Verzen
Herman Gorter
editie Enno Endt
verantwoording
©
2003 dbnl / Enno Endt
[Toen de tijden bladstil waren, lang geleen]
[Ik zat toen heel stil te werken]
[O als de zon schijnt]
[Wij zilvren wezens, nevellichten, gewassen]
[Gij zijt een stille witte blinkesneeuw]
[Gij zijt een schemerwitte leliemeid]
[Gij zijt het opene, het witte, 't willende]
[O koele zwarte ademen van den nacht]
[De zon. De wereld is goud en geel]
[De stille weg]
[In de zwarte nacht is een mensch aangetreden]
[De boomen waren stil]
[De heide is maar stil]
[Het is weebleekerig grijs]
[Een kind dat altijd verlangt]
[Beweging is vóór me ongewis]
[Ik ben alleen in het lamplicht]
[Toen zag ik je - ]
[Ik zat eens heel alleen te spelen]
[Gij staat zoo heel, heel stil]
[Schaduwen wand'len in haar oogezalen]
[Mijn liefste was dood]
[Ik proefde de lauwe luchten]
[Voel je den nacht]
[De lente komt van ver, ik hoor hem komen]
[Het strand was stil en bleek]
[Hè ik wou jij was de lucht]
[Dit zijn de bleeke, bleeklichte weken]
[Ik was toen een arme jongen]
[Haar oogen tintelkelken]
[Stil zit ze, kijkt voor zich]
['t Is zwart en donker]
[Het was in den zwarten nacht]
[Het regende in de stad]
[Zacht kwam ze als jonge sneeuw]
[En ik bij de stille zeeën]
[De lucht was geel als geele chrysanthemen -]
[Gij zijt een bloem, een lichte roode bloem]
[In de stilte van de stad]
['s Avonds in 't donker doet ze de oogen dicht]
[Onz' hoofden weenen en zijn genegen]
['s Nachts dan is 't leven haar zoo hel en roode]
[Toen bliezen de poortwachters op gouden horens]
[Ik zat eens heel alleen te denken]
[De straalpralende dag]
[Het gouden zongezwier]
['t Is alles weenen, de storm, het huis]
[Een roode roos is in mijn hand]
[Mijn handen zijn zoo heet -]
[Ergens moeten toch zijn de lichte watren van haar oogen -]
[In de verte zag ik blanke wateren]
[Ik had zoo lang rondgeloopen]
[Ik wilde ik kon u iets geven]
[Ze zat daar rechtop en keek]
[Ik lag te slapen op mijn bed]
[Ik liep 's avonds door mijne stad]
[Samen te loopen tusschen breede zeeën]
[Zachtlichte lentenen]
[Laat ik nu denken hoe dat alles was]
[In een grijs huis en in een kamerlicht]
[Zie je ik hou van je]
[Het was dien avond zoo stil]
['k Heb mijn oor tegen zooveel stemklokken geleend]
[De grijze lucht als een satijnen waaier]
[Avond. De heuvels vallen vaal -]
[De lucht was fijn. Avond.]
[Blinkend licht splinterde fijn]
[Daar ligt dat water - dat schitterende water.]
[Mijn grijze tintelreine]
[Stil grijs lichtrood leeft ze]
[Al die grijze dagen]
[In den heeten nacht een heet zwart grijs korenveld]
[Gebenedijde -]
[Er was veel goud eikegeel]
[Er was toen sneeuw op 't mos]
[Nu schijnt de zon op straat]
[Twee lampen schijnen]
[Dat kouwe vleesch van een ander]
[De lente - ik sta midden in haar -]
[De boomen golven op de heuvelen]
[De gonsregen, regen -]
[De lamp schijnt, de kamer is open -]
[Aldoor dat metalen ruischen van de metalen stralende zee]
[De zee buiten grijs, zilverig, regenig, lommerig, in wolke' cirkelgespreide -]
[De golven en hun òver voorovervallen]
[Leven, zoele omsomberde even inschitterde]
De sensitieve verzen: liederen van vervulling en tekort
Verantwoording
Aantekeningen
Addenda bij de derde druk
Concordantie
Afkortingen voluit
Alfabetische rangschikking van de beginregels