De harddraverij is een der drie groote nationale vermaken in Holland en Friesland. De beide andere zijn het schaatsenrijden en de zeilpartijen, welke wij in de beide volgende hoofdstukken zullen beschouwen. Laat ons thans een Hollandsche harddraverij in 't laatst der vorige eeuw bijwonen.

Ziedaar de Hollandsche harddraverij; en dat de Friezen 't op dezelfde manier doen, hebben wij reeds opgemerkt1). En al vertellen de kenners
van de kunst u, dat er eenig onderscheid is tusschen het rijden op zijn Friesch of op zijn Hollandsch, wij spreken hier slechts van 't vermaak, en dit is, in Holland, in Friesland, in Groningen en elders, alom één. Bij de harddraverij om een gouden zweep, den 2n September 1777 op den Zwarteweg buiten Leeuwarden gehouden, ter eere van Prins Willem V, die toen 't stadhouderlijk gewest zijner voorvaderen met een bezoek verheugde, genoten de Friezen precies 't zelfde pleizier als de Hollanders bij de straks beschrevene. Maar - wat van deze laatste en tallooze andere harddraverijen niet geschiedde - van de Friesche werden, omdat het een Prinsenfeest was, gouden en zilveren medailles geslagen, waarop men de baan met de paarden, en den goêman bij den boom, en de kijkende Friezen heel mooi naar 't leven gedreven ziet1).
Over de harddraverskunst heb ik hier niet te spreken, en dus ook niet te onderzoeken, waaraan het toe te schrijven zij, dat ‘de bijzondere harddraverstred’ der Hollanders en Friezen ‘bij de vreemden geheel onbekend’ is; men kan er de schrijvers over nalezen, die opzettelijk over de kunst geschreven hebben2). Hier is alleen de vraag te beantwoorden, waar de oorsprong onzer harddraverijen te zoeken is. Ongetwijfeld op de geprivilegeerde paardemarkten. Sommige dier markten waren zeer beroemd, en werden door duizenden van allen rang en stand, ook door vele vreemdelingen, en niet alleen kooplieden, maar ook Vorsten en Edelen, bezocht. Die duizenden kwamen niet allen om paarden te koopen, maar de meesten om 't genot der vermakelijkheden, die op zulk een markt plaats vonden, en niets natuurlijker, dan dat daarbij het draven der paarden een eerste plaats innam. De wedijver der paardekoopers om de deugd hunner viervoeters te bewijzen, gaf de eerste aanleiding tot de harddraverij; de prijzen door de Stads- of Dorpsregeering uitgeloofd, moedigden die aan; de konkurrentie deed er vaste regelen bij aannemen; de liefhebberij zocht er vermaak in; de kenners ontwikkelden dat vermaak tot eene kunst, waarbij de tred der paarden wiskunstig afgemeten werd; en zoo kreeg de harddraverij, als alle andere ‘welaangelegde zaken’, hare wetten en gebruiken.
Het uitloven van prijzen van Overheidswege had ten doel, de markt aan te moedigen. Gewoonlijk werd er een zilveren roskam gesteld voor hem, die de meeste paarden, en een paar zilveren sporen voor hem, die 't schoonste paard ter markt bragt; terwijl een zilveren zweep werd uitgeloofd als harddraversprijs. Maar toen eenmaal de harddraverijen volksvermaken geworden waren, bleven zij niet tot de paardemarkten bepaald;
alle feesten werden er meê opgeluisterd, en de herbergiers loofden zweepen uit, zoo dikwijls zij meenden er eene goede rekening bij te zullen maken. Deze laatste zweepen echter kwamen ten koste van de deelnemers, terwijl de zoogenaamde Stadszweepen ‘aan de prijsbehaalders, zonder eenige onkosten van hunne zijde, werden uitgedeeld’. In de gelagkamer van 't Diemermeersche Regthuis hangt nog de afbeelding van een paard met dit bijschrift: ‘De beroemde Tijger, die in één jaar alle Stadszweepen gehaald heeft in Friesland, op Sneek na, daar de baan te kort was. 1798.’ -
Nog is de lust voor harddraverijen in volle kracht. Hier worden ze door 't Gemeentebestuur, daar door de Maatschappij van Landbouw, ginds ‘door de zorg van eenige ingezetenen’1), elders door kasteleins aangerigt. Nu eens worden er plaatselijke gedenkfeesten meê opgeluisterd, dan wordt voor een afgeschafte kermis een harddraverij in de plaats gegeven2). Soms wordt, tot vermeerdering van 't vermaak, de harddraverij der ‘paarden van zessen klaar’ voorafgegaan door een voorspel: - hetzij een wedren van boerepaarden, of van paarden met karretjes; hetzij een wedloop van boerearbeiders om een goed middagmaal3), of een wedren met velocipedes. En ook de harddraverijen met paard en chais zijn nog in trek, evenzeer als die met narresleden.
Wel zal u hier of daar een oude kastelein, vooral in de nabijheid van groote steden, vertellen, dat hij, vóór zooveel jaren geleden, ook nog alle zomers een zweep of een paar sporen of een hoofdstel verdraven liet, maar dat hij er, ondanks zich zelven, meê had moeten uitscheiden, omdat er mensch noch paard meer kwam, en dat de schuld daarvan eenig en alleen aan de spoorwegen ligt. Dit bewijst echter volstrekt niet, dat de lieden, die bij hem niet meer komen, geen pleizier meer in de harddraverij hebben, maar wel, dat ze er wat verder om van huis gaan.
Op één punt echter is de smaak in onzen tijd veranderd: de zweepen worden vervangen door koffijkannen, theepotten, presenteerbladen, soesemanden, en allerlei mooije dingen, die met de harddraverij en de paarden niets gemeens hebben. ‘Dit bewijst dan toch’, zegt de een, ‘dat de echte harddraversgeest er bij ons uitgaat: vroeger, al werd er dan ook al eens om een zilveren lepel gedraafd, was het er toch een, die een paardepoot tot steel, en dus iets toepasselijks had.’ - ‘Neen’, zegt de ander, ‘die koffijkannen, enz. getuigen niet van minder harddraversgeest, maar van fijner beschaving: zij zijn de bewijzen eener beleefde oplettendheid der harddraaflievende heeren jegens hunne dames, die in gezegde prijzen meer behagen scheppen dan in zweepen.’
Tegenover onze welingerigte harddraverijen staan de wilde wedrennen, waarvan 't voornaamste vermaak eigentlijk de weddingschap was en nog is.
En waar gebeurde dat? Op den Amsterdamschen buitencingel omstreeks 1700, als men bij Daniël Willink lezen kan. 't Ging om een weddingschap. En zoo gij Jan de Regts ‘Slechten tijd’ eens wilt opslaan, dan vindt gij er dezelfde renners terug, die ‘er t' elken stond de Fransse slag op leggen,’ - alweêr om een weddingschap. En bij Huygens vindt gij ze op 't strand van Schevelingen1). Maar zeker herinnert zich hier ieder terstond dat levendig tooneel op den Haarlemmerweg bij ‘de Tweehonderdroê’ in het 26e hoofdstuk van ‘Ferdinand Huyck.’
Reynhove met zijn ruin voor de chais en Blaek met twee blessen voor de zijn, rijden eventjes heen en weêr naar Haarlem, - andermaal om een weddingschap, en de kijkers op den weg gaan ook weddingschappen op 't winnen van den een of anderen wedder aan. En als de renners aankomen, worden zij met een hoezeetje verwelkomd: Blaek is voor, maar zijn blessen vallen er bij neêr, en hij duikelt voorover de chais uit.
Huyck keurde zulk wedrennen af, en Le Francq van Berkhey zei, dat de ‘regte liefhebbers, die hun paarden beminnen’, het niet doen2).
‘En toch’, zegt een ander, ‘is dat wedrennen al zoo oud als 't paardrijden zelf, en de jongetjes deden 't al in de Oudheid met bokken en geiten hun vaders na; zie slechts dit Pompejisch fresco:

‘Daagde niet voor de muren van Troje Idomeneus Ajax tot een wedren uit?’ - Ja, en ik denk, dat voor de muren van Castra Vetera Claudius Civilis en Brinio wel evenzoo gedaan zullen hebben, al heeft geen poëet er verzen op gemaakt. Onze middeleeuwsche Heeren deden 't zelfde, en toen Hertog Karel van Gelder eens een mooijen turk gekocht had, liet
hij hem rennen tegen het zwarte paard van Rutger van Begbergen, maar - 's Hertogs turk verloor het1).
Ieder weet, dat in den nieuweren tijd Engeland het ware vaderland der groote wedrennen, en tevens der kolossale weddingschappen is, en zij dagteekenen er reeds van de 12e eeuw, ofschoon zij eerst onder Jacobus I een meer regelmatigen vorm aannamen, en zich onder George II vooral tot een groot nationaal vermaak ontwikkelden2). Men leest jaarlijks in de dagbladen, hoeveel edele Lords zich er bij hebben geruïneerd, en huizen en schilderijen, paarden en stallen verkoopen om hun verlies te betalen, en geen anderen troost overhouden dan de gedachte, dat zij toch een nuttig doel hielpen bevorderen: de veredeling van het paardenras! - Inderdaad zijn de wedders de hoofdpersonen bij de wedrennen; - wat zou zonder hen de heele pret zijn? Om ‘gedurende drie minuten te kijken naar een kleinen jockey op een lang, mager, snelloopend paard3)’, zou men geen honderd menschen bijeen krijgen, terwijl een weddingschap er tienduizend trekt. 't Zal dan ook niemand verwonderen, dat de wedrennen op Engelschen trant, schoon men die vóór vijfentwintig jaren ook bij ons trachtte in te voeren, en Zandvoort tot het Hollandsche Newmarket wilde maken, hier niet veel bijval gevonden hebben. En gaarne gunnen wij aan de Fransche renners en wedders, die er sedert een goede dertig jaren zooveel pleizier in gevonden hebben4), de eer, het al zoover gebragt te hebben, dat zij geen Engelschman meer een prijs laten winnen5). Wij houden het met onze oude vaderlandsche harddraverijen, waar de lieden zich meer bij vermaken en minder ruïneeren.
Het hoogste rijvermaak vinden de liefhebbers in 't Carrousel, en de exercitiën, die daarbij te pas komen, worden daarom de ‘hooge rijkunst’ genoemd. Ja, velen beweren, dat hierdoor het groote doel: de veredeling van het paardenras, veel meer bevorderd wordt dan door de wedrennen.
Wij hebben reeds vroeger opgemerkt, dat het carrousel de opvolger van het tornooi en van Fransche afkomst is6). Zoowel het ongeluk, Koning Hendrik II in 1559 overkomen, als de veranderde smaak, deed de tornooijen in Frankrijk afschaffen en door de carrousels vervangen, waarbij nog grooter pracht werd ten toon gespreid, doch de gevaren, die de eersten vergezelden, vermeden werden. De voornaamste exercitiën waren: 1o de quadrille, waarbij de ridders zich in vier sectiën verdeelden, en equestrische manoeuvres uitvoerden op de wijze der Trojaansche spelen; 2o 't quintainrennen, waarbij de ridder op een vercierden paal of een boom aanrende, en met de lans op een bepaald punt mikte; 3o 't kopslaan, waartoe houten beelden op spillen werden gesteld, wier kop door den ridder
met een houten zwaard getroffen moest worden; en 4o 't ringrijden, waarbij de ridder met de lans naar een ring stak, die in de renbaan opgehangen was. De prijzen werden, even als vroeger bij de tornooijen, door dames uitgereikt. Lodewijk XIII gaf een prachtig carrousel, toen hij zijn bruiloft vierde, maar dit werd nog verre overtroffen door dat van Lodewijk XIV, waar de Place du Carrousel haren naam naar draagt. Het prachtigste carrousel, dat in ons Land ooit gezien is, werd in Februarij 1638 door Jan Wolfert van Brederode op zijn bruiloft te 's Gravenhage gegeven.
In onzen tijd behoort het carrouselrijden in 't paardespel en in de manege t'huis. 't Eerste is geen vermaak voor de rijders, maar voor de kijkers; het laatste voor beiden. Naar 't eerste kijken alle betalenden; naar 't laatste alleen genoodigden. Bij 't eerste viel een beroemd man, die liever een harlekinade zag, ‘in den dut’1), wat natuurlijk bij 't laatste nooit gebeurd is.
De leden der Carrousel-sociëteiten vermaken zich in de manege 's avonds bij gaslicht en muziek. 't Carrousel wordt er door een Entree voorafgegaan en door een Slot-manoeuvre gevolgd.
De Entree gaat in den draf. Twintig of dertig ruiters, verdeeld in drie of vier kolonnes, maken allerlei evolutiën; nu eens neemt elke kolonne een afzonderlijk deel der manege in, zoodat zij te zamen een ‘figuur’ vormen; dan weêr gaat het ‘om en door elkaâr.’
Het Carrousel gaat in galop, en bestaat uit: de Olympische spelen, de Quadrille, de Vlaggen-manoeuvre, en soms nog andere fraaije exercitiën.
De Olympische spelen - ‘wel dezelfde naam, maar geen familie’, zeggen die van Olympia - worden door vier ruiters uitgevoerd, en men vindt hier de spelen van 't Fransche carrousel der 17e eeuw terug: 't quintainrennen met de lans, 't kopslaan met het zwaard, 't ringsteken met de lans, 't werpen met pijlen en schichten tegen schilden, enz.
Acht ruiters, twee aan twee, voeren de Quadrille uit, en twaalf, in drieën verdeeld, de Vlaggen-manoeuvre. Deze laatsten hebben lansen met vlaggen, en wel vier roode, vier witte en vier blaauwe. En 't mooije hiervan is, dat de evolutiën zóó worden uitgevoerd, dat men nu een-, dan twee-, dan viermaal de Nederlandsche vlag voorstelt, en soms de vlaggen door elkâar verward schijnen, maar in een oogwenk weêr daaruit de vaderlandsche driekleur te voorschijn komt.
De Slot-manoeuvre bestaat in het trekken van cirkels en slingers door een of meer kolonnen, b.v. drie cirkels om elkaâr, de binnenste in stap, de middelste in draf, de buitenste in galop, en waarbij natuurlijk de middelste zich in de tegengestelde rigting der beide uitersten beweegt; - 't symbool der rigtingen in onzen tijd. - Eindelijk op 't kommando:
‘voorwaarts!’ komen de drie cirkels weêr nevens elkaâr langs den wand der manege in galop, en vormen drie kolonnen, waarop dan gewoonlijk ‘la visite’ volgt. En somtijds wordt ook nog ‘het kruis’, ‘de slang’, ‘de molen’, of eenig ander ‘figuur’ gereden.
Maar 't allerfraaist is, die manoeuvres te zien, als de heeren in kostuum rijden, wat alleen bij feestelijke gelegenheden gebeurt, en waarvoor dan ook de manege zelve cierlijk gedekoreerd wordt1). Van zulk een Gekostumeerd Carrousel in de Fransche manege te Amsterdam kan men de afbeelding zien in het Nederlandsch Magazijn van 1865 bl. 29.