Kinderspelen - een liefelijk denkbeeld! en voor de meeste groote menschen het pleizierigste hoofdstuk uit hun levensgeschiedenis.
Wie spelende kinderen uitgeteekend wil zien, in proza, poëzij of prent, kan ze bij zooveel schrijvers en dichters, op zooveel platen en kinderprenten, in zooveel oude en nieuwe boeken vinden, dat ik geen lust heb en ook geen kans zie, ze allen op te noemen; en bovendien hadden onze voorouders ze ook nog op de tegeltjes hunner haardsteden, en 't is zelfs jammer, dat het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap er geen komplete collectie van bewaard heeft. Maar onder alle afbeeldingen van ‘kinderspel’ blijft nog altijd de plaat vóór 't ‘Houwelick’ van Cats de mooiste, en 't gedicht, dat hij er bij schreef, een der geestigste, die er op dat onderwerp gemaakt zijn; al voert hij ons dan ook niet naar de wolken, als sommige hedendaagschen, en al komt zijn filosofische beschouwing eenvoudig tot de slotsom:
Voor eene uitvoerige beschouwing der kinderspelen is dit hoofdstuk veel te klein. Wie deze volledig behandelen wil, kan er wel drie boekdeelen meê vullen; en daar 't onmogelijk is die hier in te lijven, en ik evenwel dit onderwerp met geene vermelding pro memoria wil voorbijgaan, zoo zal ik van den inhoud dier niet bestaande boekdeelen eene schets geven. Maar ik zeg al vooruit, dat die schets niet eens volledig zal kunnen zijn, omdat zij dan alweêr te uitvoerig zou moeten worden; doch de lezer gelieve al wat niet genoemd is, er zelf maar bij te denken, ook de opvoeden zedekundige beschouwingen, waarmeê zulk een boek doorspekt behoort te zijn. Het werk kan uit twee afdeelingen bestaan: I. Algemeene be-
schouwing, en II. Beschouwing der kinderspelen in 't bijzonder, terwijl men ten slotte nog een Aanhangsel op den koop toe moet hebben. De Eerste Afdeeling laat ik uit vijf boeken bestaan, en wil die eventjes doorloopen.
Eerste Boek (dat natuurlijk, even als de volgende, in verscheidene hoofdstukken verdeeld zal kunnen worden): Over het Speelgoed.
't Kinderspeelgoed is al heel oud; de oorsprong klimt tot de vroege kindsheid der beeldende kunsten op. Werp een blik in den hedendaagschen speelgoedwinkel of in de Grieksche en Romeinsche antiquiteiten, - in den eersten moge de verscheidenheid grooter zijn, de aard van 't speelgoed is dezelfde.
De kinderen der Grieken en Romeinen speelden reeds met allerlei afbeeldingen van dieren, van hout gesneden en van aarde gebakken en met kleuren geverfd. Voor vorstenkinderen werden die van ivoor of zilver gemaakt. Ik plaats hier de afbeelding van het Trojaansche paard, zoo als oude kunstenaars het voorstellen; dat wel geen speelgoed was, maar toch volkomen

den vorm heeft van 't paardje in onzen speelgoedwinkel, dat op een plankje met rolletjes staat1). Maar het paard, dat er naast staat, was werkelijk speelgoed. Dit heeft geen kunstenaar gemaakt; maar zet er den Catinenser boer op, die er bij behoort, en gij hebt juist den antieken landbouwer, die met zijn olie of wijn, op de helling van den Etna gewonnen, ter markt gaat. Ook de kronkelende slangen, waarmeê onze kinderen spelen, hadden die der Ouden reeds, voorts tollen, ballen en hoepels, ratels en kooten, nabootsingen van karren en schepen, wapens en werktuigen en wat er al meer in 't klein na te maken viel. Dit Romeinsche speelgoed nu is ook het eerste speelgoed onzer voorouders geweest, want de kooplui, die de legers volgden, bragten het hier.
In de oudheid had zelfs het speelgoed, als 't symbool der gelukkige
kinderjaren, iets heiligs, - een gevoel, dat onze voorouders almede van de Romeinen hebben overgeërfd. De Ouden plaatsten, als een kind stierf, zijn speelgoed in een mandje in of op het graf; en men heeft in hunne graven zeer veel antiek speelgoed teruggevonden, waar nu de oudheidkundigen op hunne beurt meê spelen.
Waren knapen en meisjes de kinderjaren ontwassen, dan wierpen zij hun speelgoed niet weg, maar wijdden 't plegtig aan de eene of andere godheid. Een meisje wijdde 't hare aan Venus of Diana; een jongeling 't zijne aan Jupiter of Mercurius, vaak met een epigram er bij. Ik zal u hier, ten voorbeelde, de vertaling van een Grieksch geven:
Zoo plegtig handelt men nu met die kinderlijke dingen wel niet meer; maar toch bewaart nog menigeen het speelgoed zijner jeugd als een aangename herinnering; en nog beschouwen ouders het speelgoed van vroeg gestorven lievelingen als een heilig pand, dat zij niet zouden willen missen.
Ziehier de zeventiende-eeuwsche speelgoedkraam. En ofschoon die nu

op de hedendaagsche niet veel meer lijkt, zal toch menig bejaard Amsterdammer zeggen: ‘precies zoo heb ik ze in mijne jeugd nog op de Westermarkt gekend.’ ‘En ik op 't Buitenhof,’ zal een Hagenaar, ‘en ik op 't Vreeburg’, zal een Utrechtenaar er bijvoegen; en in alle andere steden zijn ze ook gezien, want deze en andere zaken, die op de kermissen verschenen, zijn in de twee eeuwen, die er verliepen tusschen de jeugd van Michiel
de Ruyter en de onze, niet veel veranderd. 't Speelgoed kwam in 't begin der 17e eeuw ook al van Neurenberg.
En wat zien wij nu in deze kraam? Stokpaardjes, wapentuig en trommels voor de jongens, en poppen voor de meisjes. Er is altijd een naauw verband geweest tusschen de spelen der jeugd en de bedrijven der volwassenen. Seneca zag in de menschen slechts groote kinderen; en de hedendaagsche wijsgeeren zeggen, dat er sedert Seneca in dat opzigt nog niet veel veranderd is. Le Francq van Berkhey maakte de opmerking, dat de Hollandsche jongens, zoodra ze de handen kunnen roeren, een neiging hebben zelf hun speelgoed te maken; dat een schipperszoontje een scheepje optuigt, een boerejongen wagen en paarden maakt, en een molenaarsknaap een molentje laat draaijen; en hij meende daarin den grond te vinden ‘van dien geduldigen, onderzoeklievenden aart der Hollanders,’ en van hun bekwaamheid in de werktuigkunde, waar zij lang om beroemd geweest zijn. Maar zoo waren de Hollandsche kinderen alleen niet. Plato merkte dat bij de Grieken ook al op, en wilde daarom, dat ieder opvoeder zijne kweekelingen bij hun spelen bestudeeren zoude, en de Romeinen hadden er een spreekwoord van: Ex aurora diem. Alle tijden en volken komen daarin overeen. De kleine jongen, die later Keizer Severus werd, liet den bundelbijl al voor zich dragen, en de elfjarige Napoleon speelde immers generaaltje; en toen het domme toeval Witte de With op de snijderstafel en Michiel de Ruyter aan 't lijndraaijerswiel geplaast had, liepen zij er af, en men zag ze niet terug, voordat zij de pikbroek aan hadden. Er zijn er meer geweest, die gedaan hebben als Witte de With, al trokken ze ook geen pikbroek aan.
Tweede Boek. Over de Speelplaats.
‘Waar speelden de kinderen weleer?’ Op de straat. ‘IJselijk gemeen!’ Vroeger niet; 't was toen algemeene regel en de gewoonte eeuwen oud. Wilt gij bewijzen, dat het niet gemeen was? De zonen van Prinsen en patriciërs deden 't. Toen Prins Frederik Hendrik in zijn jeugd ‘binne Leyden ter schoole lach’, speelde hij met de jongens op het Rapenburg. Eens viel zijn bal in 't water, en hij sprong in een schuitje, dat aan den wal lag. Vlug maakte hij 't los en roeide met zijn kolf naar den bal, die midden in de gracht dreef. Maar de eigenares van 't schuitje kwam uit een poortje te voorschijn, en begon hevig te schelden op dien kwâjongen, die haar schuitje losgemaakt had, en riep, dat zij hem ‘afklouwen sou als hij te lande quam!’ Een voorbijganger herkende den knaap, en zei: ‘Vrouwtje, sie je wie je voor hebt? het is de jonghe Prins, die in je schuytje staet.’ Nooit is een mensch erger geschrikt! IJlings vloog ze haar poortje weêr in, sloot de deur met een ijzeren bout, en durfde in vele dagen er niet weêr uit komen1).
Wanneer Graaf Schimmelpenninck de levensgeschiedenis van zijnen vader, den Raadpensionaris, schrijft, begint hij met te verhalen, dat Rutger Jan met de jongens op den Brink te Deventer speelde1).
Toen Koning Lodewijk pas in 't Amsterdamsche stadhuis was komen wonen, kreeg zijn zoontje heel veel nieuw en mooi speelgoed uit Parijs, maar hij keerde er den rug naar en keek 't venster uit. De gedienstige hovelingen vroegen het Prinsje, of 't niet naar zijn zin was? en wat of hem dan bliefde? ‘O,’ zeide deze heel naïef, ‘ik wilde liever met die jongens daar op den Dam spelen’2). Men begrijpt, dat de hovelingen toen zeer schrikten, wijl dit geen Koningskind mogt worden gepermitteerd.
En wilt gij den oorsprong dier gewoonte nasporen? Sla Tacitus op; hij verhaalt, dat de kinderen der Germanen op de werven en wegen liepen te spelen zonder onderscheid van rang en stand, en dat eerst later leeftijd de scheiding maakte3). Datzelfde vinden wij in onze steden terug. Het openbaar leven van het opkomend geslacht begon bij onze voorvaderen op straten en pleinen; daar mengden de kinderen der meerderen en minderen zich als speelgenooten dooreen. En 't had zijn groote voordeelen. Daar leerden ze elkander kennen en waardeeren, leerden kaatsen en den bal verwachten. Kon menig burgemeester der 16e en 17e eeuw nog eens oprijzen, hij zou getuigen, dat hij de kunst van regeeren in zijn jeugd op de straat geleerd had, en dat hij daar de volkskennis had opgedaan, die hem later zoo uitnemend te pas gekomen was. Daar te midden van 't openbare leven ontkiemden in de harten der aanstaande burgers al vroeg die wakkerheid en vaderlandsche zin, welke wij in 't voorgeslacht bewonderen, doch waar onze tijd, die alles uit boeken en couranten leeren moet, het regte begrip niet meer van heeft.

‘En de meisjes?’ - Hare speelplaats was op de stoep, en wat ze er speelden, kunt gij hiernevens zien4). En als dit haar verveelde, gingen zij met springtouw en hoepel al meê de straat op. Hoe Vondels dochtertje daaraan meê deed en ‘de vreughd was van de buurt,’ kunt gij lezen in het even bevallig als aandoenlijk gedichtje, dat de Vader op haar dood maakte. En werp eens een blik op die schilderij van Pieter de Hooghe, in het Museum Van der Hoop, waar een deftige jonge juffer met haar schoothondje in 't voorhuis bij 't open
raam zit om een luchtje te scheppen, en een bezoek af te wachten van iemand, die niet komt maar een briefje stuurt; - gij ziet er haar zusje, ook heel mooi aangekleed, met een zweep in de hand op de stoep loopen spelen.
Ds. Heldring heeft de opmerking gemaakt, dat het kinderspel in weinig landen zoo ontwikkeld was als in het onze, en schreef dit toe aan het spelen op straten en pleinen1). Juist, en dat spel was gezond voor lichaam en geest; 't vormde 't karakter en zette longen en spieren kracht bij. Wat hebben de jongens nu? ‘O,’ zegt Mama, ‘ik wil mijn Antoine ook wel een geweertje koopen om soldaatje te spelen, maar hij moet er meê in de kamer blijven.’ Wat zal die jongen een pleizier hebben met zijn geweer! Net zooveel als zijn zusje met haar prentenboek,

Modelkinderen uit een modejournaal.
waar ze niet eens bij mag gaan zitten, om haar mooije jurk niet te kreukelen. En als de kinderen uitgaan, Mevrouw! wat hebben ze dan? - ‘Gymnastiek-uitvoering in de Parkzaal onder directie van den heer A.; Kinderbal onder directie van den heer B.; Dissolving-views onder directie van den heer C.’ - Heel prettig! maar als 't den jongens gevraagd wordt, zullen ze denkelijk wel 't zelfde antwoord geven als de kleine Prins Lodewijk. Men kan tegen het spelen op straat en stoep en het geheele opvoedings-systeem van vroeger eeuwen zooveel ‘bemerkingen’ maken als men wil; maar dit is niet weg te redeneeren, - dat onze voorvaderen, bij hunne openbare spelen, vrolijker, en dus gelukkiger, jeugd hadden dan onze kinderen
hebben. En welke gevolgen hieruit af te leiden zijn, laat ik aan 't nadenken van den kundigen lezer over.
Op de dorpen was van ouds de gewone speelplaats der jeugd op 't kerkhof. Maar ditzelfde was ook in de steden 't geval, zoo lang er kerkhoven rondom de kerken waren, en bovendien speelden de jongens in de kerk en op de stadswallen. Ik wil hier echter kortheidshalve niet bij stilstaan. Spelende kinderen op 't kerkhof kan men op tal van oude prenten zien. Knikkerende jongens in de kerk kan men o.a. zien op de plaat van 't Boelingerkoor in de Nieuwe Kerk te Amsterdam door J. Goeree, en bij Cats ‘Invallende Gedachten’ No. xxxi.1) Zoodra te Amsterdam de Beurs gebouwd was, kwamen de jongens er ook spelen en waren er niet af te slaan; en juist aan dat spelen had eenmaal de Beurs haar behoud te danken2). Nog altijd spelen de jongens graag op de trappen van de Beurs.
Derde Boek. Over den oorsprong der kinderspelen.
‘Men behoeft er niet aan te twijfelen’, zegt de Baron Sloet tot Oldhuis, ‘of vele kinderspelen zijn nog de meer of min getrouwe nabootsingen van sommige bedrijven, plegtigheden en vermaaklijkheden onzer voorouders in de wouden van Germanië’3). En ik geloof, dat in de eerste plaats de steen- en vele balspelen wel van zoo ouden oorsprong zijn.
Bij het windspelen wordt een stuk hout op een paaltje gelegd en vervolgens een bal op 't eene eind van dat hout, waarna met een knuppel op 't andere eind, onder den langgerekten uitroep: ‘wi.....nd!’ een zoo geduchte slag gegeven wordt, dat de bal bijna in de wolken verdwijnt. In 't nederdalen moeten zij, die ‘aan de snor’ zijn, hem vangen; lukt dit, dan komen zij ‘aan den slag’. Dit spel zullen de Germaansche jongens zeker reeds gespeeld hebben met ronde steenen, of met linnen ballen met zand gevuld.
Het keilen en kiskassen zijn vermoedelijk even oud. Beiden geschiedt met platte steentjes, die tusschen duim en voorsten vinger gevat worden, maar 't laatste gaat langs 't water, 't eerste door de lucht of de boomen. Een goed keiler wist menigmaal met zijn steentje een vogeltje van een tak te wippen. Maar kwâjongens waren 't, die 's zondags ‘onder de predicatie’ bij de kerken speelden, en keilden ‘in der kerken glasen’; wat Mijne Heeren van den Gerechte in 1653 wel teregt ‘openbaer godtloos wesen’ noemden, en wat ons verklaart, hoe menig geschilderd glas om een hoekje geraakt is.
Ook het spel: boer, lap den buis! heeft een echt Germaansch karakter, doch hierover later.
Het slingeren was lang een geliefd jongensspel. Le Francq van Berkhey hield het voor ‘een overblijfsel van de kunde der Romeinsche slingeraars’; doch 't is niet noodig hier aan de Romeinen te denken, vermits de Germanen zelf in 't slingeren bijzonder knap waren. Maar in digtbevolkte steden gaf 't aanleiding tot klagten. 't Moest o.a. te Amsterdam meermalen verboden worden, omdat de weggeslingerde steentjes bij den bakker op den hoek door de glazen, en, op den Dam, den heeren, die naar de Beurs gingen, voor den neus vlogen. 't Sleet dan ook in de vorige eeuw allengs uit.
Uit het dobbelspel zijn een aantal kinderspelen voortgesproten: behalve al die gezelschapsspelen, die met dobbelsteenen gespeeld worden, van de oude Ganze-; Uile-, Jode- en Harlekijneborden1) tot de nieuwe Stoomboot-, Gaslicht- en Spoorwegspelen, en het Lettertolletje en het Schimmelspel en ‘Strijk weg en geef wat,’ ook het bikkelen en kooten zelfs, welke laatsten echter uit Griekenland en Rome herkomstig zijn. De deftige Romeinen speelden met tali, die van ivoor, zilver of goud gemaakt waren.
De Germaansche jeugd heeft zeker ook verscheidene spelen van de Romeinen geleerd; althans met vele, die wij nog dagelijks voor oogen hebben, vermaakte zich reeds de jeugd te Rome en te Athene.
't Hoepelen was bij Grieken en Romeinen niet slechts een kinderspel, maar ook een vermaak voor volwassenen; de geneesheeren bevalen het aan als een gezonde lichaamsoefening. Doch Horatius sprak er met minachting van, en verweet den jongen Romeinen, dat zij, in plaats van te paard te stijgen, zich vermaakten met den Griekschen hoepel2). De Ouden hadden metalen hoepels, zoodat de jongens, die thans den houten hoepel tegen den ijzeren verwisselen, zonder 't zelf te weten, tot de klassieke zeden terugkeeren. Intusschen hebben wij reeds gelezen, dat men er gevaar in ziet, omdat er de paarden over struikelen of van ‘het oorverdoovend geraas’ schrikken kunnen3); wat het laatste betreft, de hoepels der Romeinen rinkelden nog veel meer, vermits er een aantal ringen met een kleine speling om heen geklonken waren.
De drijftol was ook al een Grieksch en Romeinsch jongensspel, maar of de Ouden den werptol gekend hebben, hangt nog in twijfel4); en de bromtol schijnt een latere uitvinding te zijn.
Wij zagen in onze jeugd nog dikwijls een rond blikje op een gootplank gespijkerd, en menige goede ziel, die een dubbeltje dacht te vinden, bukken om 't op te rapen, terwijl de jongens om een hoekje stonden te lachen. Welnu, de Romeinsche jongens van Ao 20 deden reeds hetzelfde als de Hollandsche van Ao 18205).
En dat trekken - waarbij de jongens zich in twee partijen verdeelen, (die in den tijd zooeven genoemd ‘appelen en peren’ plagten te heeten) en lange ketens vormen om elkander over eene bepaalde lijn te trekken; ja, dat nog zoo in den smaak valt, dat zelfs de meisjes op de jongejuffrouwenscholen 't ook wel spelen, als maar ‘de juffrouw’ 't niet ziet, - dat ‘trekken’ speelden de Grieksche knapen reeds in 't worstelperk1).
Het knikkeren willen sommigen van het notenspel der Romeinen afleiden2), waar Keizer Augustus, die graag met kinderen speelde, een liefhebber van was. Maar vooreerst is het notenspel bij ons ook bekend; Le Francq van Berkhey geeft het op als de gewone uitspanning der vrouwen en meisjes op 't eiland Urk3), en onze jongens spelen 't nog op dezelfde wijze als de Romeinsche, en 't is van het knikkeren wezentlijk onderscheiden. Ten andere is 't vrij wat natuurlijker den oorsprong van dit laatste bij de Germanen te zoeken. Immers de Germaansche jongens hadden knikkers in overvloed, hun heidevelden leverden de ronde steentjes in menigte op. Later, toen de bevolking zich in de lagere streken uitbreidde, waar geen heidevelden waren, leverden de pottebakkers ze.
Een aantal kinderspelen zijn navolgingen van de bedrijven der groote menschen; de knaap bootste de mannen, het meisje de moeder na. Tacitus zei van de Germanen: ‘In hun kinderspelen doen zij hetzelfde, wat den naijver der jongelingen wekt, en waar de mannen in volharden.’ En de oude Hollanders maakten er een rijmpje op:
Wij hebben er zooeven in de speelgoedkraam de bewijzen reeds van gezien, en komen er later op terug.
Vierde Boek. Over den Kalender der kinderspelen.
Velen hebben over dien kalender gesproken, zonder er ooit een echt exemplaar van te berde gebragt te hebben. Dr. Halbertsma noemde eenige spelen op, die ‘vastzitten aan de saizoenen of aan de feesten des jaars,’ en den almanak en het openbare leven der Nederlandsche jeugd tevens uitmaakten’4). ‘Opmerkelijk’, vindt het Ds. Heldring, ‘dat ieder kinderspel zijn vasten tijd heeft, en 't niet mist, of op denzelfden tijd van het jaar keeren dezelfde spelen terug.’ En hij noemt in de lente: het knikkeren, omdat dan de grond weêr droog en hard wordt; in den herfsttijd: het vlieger oplaten, omdat dan de velden ‘vrij van koorn’ zijn; in den slagttijd: het koot- en bikkelspel; in den winter loopende spelen, als: ‘het hoepel-, hink- en vangspel’ [krijgertje]; in den zomer: het schuilewinken [schuilhoekje] ‘wegens het belommerde boschaadje,’ en het kaatsen, ‘omdat de lederen bal geen vocht verdragen kan’5).
Intusschen vormt de opgave van eenige spelen, die aan zekere saizoenen of feesten verbonden zijn, nog geen kalender; maar in het Woordenboek der Zamenleving vindt men er een:
| Half | Januarij, | - | Sleedje- en schaatsenrijden, sneeuwballen. |
| Half | Februarij, | - | Duitje pletsen, kunzeren. |
| Half | Maart, | - | Soldaatje spelen, hoepelen. |
| Half | April, | - | Tollen, potje spelen, stuiteren. |
| Begin | Mei, | - | Koekelemeijen, meiboom, meikevers, molentje. |
| Half | Mei, | - | Lederen bal kaatsen en in 't hoedje. |
| Half | Junij, | - | Knikkeren. |
| Half | Julij, | - | Klappers. |
| Half | Augustus, | - | Vliegers oplaten. |
| Half | September, | - | Vogels op de kruk. |
| Half | October, | - | Zweepklappen, touwtjespringen, hoepelen. |
| Half | November, | - | Kooten. |
| Begin | December, | - | Pijl en boog. |
| Half | December, | - | Kolf en bal, munt in 't potje1). |
't Is jammer, dat de Woordenboekschrijver niet heeft opgegeven, uit welken tijd en van welke plaats die kalender herkomstig is. Amsterdamsch is hij niet. Een liefhebber kan ‘uit kurieusheid’ eens zoo'n kalender hebben opgesteld, maar dat de jongens er kennis van genomen hebben, is niet te denken, want Huygens zei reeds, dat zij dien niet noodig hadden:
Zeker is 't, dat sommige spelen aan bepaalde feestdagen verbonden zijn, als: het kaarsjespringen op Driekoningen, de Meiboom, de Pinksterbloem, de St. Maartensvuren, enz.; en dat voor anderen de saizoenen de wet stellen: niemand zal in den zomer aan schaatsenrijden, noch in Januarij aan zwemmen denken. Maar de meeste spelen zijn aan geen maanden gebonden: wanneer het 's winters mooi weêr is, ziet men de jongens zoowel knikkeren en met den bal spelen als in den zomer, en den vlieger heb ik te Amsterdam zoowel in Mei als in Augustus in de lucht zien staan. Het kooten zelfs was niet tot den slagttijd bepaald, maar werd, even als het bikkelen, het geheele jaar door gedaan.
De jongens kijken naar geen kalender maar naar 't weêr, en spelen wat zij willen. Dat het tegenwoordig zoo is, kan men overal zien, waar nog jongens op plein en straat spelen; en dat het vroeger ook zoo was, bewijzen de oude keurboeken. Men behoeft slechts de datums der keuren te vergelijken met de spelen, die er in genoemd worden.
Vijfde Boek. Algemeen overzigt der kinderspelen.
Erasmus zelf heeft over jongensspelen geschreven, en wie dit niet in 't Latijn wil lezen, kan de vertaling in den Gelderschen Volksalmanak van 1842 vinden. In 't eerste gesprek gaan de jongens ‘oorlof vragen’ aan den Meester, dien zij beschrijven als iemand, die vergeten was, dat hij
zelf jong was geweest, en zich milder betoonde met ‘slagen uitdeelen’, dan met hetgeen hun genoegen kon verschaffen; doch wien zij uit Quintilianus bewijzen, dat het laatste ook zijn nut heeft. In 't tweede gesprek wordt het balslaan beschreven: 't raketten lieten de Latijnsche scholieren aan de kinderen over. Zij sloegen den bal ‘op het dak,’ even als nog de boereknapen in Gooiland doen. Het derde gesprek handelt over het klootschieten, het vierde over het beugelen, en het laatste over springen, loopen en zwemmen; waaruit wij o.a. leeren, dat in de kostscholen dier tijden de leerlingen altijd zoo hongerig waren, dat zij ‘reeds naar het avondeten verlangden, voor dat zij het middagmaal geëindigd hadden.’
Een aantal andere spelen der 16e eeuw kan men bij Kiliaen genoemd vinden; en in 't ‘Kinderwerck ofte Sinnebeelden van de Spelen der kinderen,’ dat Jacob Aertsz. Calom te Amsterdam in 1626 uitgaf, vindt men die uit het begin der 17e eeuw met rijmpjes er bij. Wie echter dat boek niet bij de hand heeft, kan ook den Gelderschen Volksalmanak van 1840 opslaan of den Navorscher van 1863, en zal er daar afschriften van vinden. En een vrij lange lijst van spelen uit het laatst dier eeuw geeft de Hollandsche vertaling van Rabelais, waarvoor men echter alweêr niet dat boek zelf behoeft op te zoeken, maar in denzelfden Gelderschen Almanak en in den Navorscher van 1861 teregt kan, daar beiden de lijst hebben overgeschreven. En meermalen vindt men ook kinderspelen genoemd bij schrijvers en dichters en in oude kluchtspelen, b.v. in het twaalfde tooneel van het kluchtspel ‘Pefroen met het schaapshoofd’:
En wie kinderspelen van onzen tijd beschreven en uitgeteekend wil zien, moet de kinderbibliotheek doorsnuffelen; hij zal o.a. in ‘den Onvermoeiden Speelmakker’1) een ruimen voorraad vinden.
't Is opmerkelijk, dat de meeste spelen wijd verspreid en zeer oud zijn; men vindt ze bij andere volken gelijk bij ons, en sedert eeuwen zijn zij van geslacht tot geslacht overgeleverd. Maar natuurlijk zijn de namen niet altijd dezelfde gebleven. Ons ‘Vader, ik sta op jou kasteel!’ heette in de 16e en 17e eeuw: ‘Man, ik sta op je blokhuis!’ Een blokhuis was namelijk in de oude versterkingskunst een houten of steenen fort. Ons ‘bok, bok, sta vast! hoeveel horens staan er op?’ heette in de 16e eeuw: ‘blickspel’, of ‘bock over haghe’, of ‘bockhoren spelen’, en Breêro noemt het:
Ook in verschillende gewesten van ons Land verschillen de namen der spelen. Zoo heet b.v. het hoepelen in Overijsel ‘bandelen’, en wat een Hollandsche jongen ‘kruis of munt’ noemt, heet daar ‘moffelen’3). Een
tol heet in Drente een ‘titteltop’1); het schoppen of schommelen is te Hattem, Oldebroek en Heerde ‘tiltalteren’, en hooger op de Veluwe, te Elspeet, ‘wipperwappen’2); het Amsterdamsche ‘kiskassen’ heet elders ‘botjes schieten’, enz. Zelfs voor de onderdeelen van sommige spelen, vooral van 't knikkeren, bestaan allerlei namen, die hier zoo, ginds anders zijn, ja, in Amsterdam naar de buurten verschillen, vermits deze naamgevingen buiten de ‘taalgeleerden’ omgaan, en de jongens hier als de ‘spraakmakende gemeente’ optreden. 't Is een onderwerp, dat rijke stof voor een mooi hoofdstuk kan opleveren.
Een ander hoofdstuk van dit Boek moet handelen over ‘de eigenschappen van goede kinderspelen’. Ds. Heldring oordeelde, dat deze, als alle goede dingen, in drieën bestaan: ‘Vooreerst, de oefening en versterking van het ligchaam over het geheel en van elk deel in 't bijzonder; ten tweede, de eerste grondslag tot kunst en kunstvaardigheid; en ten derde, de opscherping van geheugen en oordeel’3). Zeer goed; maar de voornaamste eigenschap is vergeten: prettig te wezen; want kinderen spelen niet om de kunst of om geheugen of oordeel te oefenen, maar om pret te hebben. Niets is gezonder voor geest en lichaam dan de vrolijkheid, die een vermakelijk spel opwekt. Al die andere vereischten zijn uitmuntend, maar ondergeschikt aan dit, want een nuttig spel, dat niet prettig is, wekt verveling en lusteloosheid, en doet kwaad in plaats van goed.
Tweede Afdeeling. Beschouwing der kinderspelen in 't bijzonder.

Men heeft steeds de kinderspelen in jongens- en meisjesspelen verdeeld, maar die verdeeling houdt geen steek. Want vooreerst zijn er een aantal, die jongens en meisjes te zamen spelen, en bovendien waren er altijd jongens genoeg, die bikkelden en touwtjesprongen, en meisjes, die graag meê soldaatje speelden, en hoepelden. Echt Spartaansch!4) Vondels Saartje draafde ook met haar hoepel de Warmoesstraat op en neêr:
En die wakkere troep bestond niet uit meêloopsters, maar uit meêdingsters; 't adjektief ‘rinckelenden’ beteekende toen iets. De kinderen hoepelden om den prijs, namelijk om een penning, en elke gewonnen penning werd als een zegeteeken aan den hoepel gespijkerd; hoe meer de hoepel dus rinkelde, hoe grooter eer voor den hoepelaar. Naderhand kwam er de klad in, en werden er maar blikken rinkels aan gespijkerd1).
Ik wil de kinderspelen in twee andere hoofdafdeelingen splitsen, en wel in spelen met en zonder speelgoed.
Eerste Deel. Spelen met speelgoed. Ik verdeel dit in zes boeken.
Eerste Boek. Spelen met eenvoudig speelgoed.

Het eerste hoofdstuk moet heel belangwekkend zijn voor jonge moeders en oude grootmoeders, en handelen over het allereerste speelgoed der kleintjes: klaters, bellen, rammelaars, enz. En ze moeten daarbij vooral op de klassieke oudheid gewezen worden, en vernemen hoe de kinderen door alle eeuwen heen steeds elkander gelijk gebleven zijn. Ziehier, ter vergelijking met de hedendaagsche, de afbeelding van een rinkelbel uit Pompeji, die dus wel achttien eeuwen oud is.
In de volgende hoofdstukken verschijnt het speelgoed van latere jaren: ballen, knikkers, tollen, hoepels, vliegers, kooten, enz. waarmeê de jongens altijd 't meeste pleizier hebben gehad, gelijk de meisjes met haar bikkels en met haar ouderwetsche pop, die een stoot en een val verdragen kon.

Ziehier Hollandsche kootjongens der 17e eeuw; maar 't kooten is van Grieksche afkomst. Toen Alcibiades nog een kleine jongen was, en met zijn kornuiten op de straat kootte, kwam er een wagen aanrijden. ‘Hou even op!’ riep hij, daar juist de beurt aan hem was. Dit verkoos de voerman niet, maar Alcibiades wilde zijn spel niet laten bederven. ‘Rij dan over mij heen!’ riep hij, en ging dwars voor de paarden bij zijn kooten liggen. De verschrikte voerman haalde zijn paarden terug, en Alcibiades deed bedaard zijn worp. ‘Nu word je wel bedankt,’ zei hij, ‘rijd nu
maar door’; en de voerman dacht: die jongen zal eens een groot man worden.
Het bikkelen bleef juist zoolang een meisjesspel, als de stoep de speelplaats der meisjes; toen dit veranderde, liet men het bikkelen aan de achterbuurt over. Het kooten raakte in de Hollandsche steden al met het einde der vorige eeuw uit de mode. Toen vóór een halve eeuw te Amsterdam het bikkelen nog vrij algemeen was, herinnerde geen jongen zich 't kooten meer.
Wat jongen in dien tijd - zoowel die van 't voornaamste instituut als van de ‘Stads-skool’, - die geen knikkers, tol en bal in den zak had? Maar wilt ge een paar Amsterdamsche jongens hooren uit den tijd toen Gerbrand Breêro nog bij 't knikkeren op 't kerkhof van de Oude Kerk stond te kijken? Joosje loopt rond en roept:
[Precies als nog vóór een halve eeuw; wie den zak vol knikkers had, verkocht ze, zes om een duit, twee meer dan in den winkel]. Contant komt aangeloopen, maar wil niet koopen, wel winnen met schieten in een kuiltje. [Alweêr als nog in onzen tijd: ‘Schiete we'n viertje?’] Joosje is er dadelijk voor klaar:
d.i. ‘jij speelt niet zuiver!’ en op het knikkeren volgt ruzie
En daarna vechten:
totdat Floris Harmens, de hondenslager, komt aanloopen, om de jongens van 't kerkhof te jagen1).
Zoo hielpen toen knikkerende jongens den poëet aan een tooneeltje. Maar, wat nog veel merkwaardiger is, zij hielpen soms een redenaar aan een redevoering. Wij hebben 't weleer wel honderdmaal van ‘sprekers’ gehoord, dat, zoodra de bode met de lijst, waarop zij voor een spreekbeurt geteekend hadden, de stoep af was, zij dadelijk een begin ontwaarden van die kwelling des geestes, die in verhandelstijl genoemd wordt: ‘het zoeken naar een onderwerp’. Ik zeg: ‘weleer’; tegenwoordig is dat, als zooveel andere dingen, ook al verbeterd. Nu verhandelen de ‘sprekers’ niet meer, maar ‘dragen voor’, en wel ‘een novelle’. Novellen zijn nooit ‘gezocht’, maar ‘uit het leven gegrepen’, en daarom ook nooit vervelend; en de sprekers hebben geen kwelling des geestes meer. Doch in
den tijd, waar ik van spreek, was dat wel degelijk 't geval; en de ‘hoorders’ moesten dan toen ook altijd hooren, hoe lang en angstvallig de ‘spreker’ had ‘omgezien’, eer hij geweten had wat hij spreken zou.
Er leefde in den tijd, toen de novellen nog niet uitgevonden waren, een beroemd man, die Arent Fokke heette en aangenomen had op den 22en April 1799 in het ‘Nut’ te spreken. Hij zou de rij der spreekbeurten in dat saizoen besluiten, en het moest dus iets toepasselijks zijn. Arent had al weken lang de gezegde kwelling des geestes ondervonden, en die met edele zelfopoffering doorgestaan, omdat het ‘tot nut van 't algemeen’ zou strekken. Weken lang had hij ‘omgezien’ en ‘gezocht’ en den kop gekrabd, ja, zich de hersens zoo moê gepraktizeerd, dat het praktizeeren hem verveelde. Bovendien - ‘niets is pijnlijker dan zich te moeten verpijnen om geestig te zijn’1); en het was eenmaal regel en wet geworden, dat Fokke geestig en grappig zijn moest, en toch voelde hij daar in 't minst geen lust toe, - wat hij toeschreef aan het akelig weêr in dat voorjaar, en aan den miserabelen tijd, en aan de gedurige opeenstapeling van berigten, die niet pleizierig waren, en tijdingen van onaangename gebeurtenissen; - ja hij meende zelfs, dat hij er bleek van uitzag. Onwillekeurig keek hij eens in den spiegel, en dacht zoo: wat is een mensch toch gek, die zich zooveel kwellingen oplegt, alleen om anderen een uurtje te vermaken! En op eens was 't alsof de geest van Seneca langs zijn oor zweefde en hem influisterde: Fatuum videre si animus est, me ipsum conspicio. D.i.
Neen (riep hij) dan loop ik liever de deur uit! Hij greep hoed en rotting, maar zijn kwelling volgde hem. ‘Vol gedagten over het onderwerp, dat hij voor die laatste spreekbeurt zoude verkiezen,’ draafde hij de Kalverstraat door, struikelde eerst over een kruiwagen en toen over een varken, liep een sleperspaard en een turfdrager tegen 't lijf, waar hij zeer van ontstelde; en pas had hij 't voornemen opgevat, heel bedaard te loopen, of hij kreeg achter zich ‘het oorverdoovend recitatief van een hoog gillende straatchanteuse: Motje ook varse radijs?’ wat hem geheel van zijn stuk bragt. Om dit te ontvlugten sloeg hij de Taksteeg in naar 't Rokin. Daar waren, juist toen hij, driftig en met geen pleizierig gezigt, den hoek om kwam stappen, bij 't Valbruggetje eenige jongens aan 't knikkeren, die, niet wetende, dat hij de spreker van den laatsten avond in 't ‘Nut’ was, hem voor een schoolmeester hielden, en vol schrik de knikkers bijeen grabbelende, onder de kreet: ‘jonges, een uitschaai!’ liepen wat ze konden, eer 's meesters rotting hen bereiken mogt.
Daar viel Arent een steen van 't hart en een denkbeeld in 't hoofd.
Dadelijk naar huis en aan 't schrijven. En op den bestemden avond hield hij een verhandeling over dien ‘uitschaai’, en koning Xerxes, die ‘ei, kopperei!’ danste, en de wijsbegeerte van Kant, en ‘mooije Lijsje uit den koffiekelder’, - zoo prachtig, dat ‘het geachte Bestuur’ verklaarde, 't nog maar zelden zóó in het Departement gehoord te hebben, en den spreker dringend verzocht, dat stuk ‘in druk’ te geven, gelijk hij ook gedaan heeft1).
Het vlieger oplaten is een echt Hollandsch jongensvermaak. Waar een Hollandsche dichter of rijmer de wandelwegen zijner woonplaats verheerlijkte, kwamen de jongens met hun vliegers er bij. Ik geef 't woord aan den Hoornschen Buitencingelpoëet:
En wie heeft den vlieger uitgevonden? ‘De Chineezen,’ zeggen de landen volkenkundigen3), maar zij vergissen zich. De Chineezen hebben hun vliegende draken uitgevonden, maar van onzen bevalligen peervormigen Hollandschen vlieger met een neusje, zoo spits als een pijlpunt, heeft niemand onzen Hollandschen jongens de eer der uitvinding te betwisten, als 't reeds genoemde ‘Kinderwerck’ van Calom teregt zei:
Naderhand kwamen er ook de vierkanten, huizen, sterren, ja zelfs wees-jongens en weesmeiden bij, maar de oude peervorm bleef de vlieger bij

uitnemendheid. Slechts op één plaats van ons Land heeft hij een treurige vermaardheid verworven, en dit was te Zaandam, in 1647, door de bekende droevige historie, die in de Bullekerk is afgebeeld4).
Over de pop kan een mooi hoofdstuk geschreven worden, en er behooren ook oudheidkundige beschouwingen bij. De kleine meisjes te Athene speelden met poppen, als de hiernevens afgebeelde, die in graven gevonden zijn; zij lijken niet kwalijk naar de hansoppen5), die nog vóór dertig jaren in de ‘stooterskramen’ hingen.
Onder 't spelen met de pop was ook begrepen het naaijen der poppekleêren; en Le Francq van Berkhey klaagde reeds vóór bijna een eeuw,

Modepop uit een modejournaal.
dat het uit de mode raakte. ‘Bij onze burgers en landlieden’, zeide hij, ‘blijft de oude trant nog eenigszins in zwang, doch onder de aanzienlijken maakt men er tegenwoordig zooveel werks niet van. Een pop te kleeden is te naaisterachtig voor een jonge dame, en 't huishouden te leeren is te burgerlijk’1). Vroeger reden de meisjes haar poppen ook, even als de moeders haar kinderen, in een mandewagentje, en deze waren ruim genoeg, om er twee poppen in te zetten. Maar de poppen van onzen tijd zijn zoo wijd gerokt, en de wagentjes zoo beknopt, dat de pop boven 't wagentje op haar rokken drijft, als weleer een tooverheks boven 't water.
Tweede Boek. Spelen met mooi speelgoed.
Het eerste hoofdstuk moet alweêr over de Oudheid handelen, omdat deze ons met dat speelgoed lang is vóór geweest: Archytas, filosoof en speelgoedknutselaar (gaat dit meer zamen?) te Tarente, vóór ruim tweeduizend jaren, maakte duifjes, die van zelf vlogen, als men 't raderwerk opgewonden had. Het tweede hoofdstuk: over 't zilveren speelgoed onzer voorouders, dat, voor de liefhebbers van rariteiten, nog op verkoopingen voorkomt; - en het derde: over 't Fransche speelgoed van onzen tijd, dat van zelf beweegt, zoodat de kinderen 't slechts behoeven aan te kijken, en over de Parijzer poppen zóó mooi, dat geen jongeheer ze zien kan zonder verliefd te worden. De keizerin dezer poppen was die, welke onlangs Ismaël-Pacha heeft laten maken voor het zevenjarig Sultansdochtertje Salikee. Alleen de diamanten oorbellen van die pop kostten 52.000 francs! Natuurlijk moest zoo'n prachtige pop door een plegtig gezantschap worden overgebragt2). Welk een verheven taak voor een ambassadeur! Cats, die ook een staatsman was, wist wel, waarom hij zei, dat de heele wereld maar enkel kinderspel is.
Eindelijk nog een aantal hoofdstukken vol mooi speelgoed van alle soort, - van de poppevelocipedes af, die, met een horlogiesleuteltje opgewonden, over de tafel rondrijden, tot aan de wollen kegels en wollen ballen, waar de zoete jongens bij Ma in de zaal meê spelen ‘zonder leven maken’.
Derde Boek. Nabootsing van de bedrijven der groote menschen.
Hier staat de bokkewagen bovenaan. Geen liefelijker beeld voor een
Hollandsche kinderziel dan een mooi wagentje en een paar ferme bokken met groote horens. 't Was weleer - vóór de spoorperiode namelijk - het toppunt van weelde voor een jongen, als hij met de zweep in de hand, en een buurmeisje naast zich, op 't voorste bankje zat, terwijl zijne beide zusjes het achterste bankje innamen. Daarom ook ziet men op 't spel van ‘Strijk weg en geef wat’ den bokkewagen, als 't symbool des geluks, afgebeeld bij den worp, die den pot wint. Bij de twee vijven, die den halven pot winnen, daarentegen staat de bok zonder wagen: 't geluk is hier nog slechts ten halve.
Met dit liefelijk denkbeeld streelden de Hollandsche moeders haar kleintjes reeds, als ze nog op schoot zaten; haar liedje klonk:
't Assonneerend rijm bewijst, dat het een echt volksliedje is; maar tegenwoordig zingen de moeders van geen bokken meer, maar van sporen:
De tweede plaats komt aan 't soldaatje spelen toe, dat al heel oud is. 't Zal wel uit de Germaansche wouden oorspronkelijk zijn, ofschoon 't zijn vormen steeds veranderd, en 't kostuum van den tijd aangenomen heeft.
Het optrekken op kermis is zoo oud als onze steden, en waar een schutterij optrok, marcheerden de jongens er achter1) met houten snaphaan of hellebaard, met blikken sabel en bordpapieren harnas, met trom en prinsenvaandel, den oranjesluijer over schouder en pluimen op den hoed. En als Le Francq van Berkhey reeds voor bijna een eeuw schreef, dat die oude vaderlandsche gewoonte uit de mode raakte2), dan moge dit te Leiden geweest zijn, maar niet te Amsterdam. In het ‘Vaderlandsch A-B-boek’ van 17813) ziet men nog, op het tweede plaatje, de jongens op den Dam met de schutterij optrekken, en het onderschrift zegt: ‘de Jongetjes leeren doen zo als hunne Vaders.’ 't Echte Hollandsche jongensleven heeft zich, ten minste al sedert de 16e eeuw, in de Amsterdamsche jongens het krachtigst ontwikkeld, en 't is te hopen, dat thans de ‘versnelde-opvoedings-methode’ en de kamergymnastiek 't er niet uit werken.
Men weet, dat zij nog jaarlijks met Kermis het Beursvermaak ge-
nieten1), wat zij, volgens de traditie, te danken hebben aan een weesjongen, die eens de Beurs heeft gered. ‘Zulk een feest levert Amsterdam alleen op’; en wie het naar 't leven geteekend wil zien, leze Heldrings ‘Stadstooneeltje’ in den Almanak voor het Schoone en Goede van 1845. Toch werd, niet lang nadat dit geschreven was, de afschaffingsmethode ook al op dat kindervermaak toegepast; maar ‘bij het naderen der kermis in 1850’ gingen de jongens ‘met de petjes af’ en ‘met diepen eerbied en ontzag’ den ‘nieuw verkoren Burgerheer’ een berijmd ‘smeekschrift’2) aanbieden. En wat deed toen de Burgemeester?
En dit strekt dien Burgemeester tot eer.
De meisjes verschijnen hier met pop en huishoudentje spelen. Van de eerste is zooeven reeds gesproken en beiden zijn afgebeeld op blz. 284. In de 17e en 't begin der 18e eeuw lieten ‘aanzienlijke dames en vermogende koopmansvrouwen’ voor hare dochters ‘eene keurige poppenkas’ maken, waar alles, wat in 't huishouden behoorde, te vinden was, - de turf en potten en pannen zelfs in 't klein nagemaakt; en zij lieten ‘door groote meesters poppenzalen schilderen, die volledig gemeubileerd werden’3). Of echter de dochters met die fraaije dingen wel veel pleizier hebben gehad, en of de moeders er zich niet meer meê vermaakten dan zij, zou men mogen betwijfelen.
Terwijl de meisjes haar pop aankleedden, reden haar broêrtjes op hun stokpaardjes de straat rond. En nog vóór een halve eeuw kon men dat te Amsterdam op 't drukste plekje van de stad zien - niemand begrijpt nu meer hoe 't mogelijk was - in de Kalverstraat tusschen Osjesluis en Begijnensteeg: zes dreumissen van vijf en zes jaar, één voorop met een koperen waldhorentje aan den mond, één die zijn oranje halsdoek aan zijns vaders rotting geknoopt had, en de anderen met houten of blikken sabels twee aan twee er achter. Men liep daar toen nog geen spelende kinderen onder den voet, en er was weinig of geen gevaar van overreden te worden: de sleden sleepten langzaam, de brommertjes waren pas geboren en nog zeldzaam. Alleen als ‘de Koning in de stad’ was, moest het spelen in de Kalverstraat tijdelijk opgeschort worden.
De stokpaardjes zijn al oud, en zij hebben een edelen oorsprong: zij dagteekenen uit den bloeitijd der ridderschap. De zonen der Edelen kregen,
zoodra ze loopen konden, een stokpaardje1), en galoppeerden er meê het slotplein rond2); en de zonen der poorters deden 't vervolgens de jonkertjes na.
Het hobbelpaard, de handboog, om naar den papegaai te schieten, en zoo veel meer nog, ga ik stilzwijgend voorbij, om alleen nog het scheepjezeilen te noemen als een eeuwenoud jongensvermaak, waar ook de meisjes graag naar keken. 't Gewone jongensscheepje was van een klomp gemaakt; maar somtijds had de ervaren hand van een vader of oom een juweeltje van een jagtje gebouwd, waar de heele buurt om uitliep als het te water ging. En hoe de visscherskinderen zich er meê vermaken bij een zwimmetje op het strand, heeft Israels uitgeteekend in de Castalia van 1867.
Vierde Boek. Spelen met ondeugend speelgoed.
Schrik niet! dit soort van speelgoed is natuurlijk in onze verbeterde maatschappij niet meer te vinden, maar 't behoort toch tot de geschiedenis. En velen zullen zich nog wel die proppeschieters herinneren, die door een even opgeschoven zijkamerraam of een tralie van 't onderhuis op de neuzen der voorbijgangers gerigt werden; - en die houten spuitjes, die, met inkt of gootwater gevuld, de schrik waren van alle mooi aangekleede juffrouwen en heldere dienstmeiden; van deze laatsten vooral als 't kermis was, en zij, geheel in 't wit gekleed, haar ‘halven dag’ hadden. 't Waren booze tijden, toen zulk speelgoed gemaakt en verkocht werd! Veel liefelijker klinkt het volgende:
Vijfde boek. Spelen met opvoedkundig speelgoed.
Een hoogstgewigtig onderwerp in onzen tijd, waar de groote menschen, die verstand van die zaken hebben, heel veel, maar de jongens en meisjes bijzonder weinig belang in stellen. Wie er 't nut van wil leeren beseffen, leze de verhandeling van den heer J.F. Jansen in den Nutsalmanak van 1868, waar men tevens een zeer belangwekkende beschouwing zal vinden over de reeds genoemde elegante poppen van onzen tijd, in tegenstelling met de eenvoudige poppen van weleer, die de meisjes zelf in de kleêren staken, van welk laatste ook de opvoedkundige strekking aangewezen wordt. Maar ik moet hier de opmerking bijvoegen, dat er toch ook al vóór derdehalve eeuw mooi aangekleede poppen in de kramen te koop waren3), en dat, voor zooveel de meisjes naakte poppen kregen, het poppehemden, -rokken en -jurken naaijen maar winterwerk was; zoodra Paschen achter den rug was, gaven zij er den brui van, en liepen op straat touwtjespringen en hoepelen met de buurmeisjes.
Zesde Boek. Hoe groote menschen zich met kinderspeelgoed vermaken. Het eerste hoofdstuk spreekt over 't speelgoed der Vorsten. Één voorbeeld uit de oudheid. Koning Lysimachus had eens, toen hij jarig was, een mooijen schorpioen present gekregen, zoo fraai van hout gesneden en zoo keurig geschilderd, dat het beest scheen te leven. Nu was er onder den adel aan zijn Hof een zekere Bithys, een regte tafelschuimer, wien de Koning maar niet kwijt kon raken. ‘Wacht,’ dacht Lysimachus, ‘ik zal jou wel wegjagen, en hij liet stilletjes den schorpioen hechten aan 't kleed van Bithys. Deze schreeuwde, of hij vermoord werd, toen hij 't beest ontwaarde, en de Koning en 't heele Hof schaterden van lachen. Toen Bithys zag, dat hij gefopt was, dacht hij: ‘leêr om leêr.’ - ‘Sire,’ zei hij, toen de lachbui over was, ‘gij hebt mij een ijselijken schrik aangejaagd; 't is billijk, dat ik 't nu op mijn beurt u doe: handel koninklijk, Sire! en geef mij een talent!’ Lysimachus verbleekte; hij was erg gierig.
Het tweede hoofdstuk moet aan het speelgoed der geleerden gewijd worden. Eens toen Alcibiades bij den wijzen Sokrates binnentrad, verraste hij dezen, terwijl hij met zijn kinderen speelde en op een stokpaardje reed. Sedert hebben steeds de geleerden, en vooral de wijsgeeren, een sterke neiging betoond voor 't rijden op stokpaardjes.
Hugo de Groot speelde op Loevestein voor zijn gezondheid met een drijftol, en men zegt, dat ook dit voorbeeld niet zonder uitwerking gebleven is op theologanten en politieken.
En eenige andere hoofdstukken moeten over 't politiek speelgoed uit verschillende tijdperken handelen. Natuurlijk komt dit het meest in tijden van partijschap voor, en de patriotsche tijd is er bijzonder rijk aan geweest, toen zelfs poppen in de gevangenis werden gebragt1).
Tweede Deel. Spelen zonder speelgoed. Dit kan in tien boeken verdeeld worden.
Eerste Boek. Eigentlijke spelen. Het eerste hoofdstuk handelt over het spelen der kinderen met de ouders, of omgekeerd zoo men wil, b.v. het paardrijden der jongetjes (eer ze nog mans genoeg zijn, om 't op een stokpaardje te doen) op vaders rug. En natuurlijk kan men hierbij niet nalaten Hendrik IV uit te teekenen; maar hoeveel millioenen vaders hebben hetzelfde vóór en na hem gedaan? ook vaders, die Koningen waren! Agesilaus de Lacedemoniër deed het al lang vóór den Bearner.
In een aantal volgende hoofdstukken komen: krijgertje, paardjespelen, schuilhoekje, haasjeover, bok, bok, sta vast! de beer, de wolf, de kat en de muis, en 't blindemannetje, dat ook de volwassen jeugd graag speelde, en waar Cats bij rijmde:

Voorts: stuivertje wisselen; Kees, Kees, hoe duur zijn je vijgen? Vader, ik sta op jou kasteel! visch in 't netje, touwtjespringen en honderd anderen. - ‘Ja maar, dat zijn allemaal van die wilde spelen, daar ik nu volstrekt niet van hou.’ - ‘U niet, Mama! maar wij wel,’ zeggen de jongens. ‘En wij ook!’ roepen de meisjes, en zoeken al naar het springtouw. ‘Ja,’ zegt Jean Paul, ‘zij hebben gelijk; het vermakelijkste boek vergoedt hun 't gezonde spelen niet’1). ‘Zeer waar,’ zegt een Lid van de Akademie, ‘en daarom ging ook Sokrates, als hij moê van 't studeeren was, een beetje touwtjespringen’2).
Een uitsluitend Amsterdamsch spelletje was weleer ‘het zoeken van het kleinste sterretje’, - niet aan den sterrenhemel maar op den marmeren vloer van de Burgerzaal. Die vloer was ingelegd met ‘drie rondten’: de beide uiterste vormden een kolossale wereldkaart, die alle tegenwoordige kaarten verre overtrof, en waar de schooljeugd vrij op studeeren mogt; het middelste rond was de hemelkaart van 't Noordelijk halfrond met koperen sterretjes; en hier was 't dat de Amsterdamsche jeugd naar 't kleinste sterretje ging zoeken. Dit vermaak hield op, toen, in 1808,
Tweede Boek. Oneigentlijke spelen, waarbij men den kinderen knollen voor citroenen in de handen stopt, en een les laat leeren, terwijl 't heet dat zij spelen. Ieder, die eenig pedagogisch vernuft bezit, kan er zelf zooveel bedenken als hij wil; maar ziehier een voorbeeld van Gauthier, dat in den ‘Onvermoeiden Speelmakker’ wordt betiteld als ‘de Aardrijkskundige les’, en - onder de meisjesspelen gerangschikt4), alsof jonge juffrouwen zooveel van de geografie houden!
Gauthier teekende met krijt den omtrek van Frankrijk op den vloer, en gaf aan elk der meisjes een naam; de eene heette ‘de Rijn,’ de andere ‘de Pyreneën’, een derde ‘de Middellandsche zee’, enz. Op 't kommando: ‘Rijn, ga op je plaats,’ ging 't eerstgenoemde meisje dadelijk op de oostelijke
grens van Frankrijk staan, en natuurlijk kenden zij en haar kameraadjes daarmeê perfekt den loop van den Rijn. Die methode moest op alle hoogere en lagere burgerscholen voor meisjes worden ingevoerd!
Derde Boek. Steenspelen. Deze vertegenwoordigen de steenperiode in de historie der kinderspelen. Ik zal er maar twee voorbeelden van noemen.
Vooreerst het kiskassen, dat door Dr. Heije bezongen is:
Het steentje moet, als 't goed gaat, in zeven of acht sprongen over 't water huppelen, en met den laatsten aan de overzijde te land komen. In den tijd, toen ik nog meêdeed, riepen wij altijd: seven or eight! omdat dit in ons ‘Engelsche lesseboek’ stond. 't Was 't gewone vermaak, bij zomeravond om zeven uren als de school uitging, langs de Prinsengracht; maar 't platte steentje sprong aan de overzij (als de Dichter zich welligt ook herinneren zal) niet in 't ‘gras’, maar soms in een glas; waarop de heele troep kiskassers de Spiegelstraat instoof.
Dat het weleer niet alleen een schooljongens-, maar ook een groote-menschenvermaak was, bewijzen de legenden, die hier en daar nog in omloop zijn, en waaruit men tevens de merkwaardige bijzonderheid verneemt, dat er toen lieden waren, die niet met steentjes maar met dukatons en rijksdaalders kiskasten. Zoo verhaalt men te Nieuw-Vossemeer een aandoenlijke historie van een jeugdig paar, dat er zich in het eerste jaar van hun huwelijk dagelijks meê vermaakte, en het tweede jaar doodarm was2).
In Gelderland spelen de jongens: boer, lap den buis3). Zij bouwen op de heide van keijen een soort van hunebedje, en zoeken ronde keijen om tot ballen te dienen. Zij werpen eerst, om uit te maken, wie ‘boer’ zal zijn, en deze legt zijn werpsteen boven op het hunebed. De anderen staan aan ‘de meet’, en werpen met hun keijen, om het hunebed in te doen storten. Hebben zij goed geraakt, dan roepen zij: ‘boer, lap den buis!’ en deze moet terstond de schade herstellen. Maar waarom die steenhoop een buis heet, mogen de taalgeleerden uitmaken; mogelijk kunnen zij de explicatie in het Sanskriet vinden. Terwijl de boer zijn buis lapt, moet hij, die geworpen heeft, zijn steen terughalen, maar gebeurt het, dat de boer eer klaar dan hij aan de meet is, en dat die hem tikt, dan wordt hij boer, en deze plaatst zich onder de aanvallers.
De Hollandsche jongens plagten 't zelfde spel te spelen, maar op geen hei en niet met keijen; zij speelden 't op den weg, waar ze een hoop klinkers vonden, en bouwden geen hunebed maar een toren.
Vierde Boek. Gezelschapsspelletjes. Hier kan men eerst een lang hoofdstuk over pandspelletjes schrijven en het illustreeren met de pandspelode van Mr. J.E. Banck, die te lezen staat in de Aurora van 1862; - en
er vijf andere op laten volgen over raadsels opgeven, charades maken, logogrifen praktizeeren en spelen met woorden en cijfers. Maar de aardigheden dezer soort worden tegenwoordig zooveel verkocht in illustratiën en kindercouranten en boekjes, dat men er geen aardigheid meer meê hebben kan, want als Pietje er een opgeeft, roept Mietje: ‘dat heb ik al lang gelezen!’ De uitgevers van zulke dingen meenen, dat zij het vernuft aanblazen en de geestigheid opwekken, maar zij dooven die juist uit, door het benemen van alle gelegenheid tot eigen werkzaamheid.
Eindelijk behooren hier ook de dansspelletjes t'huis, met hun eigenaardige meestal eeuwenoude liedjes, - waar de kinderen van vroeger tijd altijd 't meeste pleizier in hadden, als ze een klein half uur hadden zitten luisteren naar spreukjes vertellen. Dan kon de heele troep opvliegen, en terwijl de een den ander de hand reikte, klonk het: ‘Kluwetje, kluwetje garen!’ enz.
Daar zijn er echter onder die dansliedjes, die uit de groote-menschenwereld afkomstig en juist niet heel kinderlijk zijn, al worden ze als zoodanig aangeprezen. Zoo wordt b.v. in den Gelderschen Volksalmanak van 1842 ‘de dans en zang, het Kanonnike’ beschreven, en een ‘onschuldig kindervermaak’ genoemd1). Ja wel, het lied dagteekent zeker uit de 16e eeuw, maar 't is een bruilofts- en geen kinderdans, als 't geheele beloop van 't lied bewijst.
Over de ‘woordspelen’ en de ‘kinderrijmpjes’ heeft onlangs de ‘Nederlandsche Spectator’ een paar artikeltjes gegeven2), en er den wensch bijgevoegd, dat die eens verzameld mogten worden. Een vermakelijk werk voor wien er lust in heeft; maar ik bepaal mij hier tot hetgeen ik over de volks- en kinderliedjes reeds gezegd heb aan het slot van 't Eerste Boek3).
Vijfde Boek. Kijkspelen. Hier kan men vijf mooije hoofdstukken schrijven over 't vertoonen van Tooneeltjes en Schaduwbeelden, Poppekast, Chineesche schimmen en Tooverlantaren. En hoe prettig die drie laatsten waren in den tijd, toen dat beroemde driemanschap: La Haye, Beekman en Laurens, nog leefde, heeft Mr. Jakob van Lennep beschreven4), en de late nakomelingschap zal er nog pret in hebben als zij 't leest.
Eenige jaren later had men een anderen Luikerwaal, die den tooverlantaren vertoonen kwam. Of hij een leerling van Laurens was, weet ik niet, maar wel, dat hij Monsieur Laronde heette, en, eer hij begon, de volgende toespraak hield: ‘Allon, kinderkens, en ook kroote Eer en Daam! Ikke zekke jelui koete afent. Ikke selle jelui late sien de neuf tooferlanterne, dat ikke in Ekipt fertoont eb, en waar de Turk en Arabier zijn ooke op uitkekeek ebbe. Ikke selle ze late spreek, wat hum self spreek.’ En dan vertoonde hij alle straatnegocie, en bootste het geroep
na van: ‘Eerebaaije! dubbelde potte mit eerebaaije!’ - ‘Wat binne die karse broin en moi, 'n dubbeltje maar 'n poent!’ enz. En ieder proestte van lachen, die hem dat klassiek Amsterdamsch op zijn koeterwaalsch hoorde radbraken.
Zesde Boek. Spelen in daartoe vervaardigde toestellen, zoo als: het schoppen en wippen, de mallemolen, de koliska en 't doolhof, waarbij nu ook de hedendaagsche schoolgymnastiek kan gevoegd worden. Aan de vier eerste spelen willen de volwassenen ook nog wel meêdoen; maar 't vijfde bestaat niet meer, en voor de laatste bedanken ze.
Het schoppen of schommelen dagteekent van de vroegste oudheid, en was te Athene een meisjesspel. Ikarus was een braaf Athener, die van Bacchus les in den wijnbouw kreeg, maar hij werd eens door een dronken herder van Attika vermoord, hetgeen zijn hond Maera uitbragt. Erigone, 's mans dochter, verhing zich uit droefheid. Alle drie werden onder de sterren geplaatst: Ikarus als Boötes, Erigone als de Maagd, Maera als de Hond. En het was ter harer nagedachtenis, dat het schommelfeest te Athene werd ingesteld. Zittende in een hangend stoeltje lieten de meisjes zich schommelen, terwijl zij een gewijden zang opdreunden. En zoo behoort ook hier te lande bij 't schoppen een liedje. Uit velen kies ik 't schommelliedje van Elspeet op de Veluwe:
En daarmeê laten zij den schommel uitloopen. Te Heerde zingen de kinderen een anderen dreun, die van 't begin tot het einde onzin is, en die ik daarom maar niet zal uitschrijven. Het Elspeetsche schommelliedje komt vrij wel met het Amsterdamsche overeen; alleen verandert de kan in een flesch, en het huisje in de tuindeur, terwijl de vier laatste regels wegvallen, en daarvoor in de plaats komt:
waardoor tevens het rijmwoord op ‘sloeg’ gevonden is. Maar niet zoo gemakkelijk is de verklaring der personaadjes, die er in voorkomen, te
vinden, en daar ligt dan ook juist niet bijzonder veel aan gelegen. Denkelijk wordt er, gelijk wij reeds vroeger in andere liedjes opmerkten, op booze geesten en hekserij gedoeld.
Maar al is nu het schopstoeltje Grieksch, de kunst, op een smal plankje staande, een halven cirkel in de lucht te beschrijven, is zeker in onze gewesten uitgevonden, mogelijk door een ligt matroos.
Het wippen is nog ouder dan het schoppen, en dagteekent stellig van vóór den Zondvloed. Immers zoodra de eerste boomstam geveld, en een tweede er over heen geworpen was, zullen er wel dadelijk een paar jongens toegeschoten zijn, die ieder op een eind gingen zitten en wipten.
De mallemolens of draaischuitjes daarentegen zijn betrekkelijk modern, want zij zijn uit de carrousels voortgesproten1). In den Spaanschen Brabander zegt Andries:
Men kende die hier dus in 't begin der 17e eeuw, en veel ouder zullen ze wel niet zijn; welligt waren ze toen een nieuw kermisvermaak. Over de vroegere en de tegenwoordige gedaante dier toestellen is in 't ‘Boek der Opschriften’ gesproken3), wat ik dus hier niet behoef te herhalen.
Wie in de kermisdagen (ik spreek van den tijd, toen het nog geen zonde geacht werd, kermisvacantie te geven) een jongen niet t'huis vond, kon hem bij de draaischuitjes vinden even zeker als men in de dagen van Leicester een Amsterdamsch Schepen, die niet t'huis was, in de kaatsbaan vinden kon. Maar op die kermisdagen, die sedert eeuwen als ‘meidendagen’ gestempeld waren, was er voor de jeugd nooit bijkomen aan; dan zaten de kermisvrijers op de paarden en de dienstmaagden in de schuitjes, en ze zongen uit den treuren:
En bij ouderwetsche winters, als er ‘balken onder 't ijs’ lagen, verlieten ook de mallemolens hun winterleger, en verschenen met volle muziek op de ijsbaan.
Natuurlijk heeten de hedendaagsche fraai gedekoreerde draaiinrigtingen geen ‘mallemolen’ meer, maar ‘carrousel’; wat in Kermis-Nederduitsch (eene soort, die in de Vermakelijke Spraakkunst niet vermeld is) wordt geschreven: ‘de kurazel’ of ‘de kurzel’.
Gelijk deze laatste horizontaal, zoo draait de koliska vertikaal, doch heeft paarden noch schuitjes, maar enkel vier bakken, waar de liefhebbers plaats in nemen. 't Is een Russisch vermaak, waar, vóór een eeuw geleden, de Hagenaars kennis aan kregen, en 't ook heel pleizierig vonden.
Le Francq van Berkhey noemde 't daarom ‘het Haagsche rad van avonturen’, vermits het in zijn tijd nog nergens elders bekend was1). In 't begin dezer eeuw kwam er ook een bij Amsterdam, en wel in een tuin bij Zeeburg2), en kort daarna was er ook een in den Paauwentuin aan den Amstel3).
Sedert een halve eeuw bijna verschijnt zij jaarlijks op de kermissen onder den titel van ‘Russische schop’; en men leest nu en dan in de couranten, hoe een liefhebber, die juist in het Zenith zou culmineeren, bij vergissing ging culbuteeren.
Het doolhof was in der vaderen tijd een geliefd vermaak voor de volwassen jeugd, waarom dan ook Cats dit vóór zijn ‘Houwelick’ liet uitteekenen als een zinnebeeld van
Later werd het een kindervermaak, en de Amsterdamsche jeugd had er nog tot 1862 't genot van 't Oude Doolhof. Toen echter zei men:
En 't Doolhof zei, als Arent van Aemstel:
Zevende Boek. Spelen met dieren.
Hier dient eene taalkundige opmerking vooraf te gaan, t.w. dat het voorzetsel ‘met’ bij 't werkwoord ‘spelen’ tweeërlei beteekenis heeft, en volgens de eene dier beteekenissen het vermaak slechts aan ééne zijde is. Daarom heeft een wijsgeer der Oudheid reeds geleerd, dat elk, die spelen wil, het met hen moet doen, die er ook vermaak in vinden, en dat de kwâjongens, die met steenen gooijen naar de kikkers in de sloot, daar heel verkeerd aan doen, omdat deze dieren in dat spel geen vermaak vinden, ja er heuschelijk van sterven kunnen. Ook de vogel op de kruk deelde nooit in 't vermaak van hem, die de kruk vasthield, al was het ook de hand der Liefde zelve, gelijk men op antieke vazen afgebeeld ziet. En de gouden tor, die de Amsterdamsche jongen weleer op de Bloemmarkt kocht, om die aan een draadje te laten vliegen, - hoe liefdevol de knaap haar behandelde, en al gaf hij haar ook een mooi gouwetorrehuisje met een schuifdeur - deelde zeker geen oogenblik in de pret van haar kleinen meester.
Hoe weinig de bok het voorregt op prijs stelt, de speelgenoot van een vrolijken jongen te mogen zijn, geeft hij dikwijls genoeg te kennen, als hij, trots alle zweepslagen, niet voort wil, of 't chaisje, waar hij voor ge-
spannen is, op 't voetpad omwerpt. Maar de hond is altijd bij uitnemendheid l'ami et le martyr des enfants genoemd, en er was, tot op onzen tijd, een eeuwige veete tusschen honden en jongens.
En wat hebben die arme insekten niet steeds te lijden gehad, als de jeugd met haar speelde! Ach ja, zei Lafontaine, cet âge est sans pitié. Krekels en sprinkhanen konden, zoodra ze door een kinderhand gevangen werden, zich verzekerd houden, dat ze geen hoogen ouderdom zouden bereiken. Kevers en lievenheershaantjes waren er niet beter aan toe, maar 't ergste kapellen en vliegen. De eersten werden met hun vijfentwintigen aan een draad geregen, om zoo, aan de hand van een kwâjongen, zich dood te fladderen; en de vliegen zagen zich doorgaans, van vlerken beroofd, voor een papieren wagentje of sleedje gespannen, - en daarin hadden die kleine barbaren nog wel een Romeinschen Keizer tot voorganger gehad!
De Romeinsche jongens speelden met muizen, die ze voor wagentjes bonden; maar de Amsterdamsche jongens speelden weleer met rotten een veel gevaarlijker spel - het rotjesbranden.
Een gevangen rot werd met stroo omwonden en met pek, teer en zwavel besmeerd. Dit werd in brand gestoken en de rot losgelaten. Het angstige dier vloog regts en links, en bragt de heele buurt in opschudding. Vrouwen met bezems, meiden met luiwagens, de snijder met zijn parsplank, de aardappelman met zijn schop, de melkboer met zijn juk, - allen schoten toe, en dreven met vereende magt de rot in de gracht; waar zij nog eenigen tijd brandende ronddreef, terwijl brug en wallekant vol kijkers stonden. Ja, de vuurwerkmakers namen er zelfs een model aan, en maakten ook rotjes om op 't water te branden.
Hadden de jongens een vleêrmuis te pakken gekregen, dan dreven zij er een echt Tantalusspel meê. Met uitgespreide vlerken spijkerden zij haar aan een boom, met een stukje spek boven den kop, dat het arme dier niet bereiken kon, zoodat het onder den geur van 't lekkere hapje den hongerdood stierf.
Ik heb hier in den verleden tijd gesproken, omdat een onderwijskundige mij de verzekering heeft gegeven, dat, sedert de invoering van 't onderwijs in de Natuurlijke historie op de scholen, de jeugd de dieren zoo lief gekregen heeft, dat zij al die wreede spelen zelf heeft afgeschaft, - hetgeen het beste bewijs oplevert voor de nuttige strekking van dat onderwijs.
Achtste Boek. Schoolvermaken.
Deze behooren eigentlijk tot een vroeger tijdperk. Hedendaagsche pedagogen, maar niet alle, beweren zelfs dat het woord ‘schoolvermaak’ een onzinnig woord is, omdat de beide leden, waaruit het zamengesteld is, onvereenigbaar zijn. Hoe dit zij, het ‘verbeterd onderwijs’ heeft veel daarvan afgeschaft, en 't weinige wat 1806 nog had laten blijven, is door 1857 voor goed weggevaagd. Maar juist daarom zijn ze voor
ons zooveel te belangwekkender. Wanneer er eens in ons Land eene ‘Geschiedenis van het Schoolwezen’ geschreven zal worden, dan zullen, spijt de gezegde hedendaagsche pedagogen, en ondanks oude en nieuwe schoolwet, toch de schoolvermaken niet vergeten mogen worden, omdat zij eenmaal een voornaam element in het schoolleven - dat wil zeggen: in het jeugdig volksleven - waren. En omdat de bedoelde ‘Geschiedenis’ nu nog niet geschreven is, zoo wil ik er hier bij voorraad het een en ander van opteekenen.
Het oorlof bidden voorop. Oudtijds, toen men het nut der vormleer nog niet, maar dat van spel en vermaak te beter kende, kreeg de schooljeugd meermalen een vrolijken dag; niet alleen werd haar daartoe van Stadswege ‘oerlof’, maar soms, natuurlijk bij feestelijke gelegenheden, nog geld toe gegeven, om er zich meê te vermaken. En ook als gilden feestvierden, deelde de schooljeugd in de vreugd; b.v. te Amsterdam op St. Sebastiaansdag baden de scholieren oorlof ter eere der schutters, en deze schonken hun vier stuivers om zich te vermaken.
Na de Reformatie werd dat oorlof bidden reeds beperkt. Geen wonder, de school stond onder den invloed der heerschende kerk, en het Calvinismus was er evenmin voor om den kinderen, als om den menschen vrolijkheid te gunnen; - maar toch den eersten nog wel iets. ‘Ééns ter weecken, te weten des Donderdaechs, den geheelen namiddach’ mogten de schoolmeesters en schoolvrouwen den jongens en meisjes nog ‘oorlof gheven’, maar meer niet1). En Valcooch schreef in 1597 dat dit oorlof geven op Donderdag toen al ‘een costuyme over langhe jaren’ was, omdat het juist was ‘midden ter halver weken’. Wij zien hieruit, dat de Hollanders van dien tijd den maandag als den eersten, en den zondag als den laatsten dag der week beschouwden, - in strijd zoowel met de Germaansche als met de Joodsche en Christelijke telling, maar eenvoudig om zich met hun Oud-testamentisch sabbathsbegrip vast te klemmen aan Exodus XX vs. 8-11. Later veranderde dat, en begreep men, zich aan de Evangelisten2) te moeten houden, en toen werd het oorlof's woensdag-namiddags gegeven. En waartoe achtte men die ontspanning in 't midden der week noodig? Valcooch zegt het:
In de vorige eeuw raakte 't woordje ‘oorlof’ uit de mode, - 't werd in de jongenstaal door 't eenvoudige: ‘geen school’, en in deftige meesterstaal door ‘vacantie’ vervangen. 't Oude woord bleef alleen op de matressenschooltjes in gebruik voor de schoolpretjes, die nu en dan gegeven werden. Le Francq van Berkhey vond die oorlofjes heel nuttig, niet om
‘de memory’, maar om een heel andere reden. Hij vond, dat daardoor ‘de kinderen werden opgeleid tot de eigenaartige uitspanning der Natie, het houden van gulhartige vriendenmaaltjes’1). Inderdaad geen onaardig denkbeeld, dat bij onze bewaarscholen wel aanbeveling verdient.
In het laatst der vorige eeuw werden de matressenschooltjes nog door kinderen van alle standen bezocht, en dit werkte goed op hunne ontwikkeling; men zag er de jeugdige aristokraatjes naast de plebejertjes zitten2) met een A-B-bordje of een Haneboek in de hand. De voornaamste speelpartij had plaats in de week voor Paschen. ‘De kinderen worden,’ zegt Le Francq, ‘ter aandenkinge van den Palmzondag, met palm en bloemen opgeschikt. Zij spelen dan wel inzonderheid Bruid en Bruidegom. Elk vrijertje heeft zijn vrijstertje; en de Matres schikt de paartjes naar de vermogens en de overeenkomst der ouderen, die er somtijds wel naauw op letten, welk een vrijer of vrijstertje hunne kinderen krijgen’3). Ja, daarom was 't ook de gewone matressenspreuk: ‘M'n mot zn mense kenne.’
Met het begin dezer eeuw raakten de matressenschooltjes allengs in verval, en werden den plebejers alleen overgelaten. 't Oorlof bleef er, zoo lang ze bestonden; maar de negentiende-eeuwsche matressen begrepen 't woord niet meer. En omdat in de volkstaal f en ch zoo naauw verwant waren, dat pantoffel op bochel rijmde4), en omdat in dien tijd zelfs de taalgeleerden met ch en g in de war raakten, en omdat de matressen ‘in de dagen van Bonneparte’, van niets dan ‘oorlog’ hoorden, dachten zij, dat dit het was, en lieten haar scholiertjes ‘oorlog spelen’. Van toen af werd het schoone doel, dat Le Francq zich van die partijtjes had voorgespiegeld, geheel gemist; 't werd oorlog, en dus een heidensch geweld, dat men een straat ver hooren kon, en de knappe burgers kregen er een hekel aan, en lieten het voor 't gemeen over. En eindelijk stierven de matressenschooltjes aan de tering. Och, of men dat van den wezentlijken oorlog in de groote-menschenwereld ook haast zeggen mogt!
2o. Schoolmaaltijden en feestdagen. In de scholen werden oudtijds, zoowel als in de kloosters, gast- en weeshuizen, op zekere dagen maaltijden aangerigt, die de scholieren aan de milde giften van kindervrienden en vriendinnen te danken hadden, en die dagen waren dan geheel gewijd aan 't vermaak. Na de Reformatie hield dit op; alleen bleef op vele plaatsen de maaltijd op Onnoozelekinderendag in gebruik5).
De Vastelavond werd oudtijds ook in de school gevierd; hier te Lande heeft dit al in de 17e eeuw opgehouden, maar in Vlaanderen nog tot 1830 voortgeduurd, immers op de dorpsscholen. De leerlingen zetten dan den zotskap op, en de meester, ging op de vlugt; de heele school ijlde hem na; hij werd gevangen genomen, teruggevoerd en op zijn stoel
vastgebonden. Dan vroeg Meester, wat hij doen moest, om los te komen; en 't antwoord was, dat hij een speeldag geven en trakteeren moest, - wat de man dan ook deed. En 't wordt tot lof der oude schoolmeesters opgemerkt, dat zij zich aan zulke gebruiken wisten te onderwerpen en toch hun gezag te bewaren1).
Vóór dertig jaren verhaalde Dr. Hermans, dat in Noord-brabant, naar oud gebruik, op St. Thomas (21 December) de onderwijzer door de kinderen buiten de school gesloten, en niet ingelaten werd, voor dat hij hun speeldag gegeven had; - en dat het op den laatsten dag van 't jaar, St. Silvester, de gewoonte was, hem, die't laatst ter school kwam, den bijnaam van ‘Paus Silvester’ te geven2). Men begrijpt, dat onder de tegenwoordige wet zulke dingen en zulke bijnamen niet meer geduld worden.
In onzen tijd is op de meeste scholen de eenige feestdag, zoo 't er nog een is, de verjaardag van ‘Mijnheer’; maar ook deze droogt allengs uit, en is nog maar een schaduw van wat hij vóór een halve eeuw was. Toen behoorde tot de vermaken van dien dag nog het vertoonen van een eigengemaakt tooneelspelletje, waarin menige ‘zet’ voorkwam, die ‘Monsieur’ in zijn pedagogisch zakboekje kon aanteekenen. 't Was geen navolging van 't schooldrama; dit was deftiger, als wij later zullen zien; maar 't was de schoolkomedie of schoolklucht.
Op sommige plaatsen begrijpt men nog - en 't strekt die plaatsen tot lof - dat een schoolvermaak van tijd tot tijd goed kan doen. Zoo b.v. verordende in 1863 de Gemeenteraad van Smallingerland, om 't vlijtig schoolgaan te bevorderen, dat er jaarlijks in alle scholen dier gemeente een kinderfeest gevierd zou worden, waarbij alleen ‘de getrouwe schoolbezoekers’ zouden toegelaten worden, en 't middel hielp terstond3). En ook elders acht men een enkel feestje niet te veel tegenover zooveel vlijt en inspanning, als er dagelijks van de schoolkinderen gevorderd wordt. Ja zelfs aan de Kust van Guinea begrijpt men het nut daarvan, en de dagbladen hebben 't ons verteld, hoe op den 19n December 1868, de Goeverneur - omdat het examen zoo mooi was geweest, en de zwartjes zoo goed Hollandsch geleerd hadden - hun een feest gaf binnen 't kasteel, waarbij zelfs de Negerkoning met geheel zijn zwarte Hof genoodigd was4).
't Is wel jammer, dat men in 1857 vergeten heeft, onder de verpligte vakken in art. 1 der wet ook op te nemen: ‘het vieren van schoolfeesten’. Eene goede opvoedkunde leert, dat het van 't hoogste gewigt is, den ‘zin tot vermaak’ in 't jeugdig volk wel te ontwikkelen en te leiden; en het zou tevens het zekerste middel geweest zijn, om een doel te bereiken, waarover in onzen tijd zooveel geredekaveld wordt, - de veredeling der volks-vermaken.
3o. Het sluiten der school. Dit behoort natuurlijk ook ‘in voortijden’ t'huis. Toen werd in vele gewesten van ons Land op de ‘boeredorpen’ alleen 's winters school gehouden. Als 't voorjaar aankwam, verveelde 't den boerejongens en meiden spoedig ‘in de stinkende school’1) te zitten, en ze maakten afspraak om er uit te scheiden. Daags te voren reeds weêrgalmde de school van 't gezang:
Den volgenden dag vierden ze een soort van narrefeest. Zij kwamen vroeg in de school, ‘de een al gekkelijker opgeschikt dan de andere,’ smeten alles dooreen, terwijl eenigen op den uitkijk stonden, om te waarschuwen als ‘de mester’ kwam. Deze maakte geen haast, want hij wist wel, wat er gaande was. Daagde hij eindelijk op, dan begon de heele troep te zingen en te jouwen, en liep de school uit, om niet terug te komen. De meester lachte eens, redderde den boêl wat op, en sloot de school, om die eerst met November weêr te openen.
4o. Spelen onder 't leeren. Streng verboden! maar juist daarom te pleizieriger. Wie heugenis van een halve eeuw heeft, herinnert zich nog wel die klappertjes, om Monsieur te doen schrikken, als deze, met inspanning van al zijn geestvermogens, schriften zat te corrigeeren of sommen na te zien; - en die sprinkhaantjes, die gingen zwemmen in de groote koffij- of theekom, die op den rand van 's mans lessenaar stond; - of, erger nog, dat schieten met stukjes aardappel uit een penneschacht, en dat blazen van erten, altijd naar Monsieur, als deze 't niet zag, en dus evenmin wist, wien hij er voor betalen moest, als de President en Raden van den Hove van Holland wisten, wie de nachtelijke glazebrekers in den Haag waren2).
Een ander vermaak onder 't lezen of lessen leeren of schrijven bestond in het teekenen van karikaturen in de boeken of op de exempels, zoodat een ouderwetsch schoolboek een waar humoristisch album was. Meester Niervaert schreef er een artikel tegen in zijne ‘Ordonnantie’:
Niemant en sal in sijn schoolboecken noch ook op sijn voordichten ofte voorschriften maecken noch schrijven eenige grillen, als: mannekens, peerden, katten, honden ofte eenige diergelijcke sabberije.
Welk artikel evenwel niets aan de zaak veranderde, want anderhalve eeuw later was 't nog precies zoo.
Onder 't schrijven oefenden de jongens ook hun oog in ‘'t treffen van
het doel’. Met een welgevulde pen knipten zij, en sommigen waren daar zoo bedreven in, dat de inhoud altijd op den neus van hun overbuurman teregt kwam. Maar zóó knap was niet ieder, en hieruit is het te verklaren, dat Hildebrand ‘een bestendigen inktvlak’ op den ‘overgeslagen halsboord’ van elken schooljongen ontdekte.
Onder 't rekenen, dat een zeer geestverdoovend werk is, wisten zij wel middel te vinden om zich wat op te frisschen, en hadden er geen pedagogischen raadgever voor noodig. Een ‘nommertje achter 't handje’ of ‘boter, melk, kaas’ maakte, dat zij bij hun Bartjens of Adam van Lintz wakker konden blijven. Het laatstgenoemde spelletje houdt men zeker, op den naam af, voor echt Hollandsch van oorsprong; - mis; de Romeinen speelden 't reeds lang voor dat er nog Hollanders waren.
5o. Guitestukjes. De vermakelijkheden dezer soort, die in of bij de school werden uitgevoerd, waren ontelbaar en in de bontste verscheidenheid. In de levensbeschrijvingen onzer groote mannen vindt men gemeenlijk in het hoofdstuk: ‘Kindsheid,’ dezen of dergelijken volzin: ‘In de schoolen mankte hij 't nu en dan wat al te grof, en richtte veele ranken en kinderlijke losheyt aan tot mishaaginge der schoolmeesteren.’ Zulke volzinnen zullen de levensbeschrijvers der groote mannen van onzen tijd niet meer te schrijven hebben, want sedert veertig jaren heeft de schooljeugd alle ‘ranken en kinderlijke losheyt’ afgelegd, en de schoolmeesteren hebben nu geen de minste reden ‘tot mishaaginge’ meer. Wien 't lustte, zou uit het geheugen der ouderen van dagen nog wel een anekdotenboek kunnen verzamelen; maar ik wil hier slechts één voorbeeld geven, en wel van die soort van grappen, die de jeugd, al wilde ze ook, nu niet meer kan uitvoeren, - namelijk: met Meesters plak of bullepees op den loop te gaan; en, om iets deftigs te hebben, kies ik het uit de levensbeschrijving van een Dominee door een Professor1). Er woonde te Amsterdam in de Warmoesstraat een schoolmeester, die Grim heette. Zijn naam was als zijn aard; en de jongens van die dagen waren nog geen vreemdelingen in de Middelnederlandsche letterkunde, en kenden althans den ‘Reinaert’ even goed als de hedendaagsche taalgeleerden; en daarom noemden zij gezegden schoolmeester ‘Isegrim’. En die meester hield er een bullepees op na, wier slagen niet, als die der plak van den heer Alberdingk Thijm ‘meer symboliek dan pijnlijk’ waren2), maar precies omgekeerd. Eens op een middag kwam er geen een jongen in school, maar meester Grim hoorde een allerijselijkst rumoer op het Oudekerksplein. Hij er heen - in zijn grijs-beveren schooljas, met zijn bruin-leêren pet op, en zijn groote sloffen aan. ‘Daar hangt 'ie! daar hangt 'ie!’ schreeuwden de jongens, en wezen naar een der hoogste boomen. En wie hing er? De bullepees van Isegrim.
‘Dat was zeker lang vóór de invoering van 't verbeterd onderwijs.’ Och neen, - 't was eenige jaren daarna.
Negende Boek. Straatgymnastiek. Deze is wel te onderscheiden van de school- en de kamergymnastiek, en, volgens de jongens, veel pleizieriger. Toen de beide laatsten nog niet uitgevonden waren, maar daarentegen de eerste in vollen bloei was, behoorden daartoe de volgende exercitiën: het loopen op houten en ijzeren leuningen zonder balanceerstok; het molendraaijen; het loopen op de handen, wat Cats keel aardig en leerzaam vond, en waar hij bij rijmde:
Voorts: het klimmen in boomen en lantarenpalen, op de wippen der bruggen, ja op de torens zelfs, van welk laatste de reeds duizendmaal verhaalde anekdote van Michiel de Ruyter het schitterendst voorbeeld oplevert; terwijl het eerste zulk een geliefd jongensvermaak was, dat Professor Van der Chijs, te midden zijner numismatische studiën zich er nog over beklaagde, dat hem in zijn jeugd geen boomklimmen noch slootjespringen vergund was geweest1).
De kettingen aan de wippen der ophaalbruggen dienden tot oefening in het voltigeeren. De jongen greep den ring, klom op de leuning en sprong er af met een zwaai, die hem, aan de ketting hangende, over brug en water heen en weêr deed gieren; en sommigen waren daar zoo knap in, dat ze, heen gierende, een voorbijganger met de voeten den hoed van 't hoofd namen, en, teruggierende, hem dien weêr opzetten, - natuurlijk weleens een weinig gedeukt, maar daar konden de vilthoeden dier dagen beter tegen dan onze kartonnen kachelpijpen.
Doch ik moet nu uit den verleden tijd in den tegenwoordigen overgaan. Gaat ergens een school uit, en staat er in de nabijheid een kar of kruiwagen onbeheerd, dadelijk schiet er een zwerm knapen op los: zes rollen er in, tien er boven op, en de rest vecht om de armen van 't voertuig magtig te worden, en 't in beweging te zetten; totdat op eens de troep uiteen stuift op den kreet: ‘de baas! de baas!’ wanneer de kruijer of zijn knecht komt aanstappen, en al van verre met het hennipzeel dreigt2).
Schuitjes losmaken, en er meê hobbelen en dobberen, is een echt Hollandsche jongenspret, - een watergymnastiek, waar ze graag een nat pak, en nog een pak slaag toe, aan wagen willen; en een paar heeren, die juist voorbijgaan en welligt poëten of leeraars der historie zijn, mom-
pelen zoo iets van aanstaande Trompen en De Ruyters. Ja wel; als dat waar was, zouden wij een natie van dappere admiraals moeten zijn!

Als de winter in 't land komt, brengt hij, spijt alle verboden, de sullebaantjes en de sneeuwballen meê. Wat jongen - onverschillig of hij een elève van het ‘Institut de Monsr Q’, of een hoogere-burgerschoolsjongeheer, dan wel een kwâjongen van de armenschool No zooveel is - kan naar school, en wat ambachtsjongen naar den winkel gaan, zonder zich eerst aan den afloop der sluis lekker en warm gesuld te hebben? - En de sneeuwballen? Ze zijn al vóór vijf eeuwen streng verboden, maar vliegen nog elken winter door de lucht.
't Sneeuwrollen kennen de jongens ook nog. Een bal, zoo groot, dat er de halve klas achter wegschuilen kan, wordt met alle magt over de straat gerold, om ten laatste in de gracht te ploffen, en daar, als een verdwaalde ijsberg in de Kaapsche zee, rond te drijven.
't Sneeuwmannen maken schijnt tegenwoordig uit de mode te zijn geraakt. Vroeger kon ieder schoolmeester zijn beeld op 't naburig plein zien prijken. Zijn jongens boetseerden hem met een treffende gelijkenis; de matres aan zijn regter- en den ondermeester aan zijn linkerhand. Al hetwelk in onzen tijd als een groote oneerbiedigheid verfoeid, en met duizende regels gestraft worden zou, waarom de jongens het dan ook maar liever laten.
Tiende Boek. Kattekwaad; - iets, waar de ‘jongeheeren’ niet minder van houden dan de ‘gemeene jongens’, en de Christelijk-nationale schooljeugd evenzeer als de openbare, de middelbare scholieren zoowel als de lagere! En daaraan is het dan ook te wijten: 1o dat Henri zoo dikwijls met een gescheurde broek, Eduard vol modder en drek en August onlangs zelfs met een ‘bebloed kragie en halfhempie’ is t' huis gekomen; 2o dat Marta twintigmaal op een avond te vergeefs naar de deur loopt; 3o dat een gemeenteraadslid aanmerking maakt op de slechte kwaliteit der gaslantarenglazen, vermits ze telkens kapot zijn; en 4o dat Den Helder onlangs een schooljongensconcert had, welk laatste, volgens deskundigen, 't bewijs opleverde, dat het stuk smijten van straatlantarens strekt ‘tot beoefening der edele
toonkunst’, en dat men dit verrassend resultaat ook al aan 't middelbaar onderwijs te danken heeft1).
Zulke schoone uitkomsten hebben tot heden toe het puisjesvangen2) en het deurenvastbinden nog niet opgeleverd; integendeel, wat er de gevolgen van zijn leert de Vermakelijke Spraakkunst op bl. 16.
Doch laat ik u eens een paar spelletjes uit vroeger tijd herinneren; weten de deskundigen daar ook nog een nuttige strekking in te vinden, - zooveel te beter. Ik bedoel het ‘steen op den trap’ en het ‘touwtje-trekken’, - 't eerste een meisjes- en 't tweede een jongensspel.
In sommige buurten van Amsterdam zijn de huizen bewoond van zes voet beneden de straatsteenen tot één voet onder den hijschbalk; en daar zooveel buren ‘op één trap’ wonen, staat de trapdeur altijd open. 't Is schemeravond, - een meisje loopt op de kousen zachtjes den trap op, - zij heeft een grooten straatsteen onder den boezelaar, legt dien stilletjes op den rand van 't bovenste portaaltje neêr, en klimt even zacht weêr af. Daarop worden de schoenen weêr aangetrokken, het touw wordt uitgevierd, om zich op een veiligen afstand te begeven, en daarop met een fermen ruk getrokken. Met donderend gerommel rolt de steen den steilen trap af; doodelijk verschrikt komen al de buren uit kelders, huizen en kamers naar buiten vliegen; de een kijkt als een oude Germaan, die Thors mortelhamer door de lucht heeft hooren vliegen, en de ander als een Oostenburger, die den Hakkelaar over de brug bij Funen heeft hooren rijden; terwijl de ‘kwaje meiden’ van verre staan te schateren van lachen.
In een andere straat kruipen de jongens in twee tegenover elkander liggende trappen, en houden elk een eind van het touw vast, dat dwars over de straat ligt. Daar komt een pruikemakersknecht aan met een hoogen stapel doozen op den rug. ‘Trek! trek!’ roepen de jongens, en de arme pruikeknecht voelt het touw voor de knieën, maar durft er niet over stappen, want dan trekken de kwâjongens het nog hooger op, en laten hem met al zijn pruikedoozen de straatsteenen kussen.
‘Pas op, ouwe ziel! daar 's 'n touwtje gespannen,’ zegt de goede jongen tegen een hofjesjuffrouw, die er ook aankomt.
‘'t Is God geklaagd,’ zegt ze, ‘zoo goddeloos as die kijeren teugeswoordig binne. Nou, we selle maar wachte tot er meer mense komme.’
En dat duurt niet lang; 't wordt een standje. Sommigen pogen het touw los te rukken, maar de jongens hebben 't om de leuning van de stoep geslagen. ‘Wie heit 'er 'n mes?’ roept er een, ‘dan snijje w 'n 't deur!’ Maar meteen komt er een lange schuitevoerder aanstappen, die buldert: ‘hierengunter! wat is dat hier?’ en regts den trap invliegt, om den jongens wat om de ooren te geven. Dezen naar boven, - de man hen na. Zij staan al op den vlieringtrap. ‘Ik zal je wel krijgen!’ roept
hij. ‘Een dief! een dief!’ roepen de jongens; en dadelijk gaan vier deuren open, en komen even zooveel vrouwen te voorschijn, die niet anders denken of 't is om haar waschgoed te doen, dat ‘op vliering hangt’. De schuitevoerder beseft nu, welk gevaar hem dreigt, en vindt het veiligst maar spoedig terug te trekken. En de jongens worden door de buurvrouwen bedankt voor 't waarschuwen, en krijgen van elk een oortje, waarvoor zij zich met hun makkers gaan te goed doen aan pannekoekjes op de Lekkeresluis.
‘En wanneer zijn deze dingen geschied?’ - 't Zijn Amsterdamsche herinneringen van vóór een halve eeuw.
't Aanhangsel eindelijk kan wetenschappelijke opmerkingen omtrent kinderspelen bevatten. Ik zal er eenige voorbeelden van geven.
Somtijds hebben kinderspelen namen gekregen aan de geschiedenis van den dag ontleend. In de vorige eeuw kende men een balspel, ‘Prins Karel over den Rijn’ genoemd1). Dit was zoo gedoopt in 1744, toen ieder den mond vol had van den overtogt van den Rijn door Prins Karel van Lotharingen in 't begin van Julij van dat jaar volbragt in 't gezigt van het Fransche leger2).
Maar somtijds ook hebben vernuftige geesten ‘geschiedkundige daadzaken’ uit enkele namen opgediept. Te Groningen spelen de jongens spoukien. Een jongen verbergt zich; de anderen zoeken hem, al zingende:
Komt hij uit zijn schuilhoek te voorschijn, dan zetten de anderen 't op een loopen, en wien hij te pakken krijgt, moet op zijn beurt ‘spoukien’ zijn. Dit spel zou zijn oorsprong te danken hebben aan 't verraad van Rennenberg in 1580, en de naam Hillebrandt doelen op den burgemeester Jakob Hillebrandts, die daarbij 't leven verloor3). Maar heel duidelijk is het verband tusschen dat ‘schuilhoekje spelen’ en de historie van 1580 niet, en de naam des Burgemeesters (Jakob, zoon van Hillebrandt) komt ook niet met dien van 't ‘spoukien’ overeen.
Te Amsterdam plagten de jongens een spelletje te hebben: admiraal is dood. Hij, die admiraal was, ging regtuit op een bank liggen, al de overigen plaatsten zich elk op een stoep, behalve één, die, met een strook papier aan de pet (wat een lamfer verbeeldde) rondliep. Eerst ging hij bij den liggenden op een sleependen toon vragen: ‘admiraal, admiraal, hoe vaart uwee?’ en 't antwoord luidde: ‘krank!’ hetgeen de aanspreker door de geheel