Felix, qui potuit rerum cognoscere causas! zegt Virgilius, en wij zeggen 't hem na:
Oude volksgebruiken en vermaken, die, zoo ver de heugenis reikt, van eeuw tot eeuw en van geslacht tot geslacht zijn overgeleverd, staan gewoonlijk in een naauw verband met de oudste godsdienstige begrippen en feestvieringen der natie. Maar 't is niet altijd mogelijk elke vraag naar den oorsprong dier traditioneele volkspret met volkomen duidelijkheid en zekerheid te beantwoorden, en dat wel om de zeer eenvoudige reden, dat wij van de mythologie onzer heidensche voorouders veel minder weten dan wij wel gaarne zouden willen weten.
De berigten, welke uit die vroege eeuwen tot ons gekomen zijn, zijn bijzonder schraal, en dikwijls vrij verward. Ook heeft men zich in ons vaderland nooit veel op die studie toegelegd, en al hetgeen daaromtrent uit het volksleven zelf nog had kunnen worden opgezameld, laten verloren gaan. Trouwens men had in een land van negocie als het onze wel wat anders te doen dan oude overleveringen op te zamelen! en onze geleerden hielden zich liever met Grieken en Romeinen bezig dan met de Germaansche oudheid. Het meeste, wat wij er van weten, is geput uit de berigten van Christenschrijvers en de overleveringen der middeleeuwen. Maar de eerste hebben, zoowel uit onkunde als partijdigheid, dikwijls onjuiste voorstellingen gegeven van heidensche gebruiken en denkbeelden, welke zij verfoeiden, maar niet begrepen. En in
de middeleeuwen leefden wel vele oude volksbegrippen en menig oud volksgeloof nog voort, maar niet meer in hun oorspronkelijk karakter. Het oude gebouw was gesloopt, en de stukken en brokken waren verward dooreen geworpen; aan al wat van 't oude heidendom niet uit te roeijen was geweest, waren christelijke namen en kleuren gegeven, en Germaansch-heidensche en Christelijk-middeleeuwsche zaken waren zoo dooreen geweven, dat de eerste niet meer van de laatste te scheiden waren.
Doch ijdel is het jammeren om 't geen in den stroom des tijds is verloren gegaan, daar dit toch niet weêr op te visschen is. Men moet tevreden zijn, met hetgeen men weten kan. Wie 't schemerend licht der oudheid in een helderen dag herschapen wil zien, eischt het onmogelijke.
Dat vele oude gebruiken en vermaken wortelen in den Germaanschen voortijd is zeker; maar van alles dáár de herkomst te willen vinden, is de oudheidszucht een weinig te ver drijven. Veel ook is in de middeleeuwen geboren, en dus van christelijken oorsprong. Maar toch staat men dikwijls in twijfel, of niet onder het christelijk kleed een heidensch hart klopt; en niet zelden ook zijn in een en 't zelfde volksvermaak heidensche en christelijke brokken zamengelijmd.
Een groot aantal volksvermaken, zoowel zulken, die van Germaanschen als die van middeleeuwschen oorsprong zijn, hecht zich aan christelijke feestdagen: van deze spreek ik later, en behandel in dit Boek die traditioneele volkspret, welke buiten deze feestdagen omgaat.
Nog ééne opmerking moet ik hier bijvoegen, of liever, eene opmerking herhalen, die reeds in de Uithangteekens gemaakt is1).
Zoowel in dit als in de volgende Boeken zal ik somwijlen in twijfel staan, of ik in den verleden of tegenwoordigen tijd moet spreken. Van 't geen hier al sints lang niet meer gezien wordt, ziet men dáár nog 't laatste bedrijf vertoonen, terwijl ginds soms iets, dat men reeds gestorven waande, nog weêr teeken van leven geeft. Daarom is 't nooit mogelijk in 't volksleven precies den datum aan te geven, waarop eenig oud gebruik voor goed verdwijnt. In allen gevalle zijn al zulke oude gebruiken eigentlijk vertegenwoordigers van een vroeger tijdperk, - en de onvolmaakt verleden tijd is dus volkomen gepast, omdat hij op 't verledene terug wijst, en 't nog voortduren niet uitsluit.