant onze helden uit de 16de en 17de eeuw ook eens in een ander waerelddeel en in andere wateren dan de Engelsche te zien optreden. Er heerscht, vooral tegenwoor-
dig, in ons land een soort van lamlendigen geest, die zich openbaart in zich te schamen voor alles wat Hollandsch is. Wij Hollanders staan er voor bekend van veel werk te maken van vreemde talen, en bv. de Fransche ‘grammaire’ beter te kennen dan menig Franschman; welnu, op zich-zelf zal niemand dat laken, maar tegenwoordig staat het deftig om steeds eene andere taal te spreken: in Rotterdam hoort men niets dan Engelsch, in den Haag niets dan Fransch, in Amsterdam niets dan Duitsch onder de gegoede burgers, - de ontwikkelde jonge dames schrijven keurige Engelsche en Fransche briefjes, maar schamen zich niet bij gelegenheid de grofste Hollandsche fouten te maken, - kortom, lees in een van Beets' laatste werken het ‘Gesprek met mijnen vriend Querulus over de Hollandsche taal’, en overtuig u daar van de gegrondheid mijner klacht. Maar ook op ander gebied openbaart zich diezelfde geest: het staat ‘chic’ in de stad zijner inwoning te doen of men den weg niet kent, den vreemdeling uit te hangen, - men weet heel wat, aardigs vooral, te vertellen van de Fransche koningen, zelfs van de nichtjes van Kardinaal Mazarin, maar kent niet de Hollandsche graven en weet niet hoe de Transvaal ontstaan is. En nu weet men, tenminste behoudens weinige uitzonderingen, wel dat het dit jaar 3 eeuwen geleden zal zijn dat Prins Willem i werd doodgeschoten, maar een overzicht van de vestiging der Hollanders in Indië behoort bij ons stellig niet tot de geschiedkundige alledaagschheden. Dat nu voelt de heer Gorter klaarblijkelijk met mij, getuige zijne behandeling voor eenigen tijd van den ook al niet precies bij iedereen bekenden oorlog met Atjeh; hiervoor dus en voor de keuze van 't onderwerp van hedenavond zij den scripticus een warm woord van dubbelen dank toegebracht! Wat echter de behandeling van zulk een schoon onderwerp betreft, ziehier mijn hoofdbezwaar tegen deze scriptie: de heer Gorter heeft weliswaar enkele beschouwingen geleverd, maar toch m.i. teveel feiten opgenoemd, waaraan men op een literarisch dispuut deels te weinig waarde hecht, en die men deels te spoedig weer vergeet. Hadde de geachte scripticus uitvoeriger den tocht van van der Hagen bv. of van Jan Pieterszoon Coen ons beschreven, en daaraan als 't ware terloops enkele beknopte historische feiten toegevoegd, zijne werkzaamheid zou dunkt mij beter geslaagd zijn dan thans het geval is: van eene eenigszins verwarde en haastige opsomming van feiten is de schrijver hier en daar niet vrij te pleiten. Ik geve deze meening voor beter; zij vloeit voort uit mijne, misschien wel wat al te subjectieve beschouwing van de oraties en scripties op Unica: hoofdzaak, ja, ik zou haast zeggen éénige quaesties van gewicht, zijn dunkt mij daarbij: 1e stijl, 2e keuze en behandeling van 't onderwerp, en alle andere quaesties, van historische bijzonderheden en juistheden, van uitstalling van geleerdheid en kennis, enz., verzinken dan daarbij in het niet, schoon eene geleidelijke samenvoeging van beide, van het ‘utile’ en het ‘dulce’, zeker niet anders kan dienen dan om de waarde der werkzaamheid te verhoogen, welk talent
van samenvoeging wij in den Heer van Gelder zoozeer bewonderden. Uit dezelfde meening vloeit voort dat eene kritiek dan niet moet zijn eene napluizerij van onnauwkeurigheden, maar eene opening van algemeene gezichtspunten, waaruit de criticus meent dat men het werk moet beoordeelen, eene aanwijzing, een hulp dus voor de toehoorders in hunne critiek, waarom dan ook de geschrevene critiek steeds vóór de mondelinge komt en moet komen. Een derde uitvloeisel mijner meening is dat eene critiek niet te lang mag zijn, ten einde den indruk der werkzaamheid niet te neutraliseeren, - en dat dus ook ik aan mijn gebabbel een einde moet maken. De stijl loopt over 't algemeen goed af, en taalfouten of dergelijke onnauwkeurigheden zijn, naar ik meen mij te herinneren, in de scriptie niet aanwezig. Over 't algemeen maakt ze op mij den indruk van ietwat te vluchtig (o.a. niet eerst in klad) geschreven te zijn; ik, zooals ik hier aan mijne schrijftafel zit, geloof echter dat de werkzaamheid met voorlezen zal winnen, en meer zal voldoen dan wanneer men haar leest. Den heer Gorter zij verder door mijne critiek de hulde voor het vele goede zijner scriptie en den dank voor de genomen moeite toegebracht!
F. Mathon h.t. praeses
Ik heb gezegd J. Lod. Gunning
(T: al. 3 is is; allezins; kolonieën).
| Lotingsnummer: | 2447 |
| Naam: | herman gorter |
| Geboorteplaats: | Wormerveer, Provincie |
| N-H | |
| Geboortedag: | 27 Nov. 1864 |
| Woonplaats: | Amsterdam |
| Ouders: | Simon (overleden) |
| Lugt, Johanna Catharina | |
| Woonplaats vader, moeder of voogd: | Amsterdam |
| Beroep: | Gymnasiast |
| Maat en signalement van den Loteling: | 1657 millimeters |
| aangezigt: | ovaal |
| voorhoofd: | hoog |
| oogen: | bruin |
| neus: | gewoon |
| mond: | idem |
| kin: | rond |
| haar: | blond |
| wenkbrauwen: | idem |
| merkbare teekenen: | voorhoofd |
| Redenen vrijstelling: | ligchaams gebrek |
| Dag uitspraak: | 19 Mrt '84 |
| Reden: | vrijgesteld |

Herman Gorter, circa 1884.
Zoo vrijstelling wegens ziekelijke gesteldheid of gebreken is verleend, waaronder de ziekte of het gebrek in het regelement op het geneeskundig onderzoek voorkomt:
190, a
Aanmerkingen: nb. In deze kolom worden ten aanzien van den ingelijfde gedurende zijnen diensttijd voorgevallen mutatien aangeteekend:
4232-90
De eigenlijke keuring zal ongeveer een jaar eerder hebben plaatsgehad, gezien de opgave onder Beroep. De gemiddelde lengte van de keurlingen bedroeg 1 m. 65, volgens een gegeven uit 1865. Volgens 1865:2 en 3, en 1890:48 (commentaar) waren Gorters ogen blauw. Reden 190a voor vrijstelling zal een door mij niet achterhaalde variant zijn geweest van 190: ‘kramp der luchtpijpstakken met kortademigheid (asthma periodicum)’. Mutatie 4232-90 betrof de op 3 juli 1890 afgegeven, want voor Gorters huwelijksvoltrekking vereiste verklaring dat hij destijds was vrijgesteld. - (T: 27 Nov. lees 26 Nov.; regelement; mutatien).
Defendens: H Gorter Het verval der Nederlandsche Republiek was te voorzien ook tijdens haren grootsten bloei. - Dubia bene soluta: 7 voor, o tegen, blanco 2
Het verdedigen van een (waarschijnlijk zelf geformuleerde) stelling behoorde tot de incidentele verplichtingen van de werkende leden.
Mijne Heeren! Zoolang het grootste deel onzer volksvertegen-woordiging nog het Mr voor zijn naam voert en daarmee zijn klassieke opvoeding bewijst, zal er nog wel geen vrees bestaan dat de studie van het Latijn en Grieksch tot de litteratoren alleen zal beperkt worden. Als rechtschapen leden van Unica zult gij U voorzeker met mij verheugen, dat de H.B. school ten minste vooreerst nog niet de alleen-zaligmakende zal worden, dat nog niet alle jonge Nederlanders op hun achttiende jaar in een 20tal uiteenliggende vakken van wetenschap specialiteiten zullen zijn.
((Ik, dien dit persoonlijk raakt, verheug mij))
De oratie, die wij zoo even van den Heer ter Braak hebben aangehoord heeft mijne vreugde daarover nog vergroot, ja ik moet zeggen heeft mij in een enkel opzicht bovendien nog gerust gesteld. Ge moet weten M.H. dat, hoewel ik zeker geloof aan de beschavende kracht van Grieksch en Latijn, mij toch wel eens de bange twijfel heeft bekropen of toch wel al die jongelieden, die jaarlijks de banken der Gymnasia bezetten, die kracht zouden ondervinden: er wordt door zoovelen volkomen het tegendeel beweerd. En nu zijn degenen, die dat doen, de schrijvers van courantenartikelen en brochures, wel van den Gymnasia vijandige H.B. Scholen afkomstig en dus partijdig, maar toch het wordt iemand bij al dat geschreeuw wel eens bang om het hart. Vooral, als het zijn toekomst van zoo nabij raakt als dit de mijne doet.
Gij begrijpt hoe dankbaar ik den orator zijn moet.
Daar treedt mij iemand dien ik altijd voor een der braafst-prozaïsche menschen heb gehouden achter dezen katheder, en spreekt eene loftuiting uit op een dichter, een Grieksch dichter, een dichter, dien de orator op het Amsterdamsch gymnasium heeft leeren kennen.
En hij doet dit met vuur, hij doet het hoogdravend, hij begrijpt de schoonheid van wat hij gelezen heeft, hij heeft onder de eenvoudige, onbewuste woorden van zijn dichter den geschiedschrijver, den wetgever, den menschenkenner, den wijsgeer ontdekt. Vindt iemand dit niet voldoende om mijne dankbaarheid aan den orator te verklaren, zegt iemand dat ook zonder Latijn en Grieksch dit inzicht, dit schoonheidsgevoel kan ontstaan, dat voor een aanstaand rechtsgeleerde andere zaken belangwekkend moeten zijn, welnu er is meer.
De heer ter Braak heeft uit zijne klassieken uit Homerus zijn dichter niet alleen liefde voor poëzie en wijsbegeerte gekregen, hij heeft lessen geleerd in staathuishoudkunde in land en volkenkunde, in de geschiedenis van de ontwikkeling der menschheid. Tevens ziet hij in dat zijn dichter deze lessen niet in zijne verzen heeft gelegd, dat de Ilias geen handboek voor bovengenoemde vakken is. Maar het staat hem vrij uit de volkomen afbeelding van een tijdvak te kiezen wat hij wil en zich daarmee zooveel voordeel te doen als hij kan. En dat inderdaad maakt de grootte van Homerus hij geeft in zijn boek het algemeene het eeuwige dat onder alle menschengeslachten blijft, de bron van alle wetenschappen schuilt in zijne werken; daardoor zijn Ilias en Odyssee de eerste onder de weinige boeken, die volgens het schoone gezegde van St-Beuve worden meegevoerd op den stroom der tijden tot de verste kust waar menschen zullen wonen.
Ik weet wel M.H. dat dit geen critiek van 's heeren ter Braak's oratie is en het spijt mij dat ik haar ook nu niet geven kan. Wel heb ik zijne oratie gelezen, maar ook niet meer dan één maal. De tijd ontbrak mij, eerst Dinsdag middag ontving ik haar. Die ééne lezing was evenwel voldoende om mij verscheidene groote fouten te laten zien; gij zelve zult ze na enkel luisteren reeds hebben opgemerkt. Afziende van het bezwaar, dat deze titel: ‘De Homerische toestanden’ den inhoud der oratie niet weergeeft, geloof ik dat geen enkele titel dit doen zou. De inhoud is een vreemd mengelmoes van geschiedenis, filosofie enz, enz: Na driemaal herhaalde lezing geloof ik niet dat ik de verschillende deelen behoorlijk en beter dan ik nu heb gedaan (of liever niet gedaan) zou hebben gescheiden. De stijl is dikwijls opgeschroefd, en onnatuurlijk, bovendien eenige malen zeer verward Maar al waren deze fouten 10 maal zo groot, al gevoelt de geachte orator slechts een 10de van de liefde en bewondering, die hij uitdrukt, ik blijf hem om bovengenoemde redenen toch dankbaar
F. Mathon h.t. praeses
H Gorter
Mijne Heeren! De laatste woorden van den Heer Gunning, die in eene scriptie van een ander misschien eenigermate vreemd zouden klinken zijn karakteristiek. Niet alleen zijn ze dit voor zijn persoon om de hartelijkheid en goedigheid, waarmee hij ze heeft geuit, maar tevens, en dit komt mij hier te pas voor deze zijne laatste werkzaamheid. Zij behooren toch volstrekt niet bij het onderwerp, dat hij zich gekozen had [zij behelsden nl. een heilwens voor Unica; Gunning nam afscheid als werkend lid]. - Dit onderwerp was, de titel zegt het: Ada van Holland: En nu worden wij, nadat wij ons er toe gezet hadden om òf eene romantisch verhaal, of een flink stuk geschiedenis, in allen gevalle iets over Ada van Holland te hooren, onthaald eerst op eene beschouwing over Busken-Huet, daarna op een koddig verhaal eener bedriegerij, vervolgens op eene historische beschouwing waarvan meer van Loon en de Graaf van Holland dan Ada de voorwerpen zijn, eindelijk op de opsomming van eenige letterkundige producten, waaraan zij haar naam heeft gegeven, ten laatste op een zegewensch.
Ik beweer volstrekt niet dat ieder van de onderdeelen dezer scriptie afkeuring verdient: integendeel behalve het laatste, dat wij allen zeker dankbaar aannemen, verdient het eenvoudig geschreven stuk geschiedenis dat tevens de grootste ruimte inneemt (van blz. 7-18) een woord van lof.
Had de heer Gunning de voor- en toevoegsels weggelaten en den naam zijner scriptie veranderd, zeker hadden wij, nu hij ons zijne laatste werkzaamheid leverde, grooter verlies gevoeld. Door de kortheid en afgebrokenheid der zinnen, door het goede verband tevens herinnert het hier en daar aan eenige meesterlijke bladzijden uit de Zeventien Nederlanden van Witkamp.
Het spreekt van zelf dat ik over de meerdere of mindere juistheid van scriptor's beweringen niet oordeelen kan. Kon ik dit, ik zou het slechts doen over dat deel van zijn werk, dat het onderwerp der scriptie behandelt. Ik zou mij dus niet begeven in een dispuut over de grootheid of over de genialiteit van den koning onzer kritici; evenmin zou ik tusschen Adrianus Kluit en Balthazar Huydecoper trachten uitspraak te doen, allerminst zou ik de opvattingen onzer verschillende letterkundigen vergelijken.
Maar wat ik wel zou doen - en ìk heb meer recht daartoe, omdat aan deze korte en onberedeneerde kritiek toch weinig te bederven valt-wat ik dus doe bij dezen is dit:
Ik zeg den heer Gunning dank voor de hartelijke woorden waarmee hij zijne laatste werkzaamheid eindigde: zij zijn een schets van zijn karakter en tevens van de gevoelens die hem jegens al zijne medeleden bezielden. Wij hopen hem nog dikwijls in ons midden te zien.
F. Mathon h.t. praeses
Dixi H. Gorter
Met ‘de koning onzer kritici’ wordt Busken Huet bedoeld. Deze omschrijving had Gunning niet gebruikt. Toch is het mogelijk dat Gorter hier citeert. Hij zou dan blijk
geven, de recensie in het weekblad De Amsterdammer van 17 juli 1881 gelezen en ter harte genomen te hebben, waarin Kloos Huet geëerd had met deze omschrijving. De recensie zelf gold de dichtbundel van een jongere, ene J. Knoppers. - (T: al. 1 Holland: En; eene romantisch verhaal; Busken-Huet).
Buitengewone vergadering, Juni 1884 [...] Bij de stemming voor een nieuwen praeses werd de heer Molster met 9 stemmen gekozen, terwijl de heer Gorter een stem verwierf.
Nog altijd zie ik hem voor mij, zooals hij door Diepenbrock bij mij gebracht werd in de aardige benedenkamers, die ik toen op de Prinsegracht bewoonde. Het was een zonnige dag in den vroegen zomer van vier-en-tachtig, met veel hoogen wind. Zij hadden gewandeld ‘het Kalfje’ om, en de Utrechtsezij naar mij toe. [...]
Hij rook naar hooi en Noord-Westen-wind. Hij bood zijn hand open aan te gelijk met zijn vriendschap en omklemde met een warme koelte je toegestoken rechter. Het scheen of hij altijd iets wegschonk, altijd iets wilde meedeelen, altijd iets geven wat hem zelf dierbaar was.
Aegidius W. Timmerman (1858-1944) studeerde sinds 1878 klassieke letteren in Amsterdam. Over zijn jeugd en over de vele Tachtigers met wie hij bekend en in vele gevallen bevriend was, vertelt hij op onderhoudende wijze in Tim's herinneringen (A'dam 1938, laatstelijk herdrukt in 1983). Eerder had hij een sleutelroman geschreven, Leo en Gerda ('s-Gravenhage 1911), waarin ook Gorter voorkomt (als ‘Hugo’, voornamelijk in hoofdstuk 3). Timmerman is verder bekend gebleven om zijn zeer leesbare metrische vertalingen van de Ilias en de Odyssee. Vele oudleerlingen hebben de pittoreske gymnasiumleraar in dankbare herinnering gehouden (zo Josine W.L. Meyer in Tirade 1959, nr 28, p. 129-134, en Jeanne van Schaik-Willing in Ondanks alles (A'dam 1955).
In het Malieveld te 's-Gravenhage heeft in de afgeloopen week de Nationale Cricket-Wedstrijd plaats gehad, welke door den Bond was uitgeschreven. [Volgt een uitvoerig verslag van de eerste wedstrijd, Run tegen de Delftsche Cricket Club, door Run gewonnen, en een scoringslijst] Met het oog op deze scoringslijst moet men een woord van lof toezwaaien aan den heer P. Schroot, als topscorer der d.c.c., en aan de heeren Blijdenstein en Gorter voor hun uitmuntend bowlen. [...] Captains waren de heeren Gorter en de Lint.
[...]
Dinsdag [= 26 aug.] speelde ‘Olympia’ uit den Haag tegen ‘Run’ uit Amsterdam. [...] ‘Run’ hield zich, zooals reeds eerder gezegd is, zeer goed, en het is zeker wel de moeite waard te wijzen op de groote tact, die de captain, de hr. Gorter, toonde in het plaatsen zijner fielders en de keuze der bowlers, zodat r.u.n. dan ook met 1 inning, en... runs won.
[Tegen hcc, den Haag, verloor Run evenwel op 27 augustus, zodat het de tweede prijs kreeg].
[Naar aanleiding van de Bondswedstrijden in augustus 1884] Het costuum van de cricketers was in die dagen soms zonderling. De spelers van r.u.n. droegen n.l. blauw- en witgestreepte tricots, een korte witte broek en blauwe kousen.
Op 28 september 1884 was Gorter aanwezig op de eerste jaarvergadering van de Nederlandse Cricket Bond, die gehouden werd te Utrecht.
universiteit van amsterdam
Faculteit der Letteren en Wijsbegeerte
hh. studenten, die de lessen verlangen te volgen van Professor
Spruyt
over Psychologie
in het jaar 1884-1885 (eerste halfjaar) worden uitgenoodigd hunne namen hieronder te plaatsen.
P. Siegers - J. Brouwer - H. Gorter - F.W. Fledderus - U.J. Heerma van Voss - B.H. d'Auzon - F.J.A.M. Wierdels - Y.H. Rogge - C.A. Verrijn Stuart - W. de Vries - ((A. Dorbeck)) - H.J. Tasman - I.J. van den Berg - J. van Schevichaven - A.L.S. Mellink
De cursief gedrukte woorden en namen in bovenstaande weergave zijn in de originele tekst met de hand geschreven. - Het Jaarboek der Universiteit van Amsterdam 1884-1885 (A'dam 1886) omschrijft het onderwerp van het college, dat drie uur per week in beslag nam, als volgt: Critische beschouwing van de bij psychologische onderzoekingen gebruikelijke methoden en verkregen resultaten. Het is betwijfelbaar of hier inderdaad de wetenschap in 't geding is die wij thans Psychologie noemen, en die toen in de kinderschoenen stond; dus: of Spruyt werkelijk de hypnosebehandeling van geesteszieken in de Parijse en Weense klinieken kritisch beschouwde. Twee jaar later voegt hij op de intekenlijst achter het woord Psychologie tussen haakjes toe: Inleiding in de philosophie.
universiteit van amsterdam
Faculteit der Letteren en Wijsbegeerte
hh. studenten, die de lessen verlangen te volgen van Professor
Spruyt
over Historia philosophiae graecae
in het jaar 1884-1885 worden uitgenoodigd hunne namen hieronder te plaatsen.
J. Vredenburg - Ph.J. Gobits - H. Gorter - F.W. Fledderus - T. Lewenstein - W. de Vries - A. Dorbeck - J. Kapteyn
De cursief gedrukte woorden en namen in bovenstaande weergave zijn in de originele