De heiligedagen waren in 't algemeen dagen van volksvermaak. Na 't volbrengen zijner kerkpligten zocht ieder wat uitspanning, en gaf zich over aan alle vrolijkheid. De meesten gingen naar de herberg, omdat ze zeker waren er vrolijk gezelschap te zullen vinden; van daar de oude spreekwijze: ‘uit de kerk naar de kroeg’; en van daar ook altijd rondom een kerk eenige kroegen. Hadrianus Junius keek te Haarlem bij de Groote Kerk eens in de rondte, en was zoo verbaasd over al de ‘taveernen’, die hij zag, dat hij er dadelijk een Latijnsch epigram op maakte, dat Ampzing heel mooi vond, en in 't Hollandsch vertaalde; - men kan 't bij hem nalezen1).
't Gevolg nu hiervan was, dat er 's namiddags op de heiligedagen veel menschen ‘wel bij drank’ waren, - en dit leverde de stedelijke regeeringen altijd een gereede verklaring voor elken volksoploop. Zoo schreef die van Rotterdam in zekere ‘Memoria,’ betreffende de gebeurtenissen in April 1572, ter verklaring van den oploop op den 8sten: ‘so et heiligen dach was ende dat veelen van den gemeenen volcke ende rapaillie van dien wel bij drancke was, alst gemeenlick des heiligen daeges nae den middach gebeurt’2). De moraal laat ik ook hier aan den lezer over, maar voeg er twee opmerkingen bij. De eerste is, dat het 't rapalje alleen niet was, dat de heiligedagen met drinken vierde, - de Heeren deden dit ook wel, en de Geestelijke zoo goed als de Wereldlijke. Daags vóór den heiligedag werd altijd de noodige voorraad uit den wijnkelder gehaald, en men kan in de oude kerkelijke archieven aanteekeningen als deze: ‘Op St. Jansavond werden uit den kelder van den Proost vier stoopen gegeven en op den dag zelven nog zeven stoopen’3), in menigte vinden. De tweede is, dat om dezelfde reden, die de Rotterdamsche Heeren van den oploop gaven, ook bij voorkeur heiligedagen uitgekozen werden om steden te overrompelen, en dat deden ook alweêr zoo wel Geestelijke Heeren als zeeschuimers. Wij zagen reeds hoe de Bisschop van Utrecht in 't jaar 1421 te Wageningen een St. Maartensvuurtje
kwam stoken1), en de Sluizer zeeschuimers kozen in 1485 den Pinksterdag om Vlissingen te plunderen. En de gruwelijke Alva wilde in 1568 van den Vastelavond gebruik maken om duizende Nederlanders gevangen te nemen en te vermoorden. De Schouten van eenige steden waarschuwden echter hunne medeburgers, waardoor velen 't gevaar ontkwamen; ofschoon de Spaansche beul toch nog bijna vijfhonderd slagtoffers in zijne magt kreeg, wier hoofden hij vallen deed2).
Een ander volksvermaak op heiligedagen bestond in 't gaan kijken van reliquieën, die dan ten toon gesteld werden. 't Volk stroomde er in menigte heen en 't was op zulk een plaats een soort van kermis. Zoo liepen de Amsterdammers op den 12n Mei naar Sloten, waar dan 't hoofd van St. Pancras vertoond werd, en de traditie heeft zelfs de explicatie bewaard, die er door den vertooner bij gegeven werd: ‘Ten is gheen ossenhooft, ten is gheen paardenhooft, maar tis het heylige hooft van Sinte Pancras’3)! Was de reliquie een beker of nap, dan werd er ook uit gedronken. Zoo stroomden de Utrechtenaars op den 12n Junij naar de kerk van St. Salvator, om uit den St. Odulfusnap te drinken; en op den 16n September liep al 't volk uit de omstreken van Maastricht, Limburg en Aken naar Corneli-munster om een teug uit den beroemden beker van den H. Cornelius. En op menige plaats bleef, nog langen tijd nadat de tentoonstelling der reliquieën reeds had opgehouden, toch 't volk nog de oude gewoonte onderhouden, en ging er heen, om den dag in luidruchtige vreugd door te brengen en te ‘schorluynen’4). En vermoedelijk had het uitloopen der Rotterdammers op St. Jobsdag in de 17e eeuw ‘naar Schoonderloo, een gehucht tusschen Rotterdam en Delftshaven, vol kroegen en herbergen, waar zij allerlei ongebondenheden en dartelheden pleegden, 't geen door de Stads-regeering meermalen verboden is op boete en arbitraire correctie’5), ook een zoodanigen oorsprong.
Aan sommige heiligedagen waren eigenaardige vermaken verbonden, waarvan de oorsprong natuurlijk niet altijd duidelijk voor ons is.
Zoo hebben van oudsher op Vrouwendag de vrouwen het regt gehad den baas te spelen, en de mannen de verpligting haar te trakteeren op al wat zij begeerden; en al hebben beschaafde vrouwen al sints lang daar niet meer van willen profiteeren, de minder beschaafden denken er nog wel aan. In de middeleeuwen werden ook op Vrouwendag mysteriespelen vertoond: o.a. vertoonden in 1419 de scholieren te Arnhem ‘Ons Vrouwenspul’6). Men zou kunnen gissen, dat die dag bij onze Germaansche voorou-
ders een feest geweest is aan Frouwa, de godin der huwelijksliefde, gewijd1).
Sommige heiligedagen werden meer bepaald door de landbouwers vrolijk gevierd; zoo was St. Jakob een oogstfeest, waarbij ‘de jeugd dansende om de zaamgebonden schoven zweefde’, en waar nog in Julij 1817 Cornelis Loots een lied op zong. Hij beweerde, dat Sint Jakob de wettige opvolger van de oude vrouw Ceres is.
Anderen waren, en zijn hier en daar nog, kinderfeesten. Op St. Jakob en St. Pieter plagten de jongens te Amsterdam op te trekken met vliegende vaandels en houten wapens, t.w. houten sabels, hellebaarden en klaterbussen, om spiegelgevechten te leveren. Hier schijnt men dus niet vrouw Ceres, maar veeleer Bellona voor St. Jakobs petemoei gehouden te hebben. Maar uit die spiegelgevechten ontstonden weleens zulke ernstige kloppartijen, dat de steenen om de ooren der voorbijgangers en door de ruiten der buren vlogen, en waarom dan ook dat jongensvermaak bij een keur van den 24n Julij 1572 (dus daags vóór St. Jakob) verboden werd; ja zelfs werd, om er voor goed een eind aan te maken, den ambachtslieden en winkeliers het maken en verkoopen van dat gevaarlijk houten wapentuig verboden, - een verbod, dat alweêr na drie dagen vergeten was, want de houten sabels en geweren zijn gemaakt en verkocht tot heden toe.
Westendorp herinnerde zich, dat St. Pieter en St. Stefanus nog in zijn tijd op vele dorpen in Groningerland door de jeugd vrolijk werden gevierd, doch wist er geen bijzonderheden van te vertellen2). 't Gewone vermaak op St. Pieter was balslaan3), en dat is in Drente en Overijsel hier en daar nog het geval. Te Gees gaat de schooljeugd bij allen, die in 't afgeloopen jaar getrouwd zijn, rond, en zingt het volgende liedje voor de deur:
Dan werpen de jonge man en vrouw een handvol centen in 't midden van den hoop, en dadelijk rollen allen over en door elkander om te grabbelen; maar terwijl ze daarmeê bezig zijn, worden ze ook nog met een paar potten water begroet, wat hun echter niemendal schelen kan, want als de centen tot den laatsten toe opgezocht zijn, gaan zij hun liedje weêr voor een ander huis zingen, waar 't zelfde tooneel herhaald wordt4). En het ‘Steffenen’ of ‘Sunt Steffen houden’5) d.i. uitgaan op den tweeden Kersdag, heeft ook nog op sommige dorpen in Drente plaats.
St. Gillis, op den eersten September gevierd, was weleer in Vlaanderen
algemeen, en is nog op vele plaatsen een feestdag op de kleine-kinderscholen. 't Heet dan kermis in de school.
Eenige dagen te voren hebben de kinderen elk eenige centen medegebragt en in handen der ‘meesterse’ gesteld, om daarvoor ‘kermis te houden’. 's Ochtends al vroeg komen de kinderen in 't zondagspakje in de school, en dadelijk wordt het lot getrokken, wie ‘de bruid’ zal zijn. Het gelukkige meisje wordt met het gejuich: ‘leve de bruid!’ begroet, en met een ‘monster oranjekoek’ vereerd. Na lang genoeg op de speelplaats gedanst

te hebben, gaat het jonge volkje in optogt naar 't huis der bruid, strooit er bloemen, danst voor de deur, en stormt eindelijk, alweêr juichend: ‘leve de bruid!’ naar binnen, waar ze door de moeder der bruid onthaald worden op ‘bier en mastellen.’ Daarna gaat elk der kinderen naar huis, doch komt 's namiddags in de school terug, die dan ‘in een kermiskamer herschapen’ is. En den volgenden dag duurt de kermis nog voort. Dan gaat de ‘meesterse’ met de kinderen naar buiten, - een speelman voorop, de kinderen dansende er achter, en zoo naar een pleiziertuin of boereherberg, waar ze rijstebrij met suiker en wafels eten1). Ik geloof, dat die Vlaamsche kinderen op St. Gillis vrij wat meer pleizier hebben dan de Amsterdamsche jongens tegenwoordig op ‘Mijnheers verjaardag,’ en dat deze laatsten wel zouden willen ruilen.
Onnoozele-kinderendag was weleer een algemeen kinderfeest, en 't is 't
hier en daar in den huiselijken kring nog, b.v. in Noordbrabant: ‘dan ziet men het knaapje uitgedost met Vaders kleederen en het meisje met Moeders muts en beugeltas, en zij voeren dezen dag het huiskommando’1); - een tegenhanger van den Vrouwendag. Op de scholen werden oudtijds op dien dag de kinderen onthaald op bier en brood; dan moesten de meesters hen bedienen, die echter wel zorgden zich zelven niet te vergeten. Op sommige plaatsen geschiedde dit nog in de zeventiende eeuw2).
Van ouds was in elke stad de dag, waarop nieuwe burgemeesters gekozen werden, en dien men den keurdag plagt te noemen, ook een feestdag, hoewel meer voor de Heeren dan voor Jan alleman. Ik zal Arnhem tot voorbeeld nemen. Daar viel de keurdag op ‘H. Paulus bekeering’ of ‘Paulidach.’ Dan werd er een vrolijke maaltijd op 't stadhuis gehouden, waar de voornaamsten der stad bij genoodigd werden. Dan kwamen de scholieren voor de Heeren ‘die Cantilenen’ zingen, en de Rector kreeg voor 't componeeren van die ‘Carmina Scholastica’ een paar gebraden kippen met een kan wijn3). Waren er goochelaars, tuimelaars of vreemde speellieden in de stad, dan moesten die voor de Heeren komen om hen te vermaken. Op ‘Paulidach’ 1516 lieten zij ‘enen hallefen geck’ den heelen namiddag voor hen dansen en met de klapspaan spelen, en gaven hem toen vier stuivers tot belooning4). Die klapspaan was denkelijk wat men later ‘kastanjetten’ noemde.