't Eerst komen hier de Blijde Inkomsten in aanmerking, - inhuldigingsfeesten der Nederlandsche Vorsten in de steden, die dagteekenen van de opkomst der poorterijen. Vroeger werden onze Graven alleen door Adel en Geestelijkheid gehuldigd, en bij die gelegenheid, naar Germaansche zede, op een schild geheven en rondgedragen, onder 't luid gejuich van 't zaamgestroomde volk. Die oude gewoonte, vroeger algemeen in de Nederlanden, hield 't langst stand in Friesland aan deze en gene zijde van 't Flie en in Kennemerland, en zoowel het driemaal opheffen van den bonekoning en zijn koningin op Driekoningenavond1), als het driemaal opheffen en ronddragen van bruid en bruidegom op bruiloften, zijn er nog overblijfselen van.
Maar sedert de Vrije Steden zich verhieven en een derden stand vormden, wiens gewigt de Vorsten spoedig gevoelden, vermits hij de geldgevende was, kwam geen Vorst tot de regeering zonder zich in zijne goede (dat wil zeggen: groote) steden plegtig te laten huldigen. Daartoe deed hij ‘een blijde inkomst’. Hij kwam in de stad en werd met blijdschap als Heer ontvangen; de poorters zwoeren hem hulde en trouw, en hij zwoer wederkeerig hunne regten en vrijheden te zullen handhaven en steeds te vermeerderen2). En dit laatste deed hij gewoonlijk al terstond, om zijne
blijde inkomst te blijder te maken, en de poorters toonden hun blijdschap door hun ‘lief Here’ ook terstond eene bede toe te staan en zijn leêge schatkist te vullen, welke soort van blijdschapsbetooning den Heer altijd het aangenaamst was.
Het volksfeest bestond voornamelijk in het inhalen van den Vorst. Vooraf was het schoonmaakfeest; want er werd met de klok afgekondigd, dat ‘yder sijn strate reynigen’ moest. En daarna werden alle huizen vercierd met meijen en wapentuig; dit laatste om den Vorst der stede weerbaarheid te betoogen. De inhaling geschiedde met bazuinen, bommen en pijpen, en ‘mitter processie van geestelicke ende wairlicke’, dat wil zeggen: met een optogt van de magistraat en de geestelijkheid, de schutters en gilden, allen ‘met hunlieden vliegenden vendelen’. En de gantsche bevolking liep daarbij uit, en krioelde langs dijk en vaart, en klom in boomen en masten, op molens en daken. Aan de grens der Stadsvrijheid trad de Schout den Heer te gemoet, boog driemalen de knie en bood hem de doorneroede aan, waarna een der schepenen of de pastoor een oratie hield om den Heer welkom te heeten, en de stoet stadwaarts ging, terwijl al 't volk zwaaide met de mutsen en juichte: ‘Lang leve ons lief Here!’1)
Na de huldiging werd door 's Vorsten herauten geld onder 't gemeen gestrooid, waarvoor in later tijd opzettelijk strooipenningen geslagen werden. Oud en jong zong en sprong, en overal werd heil gedronken; de menschen moesten ‘dronken van vreugde’ zijn, en 's avonds werd de stad verlicht met toortsen en lantarens, en de ‘piktonnen waren brandende op pleyne en havene’. Over de straten waren kroonen opgehangen, en als de Vorst voorbijging werd hij ‘geschut’, wat meestal de meisjes deden. Zij sloten een kring om hem, en hij moest zich lossen door haar drink- en dansgeld te geven2).
't Spreekt van zelf, dat, toen de Rederijkers bloeiden, deze niet nalieten het feest door refereinen, gezangen en vertooningen op te luisteren. Ik zal van de eerste maar geen voorbeelden geven; want den meesten lezers zouden ze weinig smaken, en de liefhebbers kunnen ze elders vinden. De vertooningen waren natuurlijk altijd toepasselijk; maar niettemin werden ze later door de uitkomst weleens deerlijk gelogenstraft. Toen de Aartshertog Matthias in 1578 te Brussel zijne blijde inkomst hield, vertoonde 't Maria-kranske: ‘Hoe het Land naar het oordeel van een geestelijk personaadje door Matthias kon gered worden’; maar die geestelijke personaadje had verkeerd geoordeeld, want drie jaren later ging Matthias heen zonder iets uitgevoerd te hebben. Een vertooning, die altijd toepasselijk gevonden werd, was: ‘Hoe David den reus Goliath versloeg’; dit werd men nimmer moê te zien. Somtijds ook werden er komische voorstellingen gegeven. Toen
Filips in 1549 als toekomstig Heer gehuldigd werd, vertoonde men bij zijne blijde inkomst te Brussel o.a. een maagdenroof. Vermomde dansers, gewapend en zeer prachtig uitgedost, roofden onder 't dansen twee jonkvrouwen; waarop anderen toeschoten om haar te verlossen, en deze ‘sloeghen die voorschreven mommers’. Geen vertooning was grappig, als er geen klappen bij uitgedeeld werden; zie er de oude kluchtspelen maar eens op na.
In de steden, waar men fonteinen op de markten had, spoten deze gedurende 't feest, in plaats van water, wijn, waar elk zich naar hartelust aan te goed mogt doen. In de watersteden daarentegen werden mooije vaartuigen uitgerust, om den Vorst het genot te verschaffen, dat de dichters noemen: ‘vlotten op de stille baren’.
Tot de staatsie van zulk een feest behoorde ook, dat de Vorst een wandeling te paard door de stad deed, en ieder burger met zijn jongens voor de deur stond, en de vrouwen en dochters in de open vensters zaten, om hun ‘lief Here’ te zien en te begroeten. De nonnetjes echter verkozen daarop een uitzondering te maken; zij rekenden 't beneden hare waardigheid het venster te openen om naar een man te kijken. Maar Keizer Maximiliaan wilde van die zedigheid der kloosterzustertjes niemendal weten; en toen hij in 1508 zijn blijde inkomst te Amsterdam hield, om zich als Voogd van Prins Karel te doen inhuldigen, liet hij, eer hij zijn wandeling te paard deed, aan elk der kloosters, welke hij dacht voorbij te rijden, aanzeggen, dat de nonnen zich allen in de vensters vervoegen moesten, om hem te zien1).
Een der zonderlingste ceremoniën bij blijde inkomsten was het ‘inkomen an die lijn’. Alle misdadigers, die gevlugt of gebannen waren, en bij 's Vorsten intogt den staart van zijn paard vasthielden, en met hem inkwamen, waren begenadigd en vrij. Niet zelden was de troep zoo groot, dat de paardestaart te kort schoot, en dan werd er een touw aangebonden. Wat ging daar een gejuich of geschreeuw onder 't volk op, als die troep binnenkwam! Deze zagen oude kennissen terug, die bij een vechtpartijtje een ongeluk hadden begaan en den Schout ontloopen waren, gelijk b.v. te Amsterdam in 1428, toen Filips van Bourgondië en Jacoba van Beijeren - hij als Ruwaard, zij als Gravin, - hun blijde inkomst hielden, en met hen ‘Luytgen die barbier inquam an die lijn’. Gene zagen ballingen binnenkomen, die ze weêr weg wilden hebben; en daar konden soms erge oproeren bij ontstaan, gelijk o.a. te Utrecht in 1425, toen Bisschop Sweder tegen woord en eed een balling aan de lijn inbragt.
Dit oude gebruik heeft zoo lang geduurd als de grafelijke regeering; nog in 1546 deed Karel V te Zalt-Bommel zijn intogt met een troep kwaaddoeners aan de lijn.
Landvoogden vierden in 't laatst der 16e eeuw ook hun blijde inkomsten: Matthias had het in 't Zuiden gedaan, Leicester deed het in 't Noorden.
Na in 's Gravenhage als Gouverneur-generaal ingehuldigd te zijn, hield hij ‘sijn blide incompste’ in de voornaamste steden van Holland; en deze wedijverden om hem luisterrijk te ontvangen en vrolijk toe te juichen ‘als een van God gezonden redder’, - wat echter door de uitkomst evenzeer gelogenstraft werd, als hetgeen bij de komst van Matthias geprofeteerd was. Nooit had men zulk een oorverdoovend concert van klokgelui, kanongebulder, trompetgeschal en volksgeschreeuw gehoord, als toen ‘Milord Lester’ werd ingehaald; en nooit te voren had men in Holland zulke prachtige banketten gezien, als die te zijner eere werden aangerigt. Te Dordrecht kregen de armen wijn van de stad, want elk moest op de gezondheid van Zijne Excellentie drinken. En 's avonds was de heele stad geïllumineerd en elke straat vol dansende drinkers; vóór 't Stadhuis werd vuurwerk afgestoken, en op de rivier dreven 39 brandende piktonnen. Te Amsterdam zag men nog fraaijer dingen, waar de Engelschen zelfs verbaasd over waren1): walvisschen en zeegedrochten zwommen den Graaf op het Y te gemoet en geleidden hem tot aan den Dam. Ja, mooijer nog: Neptunus zelf kwam op een walvisch door 't water rijden om den Engelschman te begroeten. Die zeegod was een levende Amsterdammer, die Zwijnskop heette, en half naakt met een drietand in de hand op een houten walvisch stond2). Niemand begreep, hoe die Zwijnskop het uithield, want het was Maart, en juist een Maart, die geen zomersche dagen maar ijs in de gracht gaf.
Toen in de 17e eeuw de rijkgeworden burgers ambachtsheerlijkheden kochten, bootsten zij ook de blijde inkomsten na, en lieten bij hun intogt in dorp of gehucht, door een bont aangekleeden lakei, die als heraut fungeerde, penningen strooijen. En als zij dan de boeren zagen grabbelen en vechten om den enkelen zilveren onder honderd koperen, dan verbeeldden zij zich, al hadden hun vaders ook achter de toonbank gestaan, dat zij koninkjes waren3).
Nog veel ouder dan de blijde inkomsten zijn de triomfante intogten der vorsten, na behaalde overwinningen; zij zijn zoo oud als de oorlog. Doch al klimt het inhalen met zang, muziek en dans door vrouwen en meisjes reeds tot de vroege oudheid op, de algemeene illuminatiën zullen wel niet ouder dan onze steden zijn; maar zij zijn dan toch ook al even oud als deze. Toen Dordrecht, in 't begin van Mei 1304, na 't verdrijven der Brabanders, een bezoek van Jonkheer Willem ontving, was er algemeene illuminatie met toortsen en lantarens:
zegt Melis Stoke. Maar toen Willem later, als Graaf, nog eens weêr te Dordrecht was, en alleen 't huis, waar hij zijn verblijf hield, geïllumineerd werd, geschiedde dit met waskaarsen.
Bijzonder luisterrijk en vermakelijk waren de triomfante intogten van Prins Maurits in de voornaamste steden van Holland in het jaar 1594, nadat hij door een reeks van roemruchtige krijgsbedrijven het Land bevrijd, en zijn roem als veldheer gevestigd had. Onder de vertooningen behoorden overal triomfen van helden uit het Oude Testament - David, Gideon of anderen - en de jongejuffrouwen, die daarbij de rol van Israelitische maagden vervulden, en lustig dansten en zongen, en op tamboerijnen sloegen en met triangels klingelden, werden op rijstebrij en koek getrakteerd. Ik kan hier over al de triomfen der Oranjevorsten niet uitweiden, omdat mij er de ruimte toe ontbreekt; en 't is bovendien onnoodig, daar er breedvoerige beschrijvingen genoeg van bestaan, - mooije boeken met platen, waarin men de opschriften en rijmen en oratiën lezen kan niet alleen, maar ook de optogten en eerepoorten, de cavalcades en staatsie-wagens uitgeteekend vindt; zoodat elk, die deze doorbladert, met een klein beetje verbeelding, zich nog volmaakt kan voorstellen, hoeveel pleizier de menschen gehad hebben, die 't met levenden lijve hebben bijgewoond.
Onno Zwier van Haren wilde eens een enkel sprekend voorbeeld geven van de blijdschap der Amsterdammers bij de komst van Prins Willem IV op Hemelvaartsdag in 1747, toen niemand naar de kerk, maar elk naar 't Cingel ging; en geen dominee kon preêken, omdat 's ochtends om half elf alle klokken begonnen te luiden, en alle kanonnen te bulderen, en alle menschen te schreeuwen: ‘Vivat Oranje!’ - Het jagt van den Prins kwam voor de Luthersche Koepelkerk aanleggen; en het werd, zegt Onno Zwier, ‘door honderdduizend menschen omringd’. Doch behalve die honderdduizend zag hij er ook nog eenigen op de wip van de brug zitten. Maar, o wee! - daar viel er een van boven neêr! Had hij een Oranjeslokje te veel gedronken? Dat wist men niet, maar het volk riep: ‘hij heeft zijn been gebroken!’ Onno Zwier liep er dadelijk heen, ‘gaf hem iets’, en zei, dat hij maar niet bang moest wezen, want dat men wel ‘voor hem zou zorgen’. - En wat antwoordde de man? ‘Al waren mijn beenen allebeî gebroken, ik heb den Prins gezien; zij zijn tot zijne dienst.’ Onno Zwier vond dat heel aandoenlijk, en vertelde het den Prins; maar deze begreep niet, wat nut er in stak, dat de menschen op die wijze hun beenen tot zijn dienst stelden.
Als de Prins met een rijtuig kwam, was 't van ouds een vermaak voor 't volk, de paarden van de koets en zichzelven daar voor te spannen, en, onder onafgebroken Oranjeliedjes, hem de stad door te trekken. Heel graag had
Koning Lodewijk gezien, dat de Hagenaars hem dat ook hadden gedaan, toen hij, op den 18n Junij 1806 zijn intogt deed; hij wilde er zelfs voor betalen. Maar - hoeveel lieden er in den Haag waren, die graag vier dukaten wilden verdienen, geen die ze hiermeê verdienen wilde. Maar zoodra het volk zijn Willem terughad, ging 't weêr naar ouden trant:
Napoleons intogt te Amsterdam in 1811 heeft meer eer genoten, dan menig andere. Er is ‘een kapitale schilderij’ van gemaakt - tot een monument onzer vernedering! En deze ‘hangt thans op de Kamer van koophandel’2); - natuurlijk omdat men in onzen tijd veel van kontrasten houdt!
Vorstelijke bruiloften waren van ouds altijd volksfeesten. Nooit is er in de Nederlanden prachtiger bruiloft gevierd, dan die van Karel den Stoute en Margareta van York, in Julij 1468, te Brugge, en daarom verdient zij dan ook in cierlijke verzen beschreven te worden.
Wie 't den Bourgondischen Karel poogde na te doen, was de Geldersche Karel, toen hij in 1519 te Zutfen zijn bruiloft vierde, en 't ook allerprachtigst maakte. Geen gebouw was voor zijn feestdisch groot genoeg; daarom waren ‘door de schipluyden’ zeilen over de straten gespannen, ‘daar men onder gedient heeft.’ Heel Zutfen was dus in een huis der maaltijden herschapen; en er waren ook twee fonteinen daar wijn uitsprong, en er werd ook een tornooi gegeven. Maar Zutfen was toch Brugge, en Gelderland was Vlaanderen niet. Wat echter de Zutfensche bruiloft in pracht verloor, dat won zij in vermakelijkheid; want er waren bijzonder veel gekken op het feest, en waar veel gekken waren, was veel pret. Men had er niet alleen Geldersche maar ook veel vreemde gekken, want de groote Heeren, die er te gast waren, hadden elk hun gek meêgebragt. De ‘Nar des Hertogen van Lunenburch’ muntte uit, en dit moest hij ook, want hij was de bruidsgek; de Bruigom bragt twee gekken meê, ‘Aelbert gexke’ en ‘Henrick die geck’, slimme kerels, zoo als Karel die trouwens ook noodig had, en die hij, onder de gekheid door, voor alles gebruikte; - en nog verscheidene Stadsgekken, zoo als ‘der Stadt geck van Nyemeghen’ en ‘Cornelisken die geck te Zutfen’, en nog een heele zoo andere gekken1).
Kamperstukjes vielen er bij die gelegenheden ook nog wel eens voor. Toen onze Friesche Stadhouder Willem Frederik in Mei 1652 met een dochter van Prins Frederik Hendrik trouwde, en zijn bruiloft te Kleef vierde, hadden de Klevenaars een grooten triomfwagen gebouwd, maar vergeten de maat van de poort te nemen, zoodat de wagen er niet door kon. Dadelijk werd de Raad vergaderd, om te beslissen, of de wagen binnen blijven dan of de poort vallen zou. Hij besloot tot het laatste; en al wat in Kleef handen reppen kon, hielp in der ijl aan 't sloopen2).
Eindelijk behooren hier ook de Verjaardagen der Vorsten genoemd te worden. Dat die verjaardagen zoo oud zijn als het koningschap zelf,
betwijfelt niemand; en dat de Vorsten reeds in de Oudheid gewoon waren op dien dag een danspartij aan hun Hof te geven, weet ieder, die de historie van ‘de dochter van Herodias’ gelezen heeft. Maar hoe oud de viering dier dagen als volksfeesten is, en of b.v. de Hollanders reeds op den verjaardag van hun ‘lieven Grave Florens’ vuurtjes gebrand hebben, weten wij niet; ja, wij weten eigentlijk niet eens precies hoe oud de Prinsjesdag bij ons is. Als wij van den Prinsjesdag spreken, is het altijd die van den 8n Maart, welke door 't heele Land gevierd werd, maar nergens luidruchtiger dan te Amsterdam op Kattenburg. En waarin bestond dan dat feest? 1o. In het maken van transparanten met een Oranjeboom, waar een Prins en een leeuw onder stonden, en een Oranjezonnetje boven scheen, en dit of dergelijk rijm bij te lezen was:
2o. Het zingen van de jongens, waarvan reeds op bl. 104 gesproken is. 3o. Het drinken van Oranjeslokjes. 4o. Het dansen om de brandende teertonnen (waarbij elk voorbijganger meê moest doen) onder 't zingen van:
Dit te weigeren was nooit raadzaam, zoo men ten minste zijn hoed, pruik en ribben liefhad. En eindelijk 5o de vechtpartijen op zijn Germaansch, die, zoodra 't naar twaalven liep, zulke schilderachtige tooneelen opleverden, dat een oudheidkundige zich in het Nemus Sacrum verplaatst kon wanen.
Van 1814 tot 1840 leverde nog elke 24e Augustus een navolging, zoo getrouw mogelijk, van den ouden Prinsjesdag.
Wat men in den Franschen tijd onder een ‘Stadsfeest’ verstond, lezen wij in de Amsterdamsche Courant van den 26n October 1811, waar onder dat opschrift verhaald wordt, dat de Keizer en de Keizerin den 22n October hadden ‘bewilligd in het verlangen’, hun door de autoriteiten van Amsterdam, ‘in naam van de Stad, betuigd’, en dat zij het feest, hun ‘in het lokaal Felix Meritis’ bereid, wel hadden willen bijwonen. ‘De smaak had voorgezeten bij den toestel der zaal’; - nu, dat spreekt van zelf; dat is hier bij alle feesten zoo. ‘Zeshonderd personen hebben zonder hinder kunnen rondgaan’; niemand werd op de teenen getrapt. ‘Twaalf jongejuffrouwen, de schoonste der stad’... Vraagt gij, welk Zeuxis daarbij als keurmeester heeft gefungeerd? en hoeveel vijandinnen die man zich op den hals heeft gehaald? - Op de eerste vraag moet ik 't antwoord schuldig blijven; maar de tweede is gemakkelijk te beantwoorden: precies twaalf minder dan 't volle getal Amsterdamsche jongejuffrouwen.
Die uitstekende schoonheden dan hebben de Keizerin een bloemkorf
aangeboden; en No. 1 van het bekoorlijke dozijn, ‘la doyenne, agée de 18 ans, lui a adressé un discours remarquable par son laconisme et sa simplicité’. Zoo behoort het ook, waar ‘de schoonste der stad’ spreekt; de ware schoonheid is altijd eenvoudig en onopgesmukt. En vervolgens lezen wij, hoe de Keizer en de Keizerin gezeten hebben, en dat ze een cantate hebben gehoord, en dat ze na een half uur zijn heengegaan, en dat de zeshonderd gelukkigen ‘tot laat in den nacht’ hebben gedanst.
En dat heette toen een Stads-feest! Neen, dan had Karel de Stoute er nog beter slag van, een heele stad vrolijk te maken.