Eene schets van 't Gildewezen in 't algemeen zou als inleiding dit Boek behooren te openen; doch vermits ik die reeds vroeger in een afzonderlijk werkje1), duidelijker en uitvoeriger, dan ik die hier in een paar bladzijden zou kunnen schrijven, gegeven heb, - zoo mag ik den lezer daarheen verwijzen, en hier terstond overgaan tot het