Verzamelde werken. Deel 2. De school der poëzie


auteur: Herman Gorter


editeur: Jenne Clinge Doorenbos en Garmt Stuiveling


bron: Herman Gorter, Verzamelde werken. Deel 2 (eds. Jenne Clinge Doorenbos en Garmt Stuiveling). C.A.J. van Dishoeck, Bussum / Em. Querido, Amsterdam 1948


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Verzamelde werken. Deel 2

Herman Gorter

Editie Jenne Clinge Doorenbos en Garmt Stuiveling


Inhoudsopgave

Individualistische verzen I ['s Morgens op het witte laken]

[Toen de tijden bladstil waren, lang geleen]

[Ik zat toen heel stil te werken]

[O als de zon schijnt]

[Wij zilvren wezens, nevellichten, gewassen]

[Gij zijt een stille witte blinkesneeuw]

[Gij zijt een schemerwitte leliemeid]

[Gij zijt het opene, het witte, 't willende]

[O koele zwarte ademen van den nacht]

[De zon. De wereld is goud en geel]

[De stille weg]

[In de zwarte nacht is een mensch aangetreden]

[De boomen waren stil]

[De heide is maar stil]

[Het is weebleekerig grijs]

[Een kind dat altijd verlangt]

[Beweging is vóór me ongewis]

[Ik ben alleen in het lamplicht]

[Toen zag ik je]

[Ik zat eens heel alleen te spelen]

[Gij staat zoo heel, heel stil]

[Schaduwen wand'len in haar oogezalen]

[Mijn liefste was dood]

[De avond aâmt nu haar goudgroene licht]

[De zon heeft toen zelf een lied gezongen]

[Ik proefde de lauwe luchten]

[Voel je den nacht]

[De lente komt van ver, ik hoor hem komen]

[Het strand was stil en bleek]

[Hè ik wou jij was de lucht]

[Dit zijn de bleeke, bleeklichte weken]

[Ik was toen een arme jongen]

[Haar oogen tintelkelken]

[Stil zit ze, kijkt voor zich]

['t Is zwart en donker]

[Het was in den zwarten nacht]

[Het regende in de stad]

[Zacht kwam ze als jonge sneeuw]

[En ik bij de stille zeeën]

[De lucht was geel als gele chrysanthemen]

[Gij zijt een bloem, een lichte roode bloem]

[In de stilte van de stad]

['s Avonds in 't donker doet ze de oogen dicht]

[Onz' hoofden weenen en zijn genegen]

['s Nachts dan is 't leven haar zoo hel en roode]

[Toen bliezen de poortwachters op gouden horens]

[Ik zat eens heel alleen te denken]

[De straalpralende dag]

[Het gouden zongezwier]

['t Is alles weenen, de storm, het huis]

[Een roode roos is in mijn hand]

[Mijn handen zijn zoo heet]

[Ergens moeten toch zijn de lichte watren van haar oogen]

[In de verte zag ik blanke wateren]

[Ik had zoo lang rondgeloopen]

[Ik wilde ik kon u iets geven]

[Ze zat daar rechtop en keek]

[Ik lag te slapen op mijn bed]

[Ik liep 's avonds door mijne stad]

[Samen te loopen tusschen breede zeeën]

[Zachtlichte lentenen]

[Laat ik nu denken hoe dat alles was]

[In een grijs huis en in een kamerlicht]

[Zie je ik hou van je]

[Het was dien avond zoo stil]

['k Heb mijn oor tegen zooveel stemklokken geleend]

[De grijze lucht als een satijnen waaier]

[Avond. De heuvels vallen vaal]

[De lucht was fijn. Avond]

[Blinkend licht splinterde fijn]

[Daar ligt dat water - dat schitterende water]

[Mijn grijze tintelreine]

[Stil grijs lichtrood leeft ze]

[Al die grijze dagen]

[In den heeten nacht een heet zwart grijs korenveld]

[Gebenedijde]

[Er was veel goud eikegeel]

[Er was toen sneeuw op 't mos]

[Nu schijnt de zon op straat]

[Twee lampen schijnen]

[Dat kouwe vleesch van een ander]

[De lente - ik sta midden in haar]

[De boomen golven op de heuvelen]

[De gonsregen, regen]

[De lamp schijnt, de kamer is open]

[Aldoor dat metalen ruischen van de metalen stralende zee]

[De zee buiten grijs, zilverig, regenig, lommerig, in wolke' cirkelgespreide]

[De golven en hun òver voorovervallen]

[Leven, zoele omsomberde even inschitterde]

II [De dagen]

III [Luchten, blauwhooge wimpere]

[Gingen de straten heen in eindeloosheid]

[In de tintelige lente]

[De grijze luchten hongeren]

[De zonnezweemen]

[In zelfvergeten hoekje in den geur]

[Terwijl de wind scheen en de bij bromde]

[De zonn'ge weg met schaduw doorgeschoten;]

[De lucht is vol met onvolkomen drang]

[In de stad met het zilverig oogerondkijken]

[Hoe zacht bij het vonkeschijnsel]

[Mijn oogen zijn stil]

[De zon, de zon in wit vuur]

[Het opene zoo klare aardeleven]

[De zilte regen over de boomen]

[In den grijzen avond was de stad luidruchtig]

[Het gras heeft den nacht al begonnen]

[De mistregen komt verhalend]

[De zilver begonnen dag]

[Wankelschrijdend in den wankelschrijdenden wind]

[Het is om 't al stil verachtend van me te gooien]

[Als een kind dat de weeke zonde]

[Schrikkend is de nacht met een stillen schrik]

[Als een bosch waar de groote stammen]

[O wat een groote kracht heb ik gekregen]

[Een vrouw als de wereld, als een wezenlooze]

[Ik kan niet begrijpen dat er niet veel meer zijn die zoo spreken]

[De verre toren staat vast]

IV [Is dit het roepen van den morgen? Winden]

[Het witte westen en de overval]

[Het riviergras waar zich het vee in baadt]

[Weerend zijn de witte onstuimigheden]

[Op komt de zee met wijdend openkomen]

[De groote wateren zijn ruste-gevend]

[Mij is het wachten, zal niet uit de volle]

[Hoe onzeker is toch het leefgevoel]

[De zomer is de tijd van alle rozen]

[De hemel is zoo vast, de volle blauwe]

[Zit ik niet in diamantene stilte]

[Vlakten van landen en bergen van steden]

[De schoone boom die zijn geblaart uithangt]

[Dikwijls loopt 'n meid zonnige dag te denken]

[Zlooals de maaiers 's avonds huiswaarts gaan]

[En in het scheemerige zomerlicht]

[De heidevelden waar hellingen wonen]

[Dag is muziek van wisselende dingen]

[Ik vlood vandaan de wereld achter deuren]

[Ik ruik iets jongs en iets schoons in de bosschen]

[De grondelooze tonen hoor ik in]

[De omvattende liefde heeft mij nog]

[Regelmatig gingen regelen wateren]

[Zij stond en had haar blank gezicht wijd open]

[Nu rieken eerst de dingen scherp en stekend]

[Zooals de zee met eindelooze deining]

[Ik kom om 't groene hout. Daar is de vrede]

[Mijn omvattende liefde heeft genoeg]

[Om nu te slapen met mijn handen over]

[De aarde en de groote halmenris]

[Koude rilling doorgaat me van de zee]

[In 't land der droomen in het droomenland]

[In het grof duister zit mij eene vrouw]

[Ik was nog jong toen ik op eenen dag]

[De morgen-frischte komt van uit de zee]

[God kleedt de lente aan in witte kleeren]

V Balder

VI

[‘En nu deze waarheid dus hier zoo staat]

[‘Altijd bewege' in ons aandoeningen]

[‘Hoe meer het lichaam kan worde' aangedaan]

[‘Dit is dus de Verbeelding, als een Kind]

[‘Opdat ik nu ten duid'lijkste aanwijs]

[‘In God, dat Wezen waar de mensch ontvangt]

[‘Maar God kent niet slechts 't menschelijke lijf]

[‘Maar de mensch heeft geen juiste kennis van]

[‘En de gedachte van een aandoening]

[‘Hieruit volgt dat de menschelijke geest]

[‘Wanneer de goddelijke geest in een]

[‘Drie wijzen zijn er, 't algemeen te kennen]

[‘Daar God de gedachten der Verbeelding]

[‘En ik moet opmerken dat op zich zelf]

[Deze woorden hoorde ik als in een droom]

[Terwijl ik op een morgen nederlag]

[Nadat ik jong en teer geboren was]

[Toen 'k ziek was, trad bij mij de kamer in]

[O hart, begeef u in de eenzaamheid, -]

[Al het begrepene is zuiver schoon]

[Als een moeder die alles in zich sluit]

[Daar de een'ge kracht van de gedachte is]

[Er is een wijs van zien naar ieder ding]

[Onder den schijn van de hemelsche zon]

[Er siddert onder alles dat ik zie]

[Niet maar eens nu en dan, en in half duister]

[Ik die de schoonheid dikwijls zag]

[Er daalde tot mij neder uit den hemel]

[Gij zegt mij, liefste, om deugdzaam te zijn]

[Van uit Gods wezen, zijn eeuwige licht]

[Wanneer ik lang met haar gesproken heb]

[De regen valt in stroomen naar beneden]

[In diepe somberheid van regendag]

[In stilte des avonds is mij gekomen]

[Wat is het, dat mij zulk een blijdschap geeft?]

[Zooals een schip dat rondgeworpen wordt]

[Het zoete licht des middags giet op mij]

[Van uit den boezem van de wilde wolken]

[In diepe stilte, in het fijne weder]

[Voor mij uit zie ik als een nevel hangen]

[Zooals des morgens in den koelen herfst]

[Terwijl ik wandelde in 't stille woud]

[En langzaam schreed ik verder. En ik las]

[O Gij die in alle hemelen zijt]

[In de sneeuw waren alle duinen wit]

[Reeds is de winter ons voor goed gescheiden]

[Vorstin de lente komt, en vóór haar komen]

[De zon is nog niet uit den nacht geboren]

[Terwijl ik voel dat ik wel iets meer ken]

Socialistische verzen [O God! ik sta aan den verkeerden kant]

I [De arbeidersklasse danst een groote reidans]

[Het socialisme het is een eikeltje]

[Ai, 't is nog klein nog, dat groot socialisme]

[Een vlies, een zachte film, het socialisme]

[Zoo als nu in een kamer van de stad]

[Te midden van 't oneindige heelal]

[De arbeidersklasse stijgt langs trappe' omhoog]

[Ik hoor de arbeiders klimmen naar de macht]

[Zooals men zien kan op den witten gletscher]

[De arbeiders staan op den rand van de zee]

[Zooals men op de droomerige zee]

[Niet gemak'lijk, uit één kamertje]

[Zooals de rijen van de wolken die]

[Zooals de herfst de lucht doortintelt met kleuren]

[O dichters, ziet ge niet dat hier de bron]

[Arbeiders, ziet ge daar dat goud, die zon]

[O klaar, klinkklaar Holland van water en lucht]

[Het socialisme komt, de wolken jublen het]

II [Een zoeker, een poëet ziet in de ruimte]

[Eens zal een dag zoo vol van Eenheid dagen]

[Dat ik klaar zien kan, dat ik als een rots]

[De mensch aan 't werk]

[Er zijn in de menschheid van die trillende nerven]

[Ik sta voor den mist van den tijd]

[‘Poëzie is hartstocht, maar in de verbeelding,’]

[Evenals door de zee gaat door de menschen]

[Het licht is nog niet geworden]

[Gedoken zit ik in de ruimte]

[Gedoken zit ik in de ruimte]

[Mijn kamer is der stilte diepste groef]

[Zuiver, in den moreelen band zuiver geslagen]

[Helder schijnt de grijze lucht]

[De honingvloeiende lucht zweeft daar heel hoog]

[Meer dan de zon schijnt mij het socialisme]

[Dit is heerlijk, om met een echten vrind]

[Wanneer men stil in mannenkring neerzit]

[In 't lichte oosten kwam de zon]

[De dag gaat open als een gouden roos]

[Terwijl de aarde om het zonlicht gaat]

[Men moet niet droomen dàn wanneer men doet]

[Zooals een meisje, o wonder zoo zoet]

[Een schoone rij van menschlijke gezichten]

[Wanneer men tusschen een schaar mannen treedt]

[De arbeiders dringen zich aan den trog]

[Wanneer men stil is, met zich zelf, de macht]

[Alles in zich te laten zinken, en 't]

I Natuur

II Menscheid

I

II

III

IV

V

VI

VII

[In de zachte kleedaage van de Vrijheid]

[Vrijheid, waartoe de arbeid zich verheft]

[O alvoedende menschmaatschappij]

III [Dikwijls als ik de arbeiders zie gaan]

[O om nu een van 't werkend volk te zijn!]

['t Was stil over de wereld, 't licht alleen]

[Toen het dag was geworden en het eerste daglicht]

[Toen het dag was geworden en het eerste daglicht]

[Toen 't avond was geworden, maar de lucht]

[Een vrouw, een jonge en zachtlijnige vrouw]

Één mei

Marx

Aan Henriette Roland Holst

30 januari 1903

[O wanhoop van de moeder, die haar man]

[Arbeidersklasse, mannen, en gij, vrouwen]

[Een mensch die nu tot eene andre zegt]

[Stort, o arbeiders, u diep in de zee]

IV [Ik zag een man, rein en naakt]

[Zooals een engel door de blanke lucht]

[Zoo zeker in doodstillen lentenacht]

[O schoonheid gij zijt niets]

[Ik heb een zeer schoon man gezien]

[Een man trad op mij aan]

[Er treedt een man mij aan]

[Een zwaar breed volk staat te wachten]

[De schoone mannen en vrouwen]

[Van uit een nieuwe wereld treedt]

[Van uit een nieuwe wereld treedt]

[Eenmaal zal kunst en leven niet meer zijn]

[Eenmaal zal één persoon zeer rustig vlieten]

[O vrij te zijn! Met geene vaste banden]

[De aarde ligt in de armen van de zon]

[O bergen, die met uwe hoofden steekt]

V [Maannacht]

[Het was stil]

[De zon schijnt. Het lijkt wel een gouden bad]

De muze

[Er vloeit een vloed van zon]

[Toen 't avond was]

[Het grootste derven is mijn lafenis!]

[Zooals wie veel gefeest heeft, veel geslapen]

['s Morgens, men treedt voor de vaalgroene weiden]

[Toen ik de stad zag, zeilend met de boot]

[Zooals een meeuw 's morgens over zee trekt]

Visioen

[Zooals 's morgens uit 't zwijgen van de zee]

[Er is een wonderschoone Vrouwe]

De moeder

Het proletariaat

De vrijheid

[Als een vroolijke kwant treedt de arbeider op]

[In de buitenlucht zit een vrouw met geel]

II

VI De propaganda

Bijlage I

Bijlage II

Bijlage III [Ik wilde wij woonden alleen te samen]

Lucifer (Fragment)

Sonnetten I

II

III

IV

V

VI

VII

VIII

IX

X

XI ontbreekt.

XII

Een dag in 't jaar

[Het was op een mooie morgen]

II

[Jeugd ziet van God in elk ding de essentie]

Bijlage IV Gorters medewerking aan De Nieuwe Gids

Verantwoording Verantwoording van de uitgave

Verantwoording van inhoud en volgorde

Verantwoording van de tekst

Alphabetisch register op de beginregels