terug  begin  verderprepost
[p. 229]

De sensitieve jaren 1889-1891

De promovendus
Scripseram librum de Poesi Graeca quem non probaverunt viri clarissimi Pierson et Naber’.
1889:57a
De leraar
Lichtvoetige nymphen voedsterden den jongen Pan in de lommerrijke bosschen van Thracië’.
1891:34a
Tot de aanstaande echtgenoot
Wil je ook nachthemden hebben, dat hebben veel heeren, neem er dan 12’.
1890:29
De dichter van ‘Verzen’
Ik liep een jaar rond met een licht hoofd en rare oogen’.
1890:81
en van de kenteringssonnetten:
Ik voel me door me zelf wanheerlijk leven
Verz. Werk ii, 190; Verz. lyriek 253
[p. 231]

1889:31
Herman Gorter aan Alphons Diepenbrock. [B]
(Amsterdam, 11 april 1889) - Briefkaart

B.F.! Ze hebben allebei mijn dissertatie geweigerd. Ik ben terstond weer aan mijn andere begonnen en ben alweer een eind op streek. Ik vertel je spoedig mondeling hoe het ging. Ik vind het nu een beetje beroerd, moet je denken, maar dat zal wel óver gaan. - Het speet me dat ik je ((met)) zoo in eens verliet. Ik zag je nog aan het station maar ik zat in een trein aan de overzij. Groet Toole en zijn zuster hartelijk van mij.

Pans.

 

J.H. Toole was leraar Duits aan de Rijks-h.b.s. te 's-Hertogenbosch en behoorde met A.J. Derkinderen tot de weinige geestverwanten die Diepenbrock daar vond.

1889:31A, 1904.
Alphons Diepenbrock aan El. Förster-Nietzsche. [B]
Zonder plaatsvermelding, 14 oktober 1904. Niet verzonden. - Fragment

Mit einem Freunde las ich vor 20 Jahre (wir studierten beide klass. Philologie) den Zarathustra und die Unzeitgemäsze Betrachtungen, von denen uns die 2te am meisten entzückte. Später, als mein Freund seine Doctordissertation über Aeschylus schrieb, richtete er die ganze Schrift an Ihren Bruder. Die Facultät lehnte sie jedoch ab und auch Ihr Bruder würde sie nicht gebilligt haben, obwohl der jugendliche Enthousiasmus ihm gewiss Freude gemacht hätte.

 

Diepenbrock vergist zich hier: de ‘eerste’, afgewezen dissertatie ging over de Griekse poëzie, de tweede, die aanvaard werd, handelde over Aeschylus. Op die tweede stelde Gorter zelf geen enkele prijs; het is stellig de eerste geweest die Gorter aan Nietzsche heeft opgedragen.

1889:32
Artikel in de Nederlandsche Spectator van 20 april 1889. [OO]
Vlugmaren, door Flanor. - Fragment

Tot dusverre mijn droom [Pharao's droom van de zeven vette en de zeven magere koeien, in Nederlands decor her-droomd]. Daar niet elkeen een droomuitleggende Jozef heeft, zat ik leelijk in den brand, tot dat de kroniekschrijver van ‘De Nieuwe Gids’ die rol bij mij kwam vervullen. Zie, zoo sprak hij, de magere koeien zijn Verwey en Kloos en Frans Netscher en Couperus en in het algemeen wij jongeren. De vette koeien, die wij oppeuzelden, waren Beets en Potgieter en Vosmaer en enkele anderen, die niet eens de moeite waard zijn te noemen. En zie, onze jongste koe wordt, op voorstel van van Eeden, door geheel het professoraal Nederland en door onze jonge dochters reeds tot Paasosch gepromoveerd. Hij, Herman Gorter, kon zijn deur nauwlijks meer uit, zoo versperd als die was door de bloemen. Een liefelijke vrouwehand nam een geurige roos en bond die

Als aan zijn staartje, maar dat was er niet,

evenmin als de sofa, waarover de heer van Eeden zich zoo agiteert.

 

De schrijver, P.A.M. Boele van Hensbroek - zie 1889:20-, refereert aan de teksten van Van Eeden en Kloos, hier 1889:24 en 25. Zijn dichtregel is een parodie op de regel uit Gorters gedicht: Als op een sofa, maar die was er niet, / Zoo dreef ze eerst voort door het laag gebied / Der vlinderen - etc. (Verz. Werk i, blz. 75; pocketeditie blz. 84).

[p. 232]

1889:33
Albert Verwey aan Kitty van Vloten. [O]
Zonder plaatsvermelding, 30 april 1889. - Fragment

[Uit zijn verslag van een gesprek met Karel Thijm] Toen literaire opinies. Hij zei o.a. Ik zou zeggen dat Gorter zich verhoudt tot de eerste dichters zooals Couperus tot de eerste naturalisten.

 

Couperus' romandebuut Eline Vere was enige maanden geleden verschenen en had bij de Nieuwe-Gidscritici een gunstige ontvangst gekregen. Met ‘de eerste naturalisten’ bedoelde Thijm stellig Frans Netscher, Arij Prins, Aletrino en zichzelf. - Voor Thijms mening over Mei zie men ook 1889:10, 1889:53, 1889:69 en zijn bespreking van Gorters Verzen (1890) in De Nieuwe Gids van februari 1891, hier onder 1891:10.

1889:34
[J]

De datering 1 mei 1889 is te lezen op het handschrift van Gorters gedicht Ik zat eens heel alleen te spelen (vw ii, 35; Verz. lyriek 104).

 

Het handschrift bevindt zich in het Letterkundig Museum te 's-Gravenhage. Reprodukties in lijncliché van dit handschrift en van de weinige andere autografen die bewaard bleven uit de sensitieve periode vindt men in G. Stuiveling (ed.), Twintig gedichten in handschrift. A'dam 1964. Geen enkel ander gedicht uit deze tijd is door Gorter gedateerd.

1889:35
Frederik van Eeden aan Willem Kloos. [F, 69E4-29]
Bussum, 5 mei 1889. - Fragment

Gorter heeft mij een paar heel mooie dingen voorgelezen. Het vers op de zelfmoord van A.W. heeft mij geducht aangegrepen. Ken je dat?

 

Anna Agnes Witsen (1855-5 maart 1889) was een zuster van Willem Witsen. Zie voor haar ook 1886:14a. Meer over haar in Rein van der Wiels artikel ‘Bij den dood van Anna Witsen in 1889’, in het Documentatieblad De Negentiende Eeuw, ii, 1978, 4, blz. 230-247. - Gorters gedicht is het bekende ‘In den zwarten nacht is een mensch aangetreden’ (vw ii, blz. 22; Verz. lyriek blz. 91), blijkens Gorters toevoeging (alleen in het handschrift): Bij den dood van Anna Witsen in 1889. Dit handschrift bevindt zich in het Witsenarchief, in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag. Een reproduktie vindt men in de uitgave die genoemd is in het commentaar bij 1889:34. Een tweede autograaf werd omstreeks 1960 door Ir Hans van Eeden aangetroffen onder de papieren van zijn vader, Frederik van Eeden, en werd door hem aan het Letterkundig Museum en Documentatiecentrum geschonken. In 1982 verzorgde het lmd als een van zijn uitgaven een fraaie reproduktie-in-omslag van dit handschrift. - Over de mogelijke aanleiding die er voor Gorter bestond om dit gedicht te schrijven dat zo'n heftige betrokkenheid verraadt, handelt het opstel van Enno Endt in Weerwerk. (afscheidsbundel voor Prof. Dr G. Stuiveling; Assen 1973, blz. 213-226): ‘Van droom naar werkelijkheid. Een passage.’ - Zowel de gebeurtenis zelf als het gedicht hebben Frans Coenen geïnspireerd tot zijn verhaal ‘Vervreemd’, in Bleeke levens (1899), hetgeen Jan Fontijn aannemelijk maakt in zijn opstel ‘Een zelfmoord in de negentiende eeuw,’ in De tweede ronde, 1, 2, herfst 1980, blz. 46-60. Een andere literaire echo, in de poëzie van Jacqueline van der Waals, wordt in het opstel in Weerwerk besproken.

[p. 233]



illustratie
Begin van Gorters gedicht ‘In den zwarten nacht...’ etc., in het afschrift dat hij Van Eeden gaf (zie 1889:35).

[p. 234]

1889:35A
De secretaris van de tennisvereniging in het weekblad Nederlandsche Sport van 11 mei 1889. [NN, nr. 355]

Namens de Olympia-Vereeniging wordt aan heeren tennisspelers bekend gemaakt, dat te Amsterdam nu naast het grint-court ook een asphalt-baan is gemaakt. De weinige ruimte, die aan een der zijde van de baan was, is vergroot, zoodat het veld nu aan alle eischen voldoet.

Met aanvragen om gebruik voor oefening of matches, wende men zich tot den ondergeteekende,

H. Gorter, O.V.Secr.

Amstel 130.

 

Over Gorters tennissen in dit clubverband zijn nog geen nadere gegevens voorhanden. - T: zijde; matches,).

1889:36
Rolverdeling van een zang- en dansspelletje bij de zilveren bruiloft van de ouders van Wies Cnoop Koopmans. [I]
12 mei 1889. - Zoo de ouden zongen... (in navolging van Kloris en Roosje)

Personen: Thomasvaer - Jaap Koenen; Pieternel - Marie Holst; Kloris - Herman Gorter; Roosje - Wies Koopmans; Teeuwis - Eduard Meyes; Mansette - Ada Wolterbeek; Krelis - Bram Koopmans; Elsje - Juul Joosten; Teunis - Wop Koopmans; Lijsje - Tia Schubart; Doris - Hans Bool; Duyfje - Ada Waller; Willem - Jaap Wolterbeek; Klaasje - Lena Waller; Trijntje - Nina Gorter; Dikke boer - Fred. Joosten; Ds. Gatelip (onbekend voorvader der familie Cnoop Koopmans) - Eduard Meyes.

 

Van de genoemden zijn Marie (Roland) Holst, Tia Schubart en Hans Bool niet uit andere documenten bekend. Ferd Joosten was een broer van Juul. De overigen zijn via het register nader te traceren. - Op deze bruiloft werd een cantate ten gehore gebracht op muziek van Julius Röntgen. De zeer traditionele teksten van die cantate waren geschreven door de redacteur van de (oude) Gids, Mr J.N. van Hall, dezelfde die zojuist de Mei gerecenseerd had (1889:26). Uit de bloemrijke frasen kan men als voornaamste deugd van de bezongenen opmaken de bevordering van het muziekleven en de gastvrijheid voor buitenlandse componisten. Inderdaad heeft Brahms bij de familie Cnoop Koopmans gelogeerd, en de pater familias was een der oprichters van de Concertgebouwvereniging. - (T: Fred lees Ferd).

1889:37
H.J. Boeken aan Alphons Diepenbrock. [DD, I]
Amsterdam, 14 mei 1889. - Fragmenten

Er is een brochure van Albert uitgekomen in rijmelooze vijfpooten, op den dood van den ouden Alberdingk. [...] Kloos en ik vinden het natuurlijk niet mooi, Gorter wel. [...] Ik ben met Willem, Looy en Gorter uit geweest tot bij halfvier.

 

Het gedicht van Verwey ‘Bij den dood van J.A. Alberdingk Thijm’ verscheen in het juninummer van De Nieuwe Gids, blz. 224-231, niet in brochurevorm. Wellicht zag Boeken een overdruk aan voor een zelfstandige uitgave.

1889:38
Jenny Möllner in het tijdschrift ‘Los en Vast.’ [AN, jrg 1889, p. 243] - Fragmenten

Oak tawn Jowa. U.S. 20 Mei 1889. - Waarde Red.!

Een paar woorden aan u over een Hollandsch boekje, dat mij onlangs werd toegezonden:

mei, door Herman Gorter.

Wel, het doet me plezier te merken dat er in Holland nog Mei is en

[p. 235]

dat die nog bezongen wordt, door de allerjongste dichters in 1889, net even hartelijk als door Vader Camphuijzen een paar honderd jaar geleden.

En het ding is zulk een frissche Meidroom!

Het is, zooals er staat in den aardigen aanhef - waartegen ik alleen zou willen inbrengen, dat er zelden een lentewind opgaat omtrent den tijd dat er rijpe kersen aan de orde zijn - het is als het zielvol gefluit van een lustigen jongen, dat op een mooien avond door de lucht klinkt en waarnaar men talmend luistert bij het sluiten van een venster.

Onder het lezen kreeg ik een recht Meiachtig gevoel, menige eigen lente-indruk werd in mijne herinnering wakker geroepen. Een weldadige trilling ging door mijne verbeelding, en dat is een der beste diensten die een dichter een mensch doen kan.

Blad voor blad trof mij de overweldigende stroom van teekenachtige uitdrukkingen, van somtijds heel mooie, en somtijds vrij leelijke beelden, - sommige amusant door hunnen overmoed en sommige door hunne geestigheid, maar alle blijkbaar door en door oorspronkelijk: regelrecht gegrepen uit het hedendaagsche leven, dat vol is van historische invloeden aan den éénen, vol versche werkelijkheid aan de andere zijde. Af en toe hield zulk een beeld mij vast, zoodat ik er mij behaaglijk in verdiepte; menigmaal buitelde het op zulk een zonderlinge manier over zijne buren heen, dat ik de drukte maar passeeren liet en mij op een afstand vermeide in de spontaneïteit van de kracht die ze voortstuwde.

Een raar ding is dat ik niets kan navertellen van den inhoud - hoe het ‘de kleine Mei’ ging op haar ‘tooverigen tocht’, bij hare liefde voor Balder en in het hoogste geluk dat aan haar verscheiden voorafging. Het kwam in mij op, dat de beeldenstroom te zwaar was voor de fabel, en ik vond dat jammer. Maar nogmaals sloeg ik den aanhef op; en 't is waar, als de dichter

 
‘...wil dat dit lied klinkt als het gefluit’

van den bewusten jongen, die

 
‘...dwaald' over de bruggen, op den wal
 
Van 't water, langzaam gaande, overal
 
Als 'n jonge vogel fluitend, onbewust
 
Van eigen blijheid om de avondrust,’

wel, dan is het volstrekt zijn ambitie niet, iets te leveren waarvan men iets kan navertellen. Dat kan men van zulk fluiten ook niet, hoe welbehaaglijk men er naar geluisterd heeft. Het eenige wat men er van overhoudt is de indruk!

 

Wat mij nu dezer dagen vervult en er toe dringt, aan u te schrijven, is o.a. de vraag: hoe dit gedicht toch wel in Holland ontvangen wordt?

[p. 236]

Allerlei vermoedens komen dienaangaande bij mij op.

Het feit, dat een dichter den ‘wil’ afficheert, om een indruk als van zulk ‘gefluit’ te maken, moet dunkt mij in Holland op zich zelf al zoo iets ongewoons zijn, dat stellig slechts een klein deel van het publiek er zich mee kan vereenigen.

Voor verreweg de meeste lezers is hoogst waarschijnlijk de ongewone taal - of liever de ongewone woordvoeging - reeds een bezwaar. Zij staat tot die van het gewone Nederlandsch als Brownings zinsbouw tot die van het gewone Engelsch; en wij weten hier allen hoe menigeen dáárdoor wordt afgeschrikt, te beproeven of hij Browning kan begrijpen. Met een beetje moeite kan men het wel leeren, dat nieuwe Engelsch en dat nieuwe Hollandsch - zooals b.v. iemand die goed Duitsch verstaat zich gemakkelijk in het ‘platt-Deutsch’ van Fritz Reuter kan inwerken; - maar de een heeft er die moeite niet voor over en de ander verzet zich misschien met opzet tegen zulk een nieuwigheid.

 

Wie weet - dacht ik gisteren - of het in ons Hollandsch letterkundig wereldje niet weer een dergelijke strijd tusschen twee kampen is als dertig jaar geleden. Het terrein van de worsteling zou dan een beetje verlegd zijn, maar toch niet zoo ver als het wel lijkt.

Destijds - spits even uw geheugen - kwam de aanblazing van een nieuwen geest in onze vaderlandsche letteren op de vleugelen der ‘moderne theologie’. Overgewaaid uit den Zuidoosten, wederkeerig gevoed door den arbeid van Hollandsche geleerden, ten onzent voor een wijl artistiek bezield door Huet, zoo greep ‘de nieuwe richting’ al wat eenigszins vatbaar was voor vrijzinnige denkbeelden. Voor ons, die toen juist begonnen rond te kijken, scheen het alsof daarmee een nieuwe tijdrekening was aangebroken op ieder gebied.

[...]

Thans schijnt er een nieuw geslacht van schrijvers te zijn opgestaan, blijkens dit Mei-gedicht met aspiratien geheel verschillend van het voorgaande. Wat ik zou willen hooren is:

1e. of deze nu op hunne beurt ook weer aan eene nieuwe tijdrekening gelooven; en

2e. of zij in hunne beschouwingen omtrent hunne literaire voorgangers nog groot onderscheid maken tusschen wie een kwart eeuw geleden, al of niet met ‘de nieuwe richting’ meededen. Wie weet, dacht ik, of zij niet - met volkomen negeering van wat destijds als het cardinale punt gold, onze heele negentiende-eeuwsche boeken-massa beschouwen als, met allen eerbied gezegd: één pot nat!

 
Im wunderschönen Monat Mai,
 
Als alle Knospen sprangen...

ruischt mij gedurig op de welbekende melodie om de ooren. En onwillekeurig komt de gedachte bij mij op, wat meester Goethe

[p. 237]

wel van dit nieuwe Meigedicht zou zeggen; altijd verondersteld dat hij Hollandsch verstond, want zulk ‘gefluit’ is onvertaalbaar.

Wel, ik geloof, dat hij er schik in hebben zou en zeggen dat, voor zoover een echte dichter in de eerste plaats zich kenmerkt door ‘die Lust zum Fabuliren’, er hier werkelijk een schuilt.

Aan menschen die afstuiten op den ongewonen vorm zou hij in bedenking geven: dat dichtertaal altijd iets anders is geweest dan dagelijksche spreektaal. Rijm, rythmus, alliteratie waren in hun tijd nieuwigheden en men is daaraan gewend geraakt; waarom dan nu voor de variatie ook niet deze nieuwigheid welwillend ontvangen?

Misschien zou hij eventjes glimlachend de opmerking maken: dat het aantal Nederlanders toch al zoo'n klein beetje is; en dus het aantal gedichtlezende Nederlanders nog kleiner beetje; en dat, als dus ieder dichter er een slechts voor een deel daarvan verstaanbaren stijl op na gaat houden, men ten slotte met zulke vermakelijke onderdeeltjes van beetjes te doen krijgt! Misschien zou hij waarschuwen tegen het katjesspel, waarop zulke dingen doorgaans uitloopen.

Allicht - als hij zich op de hoogte had gesteld van den toestand onzer hedendaagsche wereld - zou hij hoofdschuddend in het midden brengen: dat het kweeken en koesteren en het verwelkomen van zulk eenen gejaagden, holderdebolderachtigen, afgebroken-zinnen-schrijftrant juist niet geschikt is om de zenuwen van het levende geslacht te versterken.

Voorts, als soms iemand vroeg of eene fluit-ambitie als waarvan dit gedicht getuigt - de eerzucht om alleen een indruk na te laten - hem in zijn tijd genoeg geweest zou zijn als kunstenaar;... ja, dan zou hij allicht eenvoudig wijzen op zijn eigene gedichten: vol van gevoel, maar vol ook van gedachten; strevend om het onuitsprekelijke onder woorden te brengen, maar altijd zoo duidelijk mogelijk. Doch ik denk, van zijn ruim standpunt uit, zou hij tegelijk er aan herinneren: hoe kunstperioden, die met ‘Klahrheit’ spotten, natuurlijk en noodzakelijk zijn als onweersbuien in een zwoele lucht. Misschien zou hij dezen en genen verontwaardigen door aldus het ‘impressionisme’ in de dicht- en schilderkunsten bij een onweer te vergelijken en daarmee eene explicatie uitlokken, die dan mogelijk heel onderhoudend wezen zou.

Maar een gesprek met Goethe is en blijft fantazie, sinds hij nu bijna vijftig jaren geleden voorgoed afscheid van de wereld nam. En op het oogenblik ben ik benieuwd naar het oordeel van het thans levende en heerschende geslacht in Holland. Disch mij daaromtrent eens wat genietbaars op. Bedenk dat ik sinds vijftien jaar in Oaktown, U.S. woon, en in den laatsten tijd veel meer Engelsch dan Hollandsch gelezen heb.

Yours truly Jenny Möllner.

[p. 238]

De identiteit van Jenny Möllner kon nog niet worden achterhaald. Het is zeer wel denkbaar dat achter deze naam Geertruida Carelsen schuilgaat. - (T: Oak Tawn, Jowa; Aspiratien; fantazie).

1889:39
[Q]

In mei 1889 gaan Herman en Douwe Gorter wonen op het adres Amstel 130.

1889:40
Lofdicht, ter gelegenheid van Gorters heiligverklaring. [AO, in K]

 
Pan's incarnatie.
 
 
 
God Pans! God Pans!
 
Gezaligd is hij thans
 
Hij woont thans in der Unicisten godenkrans
 
Hij werd alom gevreesd
 
Maar is toch nooit gesjeesd
 
Gelijk dat oude Bargebeest, Bargebeest (bis)
 
 
 
Heft aan! Heft aan!
 
Bezingt zijn heldendaân
 
Hij is met bloote kuiten over straat gegaan.
 
Hij was de reine zot
 
Maar foof zich nooit kapot
 
Gelijk dien oude Bargegod, Bargegod (bis)
 
 
 
Hij braakt! Hij braakt!
 
op Vondel, en hij blaakt
 
voor Unica, dat eens door hem is groot gemaakt.
 
Hij eerde steeds den wijn
 
en dronken kon hij zijn
 
Gelijk dat oude Bargezwijn, Bargezwijn (bis)
 
 
 
Hij vloekt! Hij vloekt!
 
Vergeefs dat gij hem zoekt
 
die even godvergeten als de Pansgod vloekt.
 
Hij minde steeds de lol
 
Hij ging toch nooit op hol
 
Gelijk die oude Bargeknol, Bargeknol (bis).

Panspsalm.

 

Volgens mondelinge mededeling van de archivaris blijkt uit het geheim archief van Unica, dat Gorter op 25 mei werd heiligverklaard. Deze eer is slechts enkelen der Unicisten te beurt gevallen. Het betekent evenwel niet de onsterfelijkheid. Deze kent slechts E.A.J. Barge, die in 1870 aankwam. De Panspalm is gemaakt door A. de Graaf, die in 1887 lid was geworden. Zie voor hem 1888:17a. In de derde strofe wordt gedoeld op het dispuut Vondel, in deze jaren een rivaal.

[p. 239]

1889:41
Herman Gorter aan Alphons Diepenbrock. [B]
Zonder plaatsvermelding, ongedateerd

Beste Fons! Je hebt gelijk met te zeggen dat je lang gewacht hebt, dat heb je ook; maar ik heb het zoo druk gehad dat je het wel begrijpen zult. Met Naber gaat het goed; ik heb niet veel behoeven te schrappen maar het varken wou dat ik de heele boel nog eens over schreef en de zinnetjes hier en daar nog wat door elkaar haspelde. Daarmee ben ik nu van morgen klaar gekomen. Het is monniken werk. Nu wil hij dat ik een aesthetische voorrede schrijf over de vergelijking in het algemeen, maar daar pas ik voor. Ik ga nu Maandag naar hem toe, geef hem het prachtstuk en zeg dat ik nu de verantwoordelijkheid op me neem.

Verder heb ik een prettige maand gehad met het mooie weer, ook heb ik hier en daar nog wel eens een dag met een versje verlicht, één heel goed. ((en ben ik aan)) Ik ben aan een glorieus ding bezig, er bestaat nog niet veel van, ik heb het nog te druk. Het zal nog wel niet klaar zijn als je over komt met Pinkster.

Hein had heel veel plezier bij je gehad. Hij dampte van alcohol toen hij terugkwam. Ik heb hem over het drinken eens de waarheid gezegd. Hij was er een paar uur akelig van, maar het helpt toch niet.

Ze hebben de N.G. haast niet vol kunnen krijgen en Kloos heeft een heelen tijd loopen zaniken om wat van mij. Gelukkig heb ik stand gehouden. Eindelijk is Goes naar Rotterdam gegaan en heeft van dien schoolmeester v.d. Oever, geloof ik, een stuk roman gehaald; ook van Aletrino komt er een stuk roman in. En verzen van van Deventer. Zeg nu eens dat het niet goed wordt.

Ik cricket en roei; op het oogenblik heb ik pijn over mijn heelen bast; Donderdag maakte ik weer 46 punten op een wedstrijd. Wat zou Kees Rogge een lol hebben.

Ik eet geregeld in de V.G.; wijn en bier heb ik in geen weken gezien; ik sta iederen morgen om voor zevenen op. Mijn gezondheid is dan ook prachtig en ik zou gelukkig zijn als ik wat meer vrijen tijd om te schrijven had. Wat zijn het toch een beesten om die dissertatie te weigeren. Ik bedankje wel voor je woorden er over, mijn hart werd er warm van. Het is heerlijk uitgesproken te hooren waar je zelf wel zoo'n idee van had.

Je vriend Pans

 

We hebben een Unica-feest gehad, waarop ik heilig ben verklaard. Een optocht door de stad, ik op een rooden troon in een rijtuig.

 

Professor S.A. Naber was Gorters promotor. Van de ‘aesthetische voorrede over de vergelijking in het algemeen’ is het toch gekomen, blijkens het uiteindelijk gedrukte resultaat: een summiere beschouwing over de uitspraak ‘de dichter behoort al wat hij schrijft met zijn ogen te zien’, op de been gehouden door citaten uit Hegels Vorlesungen über Aesthetik en uit Hugo Blairs Lessen over de redekunst en fraaye letteren door Prof. B.H. Lulofs vertaald in 1845. - Een glorieus ding: dit is waarschijnlijk Een dag in 't jaar, een lang gedicht over Amsterdam, waarvan opnieuw sprake is in Gorters brief aan Diepenbrock 1890:76 en in een brief van Diepenbrock aan Tideman 1892:36. Jarenlang was het bestaan ervan een legende. Timmerman

[p. 240]

wist en sprak er o.a. van. Een copie bleek tenslotte te berusten in het Diepenbrockarchief. Het gedicht is afgedrukt in vw ii blz. 486-514 en in Verz. lyriek blz. 48-78 (aldaar op blz. 542 meer over het handschrift; zie ook 1889:19). - v.d. Oever: onder de schuitnaam Willem van Oevere (= Aug. P. van Groeningen, 1866-1894) verscheen in het juninummer een gedeelte van de roman Martha de Bruin. - A. Aletrino (1858-1916) was een studiegenoot van Van Eeden geweest en was thans arts te Amsterdam. Zijn bijdragen aan De Nieuwe Gids bestonden o.a. uit beschrijvingen van medische en sociale gevallen, met een sombere precisie weergegeven. - Kees Rogge: wellicht C.M. Rogge, een Unicist en jaargenoot van Diepenbrock. - de V.G.: de volksgaarkeuken.

1889:42
Albert Verwey aan Kitty van Vloten. [O]
(Amsterdam), 27 mei 1889. - Fragment

De paar laatste dagen moet ik me de menschen in mijn voorstelling vervriendelijken. Eerst Gorter, nu Diepenbrock.

 

Verwey had een waarderend schrijven van Diepenbrock ontvangen. Waarom hij vriendelijker kon denken over Gorter wordt niet duidelijk.

1889:43
Recensie in Het Vaderland van 30 en 31 mei 1889. [AP, 30 en 31-5-1889]
Kunst- en Letternieuws. - ‘Mei’ een gedicht door Herman Gorter (bij Versluys te Amsterdam)

In het April-nommer van de ‘Nieuwe Gids’ gaf Fred. van Eeden een zeer lezenswaardige beschouwing over poëzie naar aanleiding van dit gedicht, waarover Van Eeden met de grootste bewondering spreekt. ‘Voor kort’, zegt hij, is in ons land het geluid gehoord, een nieuw geluid, van iemand die sprak'. En zoo is 't. In Mei klinkt een nieuw geluid, er is een frischheid in dit werk, die aantrekt en tot bewondering dwingt. Al kunnen wij niet met Van Eeden verklaren, dat‘elk stuk niet alleen schoon is door zichzelf, maar door àl het voorgaande en àl het volgende’, we hebben veel genoten en veel bewonderd in dit dichtwerk.

We kunnen onmogelijk alles mooi vinden en alles duidelijk, of wel wij vonden iets zeer mooi maar niet duidelijk. Zoo o.a:

 
Het is het zacht aanwuiven
 
Van blauwgeveerde duiven

enz, blz. 76, 77 en 78 verrukkelijke taalmuziek, maar een nuchtere vraag doet zich op aan het slot en vindt geen antwoord: wat is ‘het’? Muziek, maar 't staat er niet.

Zoo zou er meer zijn te vragen en zoo zou er ook veel zijn te zeggen op taal of zinbouw en brave schoolmeesters zouden er dozijnen ‘fouten’ uithalen. Maar als een nieuwe dichter, en Gorter is een dichter par la grâce de Dieu, zoo heeft gesproken dat hij ons die aandachtig luisterden heeft meegesleept en opgevoerd in zijn droomland, dan moeten wij op den vasten wal terug gekomen niet dadelijk weer al te menschelijk naar grootere en kleinere fouten zoeken.

Wij zouden, als er maar plaats voor was, zooveel moois kunnen afschrijven uit Mei, vooral uit de hemelvaart en de episode van de wolkenspinster, poëzie klaar als water en rein als sneeuw, soms

[p. 241]

verheven en ernstig, dan weer hartstochtelijk of droomerig. En daarbij, misschien zelfs te veel, vergelijkingen treffend vaak door eenvoud en waarheid.

Zoo onder vele:

 
‘Vaarwel!’ lispelden Meilippen heel zacht.
 
Toen trad naar binnen hare oogen wacht,
 
Blanke soldaatjes, die diep in haar hoofd
 
Hun wachthuis hadden, en ze keek verdoofd.

en:

 
Een vrouwehart is als een zomerweide
 
Waar koeien grazen droomend, tusschenbeide
 
Grazen ze niet en staan met stillen kop.

En uit een ander gedeelte:

 
Er ligt in elk ding schuilend fijne essence
 
Van andere dingen. Daardoor wordt een mensch
 
Als een piano, zoo dood maar besnaard.
 
Nu eens rilt één snaar, dan d'aar naar den aard
 
Van elk geluid buiten, soms te gelijk
 
Heel veel.

De heer Van Eeden vreest dat men over deze regels zal lachen. 't Is mogelijk, maar wat doet 't er toe! Men heeft ook gelachen om Byron en Multatuli, om Shelley en Heine.

Een ongevraagden raad kunnen wij Herman Gorter niet onthouden. ‘Mei’ had, als bijna alle werken van jonge schrijvers, door bekorting kunnen winnen. De moeilijke kunst van zelfbeperking zij den nieuwen dichter ten bate van zijn kunst toegewenscht.

 

De vier aangehaalde passages uit Mei zijn in deel 1 van hel Verzameld Werk te vinden op bladzij 63, 75, 57 en 36; in de pocketeditie op blz. 72, 84, 66 en 45.

1889:44
Ada Waller aan Helena Waller. [1]
Haarlem, 3 juni 1889

Lieve Leny, Eigenlijk is er in 't geheel geen reden om je te schrijven want ik heb Dein Schatz (vergeef me deze uitdrukking maar ik ken geen betere) in 't geheel niet meer gezien. Aangezien ik nu nog een flauwe hoop heb datje nu toch wel iets van me wilt hooren en ik je ‘een plan’ moet vertellen schrijf ik toch. Het plan is dit: om met 1e Pinksterdag naar 't Kager meer te zeilen. Vrijdag verviel omdat Herman en Ferd niet kunnen en nu is dit het nieuwe. Ap is ook meegevraagd. Toen Pa hiervan hoorde vond hij het niet gepast onder jongelui doch dit is een van ‘de begrippen uit de oude doos’ en wij zullen er verder niet over spreken; is dit niet slim? Dag lief ouwentje. Wat zal het leuk zijn. Een hartelijke zoen van je

Apie.

[p. 242]

Helena, een zuster van Ada Waller, was in stilte verloofd met A.J. Cnoop Koopmans, een broer van Wies. - Ferd was een broer van Juul Joosten, zie commentaar bij 1889:3. - (T: ouwentje).

1889:44A
Mededeling in het Weekblad Nederlandsche Sport van 22 juni.
[NN, nr 361]
Cricketwedstrijd te Keulen

Volgens afspraak met den heer Suermondt, ben ik Maandag 1.1. naar Keulen gegaan om een datum af te spreken en het terrein te zien. Tot mijn spijt is het terrein zeer slecht, zanderig en zonder gras; de bal blijft er in steken. Ik raad daarom cricketers af aan den tocht deel te nemen, en zei ook tot de commissie, dat er waarschijnlijk niets van komen zou. Men had er den dag te voren een concours hippique gehouden.

De administrateur der tentoonstelling, de heer Hahn, zou nu nog met den heer De Gruyter correspondeeren over een mogelijke football-match. Hiervoor zou de grond wel iets beter geschikt zijn.

H. Gorter

 

Maandag l.l.’: 18 juni. - De organiserende activiteit die Gorter blijkens deze en een enkele soortgelijke mededeling in dit jaar ten toon spreidt, is wellicht in verband te brengen met de vrijere beschikking over zijn tijd, nu hij niet langer de maatschappelijke gebondenheid aan studie en ouderlijk huis kent.

1889:45
Albert Verwey aan Kitty van Vloten. [O]
(Amsterdam), 10 juli 1889. - Fragment

Gorter moet een heel lief vers gemaakt hebben - free sprak er me ook eens van - op den dood van Anne Witsen.

Verwey schrijft dit in een verslag dat hij geeft van een gesprek met Van Looy. Met ‘free’ duidt hij zijn zwager-in-spe aan, Frederik van Eeden. Zie voor het gedicht in kwestie het commentaar bij 1889:35.

1889:46
Albert Verwey aan Kitty van Vloten. [O]
(Amsterdam), 20 juli 1889. - Fragment

Gister heb ik toevallig free's stuk over Gorter weer ingezien. Wat is 't vreemd dat ik me daar ooit boos tegen gevoeld heb. 't Is voor hem een heel goed stuk. Al die waarheden als koeien, dat kunst meer is dan wetenschap en dan wijsbegeerte,dat kunst uitdrukt wat we van ons gevoel niet door begrippen en logische denkingen kunnen uitdrukkingen [lees: uitdrukken], - dat zijn voor hem, die voor zijn allergrootste helft medicus en filosoof is, vondsten van belang, en 't is geen wonder dat hij blij is 't nu zoo duidelijk in te zien. Ik heb op die belangrijkheid ervan heelemaal niet gelet en me alleen boos gemaakt op dat gepoëtiseer over den grooten Onbegrepene. Dat hoort er zoo bij, enfin; waarom zou ik juist op 't leelijke letten.

't Is altijd zoo grappig dat Free met zijn hoofd juist aan de zoldering raakt waar wij, dichters, op loopen. Kloos en ik voelden het altijd zoo. free's grootste eerzucht is intusschen bereikt als hij die zoldering aan kan stooten. Zie je wel, zeit-i, hoor je wel, voel je wel, daar heb je toch die hoogere wereld. Wij loopen erin en zeggen natuurlijk: ‘maar god, man! wie twijfelt daar dan aan?’ Maar dat is

[p. 243]

heel onbillijk. We moesten apprecieeren dat hij er de menschen van 't sous-terrain op attent maakt. Die vinden dat pleizierig. Free vindt dan ook aanhang.

Nu Gorter er is, is free zelfs met zoo'n bewoner van de bovenvertrekken vertrouwd geworden. Geen wonder dat hij nu in zijn schik is. Hij kan nu uit eigen ervaring praten over een dichter. 't Staat alleen wat gek dat hij nu in-eenen doet of hij ook de andere dichters begrijpt, waar hij niet vertrouwd meê is. Waarom heeft hij het nu pas zoo druk over ‘den Dichter’ zou je kunnen vragen; daar toch twee goeie exemplaren al een jaar of wat in zijn buurt waren. Ja, maar die twee waren hem te hoog: die woonden nog boven Gorter's étage.

 

‘free's stuk’: Frederik van Eedens artikel Gorter's verzen in de april-aflevering van De Nieuwe Gids (hier opgenomen onder 1889:24. - (T: free/Free; Gorter's).

1889:47
Albert Verwey aan Kitty van Vloten. [O]
(Amsterdam, 21 juli 1889). - Fragmenten

Ik noem een vers zuiver, als je door ieder woord volkomen uittespreken een zuiver rhythme krijgt. Moet je een woord wat dikker of wat dunner maken, een lettergreep doorslikken, je mond geweld doen etc, om een zuiver rhythme te krijgen, - dan is 't vers onzuiver.

Alleen als je rustig, gelukkig gestemd bent,maak je zuivere verzen -, in iedere andere emotie geef je een woord een tikje mee dat het niet heeft uit zichzelf, licht je 't handje met 't rustig op elkaar volgen van de syllaben. [...]

Vroeger heb ik me dikwijls vergist. Dan gebruikte ik 't woord ‘mooi’ voor ‘zuiver’. Dat is dom en niet dom. Inzoover als mooi volmaakt beteekent kan 't onzuivere niet mooi zijn; - maar toch is er naar onze manier van 't woord te gebruiken heel veel moois in verzen, die niet juist zoo zuiver zijn. Kloos en ik zei'en vroeger nooit ‘zuiver’, maar ‘goed’ - of, nog eenvoudiger: ‘het’. Het is niet slecht, maar het is ‘het’ niet. En dat ‘het’ stelden we heel hoog, dat was het óns alleen geopenbaarde. [...]

Nu was in den laatsten tijd dat gevoel bij Kloos, ook bij 't lezen, even erg van de wijs als 't bij mij een tijd lang geweest is. Anders zou hij van Gorters verzen gevoeld hebben dat die niet ‘het’ zijn, maar voortdurend om goed te zijn, goed moeten gelezen worden, gelezen in den wellustig-gesluierden toon, die ieder woord dempt en voller maakt dan het van zijn eigen is. Het pure aandoeninglooze geluid, dat zijn eigen rhythme maakt, is nooit ééns bij Gorter doorgebroken; en dat is de eerste opmerking, die Kloos voor een jaar of vier zou hebben gemaakt.

 

(T: uittespreken).

[p. 244]

1889:48
Albert Verwey aan Kitty van Vloten. [O]
(Amsterdam), 24 juli 1889. - Fragment

Hoe het nu staat met onze verskunst? Wel, ze is persoonlijk en natuurlijk genoeg, maar meer aandoenlijk en verheven bedoeld, dan zuiver mooi uitgevoerd. Onze verzen zijn natuurlijk als onze haren, - maar 't zijn bijna geen verzen meer, laat staan mooie verzen, laat staan zuivere verzen, laat staan vlekkelooze verzen. En die moeten wij maken. Met onze natuur, in eén woord, staat het beter dan met onze kunst.

Als wij nu maar rustig worden. Dat is de hoofdzaak. Dan zullen wij al wat wij maken met die gelukkige zorg acheveeren, die ik in mijn jeugd had, en die het kostbaarste is wat een kunstenaar voor de wereld kan overhebben. De Grieken maakten beelden van ivoor en goud. Dat zeit iets voor hun kunst, al willen de natuurmenschen alles met handen uit klei boetseeren, voor de natuurlijkheid.

Dit is goede raad, dien ik mezelf geef, want uitgeven zal ik het wel niet. Als ik bedenk hoe ik vroeger met ieder vers dat ik maakte, met heele sonnetten, uren in mijn hoofd liep eer ik ze opschreef, en hoe sints dien tijd in mijn tumultueuze leven alles in de gauwigheid geconcipieerd en op 't papier gegooid werd, - dan schaam ik me wel een beetje en vind dat ik iets heb intehalen.

Met Gorter is 't een ander geval. Die is niet on-artistiek slordig. Die schrijft rustig zijn lieve gevoel uit, maar dat is niet de kunstenaarsbewondering, die in alles in de wereld een te bewonderen woord ziet, dat is het innige warme gevoel van een gelukkig schepsel in gods mooie natuur te zijn. Die groote liefde, dat en-thousiasme, d.i. 't den god in me hebben, voor 't woordgeluid, dat mijn ziel en de wereld die ze ziet, weer omschept, begrijpt alleen Kloos in me, maar kent niemand dien ik gezien heb. Dat ik tot in 't waanzinnige alleen van opklinkend woordgeluid kan worden aangedaan vond Kloos zelfs soms kinderachtig en belachelijk... Toch waren de dolste van die overprikkelingen geen affectatie.

 

Met ‘wij’ en ‘ons’ in de eerste twee alinea's heeft Verwey het - als in de overige tekst - over zichzelf. Verwey leefde in dit jaar tamelijk geïsoleerd. Zijn voornaamste klankbodem was Kitty, die bijna dagelijks een brief, en soms meer dan eén per dag kreeg. Deze situatie maakt het begrijpelijk, dat hij voortdurend zijn positie aan 't bepalen is tegenover zijn kunstbroeders. Onder de creatieve geesten waren er in deze kritieke jaren trouwens wel meer die tussen onzekerheid en zelfbewustheid zwierven en zich voortdurend aan anderen afmaten. In de opstellenreeks Wisselwerkingen in een literaire generatie (Revisor vii, 1980, aflev. 4, 5 en 6) wordt hierop de aandacht gevestigd. Zie voor voorbeelden ook het zakenregister onder creatieve wedijver. - (T: sints; intehalen).

1889:49
Herman Gorter aan Willem Kloos. [F, 69E4-131]
Zonder plaatsvermelding, ongedateerd

Amice! Zie hier de twee versjes. Het zal wel een beetje gek staan dat ze allebei denzelfden titel hebben, maar aan zulke dingen stoor ik me toch liever niet. Ik heb het liefst dat je den naam heelemaal weglaat; waarom kan dat niet?; kan het niet, bedenk dan maar een of twee letters.

tt. Herman G.

[p. 245]
Een meisje.
 
'S morgens op het witte laken
 
doet er een gelaat ontwaken -
 
dat ligt daar als een waterlelie
 
op een golf water, op de peluw.
 
 
 
'S middags loopt ze in het bosch te schijnen,
 
haar oogen tusschen bladen als twee kleine
 
vuurjuweelen, kijkend in een laan -
 
bladen ruischen weer dicht, ze is gegaan.
 
 
 
'S avonds lacht ze in een stille
 
kamer, zonder 't zelf te willen
 
wordt ze weer droomerig en lacht
 
minder en minder - zegt goênacht.
Een meisje.
 
Toen de tijden bladstil waren, lang geleên,
 
is ze geboren, in herfststilte een bloem,
 
die staat gekleurd in 't vale lichtgeween -
 
regenen doen de wolken om haar om.
 
 
 
Ze stond bleeklicht midden in somberheid,
 
haar lichte oogen, 't blond haar daarom gespreid,
 
de witte handen, trane' op meen'gen tijd,
 
een licht arm meisje dat lichthonger lijdt. -
 
 
 
Breng over haar bloemgloede kleuren, uw
 
bloedrood, o nieuw getijde dat is nu.

Verander vooral de interpunctie niet of laat mij de proef nog even zien.

 

De potlood doorhalingen (zie reproduktie) zijn het werk van Kloos, die hiermee de gedichten persklaar heeft gemaakt. Met drie sterretjes in plaats van de schrijversnaam verschenen zij in De Nieuwe Gids, jrg. iv, afl. 6 (aug. '89), blz. 424 en 425. In het Verz. Werk ii zijn zij te vinden op blz. 11 en 12; in Verz. lyriek op blz. 166 en 81. Van het eerste gedicht bevindt zich een autograaf in het Letterkundig Museum te Den Haag. Uitvoerige analyses en situering van beide vindt men in (resp.) Over gedichten gesproken (onder red. van T. van Deel, R.L.K. Fokkema en J. Hoogteijting) Groningen 1982, en in Merlijn, jrg. 4, 1966, 5, blz. 405-410 - (T: 'S morgens, 'S middags, 'S avonds).

1889:50
Albert Verwey aan Kitty van Vloten. [O]
(Amsterdam), 2 augustus 1889. - Fragment

De N.G. is uit. Ik stuur hem je met deze post. Die twee versjes ‘Een Meisje’ zijn klaarblijkelijk van Gorter.

[p. 246]



illustratie
Gorters briefje aan Kloos (1889:49) met de twee gedichten onder dezelfde titel. Zie ook de toelichtende tekst op blz. 634.

[p. 247]



illustratie

[p. 248]

1889:51
August P. van Groeningen aan Willem Kloos. [ZZ, p. 406-407]
(Rotterdam) 6 augustus 1889. - Fragment

Ook heb ik u nog te danken voor de toezending der Augustusaflevering van den N.G. - De dichter van ‘Een Meisje’ (het 2e gedichtje) schijnt eenzelfde impressie gehad te hebben als ik voor Martha de Bruin.

 

Van Groeningen (1866-1894) was onderwijzer aan een volksschool in Rotterdam. Hij publiceerde in 1890 de roman Martha de Bruin (later herdrukt in de Salamanderreeks); hoofdstukken hieruit verschenen gedurende 1889 in De Nieuwe Gids onder het pseudoniem Willem van Oevere (zie ook 1889:41).

1889:52
Albert Verwey aan Kitty van Vloten. [O]
(Amsterdam), 7 september 1889. - Fragment

Gorter houdt het uit buiten.

 

Dit als een postscriptum, met nog een enkele opmerking over iemand anders. Bedoeld zal wel zijn: die is nog altijd niet terug van zijn vakantie. - Wáar Gorter verbleef, weten we niet. De gang van zaken in de zomers van hieropvolgende jaren maakt echter waarschijnlijk, dat hij ook nu reeds in Haarlem, bij Wies Cnoop Koopmans en haar familie, op Oosterhout, was.

1889:53
Uit het Memorieboek van K.J.L. Alberdingk Thijm. [D]
30 september 1889, maandag-ochtend 9.15 u

Ik heb nu Mei, gedicht door den heer Gorter, uit. Ik vind het even hostiel en antipathique als de persoon des heeren Gorter (genre-v. Eeden) zelf. Het is mooi, dat gedicht, zeker, het is niet slecht en er komen noch valsch vernuft noch valsche beeldspraak in voor, maar het is van een klein, hoog maar dun, droog en onbewogen mooi, niet onbewogen als een zomermiddag, maar als een verlakt theeblaadje. Het is buitendien niet origineel, namelijk wel de beeldspraak, enz. maar niet de groote domineerende elementen. Het is namelijk een mengsel van Verweys Persephone en van Verweys ‘realistische’ gedichten; ik bedoel, dat de dingen in Mei die fantazie zijn en boven in de lucht of op de bergen gebeuren gelijken op Persephone, en dat de beschrijvingen van het kleine stadje enz. in Mei gelijken op Verweys Cor Cordium, Een oud burgwalletje en Bij den dood van J.A. Alberdingk Thijm.

 

(T: fantazie).

1889:54
Gedichten van Gorter in De Nieuwe Gids, jrg 5, nr 1, p. 124-126.

In het oktobernummer van De Nieuwe Gids publiceerde Gorter anoniem de gedichten

'k Heb mijn oor tegen zooveel stemklokken geleend

De zon. De wereld is goud en geel

Ik zat toen heel stil te werken

 

In Verz. Werk deel ii op de bladzijden 102, 20 en 13 te vinden; in Verz. lyriek op de bladzijden 172, 89 en 82.

[p. 249]

1889:55
‘Hawé’ in het tijdschrift De Lantaarn van 1 oktober 1889. [AQ, jrg 5, 1889, nr 19, p. 154]
Iets over nieuwe poëzie. - Fragment

Wat is poëzie? 't Zou me moeilijk vallen daarop voor de vuist weg een antwoord te geven, maar als de verzen en sonnetten, die de ‘Nieuwe Gids’ te genieten geeft, als poëzie moeten worden aangemerkt, dan schijnt het iets te zijn dat geheel vreemd is aan gezond verstand, iets waarvan het kalmste hoofd aan 't duizelen raakt, iets waaraan een alledaagsche menschengeest dikwijls tevergeefs zoekt een uitlegging te geven, kortom, iets dat zoo hoog boven het gewone staat dat niemand zich ertoe kan opheffen, dat niemand er bij kan, behalve de dichter, wiens verlicht brein en diep gevoel het wonderwerk hebben doen geboren worden.

De ‘Nieuwe Gids’ van Augustus j.l. geeft eenige heerlijke producten van dien diepdenkenden, verheven dichtergeest. Wij vinden daarin twee dichtstukken, getiteld: ‘Een meisje’, van een medewerker, die wreed genoeg is zijn naam door drie kruisjes te vervangen en daardoor dien naam aan de vergetelheid prijsgeeft.

 
‘'s Morgens op het witte laken
 
doet er een gelaat ontwaken -
 
dat ligt daar als een waterlelie
 
op een golf water, op de peluw.’

Wat doet een gelaat ontwaken?’ vroeg iemand met een prozaïsche ziel, die niet begreep dat niet de dichter zich naar de taal, maar de taal zich naar den dichter moet schikken. Ik heb geen antwoord gegeven, mijn verachting voor zooveel bekrompenheid was te groot.

Ons geestesoog spiegelt ons bij de vergelijking met de waterlelie terstond het kopje van het meisje in kwestie voor, neergevleid op het zachte dons. Maar ze blijft niet den heelen dag zoo liggen, o neen! want

 
‘'s Middags loopt ze in het bosch te schijnen
 
haar oogen tusschen bladen als twee kleine
 
vuurjuweelen, kijkend in een laan -
 
bladen ruischen weer dicht, ze is gegaan.’

Hoe lief, een meisje, dat loopt te schijnen in het bosch, als een glimwormpje!

En dan die twee kleine vuurjuweelen van oogen, ze moet iets verzengends over zich hebben, dat meisje. Kijk, ze kijkt tusschen de bladen door in een laan, als een eekhoorntje, floep... poppetje gezien, kastje dicht! Veelzeggende, gevoelvolle schildering, niet waar!

 
‘'s Avonds lacht ze in een stille
 
kamer, zonder 't zelf te willen
 
wordt ze weêr droomerig en lacht
 
minder en minder - zegt goênacht.’
[p. 250]

Aardig meisje dat den geheelen avond in een stille kamer zit te lachen, vermoedelijk omdat ze den middag op zoo geestige wijze heeft doorgebracht. Ach, 't kind wordt droomerig zonder 't zelf te willen, ze is zeker moe van het schijnen in het bosch. Slaap zacht.

Hoe welluidend zijn die coupletten, hoe vloeiend is die taal, met welke ongezochte en geniale losheid, met welke vastberaden losmaking van de stijve traditioneele vormen zijn de rijmuitgangen gekozen. En die maat, zoo lieflijk golvend!

En nu het tweede meisje, een schrille tegenstelling vormend met de schalkschheid en lichtgevendheid van het eerste.

 
‘Toen de tijden bladstil waren, lang geleên,
 
is ze geboren, in herfststilte een bloem,
 
die staat gekleurd in 't vale lichtgeween -
 
regenen doen de wolken om haar om.’

Waarachtig, men wordt er stil van, van die bladstille tijden en die herfststilte. En dan dat arme meisje, dat zeker al heel oud moet zijn, want ik heb die bladstille tijden nooit door iemand van het tegenwoordige geslacht hooren vermelden, en dat daar nog steeds staat als een bloem in herfststilte, gekleurd in 't vale lichtgeween, terwijl de wolken om haar om regenen doen; 't is wel om medelijden meê te hebben! God, wat moet dat treurig zijn als zelfs 't licht begint te weenen!

 
‘Ze stond bleeklicht midden in somberheid,
 
haar lichte oogen, 't blond haar daarom gespreid,
 
de witte handen, trane' op meen'gen tijd
 
en licht arm meisje, dat lichthonger lijdt.’

Hoe pakt die tegenstelling, 't eerste meisje schijnt en heeft oogen als vuurjuweelen en dit is bleeklicht met lichte oogen. ‘Hoe bedenktie 't’, zou een burgerjuffrouw zeggen.

Wat er eigenlijk traant op meen'gen tijd durf ik niet uitmaken, de oogen, 't haar, de handen of 't lichte, arme meisje, dat aan lichthonger souffreert, zelf, of tranen die allen samen, of wel is dat ‘trane'’ gebezigd om met artistieke vrijheid het meervoud van ‘traan’ uit te drukken. 't Is moeilijk daarop een antwoord te geven maar het is ook van geen belang, het woord geeft een indruk van diepe melancholie en dat is de hoofdzaak. Wat lichthonger eigenlijk is beken ik met schaamte niet te weten, maar 't schijnt iets heel akeligs te zijn.

De laatste regels getuigen van een verhevenheid van gedachten en van een gemakkelijkheid om daaraan uitdrukking te geven, die ons eenvoudig verstomd doen staan. Luister!

 
Breng over haar bloemgloede kleuren, uw
 
bloedrood, o nieuw getijde dat is nu.
[p. 251]

Hoe gemakkelijk laat zich dat lezen. Ja, onze taal is schoon als zij goed wordt gebruikt. Het bloedrood van het nieuwe getijde dat is nu schijnt een middel te zijn tegen den lichthonger en zal wel een vroolijker aanzien geven aan de bloemgloede kleuren van het lichte meisje, dat bleeklicht stond in 't vale lichtgeween.

[...]

Hawé.

 

Wie zich Hawé noemde bleef mij onbekend. Het tweewekelijks tijdschriftje De Lantaarn, Orgaan voor Noord- en Zuid-Nederland, beleefde zijn vijfde, tevens laatste jaargang. De redacteur J.H. Rössing was De nieuwe Gids niet welgezind. De twee gedichten in kwestie hadden in de augustusaflevering van De Nieuwe Gids gestaan, zie 1889:49.

1889:56
Alphons Diepenbrock aan A.J. Der Kinderen. [DD, I]
's-Hertogenbosch, 2 oktober 1889. - Fragment

Verleden Saterdag ben ik in Amsterdam geweest. De lui heb ik gesproken. Er was een gast bij Kloos en Boeken, Bauer uit den Haag. [...] Wij hebben met z'n allen bij Mesquita op de kamer gezeten, Gorter Breitner Boeken (die natuurlijk weer dronken was) Valk Kloos Bauer, en den volgenden dag in de Bodega. Valk tracteerde op wijn.

 

Verleden Saterdag: dit was de 28ste september. - A.J. Derkinderen, M. Bauer, G. Breitner en M.W. van der Valk waren allen schilders van dezelfde generatie als de Tachtigers. Mesquita: zie commentaar bij 1889:9a. - (T: Saterdag).

1889:57
Uit het promotieboek van de universiteit van Amsterdam. [S]
No 252 Private Promotie in de Letteren

De Senaat der Universiteit van Amsterdam heeft den 2den October 1889 den Heer Hermanus Gorter geboren te Wormerveer na diens verdediging van een proefschrift getiteld ‘De interpraetatione aeschyli metaphorarum’ en van 12 stellingen bevorderd tot doctor in de Klassieke Letteren.

Promotor Prof. Naber, aanwezig de H.H. Rector Secretaris en de betrokken facult., afw - de H.H. Kan en Pierson.

De bevordering tot Doctor is geschied ((met... stemmen voor en... tegen. Het Praedicaat cum laude is toegekend met... stemmen voor en... tegen))

Amsterdam, 2 October 1889 De Secretaris van den Senaat, Max Weber

 

Onder een private promotie werd een zitting in de Senaatskamer verstaan in plaats van in de aula; in een kleinere ruimte dus, waar minder aanwezigen plaats konden vinden. Niettemin was de plechtigheid wel openbaar. De pedel verscheen echter niet in ambtsgewaad. - Pierson was in deze maanden met ziekteverlof. Prof. Dr C.M. Kan was als hoogleraar in de physische en politieke aardrijkskunde en de land- en volkenkunde van Oost- en West-Indië in 't geheel niet bij het onderwerp van deze dissertatie betrokken. Prof. Max Weber, hoogleraar in de vergelijkende anatomie, was alleen aanwezig in zijn functie van secretaris van de Senaat. - Het valt te vermoeden, dat de promotie tot een minimale formaliteit werd teruggebracht. - De dissertatie bevat, behalve de voorrede waarover bericht is in het commentaar bij 1889:41, de bespreking van

[p. 252]

een aantal onduidelijke plaatsen in de werken uit Aeschylus. Daarbij valt Gorter een enkele maal uit tegen de Duitse kamergeleerden met hun emendaties en conjecturen. Zo zegt hij onder andere, dat zij een vergelijking met een duiker alleen uit onbegrip willen wijzigen: zij hebben zelf nog nooit onder water gezwommen, anders zouden zij weten hoe het oog de dingen dan als door een dronkene gezien waarneemt. Onder de stellingen vallen op: xi. Affectuum imitatio, quam Spinoza, Propos xxvii partis ii [moet zijn iii] Ethices exposuit, oritur ex eo, quos ille qui afficitur, sentit se esse eam rem, qua afficiatur (Zoals Spinoza uiteenzet in de Ethica, ontstaat de nabootsing der aandoeningen daardoor, dat hij die gevoelens ondergaat, zichzelf de zaak voelt zijn, waardoor hij aangedaan wordt) en: xii. Poesis non oritur sine eiusmodi affectu (Zonder een dergelijke aandoening ontstaat er geen poëzie), - waarin de opvattingen uit het ‘eerstedissertatie’ fragment, 1888:33, naklinken. De dissertatie heeft een bespreking en-detail gekregen in het opstel van M.F. Fresco, Herman Gorter en de klassieke oudheid, te vinden op pp. 76-106 van de verzamelbundel Acht over Gorter (red. G. Stuiveling), A'dam 1978. - (T: interpraetatione aeschyli lees interpretatione Aeschyli; Rector Secretaris lees Rector, Secretaris).

1889:57A, 1927]
Dr. M. Boas in het Algemeen Handelsblad. [AH, 21 september 1927]
Een onuitgegeven proefschrift. - Fragment

[...] de dichter heeft van meet af aan zijn dissertatie gering geschat, zoo niet verloochend. Dit valt af te leiden uit zijn eigen verklaring, die hij voor zijn dissertatie als kort voorbericht oorspronkelijk schreef en liet drukken: ‘men verwondere zich noch over het onderwerp noch over de taal; ik had een boek geschreven over de Grieksche dichtkunst dat echter de hoogleeraren Pierson en Naber niet hebben goedgekeurd’. (Argumentum, sermonem, ne quis miretur. Scripseram librum de Poesi Graeca quem non probaverunt viri clarissimi Pierson et Naber).

Het licht voor de hand, dat de faculteit niet kon gedoogen, dat een promovendus over zijn eigen werk, dat de promotor had goedgekeurd, bij voorbaat den staf brak en de voorgeschiedenis der dissertatie ontsluierde. Derhalve moest Gorter het onwelgevallige voorwoord uit de reeds afgedrukte dissertatie lichten; wie het exemplaar der U.B. ter hand neemt, bemerkt dat achter het titelblad voorzichtig een pagina is verwijderd. Slechts enkele exemplaren - o.a. het exemplaar, dat ik zelf een aantal jaren geleden verwierf - misschien alleen die welke niet aan de Universiteit behoefden afgeleverd te worden, zijn ongeschonden gebleven.

 

De klassicus M. Boas was lange jaren een zeer bekend repetitor Latijn en Grieks voor staatsexamencandidaten. Hij had o.a. de jongste zoon van Jaap Koenen, N.H. Koenen (geboren in 1905), onder zijn leerlingen. Van hem kan hij iets gehoord hebben over de gang van zaken rond de uitgescheurde bladzij. Er zijn nog steeds exemplaren mèt de gewraakte bladzijde bekend; professor G. Stuiveling kreeg er een van Johannes Reddingius (zie voor diens relatie tot Gorter: 1894:64a), J.D.F. van Halsema verwierf een exemplaar bij het antiquariaat E.J. Brill te Leiden, weleer de drukker van de dissertatie, evenzo Prof. A. Hoekstra te Brussel. - (T: Het licht voor de hand).

[p. 253]

1889:58 Alphons Diepenbrock aan zijn zuster Lidwine. [DD, I] Zonder plaatsvermelding, ongedateerd. - Fragment

Gorter is met groote standjes gepromoveerd. Ik zou overgekomen zijn als hij ook wat te eten had gegeven. Zijn dissertatie heb ik niet. Zelf is hij dien avond bij Heerma van Voss gaan fuiven. Hij is kwaad op de faculteit. Dat is me ook een zoodje. Gorter schrijft een prachtboek, dat keuren de lummels af omdat het hun niet banaal genoeg is. Toen maakt hij een gewoon ding, maar wil er in zetten dat hij daartoe door hun gedwongen is. Dat mocht niet. Nu is hij kwaad. Deelt geen boekjes uit, en geen eten uit, maar fuift zelf bij Heerma.

 

De Unicist Heerma van Voss was op dezelfde dag gepromoveerd. - ( T: zoodje).

1889:59
Uit het weekblad Nederlandsche Sport van 12 oktober 1889.
[NN, nr 375] Rubriek: Cricket. Amstels Cricket-Club gedurende dezen zomer

De vooruitgang van Amstels Cricket-Club in het voorjaar en begin van dezen zomer was een onderwerp van gesprek voor alle Nederlandsche cricketers. Terwijl in het jaar 1888 deze club slechts tot de tamelijk goede gerekend kon worden, maar er evenwel niet in kon slagen een der eerste vier clubs te verslaan, behaalde zij dezen zomer bijna achter elkaar een viertal overwinningen op clubs, die reeds een goeden naam hadden verworven [...].

Wanneer wij de averages nagaan, dan blijkt het dat Schröder bovenaan staat met de zeer mooie average van 11.4 [...]

Gorter volgt op Schröder met een average van p.m. 10.8. Hij bleek zeer vooruit te zijn gegaan en vooral in het begin van het jaar speelde hij zeer goed. De leg-kant was zijn sterkste zijde en daaraan heeft hij dan ook menigen fraaien slag gemaakt. Op cuts bleek hij soms ook nogal sterk te zijn. De overige averages vallen bij deze twee vergeleken nogal erg af.

1889:60
Albert Verwey aan Kitty van Vloten. [O]
(Amsterdam), 14 oktober 1889. - Fragment

[als naschrift:] Gister reisde Gorter met mijn trein, in gezelschap van een vreemde dame.

 

Gister’, 13 oktober, was een zondag. Verwey kwam toen van Haarlem terug, waar hij zijn verloofde bezocht had, zoals wellicht ook Gorter had gedaan. Gegevens over deze ‘[mij?] vreemde dame’ ontbreken ons.

1889:61
Albert Verwey aan Kitty van Vloten. [O]
(Amsterdam), 16 oktober 1889. - Fragment

Morgen krijg je een brief met allerlei over Gorter. Wat zal je dan genieten! En Vrijdag kom ik zelf. Dan geniet je bijna net zooveel. Dag.

1889:62
Herman Gorter aan Albert Verwey. [C]
(Amsterdam) 16 oktober 1889. - Briefkaart

Amice! Kom liever te negen uur, wil je?

H. Gorter

[p. 254]

1889:63
Albert Verwey aan Kitty van Vloten. [O]
(Amsterdam), 17 oktober 1889. - Fragment

½ 10'sm. [...] En nu wou je van Gorter weten. Nu, ik heb een plakje chocolaat bij hem meêgebracht omdat ik honger had, en dat hebben we samen opgegeten. Er was nog eén plakje en toen zei ik: Vriend, tast toe. Toen brak hij er een stuk af en zei: ik neem de grootste helft: dat is zeker de bedoeling. - Dat is de bedoeling, zei ik. Toen hij 't op had, vroeg hij: een glas wijn? ‘Ja, graag’. Die was nog van de fuif, vat je. En heel goed was-i.

We hebben aardig gepraat, maar 'n gekke jongen dat-i is en een idee van zijn eigen! Ik zei iets van dat de meeste literatuurperioden in een veertig jaar afliepen, en: als dat nu ook zoo is, hebben we kans. ‘Dan moeten we ons haasten’, zei hij. ‘Waarom?’ vroeg ik, ‘ieder heeft toch zijn plaats’. ‘Ja maar’ zei hij toen, ‘zijn plaats, maar ik zou toch liefst zelf het grootste doen’. Ik vroeg: hoe hij 't dan aan zou leggen om tegelijk 't grootste van Thijm en van zichzelf te hebben. ‘O’, zei hij, ‘dat loopt vanzelf wel samen’.

Leuk, hè? 't Zou mooi zijn als hij heel groot wás, maar doordat hij ((van)) voor alles, van de verschillendste verzen en proza, meevoelt, denkt hij dat hij al dat verschillende net zoó voelt als de makers ervan, net zoo sterk, en houdt zich nu net zoveel als al de anderen bij elkander. Hij is ruim en meent nu dat hij groot is. Die vergissing maakte zijn vader al. En free maakt ze, zonder ruim te zijn.

Om groot te zijn, moet je niet maar alles meêvoelen, maar àlles heel sterk voelen.

Enfin, aardig was hij toch. Hij vond Kobus zoo makkelijk om meê te praten - maar van Deyssel niet. Ik vroeg: en mij? Nu, jou niet heel makkelijk. Ik moest lachen en vroeg waar 't aan lag? Dat wou hij niet zeggen. Alleen zei hij: Bij Looy mag ik dommigheden zeggen: die neemt dat niet kwalijk.

Ik geloof nu dat 't zoo is - want wij praten samen niet heel makkelijk: - hij is als ieder poeet die nog maar alleen voor zichzelf geleefd heeft, altijd in zijn gedachten met zichzelf en zijn naaste dingen bezig. Lezen doet hij niet. Over sport praten gaat toch niet eeuwig op. Zoodat als ik bij hem ben komen er voornamelijk dingen over zichzelf in hem op. Die kan hij nu zeggen tegen Kobus, en ook tegen mij, maar met behoedzaamheid, want hij voelt wel dat ik niet naief ben en in staat hem uittelachen. Toen hij dan ook praatte van dommigheden zal hij stellig gedacht hebben aan dat hij gezeid had de grootste te willen zijn.

Dat hij over zichzelf denkt, net als ik vroeger, kwam b.v. aardig uit, zóo: hij had een tijd stil gezeten, keek toen in-eenen op, en zei: ik had ook nog een bundeltje verzen willen uitgeven. - Hij had dus op 't oogenblik toen hij dacht: ik moet wat zeggen, niets zoo gauw bij de hand als de prettige gedachte aan een uittegeven bundeltje. Hij sprak ook een paar keer van Mei, en hield 't ervoor dat dat verkocht werd om 't verhaaltje, wat ik niet geloof.

Aardigst zijn zijn verhalen van de sport. Soms gaat hij uit met de boot, met den jongen Koopmans en nog twee en blijven dan 's

[p. 255]

nachts uit, slapend in de boot of in een tent aan den wal, terwijl een, de een na den ander en elk twee uur, in de boot blijft waken. Dan nemen ze een kooktoestel meê en bussen met schildpadsoep.

Zijn liefste vermaak is hard loopen. Dat doet hij 's avonds zoo maar, de grachten langs. Daarin zou hij een goede portuur voor jou zijn, want hij kan 't lang volhouden. Hij solliciteert nu naar Amersfoort en zou daar graag komen te wonen.

Met free praatte hij niet graag, want die zocht altijd een psychologie van je te maken en vroeg zooveel. Maar over minder beteekenende onderwerpen ging het wel.

Ziezoo, wat zeg je er nu van? Heb ik mijn bezoek goed benuttigd? Als ik Gorter bij een dier zou vergelijken dan zou ik zeggen: een taaie sterke kleine hond van echt ras, met zijn neusje in de wind, vast van pootjes en nekkie, en onvermoeibaar. Dien indruk maakt hij als hij naast je voortloopt. Hij zou hard willen gaan loopen en doet alsof hij aan een touwtje rukt. Hij doet voortdurend al wat hij kan. Hij wou niet heel oud worden, zei hij. Tegen de 50 of zoo.

 

Kobus: Jac. van Looy. - (T: chocolaat: free; poeet; naief; uittelachen; uittegeven).

1889:64
Albert Verwey aan Kitty van Vloten. [O]
(Amsterdam), 17 oktober 1889. - Fragmenten

8 uur 's av. [...] Gorter vertelde me gister dat Karel Thijm 't zoo arm heeft in Bergen op Zoom. Ze moeten niet eens een meid kunnen hou'en. [...]

Daar krijg ik van Gorter gestuurd een gedrukte invitatie om Woensdagavond Tita van Gelder Mei te hooren voordragen in de Toneelschool. Ga je meê?

 

Voor de gedrukte invitatie, door Gorter ingevuld en geadresseerd, zie men de afbeelding (origineel in c). - Op de avond van de 23ste oktober droeg Titia van Gelder in een besloten bijeenkomst uit de Mei voor. Aanwezig waren o.a., blijkens Verweys brieven aan zijn verloofde: zij beiden, Frank van der Goes, Betsy van Vloten en Jac. van Looy. Dat Gorter er ook bij was, zou kunnen blijken uit de inleiding van M. Augusta Jacobs op de 14de druk (Leiden 1955) van Van Looy's Jaapje. Op p. 18 herinnert zij er aan, dat Gorter zijn Mei aan Van Looy had voorgelezen (hier: 1888:22). Hij zou (bij een latere ontmoeting?) gezegd hebben: ‘Je moest het eens horen als Titia van Gelder het voorleest’; hij nodigde hem uit voor een avond waarop dit plaats zou vinden. De daarop volgende briefwisseling en kennismaking leidde tot het huwelijk, in 1892, van Van Looy en Titia van Gelder. - Deze avond zal zooveel als een try-out geweest zijn voor een meer openbaar optreden. Zie daarvoor 1891:16 en 26, waar het commentaar o.a. iets zegt over de wijze waarop zij voordroeg. - ( T: Tita lees Titia).

1889:65
Albert Verwey aan Kitty van Vloten [O]
(Amsterdam), 24 oktober 1889. - Fragment

[Over een brief die Verwey van Hélène Swarth ontvangen heeft] Zie je, zij leit ook 't zwaartepunt van haar mooivinden in de Kloos-Sonnetten [dat zijn: de sonnetten die Verwey op Kloos geschreven had, Van de liefde die vriendschap heet]. Stellig doet ook Martha dat. 't Is wel deugdelijk waar, dat geslacht, het laatste romantische heeft zijn poëzie gehád. Ik heb ze gemaakt voor ze. Gorter heeft erop doorgeneuried. Verder zullen ze niets mooivinden dan wat met de

[p. 256]



illustratie
Uitnodiging, geadresseerd door Gorter, voor de voordrachtsavond van Titia van Gelder (zie 1889: 64).

[p. 257]

eens gegeven beelden in den eens gegeven toon komt. Die poëzie, dat is hun jeugd geweest. En geen mensch krijgt dat tweemaal.

1889:65A
K.J.L. Alberdingk Thijm aan Albert Verwey. [C]
Bergen-op-Zoom, 29 oktober 1889. - Fragmenten

Amice, Ik dank je zeer voor de toezending van je boek. [...] Ik weet niet absoluut of [,] maar mij dunkt toch zeker dat het geluk, dat jouw verzen mij bezorgen, verhoogd wordt door dat ik je ken, jou en je stem en alles. Dit is iets dat niet al tijd doorgaat, alleen bij sommige personen. Als ik mij Gorter herinner, verminderen zijn verzen voor mij in waarde.

 

Verwey had een presentexemplaar van zijn Verzamelde gedichten (1889) aan Thijm gestuurd. Voor de laatste zin vergelijke men zijn dagboeknotitie van 30 september 1889, hier 1889:53. - (T: jouw en je stem; al tijd (passim bij Thijm)).

1889:65B
Oprichtingsvergadering van de Nederlandsche Voetbal- en Athletische Bond. [NN, nr. 382]
Café Neuf, Haarlem, 17 november 1889. - Fragment

Voorzitter: de Heer W. Mulier.

Behalve de Voorzitter zijn tegenwoordig de volgende Heeren:

M. Weinthal Rotterdamsche C. en F. - C. ‘Concordia’.
P. Drooglever Fortuijn Rotterdamsche C. en F. - C. ‘Concordia’.
H. Bijstra Delftsche F.C.
H. Westerveld Haarlemsche F. - C.
A. van Walcheren Haarlemsche F. - C.
W. Bok Haarlemsche F. - C.
H. Burkens Haarlemsche F. - C. ‘Excelsior’.
Vollmer Haarlemsche F. - C. ‘Excelsior’.
H. Coops Haagsche Voetbal-Vereeniging.
J. Boer Rotterdamsche C. en F. - C. ‘Olympia’ en V. - V. ‘Rotterdam’.
Dr. H. Gorter Amsterdamsche Sportclub.
van Hasselt Amsterdamsche F. - C. ‘R.A.P.’
H. Rust Voetbal-Ver. ‘Amsterdam’.
Harthoorn Voetbal-Ver. ‘Amsterdam’.

Te ongeveer 11 uren opent de Voorzitter de vergadering. Hij dankt de aanwezigen voor hunne tegenwoordigheid in deze vergadering, doet de wenschelijkheid van de oprichting van een Voetbal- en Athletischen Bond in het licht treden en vraagt ten slotte, of soms iemand onder de aanwezigen bezwaren tegen de oprichting van een zoodanigen Bond in het midden wenscht te brengen.

Niemand vraagt echter het woord, zoodat de Bond dus zal worden geconstitueerd.

 

Vervolgens werden nog vele zaken besproken, o.a. betreffende contributie en spelregelwijzigingen. Van de Amsterdamsche Sportclub en Gorters rol daarin is mij niets naders bekend.

[p. 258]

1889:66
Herman Gorter aan Albert Verwey. [C]
[Amsterdam] 19 november 1889 - Briefkaart

Amice! Kloos kan de boeken nu niet opsporen. Ze liggen te midden van de massa die hij bij v.d. G heeft liggen. Nitzsche zal ik je òf morgen òf overmorgen komen brengen. t.t. Herman G.

 

Verwey trachtte door bemiddeling van Gorter enige bezittingen die hij destijds aan Kloos geleend had, terug te krijgen. - (T: Nitzsche).

1889:67
Albert Verwey aan Kitty van Vloten. [O]
[Amsterdam] 20 november 1889. - Fragment

In de militiezaal [waar op deze datum de kijkdag voor een veiling door Verwey bezocht werd] vond ik Valk en Gorter. Gorter komt morgenavond.

1889:67A
Albert Verwey in een dagboekachtige beschouwing van zijn poëtische ontwikkeling. [C, LV 67]
Ongedateerd. - Fragment

De geschiedenis van mijn verzen is ook nog een andere. Die van het rijp-worden van mijn geluid. De dichter werkt alleen met die klanken die zijn rhythmen 't klaarst en fijnst volhouden - de leek viert den lust bot in sappige rijpe in elk woord op zich zelf te proeven, maar de rhythmen-zoom doorberstende taal. 't Woord en dat brutaal, vol, geurig, sappig uitbrekend door de gespannen vormen werd een genot op zich zelf en ik vierde het, het eerst in Van 't Leven.

Vandaar de zoo verschillende oordeelen die ik erover hoorde van twee zoo verschillende dichters als Kloos en Gorter.

Kloos, de dichter van de deining, niet lenig, zei die.

Gorter, die bij uitstek de dichter van 't woord is, van 't geurige, 't bekorende, gezwollen-genotvolle woord, toen ik hem zei dat men 't zwart vond, hoe zwarter hoe beter, zei hij toen en prees het vers boven al mijn vorige.

 

Gegevens uit de contekst van dit fragment doen vermoeden, dat deze zelfbespiegeling, die in zijn geheel ongeveer zes keer de omvang van het hier gebodene heeft, is geschreven circa 1891. De tekst is niettemin hier geplaatst, omdat Gorters oordeel over Van 't Leven, waaraan herinnerd wordt, hoogstwaarschijnlijk is uitgesproken tijdens het bezoek dat in de voorgaande tekst, 1889:67, vermeld is.

1889:68
De Inspecteur der Gymnasia C.J. Eggink aan de Curatoren van het Gymnasium te Amersfoort. [N, 1886-1899] Amsterdam, 25 november 1889. - Fragment

Voor de vacante betrekking van leeraar in de oude talen aan het Gymnasium te Amersfoort hebben zich aangemeld zeven sollicitanten, allen in het bezit van de volledige wettelijke bevoegdheid. [...]

1. Dr H. Gorter, die zeer onlangs zijne studiën aan de Amsterdamsche Universiteit voltooid heeft, is iemand van meer dan gewonen aanleg, van wien men na zijn candidaats-examen vrij groote verwachtingen koesterde. Zijn doctoraal-examen bleef intusschen beneden die verwachtingen, waarschijnlijk omdat hij na zijn candidaats-examen, in plaats van zich met hart en ziel op zijne studievakken toe te leggen, zich met de beoefening der moderne littera-

[p. 259]

tuur bezig hield en zelf proeven van dichtkunst het licht deed zien. Klassikaal heeft de Heer Gorter gewerkt aan eene bijzondere inrichting van onderwijs te Amsterdam, en hoewel de resultaten van dien arbeid ten gevolge van allerlei toevallige omstandigheden niet bijzonder gelukkig zijn geweest, heeft hij toch het bewijs geleverd van zijne geschiktheid tot het geven van klassikaal onderwijs. Volgens bevoegde beoordeelaars is hij conscientieus op het punt van plichtsvervulling, waar hij eenmaal eene taak aanvaard heeft.

 

Van Gorters klassikaal onderwijs-geven in Amsterdam is nog geen andere vermelding bekend.

1889:69
K.J.L. Alberdingk Thijm aan Willem Kloos. [F, 69E5-111] Bergen op Zoom, 7 december 1889. - Fragment

‘Mei’ heb ik nu ook heelemaal gelezen. Wees zoo goed en laat het u volkomen onverschillig zijn, maar mijne meening daarover is niet veranderd, namelijk ik vind het niet groot en ook niet emotie-vol. Wèl mooi, maar mooi gefluit of geneurie, zoo als de dichter zelf in den aanvang zegt. De dichters Gorter en Van Eeden kunnen mijn hart niet stelen. [...] wees zoo goed en acht 't niet de moeite waard om 't aan de dichters meê te deelen. [...]

Gij vindt de Christus-sonnetten van Verwey iets meer dan Persephone; nu, juíst, precíes, dáarom vind ik ‘Mei’ minder dan sommige andere verzen.

Ik ben hoogelijk ingenomen met de gedichten van*** in de Oktober-aflevering.

 

Zie voor Alberdingk Thijm het commentaar bij 1888:30. - De anoniem verschenen gedichten in de oktoberaflevering waren van Gorter (zie commentaar bij 1889:54).

1889:70
Burgemeester en Wethouders van Amersfoort aan Dr H. Gorter. [J]
Amersfoort, 14 december 1889. - Afschrift

Wij hebben de Eer UEdZG.l mede te deelen, dat de raad dezer Gemeente in zijne vergadering van 11 dezer U heeft benoemd tot leeraar aan het Gymnasium alhier behoudens de goedk. van de Heer Minister van Binn. Zaken.

Burgemeester en Wethouders van Amersfoort

De Secretaris

De Burgemeester

 

[w.g.] W.L. Scheltens

[w.g.] F.A.E. van Asch van Wijck

 

De goedkeuring van de Minister werd verleend bij schrijven van 21 december.

1889:70A, 1950 P.S. Teeling in de Amersfoortse Courant. [AR, 5 augustus 1950]. -Fragment

Voor het eerst komt de naam van Herman Gorter voor in de Amersfoortse stadshistorie, als de Amersfoortse Courant van 14 December 1889 bericht, dat de heer Dr H. Gorter, doctor in de klassieke letteren te Amsterdam was benoemd tot leeraar in de oude talen aan het Gymnasium alhier, hetwelk toentertijd in het gebouw aan de Westsingel was gevestigd, waar nu de Geneeskundige dienst huist. In de Raadsvergadering van 11 December er

[p. 260]

voor werden op Gorter 9 stemmen uitgebracht en op de heer R. Jesse uit Leiden 4 stemmen.

 

P.S. Teeling was in de jaren na de tweede wereldoorlog landmeetkundige te Amersfoort. Van het resultaat zijner onderzoekingen, neergelegd in enkele krantenartikelen, heb ik dankbaar gebruik kunnen maken.

1889:71
Albert Verwey aan Kitty van Vloten. [O]
(Amsterdam), 16 december 1889. - Fragment

Sluiten onze briefjes aan Gorter niet heel aardig? Alleen van de bloemen heb ik niet, maar erzonder is het ook al lief en zijn meisje is erin en alles.

 

Dit zal de overeenkomstigheid betreffen die Verwey constateerde tussen zijn en haar briefje ter felicitatie met Gorters benoeming. De briefjes zijn niet bewaard gebleven.

1890:1
Albert Verwey aan Kitty van Vloten. [O]
(Amsterdam), 15 januari 1890. - Fragment

Toen ik uit 't station kwam ontmoette ik free en Gorter. Met een bonjour voor Free en een addio voor Gorter ontweek ik ze.

 

(T: free).

1890:1A, 1932
Uit het dagboek van To Loman. [H 2]
6 maart 1932. - Fragment

Een reeks koude dagen voorbij, de ijzige Oostenwind en de tinteling riepen een herinnering op aan een schaatsentocht met Pans in 1890 toen we onder een strakken blauwen hemel langs de sneeuwvelden vlogen en hij opeens vuur werd en later op den dag, het was al avond en we naderden Amsterdam, zat hij an den wegkant keek na de lichten van de stad en ik lag op het ijs en rustte.

 

Het dagboek van de zangeres To Loman, een leeftijdgenote van Gorter, bevat hier en daar herinneringen aan haar jeugdjaren in Amsterdam, voornamelijk aan het muziekleven aldaar in de jaren tachtig. Zij kwam als jong meisje veel bij de familie Diepenbrock aan huis en was bevriend met Hermans zuster Nina. - Op latere leeftijd werd zij blind, haar dagboek is in typoscript (vandaar ook enkele onregelmatigheden in de tekst). Zij vertelde ook aan Jenne Clinge Doorenbos herinneringen (hier opgenomen onder 1886:14a). - De situatie in het hierboven weergegeven dagboekfragment toont een opvallende overeenkomst met die uit de laatste strofe van Gorters gedicht Toen bliezen de poortwachters op gouden horens: De wereld was een blauwe en witte zale, / daar stond een sneeuwbed tintelsneeuw midde'in, / uw goudhoofd naar zwaansveeren ging te dalen - / lachende laagt ge, over het veld, handblanke, blanktande, trantele koningin. (vw ii, 72; Verz. lyriek 141; eerste publikatie in Verzen, september 1890). De winter van 1889-1890 bleef om zijn grote kou bij velen nog lang in herinnering. - ‘... en hij opeens vuur werd’: To Loman zal hiermee de uitstraling aanduiden die zij van Gorters persoonlijkheid ondervond; zoals duidelijker wordt uit het vervolg, waarin zij refereert aan een socialistische eén-Meiviering in Zwolle, waar Gorter op een meeting sprak en waar zij zong. ‘9 jaar later weer 2 Meidagen in Zwolle, in Hattem, alles bloesem en zon, weer was hij vuur en weer voelde ik de gloed en zag ik de vonken en bijna zonder woorden waren we elkaar dankbaar. Vreemd zooals iets blijven kan als de ziel ermee gemoeid is. Ontberen en toch rijk zijn, is dat niet eigenlijk mijn leven?’ - (T: an den wegkant keek na de lichten).

[p. 261]

1890:2
[Q]

Op 22 januari 1890 wordt Herman Gorter wegens vertrek naar Amersfoort als inwoner van Amsterdam uitgeschreven.

1890:2A, 1950
P.S. Teeling in de Amersfoortse Courant. [AR, 5 augustus 1950] - Fragmenten

Gorter kwam op 23 Januari 1890 met zijn moeder naar de Keistad. De bevolkingsregisters, welke ik raadpleegde, vermelden niets anders, dan het huisnummer g 169 b. [...] Dank zij een toevallig gesprek met de gepensionneerde brievenbesteller Smit, uit de Westerstraat, kon enige jaren geleden de juiste plaats van g 169 b worden gevonden. Bijna 60 jaar na datum herinnerde zich deze postbode nog als de dag van gisteren, hoe menigmaal de vriendelijke mevrouw Gorter hem voor een lekker bakje koffie had binnengeroepen, als hij met post kwam op het huidige no. 22 aan de Korte Bergstraat, waar thans de heer Van de Laar woont.

[...]

De Korte Bergstraat was in die tijd nog slechts aan één kant bebouwd. De grote huizen aan de zijde van de Lichtenbergkliniek [...] stonden er dus nog niet. Op no. 20 hadden de Gorters als buurman de commissaris van Politie, Dammers; no. 18 was nog niet gebouwd en op no 16 woonde de luitenant der husaren, Grondhout.

 

Voor Teeling zie 1889:70a. - Een afbeelding van Gorters woonhuis vindt men in de eerste druk van de Herman Gorter Documentatie (A'dam 1964). - (T: husaren).

1890:3
Alphons Diepenbrock aan Aeg. W. Timmerman. [J]
's-Hertogenbosch, 23 januari 1889 [moet zijn: 1890]. - Fragment

[Na zijn medeleven met Timmerman betuigd te hebben, die kort te voren influenza had gehad, evenals Diepenbrock zelf en vele anderen:] Gorter is nu in Amersfoort zooals je weet. Hij is in den laatsten tijd ook niet erg wel geweest, en schijnt zich overwerkt te hebben die jongen heeft een zwaar leven, behalve dat hij hard werkt, lijdt hij veel, waaraan weet ik niet, maar dat het zoo is heb ik gemerkt. Natuurlijk verkeert dat weer [weer? Niet goed leesbaar] bij hem in kunst, en zoo zullen wij weer eens aanzitten aan het festijn van zijn lijden. Maar ik weet wel dat hij blij is dat hij van Amsterdam weg is, en nu eindelijk op rust hoopt. Van ‘Mei’ ((zijn)) waren een poosje geleden 260 exemplaren verkocht zoodat Versluys hem f 50 crediet had gegeven voor zijn nieuwe bundel, die allemaal dingen bevat van de laatste tijd ook de kleine gedichten [die] nu in de N.G. hebben gestaan. Hij zegt dat hij het wel tot an zijn dood kan [kon?] voortzetten, en dat het zijn lijdensgeschiedenis is.

 

(T: overwerkt te hebben [,] die jongen; tot an zijn dood).

[p. 262]

1890:3A, 1927
G.C. Hoogerwerff in het Algemeen handelsblad. [AH, 20 september 1927] - Fragment

Toen Gorter benoemd werd tot leeraar te Amersfoort, was de Mei reeds verschenen en eerst na zijn benoeming is hij zich ‘in het oude stadje’ komen vestigen.

Ik was in die dagen leeraar aan het Amersfoortsch gymnasium en ik herinner mij nog zeer goed, dat de benoeming van Gorter voor mijne collega's en mij min of meer een ‘évenement’ was. 't Gedicht werd toen druk besproken maar verscheidene leeraren hadden er nog geen kennis mee gemaakt. Er werd toen besloten om voor gezamenlijke rekening een exemplaar van het werk aan te schaffen voor de leeraarskamer. Aldus geschiedde.

Gorter verscheen, maar zoo wij hadden gehoopt, dat hij ons menige regel, die ons toen nog duister was, zou willen verklaren, dan zagen wij ons deerlijk teleurgesteld.

Hij sprak niet gaarne over zijn werk.

Gorter heeft niet lang in ons midden vertoefd. Zijne verhouding tot zijne collega's was goed, zonder ooit bepaald vriendschappelijk te worden. Hij ging zijn eigen weg. Slechts enkelen begrepen iets van zijne beteekenis en ook die enkelen hebben hem toch eerst later als dichter leeren waardeeren.

 

G.C. Hoogerwerff was leraar Nederlands aan het gymnasium. - ‘in het oude stadje’: een aanhaling uit de vierde regel van Mei; het is meer waarschijnlijk, dat Gorter bij het schrijven daarvan heeft gedacht aan het Friese plaatsje Balk: zie zijn ‘autobiografie’, 1883:5. - Verspreid in tabellen, klasseroosters en dergelijke papieren zijn in het Amersfoortse schoolarchief nog de volgende gegevens te vinden: het gymnasium telde in deze jaren ± 65 leerlingen. Gorters salaris bedroeg ƒ 2000.- 'sjaars (dat van de conciërge ƒ 200.-). Hij gaf 22 uur per week les, nl. 8 uur in de eerste, 6 uur in de tweede, 6 uur in de derde en twee uur in de vijfde (één jaar vierde) klas. Voor zijn absentie, zie 1890:10 met commentaar. Voor straffen: 1890:72. Voorts de plaatsen die in het zakenregister worden opgegeven onder Leraarschap.

1890:4
Herman Gorter aan Willem Kloos. [F, 69 E5-12]
Zonder plaatsvermelding, door Kloos gedateerd 27 januari 1890

Amice! Het laatste strofetje van het laatste vers moet gelezen worden:

 
O om een bleeke lichte meid
 
die nu opbloeie,
 
wat weeïge lelieheid
 
mij warme, moeie.

Ik liet me bij Kras verleiden het op te sieren, maar ik wil het liever zoo laten. Ook stuur ik je nog een vers, hiervoor zijn 2 blz. vermoed ik noodig. Je hebt het al gelezen. Het komt morgen of je 't gelooft of niet.

t.t. Herman G.

De 3 versjes moeten in de volgorde die ik gaf. Daarna moet wat ik je sturen zal.

 

Kras: In de jaren tachtig had de Pool Krasnapolsky het café - restaurant van die naam, beroemd om zijn wintertuin, geopend.

[p. 263]

1890:5
Gedichten van Gorter in De Nieuwe Gids [VV, jrg 5, nr 3, p. 389-393]

In De Nieuwe Gids van februari 1890 verschenen anoniem Gorters gedichten:

De boomen waren stil

De heide is maar stil

Het is weebleekerig grijs

en onder de titel Een koning, die in de boekuitgave vervallen zou, het langere Ik liep 's avonds door mijne stad.

 

In Verz. Werk deel ii op de bladzijden 25, 26, 27 en 91 te vinden; in Verz. lyriek op de bladzijden 94, 95, 96 en 160.

1890:6
K.J.L. Alberdingk Thijm aan Willem Kloos. [F, 69E5]
Zonder plaatsvermelding, 15 februari 1890. - Fragment

Met het Proza van Delang en de verzen van*** blijf ik buitensporig ingenomen. Gedicht ‘i’ en ‘Een Koning’ bevatten sentimenten, die ik de eer heb gehad precies zóo te hebben, maar het is van mij lang geleden, want aan sentimenten, enz. daar doe ik niet meer aan.

1890:7
Artikel in de Nederlandsche Spectator van 15 februari 1890. [OO]
Vlugmaren, door Flanor. - Fragment

Wat die Nieuwe Gids weer aardig is in zijnen goedhartigen eenvoud!

 
Het is weebleekerig grijs
 
het regent wat
 
de wind zingt een arme wijs,
 
de daken zijn nat.

Welke een aanbiddelijke naïeveteit zit er in die regels en vele anderen. Als de dichter later zingt:

 
O, om een lichte bleeke meid
 
die nu opbloeie,
 
wat weïege lelieheid,            [weeïge]
 
mij warme, moeie.

dan zoude een minder eenvoudig mensch allicht denken, dat hij met die ‘moeie’ - waarschijnlijk eene jonge tante! - de lucht inging, maar de zanger stelt u gerust:

 
Ik liep het aan te zien
 
bang en tevreden,
 
mijn voeten als goede liên
 
liepen beneden.

Heel gewoon dus ‘liepen zijn voeten beneden’. Men mocht eens denken, dat hij op zijn hoofd liep.

Ik moet verklaren, dat ik na de lezing werkelijk jaloersch werd. Ik trachtte daarom ook eens iets te maken zóó eenvoudig, neen, als

[p. 264]

het maar kon. Ik had toevallig ook het uitzicht op een dak; dadelijk was ik geïnspireerd. Ik keek eens rond, greep mijn lier en tokkelde:

 
Op het vaatdoeknatte dak
 
Zit een weebleeke kat met een staart.

(Die staart kon ik niet laten glippen, want de kat keerde zich juist hoogst oneerbiedig om).

 
Zij zongt een kattonige wijs.
 
't Is in de maand van Maart.
 
 
 
O, dat een bleeke meid
 
Voor mij in de dakgoot bloeie;
 
De meid die ik gaarne vrijd'.
 
De kat liep met kater te stoeie'.

Ik vraag u in gemoede, waarde Spectator, of dat nu niet veel leuker, eenvoudiger is dan 't fraaiste liefdesonnet van Petrarca en ik verwacht, dat gij mij, nu ook wel zult willen rangschikken onder ‘de lieden van '80’, - dat ben ik dan ook heusch - die ‘niet geven om fraaiheid van frase, om eruditie of vormlijkheid, en zoo natuurlijk en trouwhartig en kinderlijk zijn als goede artisten dat altijd zijn geweest’.

Dat laatste citaat is uit de ‘Litteraire Kroniek’ van hetzelfde Nieuwe Gidsnommer.

 

Flanor: onder deze van Vosmaer geërfde schuilnaam schreef de Haagse uitgever en literator P.A.M. Boele van Hensbroek de journalistieke Vlugmaren. Zie voor hem 1889:20, commentaar. - De regels Ik liep het aan te zien etc. vormen de laatste strofe van De boomen waren stil. - De Literaire Kroniek van De Nieuwe Gids werd geschreven door Willem Kloos. - (T: dat gij mij, nu ook).

1890:7A, 1960
Professor Dr. P. Groeneboom in een gesprek met Enno Endt. [B2]
September 1960

Omdat mijn vader in de Gemeenteraad van Amersfoort zitting had, weet ik waarom de raadsleden Gorter als leraar verkozen boven de andere sollicitant, de heer Jesse: hij reed in een vigilante met een hoge hoed en met glacé handschoenen de raadsleden langs voor persoonlijke kennismaking, terwijl de heer Jesse deze verplichte bezoeken met garen handschoenen meende te kunnen afleggen.

Hij werd mijn leraar Latijn toen ik in de vijfde klas van het gymnasium kwam, in 1890, en hij gaf ons twee uur per week Vergilius. Dat waren prachtige lessen... àls hij les gaf! Want zagen wij bij zijn binne